Landgoed Meerenburgh: genen geringen luister

Matheus Brouerius van Nidik en Isaac le Long schreven over Lisse in het Kabinet van Nederlandsche en Kleefse Oudheden uit 1792 over Lisse. In deze aflevering van ‘Lisse Toen’ beschrijven zij Landgoed Meerenburgh, gebouwd in 1638.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

We volgen nog altijd het wedervaren van Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long op de voet. Zij schreven over Lisse het nodige in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” uit 1792. Na vastgesteld te hebben dat Lisse in 1460 “Eene kapelle” had en vervolgens uitgebreid zowel de kerkelijke als “wereldlijke” besturing is uitgelegd, komt het tweetal te spreken over Meerenburgh.

Nu een woonwijk, doch in vroeger jaren een landgoed. De scribenten: “Het huis Meerenburg strekt deze heerlijkheid tot genen geringen luister. Het werd in de jare 1638 door Jonkheer Albrecht van Wassenaar, Heer van Alkemade gebouwd. Dit huis heeft het recht van visserij uit het meer, tot aan de Lisserbrug, en is gelegen tusschen den Geerit-Aven-weg, het Leidsche meer, het dorp Lis en den Heerenweg. Het heeft eenen schonen lommerlijke plantaanzijde, gadeloze uitzichten over het meer, over de omliggende landen en konijnrijke duinen, en is door den konstenaar H. de Leth, in het laatste deel van zijn zegepralend Kennemerland,in het koper afgebeeld, en aldaar breedvoerig beschreven. De stichter, die, gelijk wij zoo even gemeld hebben, de heer van Alkemade was, had ten vader Jan van Duivenvoorde, heer van Warmond, van der Woude en van Alkemade, Houtvester, en in later tijd Admiraal van Holland; zijnde moeder was Odilia van Valkenaar. In het jaar 1666, is dit huis bezeten geweest door Jonkheer Gerard van Wassenaar, heer van Alkemade, oudsten zoon van voorgemelden Jonkheer Albrecht en van vrouwe Kornelia Buitenweg, vader van der Heer Thomas Walrave van Wassenaar, Heer van Alkemade, welke het in later tijd, na het overlijden van Albrecht, in eigendom gehad heeft.”
Zo, en dan bent u weer helemaal bij waar het de bewoners van het landgoed Meerenburgh betreft.

Het vroegere Landhuis Meerenburgh

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

 

Bert Kölker uit Lisse laat de stenen spreken

Bert Kölker heeft heel veel gevelstenen gevonden in Lisse. Hij heeft hele fotoplakboeken vol met foto’s en aantekeningen. Hij hoopt op iemand,die met hem mee wil zoeken en fotograferen. Zijn levensloop wordt beschreven.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

Verzamelaar van gevel- en gedenkstenen

Bert Kölker uit Lisse is totaal verslingerd geraakt aan gevel- en gedenkstenen. Niet dat hij bij nacht en ontij stenen uit gevels staat te bikken. Hij beperkt zich tot het fotograferen van de stenen en gaat vervolgens op zoek naar de geschiedenis achter die stenen. Want elke officiële steen heeft een verhaal. Als die stenen konden spreken. 

Met binnen handbereik plakboeken vol foto’s en aantekeningen vertelt Kölker over zijn toch wel unieke liefhebberij. Uit het gesprek komt overigens naar voren dat hij ook bij het invullen van deze hobby zijn oorspronkelijke vak als archivaris niet heeft losgelaten en zelfs die kennis van zaken goed kan benutten om de feiten keurig te ordenen. De Lisser is zijn actieve archivarisjaren gestart in de gemeente Haastrecht waar hij gedurende zijn stagetijd 22 archieven onder handen nam en samenvoegde tot een kompleet geheel. Daarna ging hij werken in Stolwijk en vervolgens bij het Rijksarchief in Haarlem. In die tijd nam hij ook de inspectie waar en werd hij later inspecteur in een gebied met 96 gemeenten met drie archiefdiensten. Het werd zijn taak om al die archieven om te smeden tot 8 grote centrale archieven. Inmiddels loopt dat project al zo’n jaar of dertig en is nagenoeg afgerond. Het is alles bij elkaar slechts greep uit het veelomvattende werk dat Kölker op archiveringsgebied deed en nog doet. Maar het gaat ons nu om die stenen. Hoe kom je tot zoiets?

Ontdekkingen
Kölker: “Door allerlei omstandigheden had ik in de zomer van twee jaar geleden niet zoveel om handen en stapte op de fiets voor een ritje door Lisse. Op de een of andere manier viel op een bepaald moment m’n oog op een ingemetselde eerste steen en dat boeide me. Wat is het verhaal achter die steen? Hoeveel van die stenen zijn er eigenlijk alleen al in Lisse? En dat houdt je dan bezig. Ik ging door met zoeken en ontdekte de ene steen na de andere. Inmiddels zijn dat er zo’n tweehonderd. Niet alleen gedenk- en eerste stenen overigens, maar ook gevelstenen.
Bij die gevelstenen valt op dat er vaak namen van vrouwen worden gebruikt, zoals Catharina, Johanna en Gerarda. En oorspronkelijke huisnamen zoals ‘De Wijde Blick” natuurlijk, waar men trouwens niet zo’n wijds uitzicht meer heeft. Achter alle gevel- en gedenkstenen gaan verhalen schuil en die probeer ik zo veel mogelijk te achterhalen. Soms lukt dat, soms ook niet en in een enkel geval laat het verhaal zich raden.

Welkom: twee stenen
Zoals bijvoorbeeld het geval is bij het gebouw van het danscentrum Welkom aan de Bondsraat. Het voormalige patronaatsgebouw. Als je bij de voordeur arriveert zie je aan je rechterhand de eerste steen die op 6 maart 1918 is gelegd door pastoor H. Thomann. Maar als je je omdraait, blijkt er aan de andere kant van die entree nog een steen te zitten. Dat is de steen (de tweede steen zoals erop wordt vermeld) die diezelfde dag werd gelegd door kapelaan B. Lasance. Die stond dus in de rangorde op een iets lagere trede.

Tekening van huize Uitermeer met de gevelsteen, die later in de school aan de Fazantstraat werd bevestigd.

Aansprekend is tevens de steen die bij de Frederik’s Hof bij kasteel Keukenhof in de muur is gemetseld. Met het wapen van Leiden, afkomstig van Halfweg op de plek waar de trekpaarden werden gewisseld. Inmiddels is een nieuwe steen in het looppad opgenomen ter gelegenheid van de restauratie van de tuin.

Meer
Bladerend door de boeken toont Kölker de ene afbeelding met beschrijving na de andere. Die van het Hofje aan de Prinsessestraat bijvoorbeeld. “Dat was even zoeken, want het ding zat achter de begroeiing verscholen. De allereerste datum in steen gegraveerd die ik tot op heden heb ontdekt stamt uit 1592 en bevindt zich in de triomfboog bij de Nederlandse Hervormde kerk aan het Vierkant, ingemetseld na de eerste grote restauratie na de Spaanse verwoesting in de zeventiger jaren van die eeuw.”
“Een van de nieuwste stenen is eveneens een qua tekst afwijkende steen die is ingemetseld in het pand van Hoogeveen staalconstructie op het bedrijventerrein Meer en Duin. Het betreft hier namelijk niet de eerste, maar de laatste steen.”
In en rond het winkelcentrum Blokhuis ontdekte Kölker zo’n vijf stenen die direct betrekking hebben op de realisatie van het winkelcentrum.
En je raakt er wel eens eentje kwijt. “Inderdaad, zoals de herdenkingssteen die in de molen op Keukenhof was gezet ter herinnering aan het feit dat die molen door de Holland Amerika Lijn aan Keukenhof was geschonken. Bij de restauratie van die molen is de steen kapot gevallen en uiteindelijk blijkt dat het ding is weggegooid. Mij is toegezegd dat wordt bekeken of er een nieuwe steen komt.”

Twee jaartallen op een steen
Druk verder bladerend komt de stenenvorser ook met het fenomeen dat aan de voorzijde van hal 1 van de voormalige veiling Hobaho het jaartal 1922 in een steen is opgenomen en aan de achterzijde het jaartal 1928. “Dat zal waarschijnlijk te maken hebben met verbouwingen en uitbreidingen.”
Nieuw in diezelfde regio is de steen van het appartementengebouw ‘Amiant’ en opvallend noemt Kölker het, dat in een grote renovatie- en nieuwbouwwijk als Vorstenhove geen enkele steenlegging heeft plaatsgevonden. En dat staat dan in schril contrast met wat de vroegere plaatselijke woningbouwverenigingen met verve deden, want in bijna elk complex van de voormalige verenigingen Volksbelang en Het Gezinsbelang is een herdenkingssteen te vinden.
Nieuw is wel de steen die is gemetseld in de nieuwbouw van Tibboel aan de Grachtweg. Een mooie steen volgens Kölker die zoetjesaan wel als deskundig mag worden beschouwd.
“En erg origineel is ook de steen die is ingemetseld in de boerderij van Horsman aan het Lange Rack. Dat is de steen van boer Langeveld en daar staat op te lezen: 1818 den 4e maand, 4de dage eers gelegen. G. Langeveld. Daar zou je uit kunnen opmaken dat G. Langeveld op 4 april 1818 de eerste steen heeft gelegd.

Tips
Uiteraard tracht Kölker zijn verzameling up tot date te houden. Hij is er van overtuigd dat er in Lisse nog talloze eerste en gedenkstenen niet door hem ontdekt zijn. Waaronder stenen in gebouwen. Een zo’n steen bevindt zich in de kerk van de H.H. Engelbewaarders. Zelfs de mensen die daar jarenlang de kerkdiensten hebben geleid, wisten van het bestaan van die steen niet af, terwijl ze er zo ongeveer bovenop stonden. Het probleem voor Kölker is dat de steen voor zijn fotografische apparatuur onbereikbaar is. Hij hoopt dan ook dat iemand het wel voor elkaar krijgt die steen te fotograferen. “Maar er zijn er beslist nog meer. Stenen op voor het oog verborgen plekjes. Graag zou ik met mensen in contact komen die me wat dat betreft op weg kunnen helpen. Mijn telefoonnummer is 0252-415610.”

Steengoed boek
Op de vraag of we in Lisse het uitkomen van een “stenenboek” of een “Steengoed Boek” tegemoet kunnen zien blijft Kölker het antwoord schuldig. “Ik bepaal me er voorlopig toe om zoveel mogelijk gevel- en herdenkingsstenen van Lisse in beeld te brengen en vast te leggen. Ik ben er van overtuigd dat je hiermee een stukje van de bouwkundige geschiedenis van ons dorp boven tafel haalt, maar ook de geschiedenis van mensen die in Lisse gewoond hebben Of daaruit een boek kan en zal ontstaan zal de tijd ons leren.”

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Monumentale bollenschuren

Vijftig eigenaren van waardevolle bollenschuren hebben van de projectgroep ‘Behoud en Herbestemming Bollenschuren’ een schildje ontvangen om op hun schuur te schroeven.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

Nieuwsflitsen

Vijftig eigenaren van waardevolle bollenschuren hebben van de projectgroep ‘Behoud en Herbestemming Bollenschuren’ een schildje ontvangen om op hun schuur te schroeven. Met dat blauw-witte bordje waarop in grote letters de woorden ‘Monumentale Bollenschuur’ staan, hoopt men meer aandacht te krijgen voor het behoud van deze in het bollenlandschap beeldbepalende elementen. De vijftig maken deel uit van de Regionale Collectie Bollenschuren, in totaal honderd stuks die bouwkundig en cultuurhistorisch waardevol zijn.

Het verloren schaap (1847)

In deel 6 van de politierapporten gaan we het hebben over Jan Raimond Affourit. Hij woonde op Grotenhof, later aan de Grachtweg. Veldwachter Wijting meldt, dat er een schaap van Affourit kwijt is. De ingewanden, botten en de vacht met blauwe verf werd gevonden. D dader niet.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 6

In deze aflevering uit de politierapporten gaan we het hebben over Jan Raimond Affourtit. Jan was in 1798 in Lisse geboren als zoon van Raimond Christiaan, bloembollenkweker- en handelaar van beroep. Zijn vader woonde als zodanig sinds 1802 op Grotenhof aan de Achterweg, waar hij zijn bedrijf heeft gehad tot zijn dood in 1858.

Toen in 1813 de kanonnen bulderden rond de stad Leipzig was Raimond Christiaan juist bezig zijn bloembollen aan de man te brengen.

Hij verhandelde namelijk al veel in Duitsland in deze pionierstijd van de bloembollenhandel.
We hadden het echter over Jan Raimond. Hij trad niet helemaal in de voetsporen van zijn vader. Hij koos namelijk voor het boerenbestaan.

Dat hij echter een boer was met het nodige geld op zak, blijkt wel uit het feit dat hij in het bevolkingsregister van 1840/1850 staat genoteerd als rentenier. Hij boerde dus goed of had al het een en ander meegekregen van zijn vader, de succesvolle bloembollenhandelaar. Dat laatste kan mogelijk bij zijn huwelijk gebeurd zijn, rond 1824. Toen kwam namelijk zijn eerste zoon ter wereld, Christiaan, gevolgd door Marinus en Cornelia Suzanna. Alledrie zagen in Leiden het levenslicht. Rond 1835 is Jan Raimond met zijn vrouw Geertrui Tacke verhuisd naar Lisse. Hij ging wonen aan de Grachtweg, nabij de huidige Kapelstraat (toen nog een steegje) en kocht hier een huis met wat landerijen. Op de landerijen had hij onder meer schapen lopen.

Er is een schaap zoek…
Op 18 januari 1847 rapporteert de veldwachter, P.J. Wijting, dat “des nachts uit de weide van den heer J.R. Affourtit een schaap was vermist geraakt uit eene kudde van 70 schapen”. Later was Leendert Kranenburg, knecht bij de heer Affourtit, gaan zoeken. Hij ging helemaal tot aan de heul (een duiker) in de Broekweg (nu de Kanaalstraat), net voorbij de molen, en vond daar een zak. We lezen: “Dat deze (=Leendert Kranenburg) dien zak bevoelt had en meende dat het schaap daar in zat”. Kranenburg liet de zak liggen en ging onmiddellijk rapport uitbrengen aan de veldwachter en – ongetwijfeld – ook aan de heer Affourtit. Zo begaven de veldwachter, de burgemeester en Leendert Kranenburg (en Affourtit?) zich naar de heul.

Een bizarre vondst
Het politierapport: “…en dien zak daar uit hebbende doen halen, is daarin bevonden een vacht, een poot en eenig ingewand, edoch niets van het vleesch”. Hoe wisten ze dan dat het toch om het vermiste schaap ging? Welnu, een en ander bleek uit de vacht die blauw gemerkt was bij de hals. Alle schapen uit de genoemde kudde waren namelijk blauw gemerkt. Bovendien had men de poten van sommige schapen, om onbekende redenen, bekleed met een soort schoen. De drijver had echter de schoenen van het vermiste schaap verwijderd. De in de zak aangetroffen poot was inderdaad niet voorzien van een schoen.

Nader onderzoek
De vacht werd bij de heer Affourtit in bewaring gegeven, waarna de veldwachter “met den zak bij de een en de ander (is) rondgegaan of die erkend wierd, doch zonder dadelijk gevolg. En vernomen zijnde dat er sporen van bloed in een aangrenzend weiland aanwezig waren, is daarop inspectie genomen, maar hield hetzelve op een te onbestemd punt op om eenig stellig vermoeden te geven. Kunnende door den ontdekker der zak evenmin eenig vermoeden worden opgegeven”.

Conclusie
Het lijkt erop dat iemand in die bewuste maand januari van het jaar 1847 om alsnog onbekende redenen een schaap heeft meegenomen uit de kudde van de heer Affourtit. Geheel onopgemerkt kan dat echter niet gegaan zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat er geen getuigen zijn van deze diefstal.

Aan de andere kant heeft een en ander zich afgespeeld op een vrij grote afstand van de toenmalige bebouwde kom van Lisse. Gaande over de Broekweg naar het Haarlemmermeer passeerde men het laatste huis ter hoogte van de Kapelstraat.

 

Bijbehorende afbeelding laat dat goed zien. Toen de dief het schaap eenmaal had uitgebeend, bleef er nog wat over: de vacht, een poot en wat ingewanden. Allemaal bewijsmateriaal waar hij zo spoedig mogelijk van af moest zien te komen. Uiteindelijk besloot de betreffende persoon ze in een zak te stoppen en deze te verbergen in de duiker onder de Broekweg. Het enige wat Jan Raimond Affourtit dus aan het verloren schaap overhield was de vacht.
Tot 1859 is Affourtit in Lisse aan de Grachtweg blijven wonen. Op 12 mei van laatstgenoemd jaar vertrok hij naar Bodegraven. Zijn vrouw was twee jaar eerder overleden. Zijn huis en landerijen had hij reeds in 1851 verkocht aan Johannes Pieter Munting. Tegenwoordig is Affourtit een naam die we niet meer tegen komen in Lisse. Alle leden van de familie zijn naar elders vertrokken.

Bronnen: GA Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten), Idem, bevolkingsregisters 1830-1860, Kadastrale gegevens per adres geordend door E. Vergunst. (Gemeentehuis Lisse, afd. Interne Zaken).

Op deze ansichtkaart uit 1909 zien we links van de molen de asschuur uit 1775 en rechts de bebouwing langs de Grachtweg. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren hier weilanden. (Ansicht collectie auteur)

 

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Nieuwe R.K. scholen voor jongens en meisjes, een gesticht voor de ouden van dagen

Het Sint Agatha Gesticht, het Piusgesticht en diverse RK scholen werden begin 1900 gebouwd na de bouw van de kerk zelf