Margriete so was haar name

In het Kabinet van Nederlandse en Kleefse Oudheden wordt veel over Lisse geschreven. Vele geschriften over Lisse zijn gebaseerd op wat er in bovenstaande document staat. Margariet trouwde in 1198 in Lisse met Diederik, Graaf van Kleef. Daar wordt voor het eerst over Lisse gesproken.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

LISSE TOEN (slot)

In aantal afleveringen hebben we de oude geschiedenis van Lisse gevolgd zoals die is beschreven in het standaardwerk “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden”, oorspronkelijk beschreven door Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long, tweede druk 1792.
De oorspronkelijke tekst hiervan werd behouden. Deze tekst is niet bepaald gemakkelijke kost, omdat men indertijd nogal lange zinnen maakte. In het vorige stukje werd kort verteld over het landgoed Meerenburgh dat in 1638 werd gebouwd.
“Niet onaanmerkelijk is het verhaal van den geschiedkundige P. Scriverius”, aldus de schrijvers. In zijn aanteekeningen op de levensbeschrijving der Graven van Holland,waarin hij meldt dat Diederik, Graaf van Kleef, in het jaar 1182 in den echt tredende met Margaretha van Holland, dochter van Graaf Floris den III van Holland, en van vrouwe Ada, zuster van den Koning van Schotland, (in Lisse) zijn bruiloft gehouden heeft.
In de Kronijk der Abdij van Egmond, gedrukt in kwarto, gedenkt Melis Stoke in zijn IIde boek vers 687, dit huwelijk in het leven van Graaf Floris III met deze woorden: Als LXXX en twee was beschreven, Nam Diedric de Grave van Cleven, Grave Floris dochter en vrouw Aden, Met groter feesten, met hoghen daden, Als hem heden was bekwame: Margriete so was haar name”.  Achthonderd jaar later zou Lisse naar aanleiding daarvan op grootse wijze feest vieren.

We sluiten hiermee de rondgang door beide scribenten af en zullen proberen om de middenpagina’s van uw Nieuwsblad vanaf het volgende nummer op een geheel andere manier te vullen. Een manier die bovendien iedereen de ruimte biedt om te reageren of om vooraf elementen aan te dragen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Het oude stoomgemaal wordt totaal vernieuwd

Het voormalig stoomgemaal in de Rooversbroek uit 1898 wordt in ere hersteld. De geschiedenis wordt besproken.

door Sjaak Smakman

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Lisse familie investeert fors

Anderhalf jaar geleden, zegt Ruud Roozen, stond hij voor de vraag wat er moest gebeuren met het voormalige stoomgemaal naast zijn huis. Het was lang in gebruik geweest als opslagplaats, maar zelfs als berghok was het door de steeds verder gaande aftakeling niet meer geschikt. Het gebouw stond op instorten. Opknappen of slopen, dat was nu de keuze. Het werd – gelukkig – het eerste.

De Vereniging Oud Lisse was meteen blij met de plannen, vanaf het eerste moment dat Roozen contact opnam. Bij een inventarisatie van monumentale panden was het stoomgemaal eerder over het hoofd gezien. Ten onrechte, want het gemaaltje dateert al uit 1898 en heeft dus een historie die er mag zijn. Het Hoogheemraadschap van Rijnland bouwde het een dikke eeuw geleden om de Rooversbroekpolder droog te houden. Het gemaal was een relatief groot gebouw, omdat het een stoommachine moest herbergen. Het kolenhok naast het hoofdgebouw – waar nu overigens een aanbouw komt – getuigt daar nog van op de oude foto’s.

De stoommachine was zo bewerkelijk dat de machinisten, eerst Lissenaar Cozijn en daarna vader en zoon Koelewijn, het warme eten vaak naast de machine opaten. De vervanging door een dieselmotor in 1924 was een hele verbetering, ook al moest de motor om het uur worden gesmeerd. Voor de familie Koelewijn was het bedienen van het gemaal overigens een bijverdienste, want vader en zoon waren in eerste instantie bollenkwekers. Op de ruim 3,5 hectare die de familie Roozen in 1992 overnam van de familie Koelewijn wordt ook nu nog geteeld.

Pal naast het gemaal stond lange tijd een stenen dienstwoning. In 1961 kwam daar, toen zoon Koelewijn ging trouwen, een houten woning voor in de plaats. Terwijl het gemaal op houten palen was gefundeerd, werd de dienstwoning gewoon op de klei van de dijk neergezet. Na verloop van tijd begonnen de muren zodanig te scheuren dat sloop onvermijdelijk was.

De onderdelen voor de veel lichtere houten woning werden vanaf de Lisserdijk overgevaren naar het gemaal. Ook voor de huidige restauratie en verbouwing van het gemaal is vrijwel al het materiaal overgevaren over de Ringvaart. Waarbij, vertelt Ruuds moeder Mary die helemaal vooraan bij de kassen van de kwekerij aan de Middenweg woont, een keer een kraan in het water is gevallen die er vervolgens met een andere kraan is uitgetakeld.

Ruud woont nog even in de houten woning met zijn vrouw Willeke en zijn dochtertjes Jasmijn (4) en Merel (6). Een geweldige plek, beaamt hij meteen. Direct aan het water, een schitterend uitzicht over de Haarlemmermeerpolder en volop ruimte om het huis. De woning wordt straks gesloopt, zo is overeengekomen met de gemeente Lisse, in ruil voor de medewerking aan de bouwplannen voor het gemaal.

De plaats is heden ten dage dan wel een droom, maar in voorbije jaren was dat anders. Door de afgelegen ligging bleven het gemaal en de twee huizen verstoken van gas, elektriciteit en waterleiding. Het drinkwater kwam uit de regenton en als die leeg was, werd het aan de overkant gehaald met een melkbus en een paar pannen. De warmte kwam van een kolenkachel, het licht van olielampen en gekookt werd er op een butagasstel. In 1965 kreeg de polder elektriciteit en kon grondwater worden opgepompt.

Na een halve eeuw dienst begon de Crossley-dieselmotor van het gemaal gebreken te vertonen en werd gekozen voor een andere oplossing: het overtollige water van de Rooversbroekpolder werd via een duiker afgevoerd naar de lager gelegen Poelpolder en daar de Ringvaart ingepompt via het gemaal bij de molen van Duineveld.

Het gebouw van het oude gemaal zelf bleef, evenals de houten woning, staan. Begin jaren negentig kwam de familie Koelewijn naar de Middenweg. Toen mevrouw Koelewijn weer terug wilden naar het dorp, kwam de houten woning vrij en trokken Ruud en zijn gezin erin. Het in onbruik geraakte gemaal kregen ze er bij. Roozen besloot uiteindelijk Frits Treffers van de Vereniging Oud Lisse te benaderen met de vraag of het complex niet kon worden opgeknapt. Dankzij medewerking van de gemeente Lisse kon afgelopen september begonnen worden met de verbouwing. De restauratie betekent wel flink veranderingen. Aan de buitenkant springen vooral de dakkapellen en de aanbouw aan de zijkant op de plaats van het kolenhok in het oog. Maar de uitbreiding was nodig om voldoende woonruimte te creëren, zegt Ruud. Goedkoop is de restauratie niet geweest: de benodigde baksteen moest zelfs uit Frankrijk komen omdat die een speciale maat heeft die alleen daar nog wordt gebakken.

Maar het leed is nu bijna geleden. Over een paar maanden moet de verbouwing af zijn en heeft Lisse een monumentaal gebouw – al zal het nooit een gemeentelijk monument worden, want Ruud wil niet aan allerlei verplichtingen vast komen te zitten. ‘Deze verbouwing heeft al genoeg gekost’, zegt hij.


Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Stoomgemaal aan de Ringvaart

Cultuurhistorische waarde vaak groter dan monumentale belang

Wethouder Mesman geeft een uitgebreid interview over zijn ideeën over een groot aantal oude gebouwen en situaties

door Sjaak Smakman.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Wethouder Guus Mesman over het monumentenbeleid

Guus Mesman (PvdA) is bijna een jaar wethouder met monumentenbeleid in zijn portefeuille. Met onze verslaggever praat hij vrijuit over het Hofje, het oude Schooltje op het Vierkant, het CNBgebouw en het behoud van een evenementenhal. Of is het wellicht meer haalbaar het parkeerterrein bij Hoogvliet te overkappen?

Niet alleen Ruimtelijke ordening is zijn werkterrein. Hij doet ook het monumentenbeleid. ‘Persoonlijk vind ik het heel jammer dat ik als monumentenwethouder gelijk wat moest laten slopen. Kanaalstraat 44! Dat was niet wat deze wethouder voor ogen stond’.

Wat trof je aan bij je aantreden?
‘We hebben een beleid in verandering. Naar aanleiding van Kanaalstraat 44 hebben we geconstateerd dat de redengevende beschrijvingen niet in orde zijn. Op dat moment is gezegd: die moet voor alle monumenten opnieuw gemaakt worden. Tegelijkertijd hebben we gezegd: we gaan opnieuw door heel Lisse: wat hebben we aan monumenten geregistreerd, zijn er panden die er bij moeten en zijn er nog die er ook af zouden kunnen?’

Hoe ver is het daar nu mee?
‘Daar is de Stichtingt Dorp, stad en land mee bezig. Van de hofjeswoningen is nu net een redengevende omschrijving binnen waarin staat dat het Hofje monumentwaardig is. Oók als het op zichzelf staat en geen onderdeel is van een ensemble.’

En de rest van de monumenten?
‘De rest moet ik nog krijgen. De monumentencommissie kan daarna advies uitbrengen. Ik verwacht dat we dit jaar nog een nieuwe monumentenlijst kunnen vaststellen. En bij alles komt ook een goede redengevende beschrijving.’

Zodat de ellende zoals met Kanaalstraat 44 wordt voorkomen?
‘Ja. Wij hadden beweerd dat sigarenmagazijn Juliana zo’n bijzonder interieur had, terwijl dat er niet meer in zat. Dat kwam doordat er niemand echt langs was gegaan! Nu zal elk pand echt bezocht worden en van binnen en van buiten bekeken.’

Monumentenbeleid en geld staan vaak op gespannen voet met elkaar. Kanaalstraat 44 bezweek onder dreiging van een claim van de projectontwikkelaar, de openbare school aan de Heereweg en de CNB-hallen sneuvelen waarschijnlijk om de zelfde reden?
“Van Kanaalstraat 44 hebben we als politiek geoordeeld dat we het ons niet konden veroorloven voor één pand een exorbitant bedrag neer te leggen. Er zijn meer zaken die voor de gemeenschap belangrijk zijn. Een belangenafweging dus.
De reden dat we ons zo hebben ingezet voor de CNB-hallen, is niet zozeer de monumentale waarde, maar de cultuurhistorische waarde. En dan niet van het geveltje, maar van wat zich daar achter allemaal heeft afgespeeld. Bij de CNB is gezegd: van het hoofdgebouw willen we een cultureel centrum maken. Dan blijft de gevel behouden en als je achter die gevel kijkt: daar is niets monumentaals aan.”

En bij de veilingzaal geldt: die bankjes die zo bijzonder zijn, die gaan er uit.
‘Daar is discussie over. De een zegt: je moet ze laten staan. De ander zegt: met een andere indeling is wel wat mogelijk.’

Achter de gevel blijft er dus niets over.
‘Van die zaal moeten we nog maar eens bekijken of dat wel zo handig is. Er zit bijvoorbeeld ook nog geen lift in dat gebouw. Als je de voorste bankjes weg haalt, dan krijg je wel ruimte om het podium te vergroten. Maar ja, je hebt ook nog coulissen nodig.’

Een oude veilinghal zou toch wel in te passen in het monumentenbeleid?
‘Daar heb je gelijk in. We zouden kunnen zeggen: we laten zo’n veilinghal staan en daar kun je ook wat zinnigs mee doen.’

Wil Veldhoven, Fred Broersen en Proper Stok zijn met een plan gekomen. Is dit niet het moment voor hen om de grote woorden waar te maken?
‘Dat kan, maar dan heb je toch nog het probleem van het parkeren, dat ze in hun oorspronkelijke plan hebben laten liggen. We hebben ze gevraagd: hoe los je dat parkeren op? Henri Stol heeft later voor ons nog een studie gemaakt en hij kwam toen met het idee om in de hal die evenementenhal zou moeten worden, een vloer aan te brengen waaronder geparkeerd kan worden en waarop de evenementen dan plaats vinden. Dat was de goedkoopste manier, maar dat kost wel 1,8 miljoen euro meer voor 84 parkeerplaatsen. Dat is relatief goedkoop, maar als je die evenementenhal na drie jaar moet afbreken omdat het niet blijkt te lopen, ben je wel 1,8 miljoen kwijt!
Dat zou zonde zijn. Het verhaal was ook: dat parkeren is nu ook geen probleem, de gemeenschap accepteert op zo’n dag dat er wat parkeeroverlast is. Dat is wel zo als het gaat om een handjevol evenementen. Maar als je een evenementenhal gaat exploiteren, dan moet je wel proberen elk weekend een evenement te hebben anders hoef je daar geen hal voor te laten staan. En je kunt niet elk weekend zeggen: de gemeenschap vindt het wel goed.’

EVENEMENTENHAL
ONHAALBAAR?
OPLOSSING:
PARKEERPLEIN
HOOGVLIET
OVERKAPPEN

Het viel niet op te lossen in de Hobaho?
‘Wel als je daar extra parkeerplaatsen gaat maken. Maar die moeten ook betaald worden. Provast zegt ook: wij kunnen alles best onder de grond stoppen, maar er moet wel betaald worden. Je kunt niet alles op het bordje van Provast of Joop Zwetsloot schuiven. Dat gaat gewoon niet.’

Heeft het je niet verbaasd dat het CDA daar zo makkelijk mee akkoord ging?
‘Dat ging niet makkelijk, hoor, het was een heel groot pijnpunt. Fred Broersen is natuurlijk een prominente CDA’er en die heeft zich het vuur ervoor uit de sloffen gelopen. Tot op het einde toe hebben we als college ook gezegd: we nemen de uitdaging op ons. We kijken hoeveel evenementen er worden gehouden en we kijken waar we die onder kunnen brengen. Keukenhof heeft ook al eens aangeboden om een grote tent neer te zetten bij het kasteel. Maar voor de eerste de beste rommelmarkt die nu niet in de CNB werd gehouden, werd meteen een andere plaats gevonden. Dus voor kleinschaliger evenementen zijn best oplossingen te vinden. Als we straks de doorsteek maken, krijg je op het parkeerterrein achter de Hoogvliet een soort binnenplaatsje. Voor het zelfde geld zeg je: we zetten daar een kapconstructie overheen waar je wat kleinschaliger dingen kunt onderbrengen. Dat vind ik ook een belangrijk signaal naar de Lissese gemeenschap.’

Het schooltje tegenover het Gemeentehuis. Dat is nog uit 1885 en dus nog monumentaler dan de CNB-hallen.
‘Maar het ligt wel heel onhandig. Vandaar dat we ook wel speculeren op de creativiteit van projectontwikkelaars. Daarom is het ook handig dat we er een prijsvraag van maken, dan kunnen we zeggen: jullie kunnen extra punten verdienen door het schooltje in het plan op te nemen of in elk geval een deel van het schooltje. Alleen de gevel bijvoorbeeld als onderdeel van een groter geheel. Er zijn landelijk voorbeelden genoeg waaruit blijkt dat dat heel mooi mogelijk is. Maar daar zit natuurlijk weer een prijskaartje aan.
In feite vind ik dat van het CNB gebouw ook. We zeggen: het gaat om de cultuurhistorische waarde van het gebouw! Wat gebeurde daar? Dan heb ik ook zoiets van: dat zou een gevel kunnen zijn die je heel fraai in zou kunnen pakken. Dan maak je er toch iets moderns van. Als je in Haarlem kijkt naar de schouwburg, met die glazen wanden waardoor je iets ouds ziet schemeren, dat is schitterend!’

Laten we nog even kijken naar Kanaalstraat 44 en het Hofje. De diakonie wil nu een op een of andere manier schadeloos worden gesteld als het Hofje moet blijven staan. Hebben ze daar geen gelijk in?
‘Dat weet ik niet.’

Laten we zeggen dat ze redelijke argumenten hebben.
‘Dat ben ik met je eens, maar dat is wat anders. Ik geef onmiddellijk toe dat de directe omgeving de monumentwaardigheid van het Hofje aantast. Het wordt er ook niet leuker op om daar in een huisje te zitten, maar dat geldt ook voor elk ander plan dat de Diakonie daar zou willen ontwikkelen. En verder hebben we net een redengevende omschrijving binnen die zegt dat het Hofje nog altijd monumentwaardig is.’

Maar hebben ze dan geen recht op een schadevergoeding?
‘Het is niet zo dat de Diakonie het Hofje heeft gekocht en dat wij er een monument van hebben gemaakt. Het was al heel lang het bezit van de Diakonie en toen het een monument werd, hebben ze geen bezwaar gemaakt. Nu willen ze het slopen. Maar ze hadden toch niet in alle redelijkheid kunnen verwachten dat er een sloopvergunning gegeven zou worden?

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Trekvaart 350 jaar

Het is dit jaar 350 jaar geleden, dat de trekvaart is aangelegd. Het boek ‘Tussen tol en trekvaart, 350 jaar water, het monument en de mensen’ door M. Smitsloo komt in maart uit.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Nieuwsflitsen

Het is dit jaar 350 jaar geleden dat de Trekvaart tussen Haarlem en Leiden gegraven werd. In één jaar tijd! Met de hand! Het jubileum wordt op verschillende wijzen gevierd. Begin maart komt er een boek uit van de hand van Miep Smitsloo-de Graaf getiteld ‘Tussen tol en trekvaart, 350 jaar het water, het monument en de mensen’. Het gaat over de historie en over de mensen die er hun voetsporen hebben achtergelaten.
In mei verschijnt het boek ‘Blauwe ader van de Bollenstreek, 350 jaar Haarlemmertrekvaart – Leidsevaart 1657-2007’ Het is een geschiedenisboek dat is samengesteld in opdracht van het provinciaal Historisch Centrum Zuid-Holland en het Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek. Op 29 en 30 september is er een lootschouw gepland van Haarlem via Warmond naar Leiden met westlanders, hagenaars, sloepen, schuiten en andere lage schepen. In Museum de Zwarte Tulp in Lisse wordt een tentoonstelling georganiseerd over 350 jaar Haarlemmertrekvaart-Leidsevaart. De expositie opent op 11 mei en sluit op 30 september 2007.

Huis Halfweg

Molen vijftig jaar op Keukenhof

De molen op Keukenhof is 50 jaar. Het is sinds 2004 een rijksmonument. Het is in 1892 gebouwd in Groningen. In 1957 in het geheel ontmanteld en op keukenhof weer opgebouwd.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Nieuwsflitsen

Eén van de jongste monumenten op het landgoed Keukenhof is de molen die zich op het terrein van de bloemententoonstelling bevindt. Het is niet zozeer het jongste monument in jaren, maar wel wat het predikaat ‘monumentaal’ betreft, want pas sinds 2004 is de molen opgenomen op de Rijks Monumentenlijst. Het is ook een zeer bekende molen en wellicht het meest gefotografeerde exemplaar ter wereld, want vanaf het moment dat de molen op Keukenhof verrees, hebben honderdduizenden mensen het monument bezichtigd en beklommen, om vanaf de omloop de omliggende bloembollenvelden en Keukenhof te bekijken. Het betreft een zogenoemde Stellingmolen, die in 1892 werd gebouwd en oorspronkelijk dienst deed als watermolen in de Rozenburgpolder in Groningen. De molen werd aan Keukenhof geschonken door de Holland Amerika Lijn, in 1957 geheel ontmanteld en op het tentoonstellingsterrein opnieuw opgebouwd, waar hij op 4 april in gebruik werd genomen. Dat is dus op 4 april van dit jaar precies vijftig jaar geleden! Een reden voor Keukenhof om daar bij stil te staan, niet in het minst omdat dit ‘jubileum’ valt in het Jaar van de molen, 2007.

De Vergulde Zwaan

De Vergulde Zwaan geopend

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, april 2007

Nieuwsflitsen

Op zaterdag 10 maart is in de 1e Havendwarsstraat nr 4 in Lisse het ‘Centrum voor cultuurhistorie Duin- en Bollenstreek’ officieel in gebruik gesteld. De heren J.Wienen en A. de Roon, die in het dagelijks bestuur van de Regio Holland Rijnland de portefeuilles van respectievelijk Ruimte en Cultuur beheren (Adri de Roon is ook nog wethouder in Lisse voor o.m. Cultuur), onthulden een aan de gevel bevestigde goudkleurige zwaan. Want het gebouw waarin het centrum is gevestigd, heet De Vergulde Zwaan. Eigenaar Lisse Centrum Beheer (van de gebroeders Zwetsloot) heeft het pand ter beschikking gesteld aan Lissese erfgoedorganisaties, waaronder uw Vereniging Oud Lisse, als vergader-, werk- en documentatieruimte.
Uw Vereniging Oud Lisse is druk doende om in dit pand een Servicepunt in te richten. Daar kan men een aantal malen per maand, zowel overdag als in de avond, terecht voor het stellen van vragen, voor hulp bij onderzoek, voor het inzien van naslagwerken en verzamelingen en dergelijke.

Door den docter zijn nog vruchteloos alle mogelijke middelen in het werk gesteld

In het politierapport uit 1847 wordt het relaas beschreven over het verdrinken van Mietje, de diensmaagd van Leembruggen, eigenaar van Veenenburg, vroeger Huis ter Panne genoemd.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 7

Reeds vanaf de zestiende eeuw bevond zich op de grens van Lisse en Hillegom het Huis ter Panne, later wel Veenenburg genaamd. Het uitgestrekte duingebied tussen de Loosterweg-Noord, de Veenenburgerlaan en de Heereweg maakte deel uit van het landgoed. In 1847 was Veenenburg het eigendom van de Leidse textielfabrikant Johannes Leembruggen. In mei van dat jaar verdronk zijn dienstmaagd Mietje.

Op 22 mei 1847 verscheen voor de burgemeester van Lisse Nicolaas Deen, tuinknecht op Veenenburg.1 Hij verklaarde “op gisteren morgen ten zes uren in het huis gekomen te zijn om de bloemen daar uit te halen, als wanneer hem door de werkmeid wierd gevraagd of hij Mietje (Anna Maria Bosch, dienstmaagd bij den heer J. Leembrugge) niet gezien had”. Ze was reeds om half vijf in de ochtend opgestaan om naar de “beste kamer” te gaan, maar ze had haar niet teruggezien. Had Nicolaas haar soms bij de tuinman gezien? “Het antwoord daarop was neen”.

Mietje wordt gevonden
Nicolaas begon een ongeluk te vermoeden en “liep even achter het huis om en zag daar een rok boven op het water”. Daarop haalde hij de betreffende persoon uit het water. Het bleek inderdaad Mietje, de vermiste persoon, te zijn. Met behulp van enige andere mensen bracht Nicolaas haar binnen in het huis. “Daar gekomen zijnde zijn nog alle mogelijke middelen in het werk gesteld door den heer J. Leembrugge en door den heer docter van Dieren om er eenig leven in te ontdekken, maar alles vruchteloos”.

Veenenburg gezien vanaf de huidige Loosterweg-Noord omstreeks 1900. Het huis waarvan we hier de voorgevel zien, dateert uit omstreeks 1797 en is afgebroken in 1913. Het bevindt zich temidden van een fraaie parkaanleg, een zogenaamde Engelse Tuin. Aanvankelijk zal hier echter een Franse Tuin, dus een meer formele tuinaanleg, aanwezig zijn geweest. (Coll. Auteur

De brief
De vorige avond had Mietje nog “met de laatste spoortrein” een brief aan haar moeder gezonden. Aan de rand van het landgoed van de heer Leembruggen bevond zich namelijk sinds enige jaren een station. Met de aanleg van het spoor in 1842 had hij deze voorziening van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij afgedwongen. Vanaf die tijd beschikte Leembruggen dus over een privé-station. Stond er wellicht iets in de brief dat enig licht zou kunnen werpen op de mysterieuze dood van Anna Maria Bosch, ook wel Mietje genaamd? De brief werd inderdaad weer teruggevonden, maar helaas kon men uit de brief niet vernemen “dat ten tijde dat die ontvangen zou worden, zij er niet meer zijn zoude”.

Conclusie
De dood van Mietje zal wel hard aangekomen zijn. Toch kwam het in vroeger eeuwen wel vaker voor dat wanneer men om de een of andere reden te water geraakte, dit voor de betrokkene fataal afliep. Men moet nu eenmaal rekening houden met het feit dat niet iedereen kon zwemmen. Hoogstwaarschijnlijk gold dit ook voor Mietje.
Ironisch genoeg staat dit geval niet alleen. Ook Gerard, zoon van Johannes Leembruggen, zou op Veenenburg in de herfst van 1865 tijdens een jachtpartij om het leven komen door verdrinking.
Ook elders in de politierapporten lezen we weleens van een enkel geval van dood door verdrinking en in de begrafenisregisters is er eveneens zo nu en dan sprake van drenkelingen die bijvoorbeeld op de Lissderbroek aan de rand van het Haarlemmermeer waren aangetroffen na een flinke storm. Het zal dan ook niet zomaar om een slootje zijn gegaan, waarin Mietje was verdronken. Eerder denken we in dit verband aan een vijver, die deel uitmaakte van de parkaanleg ter plaatse.

Bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115; Idem, bevolkingsregister 1840-1850 (huisnr. 68); Idem, huwelijksregisters (1851); A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk 1998), p. 31.

1 Nicolaas of Klaas Deen was in 1845 op Veenenburg als tuinmansknecht aangenomen. In 1847 was hij 27 jaar oud. Op 27 juni 1851 trad hij in het huwelijk met Maartje van der Werff. 

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

2007 het Jaar van de Molen

De geschiedenis van de wipwatermolen begint vóór 1652. De gehele geschiedenis wordt besproken.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

 

De wipwatermolen in de Lageveense Polder in 1970: ‘om duinwater te verwinnen’

In de Lageveense Polder, aan de overkant van de Leidsevaart, staat een wipwatermolen. Hij bevindt zich aan de spoorbaan, maar oorspronkelijk was hij gelegen aan de Leidsevaart. Onze verslaggever ontdekte dat er hier al een watermolen stond in 1650!

De wipwatermolen maakt deel uit van het landgoed Wassergeest. In het boek Wassergeest te Lisse leest u meer over de geschiedenis van dit nog bestaande landgoed. Toen de Lageveense Polder in 1652 werd gesticht, bestond het molentje al. In die beginjaren van de polder ondervond men veel overlast van zogenaamd kwelwater wat vanuit het Keukenduin in de polder terechtkwam. Deze overlast was zodanig dat “de molen niet machtig is de landen behoorlijk boven het water te houden”. Een groot gedeelte van het jaar moest “de molen malen om het voorschreven duinwater te verwinnen”. Een en ander speelde zich reeds in 1652 af, zodat we kunnen aannemen dat de Lageveense Watermolen toen al bestond. Overigens is die wateroverlast nog lang zo gebleven.

Aanleg Leidsevaart, 1657

Vijf jaar later wordt de Leidsevaart aangelegd. Het jaar daarvoor – in 1656 – werden reeds de daartoe benodigde gronden onteigend. Van de te onteigenen percelen is toen ook een kaart vervaardigd. Zoals we zien bevond de molen – toen al een eenvoudige wipwatermolen – zich op perceel nummer 214 dat eigendom was van Gerrit Symonsz. De molen grensde aan een slootje dat langs de Vaert Weg liep. Het tracée van de nieuwe vaart is reeds aangegeven. Deze loopt oostelijk van laatstgenoemde weg en loopt dus dwars door het perceel waarop het molentje getekend staat. Deze zal na 1657, het jaar waarin de Leidsevaart gereedkwam, dan ook wel verplaatst zijn. Aan de overzijde van de Vaert Weg bevindt zich op het grondgebied van Noordwijkerhout ook een molen. Deze is nog steeds aanwezig.

De wipwatermolen op een foto uit 1950

Een nieuwe molen, 1815

Op 16 juni 1815 wordt er door de Lissese notaris Cramerus publiek verkocht “de Afbraak der Laage Veenschen Polders Watermolen” op verzoek van “Jan Warmerdam en Dirk van der Hulst, beiden woonende te Lisse, als Poldermeesteren des Lageveenschen Polders onder Lisse”. De totaalopbrengst bedraagt 130 gulden en 17 stuivers. Indien de molen niet tussentijds herbouwd is, heeft hij dus bestaan vanaf circa 1650 tot 1815, dus ongeveer 165 jaar. Er kwam een nieuwe wipwatermolen. Deze moest echter in 1842 weer verplaatst worden, toen de spoorweg werd aangelegd. En weer kwam de molen dus een stukje oostelijker te liggen, evenals in 1657.

Brand, 1890

In het Leidsch dagblad van 28 juli 1890 lezen we dat de molen in de Lageveense Polder in de brand was geraakt door de vonken van een passerende locomotief. Maar ook nu kwam er gewoon weer een nieuwe molen. Of dat de huidige bestaande molen is, of dat er na 1890 weer een nieuwe molen is gekomen is mij helaas niet bekend.

Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief, Notarieel Archief Lisse, inv.nr. 5347, akte 44. Akte van 16 juni 1815. A.M. Hulkenberg, Keukenhof, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), p. 59.

Een eeuw sociale woningbouw in Lisse.

door Arie in ’t Veld

Woningbouwvereniging Trias viert jubileum

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Dit jaar viert de woningbouwvereniging Trias het honderdjarige bestaan. Trias zelf bestaat nog slechts enkele jaren als het gevolg van een fusie tussen twee woningbouwverenigingen uit Lisse en een uit Voorhout. En van die drie verenigingen zou dit jaar de woningbouwvereniging Volksbelang uit Lisse het eeuwfeest vieren. Honderd jaar sociale woningbouw in Lisse. Trias zal dit jubileum op gepaste wijze vieren.

Kijkend in de geschiedenisboeken van de vereniging wordt duidelijk dat Volksbelang werd opgericht in een tijd waarin het gros van de Lissese inwoners het bepaald niet breed had. Het was de tijd van lage weeklonen (minder dan tien gulden per week) en heel lange werkdagen. Van ’s morgens zes tot ’s avonds zeven uur en op zaterdag kon men ook nog eens een keertje aan de bak tot in de middag.
Huizen waren er in Lisse uiteraard wel maar niet al te veel en als we dan de kapitale villa’s langs de Heereweg maar even wegdenken, was het allemaal nog zeer eenvoudig ook. Dat allereenvoudigste was goed genoeg voor met name de bloemistknechts waaruit zo ongeveer heel werkend Lisse bestond, maar het bleek een hele klus om een dergelijke woning in bezit te krijgen. Bekend is, dat menigeen in een schuur de nacht doorbracht of er zelfs totaal woonde. Het kon dan ook niet uitblijven dat in de rijen van de plaatselijke afdeling van de Volksbond eens nadrukkelijk over dit onderwerp werd gesproken en ziedaar, men boekte resultaten. Onder leiding van de geestelijk leider van de Volksbond en de heer H. v.d. Lans werd een oprichtingsvergadering gehouden en meldden zich gelijk al 26 mensen als lid van de nieuwe vereniging die Volksbelang ging heten. Een vereniging die weliswaar op Rooms-Katholieke leest was geschoeid, doch steeds voor alle gezindten bereikbaar is gebleken, wat het sociale karakter van deze vereniging weergeeft. Welnu, de vereniging was er in 1907, maar men had nog geen enkel huis om uit te delen. Zelfs nog geen plekje grond en geen enkele steen om de eerste arbeiderswoning te gaan bouwen. Er werd, voordat het uiteindelijk zover was, nog heel wat vergaderd. Na zo’ n dikke vijftig bestuursvergaderingen was het dan eindelijk zover: De woningbouwvereniging Volksbelang kreeg de kans om een aantal huizen voor haar wachtende leden te gaan bouwen. Wel was het toen inmiddels al 1914, dus zeven jaar na de oprichting en met gezwinde spoed ging men er tegenaan. 25 Woningen werden gebouwd in de Julianastraat, te weten de nummers 102 tot en met 124 en 103 tot en met 125. Woningen die in het kader van de grote vernieuwing van de Oranjebuurt inmiddels zijn gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.

Huur per week f. 1,85

Voor de eerste 25 huizen van de vereniging kwamen ook de eerste 25 leden in aanmerking en dat gaf weinig moeilijkheden bij het verdelen. De oorspronkelijke huur bedroeg f. 1,85 per week die iets later werd verhoogd naar f. 2,10 per week. De huurpenningen werden wekelijks geïnd door de bestuursleden, die zo ongeveer alle voorkomende baantjes voor hun rekening namen. Een ander saillant detail uit die beginjaren is dat men de activiteiten startte op grond die voor twee kwartjes per vierkante meter van de hand ging. Dat is nu wel een beetje anders.

Groei

De woningbouwvereniging had spoedig de smaak te pakken en het voorbereiden en het bouwen van een tweede complex woningen liet niet meer zo lang op zich wachten. De groei kwam er in en in de jaren voorafgaande aan de tweede wereldbrand telde het woningbezit van de vereniging 140 huizen in een tijd dat er aan woningen geen gebrek meer was, maar wel aan geld om daar in te kunnen wonen en leven. De explosie in de woningbouw door en voor Volksbelang kwam echter in de na-oorlogse jaren.
Eerst werd de Koningstraat en omgeving gebouwd en vervolgens richtte men de blikken naar Meer en Duin zoals men de wijk toen noemde, maar die nu Meerzicht heet. De zeeheldenbuurt dus. Dat was in het begin van de zestiger jaren.
Daarna gebeurde er iets in Lisse dat veel stof deed opwaaien en heel wat discussies losmaakte: Volksbelang ging namelijk in de Poelpolder zo’n 550 flats bouwen en dat stapelen van die konijnenhokken wilde er bij de Lissers niet in. Dat dacht men tenminste, want binnen de kortste keren waren alle flats bewoond. En tot volle tevredenheid van de bewoners. Daarna volgde de wijk Meerenburgh waar de tweeduizendste woning van de vereniging een feit werd en na die tijd is er in Lisse nog heel veel meer aan de hand geweest op woningbouwgebied. In De Blinkerd, in het oude centrum, in de Poelpolder zuid en op wat losse plaatsen en natuurlijk recent in Vorstenhove zoals de Oranjebuurt inmiddels heet.

Gezinsbelang

Een andere speler op de markt van de sociale woningbouw kwam later dan Volksbelang aan de bak, maar was zeker zo actief. Dat was de woningbouwvereniging Het Gezinsbelang. Nadat Volksbelang uit de startblokken was gegaan bleek dat op een plekje grond buiten Lisse-dorp ook behoefte aan woonruimte was. In De Engel dus, op de grens van Lisse en Sassenheim en met van ouds af aan het stempel van: “Er tussen hangen”. Op 8 maart 1935 kwam daaraan wat de woningbouw betreft een einde. In het verenigingsgebouw De Beekbrug kwamen namelijk mensen uit De Engel bij elkaar om te horen wat de mogelijkheden zouden zijn voor het oprichten van een woningbouwvereniging. Het plan bleek goed aan te slaan, want het was die avond bijzonder druk in het verenigingsgebouw en de oprichting van “Het Gezinsbelang”‘ werd een feit.

De drang om zelf wat meer aan het bouwen van huizen te gaan doen kwam vooral doordat er op dat terrein in het gebied tussen Lisse en Sassenheim eigenlijk totaal niets gebeurde. Er werd weliswaar af en toe een huisje gebouwd, maar dat was bij lange na niet voldoende om het aantal woningzoekenden te huisvesten. En voor de Engelbewoners (Engelaars zeggen ze zelf…) restte er niet veel anders dan te verhuizen naar elders. Met pijn in het hart, want men vertrok niet graag uit de hechte woongemeenschap en als het maar enigszins mogelijk was, keerde men zo snel mogelijk weer naar de bakermat terug. Een goede basis voor een nieuwe woningbouwvereniging dus, die al snel na de oprichting de eerste bouwplannen ontwikkelde. Dat had tot gevolg dat reeds in 1937, dus twee jaar na de oprichting, de eerste huizen aan het Engelplein en de Nic. Damesstraat in gebruik genomen werden. 37 Stuks in totaal en dat was alvast een fors begin. Maar daar bleef het niet bij. Een volgende bouwstroom kwam op gang en ditmaal betrof het 32 huizen in het verlengde van de Nic. Damesstraat. Daarna moest men vijf jaar alle plannen in de kast leggen vanwege de oorlog, maar nauwelijks was die voorbij of in De Engel ging men er wat woningbouw betreft weer flink tegenaan. De J.C. de Haanstraat ontstond en er werd gebouwd op het Engelplein. Daarna volgde er nog 73 huizen en…. : plots bleek de koek voor wat de bouw in dit gebied betreft helemaal op te zijn. Het provinciebestuur nam namelijk de beslissing dat er in De Engel niet meer gebouwd mocht worden. Geheel tegen de zin van de oudere bestuursleden in, meldde de jeugd uit dat bestuur zich vervolgens bij burgemeester de Graaf om te praten over de bouwmogelijkheden in Lisse dorp. Ondanks de eerdere bestuurlijke tegenwerpingen werden de plannen doorgezet en werd de eerste steen gelegd voor huizen in de Evertszenstraat en de Van Speykstraat. Het Gezinsbelang was vanaf dat moment niet langer meer puur de woningbouwvereniging die zich alleen in De Engel druk bezig hield, maar was temidden van Lisse en de Lissers gekomen. En de Poelpolder werd ontsloten. Een groot gebied diende volgebouwd te worden en Het Gezinsbelang hielp daarin daadwerkelijk mee. De bouw van 44 woningen aan de Zwaluwstraat-Reigerstraat-Ooievaarstraat en Sperwerstraat werd gerealiseerd. Huizen die lang opvielen, maar dan helaas in negatieve zin, want het bleken huizen te zijn die ‘vraten’ aan de geldkist van de vereniging. Er werd vervolgens gebouwd rond het winkelcentrum Poelmarkt en in de componistenbuurt. Daarna werd het tijd om de oversteek naar Meerenburgh te maken. Voor Het Gezinsbelang betekende dat bouwen aan het Zuiderkruis en de Voerman en daarmee was de koek in dit gebied voor de vereniging op. Dat betekende echter geenszins dat Het Gezinsbelang stilletjes aan de kant ging zitten toekijken hoe de zaken zich verder zouden ontwikkelen. In De Engel werd een aanzienlijk deel van het oude huizenbestand gerenoveerd en dat ging op bijzonder degelijke wijze. Het Gezinsbelang bleek ook de aangewezen vereniging om Vreewijk, ofwel het ‘Peujepark’, onder handen te gaan nemen en ook in deze straat zowel als in Klein Vreewijk, verrezen aantrekkelijke huizen. Aan de Heereweg verrezen appartementen, alsook in Kanaalstraat tegenover de winkelgalerij De Heul en ook in de Blinkerd kreeg Het Gezinsbelang ruimte om te bouwen. Intussen werd tevens een prima eigen kantoor aan de Catharijnelaan gebouwd en wijdde het bestuur zich aan het bouwen in de Poelpolder zuid II nadat eerst het project Ter Beek was gerealiseerd. Daarmee was men dan (tegen alle verwachtingen in) toch weer terug vlakbij de bakermat van de vereniging in De Engel.

Op 17 februari 2000 werd een fusie tussen de drie woningbouwverenigingen (eentje uit Voorhout dus) een feit en ontstond Trias Woondiensten. De vereniging heeft nu een bezit van rond de 3400 woningen waarvan 659 in Voorhout. Een van de grootste projecten van de laatste tijd is ongetwijfeld de renovatie van de Oranjebuurt” in Lisse die gelijk werd omgedoopt in “Vorstenhove”. In de komende tijd wordt in Lisse het nodige op stapel gezet, zoals het bouwen in het plan ‘Geestwater’ in de Poelpolder. De vereniging wil daar van de ongeveer 300 te bouwen woningen 65 woningen in de sociale sector en 30 starterswoningen realiseren. Verder wordt bestudeerd of op de plek van het voormalige kantoor aan de Nassaustraat 20 sociale woningen en 20 koopwoningen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast zal van een aantal complexen worden bekeken of ze in de huidige markt nog aantrekkelijk genoeg zijn voor het doel waarvoor die woningen zijn gebouwd. Want dat het werk van verenigingen als Trias, ofwel het bouwen van woningen in de sociale sector, is nog bij lange na niet vervuld!

Bloemencorso 60 jaar jong

Rineke van Pijpen vertelt over haar deelname aan het eerste corso in 1947. Diverse anekdotes van vroeger worden besproken. DE REUSACHTIGE KLOMP ZAKTE SNEL IN ELKAAR’.

Arie in ’t Veld

Nieuwsblad jaargang 6 nummer 2, april 2007

Op onze oproep de persoonlijke ervaringen te vertellen die men heeft gehad met en rond het Bloemencorso in vroeger tijden kwamen niet veel reacties binnen. Maar wel het verhaal van mevrouw Rineke van Pijpen-Snijders die over de deelname aan het eerste bloemencorso in 1947 vertelt.

“Het eerste bloemencorso werd door de meewerkende bedrijven zelf opgezet en gestoken. Ook de fa. J.W. de Gruyter, drukkerij van bijna alle bollenplaten voor de verschillende bollenfirma’s en toentertijd gevestigd aan de Hoofdstraat in Sassenheim, deed mee. Mijn vader, W.R. Snijders, was daar typograaf. Samen met het personeel en de leerlingen van mijn vader werd besloten om een levensgrote klomp te maken van hyacintennagels. Er werd op een platte kar een houten(!) raamwerk gemaakt. Daar overheen werd van kippengaas de vorm van een klomp aangebracht die vervolgens met bloemen werd bedekt. Ik weet niet meer of de hele hyacint werd gebruikt of alleen de nagels. Het was een prachtig bouwwerk geworden en men was er dan ook reuze trots op. De klomp was namelijk het logo van Drukkerij de Gruyter en men wilde dat graag goed voor het voetlicht brengen.
Men had er bij dat eerste corso echter geen idee van dat die bloemen zo zwaar waren. Al na korte tijd begon de hele boel in te zakken, het kippengaas gaf weinig steun en er was bijna geen klomp meer in te herkennen. Wat te doen? Goede raad was duur. Maar de oplossing kwam er wel.
Alle medewerkers die niet al te dik en stijf waren werden als men langs reed uit het kijkerspubliek geplukt en iedereen moest helpen om onder de klomp binnen het houten raamwerk de klomp zo goed mogelijk omhoog te houden. Dat lukte maar ten dele en iedereen was kapot, toen men er eindelijk weer onderuit mocht. Ik denk dat dit de enige keer is geweest dat men kippengaas heeft gebruikt, want ook de wagen van de fa. Tissing uit Lisse zakte volgens mijn man in elkaar. Maar al doende leert men en de volgende corso’s werden al veel mooier en beter, zoals iedereen in de volgende jaren kon zien!”

Praalwagens leeggeplunderd

Bekend in corsokringen is het verhaal van de oude garde die het nog meemaakte dat er eind jaren zeventig en begin jaren tachtig jaarlijks enkele praalwagens naar Göteborg in Zweden gingen om daar een zegerit te maken. Het publiek was steeds zeer enthousiast en hoe blij men was met bloemen uit Holland bleek als de praalwagens bij de finish waren: de achterkanten waren dan namelijk nagenoeg leeggeplunderd! En veel hilariteit na aanvankelijk grote schrik was er in een bepaald jaar ook, toen tijdens de rit bleek dat een van de praalwagens een straat niet kon indraaien. Steken dus met dat gevaarte. Dat ging goed totdat en enorm gerinkel duidelijk maakte dat er iets helemaal mis was. En inderdaad, de praalwagen was achteruit een etalage binnengereden!

Tweemaal door de streek

In vroeger jaren reed het corso tweemaal op een dag door de streek. Heen en terug dus. Het vertrekpunt was de Bernardus in Sassenheim en de finish in Bennebroek. ’s Morgens heen en ‘middags terug. In de streek was het als gevolg daarvan de hele dag en drukte van jewelste, want niemand ging naar huis voordat ook die tweede rit was bekeken. Vermoeiend waren die dagen voor alle betrokkenen en niet in het minst voor de muziekverenigingen die tweemaal aan de bak moesten. Zo vertrokken de Lissese muzikanten ’s morgens te voet naar Rehobôth aan de Achterweg (nu het gemeentehuis) om van daaruit naar de Engelenbrug te marcheren waar men in het corso werd gevoegd. Vervolgens werd gemarcheerd naar de steenfabriek en toog men daarna te voet naar huis om het geteisterde lijf wat rust te geven. Na enkele uren moest men echter weer op pad richting steenfabriek om van de partij te zijn bij de terugrit van het corso. De route richting De Engel werd vervolgens gelopen en daarna zo spoedig mogelijk weer richting Rehobôth en vervolgens naar huis. Dan had je wel even genoeg bloemencorso, publiek en bollenstreek gezien…….