EEN NOTARIËLE AKTE UIT 1868: Vier pandjes op de Heereweg

Herberg Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

Door Arie den Hoed

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Wanneer we de Heereweg vanuit het Noorden richting het dorp afwandelen komen we langs vele mooie panden, genoemd in het boek van de V.O.L. “Registratie waardevolle panden in Lisse”. Als we de Veldhorststraat/Westerdreef naderen zien we daar tegenover twee kleine witte winkeltjes, een klein wit winkeltje met ernaast een wel heel klein wit winkeltje, de nummers 145 en 147. Het boek van de V.O.L. zegt daar eigenlijk niet meer over dan dat pand 145, evenals het vorige pand, No. 143, in de eeuw daarvoor, (het tijdvak 1800-1900) een boerderij geweest kan zijn. Ook Hulkenberg heeft er in zijn boekjes over Lisse, Lisse I op blz. 22 en in Lisse 2 op blz. 18 weinig over gezegd. Maar is het eerder wel een boerderij geweest?

Zicht vanaf de Van der Veldhorststraat/Westerdreef, rond 1990

Wij kennen deze pandjes eigenlijk alleen maar als winkeltjes. Het grotere winkeltje staat nu al geruime tijd leeg maar in het kleine winkeltje vinden we een handwerkzaak voor bijzondere handwerken. Er zijn de laatste jaren in het grotere pand ook een aantal Woord en Daad-winkeltjes geweest o.a. ook van Mevrouw Verloop-Buurman. Er is nog een oudere foto van het grotere pandje, die o.a. ook in het boek van de V.O.L. staat, waar het lijkt alsof er in het grotere pand allemaal lampen hangen en bij het kleine pandje staat “Babyshop” op de muur. Maar van wanneer deze foto is staat er helaas niet bij. Het zou zelfs een foto van één van de eerste Woord en Daad winkels kunnen zijn. We weten helaas ook niet of er in deze twee pandjes altijd winkels geweest zijn. Zie ook de pagina’s 246-250 uit het boek van Erik Vergunst. Maar laten we daarvoor eerst maar eens een oude notarisakte uit 1868 bekijken.
Enige tijd geleden kreeg ik van een mede geïnteresseerde in historie een geschreven kopie van een notaris-akte uit 1868 over de betreffende pandjes. Hij had hem voor mij overgeschreven van de originele akte, die gevonden was in de nalatenschap van een oude tante met de naam “van Nieuwenhoven” en die naam komen we in het boek van Erik Vergunst ook bij die betreffende pandjes tegen.
Laten we eerst eens kijken wat die betreffende notarisakte ons te vertellen heeft. Het betreft een akte van notaris D.J. van Stockum gedateerd 29/7 1868 met betrekking tot de verkoop van een viertal pandjes, een wat groter pandje en een drietal hele kleintjes aan de Heereweg voor de familie Plevier. Die familie was toen in het bezit van die vier pandjes.
Het gezin Plevier dat wij hier tegenkomen bestond uit de volgende personen: Johanna Hoekveld, weduwe van Jan Plevier, en haar kinderen: Johanna Cornelia Plevier, overleden 6/9 1865, getrouwd met Joannes van Zanten. Frederik Plevier, in 1868 arbeider (en in 1875 tuinman) Jacobus Plevier, tuinman te Sneek Willem Plevier, spoorwegwachter te Lisse Johanna Maria Plevier getrouwd met Leendert-Willem Baak Pieter Plevier, tuinman te Haarlem Het gezin telde oorspronkelijk meer kinderen, maar die waren jong overleden. Overigens was die Joannes van Zanten een oomzegger van Rutgerd Velthuijsen van Santen, gedoopt op 22 mei 1785 te Hillegom, de stamhouder van de huidige familie Veldhuijzen van Zanten. Maar laten we eerst maar eens gaan kijken wat wij over de familie Plevier aan de weet kunnen komen. Daarvoor moeten wij eerst Lisse even verlaten. Jan Plevier jr. werd geboren op 13/8 1788 in Egmond Binnnen. Hij trouwt op 19/2 1815 te Lisse met Johanna Hoekveld, geboren op 23/11 1794 te Utrecht. Maar de eerste kinderen werden in Voorburg geboren en zijn beroep wordt daar dan tuinman genoemd. Drie van zijn zonen vinden we later ook terug als tuinman n.l. Jacobus te Sneek en Pieter te Haarlem en Frederik te Lisse. Later vinden wij Jan jr. toch weer terug in Lisse. Hij koopt daar dan in 15/8 1822 een pand dat in de aankoopakte een ”herberg en tapperij” genoemd wordt. Het pand draagt de naam “Het Wapen van Haarlem” en Jan Jr. wordt tapper genoemd.
De vader van Jan Plevier Jr. was ook een Jan Plevier, geboren in Haarlem op 26/3 1760. Hij trouwde op 30/10 1785 in Haarlem met Hendrika Veldkamp geboren in Varsseveld. We vinden Jan Plevier Sr. later terug in Hillegom, waar hij op 8/11 1823 is overleden. We maken nu even een ommetje naar Hillegom en daar komen we dan op 18/9 1830 Jan Plevier Jr. tegen, hij wordt dan tapper genoemd wonende in nr. 191 te Lisse. Hij is er voor het transport de rato caverend van Pieter Hogervorst voor zijn moeder, Hendrika Veldkamp, weduwe van Jan Plevier Sr. van een stuk tuingrond ten ZW van de Moolesteeg en ten NW van de laan van Six (tegenwoordig is dat op de hoek van de Molenstraat en de Van den Endelaan). Zijn moeder woont dan in Diemermeer buiten Amsterdam. Jan Plevier Jr. overlijdt op 27/6 1845 in Lisse. Hij is dan 23 jaar tapper geweest.
Nu gaan we dan eindelijk aan de overdracht van de tapperij/herberg “Het Wapen van Haarlem” beginnen. Wie de tapperij na het overlijden van Jan heeft waargenomen vertelt het verhaal niet, dat kan zijn weduwe geweest zijn, maar ook zijn oudste dochter Johanna Cornelia die getrouwd was met Joannes van Zanten. Want op 4/1 1856 koopt Joannes van Zanten, de man van Johanna Cornelia, de tapperij “Het Wapen van Haarlem.” Het lijkt er dus op dat die Johanna Cornelia de zaak heeft voortgezet. Maar op 6/9 1865 overlijdt Johanna en op 30/9 1865 ook nog haar dochter Johanna Cornelia jr. Na de dood van Jan Plevier heeft zijn weduwe Johanna Hoekveld naast “Het Wapen van Haarlem” nog drie kleine pandjes bij laten bouwen. Maar op 29/7 1868 wordt de hele zaak dan toch te koop aangeboden en de vier panden worden als volgt omschreven: No.1 Een huis genaamd “Het Wapen van Haarlem” No.2 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder en Kelder. Dit perceel is groot 4 roeden en eenendertig Ellen No.3 Een huis bevattend; Woonvertrek, Zijkamer, Keuken, Zolder en Kelder, tesamen groot drie Roeden, zevenenveertig Ellen No.4 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder tesamen zes Roeden achttien Ellen, huis schuur en erf.

Blijkbaar was er in 1894 een verkoping van Het Wapen van Haarlem Leidsch Dagblad 1894

In eerste aanleg wordt er op pand 1 1450 gulden geboden door Johan Friederick Flinck, sinds 1862 eigenaar van “Rosendael”, oud-pastoor van Berkel en Rodenrijs, en rustend in “Rosendael”, dat schuin tegenover “Het Wapen van Haarlem” lag. Op de panden 2 en 3 werd zeshonderd en dertig gulden geboden door Frederick Plevier en op pand 4 zeshonderd en tien gulden door Cornelis van der Pluijm, arbeider. Na een tweede ronde werden de panden als volgt verkocht: “Het Wapen van Haarlem” aan Warbout Bergmen, tapper te Lisse voor veertienhonderd en vijfenzeventig gulden. Pand nummer 2, 3 en 4 , aan LeendertWillem Baak, Frederik Plevier ieder voor zeshonderdendertig gulden en aan Cornelis van der Pluijm voor zeshonderdtien gulden.

Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

 

 

 

Zo heeft één oude notariële akte ons aardig wat informatie gegeven over de Witte Winkeltjes in de periode 1818-1868. Zo zal er in alle notariële aktes van Lisse over heel wat gebouwen uit die periode wat terug te vinden zijn. In de huidige literatuur lezen we in de boekjes Lisse I en Lisse II, van Hulkenberg, dat in het grote witte pandje de tapperij “Het Wapen van Haarlem” gevestigd was en dat die in de volksmond ”De Hobbel” werd genoemd, omdat er in de tapperij behang met hobbelpaarden hing en dat Nieuwenhoven er in 1892 tapper was. Overigens valt er in die boekjes over andere zaken ook veel te vinden. Ook in het dikke boek van Erik Vergunst valt veel te vinden over die periode. We lezen daar de achtereenvolgende bezitters van alle dan aanwezige panden in Lisse. Een van de kleine pandjes wordt al snel gekocht door de slager Buschman en in 1878 wordt daar een grote schuur bijgebouwd, die dienst gaat doen als slachterij. In 1919 vertrekt Buschman dan naar het Vierkant in de winkel waar we nu Grimbergen vinden. Ook vinden we daar dan nog het pand dat Leendert-Willem Baak in 1868 gekocht heeft en dat is dan de enige van de aanvankelijke kopers die we in die tijd terug vinden. Ook zien we daar dat Theodorus Cornelis Duivenbode, groenteman, in 1955 het grootste pand koopt van Jan Nieuwenhoven. Hij heeft dat waarschijnlijk daarvoor gehuurd, want het is bekend dat daar omstreeks 1946 al een groentezaak was.

 

POELPOLDER: Molenaar Duineveld

De bewoningsgeschiedenis van de grote Poelpoldermolen wordt beschreven. Ook andere zaken over de Poelpolder komen aan de orde.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Grote Poelmolen Foto van vóór 1950, genomen richting noorden. Het  noodgemaal met de Kromhoutmotor staat er nog niet. Rechts is de Ringvaart. In het midden, meteen links van de molen is de woning van De Vlieger in de Poelpolder.

Een polder zonder molen is natuurlijk ondenkbaar. Daarom nu herinneringen van de heer Duineveld. Hij was jarenlang molenaar van de Lisserpoelmolen. De heer Duineveld is opgegroeid op een boerderij in De Engel. Na de diensttijd solliciteerde hij naar de functie van molenaar op de Grote Poelmolen. Dat was in 1953. Toen woonde de oude molenaar, Joop Kerkvliet, er nog en daar leerde hij het vak van. In die eerste jaren als molenaar woonde Duineveld nog bij zijn ouders in de Engel. Naast molenaar werd hij ook veehouder. Het vak van molenaar is altijd al een deeltijdbaan geweest. In 1678, toen de voorgangers van de huidige molen er nog stonden, ontving de molenaar op de achtkanter molen 120 gulden en die op de kleinere wipmolen 70 gulden per jaar. Een ongeschoold arbeider verdiende in die tijd zo’n 300 gulden per jaar. Het maalloon was niet slecht en men had vaak ook bepaalde privileges, zoals vrij wonen en
stookvergoeding, maar om in het levensonderhoud te voorzien moest er iets bij gedaan worden.
Voor molenaar Duineveld was het malen dus een deeltijdbaan. In 1961 bedroeg het maalloon bijna 700 gulden. Ter vergelijking: een jaarloon voor een arbeider was begin jaren ’60 zo’n 4.000 gulden/jaar. Je zou bijna concluderen dat de betalingsverhoudingen weinig veranderd zijn in die drie
eeuwen.
Ook andere taken in de polder kwamen in aanmerking voor een vergoeding. In ’75 werd de vergoeding voor polderbestuursleden vastgesteld op fl. 175- per jaar, voor de voorzitter fl. 350- per jaar. In dit verband is het curieus dat de vertegenwoordiger van de gemeente Lisse (Lisse was ook stemgerechtigd), de heer Mesman, in de vergadering stelt dat de vergoedingen veel te laag zijn. Ze zouden moeten verdubbelen. Daarop leggen de bestuursleden uit dat ze hun verkiezing voor het bestuur zien als een grote eer, waar vanzelfsprekend geen juiste geldelijke waardering tegenover behoeft te staan. Bovendien was het al een redelijke verhoging vergeleken met nog niet zo lang daarvoor toen de vergoeding voor een
bestuurslid fl. 25 bedroeg. Zou een dergelijk idealisme nog bestaan? Terug naar molenaar Duineveld in 1953. Brood op de plank moest er komen en de combinatie veehouder/molenaar was passend. Er werden, met geleend geld van pa, 7 koeien gekocht. Vlak bij de molen had Duineveld toen 9 ha. grasland. Bij de ouderlijke boerderij, ook een melkveebedrijf, had hij ook nog eens 9 ha. in gebruik. Hard werken, maar na een jaar kon er afgelost worden. In 1958 ging hij met zijn vrouw in de molen wonen. Er werden 5 kinderen geboren. Ze zouden er uiteindelijk 47 jaar wonen. Toen de vorige molenaar, Joop Kerkvliet, in de molen woonde nam eenvzuiggasmotor, die in de molen geplaatst was, nog veel ruimte in. Dat gezin had beneden een kamer met bedstee, boven ook een kamer met bedstee en op de zolder sliepen de kinderen. In het halletje stond een gasstel. Waterleiding was er niet. Men gebruikte regenwater of haalde ergens een emmer water. Toen was de kwaliteit van regenwater gelukkig nog goed. Die zuiggasmotor moest er voor zorgen dat de polder minder afhankelijk van de wind zou worden voor de bemaling. Maar dat was lang niet voldoende. m de motor aan de gang te krijgen was bovendien de hulp nodig van veehouders uit de buurt. In 1956 kwam er een noodgemaal met een Kromhoutmotor naast de molen te staan. Dus toen de heer en mevrouw Duineveld in de molen kwamen wonen was er wat meer woonruimte. Om vanaf Lisse bij de molen te komen kon je via de 2e Poellaan met een wagen tot De Vlieger (zo’n beetje bij het zuidelijkste puntje van de Roversbroek) komen. Daar was ook een brug naar de Poelpolder. Naar de molen moest je dan het pad over de dijk volgen. Je kon ook door het land naar de 3e Poellaan. Het adres van de molen was ook 3e Poellaan. Maar de verbinding naar de overkant, naar de Haarlemmermeer, was veel eenvoudiger en werd meer gebruikt. Ook voor het boerenbedrijf.

De heer Duineveld zo’n nok van de molen bij een reparatie, uitgevoerd door medewerkers van molenmakersbedrijf
Verbij.

Want de heer Duineveld was dan wel molenaar, zijn beroep was bovenal veehouder en veehandelaar. De melkbussen werden overgevaren. ’s Zomers werden ze 2 maal daags opgehaald, in de winter 1 maal daags om naar melkfabriek Hollandia in Hazerswoude te gaan. Je had toen ook nog melkfabriek Heemskerk in Noordwijkerhout, een melkfabriek in Leiden en natuurlijk Menken in Wassenaar die nog lang heeft bestaan. De melkbussen werden opgehaald door een transporteur en eventueel voor de verschillende fabrieken elders overgeladen. De bussen waren genummerd en je had een dubbel stel melkbussen. Ook een broer van hr. Duineveld werkte 10 jaar in het veebedrijf. Waar indertijd grasland was bij de boerderij van zijn ouders werd het land omgezet en ontstond bollenland. Twee andere broers hadden daar hun bedrijf. Het veehoudersbedrijf bij de molen werd van lieverlee uitgebreid. Er kwamen stallen bij en later ook een woning. Maar het plekje van de molen had zo’n mooi uitzicht; verhuisd naar die woning zijn ze nooit. Inmiddels staan er zo’n 300 koeien op het bedrijf. Dat de melkveehouderij in de laatste 50  jaar enorm veranderd is blijkt wel uit deze aantallen. Met de hand melken was al lang  overgenomen door machines, een melkblok (melkkrukje) is niet meer nodig. Vroeger molk je met de hand en dan deed je zo’n 6 koeien per uur. Nu doet de machine dat voor 100 koeien. En dan de hoeveelheid melk. De 7 koeien waar de heer Duineveld mee begon leverden 2 melkbussen op, 80 l. Nu zorgen 160/170 koeien voor een melkproductie van zo’n 4.000 l. Het 2 maal per daags overvaren met de bussen is al lang voorbij; eens per 3 dagen wordt de koeltank leeggehaald door een melkwagen. De Poelmolen zorgde dus voor het droog houden van de Poelpolder. In de Poelpolder woonden maar weinig mensen; 4 a 5 boerderijen waren er. Daarnaast waren er wel een tiental veehouders die elders hun boerderij hadden, maar in de polder grond bezaten. Uit Lisse waren dat: De Wit, Van der Salm en Hulsebosch. Uit De Engel: Heemskerk, Duineveld en Van der Zon. De Roversbroek en de Poelpolder verschilden wezenlijk van elkaar. In de Roversbroek woonden aardig wat mensen en het waren daar veelal kwekers. Je had één groot veehoudersbedrijf, Warmerdam, en enkele kleinere zoals De Groot, Brak en Bakker. In 1890 was er vanuit de Roversbroek al een keer voorgesteld om te bestuderen of een gezamenlijk stoomgemaal niet een oplossing zou betekenen voor de bemalingsproblemen van beide polders. Er werd lang over onderhandeld, maar in 1896 verwierp het polderbestuur van de Poel het plan.
Toch was de nood soms wel hoog. De Poelpoldermolen werd in 1907 door een windhoos getroffen en in 1917 werden weer de molenas en de roeden vernield. Dan was langdurig onderhoud natuurlijk nodig en ontstond een probleem met de afwatering.
Molenaars kunnen een weersomslag vaak aan zien komen, die hadden daar geen buienradar voor nodig. Toch gebeurde het wel dat een plotseling aanwakkerende wind snel ingrijpen vroeg. Dan was het een hele toer om de molen stil te zetten. Ook molenaar Duineveld is dat wel overkomen. Gelukkig steeds goed afgelopen, maar hij is toch wel met een emmer zand naar boven gegaan om te kijken of de as niet warmgelopen was. Voor onderhoud aan de molen kwam in de begintijd molenmaker De Gelder
uit Leiden. Later werd dat molenmakersbedrijf Verbij uit Hoogmade. De molenaar moest de staat van de molen in de gaten houden en deed voorstellenc aan het polderbestuur voor het noodzakelijk onderhoud. De polder was eigenaar en daar moest dus beslist worden of men het geld er aan wilde besteden. Om een idee te geven: in 1961 werd er door fa. De Gelder voor 1380 gulden werk geleverd aan de molen. Daar kwam verder aan onderhoud nog bij schilderwerk, rietdekkerswerk. Het totaal aan onderhoudswerk
was dat jaar begroot op 3000 gulden. 1 maal per jaar was er een algemene ledenvergadering in de Witte Zwaan. Daar werd ook over de polderlasten gestemd. In 1961 was het voorstel 43 gulden per ha. Leden waren degenen die land in eigendom hadden in de Poelpolder. Het stemrecht was verdeeld naar het aantal ha. grond dat in eigendom was. Het bestuur vergaderde indien nodig. Om te zorgen dat water goed afgevoerd kan worden, wordt er jaarlijks een schouw gehouden. In augustus was er de 1e schouw. Bij de schouw werden de tocht, de scheisloten en natuurlijk de molentocht, die de molenaar zelf
schoon moest houden, bekeken. De molentocht was zo’n 600 m. lang en het moest indertijd allemaal met de hand onderhouden worden, dus dat was wel een paar weken werk . De overige sloten van de veehouders waren eigen verantwoordelijkheid. Toch gebeurde het wel in natte periodes in de zomer,
vooral in het noordelijkste deel van de polder, dat het water niet voldoende weggemalen kon worden. Gemalen werd er dan 24 uur per dag. Een sloot die niet voldoende open was verergerde de problemen natuurlijk. Dan kwamen de veehouders wel verhaal halen bij de molenaar. Eind oktober was de 2e schouw door het polderbestuur. Eerst verzamelen bij de vader van de heer Duineveld (hij zat in het polderbestuur) met koffie. Dan werden de taken voor de schouw verdeeld in noord, zuid en de tocht. Het schouwen was zo tegen 12 uur klaar. Dan naar de molen voor het na vergaderen met een borreltje. Een zeer gezellige afsluiting waarbij drankjes geschonken werden die nu nauwelijks meer gedronken worden als oude genever en een brandewijntje. De Roversbroekpolder en de Poelpolder werden in de 60-er jaren als polders samengevoegd. Het gemaal van de Roversbroek werd in ’70 opgeheven. Dat had gevolgen voor de afwatering. De Poelpolder is een diepe polder; het zomerpeil bedraagt -3,73 m NAP, het winterpeil – 4,- NAP. De Roversbroek ligt iets hoger dan de Poel. De dijken werden afgegraven en er kwamen duikers onder de wegen om het water naar de Poelpolder af te voeren. Extra elektrische bemaling was nodig.

Het recreatieve fietspad ligt inmiddels langs de molen. Foto 1991.

Toen het plan voor de bebouwing er kwam is het land van de veehouders vrij verkocht. Het meeste werd door de gemeente gekocht. Met de bebouwing van de Poelpolder werd de waterafvoer ook anders geregeld. Er kwam een rioolstelsel en de gemeente had een eigen bemaling.
De Poelmolen, eerst eigendom van de Poelpolder, werd overgedaan aan waterschap De Oude Veenen. In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting. Het werk van de molenaar veranderde mee. Tegenwoordig wordt er alleen nog op vrijwillige basis gemalen. Eind 2005 volgde Jan van Schalkwijk molenaar Duineveld op als vrijwillig molenaar. Gelukkig kunnen we anno 2015 nog steeds genieten van de statig ronddraaiende wieken die het mechaniek in gang houden dat het overtollige water afvoert naar de Ringvaart.

Foto van vóór 1950, genomen vanaf de Haarlemmermeer richting Sassenheim.
De optrekjes bij de molen werden verhuurd als vakantieverblijf.

Uit het archief gelicht: Verdronken in het Haarlemmermeer 1688

Ermpje Munnik verdronk in 1688 in het Haarlemermeer. De zoekacties worden beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Uit de archieven komen niet alleen mooie maar ook trieste verhalen te voorschijn. In de 17e eeuw was de Haarlemmermeer nog een gevaarlijk water. In de verpondingsboeken lezen we vaak dat de inwoners geen belasting hoeven te betalen voor hun land omdat het wegens afkalving door het water, in de golven van het meer was verdwenen. Zo’n triest verhaal komt voor in de heijligengeest boeken van Lisse. In het jaar 1688 had het echtpaar Cornelis Willemsz.van der Codde gehuwd met Maertje Pietersdr. van Oosten een dienstmaagd. Maertje was biersteker en had twee opgroeiende dochters. De dienstmaagd Mensje, haar achternaam is nog niet achterhaald, was verdwenen. Dan staat er ineens, ontvangen van Vrank Janse van Kats armmeester 15 stuijvers dat gegeven was voor het opvissen van Mensje, dienstmaagd van Maertje Pieters van Oosten. Maar ze was echter niet alleen. Waarschijnlijk met haar vriendin Ermpje Munnik, die was nog niet gevonden. Wat de oorzaak was van het ongeluk lezen we nergens. Er werd een zoekactie op touw gezet en de broer van Ermpje, Cornelis Pieterse Munnik loofde 10 gulden uit voor degene die zijn zuster vond. De helft ervan zou naar de armen gaan. Voor die tijd een aardig bedrag. In een kleine gemeenschap die Lisse toen was, zal het zeker het gesprek van de dag zijn geweest. Met stokken langs de rietkragen van het meer lopen zoeken, dan is het meer ineens heel groot. Jan Philipse van Vossen, Cornelis Cornelisse Geervliet, Gerrit Willemse en Maerten Willemse, knecht van Jacob Engelse Broekhuijsen die woonde op een hofstede aan de graft. Zij allen namen aan de zoekactie deel. Maerten Willemse vond haar na lang zoeken. Wat nu zo onbaatzuchtig was, dat er was afgesproken om het vindersloon af te staan aan de heijligen geest armen en de andere helft gegeven werd aan Gerrit Willemse aan de brugge in het oostijnde die mede gesogt hadde, ende in groote armoede was. Maertje Pieters van Oosten waar Mensje dienstmaagd was,overleed in datzelfde jaar 1688

Bron.G.a.Lisse inv.nr.292

GEBOORTE VAN EEN FENOMEEN, DE TOUR DE LISSE

De ren- en tourvereniging De Bollenstreek is in 1951 opgericht.In 1956 werd de eerste Tour de Lisse gehouden.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Een tak van sport welke zich mocht verheugen op enthousiaste en massale belangstelling van de bevolking van Lisse toen en nu is wel de wielersport. Niet voor niets heeft Lisse een prachtige accommodatie compleet met circuit voor een bijna 65-jarige vereniging De Ren- en Toervereniging De Bollenstreek welke werd opgericht in 1951 door een groepje Lissers. De vereniging was en is bedoeld ter ontspanning of als sport, toerfietsen of wielrennen en werd en wordt gedragen door een grote groep vrijwilligers. Al in de jaren dertig van de vorige eeuw werd het fietsen als sport beoefend in de Bollenstreek, zoals men in de Leidsche Couranten uit die jaren kan lezen, veelal georganiseerd door vriendengroepjes welke de sport beoefenden, wilde wedstrijden dus. Zo ook in Lisse waar volgens de krant, tijdens de Lissese Najaarsfeesten, wedstrijden werden verreden in verschillende leeftijd categorieën. Het aantal deelnemers bedroeg meer dan 200 renners en rennertjes. De oudste deelnemer, geplaatst in groep 8, was maar liefst 59-jaar oud. Onder gejuich van het publiek welke zich en masse langs het parcours had opgesteld werden de wedstrijden verreden en vooral wanneer een renner van Lisse in zicht kwam, leek het of er een wereldkampioen werd ingehaald, zo leefde het enthousiaste publiek mee.

In zwarte outfit Cor en Ben van der Aart op de houten wielerbaan in Heemstede. 1936

Zo reden er de gebroeders Van der Aart, waarvan met name Ben succesvol was. Later is Ben zich gaan toeleggen op baanwedstrijden en behaalde heel wat successen. Hij bracht het zelfs zover dat hij werd opgenomen in de Nederlandse Olympische Baanploeg welke naar de Spelen van Berlijn zou gaan. Helaas voor Ben was er maar weinig budget en omdat een aantal vriendjes van bonzen voorrang kregen kon Ben niet mee. Zo kon het gebeuren dat Ben niet de Duitse schilder met het snorretje en de grote mond kon ontmoeten, maar die andere schilder, zijn vader, die vond dat Ben ook maar eens moest komen helpen bij zijn schildersbedrijf. Ben stopte met wielrennen na deze teleurstelling, maar werd later bestuurslid bij de Lissese R.T.V. Het bloed kruipt…….. De bezetting maakte een einde aan veel sporten en activiteiten. De RTV kon niet meer trainen in de duinen en er waren al leden waarvan de fiets was gevorderd dus verstandige mensen demonteerden hun “Fahrrad” en verstopten deze tot betere tijden zodat niet een dikke moffenkont zich op jouw zadel zou zetten en fluitend zum Heimat zou fahren. Na de bezetting werden de fietsen weer in elkaar gezet of men kocht een goedkoop tweede handsje en het wielrennen werd weer als een van de eerste sporten beoefend in Lisse. Voorlopig bleef het bij onderlinge wedstrijdjes. Om bij een wielervereniging te kunnen rijden, moest men in de stad zijn, De Kampioen of Excelsior in Haarlem of Swift in Leiden, wat een aantal Bollenstrekers deed. Zo ontstond er een steeds grotere groep van renners welke elkaar allemaal kenden en op diverse locaties onderlinge wilde wedstrijden hielden in oa Noordwijkerhout, Hillegom en vooral in de Haarlemmermeer, daar zat je niemand in de weg. Tijdritten werden geklokt met een keukenwekker. Renners uit die tijd waren oa Jan van Eijk uit Hillegom, Marinus Zoet , Jan Kapteijn en Nico Stroet uit Lisse en een aantal uit Noordwijkerhout en Beinsdorp. In het najaar van 1951, tijdens de Zilker Feesten kreeg de groep renners gelegenheid zich te laten zien aan het publiek. De Oranje Vereniging van de Zilk organiseerde voor het eerst in haar bestaan een Wieler Spektakel waaraan zo’n beetje alle toen actieve renners deelnamen. Deze geïmproviseerde wedstrijd werd glansrijk gewonnen door Jan Duivenvoorden uit Noordwijkerhout, ook een jongen uit de vriendenploeg. Het bleef nog lang onrustig in de Zilk, dit was nog nooit vertoond in het kleine dorpje, fantastisch. Het enthousiasme van de Bollenstrekers maakte dat enige jongens serieus begonnen na te denken over het oprichten van een eigen echte wielerclub. Hoe dat moest wist eigenlijk niemand. Er kwam best een boel bij kijken, vergunningen, bestuur, statuten, reglementen enz. Nu woonde er aan de Leidse Vaart in het Buurtschap Halfweg in Lisse een zekere mijnheer Van Graven, die daar bekend stond als iemand die nogal gemakkelijk zaken oploste voor de gemeenschap en een vlotte babbel had. Jan Kapteijn en Marius Zoet woonden ook op Halfweg en bij hen groeide het plan dat mijnheer Van Graven misschien weleens een goede voorzitter zou kunnen zijn voor een op te richten Wieler Vereniging. Ze verzamelden al hun moed en stapten samen op mijnheer Van Graven af die hun verhaal aanhoorde en direct toestemde. Dat ging lekker, maar er moesten nog meer bestuursleden gevonden worden. Niet ver van Halfweg woonde aan de Stationsweg de boswachter Alenburg wiens zoon ook wel eens mee fietste en ook deze zag wel iets in het plan. De derde welke gestrikt werd was de Hillegomse schilder Lou van Braam waarna in Noordwijkerhout de rijwielhersteller Chris Meijland beloofde mee te doen. In Sassenheim vond men Herman Slingerland en de hr. Van Biezen en in Lisse vonden ze schilder Ben van der Aart bereid. Zo was er in zeer korte tijd een zevenmans bestuur uit de grond gestampt, dat aan het werk kon. Ten huize van mijnheer Van Graven werden er een aantal vergaderingen gehouden waarna werd overgegaan tot oprichting van Ren en Tourvereniging De Bollenstreek op 27 november 1951. De renners welke bij een stadse vereniging reden kwamen weer terug en werden lid van de Bollenstreek. Zij brachten wat nieuw geleerde technieken mee en zo groeide de vereniging als kool. Nu moesten er van het bestuur uit wedstrijden worden georganiseerd en men besloot Lisse als parcourplaats te gebruiken op een route welke al diverse malen was gebruikt in de wilde periode.

Tour de Lisse 1958 met de ploeg van ploegleider Herman Slingerland uiterst rechts op de druk bevolkte Spekkelaan.

Het was het rondje Essenlaan, Loosterweg, Spekkelaan en Achterweg een parcours van exact 4 km, Prima geschikt voor clubwedstrijden. Verkleden deed men in die eerste periode in de bekende “Leeuwenkuil” in het Reigersbos, een clubhuis zat er nog niet in. Tussen de eikenboompjes en de zandkuil in het prachtige Reigersbos was het ‘Home’ van de jonge R.T.V. Meestal stond daar ook “de Knieter” strategisch opgesteld met zijn bekende karretje vol ulevellen, repen, limonades en nog veel meer lekkere dingen. Eigenlijk heette de man Van Werkhoven, maar dat wist niemand. Helaas verbood de gemeente Lisse het wielrennen op de openbare weg wegens klachten van aan- en inwoners. Dat was een bittere pil, maar de RTV week uit naar de Haarlemmermeer, waar op de lange kaarsrechte wegen ruimte te over was en het parcours ineens 10 km lang was. Uiteraard werd ook hier illegaal gereden. Volgens Piet de Koning (84) lid vanaf 1952, oud-renner, oud bestuurslid, erelid, onderscheiden met de Orde van Oranje Nassau voor zijn verdiensten voor de R.T.V, was het omkleden op het parcours Haarlemmermeer een hele verbetering. Dat kon namelijk in een schuur achter café van Dijk op de Lisserdijk in de Lisserbroek, Je keek weliswaar zo naar buiten, het tochtte altijd en de banken bestonden uit bollen- en bierkisten met planken daarover maar je had wel een dak boven het hoofd. Volgens De Koning vond renner Siem van der Pol na afloop van de wedstrijd zijn zakje brood terug, half opgevreten door de ratten. Maar ach wat gaf dat, “ die beessies motte toch ook leve” was Siems commentaar. Verkeer in de Haarlemmermeer was er weinig, zo weinig zelfs dat de renners op volle snelheid vanuit de IJweg links de Venneperweg op reden richting Beinsdorp, zonder dat er verkeersregelaars aan te pas kwamen. Volgens Piet de Koning school het gevaar in de berm van de weg. Wat te denken van de z.g. Arbeiderskoe, de geit, welke in Haarlemmermeer nogal veel in de bermkant van de weg werd vast gepind. Een paar keer per dag werd zij “verpind” om aan vers gras te kunnen komen. Zo kwam het voor dat zo’n beest aan een veel te lang touw stond en gewoon de weg op kon, wat nogal eens gebeurde. Als wielrenner ben je dan kansloos en na de duikeling was je wedstrijd verknald. Vergaderingen werden in de beginjaren gehouden in de Witte Zwaan, café de Taveerne en het gebouw van de Duivenvereniging van Lisse in de Kanaalstraat. Gaandeweg werden de clubprestaties steeds beter en er meldden zich ook een aantal “betere renners” aan. Zo’n betere renner was Egbert van ’t Oever, van huis uit een schaatser welke het wielrennen eigenlijk als een training voor het schaatsen zag. Hij kon geweldig rijden. Piet de Koning verhaalt dat Egbert eens op een zondagmorgen startte voor de 60 kilometers van het rondje Haarlemmermeer. Enkele minuten na hem zou het peloton starten, welke de achtervolging zou inzetten en Egbert weer terug halen. Ze hebben hem wel terug gezien, maar dat was in het kleedhok achter Café Faas in de Lisserbroek. Het gehele rennersveld had in die 60 kilometer geen kans gezien Egbert van ’t Oever terug te halen, sterker nog, hij was uitgelopen op het peloton. Uit de gehele Bollenstreek kwamen de aanmeldingen als lid, de naam De Bollenstreek eer aan doende. Enkele namen uit die beginperiode waren: Jan Faas, Dick Rooyakkers, Kees Meeuwissen, Kees Kerkvliet, Metto Damo, Thijs Bruine, Gerard Duwêl, Gerard van Schravendijk, Kees Kapteijn, Gerard Saase, Kees Elsgeest, Willem Knoppert, Piet en Henk van der Zwet, Harry Willemse, Aaij van der Plas, Arie van Wetten, Siem van der Poll en vele anderen. De vereniging groeide en bloeide. Altijd waren er leden die hun schouders ergens onder zetten al hadden zij wel eens tegenwerking van een verdeeld bestuur. Zo wilde Jan van Kesteren, slagerszoon uit Lisse, in navolging van andere regio’s een meerdaagse jeugdronde organiseren en legde dit voor aan het bestuur. Een aantal bestuursleden was faliekant tegen, dus ging Jan zelf aan de slag.

Prijsuitreiking in Café De Taveerne in de Wagendwarsstraat uit 1958 van een jeugdwedstrijd. Hierop o.a. burgemeester de Graaf, met zijn eeuwige vlinderdas, bijgestaan door Jan van Kesteren. Winnaar van 1958 was Gerard Caspers uit Lisse.

In korte tijd stampte hij de organisatie van een zesdaagse “Tour de Lisse” uit de grond. Dit was in de eerste week van augustus 1957. Veel leden waren bereid om te assisteren bij het evenement. De organisatie was een enorme klus, er moest bijvoorbeeld toestemming worden gevraagd aan de gemeente Lisse en de burgemeester, de K.V.P er Theo de Graaf, voelde er eigenlijk helemaal niks voor. Het was puur geluk dat de burgemeester juist op dat moment een grote buitenlandse reis maakte. Jan van Kesteren had hierop gewacht en de loco burgemeester, een wielerliefhebber gaf prompt zijn toestemming. Daarnaast werden door de verloofde van Jan, Annie, 50 broekjes en shirtjes in elkaar geknutseld. Verder was nodig, EHBO, Politie, ploegleiders, kaartverkopers, juryleden, begeleiding op de weg en noem verder maar op. In den lande kende men al een Tour de Frats, Tour de V.N. een Muggenronde en meer van dat soort jeugdwedstrijden in etappe vorm en nu kwam er dus een heuse Tour de Lisse. Vijf Jeugdteams gingen die zomeravond van start in de Spekkelaan en langs de kant stonden ruim 1600 betalende toeschouwers om hun favorieten aan te moedigen. Niemand had dit succes verwacht. De teams waren samengesteld uit rennertjes van de scholen van Lisse en er zou verreden worden gedurende zes avonden. Alle etappes waren druk bezocht, alleen de ploegentijdrit mislukte omdat de chronometer van de jury het liet afweten. Deze rit werd de week daarop alsnog over gereden. Nico Castien uit Lisse werd de triomfantelijke winnaar van deze eerste Tour de Lisse en zijn beloning was een fototoestel. Zijn ploeg, de Lissese Willibrordusschool, won het ploegenklassement. Ploegleider Piet de Koning was zo trots als de bekende pauw op zijn ploeg. De Hervormde School van Lisse werd tweede. Niemand twijfelde aan een vervolg in de komende jaren. Lisse was een week lang uit zijn dak gegaan. Het volgende jaar waren wat praktische veranderingen aan gebracht. De deelnemende ploegen werden nu gesponsord door een bedrijf en hadden een firmanaam op het shirt, ook dat bracht de broodnodige gelden binnen, en het aantal ploegen werd verhoogd naar acht en de deelnemers per ploeg verminderd tot zes. Ook voor de tijdmetingen was een verbetering aangebracht. Iemand had het lumineuze idee geopperd om te klokken met duivenklokken en dat bleek een daverend succes. Dan was er nog het juryplatform. Regelmatig kwam het voor dat grappenmakers een kistje onder het plankier weghaalden waardoor de hele zooi in elkaar stortte en de juryleden zich enkel van een nat pak konden afhouden door een grote sprong te maken en zo niet in de achterliggende sloot te belanden. Dat was nog eens lachen.

Jury in de nieuwe demontabele tent: Kees de Groot, Ko Mangelaar, Piet Langelaan, Jan van Kesteren en Piet de Koning

Ben van Steijn maakte daarom een prachtige demontabele jurytent, een pronkstuk welke jaren zijn dienst heeft bewezen, zelfs op het circuit van Zandvoort. Voor de vereniging was de Tour de Lisse een geweldig opleidingsinstituut en ieder had zijn vaste taak. Bij voorbeeld de Speaker, Vic van Denzen, zal een ieder zich nog kunnen herinneren. Volgens Erelid Piet de Koning zijn er honderden anekdotes te vertellen over de Tour de Lisse en hij begint direct te verhalen dat bij de start van een Tour de burgemeester vele malen tracht het startpistool te laten knallen, maar deze weigert halsstarrig. Ten einde raad wenkte de burgervader een agent van politie en vroeg hem om zijn pistool. Deze werkte gelukkig wel en zo kon de Tour toch nog beginnen. Of wat te denken van het zoveelste rennertje dat in de bocht bij Van Dijk hoek Essenlaan Achterweg, de sloot inreed en bij het naar boven krabbelen ineens bedenkt dat zijn bril nog in de sloot lag. Nooit meer gevonden, maar een spontane collecte onder de toeschouwers bracht genoeg op voor wel twee brillen. Dat toch weer wel. Maar lachen man. Een ander jochie dacht dat wat doping hem zou helpen en stapte een Lissese drogisterij binnen en vroeg de winkel juffrouw om één pakje doping, alstublieft. De juffrouw fronste haar voorhoofd en dacht even na. Zij gaf hem een pakje Dextro en ’t joch was dik tevreden, dit was precies wat hij bedoelde. Het was al bij de eerste Tour de Lisse dat een deelnemertje het parcours wel erg lang vond en winst dacht te behalen door binnendoor te steken via het zg Laantje van De Wit. Helaas stond er aan het eind van dat laantje een controleur. Iets nieuws was dat er vanaf de vijftiende Tour gestart werd vanuit diverse omliggende gemeenten in de Bollenstreek. Niet voor de wedstrijd maar een soort toertocht. Bij aankomst bij het parcours in Lisse werd er eerst een pauze gehouden waarna het wedstrijdgedeelte begon. Ook werd er wel gestart in de Poelpolder en de Engel. Starter was steeds een bekende zoals oa Joop Zoetemelk. In 1981 werd de vijfentwintigste aflevering van de Tour verreden en dit maal werd er op het Vierkant gestart en gefinisht. Het was het rondje Heereweg, Westerdreef en de Achterweg. Het werd een schitterende zilveren Tour de Lisse en werd gewonnen door Robert Langkamp uit Lisse. Geloof het of niet, het was tevens de laatste. Het jaar daarop kwamen er bij lange na geen voldoende inschrijvingen binnen en de hele zaak werd afgeblazen. Zo eindigde een waar fenomeen.

Bronnen: ‘Veertig Jaar Fietsen in de Bollenstreek’, Piet de Koning en Toos de Groot 1991 ‘Bart op de Fiets’ , W. van Heemskerk pseudoniem van mw. W. Stanco 1971
Piet de Koning, Beinsdorp, Erelid R.T.V ‘de Bollenstreek

Tot slot nog een vermelding van alle winnaars van de Tour de Lisse op een rij:

HOOGKAMER, een familie in Lisse

De voorouders van Cornelis Martinus Hoogkamer worden weergegeven. Zijn voorvader overleed in Lisse in 1708.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

De kwartaalbijdrage van onze genealogie-groep heet dan wel het Lisses Kwartiertje, maar het is elke keer weer een uitdaging om een kwartierdrager te kiezen die een echte binding met Lisse heeft gehad en waarvan ten minste een deel van de voorouders echt geworteld is geweest in de gemeenschap van Lisse. Dit keer de familie Hoogkamer.
Anna Schrama Het ligt misschien niet voor de hand, maar Anna Schrama uit dit Kwartiertje heeft echt Lisserse Hoogkamer-wortels. Voorvader Hendrik Jansz Hoogkamer is overleden in Lisse in 1708. In leven was hij behalve bouwman ook ambachtsbewaarder van Lisse. Zijn zoon Gerrit Hendriksz Hoogkamer trouwde in 1699 met de dochter van Jan Jansz van der Fits. In het boek ‘De Aagtenkerk van Lisse’ beschrijft A.M. Hulkenberg de boedelscheiding in 1708 waarbij een boerderij met 92 roeden grond bij het Mallegat, uit de nalatenschap van schoonvader Van der Fits, gebruikt is voor het huisvesten van de katholieke schuurkerk aan de Achterweg. Gerrit Hendrikz was rooms armmeester in Lisse en uiterst gelovig. Hij voorzag zijn kerk en haar parochianen van alles wat hij zich kon veroorloven. Zijn zoon Jan Gerritz Hoogkamer trouwt in 1730 met Maria van Beijeren en voor dit huwelijk moeten zij maar liefst dertig gulden aan impost – een soort inkomstenbelasting – betalen. Bij het passeren van een langstlevende testament, bij notaris Jacob van Dorp, worden zij samen aangeduid als ‘bou(w)lieden tot Lisse’. In 1742 wordt Jan Gerritz aangeslagen voor twaalf gulden belasting op een inkomen in de derde klasse, van 800 tot 1000 gulden per jaar! Drie jaar later is dat weliswaar verminderd tot acht gulden in de tweede klasse, maar hij wordt in het betreffende belastingkohier nog wel aangeduid als ‘bouwman’ met twee dienstboden in huis. Hij  overlijdt op 45-jarige leeftijd.

Dochter Agatha Jansdr Hoogkamer wordt in februari 1732 in Lisse katholiek gedoopt en zij trouwt in 1755 met Gijsbertus Gerritz Schramade uit Vogelenzang. Hij is houtkoper op Dever in Lisse. Er worden in Lisse zeven kinderen Schramade geboren uit dit huwelijk. De familienaam Hoogkamer verdwijnt daarmee voor de duur van slechts twee generaties. Hun zoon Johannes Gijze Schrama(de) wordt in 1758 gedoopt in Lisse. Hij trouwt in Sassenheim met Catharina Klaasze Hoogeveen. Zij overlijdt echter al in 1801 op 30-jarige leeftijd, nadat ze vijf kinderen het leven geschonken heeft. En hún zoon Cornelis Schrama geboren in 1800 in Sassenheim trouwt in Hillegom met Agatha Kromhout. Het tweede van de tien kinderen uit dit huwelijk is hun dochter Anna Schrama. Met haar huwelijk met Johannes Hoogkamer in 1847 komt de oude familienaam Hoogkamer weer in de stamboom terug. Maar als deze beide families al aan elkaar verwant zijn geweest, dan moet dat in elk geval vele generaties terug geweest zijn. Het gezin verhuist naar Lisse, waar hun twaalf kinderen ter wereld komen.

Johannes Hoogkamer

De stamvader van Johannes is dan wel degelijk een Hoogkamer maar deze is in het geheel geen Lisser, hij woont in Rijnsburg. Deze Crijn Pietersz Hoogkamer is in 1678 geboren. Hij trouwt in Oegstgeest en krijgt met zijn vrouw Neeltje Dirksdr Reijers vijf kinderen. De jongste is zoon Reijer Crijnsz. Reijer Crijnsz Hoogkamer is in 1713 gedoopt in Oegstgeest. In de ‘Lyste van zodaanige Weerbare Mannen van 15 tot 60 jaaren oud’ binnen het gebied Rijnsburg wordt hij als nummer 138 vermeld. Hij overlijdt in Rijnsburg op 64-jarige leeftijd en uit de ‘Staat en Inventaris’ van zijn boedel, goederen, schulden en lasten, blijkt dat hij Meester Rietdekker is geweest. Hij trouwde met Leuntje Pietersdr van der Burg en kreeg met haar zeven kinderen. Zoon Petrus Reijersz Hoogkamer, gedoopt in 1757 in Katwijk, is rietdekker, net als zijn vader. Hij trouwt met Mareitje Hendriks van Houten en woont daarna in Noordwijk. Zij krijgen twee zoons. Samen met zijn twee jaar oudere broer Crijn komt hij voor op de lijst van weerbare mannen in 1784. Vermeld wordt dat sommigen op de lijst van een eigen geweer voorzien zijn terwijl anderen, zodra erom verzocht wordt, in staat zijn er op eigen kosten een aan te schaffen. Pieter (Petrus) staat op nummer 104 op die lijst. Hij overlijdt echter al op 31-jarige leeftijd. Zijn weduwe hertrouwt met een andere rietdekker uit Noordwijk.

De jongste van de twee zoons is Hendri(c)k. Hij wordt geboren in Noordwijk en trouwt daar al op 19-jarige leeftijd, met Jaapje (Jacoba) Hoogeveen. Hendri(c)k wordt rietdekker, net als zijn vader geweest was. Hun tien kinderen zijn allemaal in Lisse geboren. De eerste in februari 1810. Vanaf toen werd ook deze familietak Hoogkamer een Lissese geschiedenis.

Hendrik Hoogkamer en Jacoba Hoogeveen

Rietdekker Hendrik en zijn vrouw en kinderen wonen in 1830 op de Delfweg 103, later werd dat de Stationsweg. Hun oudste zoon Pieter werd slechts tien dagen oud en de tweeling van enkele jaren later is op de dag van geboorte overleden. Dochter Niesje (Agnes) woont als dienstmeisje op een boerderij vlak bij Dever, de overige kinderen wonen nog bij hun ouders. De tweede zoon Pieter is in 1842 in het ouderlijk huis gestorven. Dochter Niesje is getrouwd met Cornelis Beijk en gaat op de Heereweg wonen zo ongeveer tegenover de huidige Julianastraat. Zoon Jacobus trouwde Antje Ruigrok maar is slechts enkele jaren later overleden. Zijn weduwe is kort daarna met hun zoontje naar Lisse gegaan en daar bevallen van hun tweede zoontje. Ze hertrouwt met schipper Smakman en gaat wonen in het huis naast schoonzuster Niesje Hoogkamer. Inmiddels is uit het nieuwe huwelijk een zoontje geboren, twee volgende kinderen overlijden echter al heel jong. Twee maanden na de laatste bevalling overlijdt Antje Ruigrok zelf ook. Moeder Jacoba overlijdt in 1846 waarna vader Hendrik Hoogkamer al snel hertrouwd is. Begin april 1848 wordt hun zoon Henricus geboren maar hij overlijdt al na drie dagen en eind april overlijdt ook Hendrik Hoogkamer zelf waarna zijn weduwe naar Alkemade verhuist. De nog thuis wonende kinderen van Jacoba en Hendrik Hoogkamer gaan allen het huis uit en weduwnaar Smakman trekt met de twee zoontjes Hoogkamer van zijn overleden vrouw en zijn eigen zoontje van nu vier jaar oud naar het leeggekomen huis op 103, inmiddels Halfwegsteeg genoemd. Dochter Maria is begin september 1845 met Cornelis Berkhout getrouwd en gaat op het Vierkant wonen, in een huis dat tussen het latere huis van Pijnacker en de boekhandel Van der Klugt gestaan moet hebben. Hun eerste kind wordt eind september al geboren, maar is naamloos overleden. En Johannes die eerst nog thuis woonde, rietdekker was zoals zijn vader, trekt uit het ouderlijk huis en gaat naar huis 198 aan het ‘Oostend’ op de Heereweg, naast het latere huis van de familie Blokhuis op de hoek van de Nassaustraat. Johannes trouwt met Antje (Anna) Schrama uit Hillegom. Hij staat als (land)arbeider genoteerd als baby Jaapje (Jacoba) Hoogkamer op de Heereweg geboren wordt.

Boerderij Hoogkamer

In de Kanaalstraat moet een boerderij Hoogkamer hebben gestaan

Lang geleden is er al een boerderij Hoogkamer in het gebied richting Voorhout geweest, maar ook in Lisse moet een boerderij Hoogkamer gestaan hebben, op de Broekweg, nu Kanaalstraat. Ernaast was de boerderij van Hulsbosch. Na de sloop van boerderij Hoogkamer is er een nieuw pand gekomen waar tegenwoordig het bedrijf van Paul Windt gevestigd is. Cornelis Berkhout en Maria Hoogkamer trekken rond 1850 in het ene deel van deze boerderij terwijl broer Johannes Hoogkamer en zijn vrouw Antje in de andere helft gaan wonen. Daar worden ook de overige kinderen geboren. Deze boerderij wordt later, vlak vóór zijn overlijden in februari 1859, door Cornelis Berkhout aan zijn zwager Johannes Hoogkamer verkocht. Op de boerderij overlijdt Antje Schrama in januari 1900 en in november ook Johannes Hoogkamer. Schoonzoon Jan Nulkes, echtgenoot van dochter Jacoba Hoogkamer, neemt de boerderij in 1901 over.

Cornelis Hoogkamer en Marijtje Langeveld

De Halfwegsteeg. Het is niet bekend waar de familie woonde.

Johannes Hoogkamer’s zoon Cornelis wordt bloemistknecht en trouwt in 1880 met Marijtje Langeveld en samen gaan zij op de Halfwegsteeg wonen. Ze krijgen zeven kinderen., Alleen dochtertje Anna wordt slechts vier maanden oud, zoon Petrus Johannis is in 1882 geboren. Marijtjes vader komt bij hen in huis wonen en overlijdt daar in 1899. Cornelis’ zus Catharina trouwt met een broer van Marijtje en zij wonen nog enige tijd op boerderij Hoogkamer, tot de verkoop in 1926 waarna sloop volgt en vervanging door het huidige pand. De Halfwegsteeg krijgt de naam Stationsweg. Cornelis en Marijtje wonen op nummer 104. Naast hen woont het gezin Salman. Hun dochter Maria Wilhelmina trouwt in 1907 met de zoon van de buren, Petrus Johannis Hoogkamer. Cornelis’ vrouw Marijtje Langeveld overlijdt in 1916. Ze werd 59 jaar. Haar weduwnaar Cornelis, is op 73-jarige leeftijd overleden in de Pius, het toenmalige katholieke bejaardenhuis naast de Agathakerk.

Petrus Johannis en Maria Salman

Na hun huwelijk in 1907 gaan Petrus Johannis en zijn vrouw Maria eveneens op de Stationsweg wonen, schuin tegenover de (schoon)ouders, op nummer 35. Petrus Johannis verdient de kost als bloemistknecht of landarbeider. Hun oudste zoon is al overleden toen hij pas tien dagen oud was, uiteindelijk bestaat het gezin uit vier kinderen. De jongste van het stel is Cornelis Martinus Hoogkamer, hij wordt in 1917 geboren. Maar dan overlijdt in 1919 de 35-jarige moeder van de vier kleine kinderen Hoogkamer. Petrus Johannis blijft als weduwnaar achter om de kinderen groot te brengen. Zijn jongste zoon wordt uiteindelijk bloemistknecht, net als zijn vader, en ten minste twee van de drie dochters trouwen met een echtgenoot die eveneens in de bloembollen werkt. Als Petrus Johannis 73 jaar oud is, overlijdt hij net als zijn vader bijna dertig jaar eerder in de Pius in Lisse. Zoon Cornelis Martinus trouwt als hij 21 jaar is in Bloemendaal met Johanna Maria Warmerdam. Ze hebben op de Emmastraat in Lisse gewoond en uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Zowel Cornelis Martinus Hoogkamer als zijn vrouw zijn meer dan tachtig jaar oud geworden en in Lisse overleden.

Erepenning 2015

De erepenning 2015 werd uitgereikt aan de familie de Vroomen voor de fraaie restauratie.

Nieuwsblad nummer april 2015

Nieuwsflitsen

Traditiegetrouw werd aan het einde van de jaarvergadering de erepenning van de Vereniging Oud Lisse uitgereikt. Deze penning is een ontwerp van Frans en Truus van der Veld. De penning wordt gegeven als waardering voor een pand dat liefdevol en met respect voor de historie is gerestaureerd of opgeknapt. Voordat bestuurslid Frits Treffers bekend maakte wie de penning gewonnen hadden legde hij eerst uit waarom dit pand was uitgekozen. Zo zijn van het betreffende panden de buitenmuren grondig gereinigd en opnieuw professioneel gevoegd. Maar ook de rommelige bouwsels aan de achterzijde zijn gelukkig tegen de vlakte gegaan. De heer en mevrouw De Vroomen hebben het opknappen van hun woning aan de Heereweg 46 zeer gewetensvol aangepakt en verdienen de penning ten volle. In november 2013 werd begonnen met de veranderingen en in november 2014 was het helemaal af. Deze woning staat op de hoek van de Heereweg met de Mendeldreef. De bouw stamt uit het begin van de twintigste eeuw, het pand is dus zo’n honderd jaar oud, wat af te lezen is aan de aardige details van de woning.

Heereweg 46


Copyright © 2015 Vereniging Oud Lisse

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel I: Eerste eigenaren en bewoners, 1860-1905

Het huidige gebouw op de hoek van de Kanaalstraat en de van der Veldstraat is in 1938 gebouwd. Het huis daarvoor was in 1911 gebouwd. Daarvoor stond er ook al een gebouw van rond 1860. Dit is gebouwd door Karel Lindaart. Zijn wel en wee wordt besproken. Johannes Barnhoorn was de eerste bewoner. De overige eigenaren tot 1905 komen aan de orde.

Door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Inleiding

De laatste tijd is de fraaie, typisch jaren dertigachtige, winkel van Tissing, gelegen op de hoek van de Kanaalstraat en de Van der Veldstraat, even onderwerp van debat geweest. Even was men bevreesd dat het, daar het gebouw recentelijk een nieuwe eigenaar heeft gekregen, met het markante bouwwerk dezelfde kant op zou gaan als bijvoorbeeld het sigarenmagazijn Juliana, er vlak tegenover. Dat zou dan neerkomen op….sloop! Gelukkig zijn de plannen van de kersverse eigenaar niet zodanig ingrijpend dat dit gedeelte van de Kanaalstraat opnieuw ontdaan zou worden van een op zich fraai monument en beeldbepalend pand. Men ontkomt er echter niet aan om het inwendige aan een verbouwing te onderwerpen, maar me dunkt dat we daarmee kunnen leven…
Reden te meer echter om eens terug te blikken met betrekking tot dit interessante stukje van Lisse. Er is daarbij – gelukkig! – zoveel informatie tevoorschijn gekomen dat we dit ´terugblikken´ vervatten in meerdere delen.
In dit eerste deel komt de negentiende eeuw aan bod.

Daarbij moet evenwel niet het idee ontstaan bij de ongetwijfeld zeer geïnteresseerde lezer dat de huidige ´winkel van Tissing´ al uit die tijd zou stammen. Zoals reeds opgemerkt stamt het huidige gebouw uit de jaren dertig (bj. 1938). Het heeft echter een tweetal voorgangers gekend. Zo heeft er vóór 1938 ook een winkel gestaan die wat betreft datering terugging tot in 1911. Het huis dat daar weer voor gestaan heeft, stamde echter inderdaad uit de negentiende eeuw. Het was rond 1860 gebouwd door Karel Lindaart als arbeiderswoning. Maar wie is nu die Karel Lindaart?

Karel Lindaart (1817-1862)

Karel werd in 1817 geboren te Schermerhorn als zoon van een chirurgijn. Zijn ´roots´ lagen dus niet op Lissese bodem. Hij heeft het in het leven niet altijd even makkelijk gehad. Als de kleine Karel nog maar 13 jaar oud is, overlijdt zijn vader. Zijn moeder volgt op Oudejaarsavond van het jaar 1847. De feeststemming op de overgang naar het nieuwe jaar zal dus wel enigszins getemperd zijn geweest. Toch weet Karel zich weer te ´herpakken´ en op 7 mei 1848 treedt hij te Zaandam in het huwelijk met Geertje Timmerman. Bij die gelegenheid wordt hij voor het eerst timmerman genoemd. In hetzelfde jaar, om onbekende redenen tot dusver, verhuist hij naar Lisse. Hij neemt zijn intrek in een huis aan de Kanaalstraat (die tot omstreeks 1910 Broekweg werd genoemd), aangeduid met het huisnummer 177. Daar we weten, vanuit reeds eerder gedaan ´naarstig´ onderzoek, dat huisnummer 180 was toegekend aan Het Hofje, moet nummer 177 drie huizen verderop in de richting van de Heereweg gestaan hebben. Daar wordt ook het eerste kind geboren, genaamd Brigitta. We schrijven dan 24 december 1849. De gevoelens van Klaas zullen wel zeer gemengd zijn geweest, daar bijna exact twee jaren ervoor zijn moeder het leven liet in het sterfbed. We hebben echter de indruk dat Karel Lindaart niet bepaald de persoon was die bij de pakken neer ging zitten. Het wordt ´gezellig druk´ daar in huisnummer 177, want in de komende jaren worden er nog drie zonen en twee dochters geboren. Ook fi nancieel gaat het onze timmerman voor de wind en zo koopt hij dan in 1857 een huis met grond aan de andere zijde van de Kanaalstraat, ter plaatse van de huidige pizzeria en Dreijer Optiek. De verkoper van het huis is Pieter Hendrik Koppeschaar. 1

 Het jaar 1858

Het jaar 1858 verloopt voor Lindaart niet zo heel voorspoedig. In april komt zijn negenjarig dochtertje Brigitta te overlijden. De maand november verloopt zelfs nog slechter. Binnen een periode van 10 dagen (16 november-19 november 1858) overlijden zijn twee zusters Antje en Aagtje én zijn broers Jan en Willem! Een oorzaak is moeilijk aan te geven. Het is echter mogelijk dat er een epidemie gewoed heeft in de Haarlemmermeerpolder, waar Antje en Aagtje stierven. Juist in 1858 brak daar namelijk moeraskoorts uit. Jan overleed echter te Schermerhorn. Het is onbekend door welk lot hij getroffen werd. Of moeten we denken aan een landelijke epidemie? Zo was er in 1859 sprake van een choleraepidemie in Nederland. Hoewel de genoemde sterfgevallen allen in 1858 plaatsvonden, kan het zijn dat de eerste verschijnselen zich al aan het einde van laatstgenoemd jaar openbaarden. Overigens bracht het jaar 1859 voor Karel Lindaart ook al geen prettig nieuws: nog maar net was zijn vrouw bevallen van een dochter, Brigitta (genoemd naar het in april van het vorige jaar gestorven dochtertje), of ook dit kind komt hem op 27 augustus te ontvallen. Tenslotte overlijdt ook zijn echtgenote op 17 december 1859. Karel zal wel gedacht hebben, waar hij het allemaal aan verdiende. Zoveel ongeluk in zo weinig tijd…

Bouwactiviteiten,

1860 Karel Lindaart leefde in een tijd waarin alles maar heel relatief was: op het ene moment was er sprake van geluk door de geboorte van een kind of een andere blijde gebeurtenis en het andere moment bracht hoofdzakelijk ziekte en tenslotte de dood met zich te weeg. Karel wist er alles over te vertellen. Misschien – wie zal het nog kunnen navertellen? – was dat de reden dat hij in 1860 iets wilde doen om het leven van de arbeider wat aantrekkelijker te maken, door voor hen een woning op te trekken aan de andere kant van de Kanaalstraat. En dit is precies op de plek van de latere winkel van Tissing. 2

We weten niet precies hoe deze woning er uit heeft gezien. Wél beschikken we over een aantal kadastrale minuutplannen van Lisse uit 1888. Ook de Kanaalstraat is in beeld gebracht (zie afb. 1). Deze bevindt zich aan de rechterzijde van de kaart. Helemaal bovenaan loopt de Heereweg. Links tenslotte de Grachtweg met zijn typische bocht ter hoogte van het ´kaaspakhuisje´. Wij concentreren ons echter op de Kanaalstraat. Lindaart woonde in het huis, kadastraal aangeduid met het nummer 960. Een aantal huizen verderop, richting de Kapelstraat, bevindt zich het in 1883 gebouwde Hofje.3 De afzonderlijke woningen staan op de kaart aangeduid met de kadastrale nummers 829 en 1183 tot en met 1186. De woningen daaronder werden in 1881 door Jan Jacob Guldemond gebouwd. Hier eindigde de bebouwing aan de Kanaalstraat. Aan de andere zijde van de straat hield de toenmalige bebouwing op bij de nummers 1211 en 1212. Op laatstgenoemd perceel bevindt zich de in 1888 nog vrij nieuwe woning van kaashandelaar Martinus Romijn. De woning daarboven is de in 1860 door Karel Lindaart gebouwde arbeiderswoning. Daarnaast zou in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd worden. Zoals we zien, bevindt zich ter plaatse van de pizzeria en Dreijer Optiek een blok woningen, eveneens gebouwd door Karel Lindaart in 1860.

Eerste bewoners

Het is goed mogelijk dat Lindaart in deze nieuwe arbeiderswoning zijn personeel ondergebracht heeft. Zoals we weten oefende hij het beroep van timmerman uit. Eén van de eerste bewoners, te weten Johannes Barnhoorn, was inderdaad timmermansknecht. Dat hij ook nog een band had met Lindaart blijkt wel uit de vermelding van een tweetal kinderen uit het gezin van Lindaart op dit adres. Het gaat om Hermanus (geb. 1855) en Johannes (geb. 1856). De redenen voor deze inwoning door twee van de kinderen Lindaart is niet duidelijk geworden tijdens het onderzoek. Maar Johannes Barnhoorn en Karel Lindaart moeten in ieder geval een zeer nauwe en vriendschappelijke band met elkaar onderhouden hebben. Hoogstwaarschijnlijk werkte Johannes in het timmermansbedrijf van Lindaart.
Johannes Barnhoorn is overigens de grootvader van de bekende Lissese architect Cornelis Willibrordus (Cees) Barnhoorn (1895-1980). Hij was de oudste in een gezin van zes kinderen. Zijn vader, Simon Franciscus, was een zoon van Johannes, de timmermansknecht uit het bedrijf van Karel Lindaart. Johannes werd in 1827 geboren te Hillegom. Hij trad in 1858 in het huwelijk met Cornelia Schuts, die ook in het Hillegomse was geboren in 1830. Zijn gezin bestond anno 1872 uit vier dochters en drie zonen. In hetzelfde jaar koopt hij de woning Grachtweg 5 van Johannes van Beek. Hoogstwaarschijnlijk is hij daar ook gaan wonen, wat hem ongetwijfeld wat meer comfort gebracht zal hebben dan de arbeiderswoning aan de Kanaalstraat. In deze woning is hij in 1906 ook overleden. Zijn vrouw was hem reeds eerder in de dood voorgegaan, namelijk in 1895. In 1924 werd Grachtweg 5 verkocht aan onder meer Cornelis Willibrordus (de architect), die het nog in hetzelfde jaar overdroeg aan Clara Ottilia Maria Paardekooper. Was zij familie van de bekende Aad Paardekooper? Ook hij was architect. In 1946 ging hij een samenwerkingsverband aan met Barnhoorn onder de naam Architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn. Zij hebben onder deze naam een aantal markante gebouwen ontworpen in Lisse, zoals de Mariakerk.
Een andere bewoner van het eerste uur was Gerardus Marseille, geboren te Lisse in 1836. Hij staat te boek als ´arbeider´. Verder komen we rond 1860 als bewoner tegen Cornelis Hassing (1839-1902). Daarover wat meer in de volgende paragraaf.

Eigenaren van 1860 tot 1905

Inmiddels was in 1862 Karel Lindaart op zijn verjaardag (7 april) overleden. Hij had als lidmaat van de Rooms-Katholieke Kerk wél het H. Oliesel ontvangen, maar hij was ´te zwak voor de laatste sacramenten’. Zo ging dan degene met wie we de geschiedenis van het latere Tissing zijn begonnen op de relatief jonge leeftijd van 45 jaar heen.

De nalatenschap was met schulden belast, want op 23 mei 1862 wordt in de Opregte Haarlemsche Courant melding gemaakt van de openbare verkoop ten sterfhuize van Karel Lindaart van ´meubelen en verderen inboedel, houtwaren, timmermansgereedschappen etc.´. Tenslotte werd ook de arbeiderswoning verkocht. Dirk Dominé mocht zich de nieuwe eigenaar noemen. Hij verkocht het op zijn beurt in 1864 aan Cornelis Louwen en in 1865 werd Johannes van Rossum eigenaar. In 1867 kwam de woning in handen van Cornelis Hassing, die we hiervoor al als – kennelijk niet geheel onfortuinlijke – bewoner zijn tegengekomen. Tot zijn dood in 1902 is hij eigenaar gebleven. Zijn weduwe, Helena Francina Versteege (1837-1919), is na die tijd gaan wonen ter plaatse van het huidige Heereweg 249 en in de zogenaamde ´huisjes van Steenvoorden´ tegenover de Ned.-Herv. Kerk.

Conclusie

Ter plaatse van de latere winkel van Tissing stond in de negentiende eeuw een vrij eenvoudige arbeiderswoning, gebouwd rond 1860 door Karel Lindaart. Helaas beschikken we niet over een afbeelding van dit huis. Na zijn dood in 1862 ging de woning over in verschillende handen, totdat het in 1867 gekocht wordt door één van de bewoners, namelijk Cornelis Hassing. Erg opvallende zaken lijken er op dit interessante plekje van Lisse nooit te zijn gebeurd, maar interessant is wel te vernemen dat één van de eerste bewoners de grootvader van architect Kees Barnhoorn is geweest. Ook de naam Marseille komen we in Lisse nog veel tegen. In het volgende deel zullen we de periode na 1905 behandelen.

Bronvermelding

Erik Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven 2007).
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters en DTB-registers.

  1. Hij was in 1838 aangesteld door ´Burgemeester en Assessoren´ (College van BenW) als bode, aanplakker en omroeper en woonde met zijn gezin van 1850 tot 1856 in de woning Grachtweg 1a. Eén van de affi ches die hij aan had moeten plakken, vond uiteindelijk een weg in een grote spleet van een balk van het huis dat hij bewoonde. Vele decennia later haalde de huidige bewoner van het huis hem weer tevoorschijn.
  2. In hetzelfde jaar liet hij overigens de in 1857 gekochte woning (ter plaatse van de huidige pizzeria) slopen en er een blok van vier woningen bouwen.
  3. Over de geschiedenis van Het Hofje en zijn bewoners kan de lezer meer vernemen in het Dever Bulletin (meerdere afl everingen) en de monografi e daarover, waarin deze afl everingen zijn samengebracht door de heer Dol te Lisse.

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?