Van Lisse naar Hillegom: de verhuizing van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal in 1727.

Bedelaars en armoedzaaiers worden uit de dorpen geweerd. Zo moest Adriaan Corsz. Ruigrok van der Werve verbannen worden naar Hillegom. Hij kwam oorspronkelijk uit Hillegom. De genealogie van de familie Ruigrok van der Werve wordt besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

Inleiding

Bij het handhaven van de openbare orde werd door de dorpsbesturen in de Duin- en Bollenstreek lange tijd veel aandacht besteed aan het weren van bedelaars en armoedzaaiers. Zij werden gezien als een bron van sociale onrust en dienden zo snel mogelijk uit het dorp verwijderd te worden. Om te voorkomen dat de dorpen hun eigen arme inwoners zomaar naar een naburig dorp stuurden, moesten de dorpsbesturen zich in de achttiende eeuw garant stellen bij verhuizingen. Deze garantstellingen zijn wat Lisse betreft terug te vinden in de resolutieboeken van de schout en burgemeesters, die worden bewaard in het gemeentearchief van Lisse. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de verhuizing van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal. Dat biedt mij tevens de gelegenheid om wat dieper in te gaan op de familie Ruigrok van der Werve.

De familie Ruigrok van der Werve

Huys Dever te Lisse in 1725, afbeelding uit de Atlas van Schoemaker (Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam)

De Lissese rooms-katholieke familie Ruigrok van der Werve komt oorspronkelijk uit Wassenaar. De voorouders van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve woonden daar al in de vijftiende eeuw. Zij gebruikten toen nog niet de achternaam Ruigrok. Die zijn zij namelijk pas gaan dragen vanaf 1613. [1] In de loop van de zeventiende eeuw werd daar ook nog ‘van der Werve’ aan vastgeplakt. Zo wordt in 1690 melding gemaakt van “Cornelis Willemse Ruijgrok Werf”, tuinman te Lisse. [2] Cornelis Willemszn. Ruigrok van der Werve was een oom van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve. Hij woonde en werkte bij het Huis Dever als tuinman/boomgaardenier. [3]
Het is nog onduidelijk op welke grond de familienaam Ruigrok van der Werve werd aangenomen. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat deze van oorsprong Wassenaarse familie in mannelijke lijn afstamt van het adellijke geslacht Ruigrok van der Werve, dat in de vijftiende eeuw veel aanzien genoot. Het is mogelijk dat de naam langs vrouwelijke weg in de familie terecht is gekomen – dat was in de vijftiende en zestiende eeuw niet ongebruikelijk -, maar ook het onderzoek in die richting heeft tot nu toe geen adellijke herkomst aan het licht gebracht (in ieder geval geen concrete afstammingslijn).

Fragmentgenealogie van Willem Leendertszn. Ruigrok

Van tuinman tot veehouder

Detail van een kaart uit de 17e eeuw met daarop onder andere de Roversbroekpolder

Adriaan werd op 5 februari 1700 in Lisse gedoopt als zoon van Cors (of Corstiaan) Willemszn. Ruigrok van der Werve en Adriana Pietersdr. van ’s-Gravendijk. Waarschijnlijk is hij vernoemd naar zijn in 1698 overleden oom Adriaan Willemszn. Ruigrok van der Werve, tuinman op het landgoed Wassergeest. De vader van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve werd geboren in Wassenaar en duikt tijdens het laatste kwart van de zeventiende eeuw voor het eerst in de Lissese archiefstukken op. Volgens het uit 1680 daterende kohier van het familiegeld (een belasting die door de Staten van Holland was opgelegd) was de toen nog ongehuwde Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve werkzaam als tuinman:
Cors Willem Ruygrock, met noch een jongman, tuynlieden, met twee dienstboden in de kost [4]
Het is op dit moment niet bekend waar Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve als tuinman heeft gewerkt. Wel staat vast dat hij later van beroep is veranderd. In het kohier van het familiegeld uit 1690 wordt Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve namelijk “koehouder” genoemd, oftewel veehouder. [5] Hij wist een aardig bedrijf op te bouwen, want in 1705 blijkt “Kors Willemse Ruijgrok vander Werf” gebruiker te zijn van in totaal 21 morgen en 501 roeden land in Lisse. [6] Het merendeel van de percelen lag in de Roversbroekpolder.

Verhuizing naar Hillegom


Zicht op Hillegom in 1733 met de Hervormde Maartenskerk en rechts het Hof van Hillegom, afbeelding uit de Atlas van Schoemaker (Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam)

Over de jeugd van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve is weinig bekend. We weten op dit moment alleen dat hij al op vijfjarige leeftijd zijn vader verloor. Eenmaal volwassen trad Adriaan op 18 november 1725 in Lisse in het huwelijk met de uit Overveen afkomstige Aaltje Lambertsdr. Admiraal. Mogelijk woonde hij eerst nog enige tijd bij zijn moeder op de boerderij. In de jaren 1725-1727 wordt Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve namelijk niet vermeld in het kohier van de ordinaris verponding of andere Lissese belastingkohieren. [7] Blijkbaar had hij toen nog geen zelfstandig huishouden. In 1727 besluiten Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal te verhuizen naar Hillegom. Zoals ik in de inleiding al aangaf, diende het dorpsbestuur van Lisse zich in dat soort gevallen garant te stellen. Verder onderzoek zal uit moeten wijzen of dit bij iedere verhuizing noodzakelijk was, of dat het alleen een rol speelde bij personen waarvan men dacht dat ze een grotere kans hadden om tot armoede te vervallen. In ieder geval legden Cornelis Janszn. van der Jagt, Klaas van der Does, Quirijn Corneliszn. Geel en Harmen Tijdeman, burgemeesters van Lisse, samen met de schout Jacob van Dorp op 17 april 1727 de volgende verklaring af (de leeftijden zijn om de één of andere reden niet ingevuld):
Schout ende burgemeesteren van Lisse beloven tot versekertheyd van die van Hillegom, dat ingevalle Adriaan Korse Ruijgrok van der Werf, oud omtrent … jaren ende desselfs huysvrouwe Aaltje Lammerts Ammeraal, oud omtrent … jaren, van Lisse metter woon vertrokken na [naar] Hillegom, dat God verhoede binnen den tijd van ses jaren tot armoede kwamen te vervallen ende adsistentie van nooden hadden, wij die van Hillegom voorz. van alle lasten dienaangaande sullen ontheffen, onder verband als na regten. Actum Lisse 17 April 1727 [8]
Dit was een belofte die de Lissese dorpsbestuurders makkelijk konden maken, aangezien zij de kosten in dit geval niet zelf op hoefden te brengen. Kort voor het opstellen van de zogenoemde “Acte van bevrijdinge ende ontheffinge” (ook wel ‘akte van indemniteit’ genoemd) waren de roomskatholieke kerk- of armmeesters Klaas Pieterszn. van Beieren en Gerrit Hendrikszn. Hoogkamer namelijk bij de schout en burgemeesters van Lisse langs geweest:
Compareerden ter vergaderinge van schout ende burgemeesteren van Lisse, Claas Pieterse van Beijeren ende Gerrit Hendrikse Hoogkamer, kerk ofte armmeesteren van de Roomsgesinde in Lisse, ende beloofde inde voorz. qualiteyt die van Lisse te sullen ontheffen ende bevrijden van alle lasten van onderhoud die hen soude mogen toekomen van Adriaan Korse Ruijgrok van der Werf ende Aaltje Lammerts Ammeraal, geegtelieden, van Lisse metter woon vertrokken na Hillegom, versoekende aan schout ende burgemeesteren dat sij Acte van bevrijdinge ende ontheffi nge wegens de voorn. personen tot genoegen van die van Hillegom voorz. gelieven te passeren. Actum 17 April 1727.
Hoewel de schout en burgemeesters van Lisse zich offi cieel garant stelden tegenover de Hillegomse dorpsbestuurders, werd de eventuele armenzorg voor Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal uiteindelijk geregeld en bekostigd door de rooms-katholieke armmeesters van Lisse. Er was dus als het ware sprake van een getrapte garantstelling. Meer conclusies zijn er uit dit ene voorbeeld helaas nog niet te trekken, maar het geeft wel enig inzicht in de rol die dorpsbesturen en armmeesters speelden bij verhuizingen in de achttiende eeuw. Daarnaast is het voor genealogen handig om te weten dat er in de resolutieboeken van de schout en burgemeesters van Lisse mogelijk nog informatie te vinden is over verhuizingen van hun Lissese voorouders.

Naschrift

Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal zijn kort voor 17 april 1727 naar Hillegom verhuisd. Aaltje was toen hoogzwanger. Zij beviel niet lang na de verhuizing van een zoon (Cors), die op 15 mei 1727 in Vogelenzang werd gedoopt. Volgens de doopinschrijving woonden Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal toen in Hillegom, in het deel dat ook wel het “Oostende” (of Oosteinde) werd genoemd. [9] Hier werden voor zover bekend negen kinderen geboren. Aaltje Lambertsdr. Admiraal overleed op 27 november 1736, twee weken na de geboorte van het laatste kind. Blijkbaar waren er tijdens de bevalling complicaties opgetreden. Opvallend is dat niet, want in deze tijd overleden er nog veel vrouwen in het kraambed. Gebrekkige medische begeleiding en slechte hygiënische omstandigheden waren daar debet aan. Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve hertrouwde daarna op 24 februari 1737 in Hillegom met de uit Warmond afkomstige Pieternel Anthonisdr. van Dam. Uit dit tweede huwelijk zijn tien kinderen bekend, die allemaal in het Oostende in Hillegom zijn geboren. Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve lijkt daarmee een groot gezin te hebben gehad, maar zijn kinderen zijn lang niet allemaal volwassen geworden. Voor zover bekend overleden negen van de in totaal negentien kinderen al vóór hun vijfde levensjaar (waarvan het merendeel binnen twee jaar na de geboorte). Dat gebeurde in de achttiende eeuw in veel gezinnen. De slechte hygiënische omstandigheden zorgden in die tijd namelijk voor een hoge zuigelingensterfte.

Noten

[1] J.F. Jacobs, “Boerenfamilies Ruychrock in de omgeving van Den Haag in de zeventiende eeuw” (voordracht gehouden tijdens de Ruychrock-dag op 15 januari 1983). De tekst van deze voordracht kan onder andere worden geraadpleegd op de volgende website: http://www.jacobs-schumacher.eu/opuscula_genealogica.htm

[2] Gemeentearchief Lisse (hierna GAL), inv. nr. 230 (1690), fol. 14v en 17v. Adriaan Willemszn. heeft in dit jaar ook al Van der Werve aan zijn naam toegevoegd, maar Cors Willemszn. gebruikt in 1690 alleen de naam Ruigrok.

[3] Rob Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004) 39, en A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 286.

[4] GAL, inv. nr. 229 (1680), fol. 16.

[5] GAL, inv. nr. 230 (1690), fol. 19v.

[6] GAL, inv. nr. 77, fol. 11-11v.

[7] In het kohier van de ordinaris verponding uit 1725 en het kohier van het bede- en helmgeld uit 1727 wordt bijvoorbeeld alleen zijn neef Cornelis Corneliszn Ruigrok van der Werve vermeld, die als tuinman werkzaam was op de buitenplaats Wassergeest, zie: GAL, inv. nr. 52 en inv. nr. 84.

[8] GAL, inv. nr. 2, fol. 261.

[9] Met dank aan Tonny Nieuwenhuizen-Fransen van de Stichting Vrienden van Oud Hillegom voor de aangeleverde genealogische gegevens

De afdeling Lisse van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur 150 jaar.

De afdeling Lisse van de Algemene Vereniging Bloembollencultuur werd in 1879 opgericht. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstellingen werden gehouden in de Witte Zwaan. Deze afdeling bestaat nu 150 jaar. De wetenswaardigheden van de afgelopen 150 jaar worden besproken. In museum de Zwarte Tulp is een tentoonstelling hierover met de titel ‘Van windhandel tot wereldhandel’.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

In 2010 viert de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur het 150-jarige bestaan. Een belangrijke vereniging voor de kwekers van bloembollen en knollen en dus ook van belang voor de Lissese kwekers. In de geschiedenis van Lisse neemt de bollencultuur namelijk een belangrijke plaats in. Met name de laatste tweehonderd jaar. Veel ondernemers handelden voor de voet op, frank en vrij en naar eigen inzicht, maar op een gegeven moment ontstond de behoefte om zich te bundelen. Een vereniging op te richten. Dat werd dus de toen nog niet Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur en de Lissese afdeling daarvan zag op 13 maart 1879 het licht.

Afdelingen.

De oprichting vond plaats in een tijd waarin de zaken er een beetje anders aan toegingen dan vandaag de dag. We laten maar in het midden of dat inderdaad de goede oude tijd was, maar bedenkingen zijn er wat dat betreft hier en daar wel. Dat neemt niet weg, dat initiatieven ooit eens moeten worden genomen en dat gebeurde in 1860 onder meer voor de toekomst van het bloembollenvak. In dat jaar werd de Algemene Vereniging van Bloembollencultuur opgericht. Een vereniging die tot doel had het bollenvak meer naar buiten te laten komen en uiteraard allerhande zaken te regelen binnen het vak. Het verging de organisatoren echter niet zoals ze hadden verwacht. De belangstelling voor de vereniging bleef vrij lauw en het ledenbestand was niet bepaald om over naar huis te schrijven. In een ledenvergadering in het jaar 1878 werd besloten, de verenigingen op te splitsen in afdelingen en zie…..; met de komst van de afdelingen groeide het totale ledenbestand van de vereniging zienderogen en dat zette zich gedurende vele jaren voort.

Lisse

Op 13 maart 1879 werd dus de afdeling Lisse bij de vereniging ingeschreven. Een afdeling die in latere jaren zeer geducht in de weer zou zijn en tot vele zaken het initiatief zou nemen. Een afdeling ook, die meteen zeer duidelijk bijdroeg in de groei van het totale ledenaantal van de vereniging, want van de 24 eerste leden van de afdeling waren tot dat moment slechts twee mensen al lid van de moedervereniging. Een hele aanwinst dus. Onder leiding van voorzitter C. Blokhuis werden de eerste stappen op het verenigingspad gezet. Een naam waarmee men overigens nog vele jaren werd geconfronteerd, want toen de driejarige voorzittersperiode eenmaal voorbij was nam de heer G. Blokhuis de hamer over. Dit hamertje wisselen duurde tot 1896. In dat jaar verkoos de vergadering de heer A. Guldemond als voorzitter en deze bleef het voorzitterschap tot 1912 bekleden. Overigens is de naam Blokhuis daarmee niet opzij gezet, want nog heden ten dage is deze naam in Lisse zeer bekend. Denk maar aan het winkelcentrum met dezelfde naam.

Activiteiten

Graven in de geschiedenis van de afdeling, is graven in een eeuw waarin zich op alle mogelijke terreinen heel wat heeft afgespeeld en waarvan het weergeven ettelijke pagina’s zou vergen. Veel geschiedenis werd ook in Lisse geschreven, omdat vele activiteiten in het hart van de bollenstreek werden geboren en verder ontwikkeld. Naast de steun die men die moederorganisatie verleende bij haar activiteiten, zoals het Scheidsgerecht, de bloemenkeuringen en opnaamstellingen, de proeftuin en de diverse tentoonstellingen, wist men in Lisse ook van wanten en zo organiseerde men ook zelf tentoonstellingen. De tentoonstelling die in 1929 in de (houten) HBG hallen werd gehouden vanwege het 50-jarig bestaan van de afdeling, spande wel de kroon. Niet alleen omdat men een enorme berg werk verzette om alles zo mooi en groots mogelijk te doen zijn, maar ook voor wat betreft de enorme tegenslagen die men kreeg te incasseren. Het vroor in die bewuste februarimaand namelijk dat het kraakte (het gemeentehuis in Leiden brandde af en veranderde door het bevroren bluswater in een schitterend ijspaleis). De pakweg 20 graden vorst konden niet worden verwerkt door de nog experimentele oliestook c.v. en de tentoonstelling ging door de kou ten onder. Zelfs de voor 4000 gulden gehuurde palmbomen gingen eraan. Dat het publiek het liet afweten was iets dat zich duidelijk laat raden als we thans zien dat vele evenementen niet door kunnen gaan omdat men (zelfs met de huidige moderne middelen) er niet door kan. Een jubileum dus om maar gauw te vergeten. Voor u lichten we nog het volgende uit de annalen van de afdeling; “Meermalen hield deze afdeling welgeslaagde tentoonstellingen, die getuigenis afl egden van de volmaaktheid, welke het vervroegen, vooral der Hyachinthen, te Lisse had bereikt. De eersten dezer tentoonstellingen werden gehouden in 1881 en 1882, de volgende in 1886 en de derde in 1892.” Omtrent deze laatste tentoonstelling lezen wij in het Weekblad voor Bloembollencultuur: “Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen. Het lokaal van “De Witte Zwaan” was in een waar lustoord veranderd en reeds bij het binnentreden was de aanblik grootsch. Ofschoon tulpen schaarsch waren en Narcissen en Crocussen geheel ontbraken, werd men voor dit gemis schadeloos gesteld door de grote massa Hyachinthen welke in onberispelijke exemplaren voorhanden waren. De voorzitter der afdeeling, de heer P. Joh. Weijenbergh, hield bij de opening der tentoonstelling eene rede, waarin hij de geschiedenis van Lisse, voor zoover de bloementeelt betreft, verhaalde. De spreker herinnerde eraan, dat reeds in het begin der 19e eeuw vanuit Lisse handel werd gedreven met het buitenland. Reeds in 1813 waren, tijdens den slag bij Leipzig, twee bloemisten namelijk de heren Affourtit van Lisse en Kruijff van Sassenheim in die stad ingesloten geworden, waardoor zij in hunnen handel zeer waren bemoeilijkt…” In 1840 onderging de teelt eenige uitbreiding. Zij werd toen door een achttiental personen beoefend die tezamen evenwel niet meer teelden dan ongeveer anderhalf bunder (hectare) Hyacinthen en wat Tulpen en Crocussen naar verhouding. In 1841 werd voor het eerst een stuk weiland van 1000 roeden voor de cultuur ingestoken en ofschoon zulks later ook nog af en toe geschiedde, bleef het een zeldzaamheid tot aan het jaar 1865. Toen begon men de bloembollenteelt niet meer als een bijzaakje te beschouwen, maar zochten sommigen daarin het hoofdbestaan. Eerst in 1880 evenwel ging de teelt met reuzenschreden vooruit. Ettelijke bunders weiland werden jaar op jaar voor de cultuur geschikt gemaakt, zoodat in het jaar 1892, volgens de meededeling van den heer Weijenbergh, niet minder dan 40 bunders weiland voor de teelt werden gereed gemaakt. En wat een cijfers die Weijenbergh meegaf: “Er waren in dat jaar ongeveer 250 bunders land voor de Hyacinthenteelt in gebruik en er werd jaarlijks ruim f. 120.000 aan arbeidsloon uitgegeven. Het is welbekend, dat de ontwikkeling van Lisse sedert niet heeft stilgestaan, en de geschiedenis  der afdeling is van die geregelde ontwikkeling een afspiegeling. In 1898 nam zij het initiatief tot de oprichting van een ziekenfonds voor werklieden. In 1901 werkte zij krachtig mede tot de totstandkoming der districtstelefoon, waarvan Lisse het middelpunt werd. In 1903 droeg zij het hare bij tot bespoediging van den bouw van het nieuwe station en gebruikte zij haren invloed, om dit aan de belangen van het bloembollenvak te doen beantwoorden. In 1907 richtte zij een tuinbouw wintercursus op en krachtige pogingen werden door de afdeeling in het werk gesteld om de vestiging eener voor de bloembollenstreek op te richten tuinbouw winterschool voor de gemeente Lisse te verzekeren.”

Onderwijs

De afdeling bewoog zich ook op het gebied van het onderwijs en wel door middel van het organiseren van cursussen in de bloembollenteelt. Een belangrijke steun werd ook verleend aan het onderzoek dat de toenmalige Dr. van Slogteren verrichtte. Onderzoek dat zich steeds verder uitstrekte en uiteindelijk leidde tot de stichting van het Laboratorium voor Bloembollen Onderzoek, dat een wereldwijde naam heeft opgebouwd als onderzoekinstituut. De afdeling manifesteerde zich ook fl ink op het gebied van tentoonstellingen en veroverde vele prijzen. Vooral de tentoonstellingen met de vervroegde hyacinten waren befaamd en vele bezoekers keken in De Witte Zwaan de ogen uit het hoofd. Men zond ook in naar de Floriade van 1972 en behaalde een ereprijs met lof van de jury en een drietal eerste prijzen en ook in Keulen timmerde de afdeling geducht aan de weg. Als laatste voorbeeld noemen we het mede dankzij de bemoeienissen van de afdeling ontstaan van de Nationale Bloembollenmarkt in Lisse, die elke 3e zaterdag van de maand oktober wordt gehouden en waarvoor een groeiende belangstelling bestaat. Ook sociale problemen werden in de afdeling aangesneden, doch konden niet altijd succesvol worden afgewerkt.

Door onderwijs probeerde men de werkomstandigheden te verbeteren.

Reeds in 1892 stelde de 29-jarige J. Pynacker voor een pensioenfonds in het leven te roepen voor de werklieden. Na veel voorbereidend werk bleek dit echter geen haalbare kaart. Omstreeks die tijd had men in Lisse ook nog de handen vol aan een andere zaak, namelijk het streven in Amerika om de 30 procent invoerrechten op bloembollen in dat land weg te nemen. Er werd door de afdeling een advocaat in de arm genomen op een basis van zo ongeveer no cure – no pay. Het heeft een hele poos geduurd voordat die man centen zag.

Namen

Vele namen worden in de wereld van de Lissese bloembollencultuur vermeld en zeer velen hebben zich op onschatbare wijze verdienstelijk gemaakt voor dit vak. Een naam om nooit meer te vergeten is die van Nicolaas Dames. (zie onze vorige artikelen). De man die nooit luisterde naar wat anderen aan meningen trachten op te werpen, doch zijn eigen proefondervindelijke gang ging en vriend en vijand versteld deed zijn met zijn resultaten van de vroege en late hyacintenbroei. Aan het front van het huidige laboratorium dat nu PPO Bloembollen en bomen heet, staat nog immer een borstbeeld ter nagedachtenis aan deze vakman, met als onderschrift “Voor kunde en Gemeenschapszin”. Een spreuk waaronder eveneens de (schaarse) medailles namens Nicolaas Dames Fonds worden uitgereikt, aan lieden die zich op de een of andere wijze bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor het bloembollenvak. Een andere naam die niet ongenoemd mag blijven is die van D.W. Lefeber. De “winner” zoals dat heet, van de darwin hybride Apeldoorn. Een rode tulpensoort. Zijn broer kon er trouwens ook wat van, want nog heden ten dage is de hyacint Pink Pearl zeer bekend. Een soort die maar liefst zo’n dikke tachtig jaar geleden al in de Beurszaal te Haarlem werd genoteerd. Lisse was en is het hart van bollenland en vele activiteiten werden en worden hier ontwikkeld. Activiteiten die in de gehele wereld eer en roem oogsten. En laat dat vooral zo blijven.

Houtkap landgoed Keukenhof niet zonder reden

De afgelopen tijd is in het bos nabij ’t Lammetje Groen veel essenhakhout gesnoeid. Er was een grote achterstand in het beheer van deze geriefbossen. Het was erg verwilderd en het voldeed niet meer aan de bedoelingen. De cyclus is nu weer opnieuw opgepakt.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

Afgelopen tijd is in het bos nabij ’t Lammetje Groen aan de Stationsweg veel gekapt. Het betreft hier echter niet het hakken om het hakken alleen, maar het oppakken van een cyclus zoals die ooit in gang werd gezet doch de laatste jaren in onmin is geraakt. Met tot gevolg dat het zogenoemde essen hakhoutbos verwilderde en geenszins meer aan de bedoelingen ervan voldeed.

Het kappen van het hakhoutbos is in volle gang. Foto Arie in ’t Veld

De cyclus is nu opnieuw opgepakt. Jan van Duyn, beheerder van het buitengebied van het landgoed erkent het idee dat de passant kan hebben dat er fl ink op los wordt gehakt. “Maar dat is inderdaad niet zonder reden. Het gebruik van het essen hakhoutbos (en we hebben meer van dergelijke gebieden op het landgoed) wordt in ere hersteld en mede daardoor wordt het bos bovendien weer als vanouds. Het landgoed heeft totaal ongeveer 50 hectare met essen hakhout en dat is van het landelijke areaal dat voorhanden is één van de grootste essen hakhoutgebieden. En men moet zich vooral geen zorgen maken over de kaalslag die zo op het oog aan de orde lijkt te zijn, want de bomen groeien binnen de kortste keren weer volledig uit en krijgen de tijd zich weer helemaal te ontwikkelen, waarna de cyclus van zeven à acht jaar de houthakkers hier weer terugbrengt.” Van Duyn zegt dat het hout verschillende bestemmingen heeft. “vroeger jaren waren er stukken van het essenbos die stammen leverden die geschikt waren als onder andere bezemsteel, of voor andere gereedschappen. Nu wordt het hout deels verkocht als haardhout en deels gaat het naar de ovens voor de biobrandstof. En gezien de ontwikkelingen op het gebied van biobrandstof is het aan te nemen dat we op den duur een substantiële bijdrage aan de ovens leveren, waarbij ook het andere groenafval een rol kan spelen.”

De werkzaamheden in het bos worden verricht door een ploeg die onder leiding staat van Liesbeth Beaumond. “Deze ploeg maakt deel uit van Rivierduinen, die operationeel is in de gehele regio. De mensen die hier aan het werk zijn hebben een psychiatrische achtergrond en het is de bedoeling ze klaar te maken voor een betaalde baan. Dus volledige terugkeer in de maatschappij. En ze hakken, zagen en sjouwen niet alleen het hout, maar behalen ook de benodigde certifi caten waarvoor dus de nodige opleidingen worden gevolgd.” Van Duyn vult aan dat de mensen het bij dergelijke projecten ook goed naar de zin moeten hebben. “Ze doen arbeidsritme op en krijgen ook te maken met het werken in teamverband en het dagelijkse ritme zoals dat in de maatschappij aan de orde is. Deze mensen zijn zeer gemotiveerd en ze moeten een kans krijgen om terug te keren in de maatschappij. Landgoed Keukenhof draagt daaraan graag het nodige bij.”
Of zoals Richard, één van de boswerkers, zegt: “Het werk is prachtig en heerlijk in de buitenlucht. We krijgen betaald en ik ben bezig met het volgen van een hoveniersopleiding. De sfeer onderling is bijzonder goed, er wordt ook het nodige gelachen en we werken allemaal met veel genoegen in het bos. Kortom: de samenwerking is perfect.” Aan het landschapsproject “Buizerd” van Rivierduinen wordt door een enthousiaste ploeg mensen keihard en enthousiast gewerkt. Mensen die hiermee de nodige ervaring opdoen op weg naar een zelfstandige plek in de maatschappij. En dan bovendien een bos op orde brengen en terug brengen naar de staat waarin dit bos altijd verkeerde en waarvoor het bedoeld was.

Kostbaar bezit

Essenhakhout is als beheersvorm in Nederland de laatste decennia sterk in oppervlakte afgenomen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de essenhakhoutcultuur vanaf eind jaren 50 van de vorige eeuw niet meer rendabel was. Op landgoederen als dat van Keukenhof bleef het bos intact omdat het goede dekkingsmogelijkheden bood aan wild bij het jagen. In Nederland is er nog zo’n 250 hectare aanwezig, waarvan ongeveer 50 hectare op Keukenhof. De Stichting koestert dit unieke gebied vanwege de hoge cultuurhistorische-, landschappelijke en natuurwaarden. In de ‘oude stukken’ is een verhandeling (1855) terug te vinden over aanleg en onderhoud van essenhakhout in de streek. Deze werd geschreven door Mr. E. van Olden, burgemeester van Voorhout aan de graaf van Bylandt, eigenaar van het Landgoed Bergendaal te Voorhout. Naast burgemeester was dhr. Van Olden ook rentmeester van dat landgoed en hij schrijft dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden wel enige theoretische kennis had van akkerbouw, veeteelt, grasland en houtteelt, maar dat de geaardheid van de gronden hoogst verschillend was en dus de behandeling ook verschillend moest zijn. Hij schrijft: “Ik heb in den beginne als in half donker moeten rondtasten, heb veel onderzocht, veel beproefd en veel in de praktijk gebragt, meermalen met gunstig, maar ook wel eens met ongunstig gevolg.” De manier waarop hij aan de eigenaar schrijft komt tegenwoordig kruiperig over, maar was in die tijd vrij normaal: ”…het is mij een aangename pligt UHGeb. deze regelen aan te kunnen bieden, teneinde UHGeb. een overzigt te kunnen geven van UHGeb. bezittingen, en te bewijzen, dat ik het door UHGeb. in mij gestelde vertrouwen en de mij betoonde welwillendheid niet geheel onwaardig ben geweest.” (UHGeb betekent U Hoog Geborene). In vroeger jaren werd het afgezande binnenduin vaak zonder voorafgaande bemesting beplant met erwten en aardappelen en wanneer bleek dat dat niet ging stelde men dat “ de grond niet deugde” en werden er bomen geplant. Ook die wilden vaak maar slecht wortelen door aanwezige katteklei of bruin veen of ijzerhoudend zand. De wortels groeiden daar niet doorheen en bij een beetje wind woeien de bomen om met een ‘zooltje grond van een halve el dikte’. Van Olden gaat uitvoerig in op de behandeling van de gronden voor essenhakhout, in die periode een gewaardeerde teelt want het bracht geld op: door zijn taaiheid was het hout geschikt voor gereedschapsstelen en disselbomen. Ook werden er bonenstaken uit gesneden en het kleinste hout werd gebruikt als rijshout. In de jonge aanplant op veengrond groeide veel gras, kweek en allerlei onkruid. Hij adviseerde om dat niet te schoffelen maar door jongens te laten snijden met messen. Dat gaat vlug en het kost weinig! Het onderhoud van de bossen mocht überhaupt niet veel kosten en alle mogelijke arbeidskrachten werden geadviseerd: Als remedie tegen de overvloedige onkruidgroei adviseerde hij om een jaar aardappels te telen tussen de jonge aanplant. De grond werd dan gespit en het onkruid verwijderd. Hij stelde voor om de bospercelen voor een jaar om niet af te staan aan bijvoorbeeld “oude bijkans afgeleefde arbeiders, die geen zwaar werk meer kunnen verrichten”. Nadeel daarvan was wel dat die vaak “kinderen en andere ongeschikte menschen” het werk lieten doen, die vaak veel jong lot vertrappen en beschadigen. Bramen waren toen ook al een plaag. Van Olden adviseert om die gedurende 3 jaar, twee keer ‘s jaars voor zover mogelijk mét de wortels uit te steken. De uitgestoken bramen moesten mèt al de wortels, tot aan de kleinste stukjes toe, uit het bos worden geraapt en na verloop van tijd met enig droog sprokkelhout verbrand worden. Het hakken moest om de 8 – 10 jaar gebeuren. De beste tijd om te hakken was eind november/begin december voordat de zware vorst inviel, ‘teneinde het sterk bloeden en daarmee het sterven der struiken te voorkomen.’ Daarom moest men ook alleen bij wassende maan hakken! (Dat is goed voor alle hout, maar vooral voor berkenhakhout en elzen. Voor eiken maakt dat weer niet zo veel uit…) Erg belangrijk voor de instandhouding van de bossen was het juiste hakproces. Dat moest op juiste wijze met scherpe bijlen en niet met hakmessen gebeuren. “ Het goed hakken van hakhout is, hoe eenvoudig het ook moge schijnen, zodat iedere boerenjongen meent het te verstaan, bij lange na niet eens ieders zaak, en er komen arbeiders genoeg voor, die in alle andere werk uitmunten en toch het goed hakken van hakhout niet in den slag kunnen krijgen.” Van Olden beschrijft vervolgens een nieuw type boomladder, die door 3 man (!)gehanteerd moest worden. Ook geeft hij allerhande adviezen over het snoeien van opgaande bomen. Hij besluit zijn verhaal met de opmerking dat iedereen bij zijn huis aan de brug over de Haarlemmervaart mocht komen kijken wat de resultaten van zijn zorgvuldig bosbeheer waren. En wat het hakken in het Keukenhofbosch betreft: … de geschiedenis herhaalt zich en zal zich nog vele malen herhalen.