De winkel van Tissing en zijn voorgangers Deel III: Het ga je goed Kanaalstraat 33!

De geschiedenis van Tissing van 1938 tot  1979 wordt beschreven.In 1938 werd het pand aan de Kanaalstraat 33, magazijn De Zon gebouwd voor Tissing.

 Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

In deel II van deze serie hebben we reeds uitgebreid gesproken over Egbert Tissing (1875-1947). Een ondernemer in hart en nieren. Hetzelfde kan gezegd worden van zijn echtgenote, Alijda C.A. de Liefde, met wie hij in 1900 in het huwelijksbootje stapte. Beiden bezaten dezelfde handelsgeest die nodig is om werkelijk iets nieuws te beginnen; iets dat voor de gemeenschap toegevoegde waarde heeft. Die gemeenschap werd in 1907 het dorp Lisse. Aan de Van der Veldstraat zette het kersverse huwelijkskoppel een winkel in garen en band op. Het liep zo goed dat Egbert in 1911 een nieuwe zaak startte op de hoek Van der Veldstraat/ Kanaalstraat, nadat ter plaatse de oude arbeiderswoning uit ca. 1860 (zie deel I) was gesloopt. Dit pand heeft zo’n 27 jaar bestaan (altijd goed te herkennen op oude ansichten vanwege het torentje). In 1937, toen de zaak 30 jaar bestond, was het weer tijd voor iets nieuws.

Hoe leerde je het vak nu in de textielwereld? Natuurlijk waren daar cursussen voor. Zo lezen we in 1939 dat onder meer Willem Tissing was geslaagd voor de Haagse Textielcursus. Een groot deel van de kennis deed je echter op in de praktijk. Het zogenaamde ‘leerlingensysteem’ werkte prima: de jongeren leerden het vak ter plaatse en de beste kreeg uiteindelijk een dienstverband aangeboden. Zo was dat vermoedelijk ook gegaan met Dirk Baartse en vele anderen.

Nieuwbouw en uitbreiding, 1938

In 1937 richt architect Leen Tol jr., namens de NV Manufacturenhandel ‘Nederland’ v/h E. Tissing, zich tot het College van B&W om vergunning tot het verbouwen van het winkelpand van Kanaalstraat 33. De vergunning wordt op 8 december verleend. Een jaar later zou Tissing het eigendom verwerven van het belendende pand, dat in handen was van Maria Jacoba van Stijn, waarna sloop zou volgen en uitbreiding op deze plek van de manufacturenhandel van Tissing.
Het nieuwe gebouw werd in Art Decostijl ontworpen. Men was er zeer over te spreken. Ook in de Gemeenteraad uitte men zich in lovende bewoordingen over de nieuwe winkel van de heer Tissing. De officiële opening vond plaats op 17 juni 1938. Ook de etalage mocht er zijn. Een toevallige passant werd er althans zozeer door geboeid dat ze niet op het toekomende verkeer acht sloeg, met alle gevolgen van dien. (Zie advertentie).

Advertentie in de Leidsche Courant van 1 december 1938

Oorlogsjaren

De oorlogsjaren zijn jaren van schaarste. Vooral tegen het einde van deze periode, in 1944/45, vindt er ernstige stagnatie plaats van de aanvoer van grondstoffen. De winkel was dan ook slechts geopend gedurende drie dagen in de week, van 10:00-12:00 uur en van 14:00-16:00 uur. Ep Tissing, geboren in 1941 als zoon van W.J.E. Tissing en M.W.C. Thijssen, weet zich nog goed te herinneren hoe weinig verkoopartikelen de winkel vulde. De verkoopruimten waren soms praktisch leeg… En dan vindt in hetzelfde jaar ook nog een inbraak plaats. Uit de winkel werden in de nacht van 7 op 8 mei 15 herenkostuums ontvreemd en 3 regenjassen. Inmiddels had Willem, geboren in 1905 als zoon van Egbert en Aleida de Liefde, het bedrijf op 1 januari 1941 overgenomen.
Maar dan is de bevrijding eindelijk in zicht…Willem Tissing had nog wat kleurenfilmpjes bewaard om het einde van de oorlog vast te leggen. En dat deed hij dan ook toen het eenmaal zover was. Het resultaat was een prachtig historisch document over het einde van de Tweede Wereldoorlog in Lisse!

Foto genomen vanaf de overzijde van de Kanaalstraat met een zich samendringende mensenmenigte voor de winkel van Tissing, 1947.

Het jaar 1947

Het jaar 1947 wordt in de geschiedenis van Tissing deels gekenmerkt door het overlijden van Aleida de Liefde (op 15 januari), echtgenote van Egbert, en tenslotte ook Egbert zelf (op 3 juli). Op 30 juli overleed bovendien één van de medewerkers in het bedrijf, Dirk Baartse. Hij was in 1908 geboren en reeds op dertienjarige leeftijd bij de zaak komen werken. Bij zijn begrafenis (op Duinhof) werd hij door Willem Tissing een ‘zeer gewaardeerd medewerker’ genoemd. Eén van zijn laatste woorden waren dat hij ‘na grote strijd klein geworden was voor God en kon berusten in Zijn weg’. 1

Het jaar 1947 bracht echter ook goed nieuws. In maart werd het 40-jarig jubileum gevierd. Het werd een feestdag, ook voor de klanten!

Foto ongeveer genomen vanaf sigarenmagazijn Juliana, 1947. Coll. Ep Tissing.

Alles werd in het werk gesteld om hen te helpen aan het nodige textielgoed, want ook dat was na de oorlog (tot ca. 1952) op de bon. De mensen verdrongen zich voor de ingang om een slaatje mee te pikken. Er werden vele gelukwensen in ontvangst genomen. Ook de burgemeester en zijn echtgenote lieten zich hierbij niet onbetuigd. ‘Tal van bloemstukken sierden de zaak’, zo lezen we in de Nieuwe Leidse Courant van 11 maart.

 

Advertentie uit 1947 betreffende het 40-jarig bestaan van Tissing, met een korte historie. Rechtsonder de eerste winkel aan de Van der Veldstraat. Coll. Ep Tissing.

Na de oorlog stond Tissing voor een keerpunt: het bedrijf werd alsmaar groter. Er werd besloten een nieuwe zaak te openen die zich ging specialiseren in woninginrichting. In 1950 werd deze geopend. De winkel bevond zich bij het oude postkantoor dat zich bevond op de hoek Heereweg/Stationsweg (vroeger De Steeg genoemd). Later is het bedrijf aanzienlijk gaan uitbreiden. In de jaren zeventig volgde nieuwbouw.

Advertentie in het Leidsch Dagblad van 21 november 1975, in het kader van het 25-jarig bestaan van Tissing Woninginrichting aan de Heereweg

Eind jaren zeventig komt het meubelbedrijf aan de Heereweg terecht in een recessie. De winkel van Tissing Europa Meubel in Valkenburg gaat in 1980 dicht. Zo ook de vestiging in Lisse. Uiteindelijk krijgt Levensmiddelenconcern Albrecht (Aldimarkt) het groene licht van makelaar Mens om zich in het voormalige pand van Tissing te vestigen. Inmiddels bevindt zich hier de nieuwbouw van De Madelief.

Verhuizing naar Blokhuis, 1979

Tissing Europa Meubel was even een ‘uitstapje’ in ons verhaal. Keren wij nu weer terug naar Kanaalstraat 33. Ook daar doen zich de nodige ontwikkelingen voor. Het bedrijf gaat zich opnieuw specialiseren: dameskleding. De dameskleding vestigt zich in 1979 in Blokhuis, terwijl de herenspeciaalzaak, die op het oude adres aan de Kanaalstraat achterblijft, wordt verkocht aan Ruud Slot. Zo kwam er dan na 68 jaar een einde aan de activiteiten van Tissing op dit adres. De damesmodetak ontwikkelde zich voorspoedig: al in 1972 was een tweede winkel geopend in Alphen aan den Rijn en in 1981 volgden een derde en een vierde winkel in

Woerden en Baarn. In 1989 opende Tissing Mode, zoals het bedrijf zich inmiddels noemde, zijn vijfde filiaal in Hoofddorp. Het hoofdkantoor van Tissing Mode bleef echter in Lisse gevestigd, in het achterste gedeelte van het pand aan de Kanaalstraat.

Op 1 februari 2000 gaat Tissing Mode over in andere handen: Be One wordt de nieuwe eigenaar.

Conclusie

In 1979 kwam er een einde aan de activiteiten van Tissing aan de Kanaalstraat. Maar het pand uit 1938 staat nog fi er overeind! Het pand waarvan de etalages zo mooi waren ingericht dat een voorbijrijdende fi etser alleen daar nog aandacht voor had en zo in botsing kwam met het overige verkeer… Dan moet de winkel wel heel smaakvol en met toewijding ingericht zijn geweest! Ja, toewijding! Dat is misschien wel het beste woord dat we kunnen vinden voor de activiteiten van Egbert, zoon Willem en tenslotte kleinzoon Ep Tissing. Succes komt niemand aanwaaien; je moet er wat voor doen. Dat heeft de familie Tissing zeker gedaan. Het resultaat kon niet uitblijven. Nu Tissing een naam uit het verleden is, hopen we dat hun voornaamste Lissese creatie op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat nog een mooie toekomst tegemoet gaat! Wellicht met een andere bestemming, maar als het markante Art Decogebouw daardoor gehandhaafd kan blijven, mogen we daar in Lisse waarschijnlijk heel content mee zijn. Kanaalstraat 33: het ga je goed!

Noot 1. De vele overlijdensgevallen doen ons vermoeden dat er wellicht een epidemie heeft gewoed. Evenals in de jaren 1858 en 1859 dus; zie deel I van deze serie.

Bronnen – Bouwdossiers van gesloopte en nog bestaande panden in Lisse in het gemeentearchief. – Doop-, trouw- en begrafenisgegevens ontleend aan www.wiewaswie.nl – Krantendatabank van het Regionaal Erfgoed Leiden v/h Regionaal Archief Leiden.

Met dank aan Ep Tissing en Frans Mooyekind.

Maatschappelijke betrokkenheid

In 1976 werd de geheel vernieuwde woninginrichting speciaalzaak geopend. Er werd een wedstrijd georganiseerd: Bij deelname droeg men bij in een project dat beoogde om een stuk duin dat door de warme zomer van dat jaar geheel kaal was geworden, opnieuw te beplanten. Het was één van de blijken van maatschappelijke betrokkenheid van de Tissing-Holding. Zo woedde er in 1949 een grote brand in Sassenheim, waardoor zes gezinnen dakloos werden. Tissing hielp de nood te verzachten door een gift in natura in de vorm van dekens. Daarnaast stond Willem aan het hoofd van een comité dat autotochten organiseerde voor ouden van dagen. Men kon zich onder meer melden in de winkel van Tissing aan de Kanaalstraat. Ook bij de Watersnoodramp van 1953 liet Tissing zich niet onbetuigd. In 1975 besloten de heren Tissing, Paardekooper en Hulkenberg een soort comité te vormen, waarin men ging praten over de planologische vormgeving van Lisse. Het was een tijd waarin er veel veranderde op dit gebied. Het driemanschap wilde hier een positieve bijdrage aan leveren. Het vond echter weinig gehoor bij de burgemeester. Hulkenberg schrijft jaren later: ‘Je werd gewoon het gemeentehuis uit gejaagd. Dat was waardeloos’.

 

 

Belgische burgervluchtelingen in Lisse in de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918)

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen.

De Poelpolder: van uitgestrekte weilanden tot grote woonwijk

Het nieuwe boek over 50 jaar Poelpolder door Arie in ’t Veld

In 2015 is het vijftig jaar geleden dat begonnen is met bouwen in de Poelpolder. Arie in ’t Veld heeft daar een boek over geschreven: “De Poelpolder: van uitgestrekte weilanden tot grote woonwijk.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

In 2015 is het vijftig jaar geleden dat de Poelpolder bestaat. Let wel: de Poelpolder als woonwijk, want de polder zelf bestaat al sinds mensenheugenis. In dit verband is een boekje uitgebracht waarvan we hierbij de eerste pagina’s overnemen. Het boekje kan besteld worden via het secretariaat van de Stichting Poelpolder 50 of Tiny.Reeuwijk@xs4all.nl Dat het oog van de bestuurders voor het bouwen van woningen op de Poelpolder viel was niet zo vreemd. Aan het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw telde Lisse ruim dertienduizend inwoners, waaronder 599 woningzoekenden. Een groot aantal daarvan stond al vele jaren als woningzoekende ingeschreven maar had weinig hoop op adequate huisvesting, omdat er slechts mondjesmaat nieuwe woningen verrezen. Het gemeentebestuur had echter plannen die ertoe konden bijdragen dat het schrijnende tekort aan woningen zo spoedig mogelijk opgelost zou worden. De bestuurders hadden daarvoor met name de uitgestrektheid van de Poelpolder op het oog en begonnen reeds halverwege de vijftiger jaren met de voorbereidingen om in dat gebied op grote schaal huizen te bouwen. Overigens makkelijker gezegd dan gedaan, want in die tijd konden gemeenten niet zo veel bouwen als ze wilden. De aantallen werden via de zogenoemde contingenten ’verdeeld’ en dorpen als Lisse kwamen er dan nogal magertjes vanaf met zo’n vijftig tot zestig woningen per jaar. Een druppel op een gloeiende plaats dus. Maar de bestuurders van Lisse gingen niet bij de pakken neerzitten en de tijd zou leren dat zij, en niet in de laatste plaats burgemeester mr. Th. M.J. de Graaf, uiterst vindingrijk waren en er in slaagden de toegekende contingenten enorm uit te breiden. Bouwen dus in Lisse en met name in de Poelpolder. Al in 1956 waren er plannen om woningbouw in de Poelpolder te plegen en werd daarover voor het verwerven van de benodigde grond veel overleg gepleegd met de grondeigenaren. Met tot gevolg dat aan het begin van de zestiger jaren enkele taxateurs van de gemeente de opdracht kregen om de gronden in de Poelpolder te taxeren. Met de eigenaren was al eerder gesproken over de taxaties. Het werd snel duidelijk dat het een harde strijd zou worden omdat ze de grond niet voor de getaxeerde prijzen wilden verkopen. “Het dreigende tekort aan bouwterrein in het dorp, evenals de toename van de bevolking is voor het college aanleiding om, in afwachting van de resultaten van de te voeren onderhandelingen, reeds een aanvang te maken met de tijdrovende onteigeningsprocedure,” aldus B en W, daarmee gelijk aantonend dat men van plan was hoe dan ook de gronden in de polder voor woningbouw te verwerven. En dat ging dan ook nog gepaard met de mededeling dat men in 1962 met de bouw wilde beginnen. Maar ja, iets voornemen wil niet altijd zeggen dat het ook onmiddellijk kan worden aangepakt, zoals ook de gemeente ervoer. De grondeigenaren stribbelden namelijk fi ks tegen. Zo vochten zij uitkomsten van de taxaties aan en kwamen ze op de proppen met een deskundige die hen het advies gaf om geen enkele informatie meer aan de gemeente te geven. Dat schoot bij het college van B en W uiteraard in het verkeerde keelgat. “Er zijn dan ook forse woorden gevallen,” aldus burgemeester mr. Th. M. J. de Graaf. Dat er nog een heel lange weg gegaan moest worden voordat de eerste huizen kwamen in wat toen nog weids weilandgebied was, leek echter wel zeker. Enkele raadsleden lieten blijken er dan ook niet zo veel vertrouwen meer in te hebben dat het streven om in de Poelpolder te gaan bouwen spoedig een succes zou worden. “Kunnen we niet onderzoeken of we in Lisserbroek kunnen bouwen”, aldus raadslid Van de Aardweg (KVP) die van de burgemeester te horen kreeg dat deze vond dat het nu wel erg pikant werd. Lisse had volgens hem namelijk besloten een bepaald traject te volgen en in meerderheid hield de raad daaraan dan ook vast. De gemeente hield stug vol met te trachten de benodigde gronden te verwerven en dat de aanhouder wint, bleek later in het jaar, toen men op basis van minnelijke schikking een heel eind kwam en de eerste aankopen konden worden verricht. Voor een gemiddelde prijs van drie gulden per vierkante meter, inclusief het slopen van de opstallen. De daarop volgende grote aankoop was die van twaalf hectare voor een bedrag van 223.000 gulden. Het begin was er dus, maar voor grootschalige woningbouw was dat nog niet genoeg grond en in januari 1963 besloot het gemeentebestuur om de onteigeningsprocedure die men in gedachten had door te zetten en de betrokken grondeigenaren te dagvaarden. Er werd dus zwaar geschut ingezet, maar de gemeente sprak ook de hoop uit dat de partijen uiteindelijk tot een minnelijke schikking zouden kunnen komen. In april was de kogel door de kerk. Na een lange en zeer strenge winter die jaren later nog tot de verbeelding zou spreken en waarin Reinier Paping onder uiterst moeilijke, zeg maar Siberische, omstandigheden de Elfstedentocht won, leken ijs en gemoederen ontdooid, want na tweeëneenhalf jaar onderhandelen had de gemeente alle voor de eerste bouw benodigde grond verworven. Er konden dus plannen worden gemaakt om de woningbouwcontingenten van 1963, 1964 en 1965 in de nieuwe wijk Poelpolder te realiseren. Dertig hectare bouwgrond had men beschikbaar om een begin te maken met de strijd tegen de woningnood. In de hoofden van de bestuurders waren intussen ook al plannen ontstaan voor hoogbouw, maar de ontwikkelingen aan de Van Speykstraat maakten dat daar door menigeen toch nog wel wat sceptisch tegenaan werd gekeken. Er was weliswaar een plan om in het verlengde van de De Ruyterstraat een torenfl at van twaalf verdiepingen te bouwen (veertig meter hoog) waardoor er zestig woningen beschikbaar zouden komen, maar de raad zag daar geen brood in gezien de ontwikkelingen aan de Van Speykstraat. Want wat was het geval: aan de Van Speykstraat waren 99 woningen in hoogbouw verrezen, waarvan er 66 beschikbaar waren voor de woningbouwvereniging Volksbelang. Bij de verdeling van die woningen ging het echter niet bepaald van een leien dakje. In eerste instantie bleek namelijk vrijwel niemand in zo’n woning geïnteresseerd te zijn, wat voor voorzitter Hordijk reden was om zich tijdens de jaarvergadering van de vereniging openlijk af te vragen of de woningnood in Lisse eigenlijk wel zo groot was als op papier werd aangegeven. Om de 66 woningen uit te kunnen geven moest de vereniging namelijk uiteindelijk maar liefst 180 personen van de wachtlijst aanschrijven. Wonen in hoogbouw werd kennelijk niet gewaardeerd. Zelfs niet als de (woning)nood hoog is. Dat dit anders is uitgepakt weten we inmiddels……..

Het logo van Poelpolder 50 jaar

De opvang van Belgische vluchtelingen in Lisse

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ook in Lisse waren Belgische burgervluchtelingen. Het wel en wee van hen wordt besproken.

Door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

De Grote Oorlog in een Hollands dorp

Grote gebeurtenissen leveren veel gespreksstof op. Zo zal het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de opvang van de grote stroom Belgische vluchtelingen iets zijn geweest waarover indertijd werd gepraat. Ook het Zuid-Hollandse dorp Lisse kreeg op deze manier met de Grote Oorlog te maken.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de aanloop naar de herdenking daarvan zijn in veel archieven documenten boven water gekomen over de opvang van Belgische burgervluchtelingen in Nederland. Dat gebeurde ook in Lisse, waar tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 honderden vluchtelingen een veilig heenkomen zochten.

Aankomst
De kranten stonden in 1914 bol van de berichten over de oorlog in Begië en over de stroom vluchtelingen naar het zuiden van ons land. In Lisse werden net als elders in het land collectes gehouden en kleding, dekens en levensmiddelen ingezameld en opgestuurd. Sommige Lissers maakten forse bedragen over. Zo doneerde Jan Maurits Dideric graaf van Lynden, bewoner van Huize Wildlust, tijdens een van deze inzamelingsrondes maar liefst honderd gulden aan het Nationaal Steuncomité. In verband met de opvang werd er al snel een dringend beroep gedaan op gemeenten in het noorden van Nederland. Die boden ruimhartig hulp aan en overal werden plaatselijke steuncomités opgericht. Ook in Lisse.
Op zaterdagavond 10 oktober arriveerde een grote groep van vierhonderd vluchtelingen vanuit Rotterdam in Lisse. Waarschijnlijk hielden nieuwgierige Lissers hun komst goed in de gaten. Die middag was het al topdrukte aan het Maasstation van Rotterdam. ‘Daar kwamen de groote vrachtauto’s, alle onder politiegeleide aandaveren, steeds maar meer vluchtelingen aanbrengend’, aldus het Rotterdamsch Nieuwsblad. Vanuit Rotterdam werden ze verspreid over tal van plaatsen. Voordat ze in de trein stapten, werden de vluchtelingen door ‘brigade van stationsdames’ voorzien van fruit, belegde boterhammen en melk. Om een uur of tien kwamen de Belgen aan op het station van Lisse.
Het zal een heftige ervaring zijn geweest voor de vluchtelingen: daar stonden ze dan op een winderig station bij een onbekend dorpje ergens in Nederland, samen met een paar honderd lotgenoten. In paniek vertrokken uit het dierbare maar zwaar getroffen Antwerpen, gevlucht over de pontonbrug over de Schelde die achter hen werd opgeblazen om de Duitse soldaten tegen te houden.
De Lisserse dagbladcorrespondent Arie Raaphorst beschreef de betreurenwaardige aanblik van de stoet Belgische vluchtelingen die Lisse binnenkwam. ‘Want behalve wat zij aan het lijf hadden, waren ze van alles beroofd. Alles hadden zij achter moeten laten.’

Gevluchte Belgische kinderen krijgen te eten en drinken bij hun aankomst op het station van Roosendaal in oktober 1914. Prentbriefkaart van de Gebr. van Wely. Coll. Gemeentearchief Roosendaal

Wel waren er wat dieren mee gekomen, zoals een hond, een kanarie, een poesje. Een van de jongens had een kistje met drie konijntjes bij zich en een andere jongen hield een klein smoushondje in zijn armen. Het plaatselijke steuncomité draaide op dat moment al overuren. Kopstukken in het Lisserse comité waren huisarts Dirk Blok (voorzitter), de katholieke hoofdonderwijzer Frederik Dankelman (secretaris) en notaris Johannes Tuijmelaar (penningmeester). Het was een Gemêleerd gezelschap van zowel katholieken als protestanten. Dat was in die tijd geen vanzelfsprekendheid. Tijdens de oprichting van het comité had pastoor Klekamp nog voor tumult gezorgd door te verklaren dan alleen katholieken zitting mochten nemen – dit omdat de vluchtelingen ook katholiek waren.
Kort voor de grote groep waren al Antwerpse familieleden van banketbakkeer Weber in Lisse aangekomen. Deels werden zij door de bakker zelf opgevangen, de rest – het ging om een groot gezin – kreeg onderdak in een leegstaand huis ernaast. Het betrof Petrus Johannes Goossens, zijn vrouw en zeven jonge kinderen. In het veilige Lisse werd op 21 oktober hun zoon en broertje Theodore geboren en geregistreerd bij de burgerlijke stand. Van alle anderen vluchtelingen die op 10 oktober binnenkwamen, werden slechts wat kaartjes en lijsten gemaakt met enkele gegevens en summiere notities over hun korte verblijf in Lisse.
Er is wel een foto bewaard gebleven. ‘Uitgeweken Belgen te Lisse Oct. 1914’ staat er in witte inkt op geschreven. Op de foto zijn 32 mensen te zien die poseren op de oude brede trap van het gemeentehuis: enkele kindeeren, parmantig of wat verlegen, twee hele kleine kindjes op de arm, jongvolwassenen, ouderen, mannen, vrouwen.

De enige foto die herinnert aan het verblijf van de Belgen in Lisse: vluchtelingen op de trap van het Gemeentehuis. Part. Coll Het is voor zover bekend de enig bewaard gebleven beeldherinnering aan de vluchtelingen die tijdelijk in het dorp hebben gewoond.

De eerste noodopvang was in de katholieke jongensschool aan de Heereweg, maar al binnen enkele dagen werden de meeste vluchtelingen ondergebracht bij Lissers thuis. Degenen die gastvrijheid boden, kregen hiervoor een vergoeding toegezegd. Dokter Blok en onderwijzer Dankelman van het steuncomité stuurden elkaar korte berichtjes om de opvang goed op de rails te krijgen. De bewaard gebleven documenten geven een aardig beeld van wat hen in deze dagen bezighield.
Veel van de correspondentie heeft te maken met financiën, zoals de aanschaf van kleding en schoenen, de cokes voor de verwarming van het gebouw van de Volksbond of de kosten van het eten. De Christelijke School stond voor onverwacht hoge kosten omdat het beschikbaar gestelde lokaal nu ook op zondag en ’s nachts moest worden verlicht en verwarmd. Voor de opvang van het Witte Huis, een gebouw dat helaas niet kan worden geïdentificeerd, was met regelmaat ‘versch voor de menschen’ nodig. En half december schreef Piet Warmerdam, een van de Lissers die Belgen in zijn huis opnam, dat hij nog niets had vernomen over de uitbetaling van de vergoeding. Hij had niet alleen vluchtelingen gehuisvest en gevoed, maar zelfs schoenen voor hen betaald. De vergoeding kwam hem toe, liet hij aan het steuncominté weten. Hij leed geldgebrek en kon niet begrijpen waarom betaling uitbleef. Door de oorlog was het leven in Lisse duurder geworden. Daarnaast was er veel werkeloosheid. Het weinige dat er wél was, moest ineens met veel buitenlanders worden gedeeld.

In plaats van dankbaarheid te tonen voor de Lisserse opofferingen, maakten enkele vluchtelingen al kort na aankomst een hoop kabaal in een van de cafeetjes in het dorp. De burgemeester besloot daarop dat de cafés in Lisse vanaf negen uur ’s avonds dicht moesten. En al de volgende dag werden ruim veertig vluchtelingen, onder wie de grootste herrieschoppers, op de trein naar Hillegom gezet. Later mochten de cafés weer open, maar het bleef verboden vluchtelingen sterke dank te verstrekken. Er moest worden voorkomen dat zij ‘hun kostelijke centen gaan omzetten in alcoholica’. In de vaak chaotische vlucht waren veel vluchtelingen elkaar kwijtgeraakt. In dagbladen verschenen oproepen, in treinstations werden briefjes opgehangen en op muren en schuttingen schreven duizenden Belgen hun naam en tijdelijk woonadres in Nederland. De in Den Haag zetelende Centrale Commissie tot Behartiging van de belangen van naar Nederland uitgeweken vluchtelingen deed haar best om hierbij te helpen. In Lisserse archiefstukken zijn van al deze opsporingsacties diverse voorbeelden te vinden. Zo deed de Centrale Commissie in Lisse navraag naar Ferdinand Michaux, een 32-jarige schoenmaker, die daar met zijn vader en een broer verbleef. Vanuit Haarlem werd Jules van Dessel, die in zijn eentje in Lisse terecht was gekomen, door zijn moeder gezocht: ‘Laat jongen hier komen’, luidde het telegram. Uit Vlaardingen kwam een bericht dat Frans Wuyts zijn vrouw en drie jonge kinderen zocht. Er verbleven acht Wuytsen in Lisse, maar niet het gezin van genoemde Frans.

Doorreis en terugkeer
Kort na de val van Antwerpen werden de burgervluchtelingen door de autoriteiten weer opgeroepen om terug te keren. Het zou inmiddels veilig genoeg zijn. De oproep riep bij veel vluchtelingen vragen op: was hun huis er nog, maar durfden eigenlijk niet. Toch keerden eind oktober 1914 al 28 vluchtelingen vanuit Lisse naar Antwerpen terug.

De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden
Belgische mannen die konden en wilden werken, mochten zonder werkvergunning in Engeland aan de slag. Veel mannen waren het nietsdoen en afwachten beu en wilden graag vertrrekken. Toen dokter Blok een lijst met werkwillenden stuurde aan de British Government Commission for Transportation of Belgians to the United Kingdom, die in Nederland vanaf het adres Calandstraat 49 in Rotterdam opereerde, kreeg hij echter een teleurstellend bericht terug, omdat ‘ze mijn Hollandsche epistel niet gesnapt schijnen te hebben’. Uiteindelijke duurde het tot januari 1915 voordat vijftien Belgen uit Lisse vertrokken en via Hoek van Holland de oversteek maakten naar Engeland. Voor ‘slechte elementen’ was regeringskamp Veenhuizen bedoeld. In Lisse had men zoveel last van de familie Helsen, dat dokter Blok hen probeerde over te plaatsen. Eerst kwam daarvoor per telegram toestemming: de mensen konden worden ‘opgezonden’. Toen ging de overplaatsing toch niet door en werd van het steuncomité per brief een motivering verlangd. Dankelman plaatste op deze brief een notitie voor dokter Blok: ‘Ik weet er nu geen eind meer aan, ik wordt er wanhopig van’. Hij gaf aan hierover al zeker drie- tot viermaal gecorrespondeerd te hebben. Begin januari 1915 lijkt de familie Helsen dan toch naar Veenhuizen te zijn vertrokken.
Koningin Wilhelmina had in de troonrede van 1914 opgeroepen de vluchtelingen met open armen te onvangen. De opvang bij particulieren bleek echter erg kostbaar. Onderbrenging in een speciaal vluchtoord was goedkoper. De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden door simpelweg de geldkraan aan particulieren dicht te draaien. ‘Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, maar de vergoeding van het Rijk zou niet meer verstrekt worden’, aldus de Lisserse dagbladcorrespondent Raaphorst.
Een deel van de in Lisse verblijvende vluchtelingen kwam zodoende in vluchtoord Gouda terecht. Zij vertrokken op zaterdagmiddag 9 januari 1915 per trein vanaf het station van Lisse. Voor ‘vrijen overtocht’ en ‘overbrenging hunner goederen naar het station’ werd gezorgd. Een week later vertrokken ook de laatste Belgische vluchtelingen uit Lisse. Het ging om de vijftien Belgische mannen die in Engeland wilde gaan werken. Daarmee kwam er een eind aan een korte maar turbulente periode.

Registratie
De plaatsen en steuncomités die Belgische vluchtelingen opvingen, hielden daarvan een administratie bij. In tegenstelling tot diverse andere plaatsen werden de namen van de Belgische vluchtelingen in Lisse niet opgetekend in de plaatselijke bevolkingsregistratie. Er zijn in het gemeentearchief wel namenlijsten, brieven, notities en bijna vijfhonderd kaartjes van het lokale steuncomité bewaard gebleven. De registratie van de vluchtelingen en de mensen die onderdak gaven, is summier. Over doorreis en terugkeer zijn nauwelijks gegevens genoteerd. Krantenberichten geven weliswaar allerlei cijfers, maar de herkomst daarvan is onduidelijk en ze zijn ook moeilijk controleerbaar.

Uit het archiefmateriaal blijkt dat ongeveer een derde van de vluchtelingen bestond uit kinderen jonger dan vijftien jaar. De oudste vluchteling was een man van 78 jaar, de jongste de in Lisse geboren Theodore Goossens. De vluchtelingen kwamen hoofdzakelijk uit Antwerpen of directe omgeving en waren bijna allemaal katholiek. De mannen werkten vooral in de haven en als zeeman. Daarnaast verdienden ze hin brood as ambachtsman, arbeider en diamantslijper.
Met veel inspanning zijn ruim honderdtwintig particulieren achterhaald die onderdak verschaften. Naast enkele notabelen waren dat onder andere de weduwe van logement De Witte Zwaan, een veehouder, negen landbouwers en maar liefst veertig ‘bloemisten’ (bollenkwekers). Het ging in het laatste geval lang niet altijd om rijke kwekers met grote ‘bollenvila’s’: de echte bloei van de bloembollensector moest immers nog komen. Er zaten ook mensen met een modaal inkomen tussen die graag een steentje wilden bijdragen aan de opvang van de Belgische vluchtelingen.

Familiegeheugen
In de aanloop naar de herdenking van de Eerste Wereldoorlog heeft de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse oproepen met lijsten van vluchtelingen in kranten en op websites in zowel Nederland als België geplaatst, in de hoop dat zich afstammelingen zouden melden met verhalen en foto’s. Ondanks alle publiciteit en de medewerking van Familiekunde Vlaanderen (Regio Antwerpen) kwamen er geen verhalen of foto’s boven water. Misschien is het te lang geleden, die ‘Grote Oorlog’, of verbleven de vluchtelingen te kort in Lisse om een blijvende indruk achter te laten. Daarnaast kan het familiegeheugen zijn ‘overschreven’ door de veel sterker in de herinnering voortlevende Tweede Wereldoorlog. Dat laatste zorgde er mede voor dat de Belgische vluchtelingen zelfs uit het collectieve geheugen verdwenen in landen waar ze meerdere jaren werden opgevangen, zoals Engeland.
Wellicht dat dit artikel nog respons oplevert. Nu de namen van de in Lisse verblijvende Belgische vluchtelingen aan de vergetelheid zijn ontrukt, zijn er zowel in Nederland als Belgié in ieder geval mogelijkheden voor verder onderzoek. *

Zie nota bene@gen voor de Lisserse lijst met vluchtelingen en een overzicht van de verwantschapsrelaties tussen de Belgische familie Goossens en de Nederlandse familie Weber

Laura Bemelman is lid van de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse.

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Lees ook het uitgebreide artikel van Laura Bemelman over de Belische vluchtelingen:

Belgische burgervluchtelingen – Lisse WOI (Laura)

Belangen in de Poelpolder

De geschiedenis van de Lisser Poel van vóór en na 1624 wordt beschreven.  

door Liesbeth Brouwer

NieuwsbladJaargang 14 nummer 1, januari 2015

In de 16e eeuw bestond het oostelijke gebied tussen Lisse en Sassenheim uit een reeks plassen, de Noordpoel, de Zuijdtpoel, Geestwat er en Clypoel. De plassen waren sinds de 2e helft van de 16e eeuw eigendom van Leiden. Ze werden gebruikt voor de vroonvisserij (vroon was oorspronkelijk “aan de landheer behorend”). Tussen het “oude” land en het Haarlemmermeer (Leidsemeer) lag het eiland Roversbroek. Vanuit de dorpen kon men in het noorden via de Greveling en in het zuiden via het Hellegat naar het open water komen. Deze wateren waren ook belangrijk voor de afvoer van het overtollige regenwater. Voor de bewoners van Lisse was dit waterrijke gebied van belang om hun goederen te vervoeren en af te zetten naar bijvoorbeeld de markten van Leiden, Haarlem of Amsterdam. Vervoer over water was in die tijd veel belangrijker dan over wegen. Sinds de verzanding van de Rijn werd het overtollige water in dit gebied afgevoerd naar het Haarlemmermeer. Toch ontstonden er steeds meer problemen met het water.

Poldertjes werden wel met hoosvaten drooggehouden. Paardenmolens hielden veel Lisser poldertjes droog. Bron: A. Freitag, Architectura Militaris nova et aucta.

Veel weilanden kwamen vaak en lang onder water te staan. Boeren bouwden vaak een molentje om zo hun veeteelt te kunnen blijven uitoefenen. In Lisse gebruikten ze tot ver in de 16e eeuw vooral paardenmolens. Zo ontstonden kleine poldertjes. Maar al snel werd duidelijk dat de krachten gebundeld moesten worden; er kwamen grotere polders met een eigen polderbestuur dat door het hoogheemraadschap Rijnland erkend werd. Tussen Lisse en Sassenheim waren meerdere polders. De latere Lisserpoelpolder was eigenlijk een uitzondering in deze reeks polders. Het was namelijk een droogmakerij. De Kerkmeesters van de drie hoofdkerken van Leiden verwierven het plassengebied in 1621 van de stadsregering in Leiden. In de tijd daarvoor waren de Beemster (in 1612) en de Purmer (rond 1617-22) drooggelegd. Dat waren zeer lucratieve ondernemingen. Voor de kerkmeesters een aantrekkelijk idee om hetzelfde te proberen met de drooglegging van de “Lisserpoel”. In 1622 werd octrooi verleend om het Hellegat, het Geestwater met Zuid en Noord Poelen droog te leggen. Het Hellegat bleef nog voor een deel buiten de plannen, maar verder werd meteen met de bedijking en uitmaling begonnen. De ringsloot moest zodanig aangelegd worden dat “…de Ingesetenen van den Ambachte van Lisse en Sassenheim met schepen, schouwen, ponten ende schuyten daer door van outs gehad hebben, niet zouden worden verhindert ofte beleth”. Dus als vanouds vrije doorvaart vanaf het Haarlemmermeer naar Lisse v.v. Na de drooglegging bleef de invloed van de kerken op het reilen en zeilen van de Poelpolder groot. De nieuwe polder werd in 11 kavels gedeeld, waarvan er twee voor de kerken waren. Op kavel 6, aan het eind van de Middelwech (later 2e Poellaan) stonden de 2 molens die de polder droog moesten houden. Bovendien hadden de kerkmeesters het recht om bij beslissingen 2 stemmen uit te brengen in de ingelandenvergadering. Laterverminderde de invloed van de kerken wel, maar pas in de Franse tijd (rond 1800) kwam er een einde aan de bevoorrechte positie van de kerken. Naast de kerkmeesters stapten ook rijke stedelingen in het avontuur van de drooglegging. Na de drooglegging werden enkele percelen doorverkocht, maar nog steeds waren het rijke stedelingen die eigenaar waren en dus ook in het polderbestuur zaten. Dit in tegenstelling tot de andere polders in de buurt waar de landbouwers zelf in de polderbesturen zaten. Een van de nieuwe eigenaren in de Poelpolder was Scriverius, in zijn tijd een vermaard schrijver, die in de nieuwe polder een buitenplaats liet bouwen, Uytermeer. Beleggen in landbouwgrond was in die beginperiode een goede investering, maar toen het economisch tij veranderde en de pachtprijzen onder druk kwamen te staan kwamen de landbouwgronden zo langzamerhand in handen van de (rijke) boeren zelf, zoals bijvoorbeeld de families Verdegaal, van boerderij Poelewaay, en Langeveld. En zo onderscheidde de Poelpolder zich wat type eigenaren betreft niet langer meer van de andere polders. Maar dan zitten we bijna in de negentiende eeuw. Dat de invloed van Leidse grootgrondbezitters verschoof naar inwoners van Lisse lees je ook af aan de vergaderplaats van het polderbestuur: in de zeventiende eeuw kwam men vooral samen in de kamers van de drie hoofdkerken in Leiden. Nadat de kerken hun gronden verkochten, vergaderde men in herberg De Engel.Terug naar de beginjaren van de polder. Er was bij de droogmakerij vrije doorvaart toegezegd. Maar al gauw ontstonden daarover problemen. Het zeilen door de ringsloot bracht schade aan de dijken aan. Het polderbestuur wist daar wel raad op, gesteund door Rijnland: in de vaart van Lisse tot de Greveling werden houten dwarsliggers geplaatst. Vervolgens konden de bewoners van Lisse hun producten zoals vlas, vruchten, boter, kaas enz. niet meer naar de markten van Leiden en Haarlem krijgen. Naar Sassenheim deed zich hetzelfde probleem voor. Schouten en ambachtsbewaarders lieten het er niet bij zitten en er volgde een reeks van processen, zelfs tot aan het Hof van Holland toe. De dorpen haalden hun gelijk, maar een echt vrije vaart door de ringsloot werd het niet meer. Het polderbestuur zorgde steeds voor nieuwe “watergalgen (laaghangende balken over de vaart)” over de waterwegen, die dan op een goed (of kwaad) moment weer spoorloos verdwenen. Het was natuurlijk ook lastig dat steeds de mast gestreken moest worden! Dit kat en muis spelletje bleef bestaan totdat vervoer over het water van de ringsloot en de tochten in de Lisserpoelpolder aan betekenis inboetten. Maar ook omdat de kwesties in later tijden beter in den minne opgelost konden worden. De polderbestuurders waren toen ook inwoner van Lisse. Soms zaten de polderbestuurders zelf ook in het gemeentebestuur en dat onderhandelt toch een stuk makkelijker.Ook op ander gebied was niet alles koek en ei. In 1675 was er in de Poelpolder een overstroming. Het opzwiepende water bij een noordwester storm was voor de Spaardammerdijk te veel, dijken begaven het en het water van het IJ kwam in het Haarlemmermeer en zorgde er ook voor dat dijken en kaden van de Poelpolder vernield werden. De molens konden de Poelpolder niet droog krijgen. (een van de molens was bouwvallig geworden). Molenmeesters van omringende polders werd om hulp gevraagd. Maar hoewel voor ieder etmaal malen 4 gulden werd geboden wilden de molenmeesters van de Geelhoornsepolder, zuidelijk van de Poelpolder, niet meewerken. Het Hoogheemraadschap Rijnland moest er aan te pas komen om de molenmeesters van de Geelhoornsepolder te dwingen hulp te verlenen. Toen was de klus vlot geklaard. Er moest natuurlijk wel wat gebeuren met de molens. Besloten werd om een nieuwe vijzelmolen te bouwen. Deze molen, waarschijnlijk gereed gekomen in 1677, is nog steeds te bewonderen. Het polderbestuur liep in technisch opzicht voorop, want de vijzel, het mechaniek waar de molen mee werd uitgerust, was in die tijd nog een erg experimenteel werktuig. Dat was dan waarschijnlijk wel weer het voordeel van de stadse invloed. Nieuwe ontwikkelingen worden daar sneller omarmd dan op het platteland. In 1735 was het weer helemaal mis. Weer een conflict over het zeilen, maar bovendien over het gebruik van de drie Poellanen. Naast een verbod op zeilen in de ringsloot wilden de directeur (zo werd de heemraad genoemd) en hoofdingelanden dat ook het gebruik van de Poellanen beperkt zou worden. De wegen zouden alleen gebruikt mogen worden voor het vervoer van wat in de polder groeide of wat voor die landen nodig was. Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland grepen in en beslisten dat zo’n keur (verordening) niet kon: het polderbestuur moest bakzeil halen.

Kaart gemaakt in opdracht van 2 percelen in de Roversbroek, 1628. De locatie van de beide molens van de Poelpolder, bij de latere 2e Poellaan, is duidelijk te herkennen.

De naamgeving van de Poellanen is nogal verwarrend. De 2e Poellaan (toen Middelwech genoemd) ontstond al in 1622 en liep naar het smalste deel van de Poelpolder. In oude archiefstukken wordt de Poellaan van de Zemelbrug naar de Greveling de derde Poellaan genoemd. De zuidelijke Poellaan, vlak bij Sassenheim, noemde men eerste Poellaan. Zelfs in het bijzonder reglement van 1918 wordt wat we nu als 1e Poellaan kennen nog omschreven als 3e Poellaan. Blijkbaar waren de wegen oorspronkelijk eigendom van de polder. In de begroting voor de polder van 1965 lezen we dat nu de 2e Poellaan is overgedragen aan de gemeente en hiervoor vermoedelijk geen uitgaven meer worden gedaan.

 

Bij de plannen voor het droogmaken van het Haarlemmermeer bleef ook de Poelpolder niet ongemoeid. Door het graven van de ringvaart kwam een deel van de Poelpolder in het nieuwe droogmakingsgebied te liggen. In 1856 werd offi cieel overgedragen aan de Haarlemmermeerpolder “ de grindweg, genaamd de Poellaan, ….. eindigende tegen ’s Rijks grooten weg der 1e klasse N.4., even benoorden het dorp Sassenheim, met de halve slooten aan weerszijden, den duiker in den dam bij de Lisserpoel, de hekken, scheeringen,leuningen enz. en de brug over de ringsloot van den Poelpolder ”. In 1858 werd door de Staten van Zuid-Holland voor de Lisserpoelpolder een bijzonder reglement vastgesteld. Als grenzen voor de Poelpolder werden vastgesteld: -ten noordwesten de Bontekrielpolder, landerijen in het buitenwater en de Zemelpolder; -ten noordoosten een perceel land in het buitenwater, het Kruishoorntje genaamd, en de Lisserbroekpolder, -ten zuidoosten een perceel land in het buitenwater, de Greveling, de Roversbroekpolder, het Buitenkanaal en een perceeltje land in het buitenwater van de Haarlemmermeerpolder; -ten zuidwesten de Hellegatspolder en de Floris-SchoutenVrouwenpolder.
Samenwerking tussen polderbesturen kon soms heel lastig liggen. In 1890 stelde het bestuur van de Roversbroekpolder voor om samen met de Poelpolder te onderzoeken of het gezamenlijk stichten van een stoomgemaal een oplossing kon betekenen voor het waterprobleem. Het polderbestuur van de Poelpolder sprak het plan niet erg aan en na de nodige onderhandelingen werd het plan in 1896 afgeblazen. De samenwerking liet nog even op zich wachten. Nu vieren we 50 jaar Poelpolder. We duiden hier gemakshalve ook de Roversbroekpolder mee. Het onderscheid tussen beide polders is inmiddels totaal vervaagd. Over de Grote Poelmolen en molenaar Duineveld gaat de volgende aflevering uit de verhalenreeks van de Poelpolder. Bronnen: Geschiedenis van de Lisserpoelpolder, G. ’t Hart, Chartermeester van Rijnland Sociale geschiedenis in de polder, Siger Zeischka.

Een eeuwenoude naam POELPOLDER

In 1624 was de droogmaking van de Lisser Poel voltooid. Het heette toen ‘De bedijkte Lisser Poel’. Later werd dit de Lisser Poelpolder genoemd. Toch wordt er in 1602 al over een Lisser Poelpolder geschreven. Deze lag ten noorden van de huidige Poelpolder waar nu de Zemelpolder is.

 door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Detail van een kaart van Floris Bathasar uit  1612

In het Nieuwsblad van oktober 2014 eindigde ik bij die geheimzinnige achtkantige toren. Daar begint ook het verhaal van de Poelpolder. In 1622 begon men met het uitgraven van de Ringsloot* en daarmee ook het opwerpen van de ringdijk. Bij deze werkzaamheden stuitte men op dat hoekige fundament, dat onderdeel zou zijn geweest van het al oude Huys Devere. In 1624 was de droogmaking klaar, nog geen 400 jaar geleden. Toch was er al in 1602 sprake van een “Poelpolder”, het Rechtelijk Archief van Lisse maakt dan melding over de verpachting van een stuk land groot 11 hond, genaamd de Venne* gelegen in de Poelpolder. Tussen 1602 en de daadwerkelijke droogmaking in 1624 komen we de naam “Poelpolder” herhaaldelijk tegen. Dus ruim voor het droog vallen van de Noort Poel, de Zúydt Poel, het Geestwater en de Cleens Poel. Deze vier delen vormden samen het ‘s Gravenwater, daarbij hoorden ook de Grevelinge en het Hellegat. De visrechten waren toen aan de Graaf (vandaar ‘s Gravenwater) en die verpachtte dat recht aan de stad Leiden. Aan de hand van de namen van de stukjes grond zou je deze vroege Poelpolder in de buurt van de Vennestraat en villa “de Venne” zoeken. Dat had ik ook zo gedacht echter verder in het archief wordt ook “het Nestge” genoemd en dat was bij de Voorhouter banwatering.

 

 

 

 

Op een oude kaart van Floris Balthasar uit ±1615 staat duidelijk in een stuk land de naam “de Venne” aangegeven. Er boven ligt dat hoornvormige stukje land tussen de twee uitwateringen’ dat is “Colleshorn” (Colijnshorn). Linksonder zien we nog net de Trijnenlaan met dwars er door de “Oude Banzijp”, die voor Wassergeest langs afwatert in het Geestwater en wel in het deel wat men de Zuydpoel noemde. 

Nu nog wat stukjes rechtelijk archief in relatie tot de naam Poelpolder. Deel III. 149. 02-11 1602: land genaamd “Colleshorn” gelegen in de Poelpolder…………… Deel III. 198. 07-10 1604: land genaamd “de Kleine Venne” gelegen in de Poelpolder….. Deel III. 237. 08-03 1606: land gelegen in het Block genaamd “de Poelpolder” …………… Deel III. 260. 08-05 1607: land genaamd “het Nestge” gelegen in de Poelpolder, belend NW de Voorhouter banwatering Deel IV. 327.v. 07-01 1621: de helft van de “Capelleweide” groot 13 hond, gelegen in de Poelpolder, belend NO de Corte Broekweg….etc.

De Poelpolder was er eerder dan de Bedijkte Lisse Poel

Al deze gegevens vertellen ons dat er voor het droogleggen van het Geestwater al een Poelpolder was en niet eens zo’n kleintje! Die polder begon met de “Capelleweide” vanaf de Brouckweg (Kanaalstraat) in zuidelijke richting tot voorbij de Engel. Landinwaarts vanaf de Sudde* tot de Banzijp* en noordelijker tot aan de Achterweg. Langs het Geestwater werden ter bescherming al heel vroeg lage dijkjes opgeworpen vandaar dat het ook polder werd genoemd. Voor 1602 kom je ook wel de benaming “Poelbuurt” tegen in het archief. Na het droog malen maakte men nog lang onderscheid tussen “de bedijkte Lisserpoel” en de “Poelpolder” zoals ze in de kaart onderaan globaal staat aangegeven.
Bronvermelding, kaarten:Hingman Collectie, Nationaal Archief, Public Domain teksten: Rechtelijk Archief van Lisse, bewerkt door H.J. van der Waag
Voetnoten****verklaringen uit lexicon van Kranenburgia. Ringsloot=vaak ten onrechte Rijnsloot genoemd, Sudde=strook zeer drassige oever met riet langs de oevers van het Geestwater. De Sudde had een variabele breedte van enkele meters tot wel 40 meter. De Sudde werd niet meegeteld in het grondbezit, ze werden in stand gehouden om de golfslag te breken. Banzijp= Oude Banzijp of Banwetering werd zo genoemd omdat deze Zijp (beek of veenstroom) een stuk zuidelijker de grens (ban) vormde met Voorhout en bij Teylingen ook met Sassenheim. (Op Banzijp en andere namen wil ik in het volgende nummer terug komen) Venne= een Venne was een drassig stuk weiland. De Vennestraat en villa de Venne bij de Jannetjesbrug herinneren ons daar aan. Overal in het plassenrijke landschap waren Vennes. Bij Warmond was de “Vrouwevenne”, bij de Gerrit Avenweg was “de Grote Venne”.

Detail uit kaart van J. P. Dou ± 1622. Het lichte gedeelte is globaal “de Poelpolder” van voor 1624. “Het Nestge” was een stukje Lisse en Voorhout, lichte deel rechts onder

Lisse is weer een Hofleverancier rijker: Kistenfabriek Bakker

Op 4 december 2014 heeft kistenfabriek en houthandel M Bakker & Zonen het predicaat Hofleverancier gekregen. Zij bestaan 100 jaar.

Nieuwsflits van  Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Commissaris van de Koning van Zuid-Holland, Jaap Smit, reikte op 4 december 2014 het predicaat van Hofleverancier uit aan kistenfabriek en houthandel M. Bakker & Zonen. Voor dit predicaat kan een bedrijf in aanmerking komen door allereerst 100 jaar te bestaan en daarnaast moet het ook nog eens zeer goed bekend staan in de streek waar men werkzaam is.
Het predicaat Hofleverancier is één van de oudste Koninklijke onderscheidingen. In 1815 verleende Koning Willem I voor het eerst het recht tot het voeren van het Koninklijk wapen met het opschrift ‘Hofleverancier’ aan bedrijven. Vanwege het leveren van zeer hoge kwaliteitsproducten mochten zij leveren aan het hof. Het Koningshuis zag dit als een stimulans voor de opbloei en wederopbouw van ons land na de Franse overheersers die ons land leeggeplunderd achterlieten. Na 1850 werd de regel wat soepeler gehanteerd en hoefde men niet echt meer aan het hof te leveren. Men kon nu ter gelegenheid van een jubileum van een bedrijf in aanmerking komen voor dit predicaat. Door de tijd heen ontstond er wat gesjoemel rond deze onderscheiding, men bleef het wapen voeren ook als bedrijven van eigenaar wisselden. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Ook waren er ondernemingen die het predicaat niet meer waardig waren vanwege kwaliteitsvermindering. Om deze redenen werden er in 1987 strengere richtlijnen en eisen gesteld aan de firma’s bij het aanvragen van deze onderscheiding. Nu kent de koning het predicaat toe aan de onderneming zelf en niet meer aan de eigenaar. Het is ook zo dat na 25 jaar verlenging moet worden aangevraagd. Het wapenschild werd ook anders Het oude schild kwam daarmee te vervallen. De nieuwe onderscheiding in de vorm van het Koninklijke wapenschild heeft als opschrift ‘BIJ KONINKLIJKE BESCHIKKING HOFLEVERANCIER’. De firma zal het wapenschild daadwerkelijk moeten verdienen en blijvend kwaliteit leveren om het te mogen blijven voeren. Herman van Amsterdam heeft de geschiedenis van de kistenfabriek en houthandel M. Bakker & Zonen beschreven in het jubileumboekje “Een eeuw bollenkisten”.

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Door G. Schrama

Een samenvatting staat in het Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen

In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Wassergeest

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen

In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”.

Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35)Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)

Naam in muur Foto G. Schrama 2014

Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

Phoenix, bron Chris Balkenende

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Foto G. Schrama 2014

 

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit