De oude R.K. kerk

Arie Raaphorst probeert een schets te geven van de oude kerk, die in 1842 was gebouwd. Er staat een mooie foto van de oude kerk in plus een uitgebreide beschrijving van de kerk en de bijgebouwen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit is de enige foto van de oude rooms katholieke Agathakerk die in 1842 werd gebouwd. Het gebouw was ontworpen door C.Dobbe, timmerman te Sassenheim. (Foto uit: St.Agatha 1903-2003)

Voordat Arie Raaphorst de nieuwe kerk van de katholieken in Lisse gaat beschrijven, probeert hij eerst een beeld te schetsen van de oude kerk.

Want die mag natuurlijk niet uit de herinnering verdwijnen.
Na de hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene statie, welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de pastoor zijn verblijf hield.
Zoals men hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts ééne pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is, verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen pastoor, namelijk : Johan van der Werve. Deze overleed op 1 juli 1697, en werd opgevolgd door Lambert Schaap die op 10 april 1709 reeds kwam te sterven.
Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wiens inspanningen het kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de Noord-westzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinelaan en de brug over de Mallegatsloot, ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar thans nog is gelegen de oude boierenhofstedem thans bloemisterij en genaamd Bloemenhof.
Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Gravelijke familie Van Lijnden en werd in 1901 bij publieke verkooping gekocht door de heer C. Prins Dz.
In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en groter kerkgebouw gekregen.
Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw behoorde in die dagen tot de grootste dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw.
Het was een vierkant gebouw, zonder pilaren, met een haaksche kap afgedekt, en pannendak. De pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw, met als uitzicht de Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was een 25 meter van de straatweg af gelegen.
Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg en stond dus niet, zooals men dat noemt, in de H. Linie.
Ter rechterzijde was de toegang naar de pastorij, en de ruimte tusschen de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig bosch.
Ter linkerzijde was de toegang naar en het kerkhof zelve, gelegen hetgeen met den bouw van den nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven.
Ter linkerzijde van het voorplein had men voorts het z.g. paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen, hun gerei met de paarden er voor stationeerden, terwijl dit paardenhok met 2 gelegenheden genaamd W.C. aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen.
De toegang tot het voorplein en de kerk benevens alle hier boven beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleent tot de kerk.
Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zoodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond, en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts 2 meters bedroeg.
Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen namelijk: dat het vierkant was zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit.
Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de geheele breedte van de kerk in beslag.
De kerk had slechts één altaar.
Een mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster.
Dit doopvont heeft ook weer eene nieuwe plaats gevonden in de nieuwe kerk.
Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie.
De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken voor 4 personen. De kerk had dus drie regels banken en twee paden. De communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de kapel van het St.Agatha Gesticht.
In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige kaarsen kronen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden, omdat men petroleumlampen had aangebracht.
Behalve de beelden van Maria een Joseph prijkten in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron.
Een schilderstuk voorstellende de H.Agatha, patrones der kerk, prijkte boven het altaar.
In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de geheele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarboven bevonden zicht het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen.
De kerk had maar ééne ingang welke zich bevonden midden van de voorgevel.
Ter linkerzijde van het groote portaal had men de toegang tot de galerij en het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer voor vollen uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij den bouw dezer kerk door W.Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan tenminste te oordeelen naar het opsdchrift hetgeen luidt als volgt:

Me fecit Ciprianus
Crans Janszoon
Amsteledami anno 1748
Int jubeljaar der vrijheid 1748
De vredemaeker G.Hasselaer
Heer wierdt en D.Slot
Schout v.
Cudelstaart en F.Prince v.d.
Bezworen – kerf – waren
Ben ik door J.V.Dr.Pauwert
Admin. Burgem: bezorgd te maken.

Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschrift terwijl aan de andere kant der klok het volgende is gegraveerd:
Gegeven door W.Verdegaal 1842

Het kerkhof bevond zich evenals nu aan de noord-oost-zijde van de kerk en was omringd door een regel Italiaanse populieren.
Doordat de kerk ongeveer een 25 meters van de straatweg verwijderd stond was er voor de kerk eene groote open plaats, wat men het Kerkeplein noemde. Aan de noord-oost-zijde van de ingang tot het plein ter plaatse waar nu het Piusgesticht staat, bevond zich een boschje en tusschen dit en het kerkhof was het z.g. paardenhok, waar de boeren die rijdend ter kerke kwamen, hunne voertuigen stalden.
Een gelegenheid voor vrouwen een dito voor mannen waren mede aanwezig aan dezelfde kant.
Tusschen de zuid-west-zijde van de kerk en de stinksloot bevond zich de z.g. tuin. Het was echter een bosch met boomen van velerlei slag.
Aan de doopvondzijde was de eerste bank van de mannen gereserveerd voor de familie Heereman van Zuidwijk, voor het geval dat zij zich te Lisse bevonden.

Volgende keer: de nieuwe kerk.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Van vermacklijk Hillegom tot lang uitgebouwd Lis

In de beschrijving over Lisse door “Kabinet van Nederlandse en Kleefse Oudheden” staat een uitgebreide beschrijving van een wandeling van Hillegom naar Lisse in de 16e eeuw.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Onder de gemeenten in de bloembollenstreek, waar de bloembollencultuur zich in een zeer snel tempo ontwikkelde, heeft Lisse altijd een voorname plaats ingenomen. Vond men hier in vroegere tijden een welvarende landbouwbevolking, die behalve de landbouw ook de tuinbouw uitoefende, zoetjesaan rukte de bollenteelt op.

We gaan in een paar afleveringen mee met Mattheus Brouerius van Nidik en Isaac le Long in hun beschrijving van Lisse in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden”. En zet u maar schrap, want er is getracht de oorspronkelijke tekst te behouden. 

“Uit het vermacklijk dorp Hillegom voortwandelend langs den ruimen Heerenweg, eene lange reeks van binnen- of lage duinen aan de rechter, en het Leidsche meer aan de linkerzijde houdende, voorbij de Gerrit Avenweg, de Keizersloot en Verbogenvaart, nadert men het lang uitgebouwde dorp Lis, door eene lange straat, met eenige zijstraten en gangen doorsneden; voortgaande ontmoet men De Kerk, waarop een hoog gebouwde en vierkante toren, met een lage kap gedekt, en geheel van tras- of duinsteen opgebouwd. De teekenaar heeft beiden in die gedaante afgeteekend, gelijk dezelven in het jaar 1630 vertoonden; liggende het choor of agterste gedeelte der kerk, sedert den inlandschen oorlog met den Spanjaarden, elke, voornamelijk van het jaar 1572 tot 1580, in deze streken gewoed heeft, voor het grootste gedeelte ingestort. De heerlijkheid van Lisse, weleer, in den jare 1591, een eigendom van den heer Johan van Mathenesse, en tegenwoordig toebehoorende aan Frerik Heerman, Heer van Dever, Rumpt en Vromestein, ligt tussechen de ambagtsheerlijkheden van Sassenheim en Hillegom, tusschen het Leidsche en Kagermeer, en tusschen de heerlijkheden van Voorhout en Noordwijkerhout.”

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

‘Een manspersoon leggende midden in den weg’

In een politierapport uit 1803 wordt gemeld, dat een onschuldige passant door 2 rovers van het leven is berooft. De daders werden ter dood veroordeeld.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Uit het politierapport van Lisse 1803 deel 2

Met name de verlaten landwegen tussen Lisse en Sassenheim waren nogal eens het toneel van geweldsmisdrijven. Een tweetal getuigenverklaringen uit 1803 die zich bevinden in het gemeentearchief van Leiden tonen ons dat aan.

Op 28 mei van het jaar 1803 was een onschuldige passant, genaamd Nicolaas Lelyveld, door twee rovers op de Akervoorderlaan van het leven beroofd. De twee misdadigers droegen de namen Franciscus Meranger en L’homme Dieu (= Man Gods). Waar laatstgenoemde zijn naam aan te danken had, wordt helaas nergens vermeld. Meranger werd – zoals de Lissese pastoor Snarenberg opmerkt – “door het gerecht tot onthoofding veroordeeld en in Lisse opgehangen aan de galg”. De andere slechte Fransman viel hetzelfde lot te beurt. Op precies diezelfde dag (!) viel het navolgende voor. Plaats van misdrijf is ook deze keer de buurtschap De Engel.

Leggende midden in den weg
Op zaterdagochtend 28 mei gaan Johannes Stephanus Schaap en zijn vrouw met de koets van Leiden naar Heemstede. Hun koetsier is Gerrit van Beinze. De rit verloopt voorspoedig, maar ter hoogte van de Engelenbrug bij de buurtschap De Engel houdt de koets op de Heereweg plotseling halt. Er ligt iets op de weg! Wat is het? Het blijkt, zoals de koetsier later verklaart, “een manspersoon” te zijn, “aanhebbende eene bruine boere rok leggende midden in (op) den weg”. Op nader order van de heer Schaap gaat Gerrit van Beinze op onderzoek uit. Het gaat inderdaad om “een manspersoon”. Hij ligt “schuins over den weg, het hoofd eenigszins gekeerd naar Lisse, voor over, een weinig met zijn linkezijde met het gezicht in het Zand, (de Heereweg was nog een zandweg), liggende de linkerhand onder het lijf en de rechte enigszins uitgestrekt”. De weg was, vooral aan de zijde van het voetpad, “zeer sterk betrapt en met veele voetstappen bezet”. Op enige afstand van het slachtoffer lag een hoed, welke, volgens de koetsier, “van binnen zeer bebloed was”. Er lag ook een stok, die echter naderhand door de heer Schaap “aan stukken (is) gereden” en een “bruine hecht” van een mes. Mogelijk dat met dit mes het slachtoffer was aangevallen. De aangetroffen “manspersoon” bloedde namelijk sterk, “en wel langs den mond af”. De “plaats alwaar hij lag” was “mede sterk bebloed”. Geen wonder, want de ongelukkige had ook nog een onbekende hoeveelheid “wonden in de rug”. Hij was echter nog niet overleden, want de koetsier vermeld: “Geevende eindelijk deze man door bewegingen met zijn mond en Oogen nog enige tekenen van leven”.

Naar de herberg De Engel
De heer Schaap stapte tenslotte ook uit de koets om te zien wat er aan de hand was. Ook hij zag “een Manspersoon” met “eene breede wonde in het gezicht na bij de hals (…), waar uit veel bloed vloeide, gevende hij echter nog enig teken van leven”. Daar de herberg De Engel vlakbij was, namelijk over de genoemde Engelenbrug aan de linkerzijde van de weg, begaf hij zich, nadat hij het heft van het mes had meegenomen vanaf de plek van het misdrijf, naar de herberg, “alwaar hij kennis heeft gegeeven van het geval, waar op terstond een boer dat hecht (heft) van hem deposant (de heer Schaap) heeft overgenomen en aan den Bailluw der vier Ambachten bericht is gaan geven”. Deze baljuw was mr. Izaak van Buren. Hij woonde op Wassergeest, niet ver van de buurtschap De Engel. Vervolgens stapte de heer Schaap weer in zijn koets en zette koers richting Lisse, alwaar hij “den Schout Enting mede van het voorgevallen heeft onderricht”.

Zowel de koetsier, Gerrit van Beinze, als de heer Johannes Stephanus Schaap hebben later voor schepenen van Leiden, mr. Willem Jacob van Noort en Jan Verschuur jr. een getuigenverklaring laten opstellen, beide afgesloten met de zin: “Zo waarlijk helpe mij God Almagtig. Actum den 13 augustus 1803”.

Ansicht gezien naar het noorden met aan de linkerkant het buurtschap De Engel. Rechts van de weg ziet men duidelijk de rails van de stoomtram lopen.

Conclusie
Het lijkt wel heel toevallig dat de moord op Nicolaas Lelyveld op de Akervoorderlaan en de dag waarop men bovengenoemde persoon aantrof op de Heereweg precies samenvallen, namelijk op 28 mei 1803. Zouden beiden misdrijven zijn gepleegd door dezelfde misdadigers, namelijk Franciscus Meranger en L’homme Dieu? Zou het zelfs zo kunnen zijn dat de “manspersoon” liggende “in het spoor” van de Heereweg en genoemde Lelyveld één en dezelfde persoon zijn en dat pastoor Snarenberg zich had vergist door de Akervoorderlaan aan te wijzen als plaats delict? Beide locaties, de Engelenbrug en de Akervoorderlaan, bevonden zich immers in elkaars directe nabijheid.
Beide moordenaars brachten het er in ieder geval niet levend vanaf. Ze werden ter dood veroordeeld door het gerecht van Lisse. Het is tevens de laatste doodstraf geweest die in Lisse voltrokken is. 

 

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 6 (slot)

In 1917 nam Nicolaas Dames de heer Werkhoven als vennoot in de zaak. Dat verbaasde veel kennissen. Maar het pakt goed uit. Op 2 januari 1920 overleed Nicolaas Dames op 57-jarige leeftijd.

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

‘IK BEN VOLDOENDE BELOOND MET DE ACHTING, DIE IK BIJ LEVEN GENOOT’

Nicolaas Dames was een bloembollenvakman in hart en nieren. Hij spande zich in ‘voor kunde en gemeenschapszin’ en die leuze staat op de buste die voor nieuwe PPO-gebouw aan de Heereweg is geplaatst. Deze tekst staat overigens ook op de zogenoemde Nicolaas Dames medaille. Een erepenning die wordt gegeven aan mensen die op de een of andere manier van bijzondere betekenis voor het bloembollenvak zijn geweest.

In 1917 nam Nicolaas Dames de heer Van Werkhoven als vennoot in de zaak. Deze daad heeft menigeen, ook onder zijn meest vertrouwde kennissen, verbaasd. Hij zei dat hij dit had gedaan omdat hij een sterk bedrijf wilde. Hij had dus iemand nodig die hem een gedeelte van die zware taak van de schouders kon nemen. Dames dacht de juiste man gevonden te hebben in de persoon van de heer Van Werkhoven en hier bleek het opnieuw dat hij een scherpe kijk op mensen had. Reeds in 1918 trok Van Werkhoven naar Scandinavië, om het afzetgebied van het bedrijf te vergroten. Omdat hij nu een jonge vennoot had, die toegerust was met werkkracht en werklust, kon Dames zich meer wijden aan hetgeen hij noemde zijn liefhebberij. De studie der bolgewassen dus en het winnen van nieuwe variëteiten. Hij strekte deze liefhebberij zelfs uit tot de gladiolen, een cultuur die eigenlijk nooit door hem beoefend was. Ook op dat terrein heeft Dames het vrij ver gebracht en zeer vele nieuwe variëteiten werden door hem ,gewonnen’, zoals dat in vakjargon heet, doch de meeste daarvan verkocht hij reeds voor hij er partijen van enige betekenis van had. Meermalen raadde bevriende vakgenoten hem aan om eerst eens een partijtje te kweken voordat de nieuwe cultivar in de handel werd gebracht. Daarvoor was Dames echter nooit te vinden. “Gladiolen kweeken mij veel te snel en het gaat te gemakkelijk om nieuwe verscheidenheden te winnen, dus voor ik partijtjes heb van eenige beteekenis, heeft deze of gene vakgenoot er weder anderen gewonnen, welke de door mij gewonnen soorten overtreffen.”

Eer
Zoals gewoonlijk liet Dames ook telkens blijken het totaal niet op prijs te stellen dat hij op enigerlei wijze op de voorgrond zou treden. Een vriend van hem zei later: “Wanneer Dames het geweten had, dat men ter ere van zijn nagedachtenis, na zijn heengaan een monument zou oprichten, hij gezegd zou hebben: “Laat nu toch die verheerlijking uit je hoofd, ik ben voldoende beloond voor hetgeen ik in het belang van ons vak deed, met de achting, welke ik bij mijn leven genoot en met de financiële voordelen, welke die mij hebben opgeleverd. Wanneer ge nu toch wat doen wilt, geef dan dat geld maar aan de armen of aan degenen, die daar behoefte aan hebben”.

Rerum novarum
Dames was een persoon met een warm voelend hart voor elk die behoefte had en hij trachtte dat op verschillende wijzen in de praktijk te brengen. Daarvan is nog een mooi voorbeeld bekend, dat we gaarne aan de vergetelheid ontrukken en dat tot lering zou kunnen strekken voor velen onder ons. Lange jaren beschouwde Dames zijn arbeiders eenvoudig door de bril zoals vrij algemeen elk patroon in die dat tijd deed. Wanneer hij ze zaterdagsavonds betaalde, dan was hij van hen af. Klaar. Op een gegeven moment kreeg hij bezoek van een der geestelijken der parochie. Al spoedig kwam het gesprek op de maatschappelijke toestanden der arbeiders. Dames verschilde met de geestelijke van mening en deze raadde hem aan om de Encycliek Rerum Novarum eens te bestuderen en de daarin neergelegde lessen ter harte te nemen. “U zijt mijn geestelijke raadsman en daarom zal ik in uw raad volgen”, zei Dames en hij voldeed eraan. Het lezen bracht hem ertoe om anders te gaan denken over zijn arbeiders en ze te beschouwen als degenen, die hem terzijde stonden bij het vooruitgaan op de maatschappelijke ladder. Dames waardeerde dit niet alleen, maar hij liet hen in het vervolg ook delen in de resultaten van hun werk. Het karakter van Dames is daarmee onderstreept. Op 2 januari 1920 overleed Nicolaas Dames op 57-jarige leeftijd. Zijn talrijke kinderen liet hij gelukkig niet onverzorgd achter.

Het in bloei trekken van hyacinten nam kort na uitvinding een grote vlucht. Ook de particulier ontdekte mogelijkheden. Bijvoorbeeld door een hyacint in bloei te trekken door de bol op een glas water te zetten. De glasindustrie haakte daar perfect op in en produceerde speciale hyacintenglazen in alle mogelijke vormen, maten en uitstraling. De sortering was enorm en daarvan is het nodige te zien in het Museum De Zwarte Tulp, waar ongeveer vierhonderd verschillende hyacintenglazen worden tentoongesteld.

 

In een vorig Nieuwsbrief stond aan artikel over Nicolaas Dames .Maarten Timmer geeft  in Niewsblasd jaargang 5 nummer 2 april 2006 een aantal aanvullingen.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Station Lisse 100 jaar oud

Het station van Lisse bestaat honderd jaar.

In 1905 werd het station gebouwd in Art Nouveau stijl door architect Margadant. Hij ontwierp meer stations. Het is een rijksmonument. In 1993 werd het station overgenomen door de VOL en vervolgens gerestaureerd.

Door Frits Treffers

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Ansichtkaart van station Lisse Het Lissese Station vlak na de ingebruikstelling in 1905

Uw Vereniging Oud Lisse heeft een bijzondere band met dit gebouw, want zij behoedde het in 1993 voor sloop. Thans is het een Rijksmonument en wordt het heel succesvol gebruikt als restaurant.

Begin 1840 kreeg de gemeente Hillegom bericht dat de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.) toestemming had gekregen om een spoorlijn tussen Haarlem en Leiden aan te leggen. Deze lijn zou evenwijdig gaan lopen aan de Haarlemmer Trekvaart. Zowel in Hillegom als in Lisse was een halte gepland.
Hiertegen kwamen drie grondeigenaren in het geweer. Eén van hen was de heer Leembruggen, eigenaar van het landgoed Veenenburg op de grens van Hillegom en Lisse. Die stelde een ander tracé voor, maar de minister weigerde. Ook de gemeente Lisse was tegen, want het door Leembruggen voorgestelde tracé zou het dorp Lisse isoleren. Leembruggen bleef zich evenwel verzetten. Hij wilde het recht hebben om de trein nabij Veenenburg te laten stoppen, zodat zijn kinderen gemakkelijker naar hun school in de stad konden reizen.

Hinder

In 1901 deed de rechter eindelijk definitief uitspraak. ‘De behoorlijke uitoefening van de spoorwegdienst werd (door het idee van de heer Leembruggen) gehinderd, omdat er te vaak gestopt moest worden.’
Zo werd op 12 september 1904 ’s middags om half twee in het Centraal Personen Station te Amsterdam (in het lokaal naast de Wachtkamer 3e Klasse, ingang vestibule) de aanbesteding gehouden van het te bouwen station in Lisse.
Het gebouw werd in Art Nouveaustijl ontworpen door architect D.A.N. Margadant (1849-1945) die omstreeks 1870 in dienst van de H.IJ.S.M was getreden. Hij ontwierp onder meer de stations van Haarlem, Leiden, Santpoort, Amersfoort en het Hollands Spoor in Den Haag. In de details van het Lissese station herkent met het monumentale Haarlemse station! De bouwsom werd begroot op fl. 153.000,-.
Het Lissese station werd in 1905 in gebruik genomen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, in 1945, werd het station uit de dienstregeling geschrapt, omdat de afstand tot de dorpskern te groot was. Het deed een aantal jaren alleen nog dienst in het voorjaar tijdens de Keukenhofweken. In de loop der jaren verpauperde het gebouw sterk. Aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam het op de nominatie te staan om gesloopt te worden. De Nederlandse Spoorwegen zagen handhaving van het gebouw niet meer zitten.

Stationschef Möller

De bemoeienissen met het Station van uw Vereniging Oud Lisse (opgericht in 1991) begon toen mevrouw U.M.Möller-Blom, de echtgenote van de tweede Stationschef met wie zij nog steeds in de Stationswoning op de eerste etage woonde, de aandacht van het bestuur voor het pand vroeg. De Vereniging bestond toen nauwelijks een jaar. De Bouwkundige Werkgroep bestond ook nog maar kort.
Niettemin pakte de groep in juli 1992 de zaak aan. Men bezocht het ondertussen zwaar verwaarloosde pand en vroeg bij de Nederlandse Spoorwegen de bouwtekeningen op.
Men kreeg de beschikking over één tekening, maar wel de belangrijkste. De gevels en de doorsneden stonden er duidelijk op vermeld. Het gebouw bestond uit een hoofdgebouw met op de begane grond loketruimte, twee wachtkamers en een opslagruimte. Daarboven was een woning van twee verdiepingen. Een los staand kleiner gebouw diende vroeger tot toiletruimte. Daartussen was een boog gemetseld., maar die is later afgebroken.
Op het perron was een waterpomp aangebracht. Nog niet zo lang geleden is die pomp weer opgedoken en aan de Vereniging Oud Lisse afgestaan!
Een jaar later, 1993 dus, pakte de VOL de koe bij de hoorns: men slaagde er na slepende onderhandelingen in het Station van de NS te huren voor een periode van twintig jaar met automatische verlenging, tegen een kleine huursom, maar wel met de verplichting het onderhoud voor eigen rekening ter hand te nemen. De Vereniging zei ja, want dit was de enige manier om het pand te behoeden voor sloop zoals de Nederlandse Spoorwegen vast van plan was. De ondertekening van de overeenkomst door voorzitter Den Boer van de VOL en de directie van de Nederlandse Spoorwegen vond plaats op 26 maart 1993.

Het hele station van Lisse was versierd met bloemslingers toen in 1939 de Nederlandse Spoorwegen honderd jaar bestond. Een drietal Nederlandse militairen heeft het zich heel aangenaam gemaakt met een rokertje op het perron. De Duitse inval in mei 1940 stond voor de deur.

Oude staat

Het gebouw werd geheel gerenoveerd en zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht. De oude oliestookinrichting werd vervangen door een propaangasinstallatie. Tijdens het schilderswerk in de wachtkamer van de 3e klasse ontdekte men Jugendstil-patronen op de banken en die versieringen heeft men wederom teruggebracht! In de wachtkamer der 1e Klasse zat een heel fraaie plafondafwerking, maar die moest helaas afgedekt worden door een geluidwerend plafond in verband met het feit dat de bovenwoning nog werd bewoond.

Rijksmonument

Het duurde niet lang of het gebouw kwam op de Rijksmonumentenlijst te staan!
De VOL verhuurt het gebouw sedert 1994 aan de heer John Nederstigt uit Lisse, die er het restaurant De Verloren Koffer in vestigde (feestelijke opening op 6 december 1994), dat vanaf het begin ‘liep als een trein’! Hij was er dan ook in geslaagd de hele inrichting in de oude staat van de jaren dertig terug te brengen en de oude sfeer zo veel mogelijk te handhaven.

 

DE BRUGGEN VAN LISSE

Alle bruggen in Lisse worden beschreven. Pex pleit voor een naambordje op iedere brug.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Is de Venneslootbrug (1570) de oudste?

In Lisse zijn in het verleden al heel wat bruggen aangelegd. Dat heeft ook wel een reden. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw zijn namelijk diverse zandsloten gegraven. Via deze sloten of vaarten werd het zand afgevoerd dat afkomstig was van de (wat hoger gelegen) geestgronden, die ten zuiden en noorden (het zogenaamde Oosteinde) van het dorp Lisse waren gelegen.

Momenteel bevinden zich in Lisse minstens een veertiental bruggen. Het zijn:
» In de Heereweg:
De Lisserbrug nabij Hillegom. Komt al voor op de kaart van Rijnland uit 1615. De brug was tegelijk met het graven van de zogenaamde Verhoogervaart aangelegd. Door deze vaart, genoemd naar een zekere Verhoog, werd het zand afgevoerd afkomstig van het Berkhouterduintje dat zich aan de westzijde van het dorp bevond. Ook achter de huizen in het noordelijk deel van Lisse die toen deel uitmaakten van de zogenaamde Vlaamse Buurt, is zand afgevoerd. In 1810 wordt deze brug de Zandvlieterbrug genoemd. Vernoemd dus naar de buitenplaats Zandvliet die zich hier vlakbij bevond.
De Jannetjesbrug. Waarschijnlijk een verbastering van Zandertjesbrug. Deze naam dateert uit 1768 en slaat waarschijnlijk op het zand dat onder deze brug door werd vervoerd naar steden als Amsterdam en dat afkomstig was van het Keukenduin (in de buurt van het latere Reigersbos). Eigenaar van zowel de brug als de vaart die eronder door liep was toen Cornelis Jacob van der Lijn (1730-1799). De brug en de vaart maakten deel uit van de buitenplaats Grotenhof. Later, maar dan is de naam al Jannetjesbrug, zou de brug deel uit gaan maken van het landgoed Wassergeest. (1
De Staalbrug. Deze maakte deel uit van de buitenplaats Wassergeest en bevond zich even ten zuiden van Dever en het huidige tuincentrum Overvecht. Hij was aangelegd in 1594 door Dignum Jansz de Roo, ook weer met het doel om via de sloot die eronder door liep zand af te voeren. Het zand was in dit geval afkomstig van de gronden tussen de Heereweg en Achterweg. De buitenplaats Wassergeest bestond toen nog niet. Deze werd pas gesticht omstreeks 1660 door jhr. Adriaen van der Laen. Deze kocht de afgegraven percelen en legde hier een aantal boomgaarden aan. De zogenaamde Wassergeesterbrug kocht hij aan in 1662. Later is men deze brug de Staalbrug gaan noemen, naar een eigenaar uit de eerste helft van de negentiende eeuw: D.P.J. van der Staal van Piershil. In 1843 is de brug aan het Rijk afgestaan.
De Engelenbrug. Gelegen bij de buurtschap De Engel en reeds aangelegd in 1589, toen het Mallegat gegraven werd. Ook deze brug is in 1843 aan het Rijk afgestaan. Toen was inmiddels ook de brug lager gemaakt. Voorheen waren de meeste bruggen in de Heereweg namelijk vrij hoog gelegen, waardoor met name de postkoetsen van Van Gend & Loos er bijna niet overheen konden rijden. (De koetsen waren tamelijk zwaar beladen).

Engelenbrug 1900

De Engelenbrug

Engelenbrug 1900

De Beekbrug. Iets verderop gelegen nabij de huidige Engelenkerk. Vernoemd naar de Beek die eronder door loopt.
» In de Achterweg:
De brug over de Vennesloot zuidelijk van Ter Specke. Deze brug heeft nooit een naam gehad. Wel vrij vroeg aangelegd, namelijk rond 1570. In dat jaar is de Vennesloot door de Achterweg getrokken tot achter het Huys ter Specke. Vermoedelijk heeft men dit gedaan om meubels en dergelijke aan te kunnen voeren, als de Van der Laens – de eigenaren en bewoners van Ter Specke – zich hier in de zomermaanden vanuit Haarlem kwamen vestigen. Ook deze brug is later verlaagd en wel in 1853.
De brug over het Mallegat nabij buurtschap De Engel. Aangelegd in 1589. Helaas vrij weinig over bekend.
» In de Loosterweg-Noord.
De brug vlakbij de bloemententoonstelling Keukenhof.
» In de Loosterweg-Zuid.
De brug over het Mallegat.
» In de Delfweg.
De brug over de Leidsevaart. De Leidsevaart is gegraven in 1657, doch reeds daarvóór was hier al een waterloop aanwezig. Het kan dus goed zijn dat hier reeds vóór dat jaar al sprake was van een brug. Waarschijnlijk was hij van hout vervaardigd. Ook op de prent van Samuel Ireland uit 1790 van het Huis te Halfweg zien we ter plaatse een eenvoudige houten brug.
» In de Kanaalstraat:
De brug over de Ringvaart. Eerst een draaibrug, later – in de jaren ’70 – vervangen door een ophaalbrug. Aangelegd omstreeks 1848 toen men met het droogmalen van de Haarlemmermeer begon.
» In de Ruishornlaan.
De brug over de Ringsloot van de Poelpolder. Van vrij recente datum. Op kaarten uit de zeventiende en achttiende eeuw niet aanwezig.
» In de Eerste Poellaan.
De Zemelbrug over de Ringsloot van de Poelpolder . Deze is al veel ouder, vermoedelijk van rond 1623, toen men, ten behoeve van de droogmaking van de Lisser Poelpolder, de Ringsloot heeft gegraven. De brug moest zodanig zijn aangelegd, volgens een stuk uit laatstgenoemd jaar, dat men er gemakkelijk met een schuit met koeien of beladen met hooi onderdoor kon varen. Na een overstroming in 1804 werd ook de zwaar beschadigde Zemelbrug hersteld. Doch, te laag! De zandschepen die het zand vervoerden dat afkomstig was van het Reigersbos en het via de Ringsloot en de Haarlemmermeer afvoerden naar Amsterdam, konden nu niet meer onder de brug door komen! Uiteindelijk heeft men de brug wat hoger gemaakt, maar op kosten van de eigenaar van de betreffende zanderij, de al genoemde D.P.J. van der Staal van Piershil.
» In de Tweede Poellaan.
De brug over de Ringsloot van de Poelpolder. Vermoedelijk – evenals de volgende brug – aangelegd rond 1623.
» In de Derde Poellaan.
De brug over de Ringsloot van de Poelpolder.
Opgemerkt dient te worden dat het hier slechts bruggen betreft gelegen in openbare wegen.

Vroeger hadden veel bruggen een naambordje. Tegenwoordig ontbreekt dat veelal en zijn veel bruggen dus “anoniem”. Een idee misschien voor de toekomst?

(1. Over beide buitenplaatsen, dus Grotenhof en Wassergeest, zijn publicaties uitgebracht onder de titels Knappenhof of Grotenhof te Lisse en Wassergeest te Lisse. Nog steeds verkrijgbaar bij Grimbergen Boeken. Daarin kan men ook een en ander vernemen over de Jannetjesbrug maar ook over de volgende twee bruggen

 

DE SLUIKBEGRAVING AAN DE GRACHTWEG

In een archeologisch rapport over Grachtweg 1A, het kaaspakhuisje van Langeveld, staat dat een beerpunt en een paar afvalkuilen werd gevonden. Er werd ook een houten kist met een skelet gevonden. Het skelet moet vóór 1818 begraven zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit artikel is eigenlijk een vervolg op het eerder in dit nieuwsblad verschenen verhaal over de geschiedenis van “het kaaspakhuisje van Langeveld”, ofwel Grachtweg 1a, tegenwoordig bewoond door familie E. Plantenberg. Toen laatstgenoemde een garage naast het huis wilde verbouwen, waarbij wat grondwerk verricht moest worden, stuitte hij op een aantal in archeologisch opzicht interessante zaken, namelijk een beerput en een paar afvalkuilen.

In een beerput werd over het algemeen huishoudelijk afval gedeponeerd. Dit kan archeologen een redelijk inzicht verschaffen in onder meer zaken als de welstand van de bewoners van wie het afval afkomstig is. Thans is een archeologisch rapport van 35 pagina’s opgesteld door Menno Dijkstra (van huis uit archeoloog), Leo den Hollander en Hans van der Meulen. Het behandelt bovengenoemde vondsten, alsook een wat meer lugubere vondst, die reeds in het eerste artikel over Grachtweg 1a ter sprake werd gebracht. Het betreft een menselijke begraving, die tevoorschijn kwam bij het verdiepen van de vloer in het achterste deel van het huis.

De sluikbegraving
De menselijke begraving, door Dijkstra ook wel als sluikbegraving betiteld, bestond uit een houten kist met daarin een skelet. Van het skelet was weinig meer over, daar de begraving zich op de grens met de grondwaterspiegel bevond. Daardoor was het ook niet mogelijk iets meer te zeggen over

Een fraaie vondst betreft een majolica-bord uit omstreeks 1625-1675 met een tulp. Dit is één van de vroegste vondsten. Foto M.F.P. Dijkstra

Een.

zaken als leeftijd en geslacht. Om te verklaren waarom de betreffende persoon niet op een reguliere begraafplaats terecht is gekomen, moeten we ingaan op een tweetal vragen, zo lezen we in het rapport, namelijk: Hoe oud kan dit graf zijn? Welke verklaringen zijn er aan te voeren voor de ongebruikelijke locatie?
Over de ouderdom valt helaas niets met zekerheid te zeggen. De begraving moet echter na de bouw van het huis (dus na 1743) hebben plaatsgevonden en vóór 1818. Met betrekking tot de vreemde ligging lezen we dat een aantal verklaringen met elkaar gemeen heeft dat bepaalde begravingen niet in gewijde grond mocht plaatsvinden. Dit was onder meer het geval met zelfmoordenaars, nog niet gedoopte kinderen, niet-christenen, geëxcommuniceerden en ter dood veroordeelden. Toch is deze verklaring niet afdoende, want dergelijke begravingen vonden uiteindelijk toch wel plaats op een afzonderlijk kerkhof. Men zou in dit verband ook kunnen denken aan een misdaadslachtoffer of aan een slachtoffer van onrust of oorlog. Ook in Antwerpen is ooit onder een keldervloer een soortgelijke vondst gedaan als in Grachtweg 1a en ook bij Dever zijn rond 1890 een drietal menselijke geraamten tevoorschijn gekomen bij graafwerkzaamheden.

De twee spaarpotten die gevonden zijn bij het pand Grachtweg 1a: een varkentje (boven) en een haantje (onder). Onder de vleugels van het haantje bevond zich waarschijnlijk een fluitje, zodat men naar zijn geld kon fluiten.

Vondsten uit de beerput en afvalkuilen
Op grond van datering van het vondstmateriaal komen de schrijvers tot de conclusie dat er grofweg drie perioden te onderscheiden zijn, namelijk de periode tussen circa 1675 en 1725, waarbinnen de meeste vondsten gerangschikt kunnen worden, de periode 1775-1825 en 1860-1900.
Het meeste materiaal dat is aangetroffen in de beerput en in de afvalkuilen valt onder de categorie aardewerk. Hieronder kan bijvoorbeeld een mineraalwaterkruik uit omstreeks 1800 gerangschikt worden. Ook is veel rood- en witbakkend aardewerk aangetroffen. Daaronder een bord dat waarschijnlijk is vervaardigd in de plaats Oosterhout in Noord-Brabant omstreeks 1750. Bovendien zijn veel “grapen”naar boven gekomen. Dit type kookpot wordt bij opgravingen veel gevonden en werd gebruikt voor het verwarmen en bereiden van voedsel.

Spaarvarkentje
De vroegste vondst uit deze categorie dateert uit de periode 1625-1675, dus nog van vóór de aanleg van de beerput. Mogelijk is deze kookpot nog lang in gebruik geweest voordat hij tenslotte in het laatste kwart van de zeventiende eeuw in de beerput terecht kwam. Voorts zijn er enkele olielampen geborgen, een kandelaar, een pispot en een tweetal spaarpotten. Eén van de spaarpotten betrof een varkentje van witbakkend aardewerk.
Toen dit voorwerp tevoorschijn kwam, zat er nog enig kleingeld in. Helaas waren de munten onleesbaar en daardoor ondetermineerbaar geworden. Het tweede exemplaar was een haantje. Onder de vleugels heeft waarschijnlijk een fluitje gezeten, zodat men aldus naar zijn/haar geld kon fluiten! Een andere vondstcategorie betreft het porselein. Echter, het gaat hier niet om Chinees porselein, zoals gebruikelijk, maar om een Europese variant ervan. Porselein was namelijk vanaf het begin van de zeventiende eeuw erg populair in Europa. Men ging dus zoeken naar wegen om dit materiaal zelf te kunnen maken. Zo ontstonden er in Europa in de achttiende eeuw diverse productiecentra, zoals Meissen in Duitsland en Limoges in Frankrijk. Naast aardewerk is er ook glaswerk tevoorschijn gekomen en verder natuurlijk veel tabakspijpen, die door hun vorm en grootte altijd vrij goed te dateren zijn. De meeste pijpen(koppen) die zijn gevonden dateren uit omstreeks 1710 en 1780.

Conclusie
Uit de vondsten kan, volgens Dijkstra, niet geconcludeerd worden dat de bewoners van dit deel van het dorp bijzonder rijk waren, noch laat het een bijzondere beroepsachtergrond zien. Het geeft eerder een beeld van “een gemiddeld huishouden”. Hierbij waren ook kinderen betrokken. Daar lijkt althans de aanwezigheid van een tweetal spaarpotten op te duiden.

Grachtweg 1a met deur naar de tuin (2019). Foto Nico Groen

 

ANDRIES SCHOEMAKER (1660-1735) TEKENT LISS


Huijs Dever, getekend door Andries Schoemaker

Andries Schoemaker maakte niet alleen tekeningen, maar schreef ook veel. Hij schrijft lyrisch over Lisse. Vanaf de eerste kapel tot zijn eigen tijd rond 1730.

door de redactie van het Nieuwsblad

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Lis: Is een dorp met een parochie kerk tussen Sassenheijm en Hillegom al waar men van outs Ageta als patronesse pleeg te

vieren. De kapel van Lis, dewelke te voren onder de parochiekerk van Sassem hadde gestaan, is tot een parochiekerk aan gestelt en van Sassem afgesondert inden jaare 1460 gelijk dees volgende brief noch in wegen sijnde is luydende,

WOUTER van TER GOUDE proost en arsdiaken van st. Pieterskerke te Utrecht door den H. apostolischen stoel tot Romen tot Rechter, kommissaris en Gemagtígde in de onderstaande Zake aangestelt, wenst allen en een Ider de eeuwige Zaligheijt in den Heere ende een vaste gehoorzaamheíjt aan onse bevelen.
De brief van den alder hijligsten vader in Christus, onsen heer PIUS derde, door GODS voorsienigheijt paus van Romen, met zijn eijgen en ware lode (bellen?) en uythangende kennip koordeken naar de wijse van ’t Roomse Hof bezegelt, en daar bij gaaf, volkomen heel, en onbedorve, ongeschrapt, niet verdagt van de minste vervalsinge, de welke ons van wegen de eersame mannen, de schout, mitsgaders de Inwoonders en ingesetenen van Lis, onder het bisdom van Utrecht, die in den gemelden brief ook vermeld worden, ten overstaan van een openbaren notaris en van Getuygen behandigt is, hebben wij met alle eerbiedigheijt soo als het betaamde, ontvangen. Zijnde van den volgende Inhoud:

PIUS bisscop, de dienaar van GODS dienaren, wenst aan sijn eerwaardige broeder den bischop van Utrecht, en aan sijne lieve soonen, de proosten van den dom, en van St Pieterskerke te Utrecht, de Zaligheijt en de apostolisen Zegen, de heilige genegentheijt de welke onse beminde soonen de schout, mitsgaders de /nwoonders en Ingesetenen van het dorp LIS onder het bisdom van Utrecht, ons en de Roomse kerke toegedragen, (..?..) dat wij hunne begeerte soo verre als het ons mogelijk is in willigen, voor al de sodanige dewelke dienen om de (gevaren?) van hunne ziel en lichaam af te weeren, om hunne Zalighijt ende vermeerdering van den Goddelijken dienst te besorgen, en, om het gene verders tot hunne welstant verstrecken kan, uyttewerken. Verders hebben de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt ons een bede voorgeslagen hier in bestaande dat het voornamelijk de oude en swacke luyden zeer lastig viel dat sij om de misse en andere Goddelijken diensten te hooren, mitsgaders om de kerkelijke sacramenten te onifangen, en de klijne kinderen dewelke daar geboren worden te laten dopen, gehouden sijn te gaan na de parochiekerke van Sassem onder het voornoemde bisdom, welke parochiekerk onder dewelke de schout ende Inwoonders ende ingesetenen voornoempt, als parochianen behoren en gerekent worden een halve mijl soo als de mijlen in die gewesten gerekent worden dat is 3 Italiaanse mijlen vant gemelde dorp gelegen is, soo dat het somwijlen gebeurt dat de Ingesetenen en Inwoonders voornoempt omdatte den priester die soo verre van dien of woond, niet tijdig genoeg (.?..) bekomen sonder het onfifangen van de sacramenten, ende klijne kinderen sonder het doopzet te ontfangen, komen te sterven, tot geen klijn gevaar van hunne Zielen. Daarom sijn wij wegens de schout ende Inwoonders en ingesetenen voornoempt ootmoedig gebeden: wij souden ons dog gewaardigen de koninglijke kapel, dewelke door WILLEM Rooms koning, toen graaf van Holland, roemrugtiger gedagtenisse, gebout is in het gemelde dorp Lis, en dewelke, soo als de schout en Inwoonders en ingesetenen voornoempt versekerden, door den gemelden koning, toen hartog, daar toe geschikt is geweest, tot een parochie kerk op te rechten en tegen de voorsegde ongemacken van de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt te voorsien. Soo is het dan dat wij als geen regte kennis van het bovenstaande hebbende, en voort gemelde toch wel genegen sijnde, uwe bescheijdenheijt door dit pauselijk geschrift bevelen, dat gijlieden ofte tenminsten twee of een van Ue den Regent der voornoemde parochiekerke van Sassenhijm ende andere die’t behoort bij Ue te ontbieden hebt, en indien ghij dan na een naarstig onderzoek de Baak aldus gelegen vind, de gemelde kapel tot een parochiekerk, die hare doopvonten en kerkhof, ende verder eertekenen van een parochie kerk hebbe, hebt op te rechten. Den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelingen, omtrent de Zielbestieringe en andere parochie ampten uyt kragte van het Apostolís gesag van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm af te zonderen, deselve, mitsgaders het voornoemde dorp, na dat soo Benen oprichting en afsondering door Ue gedaan sal veesen, als rechte parochianen en parochiepriesters aan de voornoemde kapelle vast te hechten en toe te eijgenen, het bestier over de Zielen van de gemelde menschen aan den regent van de gemelde kapelle, voor altfijt op te dragen, en aan den Schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof te geven om in dese/ve kapelle, als sijnde dan haar eijgen parochie kerk, de Goddelijke diensten te horen. En dat gij sult maken en te weeg brengen dat aan de regent der voornoemde kerke van Sassenhijm alle jaar en ten eeuwigen tijden twee of drie oncen loueter zilver, of soo een andere vergoeding als gij lieden volgens de redelijkheijt billik sult oordelen, door de parochianen die aldus afgesondert sullen worden, voor het bovenstaande inderdaad betaalt werden, sodanig dat gijlide de tegen (.. ?..) door kerkelijke straf vonnissen sonder plaas aan Benig beroep te geven, zult mogen bedwingen, niet tegen staande alles wat hier tegen mag( …?…)
Gegeven te Romen bij St Pieter in’t Jaar van ‘sHeeren mensch wordinge 1460 of 8ste der maand november in’t darde jaar van ons pausdom.
Waarop wij de voornoemde kapel van Lis tot een parochiekerk die doopvonten, een kerkhof ende verdere eertekenen van een parochiekerk hebbe, oprechten, den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelinge ontrent de Zie/bestierínge en de verdre parochierechten van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm uyt krapte van het apostolis gesag af sonderen de voornoemde schout en Inwoonders mitsgaders het gemelde dorp Zelfs. Sijnde nu op de gerijde wijse van de parochie kerk van Sassenheijm door ons afgesondert, als parochianen aan de gemelde kapelle als hare parochie kerke vast hechten en toe wijsen, het bestier over de Zielen der parochianen van’t gemelde dorp Lis aan den regent der selver kapelle, dewelke nu tot een parochiekerk opperecht is, door ’t zelve apostolis gesag aanbevelen aan den schout, de Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof geven om in de selve kapelle als in haar eijgen parochie kerk de Goddelijke diensten te horen en volgens de gemelde Redelijkhijt ordeheren dat aan den regent der voornoemde parochie kerke van Sassenheijm, die het op soo een tijt wesen magh, tot Benen vergoedinge van het bovenstaande door de parochianen die dus van de parochi kerke van Sassenheijm afgesondert sijn, jaarlijks ten eeuwigen tijde betaalt zullen worden 5 onsen louter Zilver en dat aan den heer Bartholomeus Simons van Schidam, priester en pastoor der parochie kerke van Sassenheijm.
Gegeven te Utrecht in ons woonhuys in’t jaar 1461 in de 9de indictie ’s maandags of 27 der maand April ten overstaan van de eersame getuygen, Theobaldus Niklaasz en Reijnier van Cij.

Dus wierd dese kapelle van Lis tot een parochiekerk hervormpt door pauselijke magt op het eersoek van den schout en inwoonders aldaer. Het pastoorschap plagt door de graven van Holland en de instellinge door den ars diaken van Utrecht gegeven te worden. De inkomste van dese pastory bedroegen 40 Rijnse Guldens. De koster wierd mede door den Hollandse Graaf benoempt.

Na het afdoen van het Roomse bijgeloof (Schoenaker was dus zelf protestant!) soo verminderde ook de inkomsten van de kerk voor de noch over gebleve priesteres, waardoor dat de ook overgebleve van de Roomse kerken vereenigt wierden met de dorpen Warmond, Voorhout, Sassen, werdende dese vier plaatzen dooreen en deselve priester bedient, welke priester zijn woonstede tot Sassen hield, doch nader hand is Lis wederom van de andere afgesondert en verkreeg een Bijgen pastoor.

Lisse, een van de dorpen int balliuschap van Rijnland, daar Leijden de hoofdstad van is, aan’t poortwesten van het haarlemmermeer, heeft kerk en predicant, staande onder ’t Classis van Leijden en Neder Rijnland.

Het dorp Lisse is een heerlijk dorp gelegen aan de Heerewegh tussen de stede Haarlem en sGravenhage, alwaar de postwagen van Amsterdam na Den Haag rijdende, heen en weer dagelijks twee maal door rijt. Het is een bequame brede straat, beset met zeer sware linde boonren, en leijt rondom in een seer vermakelijke landsdouwe niet verre van t Haarlemmermeer en de Leijdse Trekvaart.

Lissepolder is het bedijkte Geestwater aan het noordwestende van het haarlemmermeer, tussen de dorpen Sassenheijm en Lisse en het Kapermeer, daar de heer Alting dese oude latijnse naam op vind: Annisou.

Andries Schoemaker, getekend naar Norbertus van Bloemen