Eene agtkantige toren diep in den grond

Men is van gevoelen, dat in de Poelpolder een oud ridderlijk stamhuis gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van deze poel, onder het uitgraven van de ringsloot diep in de grond, de fundamenten van een agtkantige (achtkantige) toren, van zeer zware moppen aangelegd gevonden heeft.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

De naam Geestwater zoals die aan een nieuw te ontwikkelen woonwijk in Lisse is gegeven, is niet van deze tijd. En dat dan in de meest letterlijke zin. We vervolgen het verhaal dat Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” (tweede druk 1792) optekenden.
Daarin wordt onder andere vastgesteld dat Lis in 1725 geheel werd bestraat. Voor wat het waard was dan natuurlijk, want Lis was niet groot en het aantal straten derhalve magertjes. De scribenten schreven: “Onder deszelfs straten loopt er één met een kromme bogt naar eene haven, welke de Gragt genoemd wordt, en zijne uitwatering heeft door de Ringsloot van de Lisserpoel, tot in het Haarlemmermeer, alwaar dit water de naam van de Greveling aanneemt. Ten Zuid-Oosten van het dorp vindt men het Lisserbroek, benevens den bedijkten Lisserpolder, weleer het Geestwater”.
Dus wat is er nieuw onder de zon!
De schrijvers vervolgen: “Men is van gevoelen, dat in dezen polder, ook veeltijds de Lisserpolder genaamd, het huis te Dever een oud Ridderlijk stamhuis der edelen van dien naam, gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van dezen poel, onder het uitgraven van de ringsloot, diep in den grond, de fundamenten van eene agtkanten toren, van zeer grote en zware moppen aangelegd gevonden heeft.”
Hoe het precies in elkaar stak en waar de scribenten op doelden is nog niet achterhaald, doch het lijkt onwaarschijnlijk dat bij het inpolderen zo maar ineens de enorme omvang van Dever (ook qua hoogte en meer dus dan alleen de fundamenten) tevoorschijn kwam.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Zo zag ’t Huys Dever er uit aan het begin van de vorige eeuw. Een holle klomp steen in het bollenland. Twee honderd jaar eerder rept een reisverhaal van de vondst van een achtkantige toren in het Geestwater.

De schatten in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof

Gerard Jaspers heeft in de bibliotheek van Keukenhof een oud bijbeltje uit 1846 gevonden. De tekst op het schutblad wordt besproken. Diverse andere boekwerken worden besproken .Er zijn in de bibliotheek 330 titels in meer dan 1000 banden.

door Hans Smulder

NIEUWSBLAD Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Dr. Gerard Jaspers deed belangrijke vondsten

Nicolaas ten Hove stierf jong, maar was braaf en godsdienstig

In 1846 werd in Londen een kleine bijbel gedrukt en uitgegeven: The Holy Bible. Oom Harry gaf een exemplaar vers van de pers cadeau aan zijn nicht Cornelia Johanna van Pallandt (1840-1923), toen zij acht jaar werd. Dat blijkt uit een aantekening op het schutblad die luidt: ‘Cornélie, received from uncle Harry. 8 years old. Steengracht. March 4th 1848’.
Het was in die tijd onder de gegoede mensen in Nederland niet ongewoon om kleine kinderen boeken in het Engels of Frans of Italiaans ten geschenke te geven. Leerzaam en chic!
Wat het bijbeltje dat Cornélie van haar oom kreeg, heel betekenisvol en bijzonder maakt is een aantekening op een ander schutblad, geschreven in het Frans door haar moeder, Cecilia Maria van Pallandt-Steengracht en het is een ‘goede raad’ van een moeder aan haar dan 20-jarige dochter die op het punt staat in het huwelijk te treden met Jan Carel Elias graaf van Lynden (spreek uit: Linden).
Ta mère!
De tekst luidt vertaald als volgt: ‘Het leven is geen pretje, geen simpel vermaak. Het bestaat allerminst alleen uit vreugdevolle gebeurtenissen. Het is veeleer een reeks moeilijke opgaven, een onafgebroken offergang. Daar komt het op neer. Daarin ligt ook de oplossing van het raadsel van het leven. Het gaat er niet om je eigen wensen te vervullen, hoe edel ze ook mogen zijn. Het gaat erom je plicht te doen. Dat is de taak waaraan ieder mens zich dient te onderwerpen. Ta mére (je moeder).

* Het nijdige briefje van een moeder aan haar frivole dochter vlak voor haar huwelijk.
‘Het leven is geen pretje, geen simpel vermaak’.

Dr. Gerard Jaspers die de bibliotheek van Kasteel Keukenhof kortgeleden heeft gecatalogiseerd en vele van de 330 titels in meer dan duizend banden heeft bestudeerd, vertelt dit verhaal gaarne en voegt er aan toe: ‘In zo’n uitgebreide en oude familie-bibliotheek zijn het niet zozeer de boeken die inzicht geven in de familie, maar vooral de extra’s die je de mensen doen leren kennen. Neem Cornélie! Kennelijk een eigengereid type. Haar moeder was er kennelijk niet helemaal gerust op dat het met haar huwelijk zou lukken. Vandaar wellicht haar harde woorden in dat bijbeltje. Cornélie was, zo lijkt het, een moeilijke meid, niet erg volgzaam.’
Dat blijkt ook nog sterker uit wat Fons Hulkenberg, de Lissese historicus, over Cornélie schreef. Hij kende de tekst van haar moeder uit het bijbeltje niet, maar hij schreef: ‘Een vreemd soort ongemakkelijkheid is jonkvrouw Cornélie altijd eigen geweest. Zij was vanwege haar grillen altijd gevreesd doch niet bemind. Haar portret zocht men bij haar kinderen en kleinkinderen vergeefs.’

Laat mij uw boekenkast zien!
‘Voor de bewoners van Kasteel Keukenhof,’ zo vertelt Gerard Jaspers, ‘gold wat voor iedereen geldt, namelijk: Laat mij uw boekenkast zien en ik zal zeggen wie u bent!’ Hij catalogiseerde de meer dan duizend boeken, variërend van een eenvoudig schoolschriftje tot aan kostbare oude bijbels en zeldzame folianten. De bewoners van het kasteel hadden door de eeuwen heen een brede belangstelling. Vandaar dat Jaspers de boeken kon indelen in niet minder dan 16 interessegebieden. Van natuurlijke historie en aardrijkskunde tot landbouw en veeteelt, filosofie, sprookjes en geschiedenis.
En hij deed bijzondere vondsten. Zo trof hij de complete 35-delige, wereldberoemde encyclopedie aan van Diderot, d’Alembert en anderen: 23 banden met teksten en 12 banden met in totaal 2000 prenten, samengesteld tussen 1765 en 1780. Alsook 28 in kalfsleder gebonden banden over Natuurlijke Historie van Buffon.

Onooglijk schriftje
Maar volgens Jaspers was de meest fantastische vondst een klein, onooglijk schriftje waarin een tante aan haar twee neefjes, zoontjes van haar zojuist overleden broer, over een lengte van niet minder dan 48 pagina’s vertelt wat voor een prachtige man hun vader was geweest. De tante was Catharina Petronella ten Hove. De jongetjes waren Cornelis Michael, 7 jaar, en Nicolaas van 11. Hun vader was Nicolaas ten Hove, bepaald niet de minste, want hij was secretaris van de Raad van State en Thesaurier-generaal (minister van Financiën – een Zalm avant la lettre). Op 44-jarige leeftijd vatte hij kou op de wallen van Den Bosch, die je niet moet vergelijken met die van Amsterdam. Hij kreeg longontsteking en werd zorgzaam verpleegd in zijn huis aan de Lange Vijverberg in Den Haag. De beste dokter van de stad werd erbij gehaald, dokter Schwencke, die ook nog aan het ziekbed van Mozart was geweest toen die eens in Den Haag ziek werd. Mozart genas onder zijn bekwame handen voorspoedig, maar Nicolaas stierf.

Brave Nicolaas
Zijn zuster Catharina Petronella die niet getrouwd was, beschrijft in het schriftje omstandig het leven van haar broer, de vader van de twee jongetjes, haar neefjes. Hoe goed hij was, hoe mooi, hoe sociaal, hoe godsdienstig. Tijdens zijn studie bijvoorbeeld weigerde hij eens een medestudent te vergezellen naar de kroeg voor een glas brandewijn, want die student had een kwalijke reputatie. In plaats daarvan repte hij zich naar zijn kamer, greep zijn viool en speelde zo mooi dat tientallen medestudenten zich op zijn kamer verzamelden en daarna, zo schreef tante, heeft hij nooit meer brandewijn gedronken. Een braverd dus die Nicolaas, althans in de visie van zijn zus.
Zijn liefdesleven verliep niet vlekkeloos. Zijn eerste liefde was heel mooi, maar had geen geld, wat een einde maakte aan de prille verhouding omdat Nicolaas zelf ook niet erg bemiddeld was. Zijn tweede liefde was zo mogelijk nog mooier, maar omdat hij geen vermogen had of familiebezit, weigerde haar vader toestemming. Tenslotte werd, driemaal is scheepsrecht, Maria Francoise Fagel zijn echtgenote. Haar vader volgde, zo vertelt Gerard Jaspers met een knipoog, waarschijnlijk het indertijd in zwang zijnde gezegd: Wilt gij Gode welgevallig zijn, huw dan uw dochter uit aan een godvrezende man. Maria Francoise was geen schoonheid, maar ook niet lelijk en bovendien, de Fagels behoorden tot de rijkste en invloedrijkste families van die tijd. Nicolaas maakte dankzij zijn schoonfamilie schitterend carrière: secretaris van de Raad van State en Minister van Financiën, voorwaar geen dunne baantjes. Helaas werd hij maar 44 jaar.

Het raadsel van de dochter
Zijn zus Catharina Petronella bleef ook na zijn overlijden ongetrouwd. Ze schreef haar lange brief aan haar neefjes als logé op het buiten Noordervliet in Voorburg waar haar broers schoonvader woonde, Cornelis Fagel. Uiteindelijk moet het schriftje met haar verhaal over haar dode broer in de bibliotheek op Kasteel Keukenhof beland zijn via Johan Maurits van Lynden.
Wel blijft merkwaardig dat zij haar verhaal schreef voor de twee zoons van haar broer Nicolaas. Die had immers ook nog een dochter, Maria Francoise, vernoemd naar haar moeder. Waarom het verhaal niet tevens voor haar bestemd was, is een raadsel.
Dr. Gerard Jaspers is van plan over zijn vondsten in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof een boek te publiceren dat, naar hij hoopt, nog dit jaar uitkomt.

* Dr. Gerard Jaspers hield in april 2006 voor de Vereniging Oud Lisse een lezing met lichtbeelden over zijn werk in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof. Dit verhaal is een neerslag van die lezing.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Het logement De Witte Zwaan en zijn bewoners deel 2

De periode van 1544 tot 1709 wordt besproken. Onder anderen worden de belevenissen van Joris van den Bos besproken. Hij pleegde fraude.

door R.J.Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Deel II: 1544-1709 (2)

Zomer 1689: Joris, onze herbergier, had inmiddels lucht gekregen van de hele affaire met zijn dochter. Daar Anna haar gedoodverfde vriend kennelijk vaak ontmoette op weg naar school (wachtte hij haar ergens op?), besloot Joris zijn dochter zelf naar school te brengen. Op een dag in de zomer van bovengenoemd jaar, toen Van den Bos zijn dochter ôhad uyt den huys ter schole besteltö was Jan Kroes op bezoek bij Cornelia Claasdr. van Parlevliet.

Jan Kroes was “geheel misnoegt” en trok zich “het voorszegde schoolleggen” erg aan. Wat moest hij nu? Stel dat Anna met iemand anders zou trouwen? En met “groote hevigheijt” dreigde hij dan ook “dat soo de voornoemde Anna van den Bos tot eenigen tijde met ymand anders kwam te trouwen, hij Jan Meijnardse den gene die haar getrout mogt hebben het leven soude benemen”. Onze charlatan moet wel diep gefrustreerd zijn geweest (en daarnaast ook wel wat bezitterig). Nog in 1690 was Kroes bij Adriaan Mathijse van den Berg te Amsterdam geweest. Daar had hij onder meer “geseijt, dat hij na haar (Anna van den Bos) niet meer soude sien, maar wagten tot datse kwam te trouwen, ende dat hij alsdan haar eerst soude aanranden, ende soo de man voor haar wilde spreken, gesworen had, dat hij de Man in riemen soude snijden”. We kunnen ons voorstellen dat de angst er bij zowel Anna als haar ouders diep in zat.

Het Vierkant, waar zich een belangrijk deel van het dorpse leven afspeelde. Links de serre van De Witte Zwaan. De stoomtram is juist gearriveerd. Coll. auteur.

Eerlijk en betrouwbaar
Inmiddels was al duidelijk met wie Anna binnenkort zou gaan huwen, namelijk met Abraham Jacobse Kok, vlasser van beroep. Veel minder begiftigd weliswaar met het aardse slijk, maar tenminste een eerlijke en betrouwbare echtgenoot. En daar ging het in deze toch maar om. In mei 1692 traden ze in het huwelijk. Anna kreeg een zeer rijke uitzet mee. Helaas, het huwelijk heeft niet lang geduurd. Slechts zo’n kleine vijf maanden later is Abraham begraven. We lezen in het rooms-katholiek begrafenisregister: “Abraham Jacobsz. obiit 9 octob.” (1692). Had Jan Kroes zijn woorden waargemaakt, waarmee hij ruim anderhalf jaar geleden had beweerd dat hij degene met wie Anna in het huwelijk zou treden “in riemen” zou snijden? Hoe dan ook, het moet wel een bijzonder onplezierige tijd zijn geweest voor de familie Van den Bos.

Fraude!
Jarenlang bleef “d’eersame” Joris van den Bos een eenvoudige, eerlijke herbergier, die gewoon, net als iedereen, met hard werken de kost moest zien te verdienen. Een eenvoudige, eerlijke herbergier?
Al gauw gingen er roddels in het kleine dorpje Lisse rond. Van den Bos had fraude gepleegd! Zo zou hij op 23 augustus 1689 vijf vaten bier besteld hebben bij Cornelis Hugens van der Kluft, biersteker van beroep, maar aan de belastingpachter Maarten van’t Hoog slechts vijf halve vaten opgegeven hebben. Dat liet Joris niet zomaar over zijn kant gaan. Hij liet op 23 november van hetzelfde jaar een getuigeverklaring afleggen bij de secretaris Jacob van Dorp. Op die datum verschenen voor laatstgenoemde, Cornelis Hugens van der Kluft, Willem Hugense van Velsen, Gerrit Franse, Jannetje Adriaens Doorneveld en Jannetje Willems. Willem Hugense verklaarde pertinent dat hij op 23 augustus 1689 ’s morgens ten huize van Maarten van’t Hoog, belastingpachter “van de Bieren over Lisse”, vijf halve vaten bier had aangegeven die alle voor Joris van den Bos bestemd waren. Vervolgens zou hij samen met de eerste “deposant”, Cornelis Hugense, drie halve vaten bij Joris van den Bos “in de kelder gewerkt hebben”, waarna de twee resterende vaten later op de dag zijn bezorgd. Twee deurwaarders en de ontvanger van de belastinggelden, Maarten van’t Hoog, zouden zelfs de vaten gepeild hebben! Dat peilen hield vermoedelijk in dat de vaten bier op inhoud gecontroleerd werden, teneinde te bepalen of er inderdaad zoveel bier was besteld als opgegeven bij de belastingpachter of “collecteur”. Ze stelden vast dat Joris inderdaad vijf halve vaten bier had liggen in zijn kelder.
Voorlopig zal Joris van den Bos wel buiten vervolging zijn gebleven met deze verklaring. Doch reeds verzamelden zich donkere wolken boven het hoofd van onze herbergier. In 1702 zou hij tenslotte voor de tweede maal betrapt worden “op fraude” door een van zijn eigen dorpsgenoten. Toen kwam hij er minder goed vanaf…

Nog meer aantijgingen, 1702
Dertien jaar later deden er opnieuw verhalen de ronde over de hospes in De Witte Zwaan, Joris van den Bos. Op een kwade dag had Gerrit Willemse Oudshoorn ontdekt dat Van den Bos opnieuw de belasting ontdoken had. Hij zou hem zelfs hebben aangebracht bij de belastingpachters die over deze streek gingen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door het dorp en spoedig wist iedereen het. Er verscheen zelfs een liedje over, geschreven door enige fanatieke Lissenaren! Helaas is de inhoud van het liedje niet bekend, maar het kwam erop neer dat Gerrit Oudshoorn de hospes “had verklikt ende aen de Pagters (belastingpachters) aengebragt soude hebben”. Vreemd genoeg werd Oudshoorn hierdoor met de nek aangekeken. Het werd hem te warm onder de voeten en hij zag zich zelfs genoodzaakt uit Lisse te vertrekken, zijn vrouw en kinderen achterlatende, zodat die “onderstand” moesten krijgen van de diaconie. Een en ander zou zich in de winter van 1702 afgespeeld hebben. Heeft toen ook Joris van den Bos Lisse verlaten? In 1703 probeert hij zijn aandeel in De Witte Zwaan, gekocht op 9 maart 1698, te verkopen, waarin hij echter niet slaagde. In 1704 hield hij bovendien boelhuis op de Zwaan, wat hem zo’n f 400 opleverde en het jaar erop verkocht hij een perceel gelegen aan de Gracht aan korenmolenaar Lenard Willemse Oote voor f 1525. Er wordt dan reeds in de akte vermeld dat Van den Bos te Haarlem woonachtig was, waarschijnlijk in het huis dat even buiten de stadsmuren van Haarlem gelegen was en dat hij vermoedelijk had geërfd van zijn in 1686 overleden neef Johannes Dankerts.

Insolvent, 1709
Van den Bos heeft nog een aantal jaren in zijn huis bij Haarlem gewoond, doch het ging kennelijk met hem financieel steeds verder bergafwaarts. Al spoedig kon hij ook de belastingen niet meer opbrengen. De schulden liepen dus op en in 1708 was Van den Bos insolvent. Dit hield in dat de schulden groter waren dan zijn vermogen. In zo’n geval moest er een curator worden benoemd. Dat werd op 19 december 1708 Hendrik Hardenberg. Hij heeft in 1709 een lijvige rekening laten opstellen. Er is heel wat verkocht. Allereerst is “den Opstal van een huysmans ofte Boere Woninge (…) staande even buyten de klijne houtpoort in de Poellaen”, in welk huis Joris van den Bos de laatste jaren woonde, verkocht voor f 455. Verder werd nog wat mest verkocht en een partij hooi. Bovendien was op 6 februari 1709 in Haarlem het aandeel dat Van den Bos had in “de herreberge” De Witte Zwaan verkocht aan Maria van der Maarsche, weduwe van Johan van Bergum, die het overige gedeelte van de herberg bezat. Opbrengst van deze veiling was f 500. Alle veilingen tezamen leverden zo’n f 1044 op, genoeg om de schulden mee af te lossen.

De jaren na 1709
In de periode na 1709 komen we de naam van Joris van den Bos niet meer tegen in de Lissese archieven. Ongetwijfeld is hij naar elders vertrokken, maar waarheen is onbekend. Hij lost dus na 1709 volkomen op in de mist. Zijn zoon Jan komen we nog wél een aantal malen tegen. Zo legt hij als inwoner van Lisse op 8 augustus 1713 getuigenis af over Pieter Colaert, eigenaar van Berkhout. Hij is dan achtendertig jaar oud en moet dus geboren zijn in 1675. In 1714 wordt Jan Jorisse van den Bos genoemd in verband met een aanstelling in de stille nachtwacht. De jongste vermelding dateert uit 1747. Jan is dan tweeënzeventig jaar oud. Hij moet dus op vrij hoge leeftijd gestorven zijn.

Conclusie
Aldus blijven er aangaande Joris van den Bos nog heel wat vragen over. Vanwaar zijn vertrek uit Lisse? Werd ook hem de grond te heet onder de voeten, nadat bekend was geworden dat hij fraude had gepleegd? En waarom ging het financieel zo snel bergafwaarts na die tijd? Waar is hij na 1709 gaan wonen? Allemaal vragen waar we vooralsnog geen antwoord op hebben kunnen vinden.
Inmiddels was er in De Witte Zwaan een nieuwe logementhouder gekomen: Cornelis Janse Onnosel. Meer over zijn reilen en zeilen in het volgende deel.

Bronvermelding
– Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse, inv.nr. 10, 13, 30, 31, 62
– Gemeentearchief Haarlem, Oud Rechterlijk Archief, inv.nr. 90.67.
– Streekarchief Rijnlands-Midden, Notarieel Archief Alphen, inv.nr. 174.
– Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 229.
Gebruikte literatuur
– A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk, Lisse 1998), pp. 40, 44.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Pie de pondegoedsvrouw en de verdwenen gouden ring

In de politierapporten van 1846 wordt de arrestatie van Pie Blokaart uit Leiden beschreven. De voddenkoopster werd verdacht van diefstal van een gouden ring van de keukentafel van Jannetje van der Linden. De ring werd bij aar terug gevonden.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Uit het politierapport van Lisse, deel 4

Met regelmaat publiceert uw Nieuwsblad uit de politierapporten van heel vroeger. Ter leering en ter vermaak! Ditmaal de arrestatie in ontober 1846 te Lisse van Pieternel (Pie) Blokaart uit Leiden. De voddenkoopster werd verdacht van diefstal van een gouden ring van de keukentafel van weduwe Jannetje van der Linden.

Op 7 oktober 1846 is voor burgemeester Van Rossen Petrus Johannes Wijting verschenen, veldwachter te Lisse. Hij verklaarde dat hij “op surveillance zijnde” was aangeklampt door Jannetje van der Linden, weduwe van Hermanus Mens, koopvrouw van beroep. Ze was in gezelschap van Mijntje van der Klauw, echtgenote van Arend Mens, van beroep tolgaardenier aan de Heemskerker tol en aldaar woonachtig. Arend was op zijn beurt een zoon van bovengenoemde Jannetje. Laatstgenoemde verklaarde het volgende: “Mijn dochter (moet zijn: schoondochter, namelijk Mijntje van der Klauw) heeft haren gouden ring bij mij op de tafel afgelegd, is even in een kamer daarneven gegaan en terug komende is de ring vermist en er is niemand in huis geweest dan Pie de pondegoedsvrouw”. Op aanwijzing welke richting ze op was gegaan, ging de veldwachter achter haar aan. Nabij het dorp kwam hij haar tegen en gelastte haar met hem mee te komen.

Ondervraging en “visitatie”
De aangehoudene, Pieternel Blokaart, wonende te Leiden, werd door de veldwachter aan de tand gevoeld over de vermiste ring. Pieternel verklaarde daarvan echter niets te weten. Ze konden gerust eens bij haar langskomen. De veldwachter vervolgt: “Ten gevolge de visitatie is uit een lorrenzak een voorstuk van een mansbroek tevoorschijn gekomen”. En daarin werd de vermiste ring vastgeknoopt teruggevonden! “De aangehoudene verklaarde hierop dezelve gevonden te hebben, waarop wij haar verklaard hebben haar in voorlopig arrest te nemen ter voorkoming van ontvlugting, met in beslagneming der bij haar gevonden goederen”. Kennelijk had ze dus nog meer spullen ontvreemd… Ze werd in verzekerde bewaring gesteld in het Oude Raadhuis. Het Oude Raadhuis bevond zich tussen het zogenaamde Kuyckehuis en het pand van Van der Zaal aan het Vierkant, ter plaatse van de latere Twentsche Bank, waarnaast tegenwoordig de oprit is naar het museum De Zwarte Tulp.

Het getuigenis van Mijntje en haar schoonmoeder
Ook Mijntje van der Klauw, de eigenares van de ring en schoondochter van Jannetje van der Linden, doet haar verhaal: “Bij mijne moeder ter kermis gekomen en eenigen aardappels voor het middagmaal zullende schillen, heb ik mijn ring afgelegd bij mij op de tafel. De aardappels afgeschild heb ik mij in een andere kamer begeven, maar op de gedachte dat die vreemde vrouw er geweest was (namelijk Pie de pondegoedsvrouw), maakte ik mij verlegen en ging om de ring weer aan te doen en vond die niet meer”. Vervolgens werd Pie voor het gezelschap gebracht. In haar tegenwoordigheid werd aan Mijntje van der Klauw gevraagd een beschrijving te geven van de ring. “Nadat zij dezelve had omschreven (…) is dezelve aan haar vertoond en door haar voor dezelve erkend”. Pie bleef echter bij haar eerder naar voren gebrachte verklaring dat zij de ring had gevonden, namelijk “tusschen het woonhuis (het vertrek waarin de ring was afgelegd) en het zomerhuis (het vertrek waarin de eigenaresse zich even had begeven) op het erf. Waarop zij is blijven persisteren”. De moeder verklaarde dat zij niet gezien had dat haar schoondochter haar ring afdeed, “maar met het afnemen van den Tafel, terwijl de aangehoudene juist heenging, geen ring meer gezien te hebben, weshalve den ring toen reeds van de Tafel moet weggenomen zijn geweest en wel terwijl zij aan ’t vuur bezig was en met de rug naar de Tafel en naar de aangehoudene, die daar vlakbij stond”. “Gezien het te ver gevorderde avonduur” werd besloten Pie maar in verzekerde bewaring te houden (op het Oude Raadhuis?) tot de volgende morgen, waarna ze met de in beslag genomen goederen naar Leiden vervoerd zou worden om overgeleverd te worden aan de “Heer Officier van Justitie”. Welke straf ze vervolgens gekregen heeft, hebben we helaas niet kunnen achterhalen. In ieder geval had Mijntje haar ring weer terug!

Manus Mens
Jannetje van der Linden woonde in de buurtschap De Engel. Ze was daar op 23 mei 1785 geboren als dochter van Arend Maartensz van der Linden en Cornelia Jansdr Ruijgrok. In 1809 trad ze in het huwelijk met Harmen of Hermanus Mens. In 1812 woonden ze waarschijnlijk aan de Akervoorderlaan. “Manus Mens” wordt dan “cultivateur”, ofwel landbouwer, genoemd. Er wordt op 8 mei van dat jaar een kind in de Roomse doopregisters bijgeschreven met de naam Adrianus Mens. Deze Adrianus of Arend komen we in bovengenoemd politierapport tegen als echtgenoot van Mijntje van der Klauw. In 1838 is hij volgens de Lissese bevolkingsregisters vertrokken, mogelijk naar Heemskerk waar hij immers in 1846 tolgaardenier was en waar hij woonde met Mijntje. Er was nog één dochter genaamd Claasje (geboren in 1810) en verder nog vijf zonen, namelijk Hermanus jr., Jan, Cornelis, Barend en Willem. In 1825 komt vader Manus te overlijden. Zijn weduwe en zijn oudste zonen Arend en Hermanus namen nu het werk op het land over. In 1840 blijkt iedereen het huis uit te zijn. Ook de weduwe Mens woont dan op een ander adres, namelijk Heereweg nummer 20, dat zich hoogstwaarschijnlijk in De Engel bevond. Later is ze een paar huizen verder gaan wonen, Heereweg nr. 18. Dit moet een boerenwoning zijn geweest, want we lezen in bovengenoemd proces-verbaal duidelijk over een gewoon woonhuis (waar de ring was afgedaan en op tafel gelegd) en een zomerhuis daarnaast (waarheen de eigenaresse van de ring zich had begeven). Inderdaad was De Engel in die dagen een echte boerengemeenschap. Jannetje van der Linden moet dus in de nabijheid van De Engel de veldwachter aangeschoten hebben, waarna de veldwachter de hele weg af moest leggen tot aan het dorp voordat hij Pie de pondegoedsvrouw tegenkwam en haar arresteerde. In 1840 blijkt Jannetje van der Linden inmiddels marktkraamster te zijn geworden, ofwel “koopvrouw” zoals in het proces-verbaal staat vermeld. Tot 1848 heeft ze op huisnummer 18 gewoond, samen met Jan Wubbe, gehuwd met Antje Mens en Dirk van der Voord, gehuwd met Gerritje van der Slot. In laatstgenoemd jaar is ze vertrokken naar Voorschoten.

Conclusie
Het was dus toch weer een arme sloeber geweest die zich iets had toegeëigend dat van een ander was! Je bleef in die hoedanigheid toch altijd verdacht. In tegenstelling echter tot de in het vorige deel besproken kwestie met de kruiwagen van Pieter Berbee werden hier in ieder geval argumenten aangevoerd die er daadwerkelijk toe deden. De dader in laatstgenoemde kwestie was slechts in de buurt, terwijl de bewuste kruiwagen bij hem niet werd aangetroffen. De ring in dit proces-verbaal werd echter inderdaad bij de pondegoedsvrouw teruggevonden. Overtuigend bewijs dus!

Buurtschap de Engel bij de Engelenbrug

Bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115; bevolkingsregisters 1830-1850; doop- en overlijdensregisters. J.L. van Diemen, P. de Ridder, P.A.M. Wassenaar, Lisse, parochianen van St. Agatha, 1687-1812, p. 190, 198.
Pondegoed was afval, rommel of vodden die bij het gewicht verkocht werden.
De kermis in Lisse vond inderdaad ieder jaar plaats in de maand oktober. Zie bijvoorbeeld: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (Zaltbommel, zesde druk 1987), p. 8.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

LISSE HEEFT NÓG EEN HOFJE: AAN DE PRINSESSESTRAAT

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Gebouwd voor ouderen, maar nu vooral bewoond door jongeren
Er is veel commotie rond het voortbestaan van het Hofje van Six aan de Kanaalstraat. Maar Lisse heeft nog een hofje! Niet zo oud als het Hofje van Six en ook niet direct in het centrum, maar in de Prinsessestraat. Ruim een halve eeuw geleden, om precies te zijn op 19 juni 1951, metselde burgemeester Mr. Th. M. J. de Graaf de eerste steen.

Dit hofje werd ontworpen door architect Van Tol en gebouwd in opdracht van de woningbouwvereniging Volksbelang die later met de woningbouwvereniging Het Gezinsbelang fuseerde en het huidige Trias vormde. De woningen waren voor de “ouden van dagen” zoals het plaatselijke blad ‘Ons Weekblad’ indertijd meldde. Dat de eer voor het leggen van de eerste steen aan burgemeester De Graaf werd gegund was niet zo vreemd omdat hij zich enorm bij het ministerie van Volkshuisvesting en wederopbouw (…) had ingespannen om in een tijd waarin een bouwstop gold toch deze woningen te realiseren. Het plan om die huizen te bouwen kwam overigens van Leen Tibboel die als gebaar de tweede steen metselde, gevolgd door wethouder J.W.A. Lefeber met de derde steen en woningbouwvoorzitter M. van der Lans de vierde. Een half jaar later werden de huisjes opgeleverd.

Kolenkist bij de achterdeur
Het hofje omvat 23 kleine woningen die rond een fiks plantsoen zijn geformeerd en dankzij het feit dat die binnenplaats slechts beperkt vanuit de omliggende straten bereikbaar is, is er sprake van een zekere geborgenheid. Een rustig stukje in het alsmaar drukker wordende Lisse. Aanvankelijk waren de huisjes dus gebouwd voor de oudere dorpelingen, inclusief een kolenkist bij de achterdeur want er werd nog op kolen gestookt en dan was het voor de oudere Lissers wel zo prettig als zij bij slecht weer niet al te ver de deur uit hoefden om kolen te scheppen. De woningbouwvereniging had er echter geen flauw idee van of het plan zou slagen. De bejaarden zouden wellicht opzien tegen het verhuizen van het vaste vloerkleed of de kans op scheuren van het linoleum bij de verhuizing! Aan de ongetwijfeld hogere huursom was wel een mouw te passen. Maar of men bereid was de oude, vertrouwde stek en omgeving te verlaten was een vraag waarop alleen de tijd het antwoord zou kunnen geven. Het plan van de woningbouwvereniging pakte echter goed uit, want alle woningen konden aan mensen uit de doelgroep worden toegewezen. Met in de plaatselijke pers de kantekening dat men daarbij nu ook weer niet moest denken dat de bewoners uitsluitend bestonden uit mensen met zilvergrijze haren die met behulp van een wandelstok van de ene kamer naar de andere kreunden., maar wel door mensen die geen wieg en geen luiers meer nodig hadden. Het plan was dus geslaagd, maar anno 2006 voldoen de huisjes niet meer aan de eisen die nu aan woningen voor ouderen worden gesteld. Inmiddels wordt een aantal huisjes dan ook bewoond door jongeren, die daar een schitterende plek hebben gevonden.

Volksbelang
De woningbouwvereniging Volksbelang werd opgericht in een tijd waarin het gros van de Lissese inwoners het bepaald niet breed had. Het was de tijd van lage weeklonen (minder dan een tientje) en hele lange werkdagen van ’s morgens zes tot ’s avonds zeven uur en op zaterdag kon men ook nog eens een keertje aan de bak tot in de middag. Huizen waren er in Lisse uiteraard wel maar niet al te veel en als we dan de kapitale villa’s langs de Heereweg maar even wegdenken, was het allemaal nog zeer eenvoudig ook. Welnu, het allereenvoudigste was goed genoeg voor met name de groep bloemistknechts waaruit zo ongeveer heel werkend Lisse bestond, maar het bleek een hele klus om een dergelijke woning in bezit te krijgen. Bekend is, dat zelfs menigeen in een schuur de nacht doorbracht of er zelfs totaal woonde. Het kon dan ook niet uitblijven dat in de rijen van de Volksbond eens nadrukkelijk over dit onderwerp werd gesproken en ziedaar, men boekte resultaten. Onder leiding van de geestelijk leider van de Volksbond en de heer H. v.d. Lans werd een oprichtingsvergadering gehouden en meldden zich gelijk al 26 leden voor de nieuwe woningbouwvereniging Volksbelang. Een vereniging die weliswaar op Rooms-Katholieke leest was geschoeid, doch steeds voor alle gezindten bereikbaar is gebleken hetgeen het sociale streven van deze vereniging weerspiegelt. Wel, de vereniging was er in 1907, maar men had nog geen enkel huis om uit te delen. Zelfs nog geen plekje grond en geen enkele steen om de eerste arbeiderswoning te gaan bouwen. Er werd, voordat het uiteindelijk zover was, nog heel wat vergaderd.

Vijftig vergaderingen
Na zo’n dikke 50 bestuursvergaderingen was het dan eindelijk zover. De woningbouwvereniging Volksbelang kreeg de kans om een aantal huizen voor haar wachtende leden te gaan bouwen. Het was toen inmiddels al zeven jaar na de oprichting, dus 1914, en met gezwinde spoed ging men er tegenaan. 25 Woningen werden gebouwd in de Julianastraat, te weten de nummers 102 tot en met 124 en 103 tot en met 125. Huizen die inmiddels zijn gesloopt in het kader van de vernieuwing van de Oranjebuurt, tegenwoordig Vorstenhove genoemd. Voor de eerste 25 huizen van de vereniging kwamen ook de eerste 25 leden in aanmerking en dat gaf weinig moeilijkheden bij het verdelen. De oorspronkelijke huur bedroeg een gulden 85 per week en werd iets later verhoogd naar twee gulden tien. En dat op bouwgrond die voor twee kwartjes per meter werd gekocht…..
De explosie in de woningbouw door en voor Volksbelang kwam in de na-oorlogse jaren. Eerst werd de Koningstraat en omgeving gebouwd, alsook de Prinsessestraat en omgeving. Inclusief het hofje dat er na 55 jaar nog altijd in puike conditie bij staat en waarvan de huisjes erg gewild zijn. Al was het alleen al vanwege de rustieke ligging……

Entree van het Hofje in de prinsessestraat

 

De tuin met huisjes van het Hofje

COÖPERATIE ONDERLING BELANG SLUIT DE DEUREN, MAAR HET WERK GAAT DOOR

De Coöperatie Onderling Belang sluit de deuren, maar het werk gaat door. De huuropbrengsten van de winkels komt ten bate van de Lissese gemeenschap. De historie begon in 1918.

door S. Smakman

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

.

Huuropbrengst winkels ten bate van Lissese gemeenschap

Coöp Cooking op de hoek van de Kapelstraat en de Kanaalstraat. Dit gemeentelijk monument is reeds verhuurd aan een Lissese ondernemer

Om maar meteen het grootste misverstand uit de wereld te helpen: met de sluiting op 1 juni van dit jaar is de Coöperatie Onderling Belang géén verleden tijd. Maar, beaamt secretaris René Elfering meteen, in de beleving van de Lissers komt op die dag wel degelijk een einde aan een historie die begon op 27 september 1918. ‘Met het vermogen van de meubelzaak en de luxe kookwinkel, kunnen we nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.’

Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog – ‘Waarschijnlijk in de kermisweek,’ grapt voorzitter Kees van der Zwet – kreeg Lisse zijn Rooms-Katholieke UA (die letters staan voor uitgesloten aansprakelijkheid) Onderling Belang. De plaats van vestiging was een klein winkeltje in de Kapelstraat. Die plaats heeft de coöperatie nooit meer verlaten, ook al beschikt de winkel daar sinds jaar en dag over 1200 vierkante meter.
De coöperatie, zegt Van der Zwet, kwam niet zozeer voort uit de angst van de confessionele zuilen voor het socialisme, waartegen via het opbouwen van eigen zuilen een solide tegenmacht moest worden geschapen, maar kwam eerder overgewaaid uit Engeland. Daar bloeiden de verbruikscoöperaties op waarmee de arbeiders een einde wilden en konden maken aan de gedwongen winkelnering. De arbeiders werden daar door hun werkgevers niet zelden verplicht om hun salaris bij bepaalde winkels te besteden.
Van der Zwet: ‘Die coöperaties zorgden ervoor dat de arbeiders zich vrij konden bewegen. En je moet het zien in de tijd: in die tijd paste het coöperatieve denken. Dat zie je aan bijvoorbeeld de kredietcoöperaties, wat de enige manier was om geld bij elkaar bij te krijgen. En in de agrarische wereld zie je de coöperatieve veilingen opkomen.’

‘In Nederland,’ zegt Henk Elfering – zoon van oprichter Hein Elfering en 39 jaar actief geweest in het bestuur van Onderling Belang – ‘was het idee achter de verbruikscoöperaties vooral: een tegenwicht te vormen tegen het grootwinkelbedrijf dat langzaam maar zeker opkwam: Albert Heijn, De Gruijter en de Spar.’
Voor een paar gulden kon je lid worden. Dat was niet voor iedereen direct te betalen in een tijd waarin een volwassen man met 6 of 7 gulden in de week thuis kwam en daarvan een groot gezin van moest onderhouden. Daarom was er mogelijkheid om in termijnen te betalen. Langzaam maar zeker kwam dat geld terug, herinnert Henk zich: ‘Er stond een grote kast op kantoor en daar werden alle bonnen van de kassa ingedaan. Aan het einde van het jaar werden de bonnen opgeteld en ieder lid kreeg dan een dividend van 1, 2 of 3 procent over het geld dat hij in de winkel had besteed. Iedereen kon kopen, maar alleen de leden kregen dat dividend uitgekeerd.’
Maar er gebeurde meer. Op een gegeven moment deed het bestuur het voorstel aan de leden om de Agathakerk een beeld cadeau te doen van Sint Nicolaas. Een paar leden waren daarop tegen: de kerk was al mooi genoeg en bovendien ging dat ten koste van de winst en daarmee van het dividend. Uiteindelijk is het beeld er ook nooit gekomen: de toenmalige pastoor wilde het beeld alleen aannemen als de leden daar met algemene stemmen achter stonden. Ondanks de oorlog ging de coöperatie door. Henk: ‘Ik herinner me nog hoe er een juffrouw de hele dag niets anders deed dan bonnen plakken. Met de volgeplakte vellen gingen we dan naar de distributie om nieuwe voorraad te halen. Ik weet nog wat een feest het was toen aan het einde van de oorlog het Zweedse wittebrood werd uitgedeeld.’

Jaren vijftig en zestig: bloeiperiode

De echte bloeiperiode van de coöperatie ligt in de jaren vijftig en zestig. In die tijd van de wederopbouw leefde het coöperatieve denken nog volop en waren de zuilen nog volledig intact. De protestanten hadden bijvoorbeeld hun eigen coöperatie Ons Belang aan de Heereweg. Na de manufacturenhandel en de kruidenierswaren had Onderling Belang een bakkerij, een steenkolenhandel en uiteindelijk de tot op de dag van vandaag bestaande meubelhande. Dat laatste was overigens geen bewuste keuze, vertelt Henk: ‘In die tijd hadden de chef van de manufacturenwinkel en de tweede man een probleem met elkaar en daar moest een oplossing voor komen. Toen zijn ze met meubelen begonnen. In een weekeinde werden een paar wanden in het pand getimmerd en vervolgens verkocht de coöperatie meubelen.’
In die hoogtijdagen telde Onderling Belang 1900 leden: vrijwel alle katholieke arbeiders in Lisse waren lid. Maar toen braken de jaren zestig aan. Het streng gereguleerde Nederland ging op de schop. Het coöperatieve denken maakte plaats voor meer individualisme, de welvaart nam toe en een paar loongolven overspoelden Nederland. Mijnders begon een zelfbedieningszaak in de Kanaalstraat (‘Wat van Mijnders komt is goed.’) en een paar jaar later werd de aardgasbel bij Slochteren werd ontdekt. De steenkolenhandel verdween en de opkomst van de supermarkten werd onderschat.
Van der Zwet: ,,We hebben heel laat ingeschoven op de zelfbediening en daarmee hebben we de slag gemist. Maar los daarvan: de winkel was er ook niet geschikt voor.’’
René, de derde generatie Elfering in Onderling Belang die zes jaar geleden aantrad in het bestuur, toen er alleen nog meubelen werden verkocht: ‘Het punt is dat we zijn begonnen met een aantal klanten en dat we met die klanten zijn meegegaan. Een van de eerste vragen die ik stelde bij mijn aantreden was: wat is de doelgroep van de coöperatie? Ik kreeg te horen: 40 procent van onze klanten zit in Berkhout. Dan moet er een bel gaan rinkelen en moet je je afvragen: ben ik wel goed bezig? Een van de eerste dingen waar ik ook achter kwam: de klant had al besloten om te gaan kopen voor dat hij bij de coöperatie binnenstapte. Dat is wel leuk, alleen: hoeveel klanten komen op die manier binnen?’

Mondigheid van de klant

Henk: ‘Ik woon in Vorstenhove. Als je ziet hoeveel meubel- en andere leveranciers daar komen en waar die vandaan komen…. niet uit Lisse in ieder geval. Paul Windt heeft er een showappartement ingericht. Als hij twee of drie appartementen heeft geïnstalleerd, dan is het op.’
René: ‘De mondigheid van de klant is ook toegenomen. Vroeger ging je naar de coöp, je kocht daar je hele interieur en twintig jaar later kocht je er een nieuw interieur. Je ouders deden dat, dus jij deed dat ook. Dat was normaal.’’
De coöp moest dus veranderen, vond het bestuur. De etalage van het bedrijf, het pand op de hoek Kanaalstraat-Kapelstraat, moest de entree worden van de grote winkel. René: ‘We hebben daar wel veel aan gedaan door verbouwingen en interieur-aanpassingen. Cooking had puur als doel om meer klanten te trekken. Het zou de entree worden van de grote winkel, ooit. Maar hoever moet je gaan als je vier, vijf jaar geen zwarte cijfers draait? Dan moet je de beslissing nemen om door te gaan met de lijn die je eigenlijk al vele jaren had: activiteiten afstoten. Waarbij het schrijnende in dit geval is dat het de laatste zichtbare activiteit is. En het is natuurlijk heel schrijnend voor de mensen die er werken. We hebben voor negen mensen ontslag moeten aanvragen, maar gelukkig heeft een aantal van hen al weer een andere baan gevonden.’

Coöperatie blijft actief

Maar het einde van de meubelzaak en de cooking-afdeling, benadrukt hij, is níet het einde van de coöperatie zelf. ‘We kunnen nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.We hebben nu vastgelegd dat het vermogen in de winkelpanden niet verder wordt aangetast en dat we met die winkeloppervlakte weer geld kunnen generen en dat weer ter beschikking kunnen stellen aan de gemeenschap voor bepaalde doelen.’
Niet aan de leden, zoals weleer, zegt Van der Zwet: ‘Waar alle coöperaties mee zitten, ook bijvoorbeeld de Rabobank, is dat je het contact met je leden langzaam bent kwijtgeraakt. Al jarenlang is er geen uitkering meer geweest aan de leden en vanaf dat moment is de band ook steeds losser geworden. Ook als je kijkt naar de ledenvergaderingen: het is voornamelijk personeel dat er zit. Officieel zijn er 200 leden, maar ook van een grote groep weten we niet weten of ze nog leven. Het lidmaatschap vererft wel naar de partner, maar niet naar de kinderen.’

Bijdrage aan de gemeenschap

Hoe het geld teruggaat naar de gemeenschap, is volgens Elfering en Van der Zwet iets waar het bestuur zich de komende tijd over zal gaan buigen. Van der Zwet: ‘Daarbij moeten we denken: wat is in de geest van de oprichters? Dat kan iets wezen op het gebied van ouderen of van de jeugd. Maar het kan ook best zijn dat je ergens een bijdrage kunt leveren aan het dorp. Maar laten we eerst maar eens zorgen dat de zaak gezond is.’

 

Na de dood van de pastoor startte de bouw van de nieuwe R.K. kerk deel 2

In de geschriften van Arie Raaphorst staat de bouw van de RK Agathakerk beschreven. De bouw startte na de dood van de pastoor. De bouw wordt beschreven.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Uit de geschriften van chroniquer Arie Raaphorst (3)

Reeds lang vóór dat er eindelijk eene nieuwe kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking van de R.K.Kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter véél te zwaar voor de zwakke schouders van de beminnelijke herder der parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H.Th. van Vlasselaar.

Aartsbisschop van Utrecht?
Door de Aartsbisschop van Utrecht, zal men zeggen, hoe kwam dat? Dat kwam namelijk zoo. Eenige dagen voor dat deze kerk werd geconsacreerd, overleed de Bisschop van Haarlem, mgr. Bottemanne. Hoewel deze bisschop reeds hoog in jaren was, had hij echter nog geen wij- of hulpbisschop. En juist toen de bemoeingen hiervoor gaande waren, kwam Haarlemsch bisschop te overlijden.
Deze bemoeingen waren bij de dood van mgr. Bottemanne reeds zoover gevorderd dat de benoeming van mgr. Carlier als wijbisschop en de doodstijding van mgr. Bottemanne, elkaar hebben gekruisd, zoodat de benoeming van mgr. Carlier eerst arriveerde ná het overlijden van mgr. Bottemanne, en dus ongeldig was. Zoodoende wilde het toeval dat de Bisschopszetel van Haarlem, dus onbezet was, en wel, juist toen de nieuwe kerk geconsacreerd moest worden. Ziedaar de oorzaak.

Onderhandsch
Nu keeren wij weer teug naar de kerk zelf. De kerk is ontworpen en gebouwd door de architect Jean van Groenendaal te Amsterdam, zoals men kan zien op een gedenksteen boven de hoofdingang aan de binnenzijde. De kerk is bij onderhandsche aanbesteding gegund.
Zij heeft eene lengte van 60 meters en eene breedte van 19 meters, terwijl het transept 29 meters breed is. Behalve de 75 meter hoge klokketoren heeft deze kerk nog een Angelustoren, staande op het midden van de kruisbeuk.
De kerk heeft ruim 1100 zitplaatsen, en is een der grootste parochiekerken uit de omtrek. Ook de toren is mede een der hoogste van de omtrek en is uren ver in het rond te zien. De toren is zeskant van vorm en heeft twee open gaanderijen en wel een op 40 meter hoogte en een op 60 meter.De steenen onderbouw van den toren heeft vier verdiepingen. Het beneden gedeelte wordt gebruikt voor portaal. Op de eerste etage luidt men de klok; op de tweede bevindt zich het uurwerk en op de derde de klok.

Geschenk
Het uurwerk in den toren is een geschenk van de Zeer Eerwaarde Heer Weve, pastoor te Ooltgensplaat, eertijds kapelaan alhier. Aan drie zijden van de toren heeft deze wijzerplaten met urencijfers en wijzers. Dezelfde klok die 60 jaren lang in de toren van de oude kerk heeft gehangen, vond weer een plaats in de toren van de nieuwe kerk. Ook het orgel van de oude kerk werd weer geplaatst.
Zoodra de kerk gereed was werd deze reeds door verschillende particuliere personen met prachtige geschenken vereerd.
De prachtige vloer van Italiaansch marmermozaiek binnen het priesterkoor is, zegt men, een geschenk van de kerkmeester C.H.Wolff. Deze vloer werd vervaardigd door de heer A.J.Hooggreef te Amsterdam. Het prachtige hoofdaltaar van marmer en caensteen was een geschenk van de kerkmeester J.Riggel, en hoogstwaarschijnlijk ook de later aangebrachte altaren van dezelfde steensoort in de Maria en St.Josephkapellen.
De altaren werden vervaardigd door de beeldhouwer P.J.Maes te Haarlem. Een prachtige communiebank in twee deelen was mede direct aanwezig. Deze communiebank is uitgevoerd in de Ateliers van de heeren van der Bossche en Crefeld. Deze is versierd met een tweetal bronzen groepen voorstellende de mannaregen en de spijziging in de woestijn.

Dubbele geschilderde ramen
Een prachtige geschilderde kruisweg is mede in deze kerk aanwezig en werd vervaardigd door de kunstschilder Jan Dunselman te Amsterdam. Elke statie dezer kruisweg is 2 meter lang en 1 meter hoog en kostte f.600,- zoodat de geheele kruisweg heeft gekost 14 x f.600,- = f.8.400,-. De kruisweg is niet op een tijdstip geplaatst, maar is statie na statie geplaatst geworden en is geheel door verschillende parochianen geschonken. De kruisweg was in het najaar van n 1911 voltooid.
Het priesterkoor prijkt met vijf dubbele geschilderde ramen en zijn vervaardigd in het atelier van de heeren F.Nicolaas en Zonen te Amsterdam. Zij zijn versierd met de navolgende figuren te rekenen vanaf de Maria-kapel:
Eerste raam. Stelt voor het H.Sacrament des Doopsel en wel:
Boven: De doop van Christus in de Jordaan. Beneden: De doortocht van de Israelieten door de Roode Zee.
Tweede raam stelt voor het Sacrament des Vormsel.
Boven: De nederdaling van de H.Geest over de Apostelen. Beneden: Petrus en Johannes dienen te Samaria het eerste H.Vormsel toe.
Derde raam stelt voor het H.Sacrament des Altaars.
Boven: Het Laatste Avondmaal. Beneden: Het eten van het Paaschlam.
Viede raam stelt voor het H.Sacrament der Biecht.
Boven: De verschijning van Jezus in de Opperzaal te Jeruzalem. Beneden: Het zoenoffer in het Oude Testament.
Vijfde raam stelt voor het H.Sacrament des Huwelijks.
Boven: de Bruilof te Cana. Beneden: De instelling van het Huwelijk in het Paradijs.
In de voorgevel bevindt zich ook een groot geschilderd raam, waarin een viertal figuren betrekking hebbende op de kerkmuziek. Boven deze figuren bevinden zich zeven musicerende engelen, elk in een cirkel van profielsteen. Deze zeven cirkelbogen worden algemeen geroemd als een architectonisch kunstwerk.

Apostelen-figuren
Nog bevinden zich boven in het schip der kerk een tiental geschilderde ramen allen versierde met apostelen-figuren. De Apostelen Petrus en Paulus staan afgebeeld in deze ramen binnen het priesterkoor. Deze laatste geschilderde ramen leverde de firma G.Hawinkel te Swalmen. De vijf geschilderde ramen in de Mariakapel zijn later aangebracht en stellen voor de vijf blijde geheimen.
De drie dito’s in de St.Josephkapel zijn ook later aangebracht en hebben betrekking op het leven van de H.Joseph.
De doopkapel bevindt zich ter linkerzijde van de kerk vlak bij het torenportaal. Hierin vond het doopvond uit de oude kerk eene plaats.
De vrouwen zijn in deze kerk gezeten aan de Mariazijde en de mannen aan de Josephzijde.
De kerk bevat 4 regels banken te weten in het schip twee regels van negen plaatsen elk en in elke beuk eene regel van zes plaatsen.In de kruisbeuk zijn de zijbanken dertien plaatsen groot.
De kerk, pastorij en torens zijn allen afgedekt met leiën daken.
In het (jaar) 1909 is centrale verwarming aangebracht.

Belasting
Om de stichtingskosten alsmede de onderhoudskosten te kunnen dekken werd er voorgesteld om eene belasting te heffen van 10% der huur van de zitplaatsen. Dit voorstel werd met meerderheid van stemmen aangenomen, zoodat men verplicht is behalve de huur ook nog 10% extra te betalen voor verwarming. Toen de kerk gereed was zijn alle zitplaatsen publiek verkocht. De zitplaatsen zijn in verband met de jaarlijksche huurprijs verdeeld in klassen en wel als volgt: het schip der kerk of de middenbeuk is verdeeld in 6 klassen met huurprijzen van f.10,-, f.9,-, f.8,-, f.7,-, f.4,- en f.2,50. De plaatsen in het transept doen f.6,- huur per jaar. De zijbeuken zijn verdeeld in 4 klassen met huurprijzen van f.5,-, f.4,-, f.2,50 en f.1,50. Deze prijzen moeten allen verhoogd worden met 10%voor de verwarming, zooals wij reeds boven hebben gezegd.
De huur moest betaald worden in twee gelijke termijnen en wel in de maanden mei en november. Het Kerkbestuur houdt dan voor het ontvangen der gelden zitting in het gebouw van de Ned. R.K. Volksbond.
De plaatsen waarvan de huur niet op de vastgestelde tijd is betaald, worden twee weken daarna publiek aan de meestbiedende verkocht.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse