Nostalgie naar de hechte katholieke tijd van toen

Piet Reewijk en Jan Tempel praten over het wel en wee van buurtschap De Engel. De geschiedenis van de Engel komt aan de orde, evenals de kerk, de woningbouw, de omgeving en allerlei gebeurtenissen in de Engel. De woningen uit 1937 staan er nog steeds.

door Ine Elzinga  en fotografie: Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 2, april 2004

Buurtschap De Engel

De eerste woningen die de net opgerichte woningbouwvereniging Gezinsbelang in 1937 oplevert, staan er nog steeds. Dat geldt trouwens voor de gehele wijk. Piet Rewijk, die hier zijn hele leven al woont, praat samen met Jan Tempel over het wel en wee van buurtschap De Engel: ‘Het is altijd een hechte katholieke buurt geweest. De mensen kenden elkaar allemaal. In 1974 zijn veel ouderen naar woonzorgcentrum De Eikenhorst, dat toen werd opgeleverd, verhuisd. Nu de woonverdeelcommissie de woningen toewijst, verandert er veel. Er komen hier steeds meer mensen van buiten wonen, je kent elkaar niet meer. De saamhorigheid is weg, Dat is echt jammer.’

Over de allereerste huizen van buurtschap De Engel is niet veel bekend. Piet Rewijk weet dat de naam van het buurtschap afkomstig van herberg de Witte Engel, wat rond 1600 hier een pleisterplaats moet zijn geweest. Wel is bekend dat Joris Maartensz Langeveld op 24 januari 1639 herberg de Engel heeft gekocht. Veel recenter is de informatie uit de uitgaven ’50 jaar geschiedenis van de Engelbewaardersparochie 1929-1979′ en ’50 jaar woningbouwvereniging Het Gezinsbelang1935-1985′. Er stonden hier en daar wat woningen en de laatste nieuwbouw dateerde uit 1908. De bevolking is overwegend katholiek en aangewezen op Lisse of Sassenheim of op de schuurkerk, gelegen aan de Achterweg. Op 29 december 1928 krijgt N.W.Sentenie, kapelaan in Den Haag, de opdracht van Monseigneur Aengenent, bisschop van Haarlem, een nieuwe parochie op de richten ergens tussen Lisse en Sassenheim. Hij laat zijn oog vallen op een ‘schitterend’ terrein nabij de Beekbrug, eigendom van Wilhelmus Heemskerk die gehuwd is met Maria Hoogduin. Zij geven hem het terrein ten geschenke!
Niet alles gaat van een leien dakje, maar na hard werken is in 1931 alles, behalve de tuin, gereed en staan op het terrein een noodkerk, een hoofdkerk met pastorie, een bijkerk met kosterswoning, twee scholen (een jongens- en meisjesschool), een zusterhuis en een bewaarschool.

Rijke streek
Rewijk, een man met een geheugen als een wandelend archief, gaat terug in zijn eigen geschiedenis om een beeld van de Engel te geven. Levendig vertelt hij: ‘In de jaren twintig (1920) was dit een rijke streek, er was werk, het ging goed in de bollen. Mannen van elders kwamen hier werken. Mijn vader kwam uit Kudelstaart, mijn moeder uit Nieuwveen. Zij hebben eerst in het koetshuis van Ter Beek gewoond, dat was toen trouwens al onbewoonbaar verklaard. Ik ben daar geboren. De zogenoemde Oude Griebus bestond uit een rijtje van zeven woningen langs de Heereweg, tegen de tweede Poellaan aan, vlak langs de tram. Een volwassen man kon zo bij de dakgoot, zo laag waren ze en erg bouwvallig. Dat buurtje had een slechte naam, maar toen de huizen leegkwamen, was het een heerlijk speelterrein.’
Het buurtschap heeft een eigen brandspuit, sinds 1909 tussen de panden van Onderwater en Duineveld gestald. De enthousiaste brandweergasten waren in 1928 als eerste ter plekke, met de benenwagen, toen het splinternieuwe Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in brand stond. De Engel heeft dan (waarschijnlijk vanaf 1920) ook café Juffermans (nu Restaurant Bar De Engel). Rewijk: ‘Ik weet niet precies vanaf wanneer. Maar wijlen moeder Juffermans-van der Velde was de ‘sociaal werkster’ van de Engel. Ze verloor haar man al jong, die heeft zich dood gedronken, en bleef achter met een groot gezin, leuke jongens trouwens. Ze heeft het bedrijf weer helemaal op poten gekregen en was echt de moeder van de Engel.’

Gejuich
Er is behoefte aan woningen, de jeugd vliegt uit. Voor een kleine doch hechte gemeenschap als De Engel is dat onverteerbaar. De kerk staat er al evenals de school. ‘Piet Romijn was voorzitter van het kerkbestuur en hij kwam op het idee een woningbouwvereniging op te richten.’ Dat idee wordt op een bijeenkomst van de bewoners met gejuich ontvangen. In maart 1937 levert de kersverse woningbouwvereniging Gezinsbelang de eerste woningen op, aan het Engelplein en de eerste rij aan de Nicolaas Damesstraat (37 woningen, komplex 1, er zullen er nog drie volgen) tot aan de poort. ‘In dat poortje had Gezinsbelang aanvankelijk een kantoortje. Ledenvergaderingen werden in het parochiehuis gehouden, en als een kind volwassen was geworden, werd het als vanzelfsprekend lid. De huur van die eerste woningen bedroeg f3,20, best redelijk voor die tijd. Er kwamen grote gezinnen te wonen, 12 kinderen was geen uitzondering. In de eerste 14 woningen van het Engelplein woonden op een zeker moment 137 kinderen!!!
Toen er eens drie gezinnen met elk veertien kinderen vrijwel gelijktijdig verhuisden, was dat ook een probleem voor de school,’ herinnert Rewijk zich met een grijns. Later is de Nicolaas Damesstraat doorgetrokken, die woningen waren iets anders, komplex 2. ‘Langs de Mallegatsloot was een speelterrein, een zandvlakte met een grote en een kleine schommel, een wip en een zandbak. Daar werd veel gespeeld. In de oorlogsjaren zijn die speeltoestellen opgestookt in de kachels.’ Pas in 1959 komt er een nieuw speelterrein, ‘Kindervreugd’ aan de westkant van de De Haanstraat. Na de oorlog volgen nog twee komplexen, in totaal zo’n 170 woningen. Na 1956 krijgt de woningbouwvereniging geen toestemming meer van het Provinciaal bestuur om nog verder uit te breiden.

Piet Rewijk en Jan Tempel in de Engel

Weinig veranderd
Beide heren hebben altijd met veel plezier in de Engel gewoond. Over die eerste woningen van Gezinsbelang zegt Rewijk: ‘Dit zijn mooie solide huizen, de eerste dakpannen liggen er nog op. Er is in de loop van de tijd weinig aan veranderd.’ Tempel voegt daaraan toe: ‘Vroeger was de huidige woonkamer de helft kleiner, de andere helft bestond uit een slaapkamer, een toilet en een kleine keuken. Later is er een keuken aan de achterkant aangebouwd, wat de woonkamer tweemaal zo groot maakte, je ziet dat nog aan het plafond. Op de eerste verdieping hadden we een grote overloop en vier slaapkamers. Die overloop is verkleind, de vier slaapkamers zijn er nog.’ Rewijk vertelt dat er ook een vliering is: ‘En dat was wel nodig met die grote gezinnen toen. Zelf heb ik ook lang op zolder geslapen, ik kom uit een gezin van negen.’

Geen vetpot
In de crisistijd, jaren dertig, stort de bollenhandel in. Rewijk: ‘Mijn vader was een harde werker, hij pakte alles aan. Maar hij kwam ook regelmatig in de steun terecht, f11,- per week. Met een huur van f3,25 en negen kinderen was dat geen vetpot.’ De oorlogstijd is een zware tijd. Een aantal mensen moet hun huizen verlaten, op gemeentelijk dwangbevel, om er Duitsers te huisvesten. Ook Jan Tempel moet weg: ‘Na de oorlog ben ik met de tram thuisgekomen, er was een halte bij De Engel. De tram reed elk half uur. In 1948 is de tramlijn opgeheven.’ Bovendien worden veel kustbewoners geëvacueerd, naar onder meer de Engel. De Duitsers willen de kuststrook vrij hebben. Toch komen ook ‘leuke’ verhalen uit die tijd naar boven, zoals van de buurman die twee varkentjes in de schuur hield: ‘Die beesten schreeuwden de gehele dag, er was geen voer, ze kregen alleen aardappelschillen en water. Bij varkens die honger lijden gaan de haren groeien, buurman noemde ze vanaf dat moment mijn schaapjes.’

De Nicolaas Damesstraat in De Engel. Ook hier heeft de auto zijn plaats opgeëist. Dat neemt niet weg dat de oude bewoners nog steeds vol nostalgie praten over de tijd van toen.

Dat de Engel een hechte Katholieke buurt is, verklaart ook het grote kindertal. Rewijk: ‘Vanuit het katholieke denken is het leven een groot goed, wat we zoveel mogelijk aan anderen moeten schenken.’ De kinderen gaan gescheiden naar school, de meisjes krijgen les van de nonnen, de jongens van de broeders. ‘Het was een redelijk strenge Katholieke opvoeding. Maar je zult mij nooit iets onaardigs over de broeders horen zeggen. Die hebben geweldig werk verricht. Naast de schoollessen verzorgden ze ook toneel, zang en sport. Er was een jongenskoor. Ik heb er jaren opgezeten en zing nog steeds graag.’ Vooral na de oorlog organiseert de KAJ (Katholieke arbeidersjeugd) veel sportevenementen, het kampioenschap hardlopen van de Engel, schaatswedstrijden op de Mallegatsloot.

Sociale controle
Voor buitenstaanders is het niet altijd gemakkelijk zich een plek in deze wijk te verwerven. Jan Tempels echtgenote, van huis uit Amsterdamse: ‘Het was toch een heel gesloten gemeenschap met een sterke sociale controle. In het begin was het wel moeilijk. Op zondag bleek het niet gepast als vrouw een pantalon te dragen. Zoiets was ik in Amsterdam niet gewend. Een spijkerbroek doordeweeks kon wel, maar je werd wel geacht je te verkleden voordat manlief thuiskwam. Ik heb mij dat eerlijk gezegd nooit zo aangetrokken. Ik ben nu helemaal geaccepteerd en voel mij hier echt thuis.’
Begin jaren vijftig gaat het ook in de Engel beter. De bollenarbeiders krijgen 30 Rijnlandse roeden om te bewerken en daarnaast 1,5 roede per kind, inclusief poters, om dus aardappelen te verbouwen. Dat is vastgelegd in de CAO. Als de aardappelen gerooid moeten worden, is de hele buurt eendrachtig aan het werk. In 1957 komt daar een einde aan, de arbeiders krijgen wel een compensatie, de CAO wordt aangepast. Rewijk: ‘Dat was in verband met de export naar Amerika en hun angst voor het aaltje. Het was wel jammer, die zandgrondaardappelen waren veel beter dan die later op de klei werd verbouwd.’ En er is altijd een nauwe band geweest met het bedrijf Onderwater: ‘Veel vrouwen hadden een goede bijverdienste aan het inpakken van bollen.’

Wie zijn jeugd heeft doorgebracht in De Engel, speelde in De Poort. Vooral voetbal met een tennisbal. Het buurtschap had in totaal vijf van deze poorten.

Volle kerk
De Engelbewaardersparochie heeft altijd over de Engel gewaakt: ‘Iedere zondag drie missen en de kerk was tot de laatste plaats bezet, toch wel duizend mensen. Nu is dat nog maar één mis, en als er 150 mensen zijn, is het veel.’ Tempel: ‘Ik herinner mij dat onze buurvrouw zondagmorgen om half zeven onder aan de trap alle negen kinderen bij naam het bed uitriep, ik ken dat rijtje nu nog. Om zeven uur eerst naar de mis, daarna mochten ze spelen, voetballen enzo.’ 

Kerk dicht?
Er gaan geruchten dat de Engelbewaarderkerk gaat sluiten. Dat feit mede met het gegeven dat steeds meer buitenpoorters zich in De Engel vestigen, maakt duidelijk dat ook buurtschap de Engel niet ontkomt aan de maatschappelijke veranderingen. Maar ook vandaag willen zij die in dit buurtschap zijn opgegroeid hier graag blijven. Eens Engelsman, altijd Engelsman. ‘Wat typisch van De Engel was? De hechte Katholieke gemeenschap, en … de bijnamen.
Een voorbeeldje dan. Toen Willem Goedemans ooit het riet (afkomstig van de bollenvelden) tot een schoof samenbond, bleek hij een gedeelte bijna te vergeten. Enthousiast bond hij dat er bovenop tot een punt. Sindsdien heette hij Willem Punt, en zijn kinderen waren er een van Punt. Maar van de meeste bijnamen is de herkomst onbekend.’

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Piet Rewijk en Jan Tempel in de Engel

Lisse was fameus om haar bloemententoonstellingen

De afdeling Lisse van de Algemene Vereniging Bloembollencultuur werd in 1879 opgericht. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstellingen werden gehouden in de Witte Zwaan.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad  Jaargang 3 nummer 2, april 2004

De tentoonstelling Bloemlust bestaat al jarenlang niet meer. Maar de huisbroeitentoonstelling (nu Lenteflora geheten) is nog altijd een traditie.

Hadden de bloemistknechts aan het begin van de vorige eeuw hun vakbonden zoals St. Isidorus; de kwekers zaten ook niet zonder. Die konden zich verenigen in de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (thans Koninklijk). De afdeling Lisse van deze vereniging werd op 13 maart 1879 opgericht. Onder leiding van voorzitter C.Blokhuis (inderdaad de Blokhuis die het land bezat waar nu het winkelcentrum is gevestigd) werden de eerste stappen op het verenigingspad gezet. Men werd overigens lang met de naam Blokhuis geconfronteerd, want toen de driejarige voorzittersperiode voorbij was nam de heer G.Blokhuis de hamer over. Dit hamertje wisselen duurde tot 1896. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstelling die in 1929 in de (houten) HBG hallen werd gehouden vanwege het 50-jarig bestaan van de afdeling, spande wel de kroon. Niet alleen omdat men een enorme berg werk verzette om alles zo mooi en groots mogelijk te doen zijn, maar ook voor wat betreft de enorme tegenslagen die men kreeg te incasseren. Het vroor in die bewuste februarimaand namelijk dat het kraakte (het gemeentehuis in Leiden brandde af en veranderde door het bevroren bluswater in een schitterend ijspaleis). De pakweg 20 graden vorst konden niet worden verwerkt door de nog experimentele oliestook c.v. en de tentoonstelling ging door de kou ten onder. Zelfs de voor 4000 (!!!) gulden gehuurde palmbomen gingen eraan. Eerdere tentoonstellingen werden gehouden in (jawel) De Witte Zwaan. De vakpers schreef over de bloemenexpositie van 1892:. “Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen. Het lokaal van De Witte Zwaan was in een waar lustoord veranderd en reeds bij het binnentreden was de aanblik grootsch. Ofschoon tulpen schaarsch waren en Narcissen en Crocussen geheel ontbraken, werd men voor dit gemis schadeloos gesteld door de grote massa Hyachinten, welke in onberispelijke exemplaren voorhanden waren…”

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Bloemententoonstelling in 1930

 

OOSTENRIJKSE GRAVIN IN 1675 TOT BLOEMENHEKS VERKLAARD EN VERBRAND

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 2, april 2004

In bloei trekken van bloembollen was in de zeventiende eeuw heel riskant.

 

Anno 2004 wordt om de haverklap geschreven en verteld over het in bloei trekken van bloembollen. Er zijn zelfs tentoonstellingen van bloembollen die in een vroeg stadium in bloei zijn getrokken. Op de Midwinterflora bijvoorbeeld zijn daarvan steevast knappe staaltjes te zien. Allemaal het resultaat van het bedotten van de natuur. Een soort tovenarij dus.

Reeds honderden jaren geleden werd het broeiresultaat beschouwd als iets bovennatuurlijks. Heksenwerk was het en daarover gaat de volgende geschiedenis. Het verhaal van een vrouw waarvan het geschilderde portret in de Riegersburg hangt. Een machtige burcht op een 480 meter hoge rots ergens in het oosten van Stiermarken. Het is het portret van een vrouw met een edel gevormd gezicht en eindeloos weemoedig starende ogen. Haar rechterhand rust op een weelderige bos tulpen en narcissen en in de linkerhand houdt ze een tuiltje alpenbloemen. Het is Katharina Faltauff, de bloemenheks. Ze leefde in de zeventiende eeuw, het tijdperk van de heksenprocessen. De winter van 1675 was streng en langdurig. Toen april in het land kwam, lagen de landerijen nog dik onder de sneeuw en waren de beken stijf bevroren. Maar in een der vertrekken van de Riegersburg begonnen de uit Holland geimporteerde tulpen en narcissen te bloeien. Katharina was een groot liefhebster van bloemen en planten en experimenteerde kennelijk ook met bolgewassen. Het lukte haar tulpen en narcissen in bloei te krijgen terwijl het buiten nog overduidelijk winterde. Kwamen nu de belangstellenden in lange rijen om dat wonder met eigen ogen te gaan zien? Geen sprake van! Het feit dat Katharina deze bolgewassen liet bloeien in een ongewone tijd was niet normaal. Dat kan alleen met behulp van de duivel. Iedereen was het er over eens: zij was een heks.

Heksengericht
Het Heksengericht kwam naar de Riegersburg. Natuurlijk werd Katharina in de kerker geworpen en kort daarop verhoord. De rechter vroeg haar eerlijk te bekennen dat zij dit bloemenwonder met behulp van demonen tot stand had gebracht. In de afgelopen zomer was het koren door een ongewoon hevige hagelstorm vernietigd. Was dat ook niet haar schuld? Durfde zij nog te ontkennen dat ze de zwarte kunst machtig was? Katharina ontkende, maar dat baatte niet. Zij werd op het rek gelegd, haar voeten werden geschroeid met gloeiende ijzers en de beulen bedachten nog veel allesbehalve zachtzinnige methoden om haar aan het praten te krijgen. Zij overleefde deze verschrikkelijke folteringen zonder te bekennen. Maar toen haar lichaam genezen was, bleek haar geestvermogen gestoord te zijn. Van de morgen tot de avond vervloekte ze haar geboortedag en het mensdom. Dat was voor Katharina’s rechter het beste bewijs dat ze door de duivel bezeten was. Op 23 september werd zij op het marktplein te Feldbach levend verbrand. En als we een schone ballade van de Weense dichter Johann Vögl mogen geloven, dan stierven op hetzelfde ogenblik alle bloemen op de Riegersburg. En sedertdien heeft daar nooit meer een bloem gebloeid!!

Voorgetrokken nieuwe tulpensoorten in de expositiehal van CNB, Lisse op 23 januari 2004 Model Sabrina Schuite van de afdeling Verkoop en Veiling wilde wel even poseren.

Nog in tact
In de Nieuwe Rotterdamse Courant heeft A. Burkij-Bartelink jaren geleden de geschiedenis van Katharina Paltauff uitvoering beschreven. De Riegersburg staat er nog altijd. Ondanks vele oorlogen en de Russische bezetting van 1945 tot 1955 is het kasteel vrijwel in tact gebleven. Nog immer troont het slot hoog en grimmig boven de liefelijke Stiermarkse omstreken, het land dat drie eeuwen geleden getuige is geweest van een heksenvervolging die haar weerga in de Europese geschiedenis niet heeft.De heksenjacht bereikte haar hoogtepunt in de jaren 1673 tot 1675. Het verbranden of verdrinken van mensen – meest vrouwen – die het odium droegen van een verbond met de duivel te hebben gesloten en daardoor over bijzondere hoedanigheden beschikten, is zeer oud. Het kwam in elk land voor. De normale, eenvoudige mens houdt niet van bovennatuurlijke machten, van toverij en van verschijnselen die in strijd zijn met de seizoenen, de zwaartekracht, de normale wetten van oorzaak en gevolg. Wie vermogens bezat die daarmee spotten, plaatste zichzelf buiten de samenleving en werd als een gevaar voor de gemeenschap verwijderd.

Geteisterd
Oostelijk Stiermarken is door de eeuwen heen een geteisterd gebied geweest. De bodem is steenachtig en moeilijk te bewerken.Bovendien heeft de bevolking van de dertiende eeuw af te kampen gehad met invallende horden uit het oosten. De grootste ramp die het land ook trof was de Hongaarse overval van 1605. De dorpen Furstenfeld en Feldbach werden volledig verwoest.3500 mensen werden gedood of verbannen. De gehele oogst en de complete veestapel werden geroofd. Het duurde tientallen jaren eer de boerenbevolking deze slag te boven was. De armoede die er vrijwel de gehele zeventiende eeuw door het gevolg van is geweest, moet onbeschrijflijk geweest zijn. Toch was het niet de bevolking in haar geheel die onder deze druk leed. De welgestelde burchtheren in hun kastelen waren vaak de dans ontsprongen en de kloosters hadden ook hun grote bezittingen in de vorm van landerijen. En als de burchtheren tekort kwamen, dan voerden ze wel één of andere heffing in, op te brengen door arme sloebers die zelf nauwelijks te eten hadden. En deze ,,cleyne luyden” waren ook weer het kind van de rekening toen in 1664 de Turken rovend, moordend en vrouwen schendend het land binnenvielen. Weliswaar werden de Turkse horden bij Mogersdorf beslissend verslagen, maar opnieuw waren duizenden burgers gesneuveld.

Maat was vol
De maat was vol. Het volk nam het niet meer. De woede van de boeren richtte zich in de eerste plaats tegen de adel in hun kastelen en tegen de geestelijkheid in haar prachtige kloosters. Het eenvoudige volk beschikte niet over de wapens en de middelen om deze te vernietigen, maar het had een ander – en machtiger! – middel: het gefluisterde gerucht. In een nabij gehucht zou een vrouw een kind ter wereld hebben gebracht dat een varkenskop had. De jonge moeder was kort tevoren naar de Mis geweest en de priester zou haar daarbij doordringend hebben aangekeken. Was dat niet dezelfde priester die gezien was op de Schlieszelberg waar ’s nachts kloosterbroeders het hoofd getooid met een bos groene veren onder het uitschreeuwen van godslasteringen het heilige kruis bespotten? De brave man kon beweren wat hij wilde, maar hij belandde in de kerker. Hij was een handlanger van de duivel. De Heksengerechten werden opgericht en de zelden gebruikte pijnbanken tevoorschijn gehaald.In Feldbach verrees de brandstapel.

Bloed
Eeuwen lang waren het alleen vrouwen uit het volk geweest, die als heksen werden aangemerkt en vervolgens verbrand. Nu vroegen de boeren, gedreven door ergernis en wanhoop, naar belangrijker figuren. En toen het volk eenmaal het bloed van de folterkamer had geroken, was er geen houden meer aan. Binnen enkele maanden werden veertig geestelijken – bijna allen uit de hogere rangen – voor het gerecht gedaagd, gefolterd, veroordeeld en vervolgens verbrand.

Blonde geliefde
Over de jeugd van Katharina Paltauff, de bloemenheks, en haar eerste jaren als gade van de slotvoogd van Riegersburg is weinig bekend. Er bestaan in Stiermarken verscheidene lezingen van het optreden van deze sterk tot de verbeelding sprekende vrouwenfiguur. Het heet dat zij als jonge vrouw in gezelschap van een geliefde uit het hoge noorden naar Stiermarken kwam. Haar vaderland wordt in het proces beschreven als ,,een gebied aan het strand” en haar geliefde als een man ,,blank van huid en blond van haren”. Het is dus bepaald niet onmogelijk dat deze mensen Duitsers, Vlamingen of…..Hollanders waren. De met haar meegekomen jongeman leerde Katharina de bloemen te kweken, die in het eenzame, harde bergland van Stiermarken haar troost zouden worden. Hij was het die haar de Hollandse bloembollen en ook de hiervoor benodigde goede aarde verschafte. De jongeman overleed echter al spoedig en Katharina plantte haar zelf gekweekte bloemen op zijn graf. Kort daarop trouwde zij met de slotvoogd Simon Paltauff.

Eerste

Katharina was ongetwijfeld de eerste die in dit ruige bergland begon met het kweken van planten en bloemen in de kamers van het slot. Ze kreeg daarin op den duur veel ervaring en het werd in en rond de burcht – waar het merendeel van de mensen meende dat vrouwen binnenshuis, maar planten buiten behoorden – met stijgende verbazing geconstateerd. Intussen laaide in het naburige Feldbach de vlammen op van de brandstapels. Bij de geringste verdachtmaking greep het gerecht in. Als men gesignaleerd was in de nabijheid van een der heuveltoppen waar de zogenaamde heksensabbatten werden gehouden, was dat al voldoende om te worden gearresteerd. Het verhoor was kort, de foltering hevig, maar het ontkennen was even nutteloos als het toegeven van de feiten. Het volk wilde menselijke zoenoffers voor het doorstane leed.

Ontkennen
En zo kwam de lente van 1675, waarin men Katharina Paltauff voor het gerecht daagde. Zij ontkende. Dat deed zij ook toen men haar op de pijnbank legde, haar uitrekte en haar voetzolen met gloeiende ijzers verschroeide. De vlammen verteerden haar, terwijl het volk er grijnzend nar keek. Op de Riegersburg hangt nog altijd het door een tijdgenoot geschilderde portret van de bloemenheks. Haar rechterhand steunt op de bolbloemen, die haar op de brandstapel brachten…….
We willen natuurlijk niemand de daver op het lijf jagen en bewegen om in de wintermaanden geen bolbloemen meer aan te schaffen. Onze streek en ook Lisse leeft daarvan. Met respect voor de mensen die het voor elkaar krijgen om in de wintermaanden voorjaarsbloemen te produceren. Dat zijn geen heksen, maar vakmensen!

De bloemenheks werd verbrand vanwege het in bloei trekken van bollen in de winter.