Bollenteelt begon op het buiten van de dominee

In 1978 werden de gebouwen van H. de Graaff gesloopt. Hiermee kwam een einde aan een roemrijk bloembollenbedrijf. Het bedrijf bestond al in 1735. Daarvoor woonde dominee Bloementuin er. Nu heet het plan de Graaff en staan er huizen en flats.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

Met het slopen van de bedrijfsgebouwen van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H.de Graaff en Zonen te Lisse, op de hoek Heereweg/Julianastraat, werd in 1978 een dikke punt gezet achter een niet onbelangrijk stuk geschiedenis van Lisse.

Op deze plaats immers werd voor Lisse de grondslag gelegd van de bloembollenteelt en nog heden ten dage worden we geconfronteerd met de niet onbelangrijke invloeden die de agrarische sector en met name de bloembollenteelt ten toon spreidt.
Het is op deze plek inmiddels behoorlijk veranderd. Waar ooit de landarbeiders de ruggen kromden om het product te bewerken, zijn moderne eensgezinswoningen en comfortabele appartementen verrezen. Spelende kinderen namen het gebied in bezit in plaats van de vele duizenden kleurige bloemen en de vele miljoenen bloembollen op het gebied waar ooit dominee Joannes van Blommestein woonde.

Het grootst geluck
What is in a name zouden we bijna zeggen en om met Constantijn Huygens te spreken: Die ’t Ambacht wet verstaet, waervan hij leven moet, En die ’t niet – wel – alleen, maer – wel en geerne doet, Beleeft het grootst geluck dat ijemand kan begeeren.
En zijn we beland bij Claas Simonsz de Graaff, de grondlegger van een later zeer vermaard bloembollenbedrijf. Anders gezegd: op het huidige plan De Graaff is de bloembollencultuur geboren!! Op 15 april 1735 werd door Nicolaas de Graaff reeds een zogenaamde Groene Veiling gehouden, waarop hij ten overstaan van Schout en Schepenen ‘Volgens de gewoonte in de Liefhebberij van Flora van meeninge is te verkoopen een partij hyacinten, 238 bollen in een veertigtal soorten, die f. 139,90 opbrachten. Daarna volgde de ene belangrijke zakelijke transactie op de andere.


Luchtfoto van het bedrijf van H. de Graaff en Zn. Links het hoofdkantoor aan de Heerewegzijde. Rechts onderaan de daken van de huizen in de Julianastraat en de schuren op de plek waar nu de Constantijnstraat is.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Luchtfoto van het bollenbedrijf de Graaff

 

Lisse had al in 1566 een bomenverordening

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

‘SCHOUT EN KROOSHEEMRADEN VERKLAREN DE WILLIGE BOOMEN VAN HUYSE DEVER EEN CIERAAD LANGS DEN HEEREWEG’.

Sinds kort heeft Lisse haar bomenverordening. In het verleden waren het de keuren van Rijnland die alles regelden. Wat komen we in het Register op de keuren en ordonnantien van het Hoog-Heemraadschap van Rijnland (Leiden 1823) zoal tegen?

Allereerst worden in de keuren regels gesteld omtrent het planten van bomen op slootkaden. Aan de Zon- of Zuid-Zijde van schouwbare kaden mochten bijvoorbeeld geen bomen geplant worden. Vermoedelijk was deze regel gesteld, aangezien deze bomen anders hun schaduwen zouden werpen op de kaden en dat kon een belemmering vormen bij het schouwen hiervan door Rijnland. Bij zo’n schouw werd onder meer gekeken of de slootkanten wel goed onderhouden werden door de eigenaren. Voor de bomen aan de noordzijde gold slechts dat deze tot zekere hoogte gesnoeid moesten worden.
Ook nabij enige Wind-Watermolens mochten geen bomen geplant worden, waarschijnlijk om een vrije vlucht te garanderen van de wieken.
Wat gold voor de sloten ging ook op voor de wegen binnen het beheersgebied van Rijnland. Langs de wegen – vooral openbare wegen – mochten natuurlijk niet zomaar bomen geplant worden zonder toestemming van het Hoogheemraadschap. Voor de Straatweg tusschen den Haag en Haarlem , tegenwoordig de Rijksstraatweg, Heereweg of ook wel de Hoofdstraat (in Sassenheim) genoemd, gold zelfs een aparte keur, die in 1807 in het leven was geroepen. Het verbood het kappen of planten van bomen waarbij de grond nader geroert werd dan op 20 duim (ongeveer 50 cm) afstand van de kantlage der Straet, dus vanaf de randen van de straat. Trok men zich hier niets van aan, dan was een boete van 25 pond het gevolg. Moest de weg toch worden opgebroken, dan diende men zich te adresseren bij het Departementaal Bestuur van Holland, die (in 1807) als eigenaar en beheerder van de weg optrad. Langs de Heereweg liepen voetpaden, waarlangs in de bermen nogal wat Ruigte, dus onkruid, voorkwam. We lezen: De Ruigte langs de voetpaden zal, vanwege het Departementaal Bestuur, mogen worden geblood (verwijderd), voor zoo verre zulks aan het Plantsoen aldaar, niet schadelijk zij, teneinde op den weg tot dekking te kunnen worden gebruikt. Kennelijk werd dus deze ruigte als wegbedekking gebruikt. Deze nieuwe keur die alleen voor de Heereweg gold, is waarschijnlijk in het leven geroepen, daar in 1807 deze weg werd bestraat.

Minder strukelen
In één van de dingboeken van Lisse die de periode 1681-1699 beslaat en die zich bevindt in het Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk Archief Lisse lezen we op fol. 54 de volgende tekst:
Wij Mr. Adriaan van Gorcum, Schout, Claas Maartense van der Poel, Adriaan Aalbertse van den Bos, Willem Adriaanse Steenvoorden, ende Pancras Dammisse Sandvliet, kroosheemraden in Lisse, verklaren ter requisitie van den hoogedelen welgeboren heere Wilhelm de Waal van Vronesteijn, heere van Dever etc. dat de willige boomen bij sijn hoogEd. doen stellen aan’t Voetpad van den heereweg voor den huyse ende Landerijen van dever in den voorsz. ambagte van Lisse in plaatse ende op de Royinge van de palen die de aangelandens aan de Zuydoostzijde van den heereweg tot bewaringe van’t voetpad genootsaakt sijn te houden, na ons oordeel, tot niemands verhinderinge, maar in tegendeel tot Cieraad, ende meerder gemak als palen verstrekken, insonderheijt voor de gene die de weg bij avond moeten passeren, alsoo deselve ’t pad des te beter kunnen royen (begrenzen) ende minder strukelen ende dat de weg ende passage door deselve geensints belemmert of beslijkt word, sijnde aldaar soo ruym ende droog als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Aldus gedaen in’t Regthuys van Lisse op den negenden octob. xvi c ’t Negentig….
Ondertekend door bovengenoemden met hun namen.

Voetgangers beschermen
De wilgen werden dus geplaatst langs de oostkant van de Heereweg, aan de Dever-zijde. Ze kwamen in de plaats van palen die daar waren geplaatst om voetgangers te beschermen voor het verkeer. Reeds in 1566 lezen we over de afpaling van een voetpad langs de Heereweg voor eventuele passanten, in het bijzonder de schoolkinderen. Kennelijk gebeurde het echter regelmatig dat sommige nachtelijke passanten de palen niet opmerkten en er dus struikelpartijen plaatsvonden. (Waarschijnlijk waren de palen dus niet zeer hoog). Geen wonder dan ook dat, als de Heer van Dever, Willem de Waal van Vronesteyn, de palen vervangt door wilgen, zowel schout als kroosheemraden er geen enkel bezwaar tegen uiten. In bovengenoemde verklaring kan men dat lezen. Volgens hen strekken de wilgen zelfs tot Cieraad van de weg!
Natuurlijk waren er weer mensen die dachten dat de Heereweg bevuild zou worden door de bladeren van de bomen, maar bovengenoemde personen verklaren dat de Heereweg hier even schoon is als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Bovendien belemmeren de bomen de passage ook niet, want de Heereweg is ruym genoeg.
De bomen hebben er uiteindelijk zo’n 74 jaar gestaan. Toen zijn ze tenslotte door de toenmalige Heer van Dever verwijderd en werden er nieuwe geplant: Dirk Jan Ignatius Heereman is op zijn verzoek toegestaan en geconsenteerd dat hij Suppliant alle de Boomen staande langs de Heereweg aant voetpad van de Eerste Poellaan aff tot aen de Brugge van Wassergeest toe (de Staalbrug) mag uytroyen (kappen), de grond omdelven en andere Boomen planten (…). Actum 22 december 1764″.

Bronnen: Bibliotheek Oud Archief Rijnland (keuren), K.J.B. Keuning, Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ (Haarlem 2000)

Tekening van Schoemaker

 

De steenfabriek ‘De Arnoud’ in de oorlog

door Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

TRAGISCHE SPLIJTZWAM IN DE ADELLIJKE FAMILIE VAN HARDENBROEK VAN AMMERSTOL: VOOR ÉN TEGEN DE DUITSE BEZETTERS

Het is opmerkelijk dat in de boeken over de oorlogsjaren ’40-’45 in de dorpen Lisse en Hillegom geen woord gewijd is aan de kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’. Die fabriek produceerde tussen 1940 en 1944 125 miljoen stenen voor de Luftwaffe, die er op de militaire vliegvelden Schiphol, Ypenburg, De Kooy, Venlo, Eindhoven, Twente, Leeuwarden en Loosdrecht scherfmuren mee bouwde, kantines, onderkomens en schuilplaatsen voor Duitse soldaten.

De directeur van de fabriek, Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol (1875), en de commercieel directeur, dr. Hendrik Arend Marcus (1898), werden respectievelijk op 9 oktober 1945 en op 25 januari 1946 gearresteerd en in oktober 1946 berecht door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Ze werden veroordeeld wegens hulp aan de vijand in oorlogstijd, Van Hardenbroek tot een jaar met aftrek en Marcus tot twee en een half jaar met aftrek. Dat de oorlogsboeken hierover niets melden is des te merkwaardiger omdat in de fabriek zowel Hillegommers als Lissenaren werkten en het – als je oudere bewoners mag geloven – algemeen bekend was dat de fabriek in hoofdzaak voor de Duitsers produceerde en dat de directeur sterk pro-Duits was.

Hillegomse fabriek
Herman van Amsterdam die het boek ‘Een bollendorp bezet’ (over Lisse in ’40-’45) schreef, meldt alleen een actie van de ondergrondse die op een nacht acht vaten met smeerolie, die op het terrein van de kalkzandsteenfabriek onder een hoop zand waren verborgen, heeft weggehaald. Van Amsterdam denkt dat het oorlogsverleden van de fabriek niet in zijn boek wordt genoemd te wijten is aan het feit dat de fabriek in Hillegom stond.
Ook in het boek van de Hillegomse bakkerszoon Frans Out ‘Hillegom ’40-’45’ komt het ‘foute’ aspect van de fabriek niet aan de orde. Frans Out is inmiddels overleden, maar Marca Bultink die hem indertijd hielp met schrijven, weet ook de reden niet. Ze veronderstelt dat er in het archief van de gemeente niets over te vinden was en ze wijst er op dat Van Hardenbroek weliswaar in Hillegom werkte, maar in Haarlem woonde, in ‘Uyt den Bosch’ aan de Spanjaardslaan, een reusachtig woonhuis dat hij in 1914 had laten bouwen. Daar werd hij gearresteerd en hij werd vastgezet in de Ripperda-kazerne in Haarlem. In het boek van Out worden enkele aanvallen van geallieerde vliegtuigen vermeld, een op een tram die op 16 september 1944 over de Leidsestraat in Hillegom reed in de buurt van de steenfabriek, waarbij een man dodelijk werd getroffen. En een op dinsdag 3 april 1945 op een vrachtwagen die ook over de Leidsestraat reed, waarbij drie mensen om het leven kwamen, onder anderen Sikke Willem Naber, de bedrijfsleider van de steenfabriek.

Honderdjarig bestaan
In de afgelopen maanden is het gebrek aan informatie over de oorlogstijd enigszins opgevuld door Jaap Kroon uit Lisse, die van 1933 tot 1945 op het kantoor van de fabriek werkte, en door Arie den Hoed uit Lisse, die in zijn jeugd bij de fabriek heeft gewoond omdat zijn vader er werkte.
Arie den Hoed schreef voor het blad ‘Hangkouserieën’ van de Stichting Vrienden van Oud Hillegom een tweedelig verhaal over de geschiedenis van de fabriek in verband met het honderdjarig bestaan in augustus van dit jaar. Het eerste deel verscheen in het juli-nummer en het tweede deel, waarin het oorlogsverleden van Van Hardenbroek wordt behandeld, wordt gepubliceerd in het nummer van oktober. Daarin meldt Den Hoed afstandelijk de feiten zoals hij ze aantrof in het uitgebreide strafdossier, dat hij samen met Jaap Kroon in het Rijksarchief in Den Haag heeft ingezien en bestudeerd.
Hij tekent wel aan dat Van Hardenbroek nimmer lid is geweest van de NSB en ook: ‘Ir. Gijsbert van Hardenbroek (de oudste zoon) was nu alleen directeur, maar dat werd door het Beheersinstituut niet als een bezwaar geoordeeld, gezien de relatie tussen vader en zoon. Hiermede werd het publieke geheim aan de fabriek, dat het niet boterde tussen vader en zoon, toch bevestigd.’

Pietje en Jonkie
Jaap Kroon schreef eind 2000 een klein boekje, bestemd voor de eigen familiekring, in een oplage van ongeveer vijftig stuks, getiteld ‘Arnoud, de baron en de fabriek’. Dankzij de bekende streek-historicus Fons Hulkenberg kwam een exemplaar terecht in het gemeente-archief van Lisse. Jaap Kroon werkte vanaf 1933 als jongste bediende op de administratie van de fabriek. Hij zat op het kantoor vlakbij juffrouw Corrie Slinger, de typiste. Van Hardenbroek noemde juffrouw Slinger Pietje en Jaap Kroon Jonkie. Het moge duidelijk zijn dat het jonkie in al die jaren wel het een en ander zag en hoorde. Hij doet dan ook een behoorlijk boekje open over de verhouding tussen Arnoud Hendrik en zijn zoon Gijsbert naar aanleiding van de arrestatie van Van Hardenbroek bijna een half jaar na de bevrijding. Ik citeer het daaraan gewijde hoofdstukje:

Het bittere einde

Maar toen gebeurden er vreemde dingen. Er werd een inval gedaan in het kantoor door de P.0.D., de instantie die na de bevrijding de oorlogsmisdadigers oppakte. Tegen het eind van de bezetting had Markus uit voorzorg al wat materiaal opgeruimd, wat belastend zou kunnen zijn voor de directie of waaruit al te veel medewerking met de Duitsers zou blijken. Uit de kopieboeken waren ettelijke brieven gescheurd met uitlatingen van Van Hardenbroek, die verre van vleiend waren voor de Nederlandse regering of voor de Engelsen. Die bladen waren opgeborgen achter een luik, waar nooit een sterveling ze zou zoeken. Maar de heren van de opsporingsdienst liepen er regelrecht naartoe. Bleken niet alleen op de hoogte te zijn van de betreffende boeken, maar zelfs van de nummers van de uitgescheurde bladen. Het kon niet anders of er was verraad in het spel geweest en wel van iemand uit eigen kring, die al die brieven gelezen had. Het lag voor de hand, dat daarbij aan mij werd gedacht, want waarom was ik zo snel vertrokken? Op een dag stopte er dan ook een auto voor onze deur met een van de vertegenwoordigers, die een verzoek van Van Hardenbroek overbracht of ik nog een keer op het kantoor wilde komen. Onbewust van wat mij boven het hoofd hing, ging ik mee. Werd zelfs vriendelijk ontvangen en ik, die ruim 12 jaar bij dat enorme bureau van de grote baas gestaan had als mijn diensten nodig waren, mocht deze keer zitten. Er werd mij verteld wat er gebeurd was. “Jaap, jij kunt het gedaan hebben, want jij kende elke brief, die de deur uitging.” Bij deze woorden werd ik scherp opgenomen, maar er volgde al gauw: “Nee, toch verdenk ik je niet. Mijn vraag is, wil jij me zeggen wie het dan wel gedaan heeft?” Ik stond perplex, moest even nadenken en gaf als antwoord: “Meneer, ik zeg het liever niet en ik hoop dat u mij dat niet kwalijk neemt.” Hij had er begrip voor en na een lange poos van zwijgen barstte hij los: “Ik zal het je zeggen” en wijzend naar de ingenieurskamer, waar zijn intussen vertrokken zoon vroeger zat: “Hij daar!” Hoe bitter moet deze uitspraak voor hem als vader geweest zijn. Toen hij wat bedaard was, informeerde hij naar mijn nieuwe omstandigheden en drukte me vriendelijk de hand ten afscheid. Dat was mijn laatste contact met hem.

Voor uitleg van dit verhaal moet ik terug in de geschiedenis. Uit zijn eerste huwelijk had Van Hardenbroek een zoon die Gijs heette en voor ingenieur gestudeerd had. Hij was nogal doof en door die handicap en mogelijk ook door zijn zwakke karakter had hij er in de praktijk nog niet veel van terechtgebracht. Dat zal er ook wel de oorzaak van zijn geweest, dat vader en zoon elkaar niet lagen. Maar Gijs had een vrouw met meer pit en zij kreeg bij schoonvader gedaan, dat manlief een baan op de fabriek kreeg. Bij de laatste verbouwing van het kantoor was er al een ruime kamer ingericht voor een mogelijk toekomstige kracht met de ingenieurstitel. Zijn bed leek dus gespreid. Maar al gauw kwam uit dat het een fiasco zou worden. Willem Naber, de fabriekschef, toch al een man die niemand naast zich duldde, liet hem links liggen. Ook van zijn vader kreeg hij geen medewerking, zodat er voor hem geen schijn van kans was om zich te bewijzen. Hij sjouwde veel door de fabriek, maar had in feite niets te doen. En als hij al eens een idee had werd het door zijn vader afgekraakt. Het gebeurde, onder de middag, als het overige personeel naar huis was, dat ik gesprekken tussen die twee moest aanhoren, waarbij de zoon zo volledig gekleineerd werd, dat je de tranen in je ogen zou krijgen. En Gijs liet dat alles over zich komen. Wel kwam hij trouw het kopieboek bij me halen, om zich op de hoogte te houden van de gevoerde correspondentie. Op zich een begrijpelijke handeling, die geen enkele argwaan wekte. Toch gebeurde het in de laatste tijd van de oorlog, dat als ik het bewuste boek weer nodig had en het bij hem ging halen, dat hij een lichte schrik niet kon verbergen. Ik zocht er niets achter, weet het aan zijn doofheid, waardoor hij niet hoorde dat je er aankwam. Eerst achteraf werd me alles duidelijk. Hij was door z’n vader zodanig vernederd, dat hij zon op wraak. Alles wat maar enigszins belastend was had hij genoteerd, tot de nummers van de bladen aan toe. Zelfs het feit dat de uitgescheurde pagina’s op een geheime plaats waren weggestopt, had hij doorgegeven. En het werkte!

Neemt zoon wraak?
Het is zonneklaar: zoon Gijsbert wordt er in het boekje van Jaap Kroon van beschuldigd uit wraak zijn vader te hebben aangegeven bij de Politieke Opsporings Dienst P.O.D. Zijn vader wordt gearresteerd en berecht en overlijdt een jaar later, 72 jaren oud. Een dramatisch einde van een lid van een oud adellijk geslacht. Hieraan is natuurlijk wel het een en ander voorafgegaan.
Baron Arnoud, wiens vader burgemeester was van Leusden en Stoutenberg, trouwde in januari 1899 met Cecilia Leembruggen (1877). De schatrijke familie Leembruggen bewoonde het buiten Veenenburg op de grens van Lisse en Hillegom. Nog in hetzelfde jaar werd hij mede-eigenaar van Veenenburg, omdat Cecilia’s vader kwam te overlijden.
Samen met de buren van het buiten Elsbroek werd een ‘Maatschappij tot exploitatie van gronden Veenenburg-Elsbroek’opgericht. Het bedrijf groef op de uitgestrekte eigen landerijen zand af voor de aanleg van dijken, wegen, spoorbanen, ophoging van bouwterreinen en dergelijke. (Daardoor kwam geestgrond vrij die uitstekend geschikt bleek voor de teelt van bollen.)
Van Hardenbroek slaagde er terzelfder tijd in de hand te leggen op een nieuw Duits procédé voor de vervaardiging van kunstzandsteen. Hij richtte dan ook de n.v. Kunstzandsteenfabriek ‘Arnoud’ op en trok uit adellijke kringen investeerders aan. Het moest welhaast een profijtelijk bedrijf worden, omdat immers de grondstof op de eigen landerijen voor het opscheppen lag.
Inmiddels was Van Hardenbroek vader geworden van Maria (1901) en van Gijsbert (1903). Maar in de loop der volgende jaren groeiden de ouders uit elkaar. Van Hardenbroek liet een groot en prachtig woonhuis bouwen in Heemstede, Uyt den Bosch (nu in Haarlem) en ging daar in 1914 met zijn gezin wonen. Het buiten Veenenburg werd afgebroken. Nauwelijks een jaar later, in januari 1915, scheidde hij (bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden) van zijn vrouw Cecilia en in hetzelfde jaar trouwde hij met haar zus Cornelia (1882). Uit dat huwelijk kreeg hij drie kinderen: Alfer (1916), Mechteld (1918) en Aleid Ingeborg(1921), die Inge als roepnaam had.

Tweespalt in de familie
De scheiding van zijn eerste vrouw, waarbij Gijsbert voor zijn moeder koos, én de oorlog met Duitsland, waarbij een deel van de familie sterk pro-Duits was en een ander deel van de familie fanatiek anti-Duits, veroorzaakten een dramatische en tragische breuk in de familie die nooit meer geheeld zou worden.

Hierover laat ik een kleinzoon van Van Hardenbroek aan het woord, Gerrit Arnoud (1940), roepnaam Geert. Zijn vader was Gijsbert, die eind 1935 trouwde met Sophia Stolte en van haar drie zoons en drie dochters kreeg. Geert is de tweede zoon en de enige die nog in Nederland woont; zijn broers en zussen zijn geëmigreerd. Hij zegt: ‘Bij de scheiding koos mijn vader, een jongetje van elf jaar, voor honderd procent de kant van zijn moeder en dat heeft hij geweten, want zijn vader draaide de geldkraan dicht en droeg geen cent bij aan zijn opvoeding en studie. Dat kwam de verhouding tussen vader en zoon natuurlijk niet ten goede. Bovendien overleed zijn moeder al in 1927, vijftig jaar oud. Niettemin beëindigde hij zijn studie voor ingenieur met succes. Hij ging met plezier werken bij een internationaal georiënteerd aannemingsbedrijf in Ierland.’

Twee vergissingen
‘Hierna,’ zegt Geert van Hardenbroek, ‘heeft mijn vader zich – denk ik – een paar keer vergist. Na lang aandringen van zijn vader heeft mijn vader zijn baan opgezegd en is bij zijn vader op de steenfabriek gaan werken. Al spoedig bleek dat hij en zijn vader te ver uit elkaar gegroeid waren. Samenwerken was niet mogelijk. Hij verliet dus de fabriek en vond een goede baan bij Rijkswaterstaat in Zwolle. Helaas maakte hij toen voor de tweede maal een vergissing: hij ging – nadat zijn vader hem opnieuw nadrukkelijk had verzocht weer op de fabriek te komen werken – wederom bij zijn vader aan de slag. Dat was aan het einde van 1940. Waarom weer? Het zou kunnen dat er aan de kant van grootvader een zekere mate van wroeging was ontstaan jegens zijn oudste zoon en dat er van de kant van Gijsbert de wens bestond op betere voet te komen met zijn vader. We weten het niet, maar dit zijn logische gissingen. Feit is dat het samenwerken met zijn vader opnieuw mislukte, maar Gijsbert kon in verband met de oorlog niet meer weg.’ Al in de eerste oorlogsjaren bleek bovendien dat er in de familie Van Hardenbroek grote tweespalt heerste ten aanzien van de Duitsers. Van Hardenbroek stond samen met zijn zoon Alfer (‘zijn oogappel’) fel aan de kant van de Duitsers en was ronduit anti-Brits, maar zijn zoon Gijsbert en zijn dochters Mechteld en Inge waren fel anti-Duits. Mechteld – zo staat te lezen in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L. de Jong – ‘was een jeugdige relatie van Wil Sandberg’, die conservator van de Amsterdamse musea was. Samen met Gerrit van der Veen, Willem Arondeus en Johan Brouwer bereidde hij een overval voor op het Amsterdamse bevolkingsregister om de joden te beschermen tegen deportatie. De groep had de beschikking over springstof uit een oude legervoorraad, maar freule Mechteld Cornelia van Hardenbroek van Ammerstol zorgde, aldus De Jong, voor een tweede hoeveelheid, afkomstig uit de buurt van Gorinchem. Beide meisjes studeerden in Utrecht. Ook dochter Inge zat daar in het verzet. Zij had een tekentalent en werd ingezet bij het vervalsen van paspoorten en andere documenten. Bij een inval van de Duitsers op hun verzetsadres in Utrecht werd zij in 1944 gearresteerd en later bij een vluchtpoging zwaar gewond. Zij overleed op 23 februari 1945 in het concentratiekamp Ravensbrück. Haar zus Mechteld slaagde er bij die overval in via een raam te ontkomen. Ook Alfer,de oogapppel van Van Hardenbroek, de eerstgeborene uit zijn tweede huwelijk, stierf in de oorlog. Hij kwam om bij een bombardement in Berlijn op 9 april 1945.
Geert van Hardenbroek zegt: ‘Je hebt er weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat er een splijtzwam in de familie was en hoe tragisch de gebeurtenissen waren. Maar dat mijn vader na de bevrijding zijn vader bij de P.O.D. zou hebben aangegeven is belachelijk.’
‘Ik heb er na uw telefoontje over gesproken met mijn broers en ook die zijn van mening dat het onzin is. Er waren destijds wel derden die belangstelling hadden voor ‘De Arnoud’ en deze graag voor een prikkie hadden willen overnemen. Wellicht heeft de aangever zich in die kringen bevonden. Strikt genomen moet dat nog na te trekken zijn. Mijn vader heeft me ooit verteld dat mijn grootvader, zijn vader dus, in de gevangenis in Haarlem indertijd heel naar behandeld werd. Hij is daar tegen opgetreden en heeft er een stokje voor gestoken.’ (Het voorarrest werd omgezet in huisarrest.)

Tragische einde
Geert van Hardenbroek: ‘Voor de familie eindigde het drama ook nog financieel in een tragedie. Grootvader heeft namelijk een week voor zijn dood zijn aandelen in de steenfabriek verkocht. Bovendien had hij zijn zoon Gijsbert onterfd. Dat had tot gevolg dat mijn vader, die na de arrestatie van mijn grootvader en van commercieel directeur Marcus, de leiding van de Arnoud had en druk doende was de productie weer op gang te brengen, er eigenlijk niets meer te zoeken had. Hij heeft toen gelukkig weer een goede baan gevonden bij een groot ingenieursbureau. Vele jaren later is hij teruggekeerd op zijn oude stek: bij de Rijkswaterstaat te Zwolle.’
Later bleek dat de aandelen via een tussenpersoon in handen waren gekomen van J. van Herwaarden. Die was een tijdje vertegenwoordiger geweest van de steenfabriek De Arnoud , maar was weggegaan en had in 1924 zelf een steenfabriek in Katwijk opgericht.
Dat er tussen Van Herwaarden en Van Hardenbroek animositeit bestond moge blijken uit het feit dat directeur Marcus in de hongerwinter, voorzien van een Duits vorderingsbevel naar de steenfabriek in Katwijk ging, zich daar met behulp van de Katwijkse politie toegang verschafte en er een hoeveelheid kolen in beslag nam. Een feit dat hem tijdens de rechtszitting voor het Bijzonder Gerechtshof in het bijzonder kwalijk werd genomen, zo staat in het vonnis.

Directiekamers een probleem?
De vraag is nu: Wat vindt Geert van Hardenbroek van het feit dat de directiekamers waarin zijn grootvader en zijn vader hebben gewerkt, nu opnieuw zijn opgebouwd in het museum de Zwarte Tulp in Lisse? Vindt hij dat een probleem omdat de oude Van Hardenbroek fout was in de oorlog?
Zijn antwoord is helder: ‘Als de directiekamers van de steenfabriek beschouwd worden als een fraai voorbeeld van binnenhuisarchitectuur in de Mechelse stijl uit het begin van de twintigste eeuw, dan kan ik daar best mee leven. De gedachte dat daar ook het portret van mijn grootvader in de vorm van het schilderij van H. Lugt uit 1929 zou worden opgehangen, leek me aanvankelijk niet erg “fijntjes”. Is dat niet teveel eer voor een man die fout was in de oorlog? Maar na overleg met mijn broers ben ik met hen minder afwijzend en genuanceerder. Grootvader was immers de oprichter van de fabriek en daarom hing zijn geschilderd portret in de directiekamer. Het is dan ook vanuit dat perspectief dat het zeer wel past om het schilderij in het museum in de directiekamer op te hangen. Dit staat los van zijn houding tijdens de oorlog. Als dat een zwaarwegend argument zou zijn, zouden de directiekamers in hun geheel niet in het museum moeten worden opgenomen.’

Bronnen:
* Een Bollendorp bezet door Herman van Amsterdam * Hillegom ’40-’45 door Frans Out
* Hangkouserieën juli en oktober 2004 ‘Van Arnoud tot Silka’ door Arie den Hoed
* Gemeente-archief Lisse: Arnoud, de baron en de fabriek door Jaap Kroon
* Vonnis van 30 oktober 1946 van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam over Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol en Hendrik Arend Marcus
* Nederlands Adelsboek 1995
* Interviews met Arie den Hoed, Jaap Kroon, Geert van Hardenbroek en anderen.

Steenfabriek Arnoud  vóór de sloop van de woningen aan de voorkant vanuit de lucht

 

DE GESCHIEDENIS VAN HET OUDE KONINGSHUYS

door R.J.Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

HUYS TER NIEUWBURG BEWOOND DOOR TWEE PRINSESSEN WERD HET PRINSESSENHUYS

Binnen niet al te lange tijd zal de geschiedenis van het Oude Koningshuys in Sassenheim, dat thans bewoond wordt door de Lissese makelaar Bas Romeyn, in boekvorm gepubliceerd worden. Het laat onder meer de eigenaren de revue passeren tussen 1543 en heden. Onder deze eigenaren waren ook Elisabeth Maria en Emilia Louisa, “beijde gebooren Princessen van Portugael”. Ze waren in 1677 in het bezit gekomen van het Oude Koningshuys, oftewel het Huys ter Nieuwburg, zoals het toen nog heette.

De prinsessen hebben het huis met tuinen en landerijen zo’n drie jaar in bezit gehad. Toch was het aan die relatief korte periode te danken dat de buitenplaats later ook wel de naam het Prinsessenhuys werd toegedicht. In 1680 erfde het geheel over op stadhouder Willem III, sedert 1689 koning van Engeland. Dit laatste verklaart de huidige naam: Het Oude Koningshuys.

Wie waren deze Elisabeth Maria en Emilia Louisa? Hun overgrootvader, Don Antonio van Crato, was een onechte zoon van Lodewijk, hertog van Beja, derde zoon van Emanuel de Grote. Toen de troon van Portugal in 1580 vrijkwam, dong hij naar de troonsopvolging. Daar hij echter niet kon bewijzen een wettige zoon te zijn van genoemde Lodewijk gingen deze plannen dus niet door. Zijn aanhangers riepen hem in 1580 te Santarem evenwel tot koning uit, maar werden door Alva verdreven, waarna Antonio vluchtte naar Calais.

Gheen consideratie
Zijn twee zonen, Emanuel I en Christoffel, vestigden zich in 1597 in de Nederlanden. In ‘s-Gravenhage leerde Emanuel Emilia van Nassau kennen, een zuster van prins Maurits. Ze wensten in het huwelijk te treden maar Maurits wees dat af met de woorden: “Dat hij op sulcken sake gheen consideratie en konde nemen, voor en al eer Don Emanuel sijn Moeder soude hebben genoemt ende bewesen dat sijn Vader de selve hadde getrout, al eer hij daer van was geboren”. Bovendien was, volgens haar grote broer, prins Emanuel een verdreven heer “die gheen middelen ter werelt en hadde, dat hij Roomsch Catholijck was: daer tegen sij professie dede van de Ghereformeerde Religie, sulcks dat hij hier niet en soude konnen tot advancement komen ofte geemploijeert worden. Dat oock gheseijt was dies actie daerom tot het Rijk van Portugael weijnich geestimeert werde. Datse daerom soude willen dencken op (aan) de digniteijt van haar Huys daer uyt sij gecomen was en sulcke imaginatien (verzinsels) uyt haer sinnen stellen ende laten varen”.

Secretelijck getrout
Prins Emanuel en Emilia van Nassau trouwden echter toch (7 november 1597). Maurits kwam juist in Den Haag aan toen hij het nieuws vernam. We lezen: “so heeft hij hem tegen alle haer vrienden danck ende weten secretelijck getrout voor ghetuyghen (…) ende alsoo Prince Mauritz uyt het legher in den Hage quam, heeft men se beijde, sonder dat hij sijn Suster heeft willen sien ofte spreecken, uyt den Lande ghesonden, hen daerna onthoudende te Wesel: alsoo werden Prince Maurits victorien ghetempert met huyselijck verdriet”.
Het pas getrouwde paar vestigde zich in de Duitse grensvesting Wesel. De financiële situatie van het verbannen echtpaar bleef echter verre van rooskleurig. Ze werden in deze gelukkig ondersteund door de aanvankelijk vergramde prins Maurits: een gedeelte van de gebouwen van het voormalige St. Agathaklooster in Delft werd ter bewoning aan de prins en prinses van Portugal afgestaan. Ze konden dus weer terugkeren naar de Nederlanden! Bovendien liet Maurits bij zijn dood in 1625 aan Emilia een jaargeld na van f 7.500, aan elk van haar zonen f 2.000 en aan iedere dochter f 1.000 per jaar. Het huwelijk heeft zo’n 29 jaar stand gehouden; in 1626 scheidden Don Emanuel en prinses Emilia.

Met zes dochters
Emanuel vertrok met zijn twee zonen naar Brussel en liep over naar de Spaanse vijand, terwijl Emilia naar Genève vertrok met haar zes dochters. Ze trok daar in een groot huis, dat later nog Le Château Royal werd genoemd en overleed daar in 1629. Prins Emanuel stierf in Brussel in 1638.

Vervallen in groote miserie
Zijn zoon, Emanuel II, was eerder, in 1619, door Maurits aangesteld tot gouverneur van het prinsdom Oranje, maar moest die functie naast zich neer leggen in 1623. Vijf jaar later trad hij in het klooster in als “broeder Felix”. Hij trad echter weer uit in 1633, waarna hij een jaar later zelfs overging tot de Hervormde leer! In 1646 huwde hij Johanna gravin van Hanau. Uit dit huwelijk werden vier dochters geboren, waaronder Emilia Louise en Elisabeth Maria, die in 1677 het Oude Koningshuys zouden kopen.
Schulden bleven de familie echter achtervolgen, zodanig dat Johanna in 1651 aan de voogden van prins Willem III schreef dat zij “vervallen is in groote miserie ende armoede, ende dienvolgens verscheijden schulden alhier gemaeckt, over sulcx van hier niet en can vertrecken sonder Uwe Hoocheden uyt medogentheijt gelieven goedertieren haer te begenadigen met de somme van een duysent Carolus guldens”. Johanna kreeg het gevraagde bedrag, mits echter “dat naer desen Hare Hoocheden niet meer over soodanige versoecken sullen mogen werden gemolesteert”. Ook in 1663 lezen we van een aanzienlijk geldbedrag dat door Willem III aan Johanna ter beschikking werd gesteld “tot eene assistentie in haren becommerlijcken staet off jegenwoordige ongelegenheijt”. We vernemen hierna niet veel meer over Emanuel II en Johanna van Hanau. Eerstgenoemde stierf in 1666, terwijl Johanna in 1673 kwam te overlijden. Van de vier dochters overleefden alleen de welbekende Emilia Louise en Elisabeth Maria hun ouders. Zij zijn het geweest die in 1677 voor 23.626 gulden het Huys ter Nieuwburg in Sassenheim gekocht hebben.

Geen statusobject
Later, in 1680, is het Huys ter Nieuwburg gelegateerd aan Willem III. Hij heeft zich slechts weinig bemoeid met huis en landerijen. Was hij niet geïnteresseerd in het Sassenheimse bezit? Inderdaad vormde het toenmalige bezit geen groot statusobject voor zo’n belangrijke figuur als Willem III. In ieder geval is hij twintig jaar later tot verkoop overgegaan: het einde van een bijzondere periode in de geschiedenis van het Oude Koningshuys.

Bronnen:
A.M. Hulkenberg, Het Oude Koningshuys 1628/1978 (Leiden 1978)
H.W.M. van Os, “Het Oude Koningshuys”, in: Leids Jaarboek 1945

Het Oude Koninghuys in Sassenheim heeft een rijke historie

 

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 1

Nicolaas Dames, hyacintenteler in Lisse was erg belangrijk voor de ontwikkeling van de hyacinten in Lisse. Het is eigenlijk de geschiedenis van de bollenteelt in Lisse.

door Arie in ’t Veld

INHOUD Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

LISSE HET KERKHOF VAN DE HYACINTEN

Nicolaas Dames was voor het bloembollenvak een uiterst belangrijk man. Voor hem werd dan ook in 1932 een borstbeeld opgericht. Dat beeld staat thans aan de voorzijde van het nieuwe laboratorium van P.P.O. aan de Heereweg. In een aantal afleveringen vertelt onze verslaggever het levensverhaal van Nicolaas dames en dat blijkt tevens de geschiedenis te wezen van Lisse en de streek. Hieronder volgt deel een.

In het begin van de 19e eeuw werd de bloembollenteelt in Lisse langzaam uitgebreid, maar de grote uitbreidingen kwamen vooral in de tweede helft van die eeuw. De hoofdoorzaak daarvan was in de eerste plaats de afzanding van de binnenduinen die een steeds grotere vlucht nam, waardoor er meer land voor de cultuur beschikbaar kwam.
De tweede oorzaak was dat meerdere landbouwers en veehouders zagen dat het die bloembollenmannen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen, en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden. Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Daarbij kwam dat men slechts node te bewegen was om naar andere plaatsen te verhuizen.Vondels dichterswoord: De liefde tot zijn vaderland, Is elck aangeboren,” was dus volkomen juist.

Lissers
Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend geschikt waren voor hyacintencultuur, ofschoon de vaklui uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover, dat wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die tengevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van Lissers. Ofschoon de plaatselijke naijver gedurende vele jaren vooral onder de minder ontwikkelde bloembollenmensen bleef bestaan, werd hoe langer hoe meer duidelijk dat de toekomst voor de hyacintencultuur in Lisse lag. Overigens hield met de uitbreiding van de cultuur de uitbreiding van de export geen de gelijke tred. Maar er waren wel in het begin van de 19e eeuw al exporteurs te Lisse gevestigd.

Liever Jood der Koningen
Een van de voornaamste kwekers werd door enkele heren aangespoord om naast zijn uitgebreide kwekerij, ook de export ter hand te nemen en bloemist te worden zoals men zich in die tijd gewoonlijk uitdrukte. De kweker had met ingespannen aandacht het betoog van zijn bezoekers aanhoord en toen men hem tenslotte vroeg hoe hij over dit voorstel dacht, zei hij: ,,Eniger zijner geloofsgenoten hadden zich op een zekere tijd gewend tot de oude bankier Rottschild, met het voorstel dat hij met zijn kapitaal zou trachten het oude Palestina in zijn bezit te krijgen om daarmee tot een stichting te komen van een nieuw Joods rijk, waarvan hij dan als regerend koning zou kunnen optreden. Rotschild gaf op dit voorstel ten antwoord: ‘Zie vrienden, ik ga op uw voorstel niet in, want ik blijf veel liever Jood der Koningen, dan Koning der Joden’. En zo denk ik er precies hetzelfde over. Door mijn uitgebreide kraam door het krediet dat ik gelukkig geven kan, raak ik de door mij gekweekte bollen jaarlijks gemakkelijk kwijt. Dat is voor mij voorlopig voldoende. Wat de toekomst baren zal, indien mijn kinderen ouder zijn geworden, weet ik niet, maar komt tijd komt raad.”

Ongeschikt voor vervroeging
Het spreekt bijna vanzelf dat er onder de toenmalige kwekers te Lisse meerdere gevonden werden die jaarlijks uit liefhebberij en om aan te tonen dat Lissese bollen zeer goed geschikt waren om vervroegd te worden. In die tijd beweerde menige kweker uit Haarlem en naaste omgeving dat de hyacinten, te Lisse gekweekt, weliswaar groot groeiden, maar voor vervroeging ongeschikt waren. Door dat soort opmerkingen ontstond natuurlijk na-ijver. De tijd kwam dus dat door meerdere Lissese kwekers collecties vervroegde bolgewassen, in hoofdzaak hyacinten , werden tentoongesteld.

Copyright © 2004 Vereniging Oud Lisse