De oprichting van Vereniging Oud Lisse en activiteiten in de eerste jaren

De high liths van de afgelopen 25 jaar worden weergegeven.

door Frits Treffers en Wim Bosch

Dit artikel staat gedeeltelijk op de Nieuwsbrief Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

1. Inleiding

Hieronder schrijven we een aantal punten neer die wij nooit vergeten zullen uit de eerste jaren van onze Ver. Oud Lisse. De indeling is als volgt:

  1. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse
  2. Projecten
    1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.
    2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.
    3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming
    4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191
    5. De sloop van villa Rozenheim
    6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”.
    7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen.
    8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004
    9. Hofje van Six blijft bestaan.

a. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse

Het is alweer meer dan 25 jaar geleden dat de vereniging eigenlijk door toeval is opgericht. Het gebeurde dat de overbuurman van Frits Treffers , Matthieu den Boer op een avond een praatje met hem begon en zijn zorg uitsprak over de geruchten die de ronde deden over de sloop van de mooie villa’s tegenover het huis “Somalo” van Frits Treffers Heereweg 28 (Heereweg Noord) .
Hij stelde toen voor om samen met Frits een vereniging op te zetten om waardevolle panden tegen sloop te beschermen.
Onze gedachte was om nieuwbouw op het achterliggende gebied van de villa’s toe te staan met behoud van de villa’s en oude bomen.

De vereniging werd opgericht en bestond uit 6 bestuursleden:
1. Matthieu den Boer (voorzitter)
2. Els Weening (secretaris)
3. Chris Paardekooper (penningmeester)
4. Ir. Frits Treffers (bouwzaken)
5. Loe Buijze (publiciteit)
6. Ir.Wim Bosch (ruimtelijke ordening)
De openingsvergadering werd op 15 december 1990 gehouden in de Gewoonste Zaak.

b. Projecten1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.

24-02-1991 Bewuste vernieling om toewijzing als monument en eventuele bezetting van het pand te voorkomen. Zo stond Merenburgh er nog een paar maanden bij.

Het eerste project was het redden tegen sloop van de villa’s: Merenburgh (nr 25), Magnolia (nr 27) , en Buitendorp (29) gelegen aan de Heereweg Noord. Na diverse pogingen via juridische procedures en ondanks de grote aandacht in de pers, is het uiteindelijk helaas toch niet gelukt en is de villa Merenburgh in 1991 toch onverwacht gesloopt en is er na de sloop van ook de andere villa’s uiteindelijk nieuwbouw neergezet. De beeldbepalende bomen werden wel gespaard.

Merenburgh met protestborden tegen het beleid van Harry Smith, alias “Harry de Sloper” toen Weth. ruimtelijke-ordening. Mede door deze sloop is VOL juist in de steigers gezet.

2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.

Het tweede project was het oude NS station te beschermen tegen de voorgenomen sloop van NS. Ook daarvoor werden diverse gesprekken gevoerd, in dit geval met de Nederlandse Spoorwegen.

Uiteindelijk is daar  overeenstemming bereikt. Maar dat vroeg wel om zeer creatieve oplossingen. Door de Vereniging Oud Lisse werd speciaal voor dit doel in 1994 een beheersstichting opgericht, de Stichting Oud Lisse, die zorg kon dragen voor de restauratie en het onderhoud van het station. Stichting Oud Lisse kwam met de NS overeen om het stationscomplex voor een gering bedrag van NS te huren, met de verplichting het pand op eigen kosten te renoveren en te onderhouden.

Station Lisse monument

Als resultaat van het grote renovatie project van het station, waar in het bijzonder Frits Treffers heel veel aan bijgedragen heeft, werd met medewerking van de Gemeente Lisse het pand aangewezen tot Rijksmonument.

Het restauratieproces

Door Stichting Oud Lisse werd een totale renovatie van het oude NS station toegepast, hoofdzakelijk op de begane grond. De bovenbouw werd bij de restauratie voorzien van nieuwe verwarming, maar werd verder zo gelaten. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven.

Station in ±1905. Detail ingekleurde ansicht . Dit monument is door de inzet van de oprichters van VOL behouden gebleven.

Om inkomsten te verwerven voor de renovatie en onderhoud van het station werd met de gemeente Lgelaten. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven.isse in 1995 overeenstemming bereikt om het geheel een horecabestemming te geven. De beneden verdieping van het station werd verhuurd aan het restaurant De Verloren Koffer. met behoud van de karakteristieke elementen aan het exterieur en in het interieur. John Nederstigt, de eigenaar van de Verloren Koffer, werd de eerste restauranthouder.

Er was een probleem om een gastoevoer aan te leggen voor het restaurant. Die zou volgens de leverancier onder het spoor moeten worden aangelegd, hetgeen extra kosten met zich mee zou brengen. Via het plaatsen van een gastank naast het parkeerterrein werd dit opgelost.

Geschiedenis station

Het oude stations complex was in opdracht van de toenmalige Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij gebouwd aan het traject Leiden-Haarlem. Het bij de spoorwegovergang staande stationsgebouw is gebouwd naar een ontwerp van de architect D.A.N. Margadant, die elders in het land vergelijkbare stationsgebouwen in een aan de Art Nouveau verwante stijl heeft gebouwd en van ca.1870 tot 1909 bij de H.IJ.S.M. als architect en opzichter werkzaam was. Kenmerkend voor het station in Lisse is de ver doorgevoerde asymmetrie en het afwisselende materiaalgebruik (baksteen, natuursteen en houtwerk).

De lijn Haarlem-Leiden werd in 1842 aangelegd. Landgoedeigenaren kregen het voor elkaar om de lijn op een (voor hun) zo gunstig mogelijke plek aan te leggen. De toenmalige eigenaar van het landgoed Venenburg, ten noorden van Lisse, had bij de HIJSM zelfs een eigen stopplaats bedongen. Het zou vervolgens nog tot 1896 duren voordat de HIJSM eindelijk van deze stopplaats verlost was. Er was dus geen halteplaats vlak bij het dorp. Maar in 1891 werd een halte Delfweg aangelegd bij het Halfweg. De naam werd in 1896 gewijzigd in Lisse (code LIS). Pas in 1904-1905 verrees het stationsgebouw iets ten zuiden van de halte Delfweg.

In het jaar 1904 vindt een rigoureuze aanpassing van de situatie op dit gedeelte van het terrein rond de spoorbaan plaats. Van douarière Van Pallandt-Steengracht van Oostcapelle worden door de Spoorwegen gronden verkregen voor de bouw van een station. Er volgt een omlegging van wegen en sloten. Dit verklaart ook het wat merkwaardige traject van de Stationsweg met de bochten vlak voor de spoorwegovergang.

Het gebouw is voorzien van wachtruimtes der eerste, tweede en derde klasse, een plaatskaartenkantoor met loketten en een bovenwoning voor de stationschef. Het aardige is dat er ook nog heel specifieke details te zien zijn die verwijzen naar de bloembollencultuur. Op de bogen in de hal zijn afbeeldingen te zien van narcissen en tulpen. In een bijgebouwtje was vroeger het toilet. In 1905 werd het station in gebruik genomen. Het oude station Delfweg kreeg weer haar oorspronkelijke bestemming van baanwachterswoning.

Einde spoorwegfunctie

In september 1944 ( de grote spoorwegstaking in de 2e wereldoorlog) werd de halteplaats gesloten. De wachtkamer 3e klasse deed in die tijd nog dienst als noodwoning. Na de oorlog werd de halteplaats uit de dienstregeling geschrapt. Door de grote afstand tussen Lisse en het station werd er te weinig gebruik van gemaakt door reizigers. In 1970 was het ook gedaan met de stopplaats voor het goederenvervoer. Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw stopten er in het voorjaar nog treinen voor bezoekers van de Keukenhof. De stopplaats ‘Lisse-Keukenhof’ was gedurende het bollenseizoen druk bezocht. Het noodperron van station Lisse is voor het laatst (90-er jaren) gebruikt door Lovers Rail om reizigers voor de Keukenhof af te zetten.

Einde bemoeienis met station

Omdat de NS het stationsgebouw wilde verkopen en John Nederstigt en de Stichting Oud Lisse niet ingingen op de aangeboden verkoopprijs van €400.000, heeft op 23 mei 2008 de Stichting Kasteel Keukenhof het station Lisse voor €350.000 gekocht van NS.
Na deze aankoop van het station van NS bleek dat de Stichting Kasteel Keukenhof eigen plannen had met het station. Mede gezien ook het feit dat de Stichting Oud Lisse haar doelstelling (renovatie en onderhoud van het station) had bereikt, heeft de Stichting Oud Lisse besloten de onderhuur aan het restaurant en haar verplichting tot onderhoud van het pand per 1 januari 2011 over te dragen aan de nieuwe eigenaar Stichting Kasteel Keukenhof. In het pand is nu restaurant “het Tussenstation” gevestigd. Gelukkig zijn in het interieur de specifieke details, zoals de tulpen en narcissen in de stenen bogen, nog steeds te bewonderen.

3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming

Het bollenbedrijf was nog volop in bedrijf

Het bollenschuur complex van Driehuizen dat aan de Heereweg Noord staat tussen de villa’s Rutsbo en Somalo is door toedoen van de Ver. Oud Lisse een Rijksmonument geworden. Oorspronkelijk was het de bollenkwekerij het ‘Hollandse Bloembollen Huis’, bestaande uit een BOLLENSCHUUR met aangebouwd KANTOOR. Het ensemble is gebouwd in 1922, in opdracht van de firma Gebr. Driehuizen, naar een ontwerp van de in de bollenstreek bekende architect Leen Tol uit Lisse. Het complex is gebouwd in een stijl die verwant is aan de architectuur van de Nieuwe Haagse School, een strakke variant van de Amsterdamse School. De grote schuur is van het type bollenschuur met vide. Van dit type komen nog enkele in de Bollenstreek voor, maar deze hebben niet meer hun oorspronkelijke functie. Dit kwekerijcomplex is sinds 1981 niet meer als zodanig in gebruik.

Het heeft sindsdien gefungeerd als onderkomen voor antiekhandel van Damme. Projectontwikkelaar Hillgate Properties en Bouwbedrijf Huib Bakker maakten in 2008/2009 in de schuur 27 twee-, drie- en vierkamerwoningen, waarbij de karakteristieke kenmerken van het gebouw behouden bleven. De gigantische bollenschuur is een Rijksmonument. Het was dus van belang dat de oorspronkelijke uitstraling zoveel mogelijk intact zou blijven, terwijl de bollenschuur toch moest worden aangepast aan de moderne wooneisen. Daarom vond nauw overleg plaats met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Het schitterend atrium, waar de woningen omheen liggen, is natuurlijk bewaard gebleven. De appartementen konden via een starters subsidie worden gekocht. Het voorste gedeelte van het complex is het voormalige kantoorgedeelte. Ook dit werd omgevormd tot woning. Hier is nog  een glas-in-lood ingevulde lichtkoepel, een vloer met decoratieve betegeling en er zijn nog deels met originele tegels beklede wanden. In april 2013 kreeg het kantoorgedeelte van het complex de erepenning van Vereniging Oud Lisse toegekend. Rondom het complex is nieuwbouw gerealiseerd.

(hierbij illustratie glas-in-lood, tegel, oude ontwerptekening van tol)

4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191

Archeologisch onderzoek 2014. Bij het archeologisch onderzoek na de sloop vond men sporen van prehistorische akkers op dit perceel.

Een andere zaak was het z.g. witte pand op de Heereweg. Onze vereniging heeft in 1999 het vorige college van B&W (in casu wethouder F.W.H.P. Prins destijds verantwoordelijk voor het Monumentenbeleid) er van overtuigd het pand toen beschermwaardigheid te bieden door het op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Het college heeft de beschermwaardigheid van het pand echter weer opgeheven t.b.v. nieuwbouw, door het pand in december 2003 weer van de gemeentelijke monumentenlijst af te voeren, gebruik makend van een zeer summier uitgevoerde verkenning door een ingehuurde bouwhistoricus. Een aanbod voor een gratis en grondig bouwhistorisch onderzoek door onze vereniging werd botweg geweigerd. Dit pand, de oudste woning van Lisse uit de 17e eeuw, is indertijd opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MiP). Het was geen Rijksmonument, maar het was wel een zeer bijzonder pand met oude tongewelven uit de 17e eeuw en inwendig voorzien van diverse oude 18e -eeuwse tegels . Zie schilderij van Carl Daudeij hieronder. De Vereniging Oud Lisse en de Bond Heemschut hebben helaas zonder resultaat diverse juridische procedures ondernomen om te trachten dit object te beschermen tegen een geplande sloop. Nu staan daar nieuwe gebouwen gebouwd in een enigszins “oude klassieke stijl”.

5. De sloop van villa Rozenheim

Rond 1995 stonden er twintig panden in Lisse op de nominatie voor de selectie voor aanwijzing als jong rijksmonument. Door de gemeente werden zij geplaatst op de “concept-Indicatieve Lijst”. Deze lijst was de neerslag van een eerste (landelijke) inventarisatie van panden uit de periode 1850 – 1940 die mogelijk in aanmerking zouden komen voor bescherming als jong monument. Van dit initiatief is niet veel terecht gekomen. De definitieve selectie bleef uit en wie de (mogelijke) monumentenstatus hinderlijk vond voor zijn bezit, had zo alle kans om tot sloop over te gaan. Ook villa Rozenheim stond op de lijst en trof dit lot. Het pand werd na enkele jaren leegstand en verloedering plotseling en onverwacht rond de jaarwisseling van 1996/1997gesloopt.
Villa Rozenheim (Heereweg 276) werd in 1881 gebouwd. In 1887 wordt een nieuwe bollenschuur van 3 verdiepingen gebouwd. In 1906 wordt het geheel gekocht door Frederik Franciscus Bernardus de Meulder van het sinds 1898 bestaande bollenexportbedrijf Fred. De Meulder. Oude catalogi van de firma vermelden als adressering Fred. de Meulder Rozenheim nurseries Lisse. Na zijn overlijden blijft het pand tot 1976 in eigendom van zijn weduwe A.W.A. de Meulder-Takkenberg. Na de sloop van de villa verrees op deze plek het ”glazen huis” van architect Wiel Arets.

6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”

 

T.b.v. de aanleg van een rotonde op de hoek Zwarte Laan/Heereweg/Meer en Duin, wilde de provincie ZH de villa “Wildlust” slopen. Het was een karakteristiek pand en de plek had een heel oude historie (zie hieronder). Hoewel dit pand, zowel door de Monumentencommissie en ook door de VOL bouwkundige werkgroep als Gemeentelijk monument werd gewaardeerd, wilde het College zich om politieke redenen helaas bij de provincie niet inzetten voor het behoud van deze historische villa en werd de villa in 2008 niet in de lijst Gemeentelijke monumenten opgenomen.
De eigenares mevr. De Regt (toen 86 jaar) wilde in 2007 niet weg en daarom is de provincie een onteigeningsprocedure gestart. In eerste instantie werd geprobeerd dit pand op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten te zetten, maar Provincie en ook Gemeente Lisse wilden niet meewerken en ook is uiteindelijk de eigenares met de aanwijzingsprocedure tot Gemeentelijk monument gestopt.

In maart 2009 werd de villa met instemming van de Gemeente Lisse door de Provincie ZH gesloopt i.v.m. de aanleg van de rotonde, ondanks de herhaalde inzet van de Ver. Oud Lisse voor het behoud van dit monumentale pand. Ook het Cuypers genootschap werd door de Gemeente niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar (geen belanghebbende).Deze riet­gedekte Bollenvilla “Wildlust”, gebouwd omstreeks 1923, was gaaf en representatief voor de regio­nale geschiedenis van de bloembollenteelt en karakteristiek vanwege de situ­ering (gelegen aan doorgangsweg en omgeven door tuin met bomen en achter­land).

De provincie had in het kader van het Monumenten Selectie Project ten behoeve van aanwijzing als rijksmonu­ment, de villa bij gebrek aan voldoende waarden niet geselecteerd.
De Provinciale Adviescommissie Monumenten had eerder in 2004 in het kader van de aanleg van de onderhavige rotonde, het cultuurhistorisch belang van de villa met tuin getoetst aan de hand van de toetsings- en selectiecriteria voor aanwijzing als provinciaal monument. Geconcludeerd werd dat het niet aan deze criteria voldeed.

Oorspronkelijk waren er achtereenvolgend 3 verschillende huizen die de naam Wildlust droegen. De gesloopte villa was het derde huis met die naam.

In de 18e eeuw bestond Wildlust nog niet. Toen stond daar een boerderijachtig pand

De buitenplaats “Wildlust” was rond 1800 gebouwd en is op 2 augustus 1814 gekocht door “de Heer Casparus Henricus Wolff , chirurgijn en apothecar” te Lisse. (zie ‘t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg , blz. 61). Op 30 jan. 1819 koopt de heer Jacob Coenraad Temminck, een verdienstelijk dierkundige en later directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, van de eigenaar Casparus Henricus Wolff, de buitenplaats Wildlust voor 1000 Gulden.

De heer Temminck trouwt met de dochter van Marinus Smissaert, die in die tijd eigenaar was van Veenenburg. De heer Temminck overlijdt op 30 januari 1859 op 79 jarige leeftijd, en zijn weduwe blijft op Wildlust wonen tot haar dood in 1865. Haar tweede zoon Marinus Temminck, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd, verhuurt Wildlust aan Baron Snouckaert van Schauburg.

Marinus Temminck heeft het oude Wildlust gesloopt en vervangen door het landhuis Wildlust. Omstreeks 1890 verkoopt Marinus Temminck, het landhuis Wildlust aan de Graaf van Lynden (Meneer Jan), gehuwd met Gravin van Palland die later Keukenhof erft . Zij wonen er tot 1923, dan gaan ze naar Keukenhof. Cornelis Marinus Grullemans woont sinds 1900 tegenover Wildlust op de Heereweg 19, met bollenland erachter. In 1905 huurt Grullemans grote stukken land van de Graaf en in 1923 koopt de heer Grullemans het landhuis Wildlust en breekt het verwaarloosde huis tot de grond toe af. Hij maakt bollenland van het vroegere landgoed Wildlust.

Zijn zoon Karel (Cees) trouwde met Annie Speelman op 12 Mei 1925. Vader Grul laat op de hoek van het land van Grullemans een huis bouwen voor het stel: “Villa Wildlust”.

7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen
1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De zemelpoldermolen na de herbouw

Op 4 november 1999 werd door jongeren de Zemelpoldermolen in brand gestoken. Zie foto’s hieronder.

Met de melding van de vermoedelijke namen van deze vandalen heeft de Gemeente Lisse helaas niets gedaan.
Deze molen was oorspronkelijk een Rijksmonument. Een werkgroep o.l.v. buurtbewoner Hans Kok en Piet Balkenende heeft er samen met de Ver.Oud Lisse voor gezorgd dat de molen weer helemaal werd hersteld. De gemeente Lisse heeft een groot deel van deze kosten op zich genomen. Via allerlei inzamelacties heeft de werkgroep een substantieel deel aan de kosten kunnen bijdragen. Toch kreeg de molen door de vele vernieuwingen die in de molen zijn uitgevoerd niet meer de Rijksmonumenten status. De molen is wel een gemeentelijk monument.

8 Uitreiking van de penning

Naast het pogen om waardevolle panden van de sloop te redden werd ook ingezet op het waarderen
van initiatieven om waardevolle panden te behouden en verantwoord de restaureren. Het is een goed gebruik jaarlijks een pand te waarderen met een penning. Eerst hadden we penningen van de vereniging Hendrick de Keyser, de bekende Amsterdamse stadsarchitect , o.a. van de Westerkerk. Sinds 1992 reikt “Oud Lisse” penningen uit en zijn diverse panden door de vereniging geëerd.

De VOL erepenningen worden inmiddels al jaren gemaakt door Frans en Truus van der Veld.

Hoe kwam nu zo’n uitreiking tot stand. In de krant van april 1994 staat een artikel met in de kop Kanaalstraat 117, een sieraad in Lisse. De vereniging heeft dan net afspraken gemaakt voor de restauratie van het station. Dat is niet het enige aandachtspunt. Om de krant de citeren: “Uiteraard kijken de leden regelmatig rond in het dorp. Hun aandacht werd getroffen door een fraai gerestaureerd pand aan de Kanaalstraat 117”. Dat het pand opviel was niet verwonderlijk. Renate de Zwart, haar toenmalige partner en familie hebben maar liefst anderhalf jaar geklust. Een initiatief om met de penning van de vereniging te waarderen. Het pand dateert uit 1902. Bij de verkoop werd gesteld “verkeert nog in de oorspronkelijke staat”. Of dat als aanbeveling bedoeld was blijft de vraag, maar de kopers zagen een uitdagende klus voor zich. Helemaal oorspronkelijk was het huis ook niet, het oorspronkelijke aanzicht was niet helemaal terug te halen. De voorgevel bleef de oude indeling behouden.

Renate de Zwart, hoeveel stenen nog te gaan?

Wanneer je nu naar de woning kijkt heb je geen idee wat een gigantisch project het indertijd was om die voorgevel dat oorspronkelijke uiterlijk te laten behouden. De hele gevel werd eerst afgebroken. De oorspronkelijke stenen werden afgebikt waarna de voorgevel weer opgemetseld kon worden. In de afbraakperiode werd een briefje bezorgd met de vraag: “In de gevel van dit huis is een tegel geplaatst met de tekst ‘de eerste steen is gelegd door Marijtje van Houten….als u geen prijs stelt op de steen zou ik hem graag hebben omdat Marijtje van Houten mijn moeder was ”.

Renate de Zwart op de steiger tegen Kanaalstraat 117

Spijtig voor de dochter, maar de steen zit nog in de gevel. De dochter van Marijtje heeft een briefje gehad dat de steen netjes opgeknapt zou worden. In de hoop dat ze er nog vaak langs zou lopen en de steen dan zou kunnen zien. Dat kunnen we nu nog steeds. De steen zit naast de voordeur. Die gevel was maar een deel van de enorme restauratieklus die heel veel vrije uren en vakantiedagen heeft gekost. Het huis ziet ver perfect uit en is een voorbeeld van een pand dat gelukkig door enthousiaste mensen behouden is gebleven en op die manier onze plaatselijke geschiedenis levend houdt. En heerlijk wonen midden in het dorp. Op onze jaarvergadering zal opnieuw een initiatief voor een stijlvolle restauratie beloond worden met een penning!

8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004

Zie artikel van Guus Maas Geesteranus in die periode secretaris van de Vereniging Oud Lisse.

9. Hofje van Six blijft bestaan

Het hofje in oude tijden

Er is vanaf 2001 al heel wat te doen geweest over het Hofje van Six, genoemd naar de in 1741 door Jonkheer Pieter Six aan de diaconie geschonken fundatie voor de armen.

De panden van het “Hofje van Six”, inclusief het oorspronkelijk bij het hofje behorende sigarenmagazijn “Juliaantje” (Kanaalstraat 44), waren in 2001 aangewezen als gemeentelijk monument. Tegen dit besluit heeft de diaconie zich toen niet verweerd en ook geen beroep ingediend.
Wel heeft de eigenaar van Kanaalstraat 44 zich toen verweerd waarop de rechtbank in 2003 uitsprak dat de monumenten aanwijzingsprocedure door de gemeente niet correct was uitgevoerd , waardoor het pand op verzoek van de projectontwikkelaar in 2006 gesloopt werd en door een hoog pand (winkel met een appartement erboven) werd vervangen. De sloop van de resterende woningen van het hofje om de nieuwbouwplannen van de diaconie te realiseren dreigde toen ook.

 

De Vereniging Oud Lisse protesteerde en Mien Dol, die nog de enige bewoonster is van een van de 5 resterende hofjeswoningen van het Hofje van Six, (Kanaalstraat 34), verzamelde 500 protest handtekeningen! Maar de rechter bepaalde in 2010 dat het hofje door de bouw van het hoge pand er naast, niet meer monumentwaardig was en gesloopt mocht worden. De gemeente Lisse moest toen alsnog een sloopvergunning voor de hofjeswoningen afgeven aan de diaconie. De onderhandelingen van de diaconie met de gegadigden voor het hofje met de sloopvergunning verliepen echter moeizaam doordat door de economische crisis de een na de andere projectontwikkelaar afhaakte. Omdat de biedingen steeds lager werden hakte de diaconie de knoop in 2016 door om de bestaande hofjes woningen met het verkoopbedrag van Mien Dols pand grondig op te knappen omdat er genoeg belangstelling is voor de 4 hofjeswoningen. Mien Dol kon haar geluk niet op: “Ik ben de gelukkigste vrouw van Lisse” . Ook al zou ze na haar aanhoudende strijd tegen de sloop van het hofje niet meer in haar pand mogen wonen, dan nog is ze voor Lisse heel blij dat het karakteristieke Hofje van Six nu blijft behouden. Daar heeft Mien samen met de Ver. Oud Lisse jaren voor geknokt!

Terug naar info Over de VOL

DE ONDERGANG VAN HET BOLLENLABORATORIUM

Guus Maas Geesteranus,oud bestuurslid, vemeldt alle wetenswaardigheden rondom de sloop van het Laboratorium voor Bloeembollenonderzoek.

Door Guus Maas Geesteranus

Dit artikel staat gedeeltelijk in het Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

 De oude Romeinen hadden er al een gezegde voor: Sic transit gloria mundi.

Zo vergaat ’s werelds roem. Wat was er aan de hand?

Op 2 december 2003 besluit het College van B&W van Lisse het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te schrappen van de gemeentelijke monumentenlijst, waarop het pand sinds 1999 stond. Toen namelijk bekend werd dat de bloembollenveiling CNB Lisse dreigde te verlaten, heeft de gemeente in haar streven om het bedrijf binnen de gemeentegrenzen te behouden, CNB een leeg en vlak terrein aangeboden, terwijl daar genoemd gemeentemonument opstond. Zowel de Monumentencommissie als de Vereniging Oud Lisse maken bezwaar hiertegen en adviseren de gemeenteraad niet in te stemmen met het besluit, het pand op de lijst te laten staan en niet te laten slopen.

Het bezwaar berust op twee argumenten: cultuurhistorisch en bouwhistorisch.

Cultuurhistorie

Egbertus van Slogteren,
(*1888-†1968)

In het begin van de vorige eeuw had de bloembollensector te kampen met ziektes in verschillende bolgewassen. De handel in narcissen naar Amerika stokte, omdat men daar bevreesd was voor import van plantenziektes. De bollenstreek ervoer deze handelsstop als een enorm probleem. In overleg met Ministerie van Landbouw werd besloten in Lisse een laboratorium voor bloembollenonderzoek te bouwen, in te richten en te bemannen, onder leiding van de Wageningse hoogleraar van Slogteren. In dit laboratorium kon worden aangetoond dat de plantenziekte van de narcis geen bedreiging kon zijn voor de Amerikaanse markt. Hierop herleefde de handel met Amerika. Daarnaast ontwikkelde het lab methoden van behandeling en keuring van verschillende bolgewassen waarmee exportkwaliteit kon worden gegarandeerd. Ook de Japanse markt kon aan het eind van de vorige eeuw geopend worden doordat de sector zo’n keuringsdienst bezat. Men kan dus zeggen dat de huidige bloembollensector zijn bestaan heeft te danken aan de ontwikkelingen die in het lab tot stand zijn gekomen.

Bouwhistorie

Laboratorium voor Bloembollenonderzoek

Het ontwerp van het lab is van Rijksbouwmeester C.J. Blaauw en verwant met drie eerder door hem ontworpen laboratoria op het terrein van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Alle vier panden kunnen tot de zgn. Amsterdamse School gerekend worden. De drie laboratoria in Wageningen zijn tot rijksmonument verheven.

Op 18 december 2003 gaat de gemeenteraad akkoord met het schrappen van het lab van de monumentenlijst en de verkoop van het terrein aan CNB. Meteen de volgende dag vraagt de eigenaar van het pand, de Universiteit van Wageningen, een sloopvergunning aan, die enkele dagen later door de gemeente wordt verleend. Publicatie van de aanvraag in de Lisser is op 31 december, een dag waarop de oliebollen meer aandacht krijgen.

Alert reageert de Vereniging Oud Lisse (VOL) begin januari door een bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente tegen sloopvergunning en tegen het schrappen van het lab van de gemeentelijke monumentenlijst als ook een verzoek bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg om het pand aan te wijzen als rijksmonument. Het verzoek wordt in behandeling genomen waardoor de sloopvergunning voorlopig wordt geschorst tot de uitspraak heeft plaatsgevonden.

CNB blijft in Lisse

Het onderwerp heeft nu alle aandacht van de gemeenteraad en het VOL-bestuur krijgt de gelegenheid in de raadsvergadering van 29 januari 2004 zijn bezwaren toe te lichten. Ook VOL vindt het een goede zaak dat CNB als onderdeel van de bloembollenhandel behouden blijft voor de Duin- en Bollenstreek. Dit past binnen de doelstellingen van het Pact van Teylingen, een overeenkomst die ook VOL onderschrijft. Maar niet ten koste van een gemeentelijk monument. Pogingen om CNB te bewegen het gebouw op te nemen in hun bouwplannen zijn door het bedrijf afgewezen en door de gemeenteraad niet serieus besproken.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift wordt het VOL-bestuur uitgenodigd voor een hoorzitting (2 feb.) en een informeel gesprek met burgemeester en wethouder Schuijt (3 feb.). Op 4 feb. verklaart B&W beide bezwaarschriften ongegrond. Wel wordt de sloopvergunning ingetrokken (voorbescherming) omdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) het verzoek van VOL in behandeling heeft genomen. Op grond van de RDMZ-procedure wordt de Lissese gemeenteraad om zijn mening gevraagd. Die heeft zich laten adviseren door een onafhankelijke deskundige, ir. M. Verweij, adviseur op het terrein van gemeentelijk monumentenbeleid. Hij acht het voormalig laboratorium van historisch en architectonisch belang en bepleit het gebouw in enigerlei vorm te behouden.

In verband met de lopende procedures stopt CNB de voorbereidingen voor de nieuwbouw op het aangeboden terrein en geeft de gemeente gelegenheid om uiterlijk 1 september 2004 met een visie te komen als het voormalig bloembollenlaboratorium een rijksmonument wordt. Het bedrijf wil weten hoe de gemeente Lisse denkt zijn verplichtingen, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst, te kunnen voldoen.

Het lot bezegeld

In augustus 2004 wijst RDMZ het VOL-verzoek af, maar benadrukt dat het pand zeker de status van een gemeentemonument waard is. Met deze afwijzing staat de weg voor slopen en CNB-nieuwbouw open als niet een nieuwe partij op het toneel verschijnt. Onafhankelijk van VOL dient het Cuypersgenootschap (Vereniging tot het behoud van negentiende- en twintigste-eeuws cultuurgoed in Nederland) een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van RDMZ en tegen de sloopvergunning van gemeente Lisse. Ook dit bezwaarschrift wordt in februari 2005 afgewezen.

Daarmee is het lot van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek definitief bezegeld en blijkt ook wat eens ’s werelds roem was vergankelijk kan zijn.

 

We ontvingen n.a.v. dit artikel een reactie van de heer Maarten Timmer.
Hij schrijft:

Maas Geesteranus schrijft een boeiend verhaal over de ‘ondergang’ van het LBO en besteedt ook aandacht aan de stichting ervan. De ironie van de geschiedenis wil dat de aanleiding niet was dat het buitenland Nederlandse narcissen wilde weren vanwege de import van plantenziekten maar dat het juist de Nederlandse telers waren die de import van buitenlandse bloembollen wilde belemmeren, althans binden aan een ‘keuring door een officieel deskundige’. Het was een voorstel van de afdeling Sassenheim aan de algemene ledenvergadering van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) die op 19 mei 1916 plaatsvond. Ze kwamen daartoe omdat het aaltjesziek in vooral uit Engeland geïmporteerde narcissen daar vreselijk huishield. Niet alleen daar, de hele Zuidelijke Bollenstreek leed eronder. Voorzitter van de AVB Ernst Krelage was beducht dat als dit voorstel zou worden aangenomen het buitenland tegenmaatregelen zou nemen in de vorm van exportbelemmeringen. Daarom haalde hij de angel uit de motie door voor te stellen eerst maar eens onderzoek te doen naar die ziekte. In die tijd was ir. K. Volkersz de rijkstuinbouwconsulent en directeur van de school en hij vatte in een lezing op 26 juni 1916 voor 150 belangstellenden de stand van zaken samen en kwam tot de conclusie dat het beste was aan de minister van Landbouw te vragen een phytopatholoog in de Bollenstreek aan te stellen voor nader onderzoek. Hij had zo’n constructie al in 1914 besproken met de prof. J. Ritzema Bos, directeur van het Instituut voor Phytopathologisch Onderzoek (IPO), onderdeel van de Wageningse Rijks Hogere Land- Tuinbouw en Boschbouwschool (RHLTBS). Die onderzoeker zou dan ruimte krijgen in de school. Door bezuinigingen op de rijksbegroting ging het toen niet door. Maar nu trokken Krelage en Volkersz samen naar Den Haag en wisten nu wel geld los te krijgen. Omdat Ritzema Bos niet zo gauw een onderzoeker kon vinden schakelde Krelage zijn netwerk in. In die tijd was hij ook secretaris van het bestuur van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten waarvan prof Went voorzitter was (ook wel de ‘paus ‘van de Nederlandse botanie genoemd). Hij gaf Krelage een lijstje met vijf geschikte kandidaten en daaruit pikte in januari 1917 Ritzema Bos E. van Slogteren uit. Na zijn promotie (cum laude) op 29 maart werd hij op 12 april 1917 aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar bij het IPO en gedetacheerd in Lisse. In maart 1918 ‘promoveerde’ de RHLTBS tot Landbouwhogeschool en die LH kreeg in 1920 de benodigde gelden van het ministerie om een Laboratorium voor Van Slogteren in Lisse te bouwen.

Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in vol ornaat, tussen bollenvelden en de proeftuinen naast de net zo vermaarde Rijkstuinbouwschool. Rechts zien we hoe op 17 februari 1928 de brandweermannen hun best doen om de brand te blussen. Twee jaar later was de schade pas hersteld en op 13 februari 1930 was de feestelijke heropening.