GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE(2). PROBLEMEN MET DE KLAPWAKER (1845)

Klapwaker Snaar vroeg in februari 1845 aan burgemeester Van Rosse of hij zijn zoon mocht laten klaplopen. Dat mocht niet. Zijn zoon deed het toch. Snaar kreeg een reprimande. In november gebeurde dit nog een keer. Hij werd toen nog niet geschorst, maar moest voor de vergadering verschijnen.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

‘Burgemeester, schaam je wat!’

Inleiding

In Lisse was vanouds een zogenaamde nachtwacht ingesteld, ook wel klapwaker genoemd. In instructies en in zogenaamde keuren werden zijn rechten en plichten nauwkeurig vastgelegd. In een instructie van 1815 lezen we dat hij bij ‘ieder Uur de Klap Twee maal (moest) slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’. Verder moest hij gedurende de nacht, dat wil zeggen van tien of elf uur ’s avonds tot vier of vijf uur ’s morgens (afhankelijk van de tijd van het jaar), toezicht houden op de eigendommen van de ingezetenen en op de openbare orde en tijdig bepaalde calamiteiten (zoals brand) melden. Ter voorkoming van inbraak e.d. had hij tevens de bevoegdheid om verdachte personen aan te houden. Lieden die midden in de nacht met een ‘Ladder den Dorpe’ in gingen waren bijvoorbeeld verdacht, maar ook mensen die in het nachtelijk uur met ‘Meubilen’ (meubels) e.d. aan de sjouw waren. Hij droeg gedurende zijn ronde dan ook een sabel bij zich of een speer.
De klapwaker deed zijn ronde binnen de toenmalige bebouwde kom, dat wil zeggen van boerderij Welgelegen (bij het voormalige politiebureau) in het zuiden tot het laatste huis in het noorden, richting Hillegom (huisnummer 200 in 1815) en van de korenmolen aan de Gracht tot het laatste woonhuis aan de Halfwegse Steeg, ofwel de huidige Berkhoutlaan.
Er bestond rond 1844 niet erg veel toezicht op het functioneren van de klapwaker. In laatstgenoemd jaar kreeg Lisse echter een nieuwe burgervader, namelijk J.C. van Rosse (1801-1875). Hij vergrootte het toezicht en waarschijnlijk is dat dan ook één van de redenen waarom we in de notulen van het gemeentebestuur in het jaar daarop (1845) zoveel over de nachtwacht tegenkomen.

Eerste ‘correctie’, februari 1845
Op 21 februari had de dienstdoende nachtwacht, een zekere Snaar, aan de burgemeester gevraagd of hij zijn zoon mocht laten waken, maar Van Rosse had daar niet mee ingestemd. De klapwaker moest de volgende nacht gewoon weer op zijn post verschijnen. Omdat de burgemeester het niet vertrouwde ging hij ’s avonds een oogje in het zeil nemen. Het bleek hem dat Snaar ‘zich (…) afwezig had gemaakt en zijn zoon weder zijn wapen had afgegeven’. Gedurende die nacht had Snaar gewerkt bij kastelein Veldhorst in de Witte Zwaan om op die manier nog wat bij te verdienen. Aangezien zijn zoon zijn taak als klapwaker inmiddels waarnam, genoot hij dus op deze wijze extra inkomsten. Van Rosse was mild: Snaar kreeg de volgende dag alleen ‘een duchtige correctie’ en kon toen weer gaan. Hij begreep de behoefte van Snaar om in extra inkomsten te voorzien (blijkbaar was hij armlastig) en vorige ‘besturen’ waren erg slap en toegeeflijk geweest. De klapwaker moest echter beloven ‘dat hij voortaan zoude zorgen van in de vervulling zijner pligten buiten gegronde aanmerkingen te blijven’.

 

Hier genoot de nachtwacht Snaar neveninkomsten door kastelein Veldhorst bij te staan in diens werkzaamheden. Rechts tegen de zijgevel is een bord aangebracht ten behoeve van het aanbrengen van publicaties. Er is juist een wagen vol met mensen gearriveerd. De Zwaan was bij de Leidse studenten erg in trek, maar deze veroorzaakten ook de nodige overlast in het dorp, zoals we uit de notulen van de vergaderingen van B&W van 10 december 1845 vernemen.


Het logement de Zwaan te Lisse’, 1834. Steendruk van L. Springer naar W. van Groenewoud. Regionaal Archief Leiden LPV 77714. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), p. 59

Opnieuw problemen, november 1845
Een hele tijd bleef het goed gaan, doch in de vergadering van de gemeenteraad van 25 november constateert Van Rosse opnieuw onregelmatigheden: ‘De voorzitter deelt mede dat hij eenige dagen geleden alwederom den nachtwacht niet op zijn post heeft gevonden’. ’s Avonds om kwart voor tien was hij hem echter wel in Sassenheim tegengekomen! Hij besloot in het dorp zijn komst af te wachten. En inderdaad: om half elf hoorde hij weer geklepper. De burgemeester ging op het geluid af en trof Snaar aan. Hij wees hem op strenge toon terecht, doch Snaar begon met ‘ontkennen en tegenspreken op schreeuwende toon’. Al dat kwaad gerucht midden in de nacht kon natuurlijk niet en dus pakte de burgemeester Snaar bij de arm met de woorden: “Kom, houdt op met dat liegen en schreeuwen en ga voort met uwe ronde te doen!”. Maar daarop begon hij juist nóg harder te schreeuwen: “Burgemeester, gij moet mij niet slaan!”. Van Rosse trachtte hem ervan te overtuigen dat hij hem niet sloeg, maar hem alleen terecht wilde wijzen. Tenslotte had hij geen enkele andere keuze dan zich te verwijderen. Hij zou hem later wel ‘tot beteren pligt brengen’. Van Rosse liep dus weg, terwijl de klapwaker hem ettelijke malen naschreeuwde: “Burgemeester, schaam je wat!”. Heel wat rumoer dus zo midden in de avond/nacht!

Wat nu te doen?
In de gemeenteraadsvergadering doet de voorzitter (Van Rosse) ‘opmerken dat het schijnt dat den nachtwacht het meerdere toezigt dan vroeger moede is en een einde aan die gedurige terugkomende correctien willende maken door de ontkentenis van alle pligtsverzuim waarop dien hem zoude willen achterhalen. En door straatgerucht te maken zich heeft voorgenomen den Burgemeester van alle verdere surveillance of correctie af te schrikken.
En dat hij inderdaad zich aan dergelijke ontmoetingen met den Nachtwacht niet verder kan blootstellen, terwijl maar al te dikwijls hij zich op pligtverzuim laat betrappen en doorgaans het allerminst een ondergeschikt karakter aan de dag legt, het welk op beter zoude kunnen doen hoopen’. Een patstelling dus: de klapwaker moest tot betere plichtsbetrachting gedwongen worden, maar aan de andere kant vormde het uitoefenen van direct toezicht een probleem.

De aardappelziekte en de kwestie met de klapwaker
Het Reglement voor het Bestuur ten Plattelande gaf evenwel de burgemeester het recht om plaatselijke bedienden en ambtenaren die zich aan plichtsverzuim schuldig maakten, te schorsen voor de tijd van zes weken, maar in het licht ‘van de tegenwoordige tijdsomstandigheden’ vond Van Rosse het nogal bezwaarlijk dit artikel in toepassing te brengen. Met die omstandigheden doelde hij op de aardappelziekte die juist in 1845 was uitgebroken en waardoor met name de armere lagen van de bevolking werden getroffen. De prijzen van aardappels, maar ook van andere voedingswaren waren immers door het mislukken van diverse aardappeloogsten gestegen en het was met name de aardappel die in die dagen het voedsel voor de armen vormde. Als daar voor het gezin Snaar dan ook nog werkloosheid en dus vermindering van inkomsten bijkwam, kon dat heel vervelende consequenties hebben.

Er wordt een oplossing gevonden
Van Rosse was zich daarvan bewust en dus werd besloten ‘den Nachtwacht voor den vergadering te laten roepen, hem te corrigeren en aan te zeggen dat hij zijne klep en sabel tot nader orde aan de secretarie zal hebben te brengen, teneinde alzoo gedwongen te zijn om op zijne tijd de ronde te beginnen. Zullende in geval hij niet voor of juist ten tien uren aan de secretarie zou verschijnen om zijn klep en sabel te komen halen, dezelve door den burgemeester aan een ander worden gezonden met last om ten koste van den Nachtwacht voor dien nacht deszelfs post waar te doen nemen’.

De nachtwacht of klapwaker moest ‘ieder Uur de Klap Twee maal slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’, aldus de instructie voor de klapwaker van 1815. Op deze prent zien we hoe de klapwaker duidelijk zo’n klap of klep in de hand draagt. Tevens kon hij verdachte personen aanhouden. De afgebeelde klapwaker draagt dan ook een speer bij zich in de andere hand. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 51

De brief van de gouverneur
Wellicht speelde hierbij ook een brief, gedateerd 23 september, van de gouverneur van Zuid-Holland een rol, waarin hij het instellen van nachtwachten als maatregel voor orde en rust aanprijst. Dit in verband met ‘de tegenwoordige tijdsomstandigheden bij het mislukken van de aardappelen oogst’. Juist in deze tijd was het hebben van een nachtwacht belangrijk en dat kan Van Rosse er toe hebben bewogen de nachtwacht Snaar niet zomaar te ontslaan of te schorsen.

Na 1845 lezen we in de notulen niets meer over onregelmatigheden in de taakuitvoering van de klapwaker. Was er inmiddels iemand anders aangesteld? Of deed Snaar beter zijn best in de uitvoering van zijn plicht?

‘Ongeregeldheden met studenten’
De notulen van de vergaderingen van B&W maken in december 1845 melding van ongeregeldheden met studenten uit Leiden. Inderdaad deden deze het dorp Lisse graag aan en dat gold zeker voor het logement de Witte Zwaan, waar ‘Vadertje Veldhorst’ achter de tapkast stond, zoals hij door de studenten genoemd werd. Ook het leegstaande huis Dever werd door hen bezocht. Ten aanzien van de plaatsgehad hebbende gebeurtenissen wordt besloten bij voorkomende herhalingen een speciale nachtwacht aan te stellen en die te belasten met het toezicht op ‘de plannen en gangen’ van de heren studenten. Deze zal bestaan uit drie personen, te weten M. Verhagen, Floor Kerkvliet en Toon Kulk. Men wil echter het oordeel afwachten van de gemeenteraad met betrekking tot de instelling van een keur voor de ‘buitengewonen winter nachtwachter’. Of de ongeregeldheden met de studenten zich hebben herhaald is niet duidelijk en we kunnen dus ook niets zeggen over deze ‘studenten nachtwacht’. De keur op de winternachtwacht werd afgekondigd en aangeplakt op 27 december 1845. Het stuk bevindt zich in het gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756.

Conclusie
Het lijkt erop dat Lisse in 1845 een burgemeester had die niet alleen streng was maar ook veel medelevendheid aan de dag kon leggen. Dat lijkt althans de manier waarop de kwestie met de nachtwacht werd afgehandeld aan te tonen.
De gevolgen van de aardappelziekte waren kennelijk ook in Lisse voelbaar, althans onder de lagere klassen van de samenleving, met name de arbeiders. Dit ondanks hetgeen we lezen in de notulen van de gemeenteraad van 19 september, waarin het provinciaal blad wordt voorgelezen ‘houdende uitnodiging tot het beramen van middelen der voorziening in den aanstaande nood der arbeidende klasse door den mislukten aardappelen oogst en de duurte der overige levensmiddelen’. Men besloot echter voorlopig nog geen maatregelen te nemen vanuit de overweging dat de mindere klasse nog geen gebrek aan werk had en vaak voorzien was ‘van een eigen geteeld voorraadje’. Bovendien was men bang dat ‘vooruitlopende zorgen en maatregelen weleens een verkeerde uitslag zouden kunnen hebben’. Uit latere notulen blijkt niet dat men alsnog tot maatregelen is overgegaan. Uit de milde houding echter van de burgemeester ten opzichte van het voorgevallene met de klapwaker (met name dus de vermelding dat hij niet tot schorsing wilde overgaan vanwege de ‘tegenwoordige tijdsomstandigheden’) kunnen we opmaken dat de gevolgen van de aardappelziekte zich ook onder de lagere klassen lieten gevoelen.
Hoe dan ook, de nieuwe burgemeester heeft het nogal eens zwaar te stellen gehad met zijn onderdanen. Zo ontmoette hij het volgende jaar (1846) een uitermate lastig persoon op de Delfweg (huidige Stationsweg), die hem zowaar bij de kraag vatte! ‘Ik ben tot alles in staat!’, zo zou hij hebben uitgeroepen. Deze ongelukkige ontmoeting is beschreven in een eerdere uitgave van ons nieuwsblad (Politierapporten deel II).

Gebruikte bronnen:
A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 50.
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513, 552.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 2

 

De klapwaker en de stille nachtwacht begonnen in de 18e eeuw hun rondes bij het wachthuis. Dit wachthuis stond net ten zuiden van het Vierkant. De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een bestaand huis aan het Vierkant. Er was toen één dorpslantaarn. Lisse kreeg het schavot van Noordwijkerhout. Bovenstaande wordt uitvoerig besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

In het eerste deel van deze artikelenreeks werd aandacht besteed aan de klapwaker en de nachtwacht in Lisse. Nu wordt de draad weer opgepakt bij het wachthuis van waaruit de klapwaker en de stille nachtwacht hun dagelijkse rondes deden.

De grote kerk met achter de personen het wachthuisje van de brandweer

Wachthuis
De klapwaker en de stille nachtwacht deden hun rondes door het dorp vanuit het wachthuis. Volgens een kaart uit 1771 was dit wachthuis gelegen aan de Heereweg, even ten zuiden van het Vierkant (tegenover de woning van de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart). In het winterseizoen werd het wachthuis verwarmd door middel van een op turf gestookte kachel. Het was de taak van de schoolmeester om deze kachel brandend te houden. Daarnaast was diezelfde schoolmeester ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van het wachthuis. Hij werd hiervoor betaald door het dorpsbestuur. [1]

Omdat er wapens in werden opgeslagen, moest het wachthuis door middel van een degelijk slot ook afgesloten kunnen worden. Af en toe diende dat slot gerepareerd of vernieuwd te worden: in 1727 werd Herman Schuurman bijvoorbeeld betaald voor het “vermaken van ’t slot aan ’t wagthuys”.

Detail van een kaart uit 1771 met het wachthuis aan de Heereweg

Dorpslantaarn(s)
In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas.
Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.

Staande man met piek en zwaard op een weg nabij Lisse, detail van een prent uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw waren leden van de stille nachtwacht eveneens bewapend met een piek.

Gevangenis
In mijn artikel over de welgeboren familie Duycker gaf ik aan dat er onderscheid werd gemaakt tussen lage en hoge rechtspraak (Nieuwsblad jaargang 6 nummer 4, oktober 2007). De hoge rechtspraak was voorbehouden aan de baljuw en zijn welgeboren mannen. Zij mochten dus als enigen halsmisdrijven berechten en gevangenisstraffen opleggen. De ambachtsheerlijkheid Lisse bezat alleen de lage rechtspraak. [2] Toch kreeg het dorp in de achttiende eeuw een gevangenis. Dat hield verband met het feit dat Lisse samen met Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout één baljuwschap vormde. Aanvankelijk werden arrestanten en veroordeelden uit dit baljuwschap opgesloten op Teylingen. [3] Dit kasteel viel echter niet onder jurisdictie van het baljuwschap. Dat leidde nog wel eens tot problemen. Daarom hadden Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout zich sinds 1724 sterk gemaakt voor een eigen gevangenis. Lange tijd liep dat op niets uit, maar uiteindelijk stemden de Staten van Holland en West-Friesland in 1763 toch toe. Als locatie voor de nieuwe gevangenis werd gekozen voor het centraal gelegen Lisse. Voor de bouw reserveerde men een bedrag van 1000 gulden. De jaarlijkse onderhoudskosten van de gevangenis werden begroot op 21 gulden en voor het salaris van de cipier moest ieder jaar eveneens 21 gulden worden opgebracht. Al deze kosten werden in gelijke mate verdeeld over de vier betrokken dorpen. De baljuw diende er als inner van de bedragen op toe te zien dat alle dorpen hun betalingsverplichtingen nakwamen. [4]
De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een reeds bestaand huis in het Vierkant, dat op 13 mei 1765 onderhands was gekocht door de baljuw Elbert Testart. Dit pand behoorde destijds toe aan de erfgenamen van de Lissese timmerman Cornelis Adriaanszn. van der Zaal, die het op zijn beurt in 1717 had verkregen uit de boedel van Maarten Dirkszn. van ’t Hoog. [5] Een half jaar later was de gevangenis klaar voor gebruik. Tijdens de vergaderingen van de schout en burgemeesters van Lisse werden ieder jaar ook lijsten opgesteld van alle afgebroken, verbeterde en nieuw gebouwde huizen. Het bovengenoemde pand in het Vierkant werd op 29 maart 1766 als volgt omschreven: “Een huys staande in het quohier der verpondinge ten naame van de erfgenaamen van Maarten Dirkse van ’t Hoog ende Dirkje Jacobs van der Mark…welk perceel wel is verbeeterd, dog geapproprieert [=ingericht] tot een gevangenhuys”. [6] Volgens A.M. Hulkenberg stond deze gevangenis op de plek waar in later tijd de Algemene Bank Nederland was gevestigd, oftewel op de plek waar straks het appartementencomplex ‘Oud Raadwijk’ zal verrijzen. [7]

De jaarlijkse betalingen van Lisse voor het onderhoud van de gevangenis zijn terug te vinden in de rekeningen van de omslag van de bede, bijvoorbeeld die uit 1771: “Betaald aan den heer bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout voor een jaar onderhout van het gevangenhuys, voor de portie van die van Lisse, volgens quitantie 5:5:0 [=vijf gulden, vijf stuivers en 0 penningen]”. Hierna volgt ook de betaling voor de cipier: “Aan den cipier van het gemelden bailliuwschap, Sijbrand Schaap, voor een jaar tractement [=salaris] voor de portie van denselven dorpe 5:5:0”.
De hierboven genoemde Sijbrand Schaap werd op 31 oktober 1765 beëdigd tot cipier. Mogelijk vervulde hij deze functie als een soort bijbaantje, want hij was eigenlijk meester-metselaar van beroep. Sijbrand woonde oorspronkelijk in Purmerend, maar verhuisde naar Lisse toen zijn vrouw Alida van Une daar op 14 augustus 1764 werd aangesteld als dorpsvroedvrouw. [8] Als cipier was hij verplicht om in de gevangenis te wonen. Tot zijn taken behoorde onder andere het schoonmaken van de gevangenis. Over het schoonhouden van de straat vóór de gevangenis werd niet gesproken. Dat had men beter wel kunnen doen, want in 1768 werd Sijbrand Schaap door de schout en burgemeesters van Lisse op de vingers getikt over het storten van as en vuilnis “op des dorpsgrond en houttuyn voor de huyzen bij hem bewoond [=de gevangenis in het Vierkant]”. Een eerdere mondelinge vermaning van de Lissese gerechtsbode had niet het gewenste effect. Daarom verklaarden de schout en burgemeesters op 11 februari 1768 dat Sijbrand zijn troep binnen 24 uur moest opruimen. Deed hij dat niet, dan diende de gerechtsbode samen met twee of drie andere mannen de as en het vuilnis naar een geschikte plaats aan de gracht te transporteren. De daarmee gemoeide kosten zouden vervolgens worden ingehouden op het salaris dat de vrouw van Sijbrand Schaap als vroedvrouw van het dorpsbestuur van Lisse ontving. Verdere aantekeningen over deze zaak ontbreken. Blijkbaar heeft Sijbrand Schaap uiteindelijk eieren voor zijn geld gekozen en zelf de as en het vuilnis weggehaald.

Schavot
Zoals gezegd kreeg het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout in 1763 toestemming om een nieuwe gevangenis te bouwen. Er werd toen tevens bepaald dat alle terechtstellingen voortaan in Lisse plaats moesten vinden (voorheen gebeurde dat in Noordwijkerhout). Daartoe was een schavot nodig, dat door Lisse bewaard en onderhouden diende te worden. Het dorpsbestuur weigerde daar echter aan mee te werken. Zo kon het gebeuren dat er geen schavot aanwezig was, toen Jan den Otter na zijn arrestatie op 30 oktober 1765 wegens stroperij werd veroordeeld tot geseling en brandmerken. De zaak werd voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar die stelden Lisse in het gelijk. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: net als bij de gevangenis en de cipier werden de kosten voor het schavot in het vervolg door alle vier de dorpen van het baljuwschap gezamenlijk opgebracht.

Het Kuijkehuis en de ABN-bank in het Vierkant. Op de plek van het bankgebouw stond vroeger de gevangenis van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Op donderdag 12 december 1765 kwamen vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van Noordwijkerhout, Hillegom en Lisse in het rechthuis van Lisse (herberg De Witte Zwaan) bijeen om verder te praten over het schavot. Lisse was niet van plan om het oude schavot zomaar over te nemen. Het dorp wilde eerst de burgemeesters Reinier van Leeuwen en Maarten van der Jagt naar Noordwijkerhout sturen om het schavot aldaar te inspecteren. Pas nadat het door beide heren in orde was bevonden, zou het naar Lisse mogen worden overgebracht. De afgevaardigden van Noordwijkerhout en Hillegom gingen daarmee akkoord. Het dorpsbestuur van Voorhout was niet aanwezig bij deze vergadering, maar zou (op nadrukkelijk verzoek van de secretaris van Voorhout) door de schout van Lisse op de hoogte worden gesteld van de gemaakte afspraken.
Precies een week later (op donderdag 19 december 1765) werd er in Lisse alweer een vonnis van de baljuw ten uitvoer gebracht. Op last van de plaatsvervanger van de baljuw had Jacob van der Jagt, schoolmeester en koster te Lisse, toen de klok van de dorpskerk in het Vierkant geluid. Hij werd hierover op 30 december 1765 door het dorpsbestuur op de vingers getikt. Er werd toen namelijk verklaard dat alleen de schout en burgemeesters van Lisse opdracht mochten geven om de kerkklok op buitengewone tijden te luiden. De baljuw had daarover helemaal geen zeggenschap. In het vervolg diende Jacob van der Jagt voor het luiden van de dorpsklok dus toestemming te vragen aan het dorpsbestuur van Lisse, “uytgezondert het luyden op gewoone kerktijden, cathegisatien, bij het sterven en begraven der dooden”.
Het schavot stond overigens niet continu in het Vierkant. Het werd daar alleen neergezet als er executies uitgevoerd moesten worden. Daarna werd het schavot weer uit elkaar gehaald en opgeborgen in de toren van de dorpskerk aan het Vierkant. In 1781 werden de kerkmeesters van Lisse namelijk door het dorpsbestuur betaald “voor ’t plaatsen van ’t schavot inden toorn”. [9]

wordt vervolgd

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening uit 1771, fol. 11v en fol. 12.
[2] Lisse had als ambachtsheerlijkheid wel een schandpaal, zie artikel van dr. A.J. Kölker in het Nieuwsblad van de Ver.Oud Lisse, jaargang 2, nr 4 (oktober 2003).
[3] Theo van der Poel, “Uyt den Vierschaer geknipt. Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, in: Hangkouserieën Jaargang 16 (februari 2008) 40-43, aldaar 40.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 148v.
[5] Van der Poel, “Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, 40-43, aldaar 40.
[6] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 189v.
[7] A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk Lisse 1998) 44.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 156v en fol. 212v.
[9] Ibidem, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1781, fol. 14v.

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 3

De veredeling van zijn tulpen wordt besproken

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

Één tulp, twee namen

Als proef voor het welslagen van de zogenoemde vijf graden tulpen stuurde Lefeber ongeveer honderdduizend bollen van de tulp ‘Apeldoorn’ naar de Botanische Hoofdtuin in Moskou en deze kwamen omstreeks de jaarwisseling allemaal in de experimentele kas aldaar in Moskou in bloei.
Lefeber vertelde ooit aan de kroniekschrijver die zijn verhaal aan het papier toevertrouwde, dat hij als een van de eerste tulpen voor zijn kruisingswerkzaamheden de in het wild voorkomende tulp Fosteriana Madame Lefeber had uitverkoren. “Uit de Russische Fosteriana selecteerde ik een variëteit die ik als de beste beschouwde en gedurende vele jaren kweekte ik daar een grote voorraad van. Ik noemde deze variëteit ‘Madame Lefeber’ en het was de eerste variëteit die werd geregistreerd. Toen ik deze tulipa introduceerde waren veel van mijn collega’s de mening toegedaan dat deze variëteit inderdaad een prachtige heldere rode kleur had, maar voor de handel waardeloos was. Zij dachten zelfs dat deze tulp niet constant gekweekt zou kunnen worden. Toen ik de naam van deze variëteit liet registreren dachten de meeste collega’s dat ,Fosteriana’ voldoende zou zijn en dat een naamstoevoeging overdreven zou zijn. Om een en ander te regelen moest ik naar Londen om de bloemen aan een jury van The Royal Hortical Society te tonen. Toen ik hen de prachtige bloemen liet zien waren ze het onmiddellijk met mijn voorstel eens om een variëteitsnaam te laten registreren. En dat werd madame Lefeber. Later waren twee partijen geïnteresseerd in de naam van deze Fosteriana tulp Madame Lefeber. Dat waren mijn moeder en mijn vrouw. Beiden vroegen of de tulp naar haar vernoemd was. Een moeilijke vraag voor mij natuurlijk, daarom zei ik tegen elk: Hij is naar jou vernoemd, maar praat er met niemand over en zo draaide ik me er aardig uit…

Met deze variëteit, waarvoor ik zowel kritiek als bewondering oogstte, werkte ik het meest om een betere rode tulp te krijgen met een grote bloem en een normale tulpvorm. Het vereiste enige moed om de tulipa Fosteriana als voorvader te nemen. Ik herinner me dat toen ik de eerste was die een grote geselecteerde hoeveelheid van de tulp Madame Lefeber kweekte, vooraanstaande kwekers me vertelden: “Het is buitengewoon mooi, maar heeft geen commerciële waarde.” Deze kritiek was niet alleen gebaseerd op concurrentie. Mijn persoonlijke mening was dat deze tulp een van de belangrijkste zou kunnen worden en in alle tuinen over de gehele wereld zou kunnen komen te staan. En dat is ook gebeurd, maar pas na vele jaren en een moeilijke periode”. Lefeber liet de kroniekschrijver tevens vastleggen dat hij dit opmerkte omdat hij de aandacht wilde vestigen op het feit dat het introduceren van een nieuw soort werkelijk heel belangrijk is.

Maar dat introduceren duurt lang en het goed bekend maken van de soort duurt vaak zelfs langer dan het kweken van een verbeterde nieuwe variëteit. “Mijn collega’s vonden de bloemen te groot en de bladeren onhandig. Ik ben echter van mening dat geen tulp te groot is en misschien ook geen tulp te klein. Ik zou bijvoorbeeld niet teleurgesteld zijn als ik in de lente een van mijn zaailingen zou zien bloeien met een bloem zo groot als een amaryllis, noch wanneer deze tulp drie of vijf bloemen zou hebben en bij voorkeur met de kleur van de Fosteriana Madame Lefeber. Echter: een ongewoon kleine tulp zou me ook welkom zijn. Ik heb wel eens gezegd dat de bloembollenkwekers blij zouden moeten zijn dat de grootste artiest, Moeder Natuur, geen onbegrijpelijke moderne vormen creëert. Alhoewel door de vele verschillende kruisingen de meest bijzondere vormen en kleuren zijn verkregen, zijn ze nu acceptabel voor elke liefhebber van bloemen en kunnen door iedereen worden gewaardeerd,” aldus werd door de kroniekschrijver uit de mond van de heer Lefeber opgetekend die daar tevens aan toevoegde van mening te zijn dat de oorspronkelijke vormen en kleuren van de Fosteriana’s en Greiggii’s hem het meest aanspraken, maar dat door het hybridiseren de bloem meer geschikt werd voor de massaproductie en -verkoop. Lefeber was er dan ook niet gelukkig mee dat in de officiële lijst van geregistreerde tulpennamen veel hybriden geregistreerd staan onder het kopje van de originele Fosteriana en Greiggii namen. “Naar mijn mening kan de mooiste ezel geen paard genoemd worden en in dit geval waren er naar mijn mening meer ezels dan paarden….”

Dirk Lefeber in zijn jonge jaren

 

 

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 2

De introductie van de tulpen Madame Lefeber en Apeldoorn worden beschreven.

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

Lefeber had belangrijke inbreng in bloembollencultuur

Rode tulpen nog altijd uitermate belangrijk

Dat Dirk W. Lefeber onschatbare diensten aan het bloembollenvak heeft bewezen is de lezer een vorig keer al duidelijk geworden. Hij was niet alleen een doorzetter als het er om ging om nieuwe markten te verkennen (zijn reizen naar Rusland zijn legendarisch), maar eveneens niet van zijn stuk te brengen als het ging om het zoeken naar nieuwe variëteiten bloembollen. En dan vooral tulpen. In de loop der jaren zijn door Lefeber talloze van die nieuwe variëteiten ontwikkeld, waaronder de rode Apeldoorn die heel lange tijd de meest geteelde tulpensoort was en in vele honderdduizenden huiskamers in de gehele wereld wel eens te gast is geweest.
Lefeber heeft ooit aan het papier toevertrouwd op welke wijze hij steeds te werk ging en welke resultaten werden bereikt.
Daarbij stelde hij echter op de voorgrond dat vele andere hybridiseurs eveneens met groot succes aan de gang waren en waardevolle resultaten bereikten. “Vooral de eerste 25 jaar na de tweede wereldoorlog zijn veel belangrijke soorten geïntroduceerd die elk hun bijdrage hebben geleverd aan prachtige bloeiende tuinen en parken en veel aanbod in de bloemen-winkels.”
Lefeber stelt dat bij dat alles de rode tulp veruit favoriet was en is.
“Ongeveer 70% van alle geëxporteerde tulpen is rood. Door veel kruisingen van de oude, in Holland gegroeide Darwin tulpen met de originele in het wild voorkomende Fosteriana en Greigii tulpen heb ik prachtige nieuwe soorten gewonnen. Het belangrijkste resultaat van mijn werk is de hybridisering van de oude Darwin tulpen geweest, gekruist met de originele wilde Fosteriana en die onder de naam ‘Madame Lefeber’ werd geregistreerd. Buiten deze kruisingen werd de Darwin Hybride tulp officieel als nieuw ras geregistreerd. Een ras met een werkelijk sprankelende rode kleur. Roder dan alle andere Darwin tulpen. Ook zijn de bloemen veel groter en is de groei sterker dan van de andere tulpen”.

De Darwin hybride Apeldoorn

De grote Darwin hybride nam later een vooraanstaande plaats in het totale pakket voorjaarsbloeiende bloembollen in. Op een gegeven moment bestond zelfs eenderde van het totale areaal uit deze tulpensoort en werden er elk jaar miljoenen bollen van geproduceerd. Voor Lefeber stond het dan ook vast dat het verkrijgen van betere handelsvariëteiten niet alleen van belang was en is voor de hybridiseur, maar nog van veel groter belang voor de totale bloembollenbranche. “Ik durf te stellen dat zonder genoemde Darwin hybride tulpen het voor de bollen- en bloemenhandel in het algemeen moeilijk geweest zou zijn om haar positie te handhaven. Bovendien zijn veel van de oude Darwin tulpen gedegenereerd (in kwaliteit teruggelopen-red.) zodat de Darwin hybride tulpen net op tijd kwamen. Maar als ik het niet gedaan zou hebben, zou er ongetwijfeld een andere kweker zijn opgestaan en misschien had die het nog beter gedaan ook. Ik had gewoon geluk dat niemand anders het deed. En natuurlijk kunnen de Darwin hybride tulpen verbeterd worden. Bijvoorbeeld met een sterkere bloem die langer bloeit. Maar de heldere kleur, de bloemvorm, de bladeren en het grote groeivermogen zullen moeilijk verbeterd kunnen worden”.
Over het aantal Darwin hybride tulpen dat door Lefeber werd geïntroduceerd zegt hij in zijn verslag het volgende: “Uit één kruising kwamen 364 buitengewone zaailingen. Maar na vele jaren van testen, eerst in de kas en later buiten, zijn daarvan slechts tien cultivars geïntroduceerd. Het is werkelijk heel moeilijk geweest om uit zoveel prachtige tulpen te selecteren. Ik moest de overige primeurs vernietigen om te voorkomen dat de variëteiten met elkaar zouden concurreren. Een kleine collectie heeft immers een grotere marktwaarde voor zowel de kwekers als voor de handel in z’n totaliteit. Zelfs de beste vier cultivars zouden voldoende zijn geweest. Dat zijn de Darwin hybride ‘Parade’, ‘Oxford’, ‘Apeldoorn’ en ‘Gudoshnik’. Volgens mij komt het in de bloembollenwereld zelden voor, dat als gevolg van hybridisering van verschillende soorten en variëteiten één variëteit tevoorschijn komt waarvan elke zaailing uitstekend blijkt te zijn,” aldus Lefeber die verder in zijn verslag vertelt zich vooral toegelegd te hebben op het verkrijgen van nieuwe tuintulpen voor de broei (die de bloemen uit de bol ,trekt’-red.), maar dat het ook aantrekkelijk is nieuwe cultivars te kweken die aantrekkelijk zijn voor zowel de broeierij als de tuin. Zoals indertijd vooral de vuurrode tulp ‘Apeldoorn’. Door een speciale temperatuurbehandeling (de zogenoemde vijf graden behandeling -red.) kon deze tulp met veel succes in de periode rond de jaarwisseling in bloei worden getrokken en was het jarenlang op dat vroege tijdstip één van de voornaamste tulpen in de markt.

Voorpagina van de catalogus uit 1969 van de firma D.W. Lefeber, bestemd voor de Russische markt. Op de voorgrond staan prachtige rode tulpen in bloei op de Keukenhof. collectie: Museum de Zwarte Tulp

 

 

‘DE STATENVERTALER Ds.WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 1

Baudartius is geboren in Vlaanderen in februari 1565. Hij heeft heel kort in Lisse als predikant gestaan (1596-1598). De gemeente was zeer tevreden. Het beviel zijn vrouw echter niet in Lisse. Zij wilde naar een stad. Dit werd Zutphen.

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008 Lees meer