Museum de Zwarte Tulp 25 jaar

Op 31 augustus 1985 werd het Museum de Zwarte Tulp geopend. Alle wetenswaardigheden van de afgelopen 25 jaar worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Dit jaar is het 25 jaar geleden dat Museum de Zwarte Tulp werd opgericht. Of liever gezegd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek werd 25 jaar geleden opgericht. Het idee voor een museum sproot voort uit bezorgdheid. In het Lisse van de tachtiger jaren was heel wat veranderd. Van een agrarisch dorp was Lisse, zeker met de bebouwing van de Poelpolder, deels een forensendorp geworden. Er werd afgebroken en gebouwd. De bevolking van Lisse was al massaal in opstand gekomen tegen de afbraak van het oude gemeentehuis. Hou Heel/Geen Houweel was de kreet die gebruikt werd om dit karakteristieke gebouw voor de toekomst te behouden en in het dorp hingen oproepen met deze kreet. De strijd werd echter verloren met als gevolg de nieuwbouw van het huidige raadhuis.

Deze strijd voor behoud had wel tot gevolg gehad dat een groep mensen elkaar gevonden had. Zij maakten zich zorgen. Want was er al niet veel meer verdwenen in de streek. Het bloembollenvak, de streekbepalende economische activiteit, was aan een totale metamorfose bezig: mechanisering, specialisatie en schaalvergroting. Alle handenarbeid was nu verleden tijd geworden. Alles werd vernieuwd en oude spullen werden in rap tempo weggegooid. Was het niet de hoogste tijd om te zorgen dat er ook aan het nageslacht nog uitgelegd en getoond zou kunnen worden hoe er in deze sector vroeger gewerkt werd?

Uit de beginperiode dateert deze foto met v.l.n.r. Wim Ouwehand, Jan Willem Plug en Henk Bosma (toenmalig burgemeester van Noordwijkerhout), 3 leden van Lionsclub Bollenstreek en rechts de drie oprichters Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetloot. De reden van de bijeenkomst laat zich raden: geld! (Coll. Arie in ’t Veld)

De aandacht werd verlegd van “hou heel/geen houweel” naar een actie om objecten te verzamelen uit de bloembollensector met de bedoeling die ten toon te stellen. Zo werd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek opgericht. Het driemanschap dat tekende bij de oprichting bestond uit: Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetsloot. Zij gingen voortvarend te werk. Joop Zwetsloot werd voorzitter van de stichting. Met de collectie moest gestart worden. Bij bollenbedrijven stonden op zolders natuurlijk allerhande gereedschappen en machines. Ook andere oude en antieke voorwerpen uit de streek zouden nog wel her en der te vinden zijn. Dus werd de pers ingeschakeld en gingen brieven uit naar kwekers in de regio met de oproep om hun oude spullen niet zo maar weg te doen, maar een schenking aan het museum te overwegen. Intussen moest natuurlijk ook een locatie voor het museum gevonden worden. In het centrum van het dorp Lisse stond het oude bloembollenbedrijf, voorheen timmerfabriek met werkplaats van de Gebroeders v.d. Zaal leeg. Beelen Verpakkingen had nog een poosje in het pand gezeten, maar de leegstand daarna deed het pand geen goed. Het was als een bouwval, rijp om gesloopt te worden. De gemeente Lisse was eigenaar, maar na een verzoek van de Stichting kreeg zij de beschikking over het pand. Natuurlijk moest er wel het een en ander aan het gebouw aangepast worden voordat het geschikt was om bezoekers te ontvangen. Maar de locatie zo midden in het centrum van Lisse was natuurlijk prachtig. Inmiddels werkten enkele enthousiaste mensen aan het opbouwen van een museumcollectie. Een gigantisch moeilijke klus die nooit ophoudt. Een klus ook die keuzes vraagt. De kunst van het bewaren is ook de kunst van het weggooien. Moet je de zoveelste aangeboden truffel aannemen? Moet je een voorwerp dat niet typisch is voor de Bollenstreek aanvaarden? Dit vraagt om een collectieplan en dan nog is het verre van simpel. Maar zo ver was het in 1985 beslist nog niet. Praktisch alles werd nog in dank aanvaard. En men was er blij mee, want tenslotte moest met de voorwerpen die men had het verhaal verteld worden.

Het poortgebouw werd bij het museum getrokken en afsluitbaar gemaakt.

Er was wel wat professionele steun maar het geheel draaide toch op de inzet van vele vrijwilligers. Zo was het in 1985 en zo is het anno 2010 nog steeds. Er is in die 25 jaar natuurlijk veel veranderd, maar nog steeds zijn het de vrijwilligers die het museum draaiende houden. Een ander steeds terugkerend fenomeen is het geld. In 1985 werd er flink gelobbyd om pecunia en ook daar is nooit een einde aan gekomen. Op 31 augustus 1985 gingen de poorten van het Museum open. De vrijwilligers waren er klaar voor om het publiek te ontvangen. Er waren cursussen gevolgd. Mevr. Simone Heikens werd secretaris van de stichting. Zij bleef dit lange tijd en nam gelijk met Joop Zwetsloot afscheid van het museum in 2005. Het museum had toen al een hele geschiedenis opgebouwd. Ook veel andere vrijwilligers blijven heel lang trouw hun activiteiten verrichten. Dat mensen zo’n lange tijd aan het museum verbonden zijn als vrijwilliger zegt ook iets over de sfeer. Je bouwt samen iets op en uit de reacties van het publiek ervaar je dat het enthousiasme overkomt. In de eerste jaren was er een vaste expositie die de ontwikkeling tot de Bollenstreek weergaf en het handwerk in de bloembollensector toonde aan de hand van gereedschappen en schuuronderdelen. Het was nog enigszins zoeken naar de juiste opzet. In het begin waren de openingstijden nogal ruim. In het seizoen was men ook in de ochtenden open. In 1988 was er een eerste wisselexpositie over bloemenpostzegels. Vanaf dat jaar worden er ieder jaar een of meerdere wisseltentoonstellingen ingericht. In 1991 werd het museum anders ingericht. De eerste ruimte die de bezoekers betreden werd aangewezen als ruimte voor de wisselexposities. In het jaar daarna volgde een zeer fraaie expositie die de tulp centraal stelde. In de daaropvolgende jaren stonden andere bolgewassen als hyacint, narcis, zomerbloeiers, centraal. Prachtige posters van exposities sierden en sieren in het dorp de winkelruiten. Het museum heeft veel goodwill onder de bevolking. Bij de tentoonstellingen werd dikwijls een boekje uitgegeven, boekjes die een schat van in formatie bevatten. Die boekjes worden verkocht in het museumwinkeltje wat ook steeds fraaier is geworden en waar ook nog een keur van andere artikelen gekocht kan worden die iets met bolbloemen te maken hebben. In 1995 werd het museum verbouwd en werd meer ruimte gecreëerd voor de expositie. Helaas ontstond in de nieuwjaarsnacht 1995/1996 brand in het poortgebouw van het museum. Het poortgebouw was toen nog een open poort. Het museum zelf had rookschade maar bleef gelukkig gespaard. Er moest echter weer gebouwd worden. Het poortgebouw werd bij het museum getrokken. Van de nood werd een deugd gemaakt en men greep de gelegenheid aan om te vernieuwen. In mei 1997 vond de heropening plaats, compleet met nieuwe naam Museum de Zwarte Tulp en met een nieuw logo. Waarom werd de naam “de Zwarte Tulp” gekozen? Aan de zwarte tulp zijn altijd mystieke elementen toegedicht. Ze maakt nieuwsgierig, ze prikkelt. Het bezoek aan het museum wordt ook nieuwsgierig gemaakt en kan op zoek naar de mysteries die achter die mooie bolbloemen schuilen. Het kweken van een zwarte tulp is een obsessie voor kwekers. Sinds de introductie in Nederland proberen bloembollenkwekers speciale variëteiten te ontwikkelen. Eén van de doelen was om een echte zwarte tulp te kweken, maar ondanks alle inspanningen is het product geen echt zwarte tulp. De kleur blijft steeds donker paars of heel donker bruin. De Zwarte Tulp is ook de titel van een boek van Alexandre Dumas. In dit boek looft het tuinbouwkundig genootschap van Haarlem in 1672 een prijs uit van 100.000 gulden voor de eerste zwarte tulp. Het lukt een rijke tuinliefhebber om een zwarte tulp te kweken, maar door list en bedrog verliest hij zijn kansen. Onze vaderlandse geschiedenis speelt ook nog een rol want de kweker is familie van de gebroeders De Witt, die in den Haag gelyncht worden. Hij belandt zelfs in gevangenis Loevestein, wordt daar verliefd op de dochter van de cipier en dank zij haar loopt het toch nog goed af. Dit boek is meermalen verfilmd en heeft zo ook bijgedragen aan het mysterie dat rond de zwarte tulp hangt. De zwarte tulp was ook een inspiratie voor de schilderkunst. Het museum kreeg een litho en een ets van een zwarte tulp en stelt die ten toon. Want ook het bedrijfsleven draagt het museum een goed hart toe. Voor dit doel is het Gilde van de Zwarte Tulp opgericht wat bestaat uit een groep bedrijven/instellingen uit de Bloembollenstreek die jaarlijks een belangrijke bijdrage leveren voor het museum. Naast het Gilde is er nog een belangrijke groep die het museum steunt zodat de financiële eindjes aan elkaar geknoopt kunnen worden. Dat zijn de Vrienden van Museum de Zwarte Tulp. Op de keukenhof wordt heel vaak de vraag gesteld: “waar staat de zwarte tulp”. Publicitair gezien dus een slimme zet om die naam voor het museum te kiezen. Over keukenhof gesproken: al sinds jaar en dag is het museum present in de Keukenhof. Er is sprake van een wisselwerking. Voor het museum wordt naamsbekendheid bereikt en de vrijwilligers van het museum geven informatie over het bloembollengebeuren en over de streek. Maar niet alleen daarover. De plattegrond van de Keukenhof wordt veelvuldig tevoorschijn gehaald omdat bezoekers de weg kwijt zijn en de vraag “ waar zijn de toiletten” is met stip nummer één. In 1998 werd door de vrijwilligers van het museum echt een krachttour geleverd. We vieren dan “Lisse 800”, het feit dat de naam Lis 800 jaar eerder voor het eerst vermeld is. Dit krijgt in het museum ook volop aandacht. Allereerst is er de speciale wisseltentoonstelling “de Heereweg 800 jaar lang”. Weer een hele kluif voor de mensen die de exposities verzorgen. Maar er gebeurt dat jaar nog iets heel speciaals. Alle schoolklassen uit Lisse, van de 4-jarige kleuters tot de bijna brugklassers, komen in het museum op bezoek en krijgen een rondleiding. Om dat te organiseren werden de openingstijden flink aangepast, werden extra rondleiders ingezet en werden vele bezoekjes op momenten gepland waarop het museum normaliter gesloten is. In 2000 vind er een uiterst belangrijke gebeurtenis plaats. Op 11 oktober van dat jaar werd het interieur van de voormalige directiekamers van kalkzandsteenfabriek van Herwaarden overgedragen aan het museum. Directeur L.Mulder, in aanwezigheid van wethouders M.Witteman van Hillegom en J. Schuijt van Lisse, verwoordde dit tegenover museumvoorzitter Joop Zwetsloot. Achter de schermen was hiervoor al veel lobbywerk verricht door leden van de Vrienden van Oud Hillegom. De steenfabriek heette bij de oprichting in 1904 nog kunstzandsteenfabriek “Arnoud”. Het zand voor de fabricage van dit kunstzandsteen werd gewonnen door de Maatschappij tot Exploitatie van Gronden “Veenenburg-Elsbroek”. Zandgronden werden daartoe afgegraven of omgezogen, waardoor gronden ontstonden die voor de bloembollenteelt in cultuur gebracht konden worden. Het interieur van de fabriek die het aanzien van de streek zo compleet heeft doen veranderen past natuurlijk perfect bij het museum. En bij het uitgangspunt dat indertijd voorafging aan de stichting van het museum: hou heel/geen houweel. Bij de overdracht waren de kamers nog in tact en moest nog begonnen worden met het demonteren van betimmeringen en overige interieurdelen. Er was zelfs nog geen bouwplan. Dus alles moest plankje voor plankje uitgenomen worden. En genummerd op zowel de onderdelen als op de tekening. Want zonder die hulpmiddelen zou de puzzel om het later weer op te bouwen niet te klaren zijn. Een groep vrijwilligers heeft dit monnikenwerk verricht en daarna werden alle onderdelen opgeslagen, wachtend op het moment van herrijzenis. Ook hierbij was de geboden menskracht van de Vrienden van Oud Hillegom weer van enorme betekenis.

Door allerlei perikelen duurde het tot 1 oktober 2003 eer met de bouw gestart kon worden. Een semi-permanente bouw werd gerealiseerd achter het pand van der Zaal (Heereweg 225, zie rubriek uitreiking erepenning hiervoor), dat inmiddels eigendom van het museum was. Gekozen werd om de naast het museum gelegen tuin over de gehele breedte te benutten voor de nieuwbouw. Er werd een grote binnenruimte gecreëerd waarin de interieurs van de beide directiekamers precies passen. Eind 2003 is de ruwbouw klaar, en dan begint de enorme klus van het opnieuw opbouwen van de interieurs! Weer door die ploeg enthousiaste vrijwilligers van de Vrienden van Oud Hillegom en van het museum. Op 15 april 2004 werd de nieuwbouw in gebruik genomen. Onvoorstelbaar wat een groep vrijwilligers in zo´n korte tijd presteert. Sinds die tijd wordt er koffie op stand gedronken want wat eens de directiekamer van de steenfabriek was is nu koffiekamer geworden. Hier is ook de bibliotheek van het museum waar eenieder op verzoek de uitgebreide collectie boeken van het museum kan inkijken. Deze collectie is opgeborgen achter de mooie blauwe glazen van de boekenkast uit de fabriek. In 2005 werd het fraaie wandkleed dat door het personeel bij het 50jarig bestaan van de steenfabriek was geschonken na een restauratie opnieuw onthuld. Op het kleed staat Mercurius, god van de handel, die vanuit de duinen kijkt naar de steenfabriek. De fabriek staat tussen de bollenvelden. Een waar stukje cultureel erfgoed van de Bollenstreek. De kamers kregen ook een nieuwe naam: De Comparitie. De naam comparitie is een verwijzing naar de bloembollengeschiedenis. De bollenhandel heeft vanaf eind 16e eeuw een roerige geschiedenis beleefd. In het begin van de 17e eeuw was sprake van windhandel, de “tulpomanie”. Overeenkomsten in de bollenhandel werden dikwijls onder notarieel toezicht gesloten. Een bijeenkomst van floristen, waarin de afspraken voor de bloembollenhandel werden overeengekomen en vastgelegd, werd wel een comparitie genoemd. In 1637 kwam een einde aan de woekerprijzen die in de bloembollenhandel werden behaald en klapten de prijzen in enkele dagen als een kaartenhuis in elkaar. Toch bleef de bloembollenhandel door de eeuwen heen uiterst belangrijk voor Nederland. Het museum werd steeds professioneler. Dat moest ook wel want er was een Nederlands Museumregister ingesteld. Musea die in dit register opgenomen willen worden moeten aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Bijvoorbeeld een eigen collectie met een sluitend registratiesysteem, een behuizing waar de nodige eisen aan gesteld worden zoals een goede klimaatbeheersing, diverse andere kwaliteitseisen. Er kwam een beleidsplan en er moest worden aangetoond dat er voldoende interne deskundigheid was om de museale taken naar behoren te kunnen vervullen. Geen sinecure, want dat betekent dat de vrijwilligers steeds bijgeschoold moeten zijn, dat de collectieregistratie op een bepaalde manier gebeurt en ga zo maar door. Maar het museum doorstaat de toets en mag sinds 1 december 2004 officieel naar buiten treden als ‘gecertificeerd museum’ en daarbij het bijbehorende logo gebruiken. Het fraaie uiterlijk van de comparitie biedt ook mogelijkheden aan het museum om contanten te genereren. De zalen kunnen worden gehuurd. Ook kan er worden getrouwd. Museum de Zwarte Tulp wordt dan huis der gemeente. In de herfst van 2005 vindt de eerste huwelijks-voltrekking plaats. De ontwikkelingen op museaal gebied staan natuurlijk ook niet stil. Uit een erfenis is een prachtige collectie hyacintenglazen (collectie Wyler) ontvangen die in een speciale wisselexpositie getoond wordt en daarna deels permanent in de expositie wordt opgenomen.

In samenwerking met andere cultuurhistorische organisaties worden ook wisselexposities gemaakt. De week van de geschiedenis nodigt soms uit tot zo´n samenwerking. Zo werd in 2006 in samenwerking met de VOL en met de medewerking van de kerken van Lisse de expositie “Geloof en Bijgeloof” ingericht. Ook bij de herdenking van het feit dat de Haarlemmer Trekvaart 350 jaar bestond was er weer een brede opzet die resulteerde in de expositie “blauwe ader van de Bollenstreek”. En hetzelfde gold voor de tentoonstelling “van Wildernisse tot Bollenstreek” die in 2008 plaatsvond.
Het 150 jarig bestaan van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur mocht natuurlijk niet ontbreken in de expositiereeks van het museum en was daarmee het begin van de activiteiten rond het 25jarig bestaan van het museum. In dit feestjaar wordt daarna, in de serie ‘Zonen en dochters van de Bollenstreek’, vervolgd met een expositie rond de in Lisse geboren emeritus-kardinaal Simonis(4 juni t/m 15 aug). Door de vrijwilligers wordt in verschillende groepen gewerkt. De registratie, de inrichting, de winkel, de keukenhof zijn al genoemd. Rondleiders en de mensen die de schoolbezoeken coördineren vormen weer een aparte groep. Het bijzondere van het museum is dat al die mensen bij elkaar, die toch allemaal vrijwilliger zijn, samen een goedlopende organisatie vormen. Waar zich ook weer nieuwe ideeën vormen. Museum de Zwarte Tulp is na 25 jaar nog springlevend. Hoe de toekomst van het museum er uit zal zien? In de pers is er al veel over geschreven. Voorzitter Arie Breure wordt herhaaldelijk geciteerd. Allerlei opties worden bekeken, maar die moeten natuurlijk wel haalbaar zijn. Geld was ook in de afgelopen 25 jaar altijd al een beslissende factor. Het museum kan en zal niet op haar lauweren gaan rusten want stilstand is achteruitgang en deze tijd vraagt weer een andere aanpak, maar biedt ook nieuwe kansen. Zeker op het gebied van informatiemogelijkheden door middel van multimediale museumtechnieken zullen stappen vooruit gezet worden. Het goud van het museum is toch het vrijwilligersteam, samen met de ondersteuning die er voor het museum is onder de inwoners en bij de bedrijven in de Bollenstreek. Dat moet toch een goede basis zijn voor een fleurige toekomst. Komend najaar wordt een feestelijke kroon gezet op het werk wat de afgelopen 25 jaar verricht is. Met een expositie getiteld “Bloemrijk in ‘t zilver” (3 sept. t/m 12 dec). Daarnaast zullen er nog allerlei specifieke evenementen georganiseerd worden ter ere van dit jubileum. Lisse, de Bollenstreek, mag trots zijn op wat er bereikt is. Oud Lisse feliciteert het museum met deze mijlpaal en wenst de Zwarte Tulp een inspirerende, verrassende en vooral bloeiende toekomst toe.

 

De oude Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Achterweg

In 1828 kwam er een begraafplaats tussen de schuilkerk en de Achterweg, nabij het Mallegat. In het reglement opgesteld door de gemeentebestuur staat dat er 80 graven moeten kunnen komen op een opgehoogd terrein, omgeven door een muur. Er mogen maximaal 4 kisten boven elkaar. Reeds in 1866 wordt de begraafplaats opgeheven, omdat de zoon van boer Wubbe zijn  grond weer terug wilde hebben.

Door R.J. Pex De R.K.

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Parochie H. Willibrordus, waar onder meer de Lissese Parochie St. Agatha deel van uit maakt, beschikt sedert het begin van de vorige eeuw over een bijzondere kerk: de H. Agathakerk. Een indrukwekkend monument dat ooit de ‘Kathedraal van de Bollenstreek’ genoemd werd. Vóór 1842 was dat echter wel anders. Toen kerkten de Lissese Rooms-Katholieken nog in een schuilkerk. Deze was gelegen bij het zogenaamde Mallegat, bij de huidige buurtschap De Engel (vanouds een gemeenschap met een sterke Rooms-Katholieke achtergrond). Aan de westzijde van de Achterweg bevonden zich enige opstallen, de schuilkerk zelf en de woning van de pastoor. (Zie afb.). Begraven werd in en later bij de oude dorpskerk aan ’t Vierkant. In 1828 hebben de Lissese Katholieken echter een eigen begraafplaats gekregen. Deze kwam tussen de schuilkerk en de Achterweg te liggen.

Reglement voor de nieuwe begraafplaats aan de Achterweg, 1828

In hetzelfde jaar hebben burgemeester en wethouders (‘assessoren’ zoals ze toen nog genoemd werden) van Lisse een ‘reglement’ uitgevaardigd ‘waar na de nieuwe begraafplaats der Roomsch Catholieke Gemeente te Lisse zal behooren ingerigt te worden’. Daar dit reglement nog niet eerder ter sprake kwam in eerdere publicaties over de geschiedenis van de Agathaparochie wil ik hier toch enige woorden aan wijden. Allereerst zal de nieuw aan te leggen begraafplaats gelegen moeten zijn op een min of meer verheven terrein. Hij dient te worden omgeven door een muur, waarin luchtgaten zijn aangebracht. Het terrein moet van zodanige omvang zijn dat het ruimte biedt aan tachtig graven. In elk familiegraf mogen niet meer dan vier kisten onder elkaar begraven worden. De graven worden na tien jaar geruimd. Artikel 7 houdt verband met personen die aan besmettelijke ziekten waren overleden, zoals vaker gebeurde in de negentiende eeuw (cholera bijvoorbeeld). Deze zullen eerst blootgesteld moeten worden aan ‘minerale zuure berookingen’. Het spreekt vanzelf dat van al die begrafenissen een register bijgehouden dient te worden. De administratie zal het tijdstip van begrafenis bepalen en maakt een tarieflijst op ‘waarbij de kosten van begraven van groote en kleine lijken zal worden bepaald’.
‘Aldus gedaan en opgemaakt om te worden gesteld in handen van de Administratie der begraafplaats der R. Catholieke gemeente te Lisse den 30en oktober 1828’.

Hoe het verder ging met de begraafplaats aan de Achterweg

Erg lang heeft het kerkhof uit 1828 niet dienst gedaan. Reeds in 1866 blijkt er al niet meer op begraven te worden. Hermanus Wubbe, boer op de nabijgelegen boerderij Klopjeshoven, wiens vader een stuk grond geschonken had ten behoeve van de begraafplaats, eiste nu de grond weer terug. Pastoor Heuvels stelde voor hem in zijn vermeende rechten te laten, welke mening werd gevolgd door het bisdom, die er echter bij aantekende ‘gezegde erfgenaam’ een aalmoes of liefdesgift aan de kerk te laten doen bij wijze van schadevergoeding.

De huidige begraafpraktijk

Tegenwoordig telt de begraafplaats achter de Agathakerk zo’n 800 graven (in plaats van 80, dus precies 10%, in 1828). Verder is in verband met milieuvoorschriften tegenwoordig het aantal kisten dat onder elkaar mag worden begraven teruggebracht naar twee (in plaats van vier in 1828). Op grond van de Wet op de Lijkbezorging mag tegenwoordig na tien jaar een graf worden geruimd, voor zover het de Algemene Graven betreft. In de praktijk gebeurt dat om de vijftien jaar ongeveer. Familiegraven oftewel zogenaamde Huurgraven worden uitgegeven voor twintig jaar. Deze kunnen met tien jaar worden verlengd. Wanneer dat niet gebeurt worden de graven geruimd. In 1828 was de praktijk duidelijk anders. Toen werd in het geheel geen onderscheid gemaakt tussen Algemene Graven en Familiegraven en werden de graven hoe dan ook na tien jaar geruimd. Wat was het zo toch heerlijk eenvoudig!

Bronnen:

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756 (Keuren, ordonnantiën en verordeningen van de gemeente, 1814-1936).
Met dank aan de heer J.P.S. Lieverse

De oude schuilkerk aan het Mallegat bij de buurtschap De Engel, tweede helft achttiende eeuw. Geheel rechts de eigenlijke schuil- of schuurkerk. Links daarvan de woning van de pastoor. In 1828 zou achter het hekje geheel links in de bosjes de nieuwe begraafplaats komen. Daar was ook de Achterweg. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk, Lisse 1998), p. 13.

Brand op de boerderij van Keukenhof in 1705

Op 26 juli 1705 stond de hofboerderij van Landgoed Keukenhof in brand. De boerderij, de hooiberg en de pasgebouwde schuur brandden af. Alleen het karnhuis kon worden gered. Diverse mensen worden ondervraagd door de eigenaar Hendrik van Hoven. De oorzaak was waarschijnlijk een vuur vlak bij de hooiberg, aangelegd door Andries Spruijt.

door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Inleiding

Binnen niet al te lange tijd zal een begin worden gemaakt met de restauratie van het casco van de boerderij van Keukenhof, alias de Hofboerderij. Het is één van de trotse monumenten die we tegenwoordig op het landgoed Keukenhof tegenkomen. Het heeft dan ook een lange geschiedenis achter de rug die al begint in 1643, kort nadat het nabijgelegen huis Keukenhof in gereedheid was gekomen. Die historie zit boordevol verhalen en anecdotes. Sommige daarvan zijn onbekend en andere komen we bij toeval tegen in archieven. Een toevalstreffer dus! Zo is dat ook met een brand die in 1705 gewoed heeft op de Hofboerderij. In dit artikel wordt daar nader op ingegaan.

Brand!

Zondag 26 juli 1705. Achter het huis Keukenhof bij de boerenwoning horen we geroep en geschreeuw. Een menigte mensen is bezig een fikse brand te blussen, die door onbekende oorzaak is uitgebroken op de boerderij. Uiteindelijk kan alleen het karnhuis nog gered worden. De boerenwoning echter, alsook de hooiberg en een pasgebouwde schuur, branden uit. Hoe had het zover kunnen komen?

De verklaring van chirurgijn Claas van Rode

De eigenaar van de boerderij, Hendrik van Hoven, had zo zijn eigen ideëen omtrent de oorzaak van de brand en verdacht de boer, Andries Spruijt. Op 2 en 16 maart en op 20 juli 1706 laat hij dan ook diverse mensen getuigen. Ze zijn unaniem van oordeel dat Spruijt door een daad van nalatigheid de brand in de hand had gewerkt. Zo verscheen op 2 maart 1706 voor de Alphense notaris Jacob van Dorp Claas van Rode, chirurgijn te Lisse.1 Hij verklaart dat Spruijt vanaf het voorjaar tot en met de maand juli van het jaar 1705 de boerderij van Keukenhof had gepacht van Hendrik van Hoven. Gedurende die periode was het meer dan eens voorgekomen dat Andries Spruijt ‘buijten het boerenhuijs’ vuur had aangelegd en wel vlak bij het karnhuis ‘omtrent een roede lengte van den hoijbarg’. 2 Spruijt was bezig om boven het vuur melkmouwen te blakeren, maar deed dat dus op een bijzonder gevaarlijke plek!3 Claas van Rode had het gezien en dacht ‘dat het wonder soude sijn indien daarvan geen brand in den Barg en soude komen’. En inderdaad, op diezelfde avond ontstond er brand in de hooiberg, waarna ook het boerenhuis in vlammen opging.

Diverse verhoringen

Op 16 maart 1706 wordt een aantal mensen ondervraagd over de brand op de boerderij van Keukenhof op last van Hendrik van Hoven.4 Allereerst is dat de tuinman van Keukenhof, Cornelis Everts. Verder komen we een zekere Annetje Cornelisdr. tegen, die tot de brand in juli 1705 in dienst was bij Andries Spruijt op de boerderij. Ook ontmoeten we Margaretha van Vries, die bevriend was met het echtpaar Van Hoven en op de Keukenhof bij hen inwoonde. Tenslotte komt Jan Mase aan het woord, die koetsier was bij Van Hoven. Allemaal zijn ze van mening dat Spruijt een uitermate lui en nalatig persoon was en zijn taken niet goed uitvoerde. Zo hadden Cornelis Everts en Jan Mase tijdens de hooibouw van 1705 op het land geholpen met hooien. Spruijt verrichtte de werkzaamheden evenwel niet naar behoren. Zo liet hij na om de twee wagens met hooi van het veld te halen. ’s Avonds, terwijl Spruijt al lag te slapen, heeft Everts toen de twee wagens van het veld gehaald. Hij liet ze achter bij de hooiberg in de veronderstelling dat Spruijt het hooi in de hooiberg zou steken, maar dat gebeurde niet.
De volgende dag stonden de wagens er nog steeds. Vervolgens ging het regenen, waardoor het hooi nat werd, want Spruijt had verzuimd het hooi behoorlijk af te dekken met stro, zoals gebruikelijk was. Hij stak nu het hooi nat in de hooiberg en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Diverse getuigen verklaren ook op die zestiende maart gezien te hebben dat Spruijt dikwijls een pijp rookte op gevaarlijke plaatsen, zoals vlakbij de hooiberg of tijdens het melken in de stal. Bovendien rookte hij vrijwel altijd een ongedekte pijp.5 Vragen om moeilijkheden dus! Verder bevestigt een aantal getuigen de verklaring van Claas van Rode dat Spruijt regelmatig vuur aanlegde bij het karnhuis, niet ver verwijderd van de hooiberg. Het viel Annetje Cornelisdr. bovendien op dat de brand in de hooiberg vooral woekerde aan de zijde waar Spruijt met zijn echtgenote diverse malen vuur had aangelegd.

Het woonhuis van de hofboerderij van Keukenhof . Foto:. A. in ‘t Veld

 

Laatste getuigenverklaringen

Op 20 juli 1706 verschijnen voor notaris Jacob van Dorp vier personen.6 Het waren Cornelis Onnosel7, gerechtsbode van Lisse, zijn echtgenote Titia ter Veer, Cornelis Gerritse de Swart, linnenwever van beroep en tenslotte een mevrouw Van den Berg, ‘tuinvrouw’ van beroep, weduwe van Cornelis Pieterse Larum. Onnosel – wat een prachtige naam! – verklaart in opdracht van Hendrik van Hoven dat hij uit diens naam Spruijt dikwijls had terechtgewezen. Hij had hem gezegd dat hij Van Hoven geen genoegen deed met zijn nalatig gedrag. Verder had hij tegen Spruijt gezegd ‘dat hij beter moest oppassen of dat hij de sak sou krijgen’. Hij had Spruijt op deze wijze diverse malen gewaarschuwd en telkens had Andries daarop geantwoord ‘dat hij beter oppassen soude’. De tweede en de derde getuige, Titia ter Veer en Cornelis de Swart, verklaren dat zij zich op de dag van de brand hadden bevonden achter het huis Keukenhof. Zij hadden gehoord hoe Van Hoven van leer had getrokken tegen Spruijt over ‘sijn traagheijt ende versuym’. ‘Twee uuren daar na’ hadden zij gezien hoe de hooiberg en het boerenhuis afbrandde. De vierde persoon, mevrouw Van den Berg, vertelt hoe zij in de maand juli van het jaar 1705 meermalen had gezien dat Spruijt en zijn echtgenote vuur aanlegden bij het karnhuis. Op 25 juli 1705, daags voor het uitbreken van de brand dus, had ze bovendien Spruijt een ongedekte pijp zien roken ‘digt aen de stijl van den hoijbarg’. Hij had vaker een pijp gerookt op plaatsen die brandgevaarlijk waren, zoals we reeds vernamen. Mevrouw Van den Berg had Spruijt daarover diverse malen aangesproken, want dat ‘daer uijt ongelukken ontstaen souden’. Al met al lijkt het er sterk op dat Andries Spruijt door zijn achteloosheid een ernstige brand veroorzaakt had, ondanks de vele waarschuwingen die aan zijn adres gericht waren geweest.
Inmiddels vragen we ons af wat, bijna een jaar na de brand, de zin was van al deze getuigenverklaringen.

Proces voor de vierschaar van Lisse, 1706

Al snel wordt duidelijk wat Hendrik van Hoven nu precies beoogde met de bovengenoemde verklaringen. Nadat de brand was geblusd, wilde Van Hoven Spruijt niet langer in dienst houden en werd hem dus ontslag aangezegd. Andries besloot hierop een brief te (laten) schrijven ter attentie van schout en schepenen van Lisse. In de brief lezen we dat hij ‘tot sijn leetweesen ende buijten sijn toedoen’ (!) genoodzaakt was een proces aan te spannen tegen zijn vroegere werkgever.8 Omdat hij echter ‘een arm boereknegt is en geenige de minste magt is hebbende’ verzocht hij door een procureur pro deo te mogen worden bediend. Die werd hem uiteindelijk toegewezen in de persoon van Jacob Camper.
Van Hoven werd dus voor het gerecht gedaagd! Vanuit dit oogpunt is het begrijpelijk dat de eigenaar van Keukenhof al gauw in de weer ging met het verzamelen van voor Spruijt belastende getuigenverklaringen. Het ging Jacob Camper namens zijn cliënt om het volgende. Spruijt had met ingang van 1 mei 1705 de boerderij van Keukenhof gepacht. De huurtermijn zou aflopen op 30 april 1706. Spruijt betaalde hiervoor de som van f 300,- per jaar. Hij had daarbij diverse zaken die zich in het boerenhuis bevonden tegen betaling moeten overnemen. Verder was overeengekomen dat Spruijt aan Van Hoven een Nieuwejaarsgift zou betalen ter grootte van een ducaat en ‘een gelijke ducaton’ met Kerstmis. De eiser, Andries Spruijt, had ‘in alle behoorlijkheid’ (de getuigenverklaringen spreken dat duidelijk tegen!) de tijd van drie maanden bij Van Hoven gewerkt. Daarna was hij ‘op een gans onbehoorlijcke wijse’ ontslagen. Omdat hij de huurtermijn niet had uitgezeten, wilde Spruijt nu een deel van de huursom terugzien. ‘Wijders een vierendeel booter, hondert pont kaas’ en hetgeen hij moest betalen aan vuur, licht en de vruchten uit de tuin die hij voor zijn huishouding nodig had. Het is duidelijk dat Spruijt in zijn eis behoorlijk ver ging. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat uiteindelijk de schepenen van Lisse de eis niet redelijk achtten en Spruijt veroordeelden tot het betalen van de kosten van het proces.9 En daarmee verdwijnt dan de naam Spruijt definitief uit de annalen van de boerderij van Keukenhof.

De schuren van de hofboererij van Keukenhof. Fot A. in ’t Veld

Besluit

We zijn inmiddels ruim drie eeuwen verder. Er is niets meer aan de boerderij van Keukenhof te zien wat eventueel nog zou kunnen herinneren aan de grote brand van 1705. Niets aan het metselwerk en al helemaal niets aan de spanten van het dak, daar het oorspronkelijke houtwerk al in de negentiende eeuw werd vervangen.10 Wat dat betreft is het opvallend hoe snel bepaalde gebeurtenissen in het verleden, indien ze niet duidelijk zwart op wit werden gesteld, voor het nageslacht verloren kunnen gaan. Gelukkig is de brand vrij goed gedocumenteerd, waardoor we dit verhaal aan de vergetelheid hebben kunnen ontrukken.

Bronnen

1 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 56.

2 Een Rijnlandse roede is ongeveer 3,77 meter. www.wikipedia.nl

3 Een melkmouw was waarschijnlijk een langwerpige, ondiepe bak waarin men melk liet staan om die te ontromen. Het blakeren maakte mogelijk deel uit van een reinigingsproces. Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (achtste druk, ’s-Gravenhage 1961), p. 1233.

4 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 31.

5 Hiermee wordt een pijp bedoeld waarvan de zogenaamde ketel niet kon worden afgesloten middels een deksel.

6 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 67.

7 Waaraan de beste man zijn ietwat merkwaardige achternaam te danken had weten we niet. Onnosel betekende in het toenmalige taalgebruik dom, idioot of onschuldig. Naast gerechtsbode was Onnosel ook herbergier van het logement de Witte Zwaan.

8 Deze en navolgende gegevens ontleend aan: Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 93.

9 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 49, fol. 30.

10 Dit gezien de afmetingen van spanten en dakhout. Met welk soort materiaal het dak vroeger bedekt is geweest, valt niet met honderd procent zekerheid aan te geven. Het is goed mogelijk dat er aanvankelijk een rieten bedekking aanwezig was, maar dat men deze op een later tijdstip (bijvoorbeeld na de brand in 1705) heeft vervangen door dakpannen. Dit is ook bij boerderij Middelburg gebeurd in 1868. Met dank aan Ignus Maes.

 

Erepenning 2010

Het pand Heereweg 225 van gebroeders Augustinus is gerestaureerd door architectenbureau Marco Bruijnes. Het gemeentelijk monument werd in 2005 in vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp, maar later verkocht aan Augustinus.

Erepenning 2010 uitgereikt

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 2, april 2010

De Vereniging Oud Lisse heeft op 16 maart haar Jaarvergadering gehouden in het Cultuur Historisch Centrum “De Vergulde Zwaan”. Na afloop van de vergadering werd de jaarlijkse erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE” van de Vereniging Oud Lisse door Frits Treffers uitgereikt aan de directie van Alma Vastgoed, de gebr. Augustinus.
Alma Vastgoed heeft deze penning gekregen voor het in ere herstellen van het pand aan de Heereweg 225 (beter bekend als het oude pand van familie Van der Zaal gelegen aan het Vierkant).
Dit gemeentelijk monument is in 2005 in enigszins vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp. Oorspronkelijk was het de bedoeling om het voormalige woonhuis bij Museum de Zwarte Tulp te trekken en zo de museumruimte te vergroten. Het aanpassen voor een museumfunctie bleek echter geen haalbare kaart. Een deel van de tuin werd benut voor de museumuitbreiding. Het gebouw en de rest van de tuin werd verkocht aan Alma Vastgoed. Alma Vastgoed is een bedrijf dat investeert in verhuurd onroerend goed zoals woningen, winkels, bedrijfsgebouwen welke gelegen zijn in de regio Rijnmond en de Duin en Bollenstreek. Alma is eigendom van de broers Paul, Bart en Ton Augustinus.
In samenwerking met o.a., het Architecten bureau Marco Bruijnes te Nieuwkoop, aannemer van Kampen Bouwbedrijf uit Voorhout, Styliste Natascha van der Salm uit Lisse en Soul Design uit Noordwijk, is het pand gerestaureerd en getransformeerd van woonhuis naar een kantoor. De opdracht is geweest om het oude in ere te houden maar een moderne werkplek te creëren en dat is volgens de Vereniging Oud Lisse goed gelukt en beloond met de erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE”. De gebr. Augustinus vonden het een prachtig gebaar en een mooi compliment voor alle geleverde inspanningen van de mensen die aan deze renovatie hebben meegewerkt gedurende 1,5 jaar. Kortom een aanwinst voor Lisse!

Een ansichtkaart van het gebouw

Zo zag de voorkant er vroeger uit

 

De huidige situatie

Binnen zijn de glas-in-lood raampjes gerastaureerd.

Copyright © Vereniging Oud Lisse