ANNA VAN GOGH-KAULBACH 1869-1960

Anna Kalbach heeft 40 romans en vele andere artikelen. Grootvader Kalbach was vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Na haar huwelijk in 1899 woonden zij en haar man aan de Heereweg 296. Het huis was toen net gebouwd. Vanaf 1903 woonden zij op Hoofdstraat 18 in Sassenheim. In 1906 gingen zij naar Haarlem en daarna in Arnhem.

door Aad van der Geest

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

Anna van Gogh-Kaulbach.

Wie was deze vrouw die ons zo’n slordige veertig titels (romans), meerdere toneelstukken, hoorspelen, novellen, vertalingen, bundels proza, losse verhalen, kinderboeken, reisverslagen en de nodige krantenartikelen heeft nagelaten? Wie weet nog dat zij en haar man, Willem Jacob van Gogh, aan het begin van de vorige eeuw enige jaren te Sassenheim woonden, alwaar hun beider dochtertjes geboren zijn? In de Lisser Poelpolder is er een straat naar haar vernoemd de ‘Anna Kaulbachstraat’ terwijl wij haar in Sassenheim zo goed als vergeten lijken te zijn. Het leek ons daarom passend enkele hoogte- en dieptepunten uit haar lang en bewogen leven op te halen en deze lang en vervlogen herinneringen voor later veilig te stellen.

Jeugdjaren

Haar vader was Franz Ludwig Eduard Kaulbach en haar moeder Helena Maria Cornelia van Reijn. Grootvader Kaulbach was vanuit Duitsland ooit naar Nederland gekomen en had het Nederlanderschap aangenomen terwijl de voorouders van moederskant afstamden van naar Nederland uitgeweken Hugenoten. Anna Maria werd op 31 december 1869 in Velsen geboren alwaar haar vader arts was. Ondanks dit beroep verloor het gezin maar liefst zes kinderen kort na de geboorte en alleen Anna bleef in leven. ‘De levenskracht, door het lot aan mijn broertjes en zusjes onthouden, had mij een dubbele portie toebedeeld, zo leek het,’ schreef zij later. In 1877, op haar zevende jaar ging zij naar de meisjesschool in Beverwijk, waar een aldaar wonende jonge Willem Royaards destijds al opviel tijdens toneelvoorstellingen op schoolfeestjes. Tot de huisvrienden van haar ouders behoorden o.a. F. Domela Nieuwenhuis, die Luthers predikant te Beverwijk was en die een hond had, een Newfoundlander, op wiens rug zij als kind mocht zitten. Zes jaar later, in 1883, ging zij naar de meisjes-H.B.S. in Haarlem; jongens- en meisjesscholen zouden nog lang gescheiden blijven, daar kon immers niets goeds van komen! Op deze school maakte zij kennis met de Nederlandse en klassieke letterkunde. Dit zou iets in haar wakker maken dat ze nooit meer kwijt zou raken, n.l. het toevertrouwen van haar zielenroerselen, haar diepste gedachten en fantasieën aan het papier Haar moeder was op vijfendertig jarige leeftijd blind geworden en na haar schooltijd hielp Anna thuis in het gezin. In deze periode schreef zij reeds enkele toneelstukken en verschillende novellen. Onder het pseudoniem Wilhelmina Reijnbach, hetgeen een samentrekking van haar moeders en het laatste deel van haar vaders achternaam was, werden in 1894 en 1895 haar eerste twee romans gepubliceerd, ‘Albert Overberg’ en ‘Otto van Lansveldt’. Haar derde roman ‘Het Rijke leven’ werd in 1897 gepubliceerd onder haar meisjesnaam, Anna Kaulbach.

De Bollenstreek/ Sassenheim

In 1892 toen Anna 22 jaar oud was, ontmoette zij Willem Jacob van Gogh, die een neef was van de later zo bekend geworden schilder Vincent van Gogh. Willem was op 18 september 1863 geboren te Krommenie en stond vanaf 22 maart 1892 als bloemist ingeschreven te Sassenheim, wonende aan de Oude Haven en later aan de Vaartkade. Daarvoor woonde hij in Voorhout. Anna en Willem konden het meteen goed met elkaar vinden en kregen al snel verkering. Later in hun verlovingstijd ondernamen zij samen, een voor die tijd progressieve onderneming, een reisje door het land per driewielertandem om zonder chaperonne vrienden en familie te bezoeken. ‘Dat mijn ouders met ons plan instemden was voor mij het verrukkelijkste bewijs van hun vrijheid van denken en opvattingen’, zou zij later zeggen.

Heereweg 294 t/m 298

Zij trouwden op 30 augustus 1899 en de eerste drie weken van hun huwelijk zullen in beslag genomen zijn door de wittebroodsweken en de verhuizing naar Lisse. Aan de Heereweg waren juist enkele nieuwe huizen gebouwd en het kersverse paar betrok vanaf 22 september 1899 het pand wat thans no. 296 is. Willem die zelf dus bloemist was, had naaste buren met bollennamen als Segers, Tromp en de Graaff. Hier werd hun eerste zoon Eduard op 22 juli 1900 geboren en op 30 januari 1902 zag Willem Daniël  hier het levenslicht. Of Willem’s activiteiten in de bollenwereld niet echt zoals gepland verliepen of dat de vooruitstrevende en met socialistische ideeën doorspekte levensvisie van beide echtelieden veel ruimte voor acceptatie binnen de Lissese bollenwereld geboden zal hebben of een combinatie van beiden zal misschien nooit helemaal duidelijk worden. In elk geval vinden we vanaf 25 april 1903 het gezin van Gogh in Sassenheim, wonende aan de Hoofdstraat 18; dit is wat nu Hans Textiel is. Tussen het tegenwoordige Vita Cura en Clairoptiek stonden destijds een paar pandjes en de nummering van de huizen liep toentertijd geheel anders. Op 21 september van dat jaar werd hun eerste dochtertje Magdalena geboren en op 31 mei 1905 zag Maria Cornelia hier het levenslicht. In dat jaar werd eveneens de vereniging van letterkundigen opgericht waarvan zij later lid zou worden. In 1906 hadden de Van Gogh’s het met de bollenwereld helemaal gehad en op 13 september van dat jaar verliet het gezin Sassenheim. Willem ging werken bij kunsthandel Meurs in Amsterdam en Anna verdeelde haar tijd tussen het gezin en schrijfwerk, het gezin verhuisde naar Haarlem en nog later naar Arnhem.

Rika

Deze roman, gepubliceerd in 1905 in haar Sassemse jaren door uitgeverij Loosjes te Haarlem, is een onvermijdelijk bollenstreeks product van haar socialistische denkbeelden en diepgewortelde begaanheid met de medemens. Het is een klaaglied over de ‘bovenkant’ van de samenleving ten opzichte van de erbarmelijke omstandigheden van de gewone arbeider. Het idee was blijkbaar al in Lisse geboren, waarbij de verhalen waarmee Willem uit zijn werk thuis kwam, de inspiratie- en informatiebron geweest zullen zijn en waar Anna’s vrijheidsidealen en bewogen levensdoel zich niet konden vereenzelvigen met de schrijnende tegenstellingen binnen de bollenwereld. Het wordt vaak haar eerste volwassen literaire product met een eigen stijl genoemd, geschreven als een streekroman in een bollenstreeks dialect van zo’n 100 jaar geleden, waar we nu nog steeds iets van kunnen leren. Wie weet b.v. nog wat ‘toeterlof’ is? Het verhaal zelf speelt zich af in een kansarm bollenstreeks gezin waar een weduwe ‘Vrouw Wijzel’ de scepter zwaait. In het oude huisje wonen tevens haar achterlijke broer en een achterlijke dochter, bovendien heeft zij nog een zoon in Amerika. Marie, haar andere dochter komt terug naar huis van een betrekking uit de grote stad met een vaderloos kind op de arm, dit is ‘Rika’. Marie komt op een gegeven moment te overlijden en Rika wordt grootgebracht door haar grootmoeder naar wie zij trouwens vernoemd was. Als Rika ouder is geworden krijgt zij verkering met Gerrit, een jongen uit het volk, een echte socialist maar zij raakt hopeloos verliefd op ene Henri, een jonge man van betere stand, die Rika’s liefde aanvankelijk wel beantwoordt maar uiteindelijk kiest voor iemand uit zijn eigen kring en dan: ‘Zonder aarzeling, als gewoon doorlopend, plompte zij in het water, zonk geluidloos weg onder het rimpelend vlak’.

Naschrift

In 1909 wordt een derde zoon ‘Henri’ geboren (Rika’s Henri?) terwijl in 1910 Magdalena komt te overlijden. In 1934 verliest Anna ook haar echtgenoot Willem Jacob. In 1953 wordt haar laatste roman ‘Zomerland’ gepubliceerd die vertaald wordt in het Russisch in een oplage van 100.000 exemplaren. Op 28 januari 1960, negentig jaar oud, komt Anna in Haarlem te overlijden na een ziekbed van slechts één dag. Op haar bureau vond men een bijna voltooide vertaling en een artikel waaraan zij bezig was. Vanaf haar schooljaren, door haar huwelijk, moederschap en de laatste eenzame jaren heen liep die rode draad, die onuitroeibare drang om te schrijven, die haar zoveel voldoening gaf en haar begeleidde tot het einde aan toe.

Bronnen

Gemeente Archief Teylingen. A.M. Hulkenberg, Lisser Rommeling, Repro, Alphen aan de Rijn 1981. Jaarboek van de Maatschappij der Ned. Letterkunde te Leiden 1961-1962, pag. 100-107.

Verantwoording

De lezing van Stephan de Vos van 20 sept. jl leverde naast een extra stimulans voor de opzet van een Etymologische en Toponymische Werkgroep ook een verhaal voor het Nieuwsblad op. Aad van der Geest wees die avond naar aanleiding van de dialecten in de Bollenstreek op Anna van Gogh- Kaulbach. Een artikel over deze schrijfster, verschenen in de . Aschpotter, tijdschrift van Stichting Oud Sassenheim, van mei 2007 (no. 20 ), mochten wij overnemen.

Anna van Gogh-Kaulbach 1869-1960

Jan Pieter molenaar van de Lageveense molen deel 2

De Lageveense molen heeft een vlucht van 18.40 meter. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd  door molenmakersbedrijf Melman uit Warmond. Dit artikel en het artikel in het vorige Nieuwsblad met veel informatie is gebaseerd op Molenwereld 2000-9-192. 

door Andries Veloo

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

JP in de Lageveense molen (foto Andries Veloo,21 maart2011

Zijn molen

De molen heeft een vlucht van 18,40 meter, de diameter van het scheprad is 4,02 meter en de schoepbreedte is 32 cm. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd door molenmakersbedrijf wed. J.A. Melman te Warmond. Dezelfde molenmaker bouwde tegelijkertijd de Munnikenmolen te Leiderdorp. Het was kennelijk een groot molenmakersbedrijf, want ze bouwden twee nieuwe wipmolens in een jaar en hadden daarnaast ook nog het normale onderhoudswerk aan de bij hun in onderhoud zijnde molens. Bijzonder aan de Lageveense molen is het veelvuldig gebruik van Amerikaans grenenhout. Het tafelement is gedeeltelijk beton. Merkwaardig is, dat de beide schijfl open helemaal uitgevoerd zijn met schietstaven, dus in het bovenblad met ronde konische gaten, waarover een gesmede ring is geplaatst die aangeklemd wordt met gesmede vleugelmoerbouten. De staven kunnen dus gedraaid worden zonder het schijf uit elkaar te nemen. In het Zuid-Hollands Molenboek van 1961 is te zien dat de wieken nog stroomlijnneuzen volgens het systeem van A.J. Dekker heeft. In 1961 is er een nieuwe stalen buitenroede gestoken. Die kreeg toen fokken, waarschijnlijk zijn alle stroomlijnneuzen toen vervangen voor fokken. Toen in 1978 het molenmakersbedrijf De Gelder vanuit Valkenburg/Oegstgeest verhuisde naar Arkel in de Alblasserwaard, kwam de molen bij de fi rma Verbij in onderhoud. Bij de polderconcentratie van 1979 kwam de Lageveense molen in eigendom van het Hoogheemraadschap van Rijnland, district Middengeest. Voor de concentratie kreeg fi rma Verbij de eerste onderhoudsklus: het vernieuwen van de schepradkast en betonnen vloeren storten op de bestaande houten waterloop vloeren. Alle materialen en gereedschappen moesten over de trekvaart geroeid worden, daarna over het spoor gesjouwd (toen al zeer druk bereden) en daarna weer over de bermsloot geroeid worden, waarlijk niet ongevaarlijk.

Molenaars

De molenaars Leo Cozijn en zijn zoon Bart hebben zo jaren naar de molen gevaren, ze hadden dus gewoon twee roeiboten nodig. In het Keukenhofbos werd begin 1950 een gemetseld vijzelgemaaltje neergezet, dat alleen in noodgevallen werd gebruikt. In 1990 werd het gemaaltje gerenoveerd en er kwam een pomp in. De molen kwam toen buiten gebruik, waarna de molen werd overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting. De vergunning van de spoorwegen om over het spoor naar de molen te lopen werd toen ook opgeheven. Vader Leo Cozijn en zoon Bart zagen ervan af om als vrijwillig molenaar nog langer de Lageveense te malen. In 1995 vond een forse restauratie plaats. Dat betrof bijna het gehele bovenhuis. Jan Hoogenboom heeft er veel aan gewerkt. De molen stond uit zijn werk en als JP met de molen draaide kon hij vanuit het nieuw voor de molenaar getimmerde kamertje het onderschijf zien draaien door een rookglazen ruitje. Jan dacht: Ik zal JP eens ‘verrassen’, en plakte over de staven kalenderplaten van schaars geklede dames, een grap die door JP wel gewaardeerd werd. De molen staat op een hele mooie plek in de Lageveense polder. Er bevindt zich wel een bos op het ZW, maar verder is de biotoop redelijk. De vorige (beroeps)molenaar was Leo Cozijn uit een zeer oud molenaarsgeslacht. Deze Leo kwam begin jaren ‘30 als machinist op de schuin tegenover de Lageveense molen gelegen Hoogeveense molen. In deze molen dreef een motor het scheprad aan. De dorpstimmerman had de molen in onderhoud, ook de gaande werken. Volgens Leo, die een gezellige prater was, stond er geen kam op steek en viel er met de molen niet te malen. Leo zou Leo niet zijn, als hij bij het polderbestuur niet zou aandringen op herstel van de gaande werken om weer op wind te kunnen malen. De fi rma De Gelder kreeg opdracht de molen weer maalvaardig te maken, zodat Leo kon kiezen tussen op de motor, of op de wind te malen. Het werd dus overwegend windbemaling. Leo viste graag, had een tuinderij en een bloemkwekerij tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Door dreigend brandstoftekort tijdens de tweede wereldoorlog besloot het polderbestuur om de Hoogeveense molen in 1939 te voorzien van Dekkerwieken. Leo vond dat er niets ging boven Dekkerwieken. Ze kunnen best 160 enden gaan en zijn dan nog goed stil te zetten, met fokken lukt dat niet, vond hij. Leo kreeg steun van zoon Bart, die zich meer ging ontfermen over de Lageveense. Op 94-jarige leeftijd overleed Leo Cozijn op 30 januari 2000 (Zie Molenwereld 20009-192). Zoon Bart volgde zijn vader op als molenaarmachinist van de Hoogeveense polder. Zo maalt de molen voort.