Laat ze allemaal de cholera krijgen!

In 1833 werd de kermis verboden in verband met een cholera epidemie. Er waren vele protesten tegen het niet doorgaan van de kermis. Een brief van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van Arie van Leeuwen, herbergier van de Witte Zwaan, wordt weergegeven.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
In de negentiende eeuw was de kermis voor een hoop mensen een mooie gelegenheid om de zorgen van het dagelijkse bestaan even te vergeten en met zijn allen een week lang feest te vieren. Veel Lissenaren keken dan ook uit naar dit jaarlijks terugkerende evenement. Er werd zelfs zoveel waarde aan gehecht, dat het niet doorgaan van de kermis tot sociale onrust kon leiden. Je moest als dorpsbestuur dan ook een heel goede reden hebben om de jaarlijkse kermis te verbieden. In 1833 dacht het gemeentebestuur van Lisse zo’n goede reden te hebben. In verband met de cholera besloot men dat jaar namelijk de kermis te verbieden. Het zal geen verbazing wekken dat dit besluit niet bij iedereen in goede aarde viel. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de reactie van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van herbergier Arie van Leeuwen.

Cholera-epidemie
In de jaren 1832 en 1833 werd Nederland getroffen door cholera-epidemieën. Deze besmettelijke ziekte maakte veel slachtoffers.
Op de Lissese gemeenteraadsvergadering van donderdag 5 september 1833 werd na een lange discussie dan ook unaniem besloten om de kermis wegens de “heerschende ziekte in deze anders zo welvarende gemeente” niet door te laten gaan. Temeer ook omdat inmiddels “één haarer verdienstelijkste ingezetenen” aan deze ziekte was overleden. [1] Het ging hierbij om Jurriaan Vreeburg.
Via een advertentie in de Haarlemmer Courant werden alle kramers op de hoogte gesteld van het feit dat de Lissese kermis dat jaar geen doorgang kon vinden. In Lisse werd dit besluit onder andere via her en der in het dorp opgehangen aanplakbiljetten aan de bevolking kenbaar gemaakt. Eén van die aanplakbiljetten werd bevestigd op een bord bij de herberg van Arie van Leeuwen. De naam van zijn herberg is (nog) niet bekend, maar mogelijk was het De Witte Zwaan in het Vierkant. Arie was getrouwd met Wilhelmina Rademaker. Zij kregen voor zover bekend één dochter: Maria van Leeuwen, geboren op 27 juni 1833.
Wilhelmina Rademaker was zeer verbolgen over het besluit om de kermis niet door te laten gaan. Zij liet dat ook in niet mis te verstane bewoordingen weten aan veldwachter Anthonie van Opzeeland, zoals blijkt uit het onderstaande proces-verbaal. Ik heb de oorspronkelijke – en toch wel zeer vermakelijke – tekst zoveel mogelijk gehandhaafd. Ter verduidelijking heb ik hier en daar tussen vierkante haken wat extra uitleg toegevoegd.
In het jaar achtienhonderd drie en dertig op maandag den sestiende der maand September, des voormiddags ten tien uren, compareerden voor ons, Ernst Joseph van den Bergh, burgemeester te Lisse, den persoon van Anthonie van Opzeeland, oud 42 jaar, veldwachter dezer gemeente en alhier wonende; dewelke zich aan mij heeft verklaard als volgd:

Herberg De Witte Zwaan in 1834, met geheel rechts aan de muur het bord waarop de aanplakbiljetten met besluiten van het gemeentebestuur werden gehangen.

“Eergisteren namiddag omstreeks vijf uren is mij het volgende aan het huis van den tapper en Herbergier Arie van Leeuwen ontmoet en wedervaren [overkomen]: binnengetreden zijnde om een zieke Militair in het voor hem bestemde rijtuig te helpen, Heeft, náá dit te hebben verrigt, de vrouw van gezegde Arie van Leeuwen, in zijne tegenwoordigheid, mij dus, op hooge toon, en met veel drift, aangesproken: Toon! Ik hoor dat het hier geen kermis wezen zal. Waarop ik antwoorden: Jaa vrouw van Leeuwen dat is zoo. Ik heb zelve de publicatie voor uw deur op het bord aangeplakt.
Waar op gezegde vrouw van Leeuwen, zich meerder en meerder in drift toegevende, mij toeriep: Dat donderd niet! Wij zullen toch kermis houden, dat komt van [door] die dondersche Brabander den Pastoor [Petrus van Halen, die overigens werd geboren in Weert] en van den Burgemeester. Waarop ik gezegde vrouw aangemaand heb bedaard te zijn en zich wegens het verbod op de kermis voorzichtig en stil te gedragen, want dat het niet houden der kermis in de Gemeenteraad besloten was.
Op welk waarschouwend gezegden gemelde vrouw met groote kwaadaardigheid uitriep: Dan mag ik lijden dat de Pastoor en de burgemeester en den geheelen raad donders worden en de cholera krijgen.
Ziende dat meergemelde vrouw, bijna in woede, voort wilden gaan haare gramschap in vloekende en scheldende uitdrukkingen tegens de Regering en de aangeplakte Notificatie (die aan haar huis op het bord met vuiligheid zich besmeerd bevind) teugel te vieren, hebbe ik haar huis verlaten. [2]
Of de Lissenaren in 1833 massaal het verbod op de kermis hebben ontdoken, heb ik niet kunnen achterhalen. Het bovenstaande laat echter duidelijk zien welke emoties een dergelijk verbod onder de bevolking los kon maken (zelfs wanneer er sprake was van een gevaarlijke situatie als gevolg van een besmettelijke ziekte). De woede van Wilhelmina Rademaker zal waarschijnlijk vooral zijn veroorzaakt door het feit dat zij en haar man Arie als uitbaters van een herberg nu extra inkomsten misliepen. De onvrede over het niet doorgaan van de kermis blijkt overigens niet alleen uit het vloeken en tieren van Wilhelmina, maar ook uit de opmerking van veldwachter Anthonie van Opzeeland dat het aanplakbiljet met daarop het besluit van de gemeenteraad met vuiligheid was besmeurd.

Vanwege de cholera mocht de kermis niet doorgaan

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, blad 71.
[2] Ibidem, inv. nr. 1115 (ongefolieerd). Veldwachter Anthonie van Opzeeland was overigens niet van onbesproken gedrag. Op dinsdag 23 oktober 1838 werd hij in aanwezigheid van zijn vrouw Cornelia Brama door de gemeenteraad van Lisse voor de tweede maal op de vingers getikt omdat hij zich te buiten was gegaan aan sterke drank. Anthonie werd daarvoor “door den voorzitter op de allerernstigste manier gecorrigeerd”; bron: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, fol. 9 (achterin het boek).

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Laat ze allemaal de cholera krijgen!

In 1833 werd de kermis verboden in verband met een cholera epidemie. Er waren vele protesten tegen het niet doorgaan van de kermis. Een brief van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van Arie van Leeuwen, herbergier van de Witte Zwaan, wordt weergegeven.

door drs. Maarten van Bourgondiën

 

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

 

Inleiding

In de negentiende eeuw was de kermis voor een hoop mensen een mooie gelegenheid om de zorgen van het dagelijkse bestaan even te vergeten en met zijn allen een week lang feest te vieren. Veel Lissenaren keken dan ook uit naar dit jaarlijks terugkerende evenement. Er werd zelfs zoveel waarde aan gehecht, dat het niet doorgaan van de kermis tot sociale onrust kon leiden. Je moest als dorpsbestuur dan ook een heel goede reden hebben om de jaarlijkse kermis te verbieden. In 1833 dacht het gemeentebestuur van Lisse zo’n goede reden te hebben. In verband met de cholera besloot men dat jaar namelijk de kermis te verbieden. Het zal geen verbazing wekken dat dit besluit niet bij iedereen in goede aarde viel. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de reactie van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van herbergier Arie van Leeuwen.

Cholera-epidemie

In de jaren 1832 en 1833 werd Nederland getroffen door cholera-epidemieën. Deze besmettelijke ziekte maakte veel slachtoffers.
Op de Lissese gemeenteraadsvergadering van donderdag 5 september 1833 werd na een lange discussie dan ook unaniem besloten om de kermis wegens de “heerschende ziekte in deze anders zo welvarende gemeente” niet door te laten gaan. Temeer ook omdat inmiddels “één haarer verdienstelijkste ingezetenen” aan deze ziekte was overleden. [1] Het ging hierbij om Jurriaan Vreeburg.
Via een advertentie in de Haarlemmer Courant werden alle kramers op de hoogte gesteld van het feit dat de Lissese kermis dat jaar geen doorgang kon vinden. In Lisse werd dit besluit onder andere via her en der in het dorp opgehangen aanplakbiljetten aan de bevolking kenbaar gemaakt. Eén van die aanplakbiljetten werd bevestigd op een bord bij de herberg van Arie van Leeuwen. De naam van zijn herberg is (nog) niet bekend, maar mogelijk was het De Witte Zwaan in het Vierkant. Arie was getrouwd met Wilhelmina Rademaker. Zij kregen voor zover bekend één dochter: Maria van Leeuwen, geboren op 27 juni 1833.
Wilhelmina Rademaker was zeer verbolgen over het besluit om de kermis niet door te laten gaan. Zij liet dat ook in niet mis te verstane bewoordingen weten aan veldwachter Anthonie van Opzeeland, zoals blijkt uit het onderstaande proces-verbaal. Ik heb de oorspronkelijke – en toch wel zeer vermakelijke – tekst zoveel mogelijk gehandhaafd. Ter verduidelijking heb ik hier en daar tussen vierkante haken wat extra uitleg toegevoegd.
In het jaar achtienhonderd drie en dertig op maandag den sestiende der maand September, des voormiddags ten tien uren, compareerden voor ons, Ernst Joseph van den Bergh, burgemeester te Lisse, den persoon van Anthonie van Opzeeland, oud 42 jaar, veldwachter dezer gemeente en alhier wonende; dewelke zich aan mij heeft verklaard als volgd:

Herberg De Witte Zwaan in 1834, met geheel rechts aan de muur het bord waarop de aanplakbiljetten met besluiten van het gemeentebestuur werden gehangen

“Eergisteren namiddag omstreeks vijf uren is mij het volgende aan het huis van den tapper en Herbergier Arie van Leeuwen ontmoet en wedervaren [overkomen]: binnengetreden zijnde om een zieke Militair in het voor hem bestemde rijtuig te helpen, Heeft, náá dit te hebben verrigt, de vrouw van gezegde Arie van Leeuwen, in zijne tegenwoordigheid, mij dus, op hooge toon, en met veel drift, aangesproken: Toon! Ik hoor dat het hier geen kermis wezen zal. Waarop ik antwoorden: Jaa vrouw van Leeuwen dat is zoo. Ik heb zelve de publicatie voor uw deur op het bord aangeplakt.
Waar op gezegde vrouw van Leeuwen, zich meerder en meerder in drift toegevende, mij toeriep: Dat donderd niet! Wij zullen toch kermis houden, dat komt van [door] die dondersche Brabander den Pastoor [Petrus van Halen, die overigens werd geboren in Weert] en van den Burgemeester. Waarop ik gezegde vrouw aangemaand heb bedaard te zijn en zich wegens het verbod op de kermis voorzichtig en stil te gedragen, want dat het niet houden der kermis in de Gemeenteraad besloten was.
Op welk waarschouwend gezegden gemelde vrouw met groote kwaadaardigheid uitriep: Dan mag ik lijden dat de Pastoor en de burgemeester en den geheelen raad donders worden en de cholera krijgen.
Ziende dat meergemelde vrouw, bijna in woede, voort wilden gaan haare gramschap in vloekende en scheldende uitdrukkingen tegens de Regering en de aangeplakte Notificatie (die aan haar huis op het bord met vuiligheid zich besmeerd bevind) teugel te vieren, hebbe ik haar huis verlaten. [2]
Of de Lissenaren in 1833 massaal het verbod op de kermis hebben ontdoken, heb ik niet kunnen achterhalen. Het bovenstaande laat echter duidelijk zien welke emoties een dergelijk verbod onder de bevolking los kon maken (zelfs wanneer er sprake was van een gevaarlijke situatie als gevolg van een besmettelijke ziekte). De woede van Wilhelmina Rademaker zal waarschijnlijk vooral zijn veroorzaakt door het feit dat zij en haar man Arie als uitbaters van een herberg nu extra inkomsten misliepen. De onvrede over het niet doorgaan van de kermis blijkt overigens niet alleen uit het vloeken en tieren van Wilhelmina, maar ook uit de opmerking van veldwachter Anthonie van Opzeeland dat het aanplakbiljet met daarop het besluit van de gemeenteraad met vuiligheid was besmeurd.
Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, blad 71.
[2] Ibidem, inv. nr. 1115 (ongefolieerd). Veldwachter Anthonie van Opzeeland was overigens niet van onbesproken gedrag. Op dinsdag 23 oktober 1838 werd hij in aanwezigheid van zijn vrouw Cornelia Brama door de gemeenteraad van Lisse voor de tweede maal op de vingers getikt omdat hij zich te buiten was gegaan aan sterke drank. Anthonie werd daarvoor “doorden voorzitter op de allerernstigste manier gecorrigeerd”; bron: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, fol. 9 (achterin het boek).

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE (3). DE LISSESE KERMIS (1845-1853)

Diverse wetenswaardigheden uit de notulen van de gemeenteraad worden verteld. Bijvoorbeeld de aanvraag voor een poffertjeskraam door een weduwe, de vraag om de kermis niet te laten doorgaan vanwege de aardappelziekte in 1845, een vraag om afschaffing van de kermis vanuit religieus standpunt, een vraag over een verbod van de kermis vanwege een cholera epidemie in 1849 en 1853.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
De kermis is altijd een bron van vermaak geweest voor zowel jong als oud. Dat geldt zeker voor vroeger eeuwen.
In Lisse werd de kermis meestal in de maand oktober gehouden, zodat er dus wat dat betreft wel enig verschil is met de huidige praktijk. Hij duurde vanaf ‘den eersten zondag na St. Bavo’ (St. Bavo viel op 1 oktober) tot de zondag daaropvolgend. Ongeveer een week dus. Aldus de ‘verordening betreffende de kermis en andere openbare vermakelijkheden’ die door de raad werd vastgesteld in 1856. Soms duurde dit evenement (onbedoeld) langer dan de vastgestelde termijn van acht dagen. Dat gaf nog weleens problemen (openbare dronkenschap e.d.). In 1833 maakte Hermanus de Graaf in de gemeenteraadsvergadering daar bezwaar tegen. Hij pleitte er dan ook voor om de gebruikelijke termijn bij toekomstige kermissen strenger te hanteren. De kermis bestond uit tenten of stallen. De tent van een toneeldressuurder was al gauw zo’n 30 voet lang (ongeveer 8,5 meter). Voor het innemen van een plek op de kermis moest toestemming worden gevraagd bij het gemeentebestuur. Deze vroeg daarvoor een bepaald bedrag, het zogenaamde plaatsengeld. De aanvraag werd meestal schriftelijk gedaan.
In het gemeentearchief zijn meerdere brieven bewaard met zulk een verzoek om toestemming/vergunning, vaak in een ietwat onhandig Nederlands geschreven. In 1849 richt een zekere weduwe Van der Plas zich tot de burgemeester met de volgende woorden (punten en komma’s zijn van de schrijver, zie afbeelding ernaast):

Mijn heer burgemeester,

Mij verzoek is of ik bij u op het dorp zout kunne staan met de broedekraam (poffertjeskraam), daar wij nu geslagen (teleurgesteld) zijn dat er geen kermisze zijn. Nu staan wij met de kraam in noorwijk. Daar maggen wij voor (van) de burgemeester een dag of tien bakken. Mijnheer als gij nu zo goede wilde zijn en ons verzoek ook toe te staan, dat wij bij u ook een dag of tien zout maggen bakken. Dit zou ons een groot genoegen zijn voor ons en het volk. Nu, Mijn [heer], houd het in u gedachte en zent ons een maandag of dingsdag een bootschap met de looper. Nu, Mijnheer, ik blijf u in allen achting. De Wed Van der Plas.
Wij staan met de kraam bij de kastelijn krijneburg op de werf te noortwijk’.

Het was kennelijk de bedoeling van de brievenschrijfster om alsnog een kraam op te mogen richten in Lisse, ondanks dat de kermis in dit jaar van gemeentewege werd verboden. Het was niet de eerste keer dat een kermis werd afgelast of voorstellen in die richting werden gedaan.

De aardappelziekte, 1845
In 1845 was er in Zuid-Holland een ernstige aardappelziekte geconstateerd. Hele oogsten mislukten in dat jaar. De provincie had al de nodige middelen beraamd voor de aanstaande nood. Reden waarom de burgemeester, Van Rosse, voorstelde in dat jaar geen kermis te houden, omdat hij de noodsituatie niet kon verenigen met het organiseren van feestelijkheden. In de gemeenteraadsvergadering van 19 september 1845 werd het voorstel besproken, maar verworpen. De kermis zou toch doorgang vinden ‘om den wille der neringdoende in deze gemeente en de Logement en Tapperijhouders’. Aan het economisch belang werd dus in dit geval een grotere waarde gehecht. Als het hele gebeuren maar niet langer zou duren dan de tijd die ervoor stond (ongeveer een week dus) en de kermis ‘daags na den laatsten Zondag door alle kramers geene uitgezonderd zal worden geruimd’.


Een voorstel van de ‘Heeren Geestelijken’ tot afschaffing, 1846
Er was nog geen jaar voorbij of het wel of niet houden van kermis werd opnieuw ter discussie gesteld. Maar dit keer ging het wat verder. In een ‘adres’ van de ‘Heeren Geestelijken alhier aan het Plaatselijk Bestuur ingediend’ betogen deze een volledige afschaffing van de kermis ‘of althans tot uitzondering der Zondagen’. Inderdaad leek de kermis nogal eens averechts te werken op de gebruikelijke normen- en waardenstandaard van de gewone man. Zo was openbare dronkenschap geen uitzondering. Wellicht was het dus allemaal niet zo kwaad bedoeld van kerkelijke zijde, maar de predikant en de pastoor hadden ‘de algemeene geest der Ingezetenen’ helaas tegen. Volgens de raad zouden vele neringdoenden ‘voor een aanmerkelijk deel in hunne broodwinningen (…) worden benadeeld’. Bovendien was het bij een dergelijk verbod te verwachten dat men toch kermis zou houden, maar op afzonderlijke plaatsen en buiten de gemeentegrenzen, zodat direct politietoezicht werd bemoeilijkt. Men besloot dus afwijzend te beschikken op het verzoekschrift van de heren geestelijken.

Cholera, 1849
Bakker Rotteveel (1804-1880) schrijft in zijn memoires dat in augustus 1832 de cholera uitbrak in Lisse. In 1849 was dit wederom het geval. Voor degenen die aan de ziekte mochten komen te lijden waren het jaar ervoor al de benedenvertrekken van het raadhuis op het Vierkant op orde gebracht. In september was de situatie zodanig dat men opnieuw het wel of niet doorgaan van de kermis in de gemeenteraadsvergadering ter sprake bracht. Aangezien inmiddels andere gemeenten hadden besloten dat jaar geen kermis te houden, vormde dit voor de raad een goede reden om voor wat betreft Lisse hetzelfde te besluiten en op die wijze deelneming te betuigen in de ‘treurige omstandigheden van andere gemeenten’. Bovendien zou bij een dergelijk evenement, waar doorgaans veel volk op de been was, de kans op besmetting ook groter zijn. Tevens werd besloten ook andere ‘openbare vermakelijkheden in of buiten Logement of Tapperijen bij dag of bij nacht’ geen doorgang te laten vinden. Vandaar dus dat onze bakkersvrouw aan het begin van dit artikel zo ‘bezwaard’ (teleurgesteld) was en vroeg of de burgemeester niet alsnog genegen was haar toestemming te verlenen een poffertjeskraam op te richten in Lisse.
Het spreekt vanzelf dat het gemeentebestuur alle medewerking verkreeg van de plaatselijke geestelijkheid. Per brief van 21 september werd hiervan dan ook mededeling gedaan aan de burgemeester.

Nogmaals een dreigende cholera-epidemie, 1853
Vier jaar later openbaarde de gevreesde ‘Cholera-ziekte’ zich nogmaals in de nabijheid van Lisse. Een aantal ingezetenen, waaronder Jan Raimond Affourtit, hadden daarop een ‘adres’ gericht aan het gemeentebestuur met het verzoek de kermis niet door te laten gaan. Het had nogal wat onrust veroorzaakt ‘zoo wel bij de neringdoende ingezetenen (…) als bij de vele voorstanders der kermis die vermeenen dat men hunne ontspanning en vermaken niet zoude gunnen’. In de raadsvergadering van 22 september 1853 werd het verzoekschrift ter sprake gebracht, maar buiten behandeling gelaten, vanwege een nogal ambtelijk aandoend excuus, namelijk omdat ‘het adres niet van een zegel voorzien is’. Maar om toch verder oplopende spanning en ontevredenheid te voorkomen, werd besloten de kermis gewoon door te laten gaan. Een verbod op de kermis zou niet alleen velen schaden in hun inkomsten, maar ‘nog meerdere in het nemen van hunne vermaken’, wat grote sociale onrust ten gevolge kon hebben, zoals de ondervinding inmiddels meermalen aangetoond had.

Conclusie
Het is duidelijk dat de gewone man rond het midden van de negentiende eeuw een groot belang hechtte aan een middel tot vermaak als de kermis. Wie hem dat ontnam, kwam in een bijzonder slecht blaadje te staan. Men moet ook goed bedenken dat het dagelijks leven van de gemiddelde dorpsbewoner in die tijd veel te wensen over liet. Een hoge kindersterfte, gebrek en ziekte speelden er een belangrijke rol in. Verder komt uit de stukken ook een duidelijk economisch motief naar voren: de kermis vormde een belangrijke inkomstenbron voor de middenstand.
Zo kon het dan gebeuren dat toen in 1833 eveneens een verbod op het houden van de kermis was afgekondigd door het Lissese gemeentebestuur, de vrouw van de plaatselijke herbergier zeer geïrriteerd raakte tegenover de veldwachter. Meer daarover in een artikel van de hand van Maarten van Bourgondiën in dit zelfde nieuwsblad.

Gebruikte bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 598.

Pieter Bruegel de Jonge (toegeschr.), Dorpskermis, ca. 1600. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel (detail). www.dbnl.org. Te zien is onder meer dat er zojuist een toneelstuk wordt opgevoerd.

 

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 3

Besproken wordt hoe de preventie en de brandbestrijding georganiseerd was. Het brandgevaar door kaarsen en olielampen was groot. Lange tijd wed gebruik gemaakt van emmers, die werden doorgegeven. In 1743 had Lisse een slangbrandspuit met 4 spuitvoerders, 16 pompers, 12 waterdragers om water naar de pomp te brengen, 4 watergieters en 2 oppassers.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Dorpen hadden vanwege de meer verspreid staande bebouwing over het algemeen minder vaak last van grote branden dan steden, waar de huizen dicht op elkaar stonden. Toch konden branden bij tijd en wijle ook op het platteland veel schade aanrichten. Brandpreventie en brandbestrijding behoorden daarom tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. In dit derde en laatste deel van mijn artikelenserie wil ik bekijken hoe de brandbestrijding in Lisse was georganiseerd.

Brandbestrijding/Brandpreventie
Brandbestrijding begint natuurlijk met brandpreventie. Het bestuurders van Lisse drukten de dorpelingen dan ook regelmatig op het hart om voorzichtig te zijn met vuur. Zo kreeg de gerechtsbode van Lisse op 27 oktober 1767 de opdracht om “Dirk Heemel aan te zeggen dat hij zorg moet draagen om van nu voortaan voorzigtig met vuur en ligt te zijn, ende dat hij geen vulnis of waater op straat zal hebben te werpen”. [1]
Tijdens feestelijkheden was het gebruikelijk om de huizen met kaarsen en olielampen te verlichten. Op dat soort momenten was het brandgevaar natuurlijk groot. [2] Het dorpsbestuur probeerde de risico’s dan ook zoveel mogelijk te beperken. Tijdens de viering van het stadhouderschap van Prins Willem V van Oranje-Nassau op zaterdag 8 maart 1766 stonden de schout en burgemeesters van Lisse de inwoners toe om “hunne huyzen ten zelven daage te illumineeren [verlichten] en daar meede te beginnen des avonds 8 uuren, zullende daar meede moogen eyndigen des nagtsten twaalf uuren, in agt neemende alle moogelijke preecautien tot voorkooming van brand, verbiedende wel expresselijk aan alle en een iegelijk, geduurende de voorszeyde illuminatien eenige voetsoekers off diergelijke soort van brandende machines te werpen, off met snaphaanen, pistoolen off ander schietgeweer te schieten”. Overtreders kregen per overtreding een boete opgelegd van 42 stuivers. Het geld dat hiermee in de dorpskas vloeide, kwam ten goede aan de Heilige Geestarmen van Lisse.

Detail van een prent van de brand van het oude stadhuis te Amsterdam op 7 juli 1652. Mensen helpen met blussen en dragen water en ladders aan.

Slangbrandspuit
Lange tijd kon voor het blussen van branden alleen gebruik worden gemaakt van emmers. Pas in 1614 werd er door de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden voor het eerst een octrooi verleend voor een brandspuit. Deze brandspuit was niet erg praktisch in het gebruik. De bak met water moest bijvoorbeeld nog steeds met behulp van emmers worden gevuld en met de spuit kon men niet echt dicht bij de brand komen. Er volgden vele verbeteringen op dit eerste ontwerp, maar de echte doorbraak vond pas plaats toen de in Amsterdam woonachtige glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder Jan van der Heijden (1637-1712) in 1672 de slangbrandspuit ontwierp. Met dit handzame apparaat konden branden veel beter worden geblust. Voor de brandbestrijding was deze uitvinding dus een grote stap voorwaarts. Lisse had in de achttiende eeuw eveneens de beschikking over een slangbrandspuit.
Voor het bemannen van een slangbrandspuit waren gemiddeld 36 personen nodig, die elkaar om het kwartier aflosten bij het pompen. In Lisse waren in 1743 in totaal 38 personen betrokken bij het bedienen van de slangbrandspuit: vier “spuitvoerders”, zestien “pompers”, twaalf “waterdragers”, vier “wateringieters” en twee “oppassers”. [3] Jan van der Heijden ontwierp voor zijn slangbrandspuit ook een zogenoemde zuigbuis, waarmee water kon worden aangezogen. Op die manier had men geen emmers meer nodig om de slangbrandspuit van water te voorzien. De aanwezigheid van twaalf waterdragers en vier wateringieters laat zien dat de slangbrandspuit van Lisse in 1743 waarschijnlijk nog niet was uitgerust met een buis om water aan te zuigen.

Voorbeeld van een ouderwetse langbrandspuit.

In de achttiende eeuw was er in Lisse nog geen sprake van een vrijwillige brandweer. Brandbestrijding werd namelijk beschouwd als een burgerplicht. [4] Net als bij de stille nachtwacht stelden de schout en burgemeesters van Lisse ieder jaar lijsten samen met daarop de namen van de mannen die brandspuitdienst hadden. Iedereen was verplicht om tijdens zijn dienst in het dorp aanwezig te zijn (op straffe van een fikse boete).
Op 30 juni 1767 vonden de schout en burgemeesters van Lisse het nodig om een nieuwe slangbrandspuit aan te schaffen. Het brandspuithuisje diende eveneens vervangen te worden. De daartoe uitgevaardigde collecte onder de inwoners van Lisse bracht voldoende geld in het laatje: op 1 december 1767 werd de nieuwe slangbrandspuit geleverd, en na inspectie door de schout en burgemeesters in het brandspuithuisje geplaatst. De oude brandspuit was hierdoor overigens niet overbodig geworden. Hij werd namelijk ondergebracht in de schuur van Hendrik van Leeuwen, hospes in het rechthuis van Lisse (de Witte Zwaan in het Vierkant). Sindsdien beschikte Lisse dus over twee slangbrandspuiten.

Onderhoud en testen
De slangbrandspuiten moesten natuurlijk goed worden onderhouden. Ieder jaar werden ze daarom volledig uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet om op die manier eventuele mankementen aan het licht te brengen. De noodzakelijke werkzaamheden en reparaties werden daarbij normaal gesproken door één van de plaatselijke ambachtslieden verricht. Zo kreeg de schoenmaker Johannes van der Jagt in 1771 een vergoeding van het dorpsbestuur van Lisse voor het “maaken van een leeren riem aan de brandspuyt”. [5] Soms was het echter noodzakelijk om specialisten naar de slangbrandspuit te laten kijken. In 1781 werd Govert van Parijs betaald “voor verdiend vragtloon van de oude spuyt heen en weder na en van Amsterdam”. Dankzij de brandspuitenfabriek van Jan van der Heijden was Amsterdam in deze tijd hét kenniscentrum voor wat betreft slangbrandspuiten. De reden voor de reis naar Amsterdam wordt niet vermeld, maar vermoedelijk waren er in 1781 problemen met de slangbrandspuit geconstateerd waar men in Lisse geen raad mee wist. Iets vergelijkbaars deed zich namelijk ook al in 1743 voor. Op 28 augustus van dat jaar was een groot deel van het aan de Grachtweg gelegen huis van Otto Jacobszn. Cranenburg, alsmede een grote hoeveelheid vlas, hooi en gekloofd hout in vlammen opgegaan. De slangbrandspuit werd tijdens het blussen van deze brand “seer gebrekkelijk” bevonden. Na het inwinnen van advies in Leiden en het bestuderen van de brandkeuren van Nieuwkoop en Amsterdam, besloten de schout en burgemeesters tijdens de vergadering van 1 september 1743 daarom burgemeester Bart Janszn. Klinkenberg naar Amsterdam te sturen om bij de “maker ende leveraar van de brandspeuten” een leren slang en een slang van zeildoek te bestellen. [6]
De Lissese slangbrandspuiten werden ook regelmatig getest. Volgens een verslag van de vergadering van de gemeenteraad uit 1817 gebeurde dat vanouds op de eerste dinsdag na Pinksteren vóór het rechthuis van Lisse. [7] Dat zal wel een vrolijke bedoening zijn geweest, want in 1771 kreeg Govert van Parijs tien gulden en negen stuivers betaald “over leverantie van twee vaaten bier op ’t probeeren van de twee brandspuyten”.

 

 

Zoals hierboven al even ter sprake kwam, werd de slangbrandspuit van Lisse in de achttiende eeuw opgeborgen in een zogenoemd brandspuithuisje (dat net als het wachthuis door middel van een slot kon worden afgesloten). De exacte locatie van dit huisje is niet bekend, maar mogelijk stond het in de achttiende eeuw min of meer op dezelfde plek als het nieuwe brandspuithuisje dat in 1822 aan de noordwestkant van de toren van de dorpskerk in het Vierkant werd gebouwd.

Brandgereedschap
Tot het brandgereedschap behoorden brandemmers, brandladders en brandhaken (lange stokken met een ijzeren haak, waarmee onder andere brandend riet van daken kon worden afgetrokken). Regelmatige inspectie door de schout en secretaris diende er voor te zorgen dat dit brandgereedschap steeds in goede staat verkeerde.
De brandemmers werden opgeslagen in het brandspuithuisje. Na een brand leverde echter lang niet iedereen zijn emmer weer keurig in. Het was de taak van de gerechtsbode van Lisse
Detail van een ansichtkaart, met direct achter de kinderen het puntdak van het brandspuithuisje.

om alle brandemmers op te zoeken “die tot uytblussinge van ontstane branden” waren gebruikt, en die vervolgens terug te brengen naar het brandspuithuisje.Voor het opbergen van de brandladders en brandhaken was het brandspuithuisje te klein. Deze zaken werden daarom opgeslagen in de kerktoren van de dorpskerk in het Vierkant: “betaald aan kerkmeesteren van Lisse een jaar recognitie van ’t plaatsen van des dorpsbrandladders en brandhaaken in den toorn”. [8]

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 208v.
[2] In 1747 brandde de buitenplaats Berkenrode bij Heemstede bijvoorbeeld volledig af na een ongeluk met vetpotjes en kaarsen, die door de eigenaar waren aangestoken om het stadhouderschap van Prins Willem IV van Oranje-Nassau te vieren: G. van Duinen, De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode (Heemstede 1957) 35.
[3] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 257v.
[4] J.C.N. Raadschelders, Lokale bestuursgeschiedenis (Zutphen 1992) 16.
[5] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v.
[6] Ibidem, inv. nr. 3, fol. 266.
[7] Dat wordt onder andere bevestigd door een uit 1743 daterende passage in het resolutieboek van de schout en burgemeesters van Lisse: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 259.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v-14.

 

De Vicarie van Sint Servaas te Lisse omstreeks het midden van de 14e eeuw. Deel 2

 

De vroegste geschiedenis van de vicari van Sint Servaas in Lisse is in nevelen verhuld. Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kwam de vicari in handen van Willem van Beieren, die in 1351 betrokken was bij de benoeming van een nieuwe vicaris. Later kwam het collatierecht weer terug bij de oorspronkelijke Hoekse eigenaar.

door Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

De stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse
De vroegste geschiedenis van de vicarie van Sint Servaas is in nevelen gehuld. De oudste bewaard gebleven verwijzing naar deze vicarie dateert uit 1351. Lisse had in deze tijd nog geen eigen parochiekerk. Het altaar van de vicarie van Sint Servaas was dus gevestigd in de kapel van Lisse. Op basis van de in het eerste deel van dit artikel behandelde akten uit 1351 en 1354 zou de conclusie getrokken kunnen worden dat (een voorouder van) de graaf van Holland de stichter was, aangezien hij in beide jaren het collatierecht bezat. In dat geval is het vreemd dat er niet meer grafelijke benoemingen bewaard zijn gebleven. De betrokkenheid van de graaf vloeide vermoedelijk eerder voort uit de Hoekse en Kabeljauwse twisten die in 1351 een hoogtepunt bereikten. Willem van Beieren was de aanvoerder van het Kabeljauwse kamp. Hij was in een machtsstrijd verwikkeld met de Hoekse medestanders van zijn moeder Margaretha van Henegouwen, gravin van Holland. In de eerste helft van de jaren vijftig van de veertiende eeuw had Willem van Beieren in het graafschap Holland de macht in handen. Veel Hoekse edelen werden verbannen. De goederen en rechten van deze bannelingen vielen toe aan Willem van Beieren. Ze zouden pas weer in 1355 worden teruggegeven aan de vroegere Hoekse eigenaren. Willem van Beieren verzoende zich in dat jaar namelijk met de aanhangers van Margaretha van Henegouwen. Het proces van toe-eigening van de rechten en bezittingen van de Hoekse edelen ging overigens heel snel. Begin februari 1351 werd Willem van Beieren tot graaf van Holland uitgeroepen (graaf Willem V). Op 20 februari begon hij een huldigingstocht langs de steden Haarlem, Alkmaar en Amsterdam, en op 24 februari bemoeide hij zich al met het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas in Lisse (hij verbleef toen overigens in Haarlem, de eerste stad van zijn huldigingstocht) [1].

Er waren verscheidene Hoeksgezinde adellijke families met bezittingen en rechten in (de omgeving van) Lisse: Van Heemstede, Van Bentheim en Dever. In navolging van A.M. Hulkenberg ben ik van mening dat het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas oorspronkelijk toebehoorde aan een lid van één van deze tot het Hoekse kamp behorende adellijke geslachten [2]. Het adellijke geslacht Van Sassenheim wordt door Hulkenberg niet genoemd. Dat is op zich niet zo vreemd. Deze adellijke familie stond halverwege de veertiende eeuw namelijk op de rand van uitsterven, en van enige partijkeuze in het Hoekse en Kabeljauwse conflict is verder niets met zekerheid bekend (de Haarlemse schout Jan van Sassenheim schijnt echter trouw geweest te zijn aan Willem van Beieren) [3]. Nadat Dirk van Sassenheim in 1345 was gesneuveld in de slag bij Staveren, ging een belangrijk deel van zijn bezittingen en rechten (waaronder het Huis te Sassenheim) over in handen van zijn nicht Elisabeth van der Made. Elisabeth was getrouwd met Filips van Polanen, een voorvechter van de Hoekse zaak. Filips behoorde dan ook tot de groep edelen die werd verbannen en waarvan de rechten en bezittingen toevielen aan Willem van Beieren. Hoewel bewijzen ontbreken, is het mogelijk dat de vicarie van Sint Servaas was gesticht door een lid van de familie Van Sassenheim, waarna het collatierecht omstreeks het midden van de veertiende eeuw via Elisabeth van der Made in bezit kwam van Filips van Polanen. Aan het bovengenoemde rijtje met potentiële stichters, kan volgens mij dus ook de familie Van Sassenheim worden toegevoegd (misschien dat daarom net als bij de kerk van Sassenheim voor een IJsheilige werd gekozen).
Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kwam het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas korte tijd in handen van de graaf van Holland. Vandaar dat Willem van Beieren in 1351 en 1354 betrokken was bij de benoeming van een nieuwe vicaris. In 1355 moet de oorspronkelijke Hoekse eigenaar het collatierecht weer terug hebben gekregen. De eerstvolgende vicaris zal dan door een lokale edelman zijn benoemd. Dat gebeurde zeer waarschijnlijk na 1372, want op 29 juni 1372 trad de eerder genoemde priester Willem Pyl, vicaris van de kapel in Lisse, samen met priester Gerrit Visser nog op als getuige voor priester Pieter Ludolfszn. [4]. In tegenstelling tot de grafelijke akten zijn de collatieakten van lokale edelen vaak niet bewaard gebleven. Daarom is het op dit moment helaas niet mogelijk de precieze identiteit te achterhalen van de stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse. Misschien dat toekomstig onderzoek dat nog aan het licht kan brengen.

Noten
[1] J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late middeleeuwen (Leuven 1995) 123-124.
[2] Hulkenberg, De Aagtenkerk, 15.
[3] Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen (Hilversum 2001) 439.
[4] C. Hoek, “Bronnen tot de geschiedenis van het Sint Ursulaconvent te Schiedam”, in: Ons Voorgeslacht 23e jaargang no. 172 (december 1968) 249-304, aldaar 250-251; hier wordt hij echter priester Willem Pyn genoemd.

 

DE VICARIE VAN SINT SERVAAS TE LISSE OMSTREEKS HET MIDDEN VAN DE 14e EEUW DEEL 1

Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland een kapel in Lisse. Dit was een kapel ter ere van Sint Servaas. Het bleek echter geen kapel te zijn, maar een kapelanie of vicari. Uitgelegd wordt wat een vicari is. Diverse vicarissen paserende revue. Willem Ternic was een van de vicarissen. Zijn uitgebreide familiegeschiedenis wordt besproken.

Door Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland en Rooms-koning van het Heilige Roomse Rijk, een kapel in Lisse. Aangezien de latere parochiekerk van Lisse was gewijd aan Sint Agatha, ligt het in de lijn der verwachting dat de kapel eveneens aan deze heilige was opgedragen.
Het is daarom opmerkelijk dat er in 1351 wordt gesproken over een kapel ter ere van Sint Servaas. Bij nader inzien blijkt het echter om een kapelanie (of vicarie) te gaan. In dit tweedelige artikel zal ik wat dieper ingaan op deze vicarie.

De dorpskerk van Lisse in de zeventiende eeuw. Hier stond in de middeleeuwen de aan Sint Agatha gewijde kapel.

 

Wat is een vicarie?
Tijdens de Middeleeuwen kwam het regelmatig voor dat edellieden of gegoede burgers een vicarie stichtten in een parochiekerk of kapel [1]. Er werd dan een priester aangesteld die met een zekere regelmaat memoriediensten moest houden. Dat wil zeggen dat hij missen moest lezen voor de ziel van de stichter van de betreffende vicarie en voor de zielen van zijn familieleden, om zo de tijd in het vagevuur te bekorten. De priester die aan een dergelijke stichting verbonden was, werd vicaris genoemd. In veel gevallen was hij een familielid van de stichter, want die had namelijk het recht om de vicaris voor te dragen: het zogenoemde collatierecht.
Na het overlijden van de stichter kwam dit collatierecht in handen van zijn erfgenamen.
Om er voor te zorgen dat de vicaris in zijn levensonderhoud kon voorzien, ging de stichting van een vicarie gepaard met de schenking van landerijen of andere goederen (waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de vicaris). Bij een vicarie moesten deze goederen geestelijk worden gemaakt (d.w.z. onder geestelijk recht worden gebracht). Daarnaast diende de stichting door de bisschop van Utrecht te worden bekrachtigd. Bleven de geschonken goederen daarentegen wereldlijk, dan werd er niet gesproken van een vicarie, maar van een officie. Bij een vicarie kon de priester die de missen opdroeg niet worden afgezet, terwijl de priester van een officie wel afgezet kon worden.

Middeleeuws voorbeeld van Sint Servaas. In zijn rechterhand de sleutel der Hemelpoort die hij van Petrus had gekregen (website Iconen Atelier ‘Sint Servaas’ in Maastricht).

Sint Servaas

Het is niet bekend waarom de vicarie in Lisse aan Sint Servaas werd gewijd, maar blijkbaar had deze heilige een speciale betekenis voor de stichter.
Sint Servaas wordt ook wel Servatius van Maastricht genoemd. Hij was omstreeks 340 na Christus bisschop van Tongeren. Later verhuisde Sint Servaas zijn bisschopszetel naar Maastricht, alwaar hij de eerste kerk op Nederlands grondgebied bouwde. Hij was één van de belangrijkste tegenstanders van het Arianisme, een stroming binnen het vroege christendom die het dogma van de drie-eenheid niet accepteerde (de Arianen ontkenden de goddelijkheid van Jezus). De naamdag van Sint Servaas is 13 mei (volgens de overlevering zou hij namelijk op 13 mei 384 zijn overleden). Samen met Sint Mamertus (11 mei), Sint Pancratius (12 mei) en Sint Bonifatius van Tarsus (14 mei) behoort Sint Servaas tot de zogenoemde IJsheiligen. Dat zou kunnen verklaren waarom de vicarie in de kapel van Lisse aan Sint Servaas werd opgedragen. Lisse maakte in de dertiende en veertiende eeuw op kerkelijk gebied namelijk deel uit van de parochie van Sassenheim. De beschermheilige van deze parochie was Sint Pancratius. Misschien koos men bij de stichting van de vicarie in de kapel van Lisse daarom eveneens voor een IJsheilige.

Vicaris Willem Terninc
Op 24 februari 1351 richtte hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, een verzoek aan de aartsdiaken van de Dom van Utrecht om de priester Willem Terninc aan te stellen als vicaris van de vicarie van Sint Servaas in Lisse [2]. De naam van zijn voorganger is niet bekend. Willem van Beieren verklaarde slechts dat de vicarie in 1351 onbezet was. Willem Terninc is niet zo lang vicaris geweest. Hij overleed in 1354, waarna Willem van Beieren op 8 december 1354 Willem Pyl tot zijn opvolger benoemde.
Er is maar weinig bekend over de carriére of de familie van Willem Terninc. Hij wordt voor het eerst genoemd op 13 juni 1332. Op verzoek van Elisabeth Simonsdr. Nagel zegelde priester Willem Terninc toen samen met enkele andere personen een oorkonde [3]. In deze oorkonde vroeg Elisabeth toestemming aan de abt van de abdij van Egmond om een vicarie te stichten in de kerk van Voorhout. Elisabeth wilde haar neef Willem Janszn. Nagel benoemen tot vicaris. Daarnaast was zij van plan om al haar landerijen (uitgezonderd de ‘Poorterscamp’) aan deze vicarie te schenken. Na de dood van Elisabeth Simonsdr. Nagel diende het collatierecht over te gaan op haar broer Jan Simonszn. Nagel. Was hij op dat moment ook al overleden, dan moest het collatierecht overgaan in handen van twee andere leden van de familie Nagel en ten slotte in handen van de abt van Egmond. Ik ben hier wat dieper op ingegaan omdat het een aardig beeld geeft hoe het er bij de stichting van de vicarie van Sint Servaas in Lisse aan toe kan zijn gegaan.

Voorhout in de zeventiende eeuw, met het kerkje waar Albert Terninc in de veertiende eeuw als pastoor aan verbonden was.

Priester Willem Terninc was vermoedelijk een kleinzoon van de Willem Terninc die in het laatste kwart van de dertiende eeuw een berkenbos rooide in de ambachtsheerlijkheid Heemstede. Het vrijgekomen stuk land werd op 5 december 1284 door graaf Floris V verkocht aan Jan ver Aleydensone (= Jan, zoon van vrouwe Alijd) uit Haarlem, wiens nageslacht de naam ‘Van Berkenrode’ aannam en belangrijke stedelijke functies vervulde in Haarlem. Het woord “terninc” betekende volgens het Middelnederlandsch Woordenboek ‘dobbelsteen’ [4]. Het is een oude spellingsvariant van “teerling” (zie bijvoorbeeld de uitspraak ‘de teerling is geworpen’). In de bronnen wordt ook wel gesproken over “tarninc” of “tairninck”.

De familienaam Terninc vinden we in de eerste helft van de veertiende eeuw ook terug in Voorhout. Op 29 juni 1339 gaf Albert (of Albrecht) Terninc, pastoor van Voorhout, samen met Stase Loefszn. uit naam van de abt van de abdij van Egmond een huis in eigendom aan Gerrit Hugezn. [5]. Pastoor Albert Terninc was de opvolger van Hugo Pollaart, die in 1332 als pastoor van Voorhout wordt vermeld. De vroegste vermelding van Albert Terninc dateert van 24 september 1318 toen hij werkzaam was als kapelaan in Noordwijk [6]. Vermoedelijk was hij een broer van priester Willem Terninc. Er is onder andere een testament van Albert Terninc bewaard gebleven d.d. 18 augustus 1349. Volgens dit testament dienden zijn in Noordwijk gelegen goederen gebruikt te worden voor de stichting van een vicarie in het cisterciënzerinnenklooster Ter Lee in Noordwijkerhout. Dit klooster was in 1261 door de broers Arnoud en Walewijn van Sassenheim gesticht en werd ook wel ‘Leeuwenhorst’ genoemd. Daarnaast gaf Albert Terninc zijn goederen in Monster aan de armen die door het klooster Ter Lee werden verzorgd. Zijn huis in Voorhout vermaakte hij aan de plaatselijke kerk. De inkomsten die hieruit voortvloeiden, moesten door de kerk van Voorhout worden geïnvesteerd in renten om wijn, hosties en kaarsen te kopen. Albert Terninc schonk de rest van zijn bezittingen (waaronder zestien morgen land in Maasland) aan het door hem gestichte gasthuis in Noordwijk. Dit gasthuis stond in de huidige Kerkstraat tegenover de Sint Jeroenskerk [7].
wordt vervolgd

Noten
[1] Hanno Brand, Over macht en overwicht. Stedelijke elites in Leiden (1420-1510) (Leuven/Apeldoorn 1996) 341.
[2] A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 13; het graafschap Holland maakte deel uit van het aartsdiaconaat van de Dom van Utrecht.
[3] Noord-Hollands Archief (NHA), Inventaris van het archief van de Abdij van Egmond, Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 220.
[4] E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek dl. V (‘s-Gravenhage 18..), kolom 140.
[5] NHA,Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 257.
[6] Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994) 594.
[7] C. Hoek, “Acten betreffende De Lier, Maasland en Schipluiden”, in: Ons Voorgeslacht 46e jaargang no. 416 (mei 1991) 204-235, aldaar 222 en De Moor, Verborgen en geborgen, 448.

 

DE STATENVERTALER Ds. WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 2

Ds. Willem Baudartius heeft diverse boeken over de geschiedenis van Nederland geschreven. De Morgenwecker is een boek uit 1610 over de strijd tussen de Spanjaarden en de Nederlanders. Hij is niet onpartijdig. Een tweede boek is heet Memoryen uit 1620. Het beschrijft de geschiedenis tussen 1612 en 1620. Zijn belangrijkste werk is medeauteur van de Statenbijbel.

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

In deel 1 werd de persoon Willem Baudartius beschreven en werd zijn relatie met Lisse uitgelegd. Zijn belangrijke werken komen in dit deel aan de orde.

Geschiedschrijver en Statenvertaler
Daarmee zijn we toe aan de buitengewone dingen, die de naam Baudartius hebben doen voortleven. Dat zijn er twee. Ten eerste heeft hij enkele boeken geschreven, vooral over de Nederlandse geschiedenis. Ten tweede is hij in 1618 door de synode van Dordrecht aangewezen als één van de zes theologen, aan wie de nieuwe vertaling van de bijbel werd toevertrouwd. De boeken die hij schreef worden tegenwoordig alleen nog gelezen door beroepshistorici. Zijn werk als vertaler is aan iedereen bekend die gewoon is de bijbel te lezen in wat wij de statenvertaling noemen. Die vertaalarbeid begon hij in de laatste fase van zijn leven, toen hij de zestig reeds gepasseerd was. Zijn boeken had hij toen al geschreven, en het ligt dus voor de hand dat we daar onze aandacht het eerst op richten.
Het heeft niet veel zin, de hele catalogus van Baudartius’ werken in alle details door te lopen. We zullen er twee uitlichten die ook verreweg de belangrijkste zijn: de Morgenwecker, en de Memoryen. Beide zijn elk op hun eigen manier heel bijzondere boeken.

Morgenwecker
De Morgenwecker is voor het eerst verschenen in 1610. De Morgenwecker is een korte geschiedenis van de strijd tussen de Nederlanders en de Spanjaarden. Baudartius vertelt hierin uitgebreid over de wreedheden, de bedriegerijen, de verbroken beloften en de verdragen die nooit waren nagekomen door de Spanjaarden; zodat ieder die dit leest een afkeer van de Spanjaarden zal krijgen, en zal wensen dat deze landen nooit weer in hun handen vallen. Dat is dus geschreven in 1610, tijdens het twaalfjarig bestand.
In 1609 was de oorlog tegen de Spanjaarden tijdelijk tot stilstand gekomen. Er waren in ons land toen twee partijen. De ene wilde vrede, en de andere oorlog. Willem Baudartius was omdat hij een Vlaming was een overtuigd aanhanger van de oorlogspartij. Voor hem was de oorlog niet afgelopen, zolang zijn vaderland niet bevrijd was. De Morgenwecker is dan ook een opwekking aan het Nederlandse volk, vooral niet te vergeten waarom het zo bitter noodzakelijk was de strijd tegen Spanje straks weer voort te zetten.
Baudartius heeft met dat boek groot succes gehad. In het eerste jaar kwamen er meteen vijf drukken uit. Korte tijd later verscheen er, in 1614, ook nog een aparte bewerking voor kinderen, onder de titel: “De Spiegel der Jeugd”. In die vorm heeft het enorme opgang gemaakt. We mogen dus zeggen dat Baudartius eer van zijn werk heeft gehad.

Memoryen
In de Morgenwecker kiest Baudartius partij. Dat doet hij ook in zijn grote geschiedwerk, dat bekend staat als de Memoryen. Het is verschenen in 1620, als een overzicht van de meest recente geschiedenis, van 1612 tot 1620. Daar bleek wel vraag naar te bestaan, want in 1624 verscheen een tweede druk, waarin het verhaal tot dat jaar werd voortgezet. De Nederlandse geschiedenis van 1612 tot 1620 gaat over de kerkelijke twisten tussen remonstranten en contra-remonstranten, en over het conflict tussen Maurits en Oldenbarnevelt. Die hele strijd is in 1618 en 1619 beslist. Toen Baudartius zijn boek schreef kende hij dus de afloop al, en dat maakte de constructie van het verhaal gemakkelijker. Hij voelde zich bij de strijd nauw betrokken, en hij beschouwde de uitkomst als een zegen voor de kerk. Daar wilde hij in zijn boek getuigenis van afleggen.

Statenvertaler
De belangrijkste verdienste die Baudartius zich voor het nageslacht heeft verworven is echter niet zijn werkzaamheid als geschiedschrijver. Als zijn naam thans nog met ere genoemd mag worden, is het omdat hij tot de bijbelvertalers heeft behoord. Dat de synode van Dordrecht hem daarvoor zou kiezen lag wel voor de hand. Ten eerste was hij één van de beste kenners van het Hebreeuws, ten tweede had hij voor het vertaalwerk altijd al grote belangstelling aan de dag gelegd. De bestaande Nederlandse bijbelvertaling, gebaseerd op een vertaling van Luther was van zeer matige kwaliteit. Daarom deed de behoefte aan een betere uitgave zich steeds sterker voelen, en ook de overheid erkende dat, door in 1594 Marnix van Sint Aldegonde aan te wijzen als bijbelvertaler. Die heeft echter zijn taak maar zeer ten dele volbracht. Toen hij stierf in 1598 waren slechts enkele fragmenten gereed gekomen. Een paar Hollandse predikanten kregen toen opdracht om verder te gaan, maar veel schot zat er niet in. Het begon de kenners te verdrieten, en de schrijflustige Baudartius heeft zich toen al met de zaak bemoeid, door in 1606 een boekje uit te geven dat geheel aan het probleem gewijd was: de ‘Wechbereyder op de verbeteringh van den Nederlantschen Bijbel’. De synode van Dordrecht heeft de vertalers pas aangewezen in 1618, twaalf jaar na de verschijning van Baudartius’ Wegbereider, en toen zou het nog tot 1637 duren eer hun werk gedrukt was. De noodzaak van een goede bijbelvertaling zag ook de overheid in, en dus begreep zij dat de kosten voor haar rekening moesten komen. Daarom spreken we nog altijd van de statenvertaling. Maar het heeft nog tot 1626 geduurd, eer de vertalers naar Leiden konden reizen om daar samen het vertaalwerk ten uitvoer te leggen. Zes mannen had de synode daartoe aangewezen, en veiligheidshalve waren er enkele plaatsvervangers aan het lijstje toegevoegd. Het bleek wijze voorzorg, want één van de zes was al overleden toen het eigenlijke werk begon.
De drie oorspronkelijk aangewezen vertalers voor het Oude Testament waren wel nog alle drie in leven. Naast Baudartius waren dat Johannes Bogerman, de praeses van de Dordtse synode, en Gideon Bucerus, die predikant was in Veere, en net als Baudartius een Vlaming van geboorte. Twee Vlamingen dus en een Fries voor het Oude Testament. Voor het Nieuwe Testament nog een Vlaming, Antonius Walaeus, en nog een Fries, Festus Hommius. Die vijf hebben de statenvertaling gemaakt. Een Vlaams-Friese coóperatie dus, en niemand uit de provincie Holland. De vertaling van het Oude Testament werd in januari 1633 voltooid. De vertalers zijn vanaf 1626 ruim zes jaar in Leiden bezig geweest met het vertalen. Wat ieder van hen precies gedaan heeft is niet bekend. Bucerus heeft het einde niet gezien. Toen hij stierf in 1631 was hij bezig met Ezechiël 21. Bogerman en Baudartius hebben getweeën het vertalen van de laatste profetenboeken in het Oude Testament voltooid.

Op de vertaling volgde een tweede ronde, waarin het hele werk vers voor vers besproken werd met de zogenaamde revisoren. Pas na die uitvoerige en gedetailleerde controle kon de vertaling naar de drukker. Toen eindelijk op 17 september 1637 de complete gedrukte bijbel aan de Staten-Generaal kon worden aangeboden, waren er negentien jaar verlopen sinds de synode de opdracht had verstrekt. Van het oorspronkelijke zestal vertalers was nog slechts één in leven. Dat was Willem Baudartius. In 1628 had hij al een korte autobiografie geschreven, opdat zijn zoon het verhaal van zijn leven kennen zou. Hij leek toen te denken dat het de hoogste tijd was, want hij schreef dat verhaal, naar hij zelf zegt, in zijn ‘grooten ouderdom’. Hij was toen naar we weten drieënzestig jaar. Hij had in 1640 het voornemen uitgesproken om een verslag te schrijven van het hele vertaalwerk, maar er is niets meer van gekomen, want in datzelfde jaar 1640 is hij overleden.
En dat is dan zijn leven: een dominee met gewone en buitengewone eigenschappen; geen genie, geen begenadigd schrijver, wel een man die met zijn gaven de kerk naar beste vermogen gediend heeft. Eén van de weinigen vooral, wiens werk na zoveel eeuwen nog dagelijks gelezen wordt door de velen die de bijbel het liefste lezen in de vertaling van 1637, de Statenvertaling. Alleen kan niemand ook maar één vers in dat hele Oude Testament aanwijzen, waarvan met zekerheid te zeggen valt: dit is nu Baudartius. Vertalen is nu eenmaal een dienende arbeid, waarbij de persoon van de vertaler geheel op de achtergrond blijft, zeker wanneer het de bijbel geldt. Dat is de geest, waarin de statenvertalers gewerkt hebben, en daarom is ook Willem Baudartius in de anonimiteit gebleven.

Baudartius is geboren op 13 februari 1565 te Deinze in Vlaanderen