De verdwenen geit van Halfweg (1847)

Op 17 november 1847 werd in Halfweg een geit van Koos Marten vermist. De dader werd aangewezen. Het bleek een roddel te zijn.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Uit het politierapport van Lisse, deel 9

Daar de buurtschap Halfweg het afgelopen jaar vaak in de publiciteit is geweest, onder meer vanwege de herdenking van 350 jaar Leidsevaart, leek het mij interessant het hiernavolgende incident, dat zich voor een belangrijk deel in deze buurtschap afspeelt, eens de revue te laten passeren. Het is ook weer ontleend aan de bekende politierapporten in het gemeentearchief van Lisse.

Blik op Halfweg vanuit het oosten, circa 1905/1910. Rechts de brug over de Leidsevaart. Coll. auteur

De ‘vette geit’ van Koos is weg!
Op 17 november 1847 bevond Jacobus Martens zich op het weiland bij zijn huis. Jacobus (1817-1859), in het politierapport ook wel Koos genoemd, woonde waarschijnlijk in de buurtschap Halfweg. Hij was gehuwd met Marytje Mens en wordt in de bevolkingsregisters aangeduid als ‘werkman’. Hij keek die dag dus uit over het weiland en het bleek hem al gauw dat ‘zijnen vette geit’ spoorloos verdwenen was! Korte tijd later vond Martens ‘de huid, de kop en de ingewanden’ terug in een sloot. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Het getuigenis van Cornelis Beijk
Spoedig sprak de hele buurtschap er schande van. Er was één persoon die beweerde van de hoed wel de rand te weten en dat was Cornelis Beijk. Hij wordt ‘arbeider, wonende te Lisse’, genoemd en dat is ook gelijk alles wat we over hem weten. Hij had heel wat te vertellen aan Martens. In aanwezigheid van Gerrit van Opzeeland [1] vertelde hij hem dat hij ‘dien morgen (van 17 november) den geit was tegengekomen’. Op zich wel heel opmerkelijk dat Cornelis zich zo’n goede voorstelling kon maken van deze specifieke geit van Martens. Het exemplaar dat hij zogezegd was tegenkomen kon immers zoveel eigenaren hebben….. Nog merkwaardiger wordt het verhaal als we lezen dat de veronderstelde geit in een zak werd meegevoerd door ‘een man die (…) hem niets dan binnensmonds brommend gegroet had en geschrikt scheen bij de ontmoeting’. Een wat schuchtere man dus die weinig van zich liet horen. Dat was natuurlijk heel verdacht!

Het is vast Jan Baik!
De man met de zak liep weer gauw weg en terwijl Cornelis hem nastaarde viel hem op dat zijn ‘houding, kleeding en omgang alle overeenkomst hadden’ met ….. Jan Baik! Het verhaal ging onmiddelijk als een lopend vuurtje door het buurtschapje en al gauw wist iedereen dat Jan Baik de dader was!

“Ik zal Baik den hals afsnijden!”
Iedereen was natuurlijk verontwaardigd over de vermeende daad van Baik. Ze zouden hem maar wat graag achter slot en grendel willen hebben! Maar er is er natuurlijk altijd één die wat verder wilde gaan. Het was Jan Verhoeven ‘onderopzigter op den spoorweg bij Halfweg’. Na Van Opzeeland dus de zoveelste spoorwegarbeider! Op 29 november, dus 12 dagen nadat de geit van Martens was verdwenen, had hij ‘een vrolijken partij in zijn huis’. In hetzelfde huis, waarschijnlijk gelegen aan de spoorweg, woonde een zekere vrouw Van der Klugt. De weduwe P.H. Molenaar, waarschijnlijk Geertruida van Beek (1801-1868), herbergierster in het latere Spoorzicht op de noordwestelijke hoek van de Delfweg en de Leidsevaart, was juist op bezoek bij haar. Ze kon alles horen wat Verhoeven tegen zijn gasten vertelde. Het ging over Jan Baik. Verhoeven zei letterlijk: “Ik zal een mes nemen en Baik den hals afsnijden, zoo als hij den geit van Koos (Jacobus Martens) gedaan heeft !”. Later kwam de herbergierster Jan Baik tegen en waarschuwde hem met de woorden: “Pas maar op dat hij u niet krijgt, want hij zal u den hals afsnijden, zoo als gij het den geit gedaan hebt !”.

Het is inmiddels wel duidelijk dat Baik zich niet bepaald op zijn gemak gevoeld moet hebben met al die dreigementen en verhalen die over hem de ronde deden…

Een storm in een glas water…
Gelukkig bleek het een storm in een glas water, want op 1 en 2 december zijn bovengenoemde personen voor de veldwachter of de burgemeester verschenen. Cornelis Beijk, van wie het hele verhaal over Jan Baik afkomstig was, moet zich wat schuldig hebben gevoeld, want hij verklaart: ‘Dat hij echter alleen geweest zijnde en de ontmoeting (met de man met de zak) wat onverwacht, hij niet stellig durft te verklaren den persoon van Jan Baik herkend te hebben…’. Op de vraag van de veldwachter of de verdachte persoon die Cornelis tegen het lijf was gelopen ‘niets bepaalds gezegd had, waaruit men het vermoeden tegen J. Baik had opgemaakt’ werd door Cornelis ontkennend geantwoord.

En daarmee was dan de hele zaak afgedaan. Voor Jan Baik echter zal de schrik er goed in gezeten hebben!

Conclusie
Bij het doorlezen van de politierapporten valt steeds weer op dat roddel en achterklap een belangrijke rol gespeeld moeten hebben rond het midden van de negentiende eeuw in een kleine gemeenschap als Lisse en dat de gevolgen daarvan voor de betrokkenen heel vervelend konden zijn. Het was dan destemeer zaak om, wanneer bepaalde feiten boven water kwamen, deze vast te laten leggen door een notaris of (in ons geval) door de veldwachter/burgemeester. Reeds eerder behandelden we een soortgelijke zaak: een hardnekkig roddeltje dat door iemand in de lokale herbergen verspreid was. Het zou je maar overkomen dat je beticht werd van een zaak waar je zelf in het geheel niets van af wist! In het Lisse van rond 1850 was dat echter allemaal mogelijk.

Noten
[1] Gerrit van Opzeeland (1802-1876) was spoorwegarbeider en woonde met zijn vrouw Anna Hoekman aan de huidige Stationsweg in het zogenaamde Lammetje Groen, de oude boerderij uit de zeventiende eeuw die nog altijd bestaat. Zie: A.M. Hulkenberg, “t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Geraadpleegde bronnen:
-Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
-J.L. van Diemen, P. de Ridder, P.A.M. Wassenaar, Lisse, Parochianen van St. Agatha 1813-1903, Reeks Genealogische Bronnen van de dorpen rondom Leiden 10 , pp. 27, 166, 178, 271.
-A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten II (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 27.
-A.M. Hulkenberg, “’t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Gemeenteraadsnotulen van Lisse. (I): de armencollecte (1845)

In de gemeenteraadsnotulen van 1845 wordt een collecte behandeld onder de Lissese ingezetenen en voor de allerarmsten in Lisse. Er waren nogal wat mensen, die er tegen waren. De protestanten waren tegen en hielpen niet mee. De armen van de kerk kregen dan ook niets.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding

Wellicht dat menigeen bij het lezen van “gemeenteraadsnotulen” in de ondertitel van dit artikel het beeld van een nogal saai verslag van het besprokene in de gemeenteraad van toen voor ogen krijgt. Dat is echter maar zeer ten dele het geval. Er werden inderdaad in de raad (zoals nog steeds) ook wat meer routinematige zaken besproken (het vaststellen van de personele belasting over een bepaald jaar, begroting, gemeenterekening etc.), maar ook kwamen met de regelmaat van de klok zaken aan bod die een heel aardig tijdsbeeld geven (zoals allerlei debatten over de klapwaker), of gewoon te aardig zijn om verzwegen te worden. Dit eerste deel uit de gemeenteraadsnotulen behandelt een collecte die in 1845 onder de Lissese ingezetenen werd gehouden, teneinde de nood onder de allerarmsten te lenigen.

Het voorstel van de voorzitter
Op 5 maart 1845 werd de gemeenteraad door de voorzitter bijeen geroepen. Iedereen was present: de burgemeester J.C. van Rosse, H. de Graaff, G. van Bourgonje, Dirk Kroon, J.G. Geertsema en W. van der Mey. De voorzitter opende de vergadering en gaf te kennen dat hij deze vergadering speciaal had bijeengeroepen “om daarin het voorstel te doen of niet door eene algemeene buitengewone collecte behoorde voorzien te worden in de behoefte van zoo veele dezer gemeente die door den (killen?) en aanhoudende Winter (…) niet meer bij magte zijn om in het noodige voor hun levensonderhoud te voorzien”. De voedselvoorraden die men had aangelegd waren reeds verbruikt, de “spaarpenningen” waren op en er was een “voortdurend gebrek aan werk en verdiensten”. Het voorstel werd dan ook met algemene stemmen aangenomen.

Omdat het hier om de arme ingezetenen van Lisse ging, had de voorzitter de leden van de plaatselijke armbesturen uitgenodigd de vergadering bij te wonen, “ten einde hun het gevoelen van de raad te dezen mee te deelen en met dezelve de middelen te willen beramen en hunne adsistentie te willen verleenen tot het welgelukken van het voorgestelde plan”. De armbestuurders, bestaande uit de heren A. van der Zaal, G. Hulsbosch, H. Meyer, P.H. Koppeschaar en P. Verdegaal, traden binnen en verklaarden zich akkoord met de voorgestelde plannen.

Het bedelaarsduo Josie en Dulcinea op een ansicht uit de beginjaren van de twintigste eeuw. Ongetwijfeld liepen er in 1845 ook bedelaars in de streek rond die door hun gedrag een bepaalde reputatie hadden gekregen. Helaas zijn ze ons, in tegenstelling tot de hier afgebeelde personen, niet bekend. (Coll. A. in’t Veld).

Er werd besloten de collecte op 11 maart te houden “vanaf des morgens ten half tien uren”. De raadsleden en de heren armstuurders zouden zich splitsen in vijf afdelingen die ieder een deel van het dorp voor hun rekening zouden nemen.

‘s Avonds zouden de gecollecteerde gelden verzameld worden en de verdeling daarvan onder de armen geregeld worden. Ook diegenen die liever een bijdrage in natura deden, zoals in de vorm van brandstoffen of levensmiddelen, konden terecht en wel bij de heren Van der Mey en Hulsbosch. Door middel van affiches zou de collecte aangekondigd worden. Er zou een exemplaar daarvan worden opgestuurd naar de “Eerw. Heeren geestelijken dezer gemeente, met vriendelijke uitnoodiging daarvan zoodanig gebruik te maken als zij het best geschikt zullen oordelen en in allen geval hun invloed zoo ’t kon door toespraak van den kansel te bezigen tot het welslagen van het daarbij voorgestelde doel”. Veel hoop was gericht op de “Heeren Eigenaars der Buitenplaatsen in deze gemeente gelegen”, zoals de heer Temminck (Wildlust) en C.A.A. baron van Pallandt (Keukenhof). Het plan kon niet meer stuk gaan!

 

Kerk gesigt tot Lisse”. Dit was ongeveer het beeld dat men had wanneer men omstreeks 1735 vanuit het Vierkant door het dorp Lisse reed. Het zal in 1845 niet heel veel anders geweest zijn. Men ziet de oude dorpskerk, waar van 1844 tot 1868 ds. Kooy stond. Zoals men ziet hield, nadat men de kerk rechts passeerde via de Achterweg, de bebouwing van het dorp al op om over te gaan in weiland. Kopergravure No 6 van Abrah. Rademaker, in 1731 gepubliceerd in Rhynlands Fraaiste Gezichten.

Tegenwerking van de predikant
Eén persoon was minder tevreden met de plannen en dat was de “Eerwaarde Heer Predikant”. Zijn naam wordt in de notulen niet vermeld, maar het is wel duidelijk dat het hier om ds. Kooy ging. Die stond namelijk van 1844 tot 1868 in Lisse. Even na ontvangst van de bovengenoemde publicatie had hij zich begeven naar de burgemeester, J.C. van Rosse, om hem te kennen te geven dat de collecte geen doorgang kon vinden. De redenen hiervoor waren allereerst dat zijn diakens in de vergadering waarin een en ander was besloten, geen zitting hadden gehad. De heren armbestuurders, die in de notulen van 5 maart genoemd worden, maakten dus waarschijnlijk deel uit van de Heilige Geestarmen, de katholieke variant van de protestantse diakonie, en/of van het Burgerlijk Armbestuur. Dit laatste was een college dat door de plaatselijke overheid in het leven was geroepen. Verder zou de collecte worden gehouden voor de armen “in het algemeen”, dus ook voor de leden van de Nederlands-hervormde kerk. Dat vormde voor de dominee een bezwaar, daar “zijne diakonie geene behoefte had, in tegendeel een batig saldo in kas had”. “In allen geval dat hij zich bezwaard achtte om in de gegeven omstandigheden de publicatie af te kondigen of de collecte door eenigen toespraak van den kansel aan te beveelen. Verklaarende hij voorts dat indien in de publicatie voor het woord in het algemeen in de plaats wierd gesteld voor de Roomsche Catholieken of Buiten armen, (…) dat hij alsdan in zoude kunnen overgaan”. De burgervader had daar niet op gerekend en stelde dan ook alles in het werk om de dominee te bewegen om te voldoen aan het verlangen van de raad. Bij het afscheid had hij aanvankelijk goede moed, maar de volgende morgen ontving hij een brief van ds. Kooy “in den zelfden onveranderden geest”. Burgemeester Van Rosse vond de zaak “gewichtig” genoeg om deze te bespreken in het college van Burgemeester en Assessoren, het tegenwoordige college van B&W. Het besluit daarvan was dat ds. Kooy nogmaals, maar dan namens het hele college, zou worden uitgenodigd aan het verzoek van de raad te voldoen “en dat er geene bevoegdheid was om het geen in den raad was besloten, daar buiten te veranderen”. In antwoord daarop ontving Van Rosse “op zondag 9 maart na middagkerktijd” een brief van de dominee. Er werd daarin mededeling gedaan van het besluit genomen door de kerkeraadsvergadering “dat door de diaconen geen adsistentie mogt en zou verleend worden tot het doen van een collecte voor de Algemeene armen, dat de diaconie der Hervormden vriendelijk bedankte voor het aandeel dat haar zou competeeren en dat om reeds opgegeven redenen geene annonceering noch aanbeveeling van den kansel heeft plaats gehad”. De dominee hield al met al stug vol! Het begon er dus op te lijken dat de collecte wel doorgang zou kunnen vinden, maar dan zonder medewerking van de protestanten.

“Geest van ontevredenheid”
Op de daaropvolgende gemeenteraadsvergadering van 11 maart waren dan ook de diakens afwezig. De voorzitter licht toe: “Hebbende de H H diakenen der Hervormde gemeente zich geexcuseerd om hunne adsistentie in deeze te verleenen, uit hoofde hun zulks door den kerkenraad was ontzegd geworden”. Vrijwel onmiddelijk ontstond er rumoer onder de ingezetenen die de raadsvergadering bijwoonden, want we lezen: “De voorzitter stelt het lezen der notulen van de vorige vergadering uit om het vergevorderde avonduur, evenzeer het hiernavolgende verslag, om den geest van ontevredenheid die wegens de zichtbaar geworden tegenkanting van den Ed Heer Predikant en kerkenraad onder de ingezetenen is ontstaan, niet verder op te trekken”. Op diezelfde elfde maart werd ook mededeling gedaan van de ingezamelde gelden. Per brief had de burgemeester f 50,- ontvangen van de heer Temminck, eigenaar van de buitenplaats Wildlust. Een gelijk bedrag was ontvangen van de baron Van Pallandt (van Keukenhof).

De baron had bovendien toegezegd nog eens f 50,- te zullen bijdragen. Samen met de gecollecteerde gelden die door de verschillende afdelingen bijeengebracht waren kwam het college uit op een totaalbedrag van f 358,47. Verder waren er takkenbossen beloofd door de heer Leembruggen, aardappelen door Selis van Graven en de armmeester Hendrik Meyer en Piet Verdegaal had nog toegezegd 300 lange turven te zullen leveren. Men besluit met de woorden: “Zoo dat de collecte mag gerekend worden allergelukkigst en zonder voorbeeld in deze gemeente te zijn geslaagd”

Carel A.A. baron van Pallandt (1810-1883). Hij was één van de donateurs bij de actie voor de allerarmsten in de winter van 1845. In 1837 huwde Van Pallandt met jkvr. Cecilia M. Steengracht, dochter van de eigenaar van Keukenhof, Johan Steengracht. Zij werd volledig eigenares van zowel huis als landgoed na de dood van haar vader in 1846. In 1858 liet het echtpaar Van Pallandt-Steengracht de tuinen rondom Keukenhof verfraaien door de heren Zocher. In 1861/62 werd bovendien het huis opgesierd met torens, waardoor we vanaf dat moment van het kasteel Keukenhof praten. Uit: A.M. Hulkenberg, Keukenhof (Dordrecht 1975), afb. 22.

Besluit
De uitdeling van de gecollecteerde gelden en brandstoffen vond plaats op 18 en 19 maart 1845. Heel wat minder bedeelde lieden zullen blij en opgetogen naar huis zijn gegaan. Waarschijnlijk gold dat echter alleen voor het rooms-katholieke deel van de bevolking, daar immers ds. Kooy klip en klaar te kennen had gegeven, namens het protestantse deel van de gemeenschap, niet aan de actie mee te zullen doen en er ook geen ruchtbaarheid aan te geven. De armenkas van de hervormden was zodanig dat een collecte niet nodig werd geacht, aldus Kooy. Hield dat in dat de noodlijdenden zich dus vooral bevonden onder de rooms-katholieken, ofwel de “Buiten-armen”? Of trof die strenge winter van 1845 eigenlijk alle arme ingezetenen van Lisse, ongeacht de religieuze gezindheid? Dit laatste lijkt het meest aannemelijk, daar men immers voornemens was een “algemeene collecte” te organiseren. Helaas lijken de behoeftige ledematen van de hervormde kerk hierbij dus buiten de boot te zijn gevallen, hetgeen ook niet voor niets zo’n verontwaardiging teweeg bracht bij degenen die de gemeenteraadsvergadering van 11 maart bijwoonden.

Bronvermelding: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 1.

Om in de nachtelijke eeuwen toezicht te houden had Lisse een klapwaker in dienst. Zijn belevenissen worden beschreven. Er was ook een stille nachtwacht.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding
Het gemeentearchief van Lisse herbergt een schat aan gegevens met betrekking tot het dagelijks leven in vroeger tijden. Ik heb daar voor deze artikelenreeks over ordehandhaving en brandbestrijding dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Tijdens de achttiende eeuw behoorden de handhaving van de openbare orde en brandbestrijding tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. De bestuurlijke taken werden in die tijd waargenomen door een schout, vier burgemeesters, zeven schepenen en twee ambachtsbewaarders. De schout en burgemeesters waren onder andere betrokken bij het opstellen van de zogenoemde ‘rekeningen van de omslag van de bede’. Daarin zijn diverse betalingen terug te vinden die betrekking hebben op ordehandhaving en brandbestrijding. De navolgende artikelen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie die afkomstig is uit deze dorpsrekeningen. Daarnaast werd ook veelvuldig gebruik gemaakt van enkele verordeningen en instructies van het Lissese dorpsbestuur.

Ordehandhaving door de klapwaker
Om in de nachtelijk uren toezicht te houden had Lisse een klapwaker of “klapperman” in loondienst. Deze klapwaker liep rond met een houten klepper die ook wel “klap” werd genoemd. [1] De klap bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit houten bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog.

Ieder uur moest de klapwaker de klap driemaal slaan en luid en duidelijk aangeven hoe laat het was. Bij onraad of brand diende hij de klap ‘verkeerd te slaan’ en direct het dorpsbestuur en de opzichters van de brandspuiten op de hoogte te stellen. De klapwaker moest er ook op toezien dat alle huizen goed waren afgesloten, de bewoners geen spullen buiten hadden laten staan, er door niemand meubels of soortgelijke zaken werden vervoerd, en er geen mensen met ladders of stokken over straat liepen. [2] De klapwaker had een baan met veel verantwoordelijkheid. Daarom werd van hem verwacht dat hij van “goeder naam en faam” was. Daarnaast moest hij ten overstaan van het dorpsbestuur een eed afleggen waarin hij verklaarde dat hij zijn functie op een correcte manier zou uitoefenen. In 1785 werd tijdens de aanstelling van de nieuwe klapwaker benadrukt dat hij altijd nuchter en bekwaam moest zijn. [3] A.M. Hulkenberg associeerde dit meteen met alcoholmisbruik, maar het zou net zo goed ook betrekking kunnen hebben op de persoonlijkheid van de klapwaker (verstandig, kalm, niet makkelijk van de wijs te brengen). Er zijn in ieder geval nog geen verhalen opgedoken over Lissese klapwakers die in beschonken toestand hun ronde deden. De werktijden verschilden per seizoen: tussen 1 mei en 1 oktober werkte de klapwaker van elf uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens, en tussen 1 oktober en 1 mei van tien uur ’s avonds tot vijf uur ’s morgens. Was hij ziek, of kon hij om een andere reden zijn functie niet uitoefenen, dan diende de klapwaker in overleg met de schout van Lisse (en op eigen kosten!) te zorgen voor een vervanger.
Iedere nacht liep de klapwaker een vaste route door het dorp: van de huizen van Cornelis Tromp en Hendrik Mens in het zuiden (aan de Heereweg, nabij de huidige Zwanendreef) tot aan de woning genaamd ‘Vianen’ in het noorden, vervolgens de Grachtweg op tot aan de korenmolen, en ten slotte het Hop of de Kapelsteeg (=Kapelstraat) door tot aan het laatste huis aan de Halfwegse weg (de huidige Berkhoutlaan). Jaarlijks legde hij op die manier heel wat kilometers af. Het is niet bekend hoeveel schoenen hij daardoor versleet, maar in ieder geval kreeg de klapwaker elk jaar op kosten van het dorpsbestuur één paar nieuwe schoenen. [4] Daarnaast betaalde het dorpsbestuur ook het uniform van de klapwaker: zo kreeg de Lissese kleermaker Willem Filipszn. Kouwenhoven in 1705 een vergoeding voor het verstellen van de “klappermansrok”. [5]
De klapwaker moest zich volledig concentreren op zijn ronde door het dorp. In de praktijk kwam het echter wel eens voor dat hij werd gevraagd om iemand te begeleiden naar of af te halen van de trekschuit bij Halfweg. Het dorpsbestuur van Lisse achtte dat niet wenselijk. Daarom werd hier in de functieomschrijving van de klapwaker expliciet een verbod tegen uitgevaardigd.
Zodra hij tijdens zijn ronde iets onrechtmatigs ontdekte, diende de klapwaker de schout of (afhankelijk van de ernst van het misdrijf) de baljuw te waarschuwen. Kleine overtredingen mochten ook de volgende dag worden gemeld, maar spoedeisende zaken behoorden natuurlijk direct te worden afgehandeld. Lagen de schout en baljuw op dat moment al te slapen, dan moest de klapwaker hen “met de meeste voorzigtigheid doen ontwaaken”.

Stille nachtwacht
In Lisse waren ook onbezoldigde nachtwakers actief. Zij liepen rond zonder ratel en werden daarom de ‘stille nachtwacht’ genoemd. De stille nachtwacht werd gerekruteerd uit de mannelijke Lissese bevolking. Dat gebeurde op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen. Deelname aan de stille nachtwacht was verplicht: personen die zich hieraan onttrokken, werden daarvoor door het dorpsbestuur bestraft. [6] Tijdens de vernieuwing van de keur van de stille nachtwacht op 31 december 1764 werd deze verplichting als volgt omschreven: “Dat tot het doen van de stille nagtwagt in Lisse verpligt zullen zijn alle zodaanige burgers en ingezeetenen van Lisse onder de 60 jaaren oud zijnde, welke jaarlijks door schout en burgermeesteren zullen werden genoemdt, te beginnen en te eyndigen met zodanige tijd als bij gemelde lijste zal werden uytgedrukt, die ook jaarlijks in ’t dorpswagthuys zal werden opgehangen”. Van een complete vernieuwing was overigens geen sprake. De keur uit 1764 is qua inhoud namelijk voor een groot deel gelijk aan de keur van de stille nachtwacht die op 19 juli 1699 door het dorpsbestuur van Lisse werd uitgevaardigd. [7] Wel is hier en daar de tekst enigszins aangepast en gemoderniseerd.
Uit de periode 1714-1749 zijn enkele lijsten bewaard gebleven met daarop de namen van de leden van de stille nachtwacht en de nachten waarop zij dienst hadden. In de eerste jaren worden er per nacht steeds vier namen genoemd, maar vanaf 1720 staan er nog maar twee namen vermeld (zie afbeelding ).

Om kwaadwillende lieden af te schrikken of te overmeesteren waren de leden van de stille nachtwacht bewapend: in 1727 werd de timmerman Harmen Andrieszn. Tijdeman betaald voor het maken van twee stokken ten behoeve van de nachtwacht, terwijl de smid Tieleman Stroom een vergoeding kreeg voor het vervaardigen van ijzeren punten op deze stokken. Blijkbaar werden deze pieken soms wat al te onbesuisd gebruikt, want in 1764 bepaalden de schout en burgemeesters van Lisse dat iedereen die één of meerdere pieken brak, of daarmee schade toebracht aan het wachthuis, de reparatiekosten zelf zou moeten betalen. De stille nachtwacht was tevens bewapend met geweren, die na afloop van de dienst moesten worden overgedragen aan de volgende nachtwakers (of als die niet thuis waren, aan één van hun gezinsleden).
De leden van de stille nachtwacht dienden, “na dat hem de wagt des smorgen sal werden aangesegt ende bekend gemaakt”, om tien uur ’s avonds te verschijnen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur’s ochtends te patrouilleren door het dorp (net als bij de klapwaker gebeurde dat over het algemeen volgens een vaste route). Daarbij moesten ze goed letten op brand en diefstal. Soms ontstond er tijdens hun ronde een handgemeen. In dat geval waren alle inwoners van Lisse (maar vooral diegenen voor wiens huis het handgemeen plaatsvond) verplicht om de nachtwakers te hulp te schieten. Na afloop van hun dienst moesten de leden van de stille nachtwacht hun opvolgers in de loop van de ochtend persoonlijk ‘de wacht aanzeggen’. Op die manier kon niemand zich verschuilen achter het excuus dat hij niet wist dat hij die avond nachtwachtdienst had.
Uit het bovenstaande verhaal kan worden opgemaakt dat de klapwaker en de stille nachtwacht niet alleen verantwoordelijk waren voor het handhaven van de orde, maar ook een belangrijke rol speelden bij de brandbestrijding. Beide taken waren in deze tijd nog nauw met elkaar verbonden. Dat wordt bevestigd door de rekeningen van de omslag van de bede, waarin alle uitgaven voor de klapwaker en de stille nachtwacht zijn genoteerd onder het kopje “Uytgeef wegens de brandgereedschappen”.

Buitengewone stille nachtwacht
Naast de gewone stille nachtwacht, kon er door het dorpsbestuur van Lisse ook een buitengewone, of extraordinaire, stille nachtwacht in het leven worden geroepen. Dat gebeurde bijvoorbeeld op 1 februari 1765, toen de schout, burgermeesters en schepenen verklaarden “dat de gewoone stille nagtwagt voor deesen saayzoene een eynde zal neemen, ende dat in plaatse van dien is aangesteld een extraordinaire stille nagtwagt”. Alle mannelijke inwoners van Lisse die ouder waren dan achttien jaar, waren verplicht om hier aan deel te nemen (wederom op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen).
Er werden in totaal vier groepjes gevormd van vier tot zes personen, die ieder “met behoorlijk geweer voorsien” een deel van Lisse onder hun hoede hadden. Het ging daarbij om de grens met Hillegom (vier man), de weg tussen Berkhout en Halfweg (zes man), de Achterweg vanaf de woning van Cornelis Huibertszn. Zandvliet tot aan de grens met Sassenheim en Voorhout (vier man), en de Heereweg vanaf de woning van Cornelis Tromp tot aan de grens met Sassenheim (zes man). De leden van de eerste twee groepjes bepaalden via loting of zij wacht moesten lopen aan de grens met Hillegom, of op de weg tussen Berkhout en Halfweg. Uit hun midden werd één korporaal gekozen die de leiding had. Uit de andere twee groepjes werd eveneens één korporaal gekozen. De twee groepjes die wacht liepen in het noordelijke deel van Lisse dienden zich iedere avond om tien uur te verzamelen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur ’s ochtends te patrouilleren. Dat gold ook voor de andere twee groepjes, met dien verstande dat zij zich elke avond om tien uur moesten melden bij de woning van de schout. Daarmee werd het huis Dever bedoeld, dat tussen 1763 en 1771 werd bewoond door de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart.

Het is niet bekend waarom het dorpsbestuur van Lisse besloot tot het instellen van deze buitengewone stille nachtwacht. Het lijkt te gaan om een verhoogde staat van paraatheid, maar van reële oorlogsdreiging was op dit moment geen sprake. Misschien was de criminaliteit sterk toegenomen, en probeerde het dorpsbestuur dat op deze manier weer in te dammen. In ieder geval lijkt er in deze tijd in de directe omgeving van Lisse wel wat aan de hand te zijn geweest. Al op 18 januari 1765 had de baljuw namelijk een brief geschreven aan Pieter van Ommen en Johannes Oldenzeel, welgeboren mannen van Lisse, met het verzoek om zes man uit Lisse 24 uur lang paraat te houden. Zij moesten de baljuw helpen door ’s nachts te patrouilleren “door het afgeleegentste van Lisse” en overdag de wegen in Lisse te bezetten. Daarbij dienden zij alle personen te arresteren “die haar suspect zullen voorkomen”.
wordt vervolgd

Noten
[1] J.B. Glasbergen, 1000 Jaar Rijnsburg (Leiden z.j.) 72.
[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 31 (ongefolieerd).
[3] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 239.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 38, rekening uit 1727, fol. 13.
[5] Ibidem, inv. nr. 36, rekening uit 1705, fol. 14.
[6] Ibidem, inv. nr. 4, fol. 159v en 160.
[7] Ibidem, inv. nr. 252.

Voorbeeld van een houten klep

 

Eerste blad van de lijst met namen van de leden van de stille nachtwacht in het jaar 1746 (waarvan destijds een kopie werd opgehangen in het wachthuis).

 

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 2

De introductie van de tulpen Madame Lefeber en Apeldoorn worden beschreven.

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, april 2008

Lefeber had belangrijke inbreng in bloembollencultuur

Rode tulpen nog altijd uitermate belangrijk

Dat Dirk W. Lefeber onschatbare diensten aan het bloembollenvak heeft bewezen is de lezer een vorig keer al duidelijk geworden. Hij was niet alleen een doorzetter als het er om ging om nieuwe markten te verkennen (zijn reizen naar Rusland zijn legendarisch), maar eveneens niet van zijn stuk te brengen als het ging om het zoeken naar nieuwe variëteiten bloembollen. En dan vooral tulpen. In de loop der jaren zijn door Lefeber talloze van die nieuwe variëteiten ontwikkeld, waaronder de rode Apeldoorn die heel lange tijd de meest geteelde tulpensoort was en in vele honderdduizenden huiskamers in de gehele wereld wel eens te gast is geweest.
Lefeber heeft ooit aan het papier toevertrouwd op welke wijze hij steeds te werk ging en welke resultaten werden bereikt.
Daarbij stelde hij echter op de voorgrond dat vele andere hybridiseurs eveneens met groot succes aan de gang waren en waardevolle resultaten bereikten. “Vooral de eerste 25 jaar na de tweede wereldoorlog zijn veel belangrijke soorten geïntroduceerd die elk hun bijdrage hebben geleverd aan prachtige bloeiende tuinen en parken en veel aanbod in de bloemen-winkels.”
Lefeber stelt dat bij dat alles de rode tulp veruit favoriet was en is.
“Ongeveer 70% van alle geëxporteerde tulpen is rood. Door veel kruisingen van de oude, in Holland gegroeide Darwin tulpen met de originele in het wild voorkomende Fosteriana en Greigii tulpen heb ik prachtige nieuwe soorten gewonnen. Het belangrijkste resultaat van mijn werk is de hybridisering van de oude Darwin tulpen geweest, gekruist met de originele wilde Fosteriana en die onder de naam ‘Madame Lefeber’ werd geregistreerd. Buiten deze kruisingen werd de Darwin Hybride tulp officieel als nieuw ras geregistreerd. Een ras met een werkelijk sprankelende rode kleur. Roder dan alle andere Darwin tulpen. Ook zijn de bloemen veel groter en is de groei sterker dan van de andere tulpen”.

De Darwin hybride Apeldoorn

De grote Darwin hybride nam later een vooraanstaande plaats in het totale pakket voorjaarsbloeiende bloembollen in. Op een gegeven moment bestond zelfs eenderde van het totale areaal uit deze tulpensoort en werden er elk jaar miljoenen bollen van geproduceerd. Voor Lefeber stond het dan ook vast dat het verkrijgen van betere handelsvariëteiten niet alleen van belang was en is voor de hybridiseur, maar nog van veel groter belang voor de totale bloembollenbranche. “Ik durf te stellen dat zonder genoemde Darwin hybride tulpen het voor de bollen- en bloemenhandel in het algemeen moeilijk geweest zou zijn om haar positie te handhaven. Bovendien zijn veel van de oude Darwin tulpen gedegenereerd (in kwaliteit teruggelopen-red.) zodat de Darwin hybride tulpen net op tijd kwamen. Maar als ik het niet gedaan zou hebben, zou er ongetwijfeld een andere kweker zijn opgestaan en misschien had die het nog beter gedaan ook. Ik had gewoon geluk dat niemand anders het deed. En natuurlijk kunnen de Darwin hybride tulpen verbeterd worden. Bijvoorbeeld met een sterkere bloem die langer bloeit. Maar de heldere kleur, de bloemvorm, de bladeren en het grote groeivermogen zullen moeilijk verbeterd kunnen worden”.
Over het aantal Darwin hybride tulpen dat door Lefeber werd geïntroduceerd zegt hij in zijn verslag het volgende: “Uit één kruising kwamen 364 buitengewone zaailingen. Maar na vele jaren van testen, eerst in de kas en later buiten, zijn daarvan slechts tien cultivars geïntroduceerd. Het is werkelijk heel moeilijk geweest om uit zoveel prachtige tulpen te selecteren. Ik moest de overige primeurs vernietigen om te voorkomen dat de variëteiten met elkaar zouden concurreren. Een kleine collectie heeft immers een grotere marktwaarde voor zowel de kwekers als voor de handel in z’n totaliteit. Zelfs de beste vier cultivars zouden voldoende zijn geweest. Dat zijn de Darwin hybride ‘Parade’, ‘Oxford’, ‘Apeldoorn’ en ‘Gudoshnik’. Volgens mij komt het in de bloembollenwereld zelden voor, dat als gevolg van hybridisering van verschillende soorten en variëteiten één variëteit tevoorschijn komt waarvan elke zaailing uitstekend blijkt te zijn,” aldus Lefeber die verder in zijn verslag vertelt zich vooral toegelegd te hebben op het verkrijgen van nieuwe tuintulpen voor de broei (die de bloemen uit de bol ,trekt’-red.), maar dat het ook aantrekkelijk is nieuwe cultivars te kweken die aantrekkelijk zijn voor zowel de broeierij als de tuin. Zoals indertijd vooral de vuurrode tulp ‘Apeldoorn’. Door een speciale temperatuurbehandeling (de zogenoemde vijf graden behandeling -red.) kon deze tulp met veel succes in de periode rond de jaarwisseling in bloei worden getrokken en was het jarenlang op dat vroege tijdstip één van de voornaamste tulpen in de markt.

Voorpagina van de catalogus uit 1969 van de firma D.W. Lefeber, bestemd voor de Russische markt. Op de voorgrond staan prachtige rode tulpen in bloei op de Keukenhof. collectie: Museum de Zwarte Tulp

 

 

DE VICARIE VAN SINT SERVAAS TE LISSE OMSTREEKS HET MIDDEN VAN DE 14e EEUW DEEL 1

Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland een kapel in Lisse. Dit was een kapel ter ere van Sint Servaas. Het bleek echter geen kapel te zijn, maar een kapelanie of vicari. Uitgelegd wordt wat een vicari is. Diverse vicarissen paserende revue. Willem Ternic was een van de vicarissen. Zijn uitgebreide familiegeschiedenis wordt besproken.

Door Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland en Rooms-koning van het Heilige Roomse Rijk, een kapel in Lisse. Aangezien de latere parochiekerk van Lisse was gewijd aan Sint Agatha, ligt het in de lijn der verwachting dat de kapel eveneens aan deze heilige was opgedragen.
Het is daarom opmerkelijk dat er in 1351 wordt gesproken over een kapel ter ere van Sint Servaas. Bij nader inzien blijkt het echter om een kapelanie (of vicarie) te gaan. In dit tweedelige artikel zal ik wat dieper ingaan op deze vicarie.

De dorpskerk van Lisse in de zeventiende eeuw. Hier stond in de middeleeuwen de aan Sint Agatha gewijde kapel.

 

Wat is een vicarie?
Tijdens de Middeleeuwen kwam het regelmatig voor dat edellieden of gegoede burgers een vicarie stichtten in een parochiekerk of kapel [1]. Er werd dan een priester aangesteld die met een zekere regelmaat memoriediensten moest houden. Dat wil zeggen dat hij missen moest lezen voor de ziel van de stichter van de betreffende vicarie en voor de zielen van zijn familieleden, om zo de tijd in het vagevuur te bekorten. De priester die aan een dergelijke stichting verbonden was, werd vicaris genoemd. In veel gevallen was hij een familielid van de stichter, want die had namelijk het recht om de vicaris voor te dragen: het zogenoemde collatierecht.
Na het overlijden van de stichter kwam dit collatierecht in handen van zijn erfgenamen.
Om er voor te zorgen dat de vicaris in zijn levensonderhoud kon voorzien, ging de stichting van een vicarie gepaard met de schenking van landerijen of andere goederen (waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de vicaris). Bij een vicarie moesten deze goederen geestelijk worden gemaakt (d.w.z. onder geestelijk recht worden gebracht). Daarnaast diende de stichting door de bisschop van Utrecht te worden bekrachtigd. Bleven de geschonken goederen daarentegen wereldlijk, dan werd er niet gesproken van een vicarie, maar van een officie. Bij een vicarie kon de priester die de missen opdroeg niet worden afgezet, terwijl de priester van een officie wel afgezet kon worden.

Middeleeuws voorbeeld van Sint Servaas. In zijn rechterhand de sleutel der Hemelpoort die hij van Petrus had gekregen (website Iconen Atelier ‘Sint Servaas’ in Maastricht).

Sint Servaas

Het is niet bekend waarom de vicarie in Lisse aan Sint Servaas werd gewijd, maar blijkbaar had deze heilige een speciale betekenis voor de stichter.
Sint Servaas wordt ook wel Servatius van Maastricht genoemd. Hij was omstreeks 340 na Christus bisschop van Tongeren. Later verhuisde Sint Servaas zijn bisschopszetel naar Maastricht, alwaar hij de eerste kerk op Nederlands grondgebied bouwde. Hij was één van de belangrijkste tegenstanders van het Arianisme, een stroming binnen het vroege christendom die het dogma van de drie-eenheid niet accepteerde (de Arianen ontkenden de goddelijkheid van Jezus). De naamdag van Sint Servaas is 13 mei (volgens de overlevering zou hij namelijk op 13 mei 384 zijn overleden). Samen met Sint Mamertus (11 mei), Sint Pancratius (12 mei) en Sint Bonifatius van Tarsus (14 mei) behoort Sint Servaas tot de zogenoemde IJsheiligen. Dat zou kunnen verklaren waarom de vicarie in de kapel van Lisse aan Sint Servaas werd opgedragen. Lisse maakte in de dertiende en veertiende eeuw op kerkelijk gebied namelijk deel uit van de parochie van Sassenheim. De beschermheilige van deze parochie was Sint Pancratius. Misschien koos men bij de stichting van de vicarie in de kapel van Lisse daarom eveneens voor een IJsheilige.

Vicaris Willem Terninc
Op 24 februari 1351 richtte hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, een verzoek aan de aartsdiaken van de Dom van Utrecht om de priester Willem Terninc aan te stellen als vicaris van de vicarie van Sint Servaas in Lisse [2]. De naam van zijn voorganger is niet bekend. Willem van Beieren verklaarde slechts dat de vicarie in 1351 onbezet was. Willem Terninc is niet zo lang vicaris geweest. Hij overleed in 1354, waarna Willem van Beieren op 8 december 1354 Willem Pyl tot zijn opvolger benoemde.
Er is maar weinig bekend over de carriére of de familie van Willem Terninc. Hij wordt voor het eerst genoemd op 13 juni 1332. Op verzoek van Elisabeth Simonsdr. Nagel zegelde priester Willem Terninc toen samen met enkele andere personen een oorkonde [3]. In deze oorkonde vroeg Elisabeth toestemming aan de abt van de abdij van Egmond om een vicarie te stichten in de kerk van Voorhout. Elisabeth wilde haar neef Willem Janszn. Nagel benoemen tot vicaris. Daarnaast was zij van plan om al haar landerijen (uitgezonderd de ‘Poorterscamp’) aan deze vicarie te schenken. Na de dood van Elisabeth Simonsdr. Nagel diende het collatierecht over te gaan op haar broer Jan Simonszn. Nagel. Was hij op dat moment ook al overleden, dan moest het collatierecht overgaan in handen van twee andere leden van de familie Nagel en ten slotte in handen van de abt van Egmond. Ik ben hier wat dieper op ingegaan omdat het een aardig beeld geeft hoe het er bij de stichting van de vicarie van Sint Servaas in Lisse aan toe kan zijn gegaan.

Voorhout in de zeventiende eeuw, met het kerkje waar Albert Terninc in de veertiende eeuw als pastoor aan verbonden was.

Priester Willem Terninc was vermoedelijk een kleinzoon van de Willem Terninc die in het laatste kwart van de dertiende eeuw een berkenbos rooide in de ambachtsheerlijkheid Heemstede. Het vrijgekomen stuk land werd op 5 december 1284 door graaf Floris V verkocht aan Jan ver Aleydensone (= Jan, zoon van vrouwe Alijd) uit Haarlem, wiens nageslacht de naam ‘Van Berkenrode’ aannam en belangrijke stedelijke functies vervulde in Haarlem. Het woord “terninc” betekende volgens het Middelnederlandsch Woordenboek ‘dobbelsteen’ [4]. Het is een oude spellingsvariant van “teerling” (zie bijvoorbeeld de uitspraak ‘de teerling is geworpen’). In de bronnen wordt ook wel gesproken over “tarninc” of “tairninck”.

De familienaam Terninc vinden we in de eerste helft van de veertiende eeuw ook terug in Voorhout. Op 29 juni 1339 gaf Albert (of Albrecht) Terninc, pastoor van Voorhout, samen met Stase Loefszn. uit naam van de abt van de abdij van Egmond een huis in eigendom aan Gerrit Hugezn. [5]. Pastoor Albert Terninc was de opvolger van Hugo Pollaart, die in 1332 als pastoor van Voorhout wordt vermeld. De vroegste vermelding van Albert Terninc dateert van 24 september 1318 toen hij werkzaam was als kapelaan in Noordwijk [6]. Vermoedelijk was hij een broer van priester Willem Terninc. Er is onder andere een testament van Albert Terninc bewaard gebleven d.d. 18 augustus 1349. Volgens dit testament dienden zijn in Noordwijk gelegen goederen gebruikt te worden voor de stichting van een vicarie in het cisterciënzerinnenklooster Ter Lee in Noordwijkerhout. Dit klooster was in 1261 door de broers Arnoud en Walewijn van Sassenheim gesticht en werd ook wel ‘Leeuwenhorst’ genoemd. Daarnaast gaf Albert Terninc zijn goederen in Monster aan de armen die door het klooster Ter Lee werden verzorgd. Zijn huis in Voorhout vermaakte hij aan de plaatselijke kerk. De inkomsten die hieruit voortvloeiden, moesten door de kerk van Voorhout worden geïnvesteerd in renten om wijn, hosties en kaarsen te kopen. Albert Terninc schonk de rest van zijn bezittingen (waaronder zestien morgen land in Maasland) aan het door hem gestichte gasthuis in Noordwijk. Dit gasthuis stond in de huidige Kerkstraat tegenover de Sint Jeroenskerk [7].
wordt vervolgd

Noten
[1] Hanno Brand, Over macht en overwicht. Stedelijke elites in Leiden (1420-1510) (Leuven/Apeldoorn 1996) 341.
[2] A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 13; het graafschap Holland maakte deel uit van het aartsdiaconaat van de Dom van Utrecht.
[3] Noord-Hollands Archief (NHA), Inventaris van het archief van de Abdij van Egmond, Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 220.
[4] E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek dl. V (‘s-Gravenhage 18..), kolom 140.
[5] NHA,Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 257.
[6] Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994) 594.
[7] C. Hoek, “Acten betreffende De Lier, Maasland en Schipluiden”, in: Ons Voorgeslacht 46e jaargang no. 416 (mei 1991) 204-235, aldaar 222 en De Moor, Verborgen en geborgen, 448.