PRANGENDE VRAGEN

De impost was een belasting bij huwelijk en begrafenis. De hoogte van de impost geeft een indruk van de economische betekenis van de betrokkenen.

Arie de Koning

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Bijna iedereen die zijn afkomst wil laten onderzoeken hoopt stilletjes dat hij of zij afkomstig is van een rijke en invloedrijke familie. Meestal valt dat een beetje tegen. Er zijn dan ook veel vragen over geld en goederen welke onze voorouders in hun bezit zouden hebben gehad. Welnu, de vaststelling van stand en standing in economische begrippen van een bepaalde familie gebeurde bij het huwelijk en bij overlijden en is gemakkelijk af te lezen aan het bedrag van de Impost welke betaald moest worden bij datzelfde huwelijk of begrafenis.

Impost classificatie

Die Impost was een belasting, een soort leges en bestond uit vijf klassen. Klasse 1, de hoogste, was 30 gulden, klasse 2 was 15 gulden, klasse 3 was 6 gulden, in klasse 4 betaalde men 3 gulden en de laagste klasse 5 was gratis ofwel pro deo. Dit was op 15 november 1695 door de Staten van Holland en WestFriesland bij wet vastgesteld.

Pro Deo

De meeste inwoners van Lisse werden pro deo begraven en als men bedenkt dat een jaarinkomen van een ongeschoolde arbeider 220 gulden was, is dit niet zo vreemd. Het was het bestaansminimum in de jaren 1650-1700.
Daarbij komt dat men het ‘s zomers moest verdienen in de zonne-uren want ’s winters waren de dagen korter dus werd men minder betaald. Dit ging in op Sint Maartensdag de elfde van de elfde en duurde tot Sint Pietersdag, tweeëntwintig februari. Na 1700 stegen de lonen een heel klein beetje en verdiende men ’s zomers ca. 1 gulden per dag en ’s winters een kleine halve gulden. Kleine zelfstandigen zoals schoenmakers, kleermakers of spinnewielmakers leefden bij de gunst en gunning van de overige inwoners en kon men vaak straatarm noemen. Men nam er vaak baantjes bij waarvoor moest worden betaald, verkopers en uitslijters van sterke drank, zeep en zout of men pachtte een stukje land. Vaak was het afwachten of de investering werd terug verdiend en men leest regelmatig dat kleine neringdoenden failliet werden verklaard.

Conclusie

Ga er dus niet voetstoots van uit bij onderzoek, dat uw familie welvarend was, dan kan het nog altijd meevallen. U bent van harte welkom bij de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” iedere dinsdag van 10 tot 12 uur op Havendwarsstraat 4, dan kunnen we samen uw familieverleden bekijken.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XV: Zwerver Landman opnieuw in actie, 1847

Zwerver Landman komt in 1847 weer in de politierapprten voor. Hij schold zijn buurman uit en beloofde hem te vermoorden. Hij meende dat de buurman spullen van hem had gestolen.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Inleiding

We zijn er een tijdje tussen uit geweest, maar hier hervatten we weer de serie politierapporten!
Deze keer gaat het om een oude bekende: Jude Jacob Landman. Zoals de lezer zich misschien nog herinnert, was Landman aanvankelijk koopman van beroep en gehuwd met Schoontje Machielse de Brave.1 Rond 1830 wonen ze op huisnummer 110 aan de Heereweg. Het huwelijk botert niet goed en al gauw zet Landman zijn vrouw zonder pardon op straat, waarna zij gedwongen is door Lisse rond te zwerven. Ze brengt de nacht door op verschillende adressen. Ook Landman (‘What’s in a name’ zouden wij zeggen!) leidt al gauw een zwervend bestaan. Niemand wil hem echter in huis hebben, want hij had niet zo’n goede reputatie. En zo komt het dan dat een paar spelende kinderen in de middag van 13 november 1847 een lijk van een vrouwspersoon zien drijven in het water van de Gracht. Het blijkt te gaan om Schoontje de Brave, de echtgenote van Landman. Hoewel iedereen wist dat Landman de moord had gepleegd, kon men helaas geen steekhoudende bewijzen vinden. Hij vertrok daarop naar Leiden. In 1849 duikt hij op in Arnhem. Het armbestuur aldaar vraagt dan aan die van Lisse of ze hen willen ontheffen van de kosten van verstrekte kleding. Dat gaat niet zonder enig verzet, want de armenkas van de gemeente Lisse was niet bijzonder rijk gevuld. De burgemeester – J.C. van Rosse (18011875) – draait zich dan ook in alle mogelijke hoeken en gaten teneinde te voorkomen dat het Burgerlijk Armbestuur van Lisse voor de kosten van onderhoud moest opdraaien. En dat is het laatste dat we van Landman vernemen.
En is dit nu het hele verhaal van Jude Jacob Landman? Nee, want ergens in de papieren van de plaatselijke justitie bleek zich nog een politierapport te bevinden. Het is gedateerd 21 juli 1847, dus nog uit de tijd dat Landman een vast adres had en het koopmansberoep uitoefende.

Het gedeelte Heereweg waar zich het verhaal afspeelt, ook wel het Oosteinde genoemd. Het witgepleisterde huis geheel rechts werd in 1840 bewoond door Joseph Martinus Le Feber (later Lefeber), afkomstig uit Den Haag, van beroep broodbakker. Ter plaatse van het postkantoor even verderop bevond zich destijds een boerderij. Het is oorlog, want het bovenste deel van de lantaarnpaal links ontbreekt (vlgs. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I, Zaltbommel, zesde druk 1987, p. 15). Coll. auteur.

Even voorstellen…

In dit verhaal leggen de volgende personen een getuigenverklaring af: zo komen we allereerst Joseph van Diest (1786-1861), van beroep arbeider, tegen en zijn vrouw Trijntje (van Catharina) Coster (17861860). Hij woonde waarschijnlijk aan het gedeelte Heereweg dat in de bevolkingsregisters van die tijd staat aangeduid met de naam ‘Oosteinde’. Dit stukje Heereweg begon ter hoogte van de Stationsweg (‘De Steeg’) en liep door in de richting van Hillegom. Een andere getuige die naar voren treedt is Hendrik Willem Jelters, geboren te Haarlem en Rijkscommies van beroep. Waarschijnlijk was ook hij woonachtig in het ‘Oosteinde’. Guurtje Hovenier (overleden in de gemeente Haarlemmermeer in 1881), gehuwd met Pieter de Wals, arbeider van beroep, heeft ook een en ander gezien en gehoord. Zij woonde met haar man aan de huidige Kanaalstraat (in 1847 nog Broekweg genoemd), naast ’t Hofje. Ook de dienstmeid van Hendrik Josephus Huysmans, woonachtig op het buiten Rosendaal, genaamd Jansje van Opzeeland, was ter plaatse van het navolgende incident. Tenslotte legt de veldwachter, Petrus Johannes Wijting, ook een getuigenverklaring af.
De plek waar zich een en ander afspeelt, is waarschijnlijk het huidige Heereweg 172. In de volksmond staat deze woning bekend onder de naam ‘Bakkerij van Vaneveld’. In 1847 woonde hier echter de van Leeuwarden afkomstige koopman Eleazar Joseph de Vries. Hij woonde als zodanig in bij Petrus Hunnego, geboren te Delft omstreeks 1792, maar deze was na een paar jaar alweer vertrokken.2

Nog steeds bevinden we ons in het Oosteinde van Lisse. Geheel links de ‘bakkerij van Vaneveld’, tegenwoordig Heereweg 172, waar in 1847 koopman Eleazar de Vries woonde. Daarnaast zien we nog net de hekpalen van villa Rosendaal. Zie ook volgende afbeelding. Ansicht verstuurd in 1942. Coll. auteur.

Dief, afzetter, gauwdief!’

Eleazar Joseph de Vries en Jude Jacob Landman moeten elkaar goed gekend hebben: beiden waren koopman van beroep en deden dus waarschijnlijk zaken met elkaar, en bovendien waren ze allebei van Joodse afkomst. Op een gegeven ogenblik had Landman een aantal goederen gekocht, die hij voorlopig onderbracht bij collega De Vries. Hij dacht hem te kunnen vertrouwen, maar toen Landman zijn spullen weer kwam ophalen, wilde De Vries ze niet teruggeven! Daar moest je natuurlijk bij zo iemand als Landman niet mee aankomen! We lezen in de verklaring van De Vries dat van hem ‘gewelddadig waren weggenomen de navolgende goederen als 6 sloopen, 6 servetten, 3 kolfballen, 1 wollen deken, 2 ivoren ballen, 1 Bijbel, een vrouwerok.’ Bovendien schold Landman hem uit voor ‘dief, afzetter, gaauwdief, bankroetier, terwijl hij hem tevens gezegd heeft hem te zullen vermoorden. Dat hij zijn sergeant majoor vermoord had en hem zulks ook zoude doen. Dat het mes voor hem klaar lag’. Kennelijk had Jude Jacob, voordat hij in november 1847 zijn vrouw om het leven bracht, in de tijd dat hij diende in het leger, al eerder een moord begaan: zijn sergeant-majoor was het slachtoffer van de driftbuien van Landman. Geen wonder dus dat de angst bij zijn bedreigde collega er goed in zat! We lezen tenslotte: ‘Van welke daadzaken hij als getuigen opgeeft Vrouw Van Diest, vrouw De Wals, Jansje Opzeeland, de meid van dhr. Huysmans, de veldwachter Wijting’.

Gelijkluidende verklaringen

Men besluit alle getuigen te verhoren. Zo verklaart Trijntje Coster, echtgenote van Joseph van Diest, ‘gemelde Landman over de onderdeur 3 van gemelde De Vries te hebben zien heen stappen, daarna denzelven ontgrendelen en daaruit zien komen met een Bijbel met 2 of drie ballen en daarna nog met een arm met (linnen)goed en dat hij hem heeft uit horen schelden voor bankroetier en dat hij f 180 van hem moest hebben’.
Vervolgens zijn Guurtje Hovenier, huisvrouw P. de Wals, en de dienstmeid van de heer Huysmans op Rosendaal, Jansje van Opzeeland, aan de beurt om hun versie van het gebeurde mede te delen. Het volgt nagenoeg het getuigenis van De Vries.
‘Nog compareerde als boven Petrus Johannes Wijting, veldwachter te Lisse, verklarende dat hij door De Vries tot adsistentie in deszelfs huis is geroepen, waarin hij gevonden heeft gem. J.J. Landman gem. De Vries uit scheldende voor dief en afzetter. Hebbende hij hem geen (linnen)goed zien uitbrengen, maar belet om eenige daarliggende gordijnen weg te nemen. Welke verklaring na voorlezing is ondertekend’.

Villa Rosendaal, waar volgens de getuigenverklaringen in 1847 H.J. Huysmans woonde. Hij had het huis in 1844 gekocht van burgemeester Van den Bergh. Coll. auteur.

En wat heeft Landman daarop te zeggen…

Landman kon niet anders dan te bevestigen dat het zo inderdaad was gegaan: de verklaringen waren redelijk gelijkluidend en er waren maar liefst zes getuigen. Hij voegde er echter aan toe ‘dat hij de goederen had weggenomen, omdat die goederen van hem waren en hij daarvan de bewijzen heeft. Gevraagd welke die bewijzen waren, is door hem geantwoord dezelve te bestaan in nota’s of rekeningen van publieke verkoopingen die hij De Vries als kameraad te bewaren had gegeven, welke nota’s of briefjes door De Vries geweigerd zijn terug te geven’.

Conclusie

Het is niet duidelijk of Landman na deze verklaring vrijelijk over zijn gekochte artikelen kon beschikken, noch of hij de f 180,- heeft teruggekregen van De Vries. Maar om hem daarvoor uit te schelden voor ‘dief, afzetter, gauwdief en bankroetier’ en hem bovendien ook nog eens mede te delen ‘dat het mes voor hem klaar lag’, ging toch weer al te ver! Deze keer vielen er geen dodelijke slachtoffers te betreuren. Enige maanden later echter zou het anders lopen: toen benam hij zijn echtgenote van het leven. Nee, met Jude Jacob Landman viel niet te spotten!

Noten

1 Zie Nieuwsblad VOL, jaargangen VIII, nummer 3 (juli 2009) en X, nummer 4 (oktober 2011).

2 Dit was vaker zo met belastingbeambten, zoals hij genoemd wordt in de bevolkingsregisters (letterlijk ‘Rijks Commies’). Na een bepaalde tijd werden ze weer overgeplaatst naar een andere locatie, zodat het mogelijk was dat het verblijf in een bepaalde plaats maar van zeer korte duur was.

3 De voordeuren van de meeste huizen in deze tijd bestonden uit twee helften: een onderdeur en een bovendeur. Het kan dus goed zijn dat Landman gewoon over de onderdeur heen kon stappen, omdat de bovendeur geopend was.

Bronnen

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115. GA Lisse, bevolkingsregisters GA Lisse, doop-, trouw- en overlijdensregisters.

 

 

 

 

Gerrit van der Meij, een ongekend talent uit Lisse

De blinde Gerrit van der Meij was wis- en natuurkundige. Op 36 jarig leeftijd werd hij ook nog doof. Hij construeerde daarna de electische braillemachine.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

“Alles wat men met wit krijt alleen niet duidelijk kan maken kan ook met gekleurd krijt niet duidelijk gemaakt worden” 1)
Gerrit van der Meij, zoon van de bekende bloemist in Lisse, Johannes van der Meij en Elisabeth Sophia Francina Servaas, werd geboren op 5 januari 1914 in datzelfde Lisse. Door een open verbinding tussen buitenoor en middenoor, kreeg het ventje op vier en een half jarige leeftijd meningitis. Dit had desastreuze gevolgen voor de kleine Gerrit, want totale blindheid was het gevolg. Tegen een collega en vriend, Willem van der Poel, van wie Gerrit 27 jaar lang een van de medewerkers is geweest, heeft Gerrit later wel eens verteld dat hij nog herinnering had aan statische beelden van de zichtbare wereld, zoals rode daken of zeiltjes op de Kaag. Zijn lagere schoolopleiding kreeg hij op een Nederlandse blindenschool, maar de middelbare school volgde hij vanaf 1931 aan de Blindenstudienanstalt in Marburg, Duitsland. Hij had een ongekend talent voor wiskunde, welke onderkend werd door zijn leraar wiskunde, Friedrich Mittelsten Scheid en met deze leraar heeft Gerrit zijn leven lang contact gehouden. In 1936 kwam hij terug in Nederland en ging wis- en natuurkunde studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. De Duitse bezetter sloot deze in 1941 en Gerrit week uit naar de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij studeerde met lof af bij de professoren Koksma en Haantjes. Maar in januari 1945 sloeg het noodlot opnieuw toe, weer werd hij getroffen door meningitis. De medische wetenschap was nog niet zover dat de open verbinding met het middenoor effectief kon worden gerepareerd, en penicilline was nog niet beschikbaar. Er was eigenlijk niks in het hongerige uitgemergelde Holland. Deze keer verloor hij het totale gehoorvermogen en daarmee ook het evenwichtsgevoel. Het kostte hem een flinke tijd om op spiergevoel in de voeten te leren lopen. Na veel oefenen slaagde hij erin om weer zelfstandig met zijn geleidehond overal te komen. In die tijd hebben zijn ouders veel voor hem gedaan.

Met dit simpele apparaat konden zijn ouders met Gerrit van der Meij “praten”. Met de 6 toetsen konden de brailleletters gevormd worden

Zo ontstond in die tijd het brailledoosje, een zeer klein apparaatje met zes toetsen die direct de pennetjes in de vorm van een brailleletter omhoog brachten. Voor intimi is dit in de eerste tijd het middel bij uitstek geweest om met hem te praten. Uit Marburg kende hij ook het Lorm alfabet, een systeem van tekens met tikjes en streekjes op de vingers, dat vooral in Oostenrijk en Duitsland in gebruik is geweest voor doofblinden. Met Lorm was het mogelijk om zonder mechanische hulpmiddelen met hem te praten, althans voor intimi. Naast het leren lopen pakte hij ook zijn promotiestudie wiskunde weer op en nauwelijks een jaar later promoveerde hij in Leiden bij professor Van der Woude op het proefschrift “De resultant in de theorie der algebraïsche krommen”. Een proefschrift met meetkundige inslag mag voor een blinde bepaald opmerkelijk heten. Het was onduidelijk wat het leven hem na de promotie zou brengen. Op het Centraal Laboratorium van de P.T.T. construeerde men een eerste elektrische braillemachine, waarop een blinde steeds een ingetikte letter kon voelen. Om op eenzelfde plaats steeds een andere letter te voelen vergt natuurlijk oefening, maar zo kon Gerrit in ieder geval weer met iedereen “praten”.

Ondertussen waren studiegenoten van Gerrit gaan werken bij het Centrale Laboratorium der PTT in Leidschendam, later het dr. Neher Lab geheten en zij werkten aan het ontwikkelen van een elektronische rekenmachine. Zij polsten Gerrit of hij mee kon werken aan het progammeren van computers, welke toen overigens nog gewoon rekenmachines heetten. Het voordeel van het vak programmeren was dat het nog niet bestond, alles moest van de grond worden opgebouwd. Er was geen literatuur om te raadplagen. Men had bedacht dat al deze dingen een enorm voordeel zouden zijn voor een blinde welke ook nog doof was. Gerrit heeft zich van begin af aan met grote ijver gestort op het programmeren van de PTERA, de eerste volledig elektronische machine in Nederland. Voor deze machine, in bedrijf van 1953 tot 1958, moesten de eerste programma’s geschreven worden voor het gebruik van drijvende komma, met conversie van decimaal naar binair drijvende komma. Dat was hoofdzakelijk het werk van Gerrit. De Mathematische Afdeling van het lab gebruikte zijn programmeerwerk voor toepassingen als kabelberekeningen, filters voor multipele draaggolf verbindingen, en hemelmechanica. Een ieder had het klamme zweet gekregen maar Gerrit schreef de programma’s en meestal in één keer foutloos. Op het Lab bouwde men voor Gerrit een braille telefoon, de zes puntjes over zes verschillende frequenties over een gewone telefoonlijn. Alle techniek hiervoor had men immers in huis. De meester instrumentmaker van het lab, de heer Hellendoorn, bouwde een mechanische typemachine om tot een brailletypemachine en nu kon Gerrit met iedereen praten. In 1957 was het nieuws van de door het Lab ontwikkelde brailleapparaten ook doorgedrongen in Amerika en Gerrit, zijn vrouw Suzanne Melgerd en collega Willem van der Poel werden door de Helen Keller Stichting uitgenodigd voor hun eerste wereldconferentie.

Een merkwaardig verschijnsel trad op toen de boot naar Amerika twee dagen in zwaar weer terecht kwam. Het was voor Gerrit onmogelijk te lopen op het deinende schip zonder stevige begeleiding. Zijn nieuwe lopen berustte immers op het voeten gevoel en niet op het evenwichtsorgaan, dat liet hem volledig in de steek. Een voordeel hierbij was dat hij dus ook niet zeeziek kon worden. Zeven weken lang trokken zij langs allerlei instituten waar Gerrit voordrachten gaf.

Gerrit 3e van rechts met uit beeld zijn vrouw Suus in the Oval Office

Een van de hoogtepunten van deze reis was een bezoek aan president Eisenhouwer op het Witte Huis met de groep in de Oval Office.
Zijn verdere werkzame leven heeft Gerrit veel betekend voor de in de kinderschoenen staande toenmalige computers en hun programmeertalen, waaronder het gecompliceerde ALGOL 68. Na zijn pensionering heeft Gerrit het informaticavak los gelaten en alles opgeruimd. Samen met professor Ritsma, hoogleraar oorheelkunde in Groningen, heeft hij zijn ideeën, over wat hij noemde het oergehoor, verder ontwikkeld. In 1982 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau waarover hij zei: ”ik zie de ridderorde als een postuum eerbetoon aan mijn ouders en als blijk van waardering voor mijn vrouw, kinderen en mijn vrienden. Zonder hen had ik niet het leven kunnen leiden, wat ik nu leid.” In 1983 overleed onverwachts zijn vrouw Suus op 58 jarige leeftijd. Zij was altijd zijn steun en toeverlaat geweest. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door op Kalorama, in Beek bij Nijmegen, in het centrum voor doofblinden.

Gerrit van der Meij moest met zijn dubbele handicap natuurlijk volledig op zijn geleidehond kunnen vertrouwen. De hechte band straalt van de foto af. Op de achtergrond kijkt zijn moeder toe

In november 2002 overleed Gerrit, een briljant Lissenaar en markant mens. Hij had al lang van tevoren bepaald dat hij zijn lichaam aan de wetenschap ter beschikking wilde stellen en zo gebeurde het dat hij zelfs na zijn dood nog dienstbaar was aan de wetenschap.

Bronvermelding:

Poel, W. van der , ”Met Drieënzestig Symbolen”,

Nieuw Archief voor Wiskunde Unsung heroes in Dutch computing history

Noot 1. Deze stelling is van W. van der Poel, destijds hoogleraar zuivere en toegepaste wiskunde aan de Technische Hogeschool in Delft.(TH). Van der Poel werkte nauw samen met Gerrit van der Meij. Op zijn vakgebied zag hij dat wiskundigen graag hun toevlucht nemen tot vele letterfonts waaronder Grieks en Hebreeuws en dan nog met superscripts, subscripts, underliningen etcetera. Gerrit van der Meij deed zijn wetenschappelijke werk met slechts 63 tekens, de tekens van het brailleschrift!

Naschrift

Naar aanleiding van dit artikel kwam de redactie recent in contact met Machteld van der Meij, één van de dochters van Gerrit van der Meij. Gerrit van der Meij heeft zijn hele leven veel gecorrespondeerd. Er is nog veel van bewaard gebleven. Daar komt Lisse natuurlijk ook in voor. Oud Lisse mag het archief inzien. Waarschijnlijk zal dat aanleiding zijn voor een artikel in een volgend Nieuwsblad.
Mevrouw van der Meij schreef ons al iets over het bezoek aan Eisenhouwer. Zij schreef: “Daarover koesteren wij in de familie een prachtig verhaal. Eisenhouwer typte op dit machientje (zie foto boven) zijn roepnaam IKE. Mijn vader kende die roepnaam niet en begreep niet direct met wie hij sprak. In alle consternatie en waarschijnlijk ook wel een beetje door de zenuwen viel het machientje van tafel en liep een grote deuk op. Daarna was de spreektijd al grotendeels voorbij. Die deuk, daar zijn we natuurlijk toch wel trots op en heet bij ons de Eisenhouwerdeuk. Mijn zus heeft het typemachientje-met-deuk nu. Toen haar zoontje nog jong was, heeft hij het machientje een keer vol trots op school laten zien. “

Het predikantenbord

In het portaal van de grote kerk hangt een bord met de namen van alle predikanten. De geschiedenis van de eerste predikant wordt beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Wie in het portaal van de grote kerk aan het Vierkant het predikantenbord wel eens heeft bestudeerd, zit gelijk met een vraag. Was het de eerste predikant die op het bord vermeld staat? Of waren er daarvoor al predikanten geweest? De reformatie was al even geleden. Het gebeurde in die tijd dat de pastoor met een gedeelte van zijn parochie overging naar de nieuwe leer en daar dominee werd. Bij onderzoek in de Betuwe werd de pastoor van Valburg afgezet, daer hij niet regt in de leer was, hij vertrok naar Dordrecht waar hij zich aansloot bij de Jansenisten, de Oudkatholieke kerk. Uit rancune nam hij de doop-, trouw- en begrafenisboeken mee die tot groot verdriet van stamboomonderzoekers nergens meer te vinden zijn. Was de eerste dominee soms ook pastoor geweest? De eerste predikanten namen wel Latijnse namen aan. Uit gewoonte of toch voor meer status? Zo ook de eerste predikant in Lisse die vermeld staat als Johannes Cornelii. Hij stond in Lisse van 1594 tot 1597. Waarschijnlijk heeft niemand hem bij zijn echte naam gekend. Zijn volledige naam was Johannes Cornelisz. van der Schelling, en ja, hij was getrouwd met Meinsje Ockersdochter. Was dus geen priester geweest. Veel meer weten we niet van hem. In 1590 was hij al dienaer des H.Evangelyums en solliciteerde hij naar Lisse. De ambachtsheer moest daarvoor zijn toestemming geven en zijn handtekening zetten. Als hij je niet zag zitten kon je het vergeten, zijn wil was wet. Waarom hij jaren later pas kwam kunnen we met wat onderzoek achterhalen. De kerk was in 1572/74 uitgebrand en de restauratie duurde lang nadat het in de streek weer rustig was en er geen muitende soldaten rondtrokken en plunderden. In 1592/94 was het dak weer op de kerk en kwam de eerste dominee die hiervoor in Noordwijkerhout had gestaan van 1581 tot 1594. Op het predikantenbord staat een kruisje achter zijn naam. Hij zal in het jaar 1597 in Lisse zijn overleden en begraven. Volgens onderzoek van Hulkenberg is er van de pastoors niets meer vernomen en werden de eerste kerkdiensten in het pastoorshuis gehouden aan de gracht, later bekend als “het grachtenhuisje”. Bij de tweede predikant, die al woonde op de plek van ” de oude pastorie”, het pand waar tandarts Hoek woonde op Grachtweg 2, kwam het tot een proces met de toenmalige bewoners over teveel inkijk in zijn tuin. De boomgaard van de dominee grensde aan het pastoorshuis. Zijn eis om de ramen dicht te metselen om het gluren tegen te gaan werd verloren. Wat een simpele vermelding op een predikantenbord al niet teweeg kan brengen, dat er vijf eeuwen later nog onderzoek naar gedaan wordt.

Het predikantenbord vanaf 1594 in de grote kerk

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker