De Poelpolder is ouder dan Lisse

Volgens Hulkenberg werd het water van de Lisserpoel al in 948 vermeld. Keizer Otto I, leenheer van Holland, geeft aan Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de Getrewat. Niet duidelijk is wat dit betekent. Later heette dit Geestwater. De geschiedenis na de inpoldering wordt beschreven.

door Arie in ’t Veld naar A.M. Hulkenberg

Nieuwblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Is Lisse oud: de Poelpolder is ouder. Een aantal jaren geleden hield wijlen A.M. Hulkenberg een inleiding voor de nieuwe bewoners van de Poelpolder om hen iets te vertellen over de geschiedenis van de grond waarop ze wonen. Het navolgende verhaal is een vrije bewerking van het verhaal waarmee Hulkenberg toen in het (oude) Poelhuys de luisteraars wist te boeien. De ‘oude’ Poelpolder dus, of eigenlijk de Lisser Poel, want ooit was het deel waar nu honderden huizen staan en duizenden mensen wonen, water. Alleen maar water. En dit water, de Lisser Poel was ooit een deel van de Leidse of Haarlemmer Meer. Een vorige keer hadden we het hier al over in het VOL blad en sommige delen van Hulkenberg overlappen dat eerder vertelde verhaal wellicht. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland. De Rooversbroek. En er was zeer veel vis in de Poel te verschalken, met name baars en bot. Het brakke water was echter bepaald niet goed voor de omringende weilanden en die grazige weiden hadden wat met die Poel te stellen, want om de haverklap stond de zaak onder water en werd er veel schade aangericht. Menigeen wenste toendertijd dan ook dat wat de weidegronden betreft het een uitkomst zou zijn als iemand er ooit eens in zou slagen de Poel droog te leggen, maar daarover verderop meer.

De piketpaaltjes staan er. Zicht vanaf toekomstige Vincent van Goghstraat richting silo’s en vuilstort.

Otto
De eerste (teruggevonden) vermelding over de Lisser Poel vond plaats in het jaar 948. Dat jaar staat keizer Otto 1, leenheer van Holland, aan het Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de ‘Getrewat’. Niet duidelijk is kunnen worden wat de betekenis van dit woord is. Later spreekt men van ‘Geestwater’, misschien omdat het er bij storm zo vervaarlijk kon spoken. Uiteindelijk kwam de Poel in het bezit van de Grafelijkheid van Holland, hetgeen tot de Franse Revolutie zo is gebleven. Maar in de tussentijd werd het viswater ook nog aan anderen verpacht. Aan de stad Leiden bijvoorbeeld. In 1433 deed Graaf Philips van Bourgondiën dit. Hij verpachtte het viswater aan Leiden, wiens vroede vaderen het vervolgens onderverpachtte aan de plaatselijke vissers. Een goede bron van inkomsten voor de stad, die best een paar centen kon gebruiken.

Viswater
In de boeken is terug te vinden dat verschillende ‘legers’ viswater werden verpacht. Bijvoorbeeld achter de boerderij van Pieter Claesz werd door twee Leidenaren een viswater gehuurd voor zestien stuivers per jaar. Ook werd de Gerrit Everszpoel verhuurd, ten noordoosten van de Poel nabij de Greveling, alsmede de Stienpoel en Luttekepoel (Kleine Poel), eveneens bij de Greveling. Een plaats waar veel elst in de rietbossen stond. In de noordwesthoek was veel ruis (riet met daartussenin planten) te vinden. De plek heette de Ruishorn. Een horn is een bocht of uitspringende hoek en tegenwoordig wordt aan die vroegere situatie herinnerd door de Ruishornlaan. En er was de Rooversbroek. Ook is wel eens de naam Rozenbroek in de boeken te vinden, maar waarschijnlijk is het toch een moerasland geweest dat oorspronkelijk aan een zekere Rovert of Robert heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Niet om de paar mensen die er wellicht woonden, maar om de centen. De Heren van Dever hadden namelijk landerijen aan de vicaris van de kerk van Sassenheim geschonken voor zijn onderhoud. In ruil daarvoor moest de vicaris tot intentie van de Heren van Dever de missen lezen. Een aantal van die geschonken gronden bevond zich in de Rooversbroek en derhalve was dit Sassenheims grondgebied.

Drooglegging
Het waren de protestanten van Leiden die in hun goede doen waren geraakt en objecten zochten om het vermogen te beleggen. En zo’n object was het droogleggen van de Lisser Poel en de burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden richtten aan de Staten van Holland het verzoek om de protestantse Leidse kerken het octrooi te verlenen om het ‘Geestwater’ droog te maken. Op 23 juli 1622 werd in Den Haag positief op dat verzoek besloten en werd onmiddellijk werk van de drooglegging gemaakt. Jan Pieterszoon Dou, gezworen landmeter van Rijnland, had een ontwerp gemaakt en een kaart getekend en ziedaar: De Ringsloot werd gegraven (om onbekende redenen later omgedoopt tot de Rijnsloot, zoals deze sloot nog altijd ten onrechte wordt genoemd) en in de lengterichting van de polder kwam de Molenwatering. De Lisser Poel werd drooggemalen en de Poelpolder kwam tot stand, klaar voor bewoning en agrarische activiteiten. Veel mensen kwamen overigens niet in die nieuwe polder te wonen. Uit de eerste jaren is wel bekend dat het huis Uitermeer werd gebouwd. Juist tegenover de Vennesloot, onmiddellijk aan de rechterzijde als men via de Tweede Poellaan de polder ingaat. Het huis behoorde aanvankelijk toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van de Kaap de Goede Hoop. Later werd het eigendom van Willem Adriaan van der Stel die na zijn verscheiden in 1725 werd begraven in de Nederlands Hervormde Kerk aan de Heereweg. Ook verrezen in de Poelpolder enkele boerderijen, waaronder die van Langeveld juist buiten de huidige bebouwingsgrens en gebouwd in 1642) en de in 1643 gebouwde boerderij Poeleway die in het geweld om de Poelpolder met woningen en voorzieningen vol te bouwen het onderspit moest delven…

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

Overstroming
Het meer was dus een polder geworden, maar geenszins veilig. De geesten hielden bij slecht weer nog altijd flink huis. Bij hevige regenval wilde het dan ook nogal eens gebeuren dat de polder onder liep omdat de molen het teveel aan water niet zo gauw kon verwerken. In 1677 liep de hele Poelpolder onder. Dat was natuurlijk niet zo’n ramp als dat vandaag de dag zou zijn als de polder zou onderlopen. Veel inwoners waren er namelijk niet en de boerderijen lagen betrekkelijk hoog, terwijl de weilanden wat extra water (maar dan wel van korte duur) best wel konden gebruiken. Maar het is vrijwel zeker dat het brakke water het gras uiteindelijk toch geen goed kon doen en van her en der werden geluiden vernomen dat de dijken nodig moesten worden verhoogd en vooral hersteld. Op 28 januari 1760 werd aan het Rechthuis ‘De Witte Zwaan’, een etablissement met vele gezichten, een brief afgegeven met als adres ,Eerzame Vrome Discrete den Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse. Zo; dat was nog eens een adressering! De inhoud van de brief handelde over het feit dat de Lekdijk beneden Schoonhoven weer eens was doorgebroken en de Hoogheemraden van Rijnland Lisse komen waarschuwen. “Zo dient UEdele te gelasten dat gij hoe eerder hoe beter de dijken van de Lisser Poel behoorlijk doet waterpassen en die plaatsen van dezelve die te laag mochten zijn met een kistdamming offe met goede klei, zulks derzelve in staat zijn van het water te keren”.

Haarlemmermeer
Voor zover bekend, is alles in 1760 goed afgelopen, maar in 1766 is er weer een overstroming. De ingelanden moeten zeer diep in de buidel tasten om de zaak te repareren en vragen aan de Staten 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vond men in Den Haag wel wat veel en de ingelanden moesten het doen met vijftien jaar vrijdom, maar moesten intussen ook de dijk behoorlijk versterken. Of dat gebeurd is…? Het duurde in elk geval een aantal jaren voor de dijk het weer begaf. Dat was tijdens de Kerstdagen van 1838. Weer repareren dus en pas toen daarna het Haarlemmermeer werd drooggelegd, was men veilig in de Poelpolder. Vanaf dat moment kreeg het door de wind opgezweepte water in het Haarlemmermeer geen kans meer om de Rooversbroek of de Poelpolder te belagen, want er was geen Haarlemmermeer meer. Rust dus in de Poelpolder…. Rust tot aan het begin van de zestiger jaren. De dijken werden deels ontgraven omdat ze niet meer noodzakelijk waren om huis en haard te beschermen en over huizen kon toen inderdaad gesproken worden. Eerst werden wat losse woonblokken gebouwd, maar dat werden er in hoog tempo meer. Lisse was in de groei. En niet zo’n beetje ook!

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

 

Vanaf de 

Vincent van Goghstraat in aanbouw: het zicht richting Mesdaglaan en Rembrandtplein.

Foto’s bij dit artikel coll. Rueb

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd door ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als door zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zoo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse