Dynastie Lefeber

Joseph Willem Lefeber, geboren in 1860, werkte bij Gebroeders Segers. Omstreeks 1885 begint hij een bloembollenkwekerij met Van Kampen. Later ging hij alleen verder. Zijn oudste zoon J.W.A. Lefeber begon een eigen kwekerij. Hij ging hyacinten en narcissen veredelen. De belevenissen van de zoons van J.W.A.  worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

De bollenteelt in de omgeving van Lisse is betrekkelijk nieuw. Zij ontstond hier zo’n 1 á 1 ½ eeuw geleden. Soms hadden kwekers een agrarische achtergrond, bijv. van boer of groenteteler. Maar hoe zat dat met de familie Lefeber? In dit artikel willen we ingaan op het gezin Lefeber. D.W. Lefeber, de bekende veredelaar aan wie ons nieuwsblad een viertal artikelen wijdde, is telg van deze familie. De geschiedenis geeft een mooi tijdsbeeld weer. We gaan terug naar 1809. Naar Den Haag. Daar trouwt J.M. Lefeber, die bakker is, met de weduwe van een bakker. Een economisch huwelijk, want zo worden twee bakkerswijken samengevoegd.
Korenmolenaars en bakkers zijn in die tijd hechte groepen (soort kartels) met een sterke sociale controle. Zij beschermen elkaar tegen tegenslagen, de gevolgen van ziekte en de zorgen van ouderdom. De kartels beperken de concurrentie, onderling en van buitenstaanders. Brood is tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw uitsluitend gebakken door bakkers in kleine bedrijven. Een meester-bakker met één of meer leerling-gezellen (soms zoon des huizes) doen het werk. Er zijn afspraken over de verdiensten en over de prijzen. Dat heeft tot gevolg dat de broodprijzen in de steden en daarmee ook de kosten van levensonderhoud hoog zijn. Sinds de tweede helft van de 18e eeuw is de industriële bereiding van meel en brood bekend. Dat zou de kosten voor een brood aanzienlijk kunnen drukken. In Nederland staat echter de ’wet op het gemaal’ het ontstaan van meel- en broodfabrieken in de weg. De strenge ’wet op het gemaal’ is afgestemd op het traditionele kleinbedrijf. Zo belast de wet de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoort immers, met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Dat wordt ook erkend door regering en parlement. Maar hoewel de wet regelmatig onder vuur ligt, komt het maar niet tot een afschaffing ervan.
Bakker Lefeber wacht de concurrentie van fabrieken niet af. Het bakkersechtpaar besluit uit te zien naar een dorp waar plaats is voor een bakker. Dat wordt Lisse, waar zij zich in 1826 vestigen aan de Heereweg 195.

J.W. Lefeber (1813- 1898) J.W. Lefeber (1860- 1952)

Dat J.M. Lefeber een vooruitziende blik heeft blijkt uit het feit dat Den Haag de stad wordt met de meeste en de meest geavanceerde broodbedrijven. Zoon J.W. Lefeber (geb. 1813) is dan leerling-bakker en zet later de bakkerij van zijn vader in Lisse voort. In die tijd hebben de mensen nog niet zo’n hoge levensverwachting. J.W. Lefeber trouwt zelfs 3 keer. Zijn eerste twee echtgenotes sterven op jonge leeftijd. Uit alle huwelijken worden kinderen geboren, 14 in totaal. Een zoon uit het laatste huwelijk, met Maria van Loon, wordt de stamvader van een echte bollendynastie. Deze zoon, Joseph Willem (geb.1860), gaat niet in de bakkerij van zijn vader werken, maar hij toont interesse voor het bloembollenvak. Hij gaat in de leer bij de firma Gebroeders Segers en na een aantal jaren besluit hij voor zichzelf te beginnen. Omstreeks 1885 begint hij met compagnon Van Kampen een bloembollenkwekerij. Van de firma Segers ontvangt hij bij zijn vertrek een horloge met inscriptie voor bewezen diensten. De samenwerking met Van Kampen duurt niet zo lang en Lefeber zet de kwekerij alleen voort. Niet onverdienstelijk overigens. In 1888 wordt een stuk land van ruim 7 hectaren gekocht voor een prijs van 7100 gulden. Ook in 1888 treedt hij in het huwelijk met Jacoba van Ruiten (geb.1863) en komen zij te wonen aan de Achterweg 14.

Achterweg 5. De villa werd in 1975 afgebroken t.b.v. de uitbreiding van de huishoudschool

In dit gezin worden 8 jongens en 1 meisje geboren. In 1902 verhuist de familie naar de overkant, naar Achterweg 5. Bij het huis is ook een grote boomgaard met alle mogelijke soorten fruitbomen en achter het huis loopt een menagerie van eenden, pauwen, duiven en zwanen. J.W. Lefeber is een kweker die zich met hart en ziel inzet voor zijn vak. In die tijd is er nog geen sprake van een voorlichtingsdienst of vaktechnisch onderwijs. De kwekers komen bij elkaar om over het vak te spreken. Ziektebestrijding, behandeling van plantgoed, bemesting, waterhuishouding, allemaal onderwerpen die ter sprake komen. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur ter behartiging van de algemene vakbelangen bestaat al en er wordt door deze vereniging gepleit voor het oprichten van een tuinbouwschool. Haarlem maakt grote kans de school te krijgen. Lisser kwekers ijveren voor een school in Lisse. Ook J.W. Lefeber speelt daarbij een rol en uiteindelijk wint Lisse de strijd van Haarlem.
In die tijd is meester Ch. De Meulder hoofd van de R.K. jongensschool, de Josephschool.

Ingekleurde kaart van de fi rma J.W. Lefeber uit 1913 voor de Russische markt

Meester De Meulder (vader van Frederique, de oprichter van de ruim 100-jarige bloembollenfi rma De Meulder) is een natuurliefhebber en hij leert zijn leerlingen, waaronder de zonen Lefeber, het hybridiseren, het winnen van zaad, het kruisen van bolbloemen. Meester Beumer, hoofd van de lagere school in Sassenheim speelt ook een speciale rol. J.W.A. Lefeber(geb. 1890) heeft dat in 1962 beschreven in een artikel voor Kwekerij en Handel. Meester Beumer maakt in 1906 een aantal kwekers attent op een betere methode om nieuwe hyacinten te winnen. Tot die tijd werd bij een bed gemengde bloeiende hyacinten een bijenkorf geplaatst en de bijen zorgden voor de bestuiving. Gevarieerde kleuren waren het resultaat. Meester Beumer leerde de kwekers een gerichtere methode. Enkele voor de bestuiving geschikte cultivars werden onder een kooi van vliegengaas geplaatst zodat ze elkaar konden bestuiven. “Dit voorstel werd graag aanvaard en de heer Beumer liet zien hoe de bestuiving moest worden volbracht”, schrijft J.W.A. Lefeber.
Vader Lefeber is een strenge leermeester voor zijn zonen. Na de lagere school moet er worden aangepakt. Met avondcursussen worden de vakkennis en de talen bijgeleerd. Dat hij trots kan zijn op al zijn kinderen wordt hieronder wel duidelijk.

Gezin Lefeber 1908 Vlnr. Arie, Dirk, Annie, Marinus, mevr. Lefeber-van Ruiten, Willem, Koos, hr. J.W. Lefeber, Toon, Paul, Theo

Joseph Willem Antonius (J.W.A. 1890-1973)

Oudste zoon Willem is voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen. Maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. Hij legt zich ook toe op kruisen en is vooral bezig met zaadwinning van hyacinten en narcissen. In januari 1922 is er een bloembollenbeurs in Haarlem en kan hij vol trots een potje Pink Pearl tonen. Pink Pearl is sindsdien een heel belangrijke handelssoort waaruit diverse mutaties zijn ontstaan met goede broei-eigenschappen zoals White Pearl, Violet Pearl en Blue Pearl. De Pink Pearl is nu nog de hyacint met de grootste opgeplante oppervlakte. In 1944 volgt weer een belangrijke aanwinst voor de hyacintencultuur. Met de naam Delfts Blauw.
Het winnen van nieuwe soorten narcissen is een grote hobby. Nieuw gewonnen soorten, ook nu nog aanwezig in het handelsassortiment, zijn Barret Browning, Professor Einstein en Johan Strauss. Maatschappelijk maakt Willem zich zeer verdienstelijk, zowel in zijn vakgebied als in de politiek. In 1932, tijdens de crisisjaren, moet er bijvoorbeeld een oplossing gevonden worden voor de overproductie. Het kost nogal wat moeite de kwekers er van te overtuigen dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen. Het Bloembollen Surplusfonds komt van de grond. Als wethouder is Willem betrokken bij de oprichting van de bloemententoonstelling Keukenhof in 1949.

Antonius (1892-1980)

In 1911 wordt zoon Toon naar de Duits-Russische grens gestuurd om de beide talen te leren. In 1913 gaat hij naar Rusland om daar bloembollen te verkopen. Met nomaden trekt hij ook de bergen van Turkistan in. Gevonden bijzondere bolgewassen worden naar Nederland gestuurd om daar uit te planten en verder mee te kruisen. Op zijn verkoopreizen komt hij regelmatig in St. Petersburg. Hij bezoekt daar, met zijn Friese doorlopers, een ijsbaan en oogst veel bekijkt met deze, voor de Russen, vreemde schaatsen. Zo maakt hij kennis met zijn toekomstige bruid.en schoonfamilie. Midden in de revolutie trouwen zij in St. Petersburg en ontvluchten Rusland. Na maanden reizen via Finland, Zweden en Noorwegen komen ze aan in Lisse waar ze het oude huis op Achterweg 14 kunnen betrekken. De handel met het communistische Rusland is daarna afgelopen. Vader Lefeber verliest daarbij heel veel geld want de openstaande rekeningen voor geleverde bollen worden natuurlijk nooit meer betaald. Ook Antoon wint een belangrijke nieuwe hyacintensoort. De witte Carnegie (1935). In 1948 emigreert het gezin van Antoon naar de Verenigde Staten. Daar wordt met succes een gladiolenfarm gesticht.

Marinus (1893-1982)

De derde zoon van vader J.W. beproeft al snel zijn geluk in Amerika. In 1923 start hij aan de westkust, in Mount Vernon, een bloembollenbedrijf. In deze omgeving zitten meerdere Nederlandse bollenkwekers. De geschiedenis herhaalt zich: in Mount Vernon is ook een kwekerij van de gebroeders Segers. Kreeg vader J.W. zijn eerste lessen in het bollenvak bij deze fi rma, nu is het zoon Marinus die gebruik kan maken van hun goede kennis. Na het einde van de tweede wereldoorlog komen er bij de familie in Holland, dank zij de Amerikaanse oom en tante, heel wat pakketen aan met kleding, levensmiddelen en schoeisel. Een feest in het net bevrijde Holland! Bij gebrek aan opvolging wordt het bedrijf Lefeber Bulb Company in 1997 opgeheven.

Dirk Willem Lefeber (D.W. 1894-1979)

Over D.W. zijn in het nieuwsblad een viertal artikelen verschenen. Nadat hij Rusland tijdens de revolutie veilig heeft verlaten keert hij weer naar het ouderlijk huis terug. Daar is het een gezellige boel op de zaterdagavonden. Broer Toon speelt de balalaika, broer Theo de viool en er wordt volop gezongen. In 1923 trouwt hij Jet Nijman en belooft ook dat hij niet meer zal reizen. Samen met een Haarlemse kweker koopt D.W. een partij bolgewassen uit het Oosten. Beide vinden ze een mooie rode tulp. D.W. noemt haar Madame Lefeber, maar de Haarlemse kweker geeft de naam Red Emperor. Deze tulp heeft ook nu nog twee namen.

Theodorus Augustinus (1896-1987)

Deze zoon blijft tot op hoge leeftijd (hij is dan bijna 60) bij zijn vader. In 1956 komt een eind aan zijn vrijgezellenbestaan en trouwt hij Rie van Grieken. Hij is een der eersten die eindexamen doet aan de Rijkstuinbouwschool. Hij is een betrouwbaar bollenkweker en exporteert naar de Scandinavische landen.

Adrianus Hendricus (1897-1982)

Zoon Arie trekt als 18 jarige al naar Engeland en werkt daar bij een Londense hofl everancier. Zo spreekt hij zelfs met Queen Mary bij het arrangeren van bloemstukken in het koninklijk paleis. Tijdens de oorlog verbouwt hij tabak. Tabak is schaars en dus is hij bang voor dieven. De tabak ligt in de schuur te drogen. Arie besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en zelf ook in de schuur te overnachten. Wanneer het een aantal nachten gewoon rustig blijft denkt Arie dat hij wel weer in zijn eigen bed kan gaan slapen. Helaas, de volgende ochtend blijkt de hele oogst spoorloos te zijn verdwenen. Arie is een echte bollenhandelaar. Hij maakt vele reizen met de Holland Amerika Lijn en ontmoet tijdens deze reizen de meest interessante personen. Hij heeft er zelfs met president Roosevelt gebridged.

Anna Maria (1898-1981)

Het enige meisje in een gezin met 8 jongens. En dan trouwt ze nog niet eens met een bollenman! In de hongerwinter van ‘44-‘45 gaat ze meerdere keren op de fi ets (met daarachter een slee gebonden) naar Lisse om eten te halen. O.a. bloembollen. Op de terugweg wordt ze een keer bij Leidschendam door de Duitsers aangehouden en moet ze alle etenswaren afstaan. Wat een drama na zo’n zware tocht.

Jacobus (1900-1995)

Zoon Koos heeft ook avonturiersbloed in de aderen. Hij trekt naar vele landen om er bollen te verkopen. In 1939 verkoopt hij bollen in Amerika. Het gaat voortreffelijk, tot de mobilisatie voor WO II uitbreekt. Hij kan niet terug naar huis en gaat noodgedwongen werken bij een bloemenzaak in New York. Van daaruit reist hij naar broer Marinus om in diens bedrijf te werken. In 1941 lukt het hem om via Spanje weer naar Lisse te komen. Na de oorlog wordt de bollenverkoop in Amerika weer hersteld. Al snel wordt besloten om de definitieve overstap naar de States te maken. In 1949 is het zo ver. Het begin is moeilijk. Praktisch de hele bollenkraam gaat het eerste jaar verloren omdat het bollenland onder water loopt. Maar Koos is vindingrijk, zoals ook blijkt uit het volgende: Koos staat met zijn bollenkraam langs de weg, maar helaas, er stopt niemand. Dan krijgt hij een idee. Koos haalt de vlag oplaag en hangt die op zijn kop bij de kraam. En jawel: er stopt iemand om te vertellen dat de ’stars and stripes’ op z’n kop hangt. Er volgt een praatje, bloemen worden verkocht en een bollenordertje is binnen. En opnieuw: de vlag op z’n kop! Ook Koos veredelt bolgewassen. De bekende narcis Flower Record is een van zijn succesvolle zaailingen.

Paulus (1901-1989)

De beide jongste zonen Paul en Koos trekken veel met elkaar op. Samen zorgen ze wel eens voor consternatie. Zoals die keer dat ze bij boer Warmerdam zakken vol mussen vangen. En die in de volière loslaten om een nieuwe soort vogeltjes te kweken. Het kweken zit er al vroeg in. Het bloembollenvak leert hij vroeg. Hij mag vader naar de bollenbeurs (Krelagehuis) in Haarlem brengen. Paul heeft eerst samen met broer Koos een bedrijf en gaat later alleen als kweker door. De kwekerij ligt achter de steenfabriek. In het huis waar zijn vader in 1888 begon is hij tot het einde van zijn leven blijven wonen.
Echte bollenmensen, die Lefebers. Met zorg voor het product en gevoel voor de markt. Ook van de daaropvolgende generaties hebben velen het bollenvak uitgeoefend.

1922 De zoons Lefeber, vlnr. Willem, Antoon, Marinus, Dirk, Theo, Arie, Koos en Paul, in de bollen. Op de achtergrond de villa aan de Achterweg.

 

Aanvulling artikel Lefeber

Naar aanleiding van het artikel in het vorige nieuwsblad over de familie Lefeber ontvingen we van de heer Ignus Maes nog wat aanvullende informatie. Deze gegevens sluiten ook prima aan bij het hierna volgende artikel van Henk Schalk. In het stuk over de familie Lefeber vermeldden we de villa aan de Achterweg 5. In oktober/november 1943 moeten de Keukenhofbewoners, Graaf Carel met dochter Irene en zijn moeder, het kasteel Keukenhof verlaten De reden hiervoor is de annexatie door de Duitsers. De Duitse bezetter gebruikt het huis om Duitse soldaten onder te brengen en op het landgoed wordt een V1 installatie geplaatst. (in het bos langs de stationsweg, tussen de toegang naar het kasteel en de huidige van Lyndenweg). De grafelijke familie vindt onderdak in het woonhuis van J.W.Lefeber, Achterweg 5. De heer Lefeber en zijn huishoudster verhuizen voor de rest van de oorlogsperiode naar het huis van zijn oudste zoon aan de overkant op Achterweg nr. 15. Het verkeer werd in die tijd omgeleid via de Zwartelaan. Dat was voor de kinderen uit Halfweg een heel eindje om naar school!! (info:vrijwilligersblad Kasteel-Nieuws van maart 2008)

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand en zijn vroegere bewoners wordt beschreven

 door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Inleiding

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg dateert in zijn huidige vorm uit de negentiende eeuw. Onlangs is het door de familie Boers fraai opgeknapt. Tijdens de verbouwing werden diverse houtblokjes gevonden met daarop de namen van werklieden die tijdens eerdere verbouwingen in het pand hadden gewerkt. Zo was in 1881 de Lissese timmerman Dirk Schrama bij bouwwerkzaamheden betrokken. Zou hij geweten hebben dat hij toen werkte op exact dezelfde locatie waar eeuwen eerder zijn voorouders woonden? Dirk stamde namelijk af van Quirijn Klaaszn. Schrama, wiens boerderij in de zeventiende eeuw gelegen was op dezelfde plek als het tegenwoordige “Dubbelhoven”. In een serie artikelen wil ik kort stilstaan bij de geschiedenis van de oude boerderij van Schrama en de bouw van het huidige pand Dubbelhoven. Het vormt een onderdeel van het onderzoek naar de buitenplaats Dubbelhoven, waar ik samen met Rob Pex mee bezig ben. Dat doen wij op verzoek van Richard Boers, de eigenaar van Dubbelhoven, die zeer geïnteresseerd is in de geschiedenis van zijn pand (en de directe omgeving). Het onderzoek is nog in volle gang, en bij dezen zou ik graag willen vragen of er mensen zijn die meer kunnen vertellen over de woning Dubbelhoven aan de Achterweg. Zij kunnen daartoe contact opnemen met ondergetekende (maartenvanbourgondien@hotmail.com) of Rob Pex (robpex@planet.nl). Langskomen tijdens één van de inloopavonden of –ochtenden is natuurlijk ook mogelijk. In de door mij bestudeerde bronnen worden de volgende oude maten gebruikt: morgen, hond en roede. Eén morgen was gelijk aan zes hond of 600 roeden. Eén Rijnlandse morgen komt overeen met 0,8516 hectare.

Cornelis Corstiaanszn.

In 1544 was de grond waarop het huidige Dubbelhoven werd gebouwd nog eigendom van Cornelis Corstiaanszn. Vermoedelijk stond er toen nog geen boerderij. Cornelis Corstiaanszn. was de stamvader van de rooms-katholieke Lissese familie Corsteman. Hij trouwde met Geertruida Klaasdr. en trad in de jaren vijftig van de zestiende eeuw onder andere op als kerkmeester van de Agathaparochie. Daarnaast speelde Cornelis in diezelfde tijd als gezworene een rol in het dorpsbestuur van Lisse. De vroegste vermelding dateert van 6 juni 1542, toen Cornelis Corstiaanszn. werd beleend met drie morgen land uit een grafelijk leengoed nabij Ter Spekke (niet ver van het huidige Dubbelhoven aan de Achterweg), dat omstreeks 1500 was afgesplitst van een groter leengoed van in totaal negen morgen land. [1] Later zal dit leengoed van drie morgen land door Adriaan Adriaanszn. Corsteman junior in twee delen worden overgedragen aan zijn oom Quirijn Klaaszn. Schrama. In 1544 was Cornelis Corstiaanszn. eigenaar van een woning met in totaal tien morgen en 292 roeden land aan weerszijden van de Achterweg (in de bronnen ook wel “Lijtwech” of “Buurwech” genoemd). [2] Op een deel van de landerijen aan de westkant van de Achterweg verrees in later tijd de boerderij van de familie Schrama. De woning van Cornelis Corstiaanszn. lag aan de oostkant van de Achterweg, niet ver van de tegenwoordige Vuursteeglaan. Dat gold eveneens voor de 374 roeden, die in 1544 door Cornelis werden gepacht (=gehuurd) van “Maritje Cornelis weduwe”. Op dit kleine stukje land werd in de zeventiende eeuw de buitenplaats Dubbelhoven gebouwd.

De familie Schrama

Boerderij De Wolff, die in de 17e eeuw eigendom was van de familie Corsteman.

De voorouders van Quirijn (Crijn) Klaaszn. Schrama komen oorspronkelijk uit Bennebroek. Zij hebben hun familienaam ontleend aan de ’s-Gravenmade, oftewel het weiland van de graaf. Dit land was gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Haarlemmertrekvaart (bij het huidige restaurant Patrick’s – voorheen De Geleerde Man), en werd al in 1464 genoemd. [3] Aanvankelijk was het alleen weiland, maar later werd er ook een hofstede op gebouwd. Deze hofstede – met in totaal 25 morgen land – was in 1557 eigendom van Agatha Jansdr. uit Amsterdam, en werd bewoond door Cornelis Klaaszn. Scravemade. Waarschijnlijk was hij een zoon van Klaas Floriszn., die in de jaren dertig van de zestiende eeuw de hofstede ’s-Gravenmade met bijbehorende landerijen pachtte. [4] Het genealogisch onderzoek is nog in volle gang. Het lijkt er echter sterk op dat Gerrit Klaaszn. Scramaede (die in 1557 in de ambachtsheerlijkheid Heemstede woonde), en Maarten Klaaszn. eveneens zonen waren van de bovengenoemde Klaas Floriszn. In 1553 woonde Maarten Klaaszn. in Bennebroek. Hij pachtte toen van mr. Pieter Isaacs uit Amsterdam een hofstede met 21 morgen land. In 1555 blijkt Maarten Klaaszn. in Hillegom te wonen, alwaar hij van de Dominicanen uit Haarlem een woning huurde met ongeveer zeventien morgen land in Hillegom en drie morgen land in Bennebroek. In Hillegom wist Maarten Klaaszn. na verloop van tijd een uitgebreid landbouwareaal op te bouwen. In 1564 was hij namelijk gebruiker van maar liefst 51 morgen land. [5] Het overgrote deel van dit land werd door hem gepacht. Maarten Klaaszn. had slechts twee morgen en 350 roeden in eigendom. Het is niet bekend wat hij jaarlijks aan pacht betaalde, maar gezien de totale hoeveelheid grond die hij in gebruik had moet dit een aanzienlijk bedrag zijn geweest. Vier jaar later gebruikte Maarten Klaaszn. nog maar 25 morgen en 50 roeden. Hoewel dat nog altijd behoorlijk veel is, was zijn fi nanciële situatie blijkbaar dusdanig verslechterd dat hij de helft van het door hem gebruikte land moest afstoten. De tweede helft van de jaren zestig van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door economische achteruitgang. Zo veroorzaakte het slechte weer omstreeks 1565 bijvoorbeeld diverse misoogsten in het graafschap Holland. [6] Vermoedelijk hadden hoge pachtsommen en een lage opbrengst Maarten Klaaszn. tussen 1564 en 1568 in fi nanciële problemen gebracht. Maarten Klaaszn. was de stamvader van een Hillegomse tak van de familie ‘s-Gravenmade, of Schrama. Zijn zoon Klaas Maartenszn. Schrama was getrouwd met Machteld Adriaan Jorisdr. Dit echtpaar bewoonde in 1591 een boerderij in De Zilk. [7] Eén van hun kinderen was Quirijn Klaaszn. Schrama, die later naar Lisse verhuisde.

Van De Zilk naar Lisse

Fragmentgenealogie van de families Corsteman en Schrama

Het is onduidelijk wanneer Quirijn Klaaszn. Schrama naar Lisse is verhuisd. De vroegste vermelding dateert vooralsnog uit 1619, toen Quirijn werd vermeld op de lijst van welgeboren mannen van Lisse. Zijn zus Katharina Klaasdr. Schrama was getrouwd met Adriaan Adriaanszn. Corsteman senior, kleinzoon van de bovengenoemde Cornelis Corstiaanszn. Waarschijnlijk speelden deze familiebanden een rol bij het besluit van Quirijn om in Lisse te gaan wonen. De boerderij van Schrama stond namelijk op land dat in de zestiende eeuw eigendom was van Cornelis Corstiaanszn. Quirijn legde met zijn komst naar Lisse de basis voor een langdurige band tussen dit dorp en de familie Schrama. Een groot deel van de Schrama’s die de afgelopen eeuwen in Lisse hebben gewoond, stamt namelijk van hem af. Tegenwoordig wonen er nog altijd nakomelingen van Quirijn in Lisse. De familie Schrama kan dan ook zeker tot de groep der oude Lissese geslachten worden gerekend. Quirijn Klaaszn. Schrama was getrouwd met Maria Cornelisdr. Op 2 november 1622 hadden zij vijf kinderen: Gerrit, Maria, Alfertje, Joris en Klaas. [8] Later kwam daar ook nog een dochter Katharina bij. Het huishouden werd gecompleteerd door twee inwonende dienstboden, die Quirijn hielpen met alle werkzaamheden op de boerderij. Het betreft Willem Adriaanszn. uit De Zilk en Geertje Jansdr. Het is niet bekend of Willem Adriaanszn. direct met Quirijn Klaaszn. Schrama vanuit De Zilk naar Lisse is verhuisd, of dat hij pas later in dienst is getreden.

De boerderij van Schrama in de Oude Mosveense Buurt

Het gebied waarin de boerderij van Schrama gelegen was, wordt vanouds de “Oude Mosveensche Gebuyerte” genoemd (oftewel de Oude Mosveense Buurt). Dit werd ook wel afgekort tot “de Oude Veen”. In een ver verleden had zich in de laaggelegen strandvlaktes tussen de Oude en Jonge Duinen een veengebied gevormd. Hier en daar bereikte het veen op den duur ook de hoger gelegen duingrond. [9] Blijkbaar gold dat eveneens voor de Oude Mosveense Buurt, waarvan de exacte begrenzing helaas niet bekend is. Vanaf de middeleeuwen werden dergelijke veengebieden ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische exploitatie. Lisse kent meer van dit soort plekken: het gebied rond de boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord (tegenwoordig bewoont door de familie Van Graven) werd bijvoorbeeld “de Hooge Moschveen” genoemd. [10] Een ander voorbeeld is de Lageveense polder langs de Loosterweg Zuid.
Het is nog onduidelijk wanneer de boerderij van Schrama precies werd gebouwd. In 1544 lagen er langs dit deel van de Achterweg en Spekkelaan alleen enkele landerijen. De boerderij verschijnt voor het eerst op een oude kaart uit ca. 1615. Op het kruispunt van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan lagen toen in totaal vier woningen. Met de klok mee gaat het om: de buitenplaats Ter Spekke, de boerderij van Schrama (op de plek van het huidige Dubbelhoven), de boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel (= de woning van Cornelis Corstiaanszn.) en de Gasthuiswoning (eigendom van het Sint Elisabethgasthuis uit Haarlem). Naast het ontbreken van een exact bouwjaar, is het op dit moment ook nog niet bekend wie de boerderij van Schrama heeft laten bouwen. Verder onderzoek zal aan moeten tonen of Quirijn Klaaszn. Schrama opdracht tot de bouw heeft gegeven, of dat hij verhuisde naar een reeds bestaande woning. In ieder geval waren de Schrama’s nauw verbonden met deze boerderij aan de Achterweg, aangezien zij er in totaal bijna 100 jaar hebben gewoond en gewerkt.

wordt vervolgd

Noten

[1] Ons Voorgeslacht 43e jaargang no. 385 (juli/augustus 1988) 335.

[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 305, fol. 126v.

[3] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, ‘De geschiedenis van Bennebroek’, in: Dr. Tj.W.R. de Haan (red.) Bennebroek-Vogelenzang. Bijdragen tot geschiedenis en volkskunde van een voormalig blekersdorp (Meppel 1965) 7-39, aldaar 26-27.

[4] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, beeld van een dorpsgemeenschap (Zutphen 1982) 53, Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland vóór 1572, inv. nr. 960 (fi lmnummer 1319), Kohier van de Tiende Penning van Heemstede 1557, fol. 1 en 8 en Noord-Hollands Archief, Oud Recht Heemstede, inv. nr. 536, fol. 28v.

[5] Oud Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland, Morgenboeken van Hillegom uit 1564 en 1568, inv. nr. 4649.

[6] Leendert Noordegraaf, Hollands welvaren? Levensstandaard in Holland 14501650 (Bergen 1985) 41 en 86-87.

[7] A.M. van Kampen, ‘Behoorde De Zilk vroeger tot Hillegom?’, in: Hangkouserieën (februari 2003) 15-25, aldaar 21.

[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 41, fol. 10v. [9] K. van der Meer, De bloembollenstreek. Resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal (Den Haag 1952) 90.

[10] A.M. Hulkenberg, ‘”Middelburg” te Lisse’, in: Leids Jaarboekje nr. 63 (1971) 143-172, aldaar 146.

De boerderij van Schrama omstreeks 17e eeuw

Driehuizenpark

De geschiedenis van het voormalig bollenbedrijf van Gebroeders Driehuizen wordt besproken. Omstreeks 1930 is de bollenschuur met kantoren aan de voorkant gebouwd. Architect was Leen Tol.

door: F.Treffers

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Momenteel naderen de bouwplannen van het voormalige bollenbedrijf Driehuizen, wat is omgevormd in een plan van nieuwbouw en renovatie, zijn einde. Toen ca. 30 jaar geleden mijn vrouw en ik met onze drie kinderen in de naastliggende woning kwamen wonen was het bollenbedrijf er nog. Het werd geleid door de twee neven Driehuizen, Zij waren de zonen van de oprichters: de Gebroeders Driehuizen. Elke broer woonde in een villa, links en rechts van het bollenbedrijf. Deze villa’s hadden de namen “Rutsbo” en “Somalo”. De namen hadden betrekking op de echtgenotes.
Op een oude foto van ongeveer 1925 ziet men tussen de villa’s nog een boerderijachtige woning met daarnaast een hal. Omstreeks 1930 verdween dit en werd de huidige hal met kantoor aan de voorzijde gebouwd door architect Leen Tol, die ook de villa’s eerder had ontworpen.
Als je nu deze gebouwen nader bestudeert herken je de hand van “de meester”. Zo ziet men in de villa’s hetzelfde soort glas-in-lood op enkele plaatsen. Het kantoor van de bollenhal heeft een prachtig plafondraam van glas-in-lood.

De tweede eigenaar werd antiekhandelaar Chris van Damme, die al eerder in Lisse Zuid een bedrijf aan de Heereweg had. Hij woonde toen in villa “Riesenbeck”, op nr. 331. Daarachter lag het bedrijf. Deze villa is intussen gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Zelf woonde hij met zijn vrouw de laatste jaren in het kantoor van de bollenhal. Deze hal stond vol met antiek. Zo was daar een speciale ruimte met antiek zilver. Een andere ruimte was gevuld met antiek porselein. Hij had antiekvaklui in dienst die beschadigd antiek konden restaureren. De hal diende als een soort museum. Achter de hal waren modernere hallen gevuld met nog te restaureren antiek. Hij heeft me verteld dat hij veel antiek kocht in Duitsland. Hij exporteerde ook veel naar Amerika. Een aantal jaren geleden is hij aan kanker overleden. Zijn zoon heeft het bedrijf niet voortgezet.
In het begin heb ik samen met een ontwikkelaar diverse plannen opgezet met als uitgangspunt de hal te beschermen. Uiteindelijk wisten wij Hillgate Properties te interesseren voor dit plan. Daartoe is een project tot stand gekomen waarbij de bollenhal is omgevormd tot zo’n 27 appartementen. Daarbij komen zo’n 58 woningen gebouwd in de dertiger jaren stijl. Aan de voorzijde blijft de sfeer van vroeger zo veel mogelijk in tact. De renovatie van de bollenhal was geen eenvoudige zaak. De berekeningen van de constructie waren er niet. Dit moest via een herberekening tot stand worden gebracht. Aan de bovenhal zijn alleen aan de zijgevels aanpassingen gedaan. De ramen zijn i.v.m. de lichttoelaatbaarheid vergroot. Ook zijn balkons aangebracht. Binnen zijn de overlopen rondom de vide verkleind.
Na het schoonmaken van de buitengevel is een fraai stuk metselwerk zichtbaar geworden. Binnen zijn er verschillende appartementen gemaakt.

Nieuwbouw twee-onder-eenkapwoningen met op de achtergrond Rutsbo met daarachter de Heereweg,. Rechts is het Van der Vlugtpark. Foto Hillgate Properties

De nieuwbouw bestaat uit twee losstaande kleinschalige appartementengebouwen waar in elk 12 woningen zijn ondergebracht.  Verder zijn er vier vrijstaande woningen gebrouwd aan de achterzijde die aan een waterplas zijn gelegen. Achter de bollenhal zijn 12 eengezinswoningen gebouwd. Aan de linker zijde liggen twee-onder-een-kapwoningen die deels aan een sloot liggen (zuidzijde). Het betreft hier 18 woningen van twee verschillende typen. De bereikbaarheid geschiedt door twee in- en uitritten. Op het terrein is tegen de waterplas een speeltuintje aangelegd. Kortom een prachtig project met de nodige uitstraling. Aan dit project is meegewerkt door Hildate Properties als ontwikkelaar, Jorissen Simonetti als architect bollenschuur, PBV Architecten voor de nieuwbouw, F.N.D. voor de constructies, Fa. Bakker voor de bouw. De verkoop is door Romeyn gedaan.

‘Mishandelingen of baldadigheden’ op de straatweg in het jaar 1848

Burgemeester J.C. van Rosse (1801-1875) werd bij het buiten van den heer Temminck (Wildlust) aangevallen door dronken lui, die met een koets tegen bomen waren gereden. De voerman, Joh. Pet. Rotteveel, logementhouder van de Witte Zwaan wist de burgemeester uiteindelijk te ontzetten.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Burgemeester van J.C. van Rosse

Uit het politierapport van Lisse, deel 10

In dit verhaal speelt de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse (1801-1875), opnieuw een belangrijke rol. Daarnaast is ook een ‘rol’ toegedacht aan de logementhouder van de Witte Zwaan, Johannes Petrus Rotteveel (1807-1878). In 1847 was hij in het huwelijk getreden met Petronella Spanjaard (1809-1879). In datzelfde jaar verwierf hij het eigendom van het logement de Witte Zwaan. Daarvóór had Veldhorst achter de tapkast gestaan, een persoonlijkheid die bij de Leidse studenten veel bekendheid genoot. In 1864 draagt Rotteveel zijn bezit over aan Albertus Jansz. van Mantgem uit Leiden. In de daaropvolgende jaren staat Rotteveel ingeschreven als veehouder aan ’t Vierkant. Waarschijnlijk was hij tegen die tijd verhuisd. Verder wordt in het hiernavolgende relaas gesproken van ‘het buitengoed van den Heer Temminck’. Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) was in 1819 eigenaar geworden van de buitenplaats Wildlust, gelegen op de zuidwestelijke hoek van de Zwartelaan en de Heereweg. Het was een fraaie buitenplaats bestaande uit herenhuis, tuinmanswoning en landerijen, bossen en duinen. In 1820 was hij benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Ook op Wildlust moet een bijzondere flora en fauna aanwezig zijn geweest. In 1827 kwamen er nog wijngaardslakken voor, waarvan nog een schelp te Leiden bewaard wordt. Even voorbij het huis Wildlust begon de Zwartelaan, die eigenlijk de toegangslaan was van het buiten Veenenburg aan de Loosterweg. Vandaar was het nog maar een korte wandeling naar het in 1842 gebouwde station Veenenburg.

‘Luidruchtig gezang’
In de avond van 7 september 1848 had burgemeester Van Rosse drie jongemannen op bezoek. Tegen 21:00 uur wilden ze weer vertrekken, maar ze wisten niet waar in Lisse het dichtstbijzijnde station was gelegen. Van Rosse zou wel een eindje meelopen om ze de weg te wijzen. Zo gezegd, zo gedaan. Op weg naar de Veenenburgerlaan (de huidige Zwartelaan) ‘reed ons een rijtuig in meer dan gewonen drift (snelheid) voorbij onder een buitengewoon luidruchtig gezang van het gezelschap hetwelk zich daarin bevond’. Toen het rijtuig of de koets bij ‘het buitengoed van den heer Temminck’ was aangekomen, hield het zingen opeens op. Wat was er gebeurd?

De Veenenburgerlaan werd vanwege het vele zware geboomte ook wel de Zwartelaan genoemd. Aan het begin ervan stond een hek opgesteld, met op de palen daarvan de tekst ‘Veenenburg’. Op deze ansicht uit omstreeks 1900 kunnen we dat duidelijk zien. Rechts is de boswachterswoning waarin Zacharias van der Burg woonde. Deze bestond echter nog niet ten tijde dat burgemeester Van Rosse op deze laan werd mishandeld (1848). Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (Zaltbommel, zesde druk 1987), p. 27.

Te vroeg het paard omgestuurd
Toen ook de burgemeester met zijn gezelschap bij Wildlust was aangekomen, zag hij daar ‘een rijtuig tusschen de boomen opzij leggende’. Kennelijk had de bestuurder van de koets ‘te vroeg het paard omgestuurd, denkende reeds de Veenenburgerlaan voor zich te hebben’. Iets dat bij Van Rosse vragen opriep, want het was volle maan, dus het zicht was goed. Aangezien de inzittenden geen ernstige verwondingen hadden opgelopen en men ‘reeds bezig was zich te herstellen’ liepen de burgemeester en de drie jongemannen de plek des onheils voorbij. Maar dat had hij beter niet kunnen doen…

Wildlust omstreeks 1850. Tekening in Oostindische inkt door P.J. Lutgers. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 61. Het Wildlust zoals het hier in beeld is gebracht werd in 1877 afgebroken om plaats te maken voor een ander riant woonhuis. Dit werd vervolgens in 1926 afgebroken, waarna de huidige villa Wildlust tot stand kwam. Ook deze zal binnenkort gesloopt moeten worden, in verband met de aanleg van een rotonde. Even voorbij het huis was aan de linkerhand de Veenenburgerlaan. Zoals de tekening laat zien waren er voldoende bomen waartussen men zich met een koets gemakkelijk klem kon rijden, zoals het bovenstaande proces-verbaal aantoont. Tenminste, indien men enigszins aangeschoten was….

De burgemeester wordt (weer) bij de kraag gevat
Van Rosse bracht zijn jonge gezelschap op de Veenenburgerlaan (Zwartelaan) en wees hun de weg. Hij had zich nog maar net omgedraaid, teneinde weer op zijn schreden terug te keren, of drie personen schoten vanuit de koets op hem af. Ze trokken hem ‘bij zijn kleren’ en vroegen op woeste toon: ‘Bent u daar zoëven gepasseerd?!’ De burgemeester antwoordde: ‘Ja,……’. Ze lieten hem niet uitspreken en onder een ‘gezamelijk trekken en sjorren en schelden en schreeuwen’ voegden ze hem de woorden toe: ‘Dan had je moeten helpen!’ Zijn verklaring dat hij ‘mijne menschen naar den spoorweg had geëxpedieerd’ mocht helaas niet baten. En de opmerking dat ‘indien men zich behoorlijk gedroeg en mij losliet [mij] assistentie zou kunnen verschaffen’ had natuurlijk niet het minste effect op de woestelingen.

De geheimzinnige voerman
Ten einde raad richtte de burgemeester zich nu tot de voerman (=persoon die, boven op de bok gezeten, een rijtuig bestuurt). Hij verzocht hem ‘zijne menschen van mij af te halen en mij te assisteeren, want dat ik ze anders wegens aanranding op de publieke weg zou moeten arresteren, aangezien ik de burgemeester van de plaats was’. Daarop volgde een ‘vernieuwd gesjor en verward toevoegen van smaadwoorden, waarvan de profane vermelding mij ondoenlijk is’, waarna één van zijn belagers hem de hoed af sloeg. Er werd dus niet bepaald veel eerbied voor de dag gelegd voor een burgervader als Van Rosse!
‘De voerman, andermaal ter assistentie geroepen, hield zich bestendig af en scheen met zijn paard bezig, zonder zich in het aangezicht te laten zien’. Dat was toch merkwaardig…

Het is de herbergier van de Witte Zwaan!
‘Na dat de worsteling nog een tijd lang geduurd had’, kwam de geheimzinnige voerman naderbij met de woorden: ‘Ik ben gereed. Laat hem los, want anders wordt het te laat’. ‘Thans herkende ik in den voerman den Persoon van Joh. Pet. Rotteveel, Logementhouder te Lisse’, zo vermeld Van Rosse in het proces-verbaal. Hij verweet hem dadelijk ‘het onbehoorlijke van zijne weigering van assistentie’. Dit gevoegd bij de bevestiging van Rotteveel dat de persoon die ze aan het molesteren waren, de burgemeester van Lisse was, leidde ertoe dat het agressieve drietal Van Rosse met rust lieten, waarna de burgervader zich verwijderde.

De echtgenote van Rotteveel wordt ondervraagd
In het dorp aangekomen, stuurde Van Rosse de veldwachter naar de Witte Zwaan om daar bij de vrouw van Rotteveel te informeren naar het drietal dat zo luidruchtig van zich te horen had gegeven op de weg van het dorp naar station Veenenburg. Helaas kende de vrouw hen niet. Ze waren gekomen om te eten. Daarna waren ze ‘met haar man naar Sassenheim gereden naar de kermis en vrij vrolijk te huis gekomen en nu door haren man naar den spoorwagen gebracht’. Geen namen dus…. Dat was jammer. In ieder geval hadden ze aardig diep in het glas gekeken, wat hun baldadige gedrag en hun luidruchtigheid goed kon verklaren. En de herbergier? Was die soms ook dronken geweest? En was dat de reden dat hij zich zo op de achtergrond had gehouden? Van Rosse besloot de volgende dag de logementhouder op het raadhuis te ontbieden.

Rotteveel wordt aan de tand gevoeld…
Natuurlijk verklaarde Rotteveel de personen in kwestie niet te kennen. Dat was te verwachten… Voorts verklaarde hij de burgemeester dadelijk herkend te hebben, maar de burgemeester niet te hulp was gesneld, ‘omdat hij zijn paard niet alleen kon laten’. En hij voegde eraan toe: ‘Echter, had hij ze (de belagers van Van Rosse) verscheidene malen toegeroepen mij te kennen en mij te laten gaan’. Maar de burgemeester was ook niet dom en antwoordde dat hij ‘zulks’ niet gehoord had en dat in zo’n geval de hele zaak natuurlijk een heel andere wending had gekregen. De burgemeester vond de houding van Rotteveel, wat neerkwam op ‘eene bekende door drie man laten mishandelen, liever dan zijn paard een oogenblik alleen te laten’, onbegrijpelijk en wreef hem dat ook onder zijn neus. Tenslotte kwam de onvermijdelijke vraag ‘of wij, uit het zich in de bomen rijden met helder maanlicht en het onbegrijpelijke in zijne houding ter mijner opzicht, (….) niet mogten besluiten dat ook hij iets teveel gedronken had’. Maar dit werd in alle toonaarden ontkend. Het was ?’zozeer geen helder maanlicht geweest’ en hij was door de schaduwen van de bomen misleid. Het proces-verbaal werd door de burgemeester en de veldwachter ondertekend. Rotteveel laadde extra verdenking op zich door ‘zwarigheid’ (bezwaren) te maken deze mede te ondertekenen.

Op 28 oktober is nog een derde en laatste proces-verbaal opgesteld. J.P. Rotteveel verklaart daarin dat hij enige dagen geleden op een verkoping in het logement De Geleerde Man te Bennebroek ‘een der persoonen die op den 7 sept. jl. zich mishandelingen of baldadigheden aan ons hadden veroorlooft’ had herkend. Het was een zekere Van der Elst, van beroep schilder, woonachtig in Bennebroek. Deze keer heeft Rotteveel wél ondertekend.

Conclusie
Hoe deze zaak verder werd afgewikkeld vertellen de stukken ons niet. Het lijkt niet waarschijnlijk dat Rotteveel in het gevang belandde. Er was immers geen overtuigend bewijsmateriaal tegen hem verzameld. Het was het woord van de burgemeester tegen het zijne. Een situatie waar je normaal gesproken niet gemakkelijk uitkomt. Inmiddels blijkt het idee dat men vroeger meer respect aan de dag legde voor het gezag dan tegenwoordig, weinig vruchtbare bodem te hebben. Er waren nogal eens ‘baldadigheden’ en niet zelden was de burgemeester, J.C. van Rosse, daarvan het slachtoffer. Openbare dronkenschap lijkt in het verleden nogal vaak te zijn voorgekomen en voor ongewenste situaties, zoals boven beschreven, te hebben gezorgd.

Geraadpleegde bronnen:

– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 58, 60.

Copyright © 2009 Vereniging Oud Lisse