Een Lisses doopvont in Nederhorst den Berg?

In Nederhorst den Berg staat in de Willibrorduskerk een doopvont, dat uit de schuilkerk uit Lisse afkomstig zou zijn. Het onderzoek hiernaar wordt beschreven. Het is niet bewezen dat dit doopvont daar vandaan komt.

door Aukjen Nauta

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

 

Wilibrorduskerk in Nederhorst den Berg

Lisse en Nederhorst den Berg, een dorp aan de Vecht tussen Weesp en Breukelen, hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken. Toch is er een paar maanden intensief contact geweest. Lissese archieven zijn doorgespit om de geschiedenis te achterhalen van het negentiende eeuwse doopvont dat daar sinds kort in de pas gerestaureerde protestante Willibrordkerk staat. Zeker is het niet, maar mogelijk heeft het doopvont in de katholieke schuilkerk aan ‘onze’ Achterweg gestaan.
De Willibrordkerk is oud. Hij stamt uit de 12de eeuw en is het oudste gebouw in de Gooi- en Vechtstreek. De kerk staat hoog boven het dorp op een stuwwal en is vanuit de wijde omtrek te zien. Vorig jaar is het interieur gerestaureerd. De oorspronkelijke indeling – met het koor naar het oosten – is in ere hersteld, de oude toegangsdeur in de kerktoren is weer in gebruik genomen en de natuurstenen vloer is opgeknapt. De kerk kreeg van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit (SKK) een nieuw doopvont.

Santpoort

Een van de leden van de restauratiecommissie, Anne Fortuin, was nieuwsgierig naar de herkomst van het doopvont. De stichting die het in bruikleen gaf, wist alleen dat het jarenlang ongebruikt op de zolder van de protestante dorpskerk van Santpoort gestaan had en dat het misschien oorspronkelijk uit Lisse kwam. Anne vroeg de hulp in van vrienden in Santpoort. Die vonden in het boekje van Henk Reefhuis ‘Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht’ dat de Santpoortse kerk in 1844 gebouwd is met materialen die afkomstig waren uit een katholieke kerk uit Lisse. Deze kerk zou op nominatie staan om gesloopt te worden, want Lisse kreeg een nieuwe kerk. De Santpoorters mochten voor de som van 1523-en-een-halve gulden alles meenemen uit die kerk wat zij bruikbaar vonden. Dat ‘alles’ wordt niet nader gespecificeerd. Het doopvont kan erbij gezeten hebben, maar zeker is het niet. Wel is de Santpoortse kerk in 1916 volledig door brand verwoest. Het doopvont dat nu in Nederhorst den Berg staat laat geen sporen van brand zien; het is dus onwaarschijnlijk dat het vont ten tijde van die brand in die kerk gestaan heeft.

Lisse

Anne kwam toen bij mij. Ik woon in Lisse, ben net als hij geoloog (ik heb nog les van hem gehad) en had net een artikeltje geschreven voor het vakblad van aardwetenschappers over het gebruik van natuursteen in ‘zijn’ kerk (een kalkzandsteen uit de omgeving van Münster, midden-Duitsland). Ik zette zijn zoektocht voort en begon met het doorspitten van boeken over de Agathakerk en andere kerken in Lisse (met dank aan mijn buurman Jan Hageman). Daarin las ik dat er in 1842/43 een nieuwe katholieke kerk gebouwd zou worden op het Mossenhof, een plek dicht bij het Vierkant waar een woonhuis met schuur stond. De schuilkerk, die ver buiten het dorp lag aan de Achterweg bij De Engel, zou gesloopt worden. De nieuwe kerk werd in 1843 ingewijd. Veel informatie over het doopvont kon ik niet vinden. Alleen Hulkenberg schrijft iets in ‘De Aagtenkerk van Lisse’: “1853. Het is wel een zeer zinvol samentreffen, dat eveneens dit jaar de kerk is verrijkt met een nieuw doopvont, dat zonder enig commentaar in de inventaris van 1854 voor het eerst wordt vermeld.Op het voetstuk zijn de sacramenten uitgebeeld. Op het deksel ziet men tussen een achttal pinakels, hoe Joannes Christus doopt in de Jordaan. Geheel op de top van het deksel staat een vrouw – de Moederkerk – die haar pas herboren kinderen om zich verzameld. Als neogotisch werkstuk is dit doopvont zeer zeker niet onverdienstelijk.” Dit doopvont staat nog altijd in de huidige Agathakerk. Over de sloop van de schuilkerk en wat er precies verkocht is aan de Santpoorters, heb ik verder niets kunnen vinden. Via de Vereniging Oud Lisse, Maarten van Bourgondiën en Rob Pex, kwam ik terecht bij het kerkbestuur van de Agathakerk. Daar was de bereidwilligheid groot, maar ook het kerkarchief bracht geen uitkomst. De enige informatie die de werkgroep kon vinden, kwam uit hetzelfde boekje van Henk Reefkerk over de Santpoortse kerk: de cirkel was rond, de zoektocht was vastgelopen.

Wijwatervat

Doopvond Nederhorst den Berg

Als laatste heeft een deskundige op het gebied van kerkinrichting het doopvont bestudeerd. Hij kwam tot de conclusie dat het neogotisch moet zijn, gemaakt rond 1850: een mooi stuk, maar niet kostbaar of eeuwenoud. De maat van het vont deed hem vermoeden dat het oorspronkelijk een wijwatervat van een rooms-katholieke kerk geweest is, maar daarmee in tegenspraak zijn de vier evangelisten die afgebeeld staan op de voet. Wel zou een klein doopvont goed gepast hebben in de schuilkerk aan de Achterweg, maar de geschatte ouderdom is daarmee weer in tegenspraak. Het blijft dus een raadsel of het Nederhorst den Bergse doopvont ooit in de schuilkerk in Lisse gestaan heeft.

Bronnen

Doopvont Nederhorst den Berg

“St. Agatha, 1903-2003, Glorie en roem van katholiek Lisse”, door L. van der Lans “

De Sint Agathakerk, de grote restauratie in de jaren 1993-2002”, door S. Broersen

“De Aagtenkerk van Lisse”, door A.M. Hulkenberg

“Aan een onbekende God, Kerken in 800 jaar Lisse”, E. Olivier

“Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht”, door Henk Reefhuis “Waar komt het nieuwe doopvont vandaan?

Verslag van een zoektocht”, in Het Kerkeblad van de Willibrordkerk, Nederhorst den Berg, door Anne Fortuin

Het ontslag van een rooms-katholieke ambachtsbewaarder in Lisse in de achttiende eeuw.

Vanaf de tachtigjarige oorlog kregen de katholieken in openbare functies vaak ontslag. De katholieke Jacob Floriszn. Van Bourgondiën is geboren in 1680. Hij werd in 1725 ambachtsbewaarder. Uitgelegd wordt wat een ambachtsbeheerder is. In 1726 start een procedure om hem af te zetten omdat hij katholiek was.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding

Als gevolg van de veranderde machtsverhoudingen, werden roomskatholieken vanaf het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stelselmatig geweerd uit publieke bestuursfuncties. Zo mochten zij op lokaal niveau geen deel meer uitmaken van het dorpsbestuur. Op 29 juli 1654 bepaalden de Staten van Holland dat alle rooms-katholieke bestuurders “geheel buyten geslooten en affgeset” moesten worden. [1] Om bestuursfuncties uit te kunnen oefenen, was lidmaatschap van de Nederduits Gereformeerde Kerk verplicht. Dat was namelijk de offi ciële staatskerk van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de praktijk werd deze bepaling echter niet altijd strikt opgevolgd. In dorpen met een kleine gereformeerde gemeenschap was het bijvoorbeeld moeilijk om steeds voldoende geschikte bestuurders te vinden. Dan kon het gebeuren dat er ook rooms-katholieken in het dorpsbestuur werden opgenomen. Hoewel de rooms-katholieken in Lisse door de eeuwen heen altijd in de meerderheid zijn geweest, was de gereformeerde gemeenschap in dit dorp over het algemeen net groot genoeg om voldoende bestuurders te leveren. De vier burgemeesters waren in de achttiende eeuw bijvoorbeeld steevast van gereformeerde huize. Het is dan ook enigszins opvallend om te zien dat er in het eerste kwart van de achttiende eeuw toch roomsgezinde dorpsbewoners als ambachtsbewaarder in het dorpsbestuur werden opgenomen. Lange tijd leverde dat geen noemenswaardige problemen op, maar in 1726 was de rooms-katholieke achtergrond van de ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën reden om een ontslagprocedure tegen hem in gang te zetten. [2] Ik zal daar in dit artikel wat dieper op ingaan. Het geeft namelijk een aardig beeld van de invloed van religie en politiek op het dagelijkse leven in een dorp in de Duin- en Bollenstreek.

De kerk van Lisse in 1725. De religieuze spanningen in het dorp hadden in deze tijd vooral een politiek-economische achtergrond (afbeelding uit de Atlas van Schoemaker).

Jacob Floriszn. van Bourgondiën

De hoofdpersoon van dit artikel werd geboren omstreeks 1680. Hij was een kleinzoon van de uit de ambachtsheerlijkheid Heemstede afkomstigeCornelis Janszn. van Bourgondiën. Cornelis trouwde omstreeks 1645 met de Lissese Anna Florisdr. van Wassenaar. Vermoedelijk is hij ook rond datzelfde jaar naar Lisse verhuisd. In ieder geval hebben zijn nakomelingen tot aan het eind van de achttiende eeuw in dit dorp gewoond. In de door mij bestudeerde bronnen worden nergens concrete uitspraken gedaan over het beroep van Jacob Floriszn. van Bourgondiën, maar waarschijnlijk verdiende hij net als zijn vader Floris Corneliszn. van Bourgondiën zijn brood als veehouder. Jacob was eigenaar van een boerderij met zes morgen land in de Westgeest te Lisse (een gebied ten zuiden van de huidige Vuursteeglaan, aan de westkant van de Heereweg). Daarnaast pachtte hij ook nog diverse andere percelen. In 1725 had hij op die manier in totaal vijftien morgen en 200 roeden land tot zijn beschikking. Omgerekend naar huidige oppervlaktematen is dat ongeveer dertien hectare. Jacob Floriszn. van Bourgondiën trad tweemaal in het huwelijk. Eerst in 1707 met Katharina Jacobsdr. Naardenburg (weduwe van Jacob Dirkszn. Uitermeer), en daarna in 1731 met Anna Anthonisdr. van der Libbe (weduwe van Dirk Jacobszn. Ruigrok). De families Van Bourgondiën en Van der Libbe konden blijkbaar goed met elkaar overweg, want Jacobs halfzus Dirkje Florisdr. van Bourgondiën was getrouwd met Jan Anthoniszn. van der Libbe, een broer van Anna. Voor zover bekend zijn beide huwelijken van Jacob Floriszn. van Bourgondiën kinderloos gebleven. Hij overleed op 23 december 1738, waarna Anna Anthonisdr. van der Libbe op de boerderij in de Westgeest bleef wonen. Zij hertrouwde in 1743 met Adriaan Simonszn. Langeveld.

Fragmentgenealogie van Cornelis Janszn. van Bourgondiën

Aanstelling tot ambachtsbewaarder

In 1725 werden Jacob Floriszn. van Bourgondiën en Otto Jacobszn. Kranenburg aangesteld tot ambachtsbewaarders van Lisse. Samen met de schout hielden zowel kroosheemraden als ambachtsbewaarders zich bezig met waterschapszaken binnen het ambacht, waaronder het onderhoud van wegen, bruggen en dijken (taken die tegenwoordig onder de noemer Openbare Werken vallen). De schout en kroosheemraden oefenden de rechterlijke taken uit, terwijl de bestuurlijke taken op de schouders rustten van de schout en de ambachtsbewaarders. [3] In de zeventiende en het eerste kwart van de achttiende eeuw werden de functies van kroosheemraad en ambachtsbewaarder eerlijk verdeeld onder de roomskatholieke en gereformeerde inwoners van Lisse. Zo waren onder andere de vader en oom van Jacob Floriszn. van Bourgondiën in de zeventiende eeuw actief als kroosheemraad. [4] Dat Jacob zich later eveneens met waterschapszaken bezig ging houden, is dus niet zo vreemd.
In Lisse week men op waterschapsgebied lange tijd af van de wettelijke bepaling dat bestuursfuncties alleen door lidmaten van de offi ciële staatskerk mochten worden uitgeoefend. Misschien woonden er in dit dorp toch niet voldoende gereformeerden om alle bestuursfuncties te vervullen. Daarnaast kan de verdeling van de waterschapsfuncties ook in goed onderling overleg zijn gebeurd. De bevolking nam in veel gevallen namelijk een wat gematigder standpunt in ten aanzien van de strenge verbodsbepalingen die van hogerhand werden opgelegd. [5] Dan zou je echter verwachten dat rooms-katholieken in Lisse ook tot andere bestuursfuncties werden toegelaten, en daar zijn vooralsnog geen aanwijzingen voor. De burgemeesters hadden, zoals gezegd, in de achttiende eeuw steevast een gereformeerde achtergrond. Er is dan ook meer onderzoek nodig om duidelijkheid te krijgen over deze bestuurskwestie.

Overzicht van de ambachtsbewaarders van Lisse in de jaren 1700-1725 (NB: over de jaren 1714-1716 en 1723-1724 zijn op dit moment geen gegevens bekend)

Procedure tot afzetting

Gedurende het eerste kwart van de achttiende eeuw had niemand zich echt gestoord aan het feit dat rooms-katholieke inwoners van Lisse tot ambachtsbewaarder werden aangesteld. In 1726 werd er door vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk van Lisse echter geklaagd bij de Classis van Leiden. De gereformeerde ambachtsbewaarder Otto Jacobszn. Kranenburg diende in mei van dat jaar af te treden omdat zijn termijn afl iep. Dat betekende dat de roomsgezinde ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën in dat jaar de oudste in functie en daarmee invloedrijkste ambachtsbewaarder van Lisse zou worden. Het was namelijk de oudste ambachtsbewaarder die de belangrijkste bestuurstaken uitoefende (al overlegde hij daarbij wel met de jongste ambachtsbewaarder). Men vreesde nu “dat bij het bewind van de paepsche [ambachtsbewaarder], de gereformeerde ambaghtslieden als timmerluyden, metselaeren, etc., aen welke thans het werk van het ambagt aldaer aenbesteet was, zoude werden affgedanckt, en het zelve aen paepsche gegeven.” Het draaide bij deze kwestie uiteindelijk dus niet om zuiver religieuze motieven, maar om de vraag wie alle werkzaamheden binnen het ambacht mocht verrichten. In dat licht bezien is het vreemd dat er niet eerder aan de bel werd getrokken. Het kwam namelijk wel vaker voor dat de oudste ambachtsbewaarder van Lisse rooms-katholiek was (zie bovenstaande tabel). Vermoedelijk speelden de problemen die in 1723 waren gerezen tussen de ambachtsheer en de kerkeraad van Lisse een rol bij de afzettingsprocedure. [6] De toenmalige ambachtsheer Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck was namelijk roomsgezind, en het was de kerkeraad een doorn in het oog dat hij als rooms-katholiek ambachtsheer het recht had om de predikant te benoemen. Er volgde een slepend juridisch confl ict, waarbij de ambachtsheer in 1725 uiteindelijk aan het kortste eind trok. De gedesillusioneerde Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck verliet kort daarop de Republiek der Verenigde Nederlanden. Met Lisse heeft hij zich daarna nooit meer bemoeid. Mogelijk heeft de kerkeraad van Lisse deze benoemingskwestie aangegrepen om meteen ook maar korte metten te maken met de laatste rooms-katholieke invloed in het dorpsbestuur. De bovenstaande gegevens wekken in ieder geval sterk de indruk dat er in Lisse gedurende de jaren ’20 van de achttiende eeuw een politiek-economische machtsstrijd gaande was. Hoe het ook zij, uiteindelijk kwamen de klachten over de rooms-katholieke ambachtsbewaarder van Lisse via de “Christelijke Synodus van Zuyd Holland” bij de Staten van Holland terecht. Zij bepaalden op 26 april 1726 dat Jacob Floriszn. van Bourgondiën diende te worden afgezet, en dat in zijn plaats een gereformeerde ambachtsbewaarder moest worden aangesteld. Daarnaast lieten de Staten van Holland weten dat er in het vervolg alleen nog maar gereformeerden tot ambachtsbewaarder mochten worden benoemd. Voor zover ik na kon gaan heeft men zich daar in Lisse vanaf 1726 steeds keurig aan gehouden. De rol van de rooms-katholieken in het dorpsbestuur was daardoor dus helemaal uitgespeeld. Zij moesten wachten tot de Bataafse Revolutie van 1795 voordat zij weer bestuurlijke activiteiten konden ontplooien.

Noten

[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 25 (ongefolieerd).

[2] Zie ook A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 78.

[3] Mr. S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (herdruk Alphen a/d Rijn 1982) 95 en 100.

[4] Nationaal Archief, DTB Lisse, boek L12A (1687-1699), fol. xii; enkele Lissese rooms-katholieke families die in de achttiende eeuw kroosheemraden leverden, zijn: Van Graven, Kroon, Schrama, Van der Voort en Vreeburg, zie: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 302.

[5] Mr. H.J.J. Scholtens, Uit het verleden van Midden-Kennemerland (Arnhem 1968) 69. [6] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 200-208

Herinneringen en belevenissen van de 2e Wereldoorlog.

Henk Schalk vertelt over zijn belevenissen  in en herinneringen aan de 2e wereldoorlog.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding.

Wat zou het goed zijn, als er personen zijn die de 2e Wereldoorlog, met name in ons dorp Lisse, heel bewust hebben meegemaakt en daarvan ook nog hun herinneringen en belevenissen op papier willen zetten. Die vraag kwam een poosje geleden bij mij op. Op verjaardagen hoor je vaak de verhalen over de periode die je zelf niet meegemaakt hebt. Ik vroeg het aan mijn zwager, Henk Schalk ( 1929). Geboren en getogen Lisser en zoon van een bakker.
De winkel en daar achter de bakkerij in de Kanaalstraat had als huisnummer 149. Tegenwoordig staat op die plek het bedrijf en winkel van Electrotechnisch Installatie Bureau Jan van der Reijden. Toen de oorlog uitbrak was Henk Schalk 10 jaar oud. Veel kan hij zich nog herinneren van de 5 jaar bezetting. Zie hier zijn verhaal dat hij voor de Vereniging Oud Lisse op papier zette.
Chris Balkenende.

Hier volgt het relaas van Henk Schalk.

10 mei 1940

We worden wakker van het lawaai in de lucht, kijken naar buiten en zien een vliegtuigje brandend naar beneden storten. Hebben de laatste maanden veel oefeningen van de soldaten gezien, maar dit is OORLOG. We gaan wel naar de kerk, want het is 2e Pinksterdag. Mogen dinsdag van vader niet naar school. Die blijkt trouwens gesloten te zijn. We brengen 4 dagen door met beplakken van de ramen met stevig papier/ karton, zodat ze niet in scherven uit elkaar kunnen springen.

15 mei 1940

De Duitsers hebben het hart van Rotterdam weggebombardeerd en dreigen hetzelfde te doen met Utrecht als Nederland niet capituleert. De regering moet het land wel overgeven, tegen criminelen valt niet te vechten. Na een paar dagen komt het bezettingsleger ook in Lisse. Wàt een legerauto`s, zo groot en hoog. Een paar Lissese meiden komen gelijk ook al lol maken met de chauffeurs : de eerste moffenmeiden !

Situatie op de hoek van de Broekweg en de Kanaalstraat na het bombardement

Op een avond in het begin van de oorlog zijn er plotseling laag over razende vliegtuigen en drie enorme explosies. Broer Frans van 14 jaar komt naar binnen hollen : “moeder…..moeder…..”. Het blijkt dat hij met Izak Leemans, de knecht, met een zaklantaarn in de lucht heeft staan schijnen. Ze dachten dat de bommen op het lampje gericht waren…. Een Engelse jachtbommenwerper werd achterna gezeten door een Duitse jager en had, om sneller te kunnen vliegen, zijn bommen afgeworpen ; één op de hoek Kanaalstraat/Broekweg -drie ? doden, één vlak voor de villa “De Driesprong” en één in het weiland daarnaast.
Al gauw start `s avonds vanaf Schiphol een vloot bommenwerpers om Londen te bombarderen. Dat betekent iedere avond/ nacht een paar uur wakker liggen van de vliegtuigherrie. Je komt absoluut niet in slaap. Maar er worden boven Engeland zoveel Duitse vliegtuigen neergeschoten, dat ze er mee moeten stoppen. De Engelsen gaan wraak nemen met nog veel meer en grotere bommenwerpers, die ook nog beschermd worden door snelle jachtvliegtuigen. Dus nog veel langer wakker liggen. Gelukkig namen ze op de terugweg een andere route.
Toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen gingen ze helpen om Duitsland te bombarderen, maar: gewoon overdag! Vanuit Engeland. Ze vlogen zo hoog dat de vliegtuigen bijna niet te zien waren, maar wel de bevroren uitlaatstrepen van de viermotorige toestellen. Soms kwam een aangeschoten toestel laag vliegend terug in een poging om Engeland te halen. De Duitsers schoten daar met hun luchtafweergeschut vanuit de duinen als razenden op. Het was beter om dan binnen te blijven, omdat de granaatscherven soms letterlijk in het rond vlogen. Op mijn verjaardag in december 1943 bombardeerden de Amerikanen Schiphol. Overdag. De bovenramen van de klas stonden open. Bij ieder salvo van de Duitse afweerkanonnen kletterden ze vreselijk. Mijnheer Koppenaal wilde ze daarom dicht doen. Maar iedere keer als hij er dichtbij was dreunde er weer een salvo en sprong hij haastig terug. Je zag in de lucht bij ieder salvo een serie zwarte wolkjes komen van de ontploffende granaten, zodat het zonlicht er minder door werd.
Eten, brandstof, kleding, eigenlijk alles werd al gauw gerantsoeneerd en kwam “op de bon”. Zogenaamd om alles eerlijk te verdelen. Maar in werkelijkheid omdat het bezettingsleger een aandeel van onze voorraden eiste, en om zoveel mogelijk naar Duitsland te slepen. Voor de middenstand in de voedselvoorziening was dat een ramp ; bij onze bakkerszaak moest de klant voor ieder broodje distributiebonnen inleveren. Die kregen ze bij het distributiekantoor op de Heereweg, voor een bepaalde periode en dan werd voor de week van de zoveelste tot de zoveelste van de maand in de kranten aangegeven welke bonnen er geldig waren. En zo zat de Familie Schalk de hele zaterdagavond bonnen te plakken op opplakvellen. De volle opplakvellen moesten worden ingeleverd bij het distributiekantoor en daarvoor kreeg je dan coupures waarmee je bij de meelhandel balen meel kon kopen. Al gauw werd de kwaliteit van het meel miserabel, want er werd van alles doorgemengd: erwtenmeel, roggemeel ; er was geen brood van te bakken. De mensen die aan tarwemeel wisten te komen kwamen dat bij ons inleveren en later hun brood afhalen.
In 1944 kregen de kleinere bakkers geen brandstof meer om in hun eigen bakkerij te blijven bakken. Zo moesten wij en bakker Schakenbos bij de Protestantse Coöperatie op “De Gracht” intrekken. Tot dat er bijna niets meer was en de mensen broodblikken kwamen brengen waarin deeg kon zitten, gemaakt van roggemeel, gemalen spinaziezaad, tulpenbollen, pulp van suikerbieten en nog meer ellende. En dat in allerlei formaten zodat de bakker de grootste exemplaren achter in de oven moest schuiven, omdat die het laatst gaar waren en hoe kleiner, hoe meer naar voren en het eerst gaar. We hebben wel meegemaakt dat de klanten een stok op de bodem van het blik gelegd hadden, om te controleren of het echt wel hun deeg was en of er niets was afgehaald. Ook wel dat ze een aantal bonen in het blik gelegd hadden. Met Kerstmis 1944 kwam een Duitse militaire bakker koek bakken bij de Coöperatie, onder begeleiding/controle van een sergeant… Een levensgrote bol koekdeeg lag op de werkbank. Toen de eerste plaat koek uit de oven kwam kreeg de sergeant er één van. “Hmm, schmeckt gut”. Maar de bakker bromde : “Mit Eier wäre`s besser gewesen”. En dat terwijl de bevolking hongeroedeem had. Thomas Gort uit de Beatrixstraat wachtte tot bakker en sergeant even in het magazijn waren, kneep een groot stuk koekdeeg van de berg af, stopte het weer netjes toe en verborg het in zijn tas. Toen de Duitsers klaar en weg waren zei hij tevreden : “Ziezo, nou ga IK koek bakken”. Link genoeg, want dat was stelen van legervoorraden !
De honger was groot, ik meen dat het rantsoen in de hongerwinter (december-maart 1944-1945 ) een roggebrood van 800 gram was voor een hele week en dat terwijl er verder nagenoeg niets was. De mensen die zelf aardappelen hadden waren nog betrekkelijk goed af. Toen in die winter mijn bakkerskar bij iemand voor de deur stond waar ik binnen was, kwamen er een jongen en een meisje aanrijden, haalden allebei een brood uit de kar, wikkelden die in een jutezak en reden weg. Toen ik schreeuwend naar buiten rende lieten ze het gauw op straat vallen en vluchtten weg. Dat waren geen echte dieven, die waren “De Meer” in geweest om een beetje eten proberen te kopen en dat was niet gelukt. Waarschijnlijk Leidenaars. Een andere keer kwamen er twee zwarthandelaars bij mijn kar staan : “Bakker, je hebt nog wel een broodje over ; zestig gulden”….
In de herfst van 1944 was, om de bevolking wat beter te kunnen voeden op de Haven een gaarkeuken ingericht. De bevolking had geen brandstof en kon daar met inlevering van hun distributiebonnen een aanvankelijk nog voedzame maaltijd kopen. Later werd de spoeling heel dun en moesten er ook suikerbieten verwerkt worden. Neef Henk Brussé had daar de administratie van.
Hoe de Duitse militairen aan hun vis kwamen ? Ze vorderden bij brugwachter Wesselius een roeiboot en gingen een eindje het Kanaal op, trokken de slagpin uit een handgranaat en gooiden die weg en als de waterzuil van de ontploffi ng was uitgebruist kwamen de verdoofde en de dode vissen vanzelf boven drijven…
Een aardig voorval uit 1941. De Duitsers lagen in onze school in de Schoolstraat. Er moest een aanval met rubberboten geoefend worden, juist toen de school bijna aan zou gaan. Het starten was op de plaats waar vroeger expediteur M. van der Linden was, aan de Gracht. Eén rubberboot was al van de kant afgestoken toen er nog een soldaat aan kwam rennen. Hij moest van de commandant toch springen, maar: half er naast en werd op het bootje gehesen. En lachen de schoolkinderen en woest de commandant.
Die soldaten werden `s avonds en `s nachts ingekwartierd bij de burgerij. Het hele dorp was geïnspecteerd en als je een kamertje of ruimte had waar er wel een paar konden slapen, kwam je er niet onder uit om ze te nemen. Wij kregen er twee uit Beieren : de ene was houthakker van beroep, vingers als worsten en een trouwring zo groot als een hoepel ( ietsje overdreven ). Na een paar maanden moesten ze weer weg, ze wisten niet waar naar toe. Een half jaar later stond de troep ineens weer op het Asveld, nu parkeerterrein t.o. onze school. Ook onze August Benedict en Hans Hecker. Ze waren duidelijk blij om ons weer te zien en of we aan onze Vater und Mutter wilden vragen “of ze weer bij ons mochten”. Dan mocht het van de commandant ook. Het waren echt aardige kerels. Ze brachten van de dienst altijd “drups” mee, druivensuikersnoepjes, erg lekker. Wij hadden al snel geleerd om te vragen “Haben sie noch Drups ?” Ze waren toen in Frankrijk geweest bij het bezettingsleger.
De avond voor Kerstmis 1942 kwamen ze in de bakkerij, thuis van een dienstfeestje, Hans half aangeschoten, tenminste : Hans had de klompen van mijn vader aangetrokken en stond op de neus te drukken of ze wel pasten… Dat was wel lachen natuurlijk. Maar toen hij daarna ook de Hitlergroet maakte, met uitgestrekte rechterarm “Heil Hitler” riep, had je moeten zien hoe woedend August op hem werd… Waarschijnlijk meer omdat hij wist hoe de Hollanders over Hitler dachten, dan om zijn eigen gevoel voor Hitler. Want de inwoners van Beieren waren uiterst Rooms Katholiek en ze geloofden heilig wat Hitler altijd propageerde over Rusland, de Communistische Godloochenaars en de strijd daar tegen. Kort daarna moesten ze weer weg, wisten zogenaamd weer niet waar naar toe. Dat ze bang waren dat het naar Rusland zou zijn, durfden ze niet eens hardop te zeggen. Het Duitse leger in Rusland had zware verliezen geleden en moest en zou aangevuld worden, desnoods met tweederangs troepen. Later kwamen van Frau Benedict en Frau Hecker de bidprentjes, “Gefallen für das Vaterland”. En zo ook bij andere mensen die inkwartiering hadden gehad.
Jonge mannen waren al gauw niet meer veilig voor de bezetters en de N.S.B. Die moesten als ze zo`n 18 jaar waren en maar enigszins gemist konden worden, in de Arbeidsdienst, een op militaire leest geschoeide organisatie. Ze moesten in uniform allerlei klussen doen. Met hun als een geweer over de schouder gedragen scheppen, leerden ze exerceren en marcheren, allerlei domme commando`s opvolgen en werk doen in de voedselvoorziening of zelfs ten behoeve van het Duits leger.
In de tweede helft van 1944 was er geen enkele man meer veilig. De Duitsers gingen razzia`s houden en haalden iedere man uit huis of van de straat die ze konden vinden. Waar ze naar toe gingen wisten ze nooit, maar dat kon van alles zijn: werken aan Duitse verdedigingsinstallaties, naar Duitsland enz. Als ze gepakt werden bij een poging om te ontsnappen waren ze heel slecht af.
Werkelijk miserabel en angstig werd het toen in het Keukenhofbos een startbaan van de V-1 was aangelegd; zeg maar zo`n vijftig meter voorbij ( nu ) de van Lyndenweg links, tien of twintig meter van de Stationsweg. Wij wisten van de aanleg niets af, alleen dat de Stationsweg was afgesloten vanaf het “zandpad” tot de Loosterweg. Reken maar uit hoe ver je om moest lopen als je bij Lammetje Groen moest zijn. De eerste keer dat zo`n ding werd gelanceerd lagen we stijf van schrik in bed; een geluid alsof er twintig tractors tegelijk werden gestart vlak voor je deur. Dat was de eerste keer dat ik begon te

Boerderij uit 1942 van de boerderij van familie de Wit, boerderij ‘de Phoenix’

wanhopen of de Duitsers de oorlog wel echt zouden verliezen. Eén is er toen nog dicht bij de boerderij van de Wit neergestort en ontploft. Geen ruit meer heel en geen pan meer op het dak.
Wij hebben toen voor de mensen die alles kwamen repareren nog met meel van de Wit brood gebakken en geleverd. Gebracht op een handkar. Toen ik met onze geëvacueerde knecht uit Bruinisse vlak bij de boerderij was kwam er een aanval met Spitfires op de spoorlijn, vlak bij het station, je zag de bommen vallen, zo dichtbij, alsof ze op je hoofd zouden komen. Vreselijk angstig.

Als de Duitse Abteiling ging marcheren liep voorop een Feldwebel. Die had een paar oorlogsonderscheidingstekens en een ( gemeen ) gezicht, verminkt door een enorm litteken. Die gaf het tempo aan en brulde zo nu en dan: “Ein_Lied_ _ _zwei_vier_ _ _” en dan zong de hele troep gehoorzaam zo`n Heimatliedje mee. Dat was bij de Duitsers gebruikelijk, om bij iedere afdeling minstens één echte NAZI te zetten. Broers en neven van een schoolkameraadje waren op de Tuinbouwschool op de Heereweg en hadden daar met scheikunde een explosief mengsel leren maken. Zij noemden dat Calium/Magnesium en haalden dat gewoon bij de drogist. Ze hadden daar een leuk spelletje mee verzonnen. Ze deden dat in pakjes en legden die op de tramrails vóór de Rooms Katholieke school op de Heereweg. Zelf kropen ze ( en wij..) achter de struiken in de tuin van de Bollenkwekers Gebr. Segers.

Als de tram er overheen reed hoorde je een stel daverende knallen, werd de schildwacht die voor de bezette school stond héél erg zenuwachtig en ging staan zwaaien en dreigen met z’n geweer; een niet ongevaarlijk spelletje!
Toen de voedselvoorziening onvoldoende werd – al in 1943 – kon je van de Gemeente Lisse gratis een volkstuintje krijgen. Er was een braakliggend terrein, begrensd door de Broekweg-( nu ) Hyacintenstraat- Gladiolenstraat en ( nu ) Irissenstraat, waar je dan een stukje van mocht bebouwen. Tabak was er al gauw helemaal niet meer. In het begin van de oorlog waren er nog “Blazertjes” te koop, een soort sigaretten van Joost-mag-weten wat voor soort van gedroogde bladeren. Een gruwelijke smaak en stank… Wie een beetje tuinruimte had ging zelf tabak verbouwen en dat groeide hier eigenlijk best aardig. Als de bladeren groot genoeg waren werden ze geoogst, de nerven er uit gehaald en gedroogd. Dan in heel smalle reepjes gesneden en gefermenteerd. Dat was dan de “Eigen Teelt”. Als de shag helemaal klaar was kwam het probleem van de vloeitjes die niet meer te koop waren. Krantenpapier was wel een heel slechte vervanger. Het is bekend dat er menig dun papierig bijbeltje en psalmboekje voor misbruikt is.
De Duitse bezettingsmacht bestond aanvankelijk uit parate troepen. Toen die allemaal naar Rusland verdwenen waren, kwam er “tweede keus” voor in de plaats, ouderen en minder validen. Die bleken op den duur niet mobiel genoeg en gingen fi etsen vorderen. Ik stond een keer in de Kanaalstraat, voor de brug rechtsaf dus, aan deze kant van het Kanaal. Net over de brug stond zo`n Duitser en daar kwam van de kant van De Kaag een mij bekende Lisserbroeker aan fi etsen op een fi ets met luchtbanden. Die werd aangehouden en daar stonden ze allebei aan de fi ets te trekken. “Mot je mijn Fahrrad hebbe ?” de één, en: “Ja Mensch, das ist beständigt für die Wehrmacht” de andere. Maar omdat de Duitser in z`n ene hand dat zware geweer had, wist de Dijker z`n fi ets toch los te rukken, er op te stappen en terug te rijden richting huis. Nageschreeuwd en gedreigd door de soldaat en die had toch niet het lef om te schieten.
Er is nog een gelegenheid geweest dat de Zweden, met toestemming van de Duitsers, schepen met balen bloem mochten lossen in Delfzijl. Hoe dat bij ons terecht kwam weet ik niet meer, wel dat het als een groot geschenk werd gezien. Toen kon er weer even echt goed brood worden gebakken. Later, maart of april mochten Engelsen en Amerikanen voedselpakketten droppen in de buurt van de steden: Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem, Vogelenzang. Dat werd een grote uitkomst. Mensen stonden met lappen en vlaggetjes te zwaaien naar de laagvliegende voedselbommenwerpers. Je kon soms echt de bemanning zien zitten, vooral de Amerikanen waarvan de Vliegende Forten veel meer glas in de voorkant hadden. Bij de Protestantse Coöperatie stond Koos van Leeuwen op het dak van het magazijn naar ze te zwaaien. In zijn enthousiasme deed hij een stapje achteruit, nog een stapje en nog één en viel achterover naar beneden waar Horsman zijn broodkar stond te laden en Koos werd ongedeerd door hem opgevangen.
Eén of twee weken voor het einde van de oorlog op 5 mei konden de Duitsers geen V-1 ‘s meer bij de startbaan krijgen. De spoorlijn was verwoest en misschien hadden ze er ook niet meer. De gigantische dreun van het opblazen klonk ons als muziek in de oren, want je begreep: “nou duurt het echt niet lang meer”. En de enorme rookwolk die langzaam naar het Noorden dreef werd zo lang mogelijk nagekeken. Toen je na het einde van de oorlog op 5 mei 1945 weer in het bos mocht komen, kon je zien wat voor een onding het eigenlijk was: een betonnen baan waarop een stalen buis van 30 of 40 meter lang, met aan de bovenkant een gleuf. Daar werd een soort overmaatse ijzeren bot doorheen geschoten. Aan dat bot zat aan de bovenkant een haak die boven de gleuf uitstak en het projectiel/vliegtuigje meenam, waarvan de primitieve reactie-motor van tevoren was gestart. Alles maakte een heidens kabaal en het heette dat er zoveel vuur uit de gleuf en de motor kwam dat ze daar hun soldaten niet aan waagden, maar er krijgsgevangenen voor gebruikten.
Maar op 5 mei capituleerde het Duitse leger onvoorwaardelijk en braken er betere tijden aan.

Historische Villa Wildlust gesloopt!

Maart 2009 is Wildlust gesloopt, ondanks dat het gebouw monumentwaardig was. De alternatieven voor de rotonde, aangedragen door de VOL, werden helaas niet overwogen. 

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Omdat de provincie vanwege verkeersperikelen een rotonde wil aanleggen op de kruising Meer en Duin, Zwartelaan en Heereweg werd na een lange procedure die al in 2007 was gestart, de historische villa Wildlust , Heereweg 14, eind maart 2009 helaas gesloopt. De door VOL bij het College aangedragen alternatieven voor de aanleg van de rotonde werden helaas niet serieus overwogen. Hoewel dit pand, zowel door de Monumentencommissie en ook door de VOL bouwkundige werkgroep als Gemeentelijk monument werd gewaardeerd, wilde het College zich om politieke redenen helaas bij de provincie niet inzetten voor het behoud van deze historische villa en werd de villa in 2008 niet in de lijst Gemeentelijke monumenten opgenomen.

Wildlust omstreeks 190

De hoog bejaarde eigenares verzette zich in eerste instantie hevig tegen de sloop en wilde absoluut niet vertrekken uit haar pand. Om haar monumentale pand te beschermen tegen sloop startte ze een aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk. monument. Ook het Cuypers genootschap van architecten had een verzoek tot aanwijzing tot gemeentelijk monument ingediend. Het college wilde om bovengenoemde politieke redenen deze verzoeken om aanwijzing tot gemeentelijk monument niet honoreren en startte een onteigeningsprocedure. Het verzoek van het Cuyperscollege werd door het College niet ontvankelijk verklaard omdat men het Cuypers genootschap niet als belanghebbende beschouwt. Hiertegen is het Cuypers Genootschap in beroep gegaan. Deze procedure loopt nog. Echter bleek na een lange onteigeningsprocedure dat de eigenares uiteindelijk toch heeft ingestemd met de verkoopvoorwaarden zodat het pand nu zo snel mogelijk en defi nitief werd gesloopt (onomkeerbaar en onherstelbaar), ook al wordt de rotonde voorlopig nog niet direct aangelegd!
Alles overziende betreurt de VOL de sloop van deze villa in hoge mate. Bijzonder jammer vinden wij dat het College zo weinig belangstelling heeft gehad om dit, voor de geschiedenis van Lisse, zo belangrijke historische monumentale pand te behouden en niet serieus de door VOL aangedragen alternatieven heeft overwogen.

De afbraak van Wildlust in 2009

Wildlust was een bekende buitenplaats gelegen aan de rand van de wildernisse (het duingebied tussen Hillegom en Lisse). De buitenplaats Wildlust heeft een voor Lisse belangrijke historie en is op veel 19e eeuwse kaarten aangegeven. De bekende Lissese chirurgijn, Casparus Henricus Wolff, was hiervan eigenaar van 1814 tot 1819. Daarna woonde hier van 1819 tot zijn dood in 1859 de bekende hoogleraar en directeur van het Leidse museum van Natuurlijke Historie, Dr. Coenraad Jacob Temminck. Temminck maakte er een schitterende buitenplaats van door de aanleg van prachtige tuinen. Fons Hulkenberg beschreef de geschiedenis van Wildlust in detail in zijn boek ’t Roemwaard Lisse, Ook de bekende Lissese dichter Jan de Graaff memoreerde Wildlust al in zijn dichtbundel “Arkadia”, verschenen omstreeks 1770.  het einde van Wildlust is nu helaas ingeluid: “Sic Transit Gloria Mundi”!

Erepenning 2009 voor Achterweg-Zuid 51

De erepenning 2009 is uitgereikt aan de heer Romijn van Achterweg Zuid. Het gebouw uit 1909 is zeer goed onderhouden.

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Nieuwsflitsen

Na het algemene gedeelte van de jaarvergadering maakt Frits Treffers bekend wie op een buitengewone manier een pand hebben opgeknapt en daardoor een bijdrage leveren aan het behoud van historisch waardevolle panden in Lisse. Op zijn welbekende enthousiaste manier vertelde Frits Treffers hoe dit keer gekozen is voor een pand in het buitengebied. De spanning werd opgevoerd doordat eerst de top van het pand werd getoond.

Te zien was fraai metselwerk en een raam met aan weerszijden het bouwjaar: 1909. Een pand van precies een eeuw oud. Het is een complex van woonhuis met bollenschuur. In de loop der tijd zijn er aanpassingen geweest, maar de beelden tonen hoe zorgvuldig dat gedaan is. Bij een dia van de dakgoot op klossen verzucht Frits Treffers dat zo’n staaltje van vakmanschap in de huidige tijd veel te duur zou worden. Dan wordt het tijd om namen te noemen. De heer Romijn wordt naar voren geroepen om voor zijn pand, Achterweg Zuid 51, de erepenning 2009 in ontvangst te nemen. Het pand is al lang in de familie en puntgaaf onderhouden, wat een oude foto nog eens duidelijk maakt. De oude foto laat echter ook een oud detail zien wat de tand des tijds niet overleefd heeft, nl. het houten ornament in de top. Al met al een terechte toekenning van de penning aan een fraai voorbeeld van bloembollenerfgoed in Lisse.

Woning met aangebouwde bollenschuur

Deze woning is uit 1909

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 1

De Lissese gasfabriek is niet meer. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw velde de slopershamer de fabriek die door de komst van het aardgas niet meer noodzakelijk was. Het was een fabriek die heel wat keren over de tong der politici is gegaan en al ver voordat de eerste spade de grond inging de emoties hoog deed oplaaien.