Hoe een uitgaansdag in 1845 tragisch eindigde

Na bezichtiging van het nieuwe gemaal de Leegwater sloeg de boot om. Sijmen Barnhoorn, Jacob Koopmanschaap en Cornelis van Riek verdronken  toen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Ze gaan met hun zeilboot richting Buitenkaag om het gemaal de Leeghwater te bekijken. De machtige stoommachines in bedrijf te zien die de Haarlemmermeer moeten leegpompen, en met elke slag 88 m3 water de ringvaart in te lozen. De Leeghwater maakte op 22 juli 1845 zijn eerste slag. In 1849 kwamen de gemalen Cruquius en Lijnden erbij en was de klus in 1852 geklaard. Het was een wonder om te zien en daarvan getuige te zijn. Met vijf man waren ze vertrokken en na een enerverende dag tegen de avond huiswaarts getrokken. Ter hoogte van de Greveling sloeg echter het noodlot toe. We volgen het proces dat door de politie toen is opgetekend. Procesverbaal Op heden 10 augustus 1845 savonds ongeveer 7 ure compareerde voor ons mr. Johannis Cornelis van Rossen Burgemeester van Lisse, Anthonie Beltzer, koetsier oud 33 jaren wonende te Hillegom, en Petrus Johannes Hageman tuinman, oud 56 jaren mede aldaar woonachtig,welke ons verklaarden. Dat zij van eene zeilpartij ter bezichtiging van de leeghwater terugkerende in de ringvaart in de omtrek der Greveling waren omgeslagen en drie der hunnen verdronken waren – als- Sijmen Barnhoorn, jager oud 46 jaren Wonende te Hillegom. Jacob Koopmanschap, timmermansknecht oud 29 jaren wonende te Weespercarspel, thans werkende te Hillegom en Cornelis van Riek oud 26 jaren wagenmakersgezel, bij zijne moeder weduwe wonende te Lisse. Cornelis zijn vader Jacob Jansz van Riek was reeds in 1833 overleden, gehuwd met Maria Ariensdr. van Noort. en woonden bij het Vierkant. Dat zij omgeslagen waren, toen zij den schuit wilden wenden om een haak te krijgen die hun ontschoten was, Denkelijk door eene te hevige windvlaag, of het vast blijven houden der schoot. dat bij het omslaan hij koetsier uit gesprongen was en zwemmende de wal bereikt had. Dat onder zijn zwemmen hij door den wagenmaker was achterhaald en deze zich aan hem vastgeklampt had, dat hij zich echter losgewerkt had en daarna den wagenmaker niet meer gezien had, dat hij tuinman met den jager en de timmermansknecht bovenvermeld op den bodem der schuit waren geklommen dat de schuit daarop gezonken zijnde hij zich andermaal aan den schuit heeft vastgehouden, terwijl hij de andere twee vlak nevens elkander zwemmende gelijkelijk heeft zien zinken, dat na op het geroep van den koetsier eenige poldergasten aan de greveling wonende, waren te hulp gekomen en hem in hunne schuit geholpen hadden, dat zij als nu niets anders bij zich hebbende dan boomen zonder haken en de vermisten reeds om het half uur waren onder geweest en er andermaal teveel tijd moest verloopen eer men zich van haken had voorzien zij gemeend hadden dat aan geen redding meer te denken was en besloten hadden om van het gebeurde slechts aangifte te gaan doen. Van welke aangifte na gedane voorlezing dit relaas is ondertekend. A.Beltzer P.J.Hageman J.C.van Rossen Nog compareerde de gemelde poldergasten Willem van Genderen oud .. tig jaren wonende te Sliedrecht en Jan Gelerblom oud 22 jaren wonende te Hartingveld beiden thans aan gemelde ringvaart werkend- verklarende: dat hij op het geroep van zijn dochtertje was buiten gekomen, eenige menschen in het water had zien worstelen maar dat eer hij een schuit had losgemaakt om er heen te varen niets meer gewaar was geworden dan een man die tegen den dijk opkroop. Dat de tegenwind en stroom het naderen vrij onmogelijk en langdurig gemaakt had en hij ter plaatse komende behalve den man die tegen den dijk geklommen was nog een man even met het hoofd boven water had gevonden zich vasthoudende aan het boord van een omgeslagen schuitje, dat hij overigens uit consideratie als boven besloten dan met de geredden en zijn schuit naar het dorp te vervoeren. De comparanten verzocht dat relaas te ondertekenen verkaarden niet te kunnen schrijven. Op 12 augustus 1845 doen de overlevenden Antonie Theodorus Beltzer, koetsier en Petrus Johannes Hageman, timmerman op het gemeentehuis van Lisse aangifte van het overlijden van hun drie kameraden in de akten nr. 27, 28 en 29.

Bron:

Gemeentearchief Lisse inv.nr.1115 , Bevolkingsregister Lisse

Gemaal de Leeghwater in 1846

BEROEPEN IN HET KOHIER VAN HET FAMILIEGELD UIT 1674

Een lijst met beroepen wordt in 1674 weergegeven in verband met geplande belastinghervormingen. De veranderingen gingen uiteindelijk niet door.

door Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Inleiding

De oorlog met Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen in 1672 (het zogenoemde ‘Rampjaar’) had de Republiek veel geld gekost. De bodem van de schatkist was in zicht, dus die diende zo snel mogelijk weer te worden gevuld. Onder het motto ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’ troffen de gebruikelijke belastingen (zoals de 200e penning) vooral het welgestelde deel van de bevolking. Daar was niets op tegen, maar op den duur raakte ook daar de fi nanciële rek er uit. Daarom waren de Staten van Holland in deze fi nancieel hachelijke periode naarstig op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen. Zij waren van mening dat iedereen naar rato van inkomen een bijdrage moest leveren. Dat zou tot een gelijkmatiger spreiding van de belastingdruk moeten leiden. Deze nieuwe manier van belastingheffen stuitte op veel weerstand. Er werd fl ink gedebatteerd over de vraag wie moest worden vrijgesteld en wat nu precies onder ‘inkomen’ moest worden verstaan. Uiteindelijk rolde er op 22 en 23 december 1673 een voor iedereen acceptabel compromis uit de bus; dat dacht men tenminste. De Hollandse steden dienden de belastingkohieren op te stellen; niet alleen voor de stad zelf, maar ook voor de omliggende dorpen. In veel gevallen werd die laatste taak overgelaten aan de schouten van de betreffende dorpen. In Lisse stelde de schout mr. Hannard van Gorcum in 1674 de belastinglijst samen. Hij werd daarbij geholpen door de Lissese burgemeesters Albert Janszn van Heemskerk, Jan Janszn Vlaanderen senior, Thomas Mauritszn van Eeden en Jan Jacobszn. Cnottingen. Op de lijst staan de namen van de belastingplichtigen, hun beroep en het bedrag dat zij op basis van hun inkomen dienden te betalen. Het familiegeld werd uiteindelijk niet geïnd omdat Amsterdam (de belangrijkste en invloedrijkste Hollandse stad) niet meewerkte. [1] Het eerder gesloten compromis bleek dus niet voor iedereen acceptabel. Gelukkig is het kohier van Rijnland (waar Lisse onder  viel) wel bewaard gebleven. Het bevindt zich in het Regionaal Archief Leiden (Stadsarchief Leiden, inv.nr. 4029). In de eerste helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw is er door een werkgroep van voormalige deelnemers aan een cursus oud schrift een transcriptie van gemaakt. De Lissese gegevens van deze transcriptie zijn inmiddels raadpleegbaar in het servicepunt van onze vereniging. In dit artikel zal ik vooral aandacht schenken aan de beroepen die in het belastingkohier worden vermeld en de bedragen die moesten worden betaald. Voor de namen van de belastingplichtigen verwijs ik graag door naar de transcriptie in ons servicepunt.

Beroepen

In de Lissese bijdrage aan het familiegeld worden in totaal 121 ‘families’ of huishoudens vermeld, en op twee uitzonderingen na (waarvan er één langs andere weg kon worden aangevuld) wordt ook in alle gevallen het beroep van de kostwinner genoemd. Op die manier kan er een mooie inventarisatie worden gemaakt van de beroepen die in 1674 in Lisse werden uitgeoefend en van het aantal personen dat het betreffende beroep uitoefende:

Arbeider, negen personen

Bakker, drie personen

Bakster, één persoon

Biersteker, drie personen (waarvan twee tevens schipper waren)

Chirurgijn, één persoon

Collecteur (van de belastingen), één persoon

Commissaris op Halfweg, één persoon

Grutter (iemand die graan tot grutten of gort maakt), één persoon

Kuiper, twee personen

Landbouwer, eenenveertig personen

Landbouwster, elf personen

Metselaar twee personen

Molenaar, één persoon

Onbekend, één persoon

Schipper, drie personen (waarvan twee tevens biersteker waren)

Schoenmaker, drie personen

Schout en secretaris, één persoon

Smid, één persoon Smid (vrouw), één persoon

Snijder (kleermaker), één persoon

Timmerman, drie personen

Tuinman, één persoon

Turftonder, één persoon

Vlasser, drieëntwintig personen

Wagenmaker, twee personen

Winkelier, één persoon

Winkelierster, één persoon

Schoenmaker, ets uit het boek Spiegel van het Menselyk Bedryf van Jan en Caspar Luyken, eind zeventiende eeuw

Het merendeel van de in het belastingkohier genoemde personen was werkzaam in niet-agrarische beroepen. Toch had Lisse ook een duidelijke agrarische component. In totaal verdiende 43 procent van de belastingplichtigen zijn of haar brood in de landbouw.

Van tuinbouwactiviteiten is in 1674 nauwelijks sprake: er wordt slechts één ‘tuijnman’ genoemd.[2]
De grote bloei van deze agrarische bedrijvigheden moest nog komen: omstreeks 1800 vond bijna 70 procent van de beroepsbevolking in de Duin- en Bollenstreek emplooi in de land- of tuinbouw.[3]
De arbeidsintensieve vlasindustrie vormde in de zeventiende eeuw een andere belangrijke werkgever. In totaal gaf negentien procent van de Lissese belastingplichtigen aan als vlasser werkzaam te zijn. Ongeveer honderd jaar later was er van deze eens zo bloeiende bedrijfstak weinig meer over.[4] Van de in de vijftiende eeuw nog zeer lucratieve turfwinning zijn in het kohier van het familiegeld geen sporen terug te vinden. In de zeventiende eeuw werd in Lisse waarschijnlijk alleen nog op kleine schaal turf gestoken voor de eigen haard. De turfwinning was in deze periode in ieder geval niet zo grootschalig dat de inwoners van Lisse daar hun brood mee konden verdienen. Het grootste deel van het Lissese veengebied was namelijk al afgestoken of ten prooi gevallen aan de ‘Waterwolf’, d.w.z. het (als gevolg van diezelfde turfwinning!) almaar uitdijende Haarlemmermeer. Wel was in Lisse een turftonder actief. Dat was een door het dorpsbestuur beëdigde functionaris die de aangevoerde turf (uit bv. Friesland) in geijkte turftonnen overdeed om na te gaan of het in de juiste hoeveelheid was aangeleverd.[5]

De meeste beroepen in het kohier van het familiegeld spreken voor zich. De bierstekers (of bierbeschooiers) behoeven echter wat extra uitleg. Dat waren personen die tappers en anderen voorzagen van bier.[6] In Lisse ging het in totaal om drie personen, waarvan er twee tevens schipper waren. Blijkbaar was dat een handige combinatie: als schipper waren ze veel onderweg, dus konden ze op hun tochten mooi de tappers in de streek bevoorraden. De beide schipperbierstekers waren overigens de enigen die meerdere beroepen opgaven in het kohier van het familiegeld. Vrouwen traden in deze tijd normaal gesproken niet zelfstandig op: zij werden veelal vertegenwoordigd door hun echtgenoot of door een voogd. Toch was bijna twaalf procent van de Lissese belastingplichtigen vrouw. Hoe kan dat? Bij nadere beschouwing blijken elf van de veertien in het kohier van het familiegeld genoemde vrouwen als weduwe het bedrijf van hun echtgenoot te hebben voortgezet. Dat was vaak de enige situatie waarin vrouwen zelfstandig konden opereren en ze zonder voogd in de archiefstukken opduiken. Mogelijk gold dat ook voor de overige drie vrouwen, maar bij hen wordt niet nadrukkelijk vermeld dat zij weduwen waren. Het is niet bekend wie er van betaling was vrijgesteld in Lisse.

Daar is een veel dieper gravend onderzoek voor nodig. Een direct in het oog springende afwezige is in ieder geval de Lissese predikant Johannes Echtenius. Waarschijnlijk hoefde die vanwege zijn functie geen bijdrage te leveren. Daarnaast zullen ook de allerarmsten van betaling zijn vrijgesteld.

Bedragen

Het kohier van het familiegeld telde wat Lisse betreft vijf verschillende belastingtarieven:
Halve stuiver, zevenenveertig personen (38,8%)

Eén stuiver, vierendertig personen (28%)

Anderhalve stuiver, twaalf personen (10%)

Twee stuivers, zestien personen (13,2%)

Tweeëneenhalve stuiver, twaalf personen (10%)

Deze cijfers zijn te beperkt om een gedetailleerd beeld te schetsen van de welstand van de Lissese dorpsgemeenschap in 1674. Bijna 40 procent van de belastingplichtigen betaalde slechts een halve stuiver. Dan volgt er een soort middengroep die een bedrag betaalde tussen de één en twee stuivers. Zij vertegenwoordigen 51,2 procent van alle Lissese belastingbetalers. En tot slot is er een kleine groep (tien procent van de belastingbetalers) die het hoogste bedrag van tweeëneenhalve stuiver op tafel diende te leggen. Nader onderzoek zal duidelijk moeten maken of deze onderverdeling overeen komt met de werkelijkheid. In ieder geval hoefde tweederde deel van de Lissese belastingbetalers niet meer dan één stuiver te betalen. De laagste twee belastingtarieven waren dus het sterkst vertegenwoordigd.

Verder onderzoek

Door op een vergelijkbare manier belastingkohieren uit andere jaren te ‘ontleden’, kan er een beeld worden geschetst van de economische bedrijvigheden in Lisse en de welstand van de Lissese dorpsgemeenschap door de eeuwen heen. Mochten er lezers zijn die dit onderzoek ter hand willen nemen, dan kunnen ze contact opnemen met de secretaris van de vereniging.

Noten [1]

Zie de transcriptie van het kohier van het familiegeld uit 1674 in het servicepunt van onze vereniging. [2] Met deze term kan zowel een tuinder zijn bedoeld, als iemand die zorg droeg voor de tuinen van de Lissese buitenplaatsen; zie het lemma ‘tuinman’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl). [3] Jan Beenakker en Reinout Rutte (red.), De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht. Landschap, leven en werken omstreeks 1800 (Leiden 2003) 49. [4] Ibidem, 52. [5] Zie de lemma’s ‘turfton’ en ‘turftonner’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl). [6] Zie de lemma’s ‘biersteker’ en ‘bierbeschooier’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl).

DE BIBLIOTHEKEN VAN LISSE: deel III

Een bibliotheek annex boekenwinkel was gevestigd in de Kapelstraat. Dit was de algemene bibliotheek. Deze bibliotheek stopte toen het echtpaar de Haas met pensioen ging. Romeyn bouwde toen zelf een bibliotheek op.

door Bas Romeyn

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Boekhandel annex bibliotheek (of eigenlijk andersom) “De Volharding” was gevestigd in de Kapelstraat. In het pand waar nu de Christelijke Boekhandel zich bevindt. De wat stoffige zaak werd gedreven door het echtpaar de Haas (als ik het goed heb), die op hun beurt de zaak inclusief inboedel overgenomen hadden van C. Moolenaar. Was mijn eerste bibliotheek samengesteld door gereformeerde mannenbroeders, de tweede nog door de Paus zelve met wijwater was ingezegend, de derde en laatste bibliotheek van ons voorzichtig ontluikende dorp kan als “algemeen” gekenschetst worden. Hier was het echte werk te vinden. In de kleine winkel stonden de te verkopen boeken in een fraaie, klassistische eiken kast. Bij het liquideren van de zaak, jaren later, heb ik gaarne van het aanbod gebruik gemaakt om deze over te nemen. Hij heeft zeven jaar in ons eerste huis (Heereweg 87) staan pronken. Achter de toonbank bevond zich in een duister, geheimzinnig labyrint, bestaande uit smalle gangen, de bibliotheek. De basis bestond nog uit boeken van de vorige eigenaar, allemaal van voor de oorlog. Een catalogus bestond niet. Je hoefde alleen maar een genre op te geven waarop je een dikke stapel boeken kreeg. Verwacht werd dat je er direct minimaal één zou nemen. Er was eigenlijk maar één ontsnapping aan dit rigide systeem mogelijk, door te zeggen dat je ze allemaal al kende. Of, van deze methode maakte ik graag gebruik, door ook boeken te kopen en niet alleen te lenen.
Direct al begon ik enthousiast met de onvolprezen en in die tijd mateloos populaire Bob Evers-serie. Wat een fantastische, spannende en vooral humoristische jongensboeken waren dat! Ze waren geschreven door Willy van der Heide (Willem Waterman). In die tijd kwamen er met enige regelmaat nieuwe delen uit. Feest! Betreffende reeks was genoemd naar de Amerikaan Bob Evers. Dit fi guur is eigenlijk nooit zo goed uit de verf gekomen. Het ging om Arie Roos en Jan Prins. Bob gaf wel dat exotische, dat moderne, dat rijke-oom-uit Amerika gevoel aan de boeken mee. Er werd wat afgelachen en geschoten! Vooral de boeken die zich afspeelden op de Kaag (de auteur woonde aldaar) en in Lisse ( met ene Grimbergen!) spraken natuurlijk zeer tot de verbeelding.
Na de Rode Pimpernel, Scaramouche, Captain Blood en nog veel meer historische romans, waarin elegante edellieden, uiteraard voorzien van fl itsende degens en gesteven puntsnorren, smachtende jonkvrouwen het hof maakten, stuitte ik op Thackery Austen en de gezusters Brontë. De facto ook kasteelromans, maar toch op een hoger plan. Dit was literatuur! Er was geen houden meer aan: de onnavolgbare Charles Dickens, met zijn huiveringwekkende ellende en zijn hilarische  humor. Ze trekken weer aan me voorbij: Jings, die lieve kleine Dorrit, Pip, David, mr. Pecksnifft, ach zo kan ik nog wel even doorgaan. De oplichter Tchitchikov van Gogol, het navrante Rood en Zwart van Stendahl, Poe, het vaak herlezen De graaf van Monte Christo, Goethe, Svevo, de subtiele, verslavende Proust. Het wurgende Effi e Briest.. Bij toeval ontdekte ik ook de Vlamingen. Na het eerste boek, ik meen het fi jnzinnige Elias en het gevecht met de Nachtegalen (wat een titel!) was ik verkocht. Wat een sfeer, wat een taalrijkdom. Ze volgden allemaal, inclusief de kaler schrijvende maar briljante Willem Elsschot.
Op een gegeven moment ging het echtpaar de Haas met pensioen en ben ik de vierde bibliotheek van Lisse zelf op gaan bouwen. Een droombibliotheek bestaande uit vele interessegebieden. Deze dijde in de loop der vele jaren zodanig uit dat ik in grote ruimtenood kwam. Er was maar één oplossing: een ander huis! En zo zijn we aan en in het Oude Koningshuys gekomen! Wat boeken al niet teweeg kunnen brengen.

 

VAN EEN NAZAAT VAN DE TIMMERMAN-MOLENMAKER

De schrijver heeft aanvullingen op het boek Kroniek van een molenaar. Hij heeft oudere foto’s en een beschrijving van de genealogie van zijn voorouders van der Zaal en A. van Grotenhof.

door Robert van der Zaal

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Het moet zijn geweest toen achterneef Herman Buurman “de familiebijbel” van de familie Van der Zaal schonk aan het Museum voor de Bollenstreek “De Zwarte Tulp”. Mijn vader Barend (1926-2009, van Ary van het Kuykehuis) stelde me voor aan onze achternicht Penny Raggers-van der Zaal. Nu wist ik al van mijn vader en zijn broer Albertus “Bert” (19232005) dat Penny documentatie over molens had van één van onze voorvaderen, een molenbouwer. Met een vrijwillig molenaar onder mijn studievrienden was mijn belangstelling voor molens al in de jaren ’80 aangewakkerd en nu had ik de kans Penny te vragen naar de documentatie van onze voorvader. Maar Penny was, terecht, wat terughoudend de handgeschreven documentatie uit te lenen. Ze kon me wel vertellen dat er wat met de documentatie ging gebeuren.
Een jaar of twee geleden, pappa was inmiddels overleden, belde ik Penny eens om te vragen hoe het was met de documentatie. Ze vertelde me dat de manuscripten inmiddels bij een historicus van de Vereniging Oud Lisse lagen om ze te “transcriberen” en te verwerken in een boek. Later kwam ik erachter dat de historicus Bert Kölker was. Heb sindsdien de mensen bij Grimbergen de kop gek gezeurd over wat “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker” zou gaan heten, waarvoor nogmaals mijn excuses.
Toen het felbegeerde boek dan eindelijk afgelopen oktober in mijn bezit was heb ik er van zitten smullen! Uit een onderzoek van de Zwarte Tulp naar drie oude Lisser families van een jaar of 15 geleden had ik al een vrij complete stamboom vanaf het moment dat we in Lisse neerstreken en met de Kroniek heb ik alle vaders tot en met Claes uit Aarlanderveen rond 1460!
In de Kroniek zag ik foto’s waaronder de “oudst bekende foto’s van een Van der Zaal”. Nu vond ik het jammer dat ik (via Penny?) niet eerder met Bert Kölker in contact ben gekomen want oom Bert had GLASPLATEN met foto’s van de ouders van deze Van der Zalen, samen en met een hele schare aan kinderen! Van deze glasplaten heeft oom Bert rond 1989 op papier diverse afdrukken gemaakt plus een interessante beschrijving van het hoe en waarom van deze foto’s. V.O.L. heeft een kopie van deze beschrijving die publicatie in het Nieuwsblad meer dan waard is…. We zien Cornelis, aannemer/eigenaar van het bedrijf aan het Vierkant sinds 1853 (geboren 9 november 1823 in Lisse, overleden 10 maart 1897 te Lisse; zie XIII-1 in Genealogie van der Zaal in Kroniek), kleinzoon van de timmerman-molenmaker van de Kroniek, en zijn vrouw Maria, geboren Marseille, uit Haarlem. Ook zien we Arie van Grotenhof en mijn overgrootvader Albertus, de latere aannemer van het Vierkant met hun broertje Cornelis en zusje Maria op schoot bij hun ouders. De foto van de ouders, Cornelis en Maria, is uit 1853, de foto van het gezin toen kleine Maria een peuter en kleine Cornelis een baby was dus ergens rond 1857. De glasplaat uit 1853 is nog in ons bezit, waar die uit 1857 is gebleven weet ik helaas niet.
Waar pas ik in het verhaal en in Oud Lisse? Om te beginnen was timmerman-molenmaker Cornelis overgrootvader van mijn overgrootvader Van der Zaal. Enkele generaties later trouwde Barend van het Kuykehuis in juli 1957 met Cornelia “Cocky” Wesselo (1932), dochter van de kruidenier op de Herenweg en kleindochter van “Meester Wesselo”, hoofd van de Openbare Lagere School en oprichter van Harmonie Eensgezind, later Trou moet Blycken. Haar opa Wesselo overleed in 1903, een jaar na de geboorte van haar vader. Haar andere opa was Marinus Hekkers, voor de oorlog uitbater van de Witte Zwaan! De plannen van het jonge stel de werkplaats naast het Kuykehuis te verbouwen tot een bungalow werden door toenmalig burgemeester De Graaf gedwarsboomd, ze kochten maar een nieuwbouwhuis in het Nassaupark. Goedbeschouwd weggepest door de burgemeester kochten ze uiteindelijk een huis aan de Parklaan in Sassenheim.

VERHAAL ACHTER DE GLASPLATEN uit 1989 nagelaten door Bert van der Zaal.

In maart 1851 beschreef de engelse beeldhouwer/amateurfotograaf Frederic Scott-Archer in “The Chemist” een nieuwe methode van fotografi e, waarbij collodium werd gebruikt. Deze nieuw ontdekte stof werd gevormd door schietkatoen (nitrocellulose) op te lossen in ether of een mengsel van alcohol en ether. Het collodium, dat kaliumjodide bevat, werd gelijkmatig over een zorgvuldig gereinigde glasplaat gegoten,. Wanneer de ether bijna verdampt was en de collodumlaag nog kleverig werd de plaat in een oplossing van zilvernitraat gedompeld. In natte toestand werd de plaat in een camera belicht. (in droge toestand is de plaat veel minder lichtgevoelig). Na belichting werd het negatief direct ontwikkeld in een pyrogallus ontwikkelaar, gefi xeerd in hypo en gespoeld. De verbeterde lichtgevoeligheid van deze platen betekende, dat de belichtingstijd werd teruggebracht van 1 à 2 min. naar 1 á 2 sec.
In een in 1852 verschenen boekje beschreef Scott-Archer een variatie op zijn vinding, waarbij het collodium negatief werd gebleekt door een behandeling met kwikbromide. Wanneer dit gebleekte negatief op een ondergrond van zwart fl uweel werd gelegd, gaf het een positief beeld te zien. Omdat Archer zijn uitvinding niet gepatenteerd had en het procédé veel eenvoudiger was dan oudere werkwijzen, kon men nu voor een luttel bedrag kwalitatief uitstekende foto’s maken, met weinig kennis van chemie.
In de grote steden maakten kappers, sigarenwinkeliers, kruideniers en zelfs tandartsen als hobby portretten voor een paar stuivers. Op het platteland en in de dorpen werd de portretfotografi e bedreven als kermisattractie.
Toen eind september 1853 op de Lisser kermis de tent van een fotograaf door een windvlaag instortte, had mijn overgrootvader Cornelis van der Zaal met de man te doen en stutte de tent met een paar kapsparren. De fotograaf bood toen aan een portret te maken van hem en zijn vrouw, Maria Marseille. Misschien dacht de fotograaf ‘Als er één schaap over de dam is, volgen er meer’, want het laten maken van een foto was in die tijd een onderneming., die verstrekkende gevolgen kon hebben, zoals overtreding van het 2e gebod, excommunicatie uit de kerk en verlies van klanten enzomeer. Gelukkig was overgrootvader Cornelis voor zijn tijd zeer vooruitstrevend en had lak aan vooroordelen. Toch blijkt uit zijn gezichtsuitdrukking, dat zijn verwachtingen van de moderne techniek niet bijzonder hoog gespannen zijn. Toen een paar jaar later de fotograaf weer op de kermis stond, werd de 2e foto gemaakt, nu van het hele gezin. De kinderen v.l.n.r. Arie, Albertus (mijn grootvader), Cornelis Jr. en het enige zusje Maria.

Het tussen de oude pastorie en de voormalige bank gelegen Kuykehuis

GEMEENTERAADSNOTULEN (7). DE ´VERPLAATSING´ VAN HET GEMEENTEHUIS, 1848

Sinds lange tijd fungeerde de Witte Zwaan als Rechthuis. Door een ruzie tussen burgemeester van Rosse en logementhouder Rotteveel in 1848 kwam in de gemeenteraad aan de orde of het Rechthuis verplaats zou moeten worden.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad  Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Inleiding
In een vorig deel uit de serie politierapporten vernamen we al dat de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse, en de logementhouder van de Witte Zwaan, J.P. Rotteveel, niet zo goed met elkaar door één deur konden. Zo was de burgemeester op een kwade dag met twee personen op weg naar het station, dat in die tijd ver buiten het dorp was gelegen, nabij de buitenplaats Veenenburg, aan het einde van de Zwartelaan (zo genoemd vanwege het vele aanwezige geboomte aldaar). De burgemeester was met ze meegegaan om ze de weg te wijzen. Plotseling hoorden ze achter zich een luid rumoer: de logementhouder van de Witte Zwaan bracht per koets een paar aangeschoten gasten naar het station. Even later waren ze in conflict met de burgemeester, die ze bij de kraag vatten en overlaadden met gevloek en getier. En de logementhouder stond erbij en keek ernaar. Dat zette kwaad bloed bij de burgervader, maar ook bij het Gemeentebestuur.
Ook in dit deel zal de wanverhouding tussen de burgemeester en J.P. Rotteveel een belangrijke rol spelen. Dus blijft u aandachtig lezen.

Een ‘vreemde en onhebbelijke’ houding
De situatie werd er niet beter op. De ‘vreemde en onhebbelijke’ houding van Rotteveel tegenover burgemeester en assessoren was aanleiding voor nog een tweetal voorvallen, waarbij de logementhouder zich niet ontzag ‘zich tegen hem (de burgemeester) en het bestuur in tegenwoordigheid van anderen beleedigend uittelaten’.

Er moet een besluit genomen worden
Sinds zeer lange tijd fungeerde de Witte Zwaan als ‘rechthuis’, ofwel in hedendaagse termen als gemeentehuis. Er werd dus met regelmaat vergaderd en recht gesproken. Zolang de verhouding tussen de kastelein en dorpsbestuurders goed te noemen was, was er natuurlijk geen vuiltje aan de lucht. In 1848 waren er echter inmiddels al een paar aanvaringen geweest en de burgemeester begon zich nu af te vragen of niet naar een andere locatie moest worden uitgezien waar men kon vergaderen en recht spreken. Hij besloot het in te brengen bij de Gemeenteraadsvergadering van 26 september 1848. Het zag er naar uit dat er een belangrijk besluit genomen moest worden.

Het Oude Raadhuis komt in beeld
Het voorstel van burgemeester J.C. van Rosse aan de gemeenteraad luidde om “bij provisie”, dus voorlopig, het zogenaamde Oude Raadhuis te gebruiken als gemeentehuis. Het Oude Raadhuis bevond zich aan het Vierkant ter plaatse van de latere Algemene Bank Nederland, dus waar nu Oud Raadwijk in aanbouw is. Het was sedert 1765 van het Baljuwschap van Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse. Baljuw en welgeboren mannen vergaderden hier en er was ook een gevangenis. Mogelijk was het vanwege de vergaderingen van genoemde raad van de baljuw en welgeboren mannen dat men het gebouw later Het Oude Raadhuis is gaan noemen. In ieder geval fungeerde het vóór 1848 zeker niet als gemeentehuis, wat de naam wél doet vermoeden. In 1848 was er echter allang geen baljuw meer. We lezen dan ook dat “reeds sedert bijna eene halve eeuw” de gemeente belast was met het onderhoud van het bewuste gebouw aan het Vierkant. Ook wist men niet beter of de gemeente Lisse trad als eigenaar op. Toch besloot men in de gemeenteraadsvergadering van 27 oktober 1848 om “af te wachten wat door gemelde ambachten of gemeenten wegens mede eigendom mogt gepretendeerd worden”, maar er kwamen geen reacties binnen.

Hoe zal de logementhouder reageren…?
Inmiddels had men het “afkondigingskastje” waaraan huwelijksafkondigingen e.d. op aangeplakt werden, overgebracht van De Witte Zwaan naar Het Oude Raadhuis. Ook was men overgegaan tot aankoop van meubilair “en het verder laten repareren en in orde brengen” van het gebouw. Verder ging men niet. Men was namelijk benieuwd hoe de logementhouder, J.P. Rotteveel, zou reageren! Een beetje kat en muis spel spelen dus. Aangezien het logement De Witte Zwaan altijd al als raadhuis had gefungeerd, verwachtte men dat de logementhouder een genoegdoening zou eisen voor de inkomsten die hij nu mis zou gaan lopen. Maar het bleef akelig stil aan deze zijde van het Vierkant. Rotteveel gaf geen kik! Hij vond het kennelijk best dat de gemeenteraad, waarmee hij immers slecht door één deur kon, nu elders vergaderde.
Reden temeer dus om verder te gaan op de ingeslagen weg. Er moest nog veel gebeuren aan het nieuwe Oude Raadhuis voordat het in gebruik kon worden genomen, waaronder “het aanbrengen van licht in de benedenvertrekken”, de reeds aanwezige tafel “appropriëren” (verbeteren/herstellen) – want in deze zorgelijke tijd was men zéér zuinig! (zie ook het kader) – en het aanbrengen van “eene balie”.

Conclusie
Zo was er dus in 1848 een einde gemaakt aan een lange traditie, waarbij De Witte Zwaan fungeerde als rechthuis. En dat alleen, omdat logementhouder en gemeentebestuur niet met elkaar konden samenwerken. Het gebouw met de opvallend voorspellende naam Het Oude Raadhuis ging nu fungeren als gemeentehuis. Dat is zo gebleven tot in het jaar 1905, toen er een nieuw raadhuis in gebruik werd genomen. Dit werd te klein, zodat, ondanks hevige protesten (“hou heel, geen houweel!”), het gebouw begin jaren tachtig werd gesloopt. Er kwam een nieuw gebouw, wat in 1983 in gebruik werd genomen: het huidige gemeentehuis. Veel Lissers zullen zich wellicht het oude raadhuis uit 1905 nog wel herinneren. Dat zal anders zijn met de voorganger aan het Vierkant, waarvan de lezer de geschiedenis nu vernomen heeft.

“Oude en nietswaardige archieven”
In de vergadering van de gemeenteraad van 26 september 1848 waarbij de burgemeester de raad voorstelde om maar elders te gaan vergaderen, kwam ook nog een ander punt ter sprake. Het ging om de archieven van de gemeente. Men had deze nog maar pas weggehaald uit het leegstaande huis Dever, want het gebouw stond zo langzamerhand op instorten. Met toestemming van de baron Heereman van Zuydtwijck werden deze papieren naar het logement De Witte Zwaan overgebracht. (Dit was namelijk nog juist voordat men van gemeentewege besloot hier niet meer samen te komen). Maar hoe moesten deze documenten nu opgeborgen worden? De aldaar aanwezige kast bood namelijk niet genoeg ruimte. Men wilde geen excessieve kosten maken. Dat kon in deze schrale tijd niet! Aanvankelijk vatte men het plan op om van de restanten van wat ooit verschillende kasten waren geweest in de Kapelzaal van het Huis Dever een nieuwe kast te maken. Zuinigheid troef! Maar voordat men dat plan kon uitvoeren waren de planken al weggehaald… Op genoemde datum van 26 september bracht de burgervader ter tafel “eene tekening van eene archieve kast door den Timmerman AvdZaal gemaakt, met de daartoe betrekkelijke opgave van kosten”. Die kosten bedroegen de somma van 65 gulden. Dit vond de raad een veel te hoog bedrag! Dan moest er maar besloten worden “tot opruiming van oude en nietswaardige (!!!) archieven, des noods bij verkoop”. Wel ja! En indien er dan nóg geen ruimte was, nou ja, dan moest er maar een kast gekocht worden. Maar dan wel “eene zoodanige oude kast”! Anders kon men net zo goed de plaatselijke timmerman Van der Zaal inschakelen.

Het leegstaande Huis Dever, ca. 1845. Steendruk naar een tekening van P.J. Lutgers in Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leijden (1855). A.M. Hulkenberg, ’t Huys Dever (Alphen aan den Rijn 1981), p. 51.

 

De Witte Zwaan gezien vanuit het zuiden. Voor de fraaie serre staan nog bomen, alsook een houten fietsenrek met het opschrift ‘M. Bruynen, Lisse’. De ansicht dateert van ca. 1905. Coll. schrijver.

 

De Witte Zwaan gezien vanuit het noorden, ca. 1900-1905. Ook hier valt het vele geboomte in het oog. Aan de laatste boom langs de weg in het midden van de ansicht is een bordje aangebracht met waarschijnlijk de tekst: ‘INRIJ voor RIJWIELEN’. Daaronder hangt een vaandel van – waarschijnlijk – de ANWB met als tekst: Vereeniging voor auto’s.

 

Eén van de weinige ansichten waarop Het Oude Raadhuis goed in beeld is gebracht. Het betreft het tweede huis van rechts. Zo te zien was de omvang van het pand niet echt bijzonder te noemen. Dat was dan ook de reden waarom het gemeentebestuur nog in hetzelfde jaar waarin deze foto vermoedelijk genomen is – het jaar 1905 – een ander, iets ruimer, gebouw betrok, naast de Hervormde Kerk. Ansicht uit coll. auteur.

 

Het voormalige Oude Raadhuis werd gesloopt in 1921. Ter plaatse verrees de Algemene Bank Nederland, op deze ansicht het tweede pand van rechts. Geheel links zien we het huis van Petrus Coenraad van Vrijberghe de Coningh, vóór die tijd bewoond door Dr. Van Dieren. Ansicht uit coll. auteur.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513 (notulen van de gemeenteraad) en 552 (notulen van het College van B en W).
Website van de Vereniging Oud Lisse, www.oudlisse.nl, “Ordehandhaving en brandbestrijding in de achttiende eeuw, deel 2”, door Maarten van Bourgondiën. Hierin informatie over het Oude Raadhuis.