De Vergulde Zwaan

De Vergulde Zwaan geopend

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Nieuwsflitsen

Op zaterdag 10 maart is in de 1e Havendwarsstraat nr 4 in Lisse het ‘Centrum voor cultuurhistorie Duin- en Bollenstreek’ officieel in gebruik gesteld. De heren J.Wienen en A. de Roon, die in het dagelijks bestuur van de Regio Holland Rijnland de portefeuilles van respectievelijk Ruimte en Cultuur beheren (Adri de Roon is ook nog wethouder in Lisse voor o.m. Cultuur), onthulden een aan de gevel bevestigde goudkleurige zwaan. Want het gebouw waarin het centrum is gevestigd, heet De Vergulde Zwaan. Eigenaar Lisse Centrum Beheer (van de gebroeders Zwetsloot) heeft het pand ter beschikking gesteld aan Lissese erfgoedorganisaties, waaronder uw Vereniging Oud Lisse, als vergader-, werk- en documentatieruimte.
Uw Vereniging Oud Lisse is druk doende om in dit pand een Servicepunt in te richten. Daar kan men een aantal malen per maand, zowel overdag als in de avond, terecht voor het stellen van vragen, voor hulp bij onderzoek, voor het inzien van naslagwerken en verzamelingen en dergelijke.

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg (3)

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

IS DIT HUIZE HALFWEG TE LISSE OF ‘T SCHOUWTJE TE AERDENHOUT?

“Half-way House between Leijden & Haerlem”

Deze prent is afgedrukt in het boek “A pittoresque tour through Holland and part of France made in the autumn of 1789″. Het boek werd geschreven door de Engelsman Samuel Ireland en is in 1790 uitgegeven en kwam in 1796 in 2e druk uit. Bovenstaande prent van de trekvaart met een brug en een groot huis is hierin opgenomen. De tekst onder deze prent ‘Half-way House between Leijden & Haerlem’ heeft jarenlang voor de nodige verwarring en dwaling gezorgd. A.M. Hulkenberg vermeldt in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse” al dat het met de afgebeelde prent eigenaardig is gesteld, omdat het huis helemaal niet lijkt op de gemaakte ontwerptekening ten behoeve van de herbouw van het afgebrande huis in 1695 (zie ons Nieuwsblad okt.2007). Ook is de herberg rechts van het huis niet ingetekend en het pad aan deze zijde van de vaart roept ook vraagtekens op. Toch gaat hij er van uit dat de prent het huis Halfweg onder Lisse voorstelt.

Er wordt aan deze aanname van Hulkenberg nu echter getwijfeld door Dhr. Aad van Kampen, amateur historicus. Is dit wel het huis te Halfweg? In de 2e druk van Samuel Irelands boek staat namelijk op blz 106 aangegeven: ‘About two miles from Haarlem the annexed sketch was made, to which the road and canal run parallel and increase in verdure and woody scenery’. Vroeger behoorde dit tot Heemstede. Van Kampen maakt aannemelijk dat dit waarschijnlijk een afbeelding is van de Herberg ’t Schouwtje die nu nog steeds bestaat. Waarvan acte!
Zie ook: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

 

Schilderij van het Tolhuis bij Heemstede, van Jan van Kessel, (particulier bezit in bruikleen bij gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude)

 

VERWARRING OVER HET SCHILDERIJ ‘HET TOLHEK IN HALFWEG’ VAN JAN VAN KESSEL (1656) OPGELOST

 

In 1991 werd voor de toenmalige burgermeester IJsselmuiden van Haarlemmerliede het bovenstaande schilderij Halfweg van Jan van Kessel uit ca 1675 gekocht op een kunstbeurs in Maastricht en in de raadszaal te Haarlemmerliede opgehangen. Van meet af aan was er onduidelijkheid of op dit schilderij wel het tolhek van Halfweg tussen Haarlem en Amsterdam was afgebeeld.
De burgemeester vond echter een bevriende sponsor die bereid was het te betalen en in bruikleen af te staan zodat het schilderij toch in het raadhuis van Haarlemmerliede kon worden opgehangen.
Conservator Biesboer van het Frans Hals museum kwam tot de conclusie dat op het schilderij Halfweg tussen Haarlem en Leiden afgebeeld was, op grond van de op het tolhek aangebrachte wapens van Leiden en Haarlem. Na grondig onderzoek door Dhr. Aad van Kampen in 2006 en ook gezien de afbeelding van de St.Bavo kerk op het schilderij werd terecht door hem geconcludeerd dat het schilderij het tolhek bij Heemstede moest voorstellen. Zie: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

HET VEERHUIS EERDER GENAAMD HERBERG ‘DE BONTE HENGST’ TE HALFWEG, BIJ LISSE

Het Veerhuis wat rechts van de Delfweg aan de Leidsevaart lag, is beschreven door de heer Hulkenberg. Hulkenberg schrijft in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse ” uit 1971 (in 1969 werd het Veerhuis gesloopt) dat er zich omstreeks 1730 ten noorden van de Delfweg reeds een herberg bevond. De naam van deze herberg was toen “De Bonte Hengst”, waarin de schuitepaarden gestald werden die het veer (dus de trekschuiten) van Haarlem op Leiden bedienden. Aan de noordzijde stond tegen de herberg aangebouwd de stal.
In 1741 werd een aanvraag ingediend bij de Burgemeesteren en Regeerders (B. en R.) van de twee steden (Haarlem en Leiden) door hospes Jacobus de Graaff van de Bonte Hengst om op Halfwegen huurpaarden te stallen, voor het traject Halfweg – Haarlem en vice versa. De bestuurders van de steden willen dit alleen inwilligen voor een proefperiode van 5 jaar, ingaande de eerste oktober 1741.
De volgende condities waren eraan verbonden:
De schippers moeten de stalhuur blijven betalen aan de resp. gemeenten.. De benodigde (wei)landen (voor de paarden) kunnen gehuurd worden maar zullen goed onderhouden moeten worden.
Er mag geen schade gedaan worden aan de commissaris op Halfweg wegens het missen van het kostgeld van een stalknecht.
Het veer moet op deselve wijze worden bediend als daarvoor; mocht dit ontbreken dan moeten de schippers weer zorgen voor de eigen paardenstalling zodat het Veer op de oude wijze kan worden bevaren.
Ten alle tijden kunnen de heren B. en R.. de toestemming intrekken.
Overeenkomst is bekrachtigd door D.Guldewaagen, Comm. Van Haarlem en de schippers Cornelis Stellingwerff, Christiaan Yyse G (H) underman, Gerrit Scheerke, Jan Vijgh en Lambert van de Wolff. Hierna werd de concessie voor nog eens 5 jaar verleend. Jacobus de Graaf was hospes van de Bonte Hengst tot 1791

Café Spoorzigt (voorheen het Veerhuis) te Halfweg van ±1920 tot ±1969

In 1840 kocht jonkheer Steengracht uit de boedel van Geertruy van Beek, die tapperij en landbouw daar uitoefende, de losplaats aan de trekvaart, naast de brug voor f. 260.- De vier schippers van het Volksschuitenveer verkochten het huis van de Leidse schippers aan de overkant van het Veerhuis, toen er een eind was gekomen aan de veerdiensten, aan de Keukenhof. Dat huis was toen nog vrij nieuw, maar de schippers verklaarden dat de percelen sinds onheuglijke tijden eigendom waren van de schippers.
In 1909 werd de naam van het café door de toenmalige eigenaar Jan Kaptein omgedoopt in de naam ‘Spoorzicht’ vanwege de aanleg in 1842 van de pal er tegenovergelegen spoorbaan.

Maar wat is de geschiedenis van de Herberg?

Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit grote huis omstreeks 1656 is gebouwd. Geen enkele herberg die gebouwd werd bij de aanleg van de Trekvaart was zo groot. Veel gezinnen vonden er onderdak.

Er moet dus tussentijds een vergroting hebben plaats gevonden. Maar wanneer? In 1969 werd het gebouw afgebroken wegens grote bouwvalligheid. Aan een eeuwenoude herberg kwam een roemloos einde.

De familie Kaptein woonde in het café Spoorzicht.
Naast het uitbaten van het café, werkte de heer Kaptein ook als vrachtrijder tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het ging toen slecht in de bollenteelt en veel kwekers stapten over op groenteteelt. Daarom werd in Lisse de tuindersvereniging ‘De Eendracht’ opgericht. Daaraan gekoppeld kwam er ook een groenteveiling naast het café van de familie Kaptein op Halfweg. Zowel de Trekvaart als de spoorwegen hadden daar halteplaatsen. Daarvandaan kon groente onder andere geëxporteerd worden naar België en Duitsland.
Later ging deze groenteveiling samen met de veiling bij de Piet Gijzenbrug. Daar was een station en de trein vervoerde de aardappelen en groente sneller en goedkoper.

Detail kaart ca. 1850

 

Op deze kaart is naast de grens- of scheydtpaal ook het Veerhuis rechts van de Delfweg al aangegeven. De kaart is van 1850 want de spoorlijn staat er immers al op.

Huidige situatie Halfweg

 

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Inleiding
Het vrachtvervoer door Holland ging bijna altijd over het water. De Romeinen gebruikten al de grote rivieren de Rijn en de Maas als de gemakkelijkste waterwegen om goederen over te vervoeren. Goederen zoals tufsteen uit het Eiffelgebergte dat voor kerkenbouw werd gebruikt, wol uit Engeland voor de lakenindustrie van Leiden en Haarlem en hout en graan uit de Scandinavische landen, en wijn uit Frankrijk en Duitsland. In het binnenland ging bier, baksteen en nog veel meerover het water. Al deze goederen worden per zeilschip vervoerd, soms over zee, dat heette dan de soute vaert, maar meestal over de rivieren. Als er gevaren werd, dan konden ook passagiers meegenomen worden. Vaak waren het gevaarlijke tochten, vooral als er over zee gevaren moest worden. Over de rivieren en het IJselmeer werd de soete of gecostumeerde vaart genoemd. Altijd bleef men afhankelijk van de wind.

Over de zandwegen gingen karren en koetsen. Na de tachtigjarige oorlog die eindigde in 1648 met de Vrede van Munster, of zoals het ook wel is genoemd de Vrede van Westfalen, werd het veiliger om te reizen. Het voert hier te ver om alle waterwegen met de daarin gelegen tollen en dammen te bespreken, maar een belangrijke stad als Gouda, was voor zijn welvaart afhankelijk van de tol die geheven werd bij de Donkere sluis, die midden in de stad lag. Dat was onder andere de reden dat deze stad zich erg verzette toen de handelaren van de steden Haarlem en Leiden, een aanvraag indienden bij de Generale Staten om een Trekvaart te mogen graven. Het was ook represaille omdat Leiden en Haarlem erg gekant waren tegen de aanleg van een trekvaart naar Amsterdam. Toen de vroedschap van Gouda echter zelf nogmaals vroeg om een octrooi voor de trekvaart naar Amsterdam, zagen Haarlem en Leiden hun kans schoon om hun eigen aanvraag door te drukken.
In 1656 werd toestemming verkregen en onmiddellijk gingen twee landmeters, te weten Joris Gerstekoren van Leiden en Andries van der Walle van Haarlem een traject uitzetten. Het hele traject besloeg zo’n kleine 30 kilometer. Er zijn 41 tekeningen van het traject gemaakt.
Een aantal voorbeelden van deze kaarten die door hen zijn getekend komen hier aan bod.

Begin van de Trekvaart
De landmeters hadden het hele traject in kaart gebracht en het bleek dat vlak bij de Delffweg, het midden lag van het uitgezette tracée voor de trekvaart.
“Op dinsdag, 25 april 1656 werd door de Heren Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, gezworen landmeters van de steden Leiden en Haarlem op de hoek van de ‘cromme vaart’ ten westen van Lisse omtrent één hondt en vijftig roeden ten zuiden van de Delfweg, een paal van elzenhout in de grond gestoken”.
Als eerste baken in het landschap ging deze paal het ‘Halfscheyd’ markeren van de te maken ‘Treck-vaert’ en ‘Treck-wech’ tussen de steden Leiden ende Haarlem.

Op 27 september 1656 werd de eerste spade geslagen voor het graven van de doorgang door strandwal bij Vogelenzang/Bennebroek. Dit was een zware graafklus!!
De officiële aanbesteding vond plaats op 27 februari 1657, waarna het echte werk begon. Het trace van 28,4 km werd verdeeld in 49 stukken van ca 70 tot 200 Rijnlandse roeden of “parcken” ( 1 roede is 3,78 meter), waarop aannemers konden intekenen. 1150 arbeiders hebben in zeven maanden het werk geklaard. Zij kwamen v.n.l. uit West Brabant en Zeeland en verdienden 1 gulden/dag! ! De totale aanlegkosten bedroegen ca 423000 gulden (=200000 Euro). De vaart was 18,5 meter breed en 2,4 meter diep.
Op 1 november 1657 voer al de eerste schuit door de vaart!
Een “onmooglijk wonder” zei men in die tijd!!
Vlak bij bet Halfscheidt moest een brug worden gemaakt voor de Delfweg. Er werd grond gekocht, waarop een Commissarissenhuis werd gebouwd. Het werd Halfwegen genoemd, of zoals het nu heet Halfweg.

* Besteding van ’t graven ende maken van een trekvaart Tussen de steden HAARLEM EN LEIDEN
Op de 27ste februari anno 1657. Nieuwe Stijl/zijnde dinsdag.
(Reg.Archief Leiden PV37550.1)

HALFWEG(EN)
Het midden van de afstand Haarlem Leiden was belangrijk om de inkomsten uit de vaar- en tolgelden te kunnen verdelen. Op de kaarten die de landmeters daarna van het hele traject tekenden kwam als markering een zonneroos en hun handtekeningen.

Kaart t.b.v. aanleg Trekvaart bij Halfweg van Joris Gerstecoren en Advies van de Walle (1656) (Reg.Archief Leiden PV 32553.21)

Huidige Hardstenen paal bij Halfweg met wapens van Haarlem en Leiden (zie foto hiernaast) die de elzenhouten paal ter “Halfscheydt” verving

HET HUYS TE HALFWEG(EN)
De elzenhouten paal is later vervangen door een van hardsteen waarop de wapens van de twee steden is uitgehakt, zoals boven te zien is.

* Kaart van K.Dou, van 1678, herzien in 1746, met Sixenburg naast Halfweg en de paal (Reg.Archief Leiden PV 70295)

Het huis Halfweg ziet u hier staan, naast de buitenplaats Sixenburg van Pieter Six, burgemeester van Amsterdam, die de eerste was die in zijn gebied de duinen liet afgraven om het zand te kunnen verkopen voor de uitleg van de steden Amsterdam, Haarlem en Leiden.

De kosten voor de gronden voor Halfweg bedroeg f. 1070,00, de bouw van het huis en de stallen aan de Delffweg bedroeg f. 7.260, de kosten voor het bouwen van de tolhuizen in Warmond en Heemstede was tezamen f. 5445. – en de aanbesteding van 8 trekschuiten bedroeg f. 48.864. Leiden had 8 schuiten en Haarlem aanvankelijk 6, waar later nog twee bijkwamen.
In een van de eerste verordeningen stond dat de “Schippers mogen niet aanleggen zonder dat iemand betaald heeft, zelfs niet aan de Delfweg, waar van paard wordt gewisseld, “maer sullen de Jongens op de Paerden rydende, gekomen zijn tot op vijftich roeden nae aen de Deffwech/ gehouden syn te blasen op een hoorn/ ten eynde een versch paerd uyt de stalle op de Treckweg ghebracht ende aende lyn daer de schuyt mede getrocken werdt /by den Commissaris op de Delff-wech vast gemaeckt mach werden /sonder dat de schippers aldaer eenighe persoonen sullen vermoghen aen landt te setten /die sy naederhandt wederom inne nemen /maer sullen de voornoemde Schippers gehouden syn sonder vertoeven voort te varen” (op straffe van een boete en, bij recidive, schorsing uit hun ambt).

Voor het huis was eerst een ontwerp gemaakt door de Haarlemse stadarchitect Salomon de Bray. Er waren al twee houten modellen gemaakt, maar zijn ontwerp stuitte echter in Leiden op verzet: ze vonden het daar veel te groot en te imposant. De kosten zouden wel navenant kunnen zijn.
Leiden stelde voor dat hun stadstimmerman, de architect Willem van der Helm een ontwerp zou maken. Het ontwerp ziet u hier.

* Opstand en plattegrond, getekend door Willem van de Helm 1657 (Reg.Archief Leiden PV 78054)

Het is een eenvoudig huis met een vrijwel vierkante plattegrond.
Breed 60 voet = ca. 18.85 m., de hoogte van de pui is 15 voet = ca. 5.65 m. en met het dak mee is het 30 voet = ca. 11.50 m. hoog. De diepte is ca. 58 voet = ca. 18.10 m. Een flink gebouw dus.
De stal is aan het huis gebouwd onder een dak. Het huis had 4 zadeldaken.
In het midden was een binnenplaatsje.
Bij het beschrijven van de plattegrond, kwam naar voren dat de twee kamers links bewoond werden door de commissaris die moest zorgen voor de paarden, voor het tolgeld en voor de “Sael van de heeren” zoals in de rechter ruimte staat geschreven. Achter de entree is het voorhuis, waarachter een open ruimte is, waar de deur van de trap zich bevindt, evenals de deur naar de stallen, de deur naar een pleetje, en de toegang naar de “sael” en een hardstenen wasbak met twee pompen. De trap heeft een bordes, en er lijken twee ramen in de muur van de achterkamer te zitten om licht in het trapgedeelte te krijgen. In de “sael”zijn twee deuren, één naar het voorhuis en één in naar de “lantaem”. In de achterkamer van de beheerder is het bed al aangegeven. De aangegeven trap naar beneden laat zien, dat er ook een soort kelder was onder de linkerachterkamer, en waarschijnlijk ook onder de “sael” De stal bood ruimte aan 24 paarden.

Het huis kon in 1658 bewoond gaan worden.. Twee hardstenen “fruytposten”, die vermoedelijk in de schoorstenen waren verwerkt en een ovaal dat in het fronton zat, en licht in het zoldergedeelte gaf, waren de enige versieringen aan het huis. De kosten ervoor bedroeg de som van f. 13-15-0.
Bij nader inzien wilden de bestuurders toch wat duidelijker aangegeven hebben dat het hier ging om een prestigieus bedrijfspand, en dat er wapenstenen van de beide steden nodig waren om dat te benadrukken.
Rombout Verhulst, de beroemde Vlaamse steenhouwer had op dat moment zijn werkplaats in Leiden. Hem werd gevraagd twee wapenstenen te houwen uit Bentheimer zandsteen. De rekening ervoor is bewaard gebleven, en dateert van 1660.
Rombout Verhulst diende een rekening in van 400 gulden, maar de uitbetaling werd aangehouden omdat daar nog over vergaderd moest worden om te zien of hij er wel alleen aan had gewerkt. Dat bleek niet het geval, er hadden ook stadssteenhouwers aan gewerkt, en die werden al door de stad betaald, dus hun loon dat werd van de rekening afgetrokken.
De betaling kwam op 315 guldens. De wapenstenen zijn dus later in het gebouw aangebracht, evenals een nieuwe vulling voor het frontispice.
Er is een vermoedelijk eenzelfde donkere baksteensoort gebruikt als voor de poortgebouwen van Leiden. Daardoor werd er later over het huis gezegd dat het een verbazend ruim maar akelig gebouw was, en de ligging koud, eenzaam en woest.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Een roddeltje en de gevolgen (1847)

In de politierapporten van 1847 wordt een roddel vermeld in verband met de korenmolen Speelman. Molenaar van Rhijn zou een schepel rogge hebben achtergehouden. Dat gaf veel commotie. Zelfs ‘heer officier van Justitie’ bemoeide zich er mee. Het bleek achteraf een grap te zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 8

Wie rond 1847 zijn graan wilde laten malen, had keus genoeg: hij kon terecht bij de koren-molenaar aan het einde van de Grachtweg in Lisse of hij bracht het naar molenaar Jan Jacobus van Rhijn te Sassenheim, op de latere molen De Speelman. Van Rhijn was in 1798 geboren in Durgerdam, maar kwam rond 1821 naar Lisse. In dat jaar kocht hij van Pieter Oudshoorn de koren-molen aan de Grachtweg, alsmede een woning aan diezelfde weg, meer richting het dorp. Rond 1827 liet hij de oude korenmolen vervangen door de stellingmolen die we nog op tal van oude ansichten kunnen bewonderen.
Hij geraakte echter in de schulden en tussen 1830 en 1840 heeft hij Lisse vaarwel gezegd en is zich gaan vestigen in Leiden. Vervolgens verhuisde hij naar Sassenheim, waar hij de latere molen De Speelman bouwde.

De molen van Speelman in de negentiende eeuw. In 1847 werkte J.J. van Rhijn hier als korenmolenaar. Op 30 januari 1868 kwam Cornelis Johannes Speelman, van beroep korenmolenaar, naar Sassenheim. Hij woonde in het huis rechts op de foto. Tussen 1890 en 1900 werd de molen afgebroken. Tegenwoordig resteert nog de romp. Bron: G. Verschoor, Sassenheim in oude ansichten (Zaltbommel 1969), p. 10.

Hoe het begon…

Op een dag zat Willem Wubbe, tuinder van beroep en wonende aan het Mallegat op boerderij Klopjeshoven, in de herberg De Engel iets te nuttigen. Hij hoorde met belangstelling de verhalen van de gasten aan. Een van hen was Jan Wezelenburg, boer in Voorhout. Hij had eens een zak rogge aan Van Rhijn in Sassenheim aangeboden om te malen, maar, zo zou hij verteld hebben, de molenaar had vervolgens “een schepel rogge” achtergehouden. De dief! Een paar dagen later bevond Wubbe zich “in de publieke gelagkamer aan ’t Warmonderhek”. Toevallig kwam hij Van Rhijn daar tegen en ze raakten met elkaar in gesprek. Het werd zowaar gezellig, want er kwam al gauw een fles jenever bij te pas. Heel en passant kwam vervolgens het verhaal ter sprake dat hij in herberg De Engel – meende! – gehoord te hebben, namelijk dat Van Wezelenburg had gezegd dat Van Rhijn een schepel rogge had achtergehouden. Het roddeltje was nu verspreid…

De gevolgen…

Hoe de Sassemse korenmolenaar precies reageerde weten we niet, maar mogelijk heeft hij het hoog opgevat, want het kwam ook “de heer officier van Justitie” ter ore en dan was er toch echt iets loos! Het opvallende was echter dat Van Wezelenburg nergens iets van af wist. Ook Willem Wubbe was “hoogst bevreemd” dat aan het verhaal “zodanig gevolg was gegeven”. Hij verklaarde dat “de gesprekken (met Van Rhijn) zijn gehouden en de mededeling van t gezegde aan Van Rijn gedaan is onder een glas jenever en vertrouwelijk met elkander zittende praten”.

De aap komt uit de mauw…
In opdracht van diezelfde “heer officier van Justitie” verscheen dan ook op 10 juni 1847 Willem Wubbe ter secretarie van Lisse aan ’t Vierkant. Hij verklaarde dat hij inderdaad niet ontkennen kon dat hij aan Van Rhijn verteld had “dat Wezelenburg gezegd had een baksel rogge te kort te zijn gekomen van het mud rogge dat hij bij hem had laten malen”. En dan komt het: mogelijk had hij Van Wezelenburg echter verkeerd begrepen “en deze vroeger van Van Rijn gesproken hebbende, later van andere molenaars en van zoodanig afhouden van graan sprekende, hij die gesprekken ten onjuiste kan zamengevoegd hebben”. Het was dus gewoon een roddeltje geweest dat Wubbe aan Van Rhijn had verteld! Willem had nooit de bedoeling gehad “aan een hunner (dus aan Van Wezelenburg of aan Van Rhijn) eenig leed of nadeel te hebben willen berokkenen”. Hij wilde dan ook best zich met Van Wezelenburg “in ’t vriendelijke verstaan, teneinde mogelijk misverstand te verklaren”. Het kwaad was echter inmiddels al geschied…

Conclusie
Het is interessant om te zien hoe vroeger bepaalde verhaaltjes konden ontstaan en vervolgens zich verspreidden. Herbergen en in het algemeen drinkgelegenheden speelden daarbij kennelijk een grote rol. Logisch natuurlijk, omdat het hier belangrijke ontmoetingsplaatsen betrof in het sociale leven van die tijd. Daarom waren er ook zoveel “logementen” in het Lisse van die dagen.
Een roddeltje kon gemakkelijk ontstaan, onder meer doordat men zich weinig rekenschap gaf van de eventuele gevolgen ervan. Zeker wanneer er een fles jenever een rol ging spelen en er een gezellige atmosfeer ontstond, zoals uit het bovenstaande verhaal blijkt.
Het blijft de vraag of Willem Wubbe hieruit een les voor zichzelf heeft getrokken. In ieder geval zal de lucht in de herbergen wel met allerlei verhalen van een twijfelachtig gehalte vervult blijven. Roddeltjes hebben altijd al bestaan. Waarschijnlijk zijn ze zo oud als de mensheid…
Bron: Gemeentearchief Lisse, inv.nr 1115.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Liss