2007 het Jaar van de Molen

door R.J. Pex

De wipwatermolen in de Lageveense Polder: ‘om duinwater te verwinnen’
In de Lageveense Polder, aan de overkant van de Leidsevaart, staat een wipwatermolen. Hij bevindt zich aan de spoorbaan, maar oorspronkelijk was hij gelegen aan de Leidsevaart. Onze verslaggever ontdekte dat er hier al een watermolen stond in 1650!

De wipwatermolen maakt deel uit van het landgoed Wassergeest. In het boek Wassergeest te Lisse leest u meer over de geschiedenis van dit nog bestaande landgoed. Toen de Lageveense Polder in 1652 werd gesticht, bestond het molentje al. In die beginjaren van de polder ondervond men veel overlast van zogenaamd kwelwater wat vanuit het Keukenduin in de polder terechtkwam. Deze overlast was zodanig dat “de molen niet machtig is de landen behoorlijk boven het water te houden”. Een groot gedeelte van het jaar moest “de molen malen om het voorschreven duinwater te verwinnen”. Een en ander speelde zich reeds in 1652 af, zodat we kunnen aannemen dat de Lageveense Watermolen toen al bestond. Overigens is die wateroverlast nog lang zo gebleven.

Aanleg Leidsevaart, 1657
Vijf jaar later wordt de Leidsevaart aangelegd. Het jaar daarvoor – in 1656 – werden reeds de daartoe benodigde gronden onteigend. Van de te onteigenen percelen is toen ook een kaart vervaardigd. Zoals we zien bevond de molen – toen al een eenvoudige wipwatermolen – zich op perceel nummer 214 dat eigendom was van Gerrit Symonsz. De molen grensde aan een slootje dat langs de Vaert Weg liep. Het tracée van de nieuwe vaart is reeds aangegeven. Deze loopt oostelijk van laatstgenoemde weg en loopt dus dwars door het perceel waarop het molentje getekend staat. Deze zal na 1657, het jaar waarin de Leidsevaart gereedkwam, dan ook wel verplaatst zijn. Aan de overzijde van de Vaert Weg bevindt zich op het grondgebied van Noordwijkerhout ook een molen. Deze is nog steeds aanwezig.

De wipwatermolen op een foto uit 1950

Een nieuwe molen, 1815
Op 16 juni 1815 wordt er door de Lissese notaris Cramerus publiek verkocht “de Afbraak der Laage Veenschen Polders Watermolen” op verzoek van “Jan Warmerdam en Dirk van der Hulst, beiden woonende te Lisse, als Poldermeesteren des Lageveenschen Polders onder Lisse”. De totaalopbrengst bedraagt 130 gulden en 17 stuivers. Indien de molen niet tussentijds herbouwd is, heeft hij dus bestaan vanaf circa 1650 tot 1815, dus ongeveer 165 jaar. Er kwam een nieuwe wipwatermolen. Deze moest echter in 1842 weer verplaatst worden, toen de spoorweg werd aangelegd. En weer kwam de molen dus een stukje oostelijker te liggen, evenals in 1657.

Brand, 1890
In het Leidsch dagblad van 28 juli 1890 lezen we dat de molen in de Lageveense Polder in de brand was geraakt door de vonken van een passerende locomotief. Maar ook nu kwam er gewoon weer een nieuwe molen. Of dat de huidige bestaande molen is, of dat er na 1890 weer een nieuwe molen is gekomen is mij helaas niet bekend.

Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief, Notarieel Archief Lisse, inv.nr. 5347, akte 44. Akte van 16 juni 1815. A.M. Hulkenberg, Keukenhof, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), p. 59.

Laat ze allemaal de cholera krijgen!

door drs. Maarten van Bourgondiën
Inleiding
In de negentiende eeuw was de kermis voor een hoop mensen een mooie gelegenheid om de zorgen van het dagelijkse bestaan even te vergeten en met zijn allen een week lang feest te vieren. Veel Lissenaren keken dan ook uit naar dit jaarlijks terugkerende evenement. Er werd zelfs zoveel waarde aan gehecht, dat het niet doorgaan van de kermis tot sociale onrust kon leiden. Je moest als dorpsbestuur dan ook een heel goede reden hebben om de jaarlijkse kermis te verbieden. In 1833 dacht het gemeentebestuur van Lisse zo’n goede reden te hebben. In verband met de cholera besloot men dat jaar namelijk de kermis te verbieden. Het zal geen verbazing wekken dat dit besluit niet bij iedereen in goede aarde viel. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de reactie van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van herbergier Arie van Leeuwen.

Cholera-epidemie
In de jaren 1832 en 1833 werd Nederland getroffen door cholera-epidemieën. Deze besmettelijke ziekte maakte veel slachtoffers.
Op de Lissese gemeenteraadsvergadering van donderdag 5 september 1833 werd na een lange discussie dan ook unaniem besloten om de kermis wegens de “heerschende ziekte in deze anders zo welvarende gemeente” niet door te laten gaan. Temeer ook omdat inmiddels “één haarer verdienstelijkste ingezetenen” aan deze ziekte was overleden. [1] Het ging hierbij om Jurriaan Vreeburg.
Via een advertentie in de Haarlemmer Courant werden alle kramers op de hoogte gesteld van het feit dat de Lissese kermis dat jaar geen doorgang kon vinden. In Lisse werd dit besluit onder andere via her en der in het dorp opgehangen aanplakbiljetten aan de bevolking kenbaar gemaakt. Eén van die aanplakbiljetten werd bevestigd op een bord bij de herberg van Arie van Leeuwen. De naam van zijn herberg is (nog) niet bekend, maar mogelijk was het De Witte Zwaan in het Vierkant. Arie was getrouwd met Wilhelmina Rademaker. Zij kregen voor zover bekend één dochter: Maria van Leeuwen, geboren op 27 juni 1833.
Wilhelmina Rademaker was zeer verbolgen over het besluit om de kermis niet door te laten gaan. Zij liet dat ook in niet mis te verstane bewoordingen weten aan veldwachter Anthonie van Opzeeland, zoals blijkt uit het onderstaande proces-verbaal. Ik heb de oorspronkelijke – en toch wel zeer vermakelijke – tekst zoveel mogelijk gehandhaafd. Ter verduidelijking heb ik hier en daar tussen vierkante haken wat extra uitleg toegevoegd.
In het jaar achtienhonderd drie en dertig op maandag den sestiende der maand September, des voormiddags ten tien uren, compareerden voor ons, Ernst Joseph van den Bergh, burgemeester te Lisse, den persoon van Anthonie van Opzeeland, oud 42 jaar, veldwachter dezer gemeente en alhier wonende; dewelke zich aan mij heeft verklaard als volgd:

Herberg De Witte Zwaan in 1834, met geheel rechts aan de muur het bord waarop de aanplakbiljetten met besluiten van het gemeentebestuur werden gehangen
“Eergisteren namiddag omstreeks vijf uren is mij het volgende aan het huis van den tapper en Herbergier Arie van Leeuwen ontmoet en wedervaren [overkomen]: binnengetreden zijnde om een zieke Militair in het voor hem bestemde rijtuig te helpen, Heeft, náá dit te hebben verrigt, de vrouw van gezegde Arie van Leeuwen, in zijne tegenwoordigheid, mij dus, op hooge toon, en met veel drift, aangesproken: Toon! Ik hoor dat het hier geen kermis wezen zal. Waarop ik antwoorden: Jaa vrouw van Leeuwen dat is zoo. Ik heb zelve de publicatie voor uw deur op het bord aangeplakt.
Waar op gezegde vrouw van Leeuwen, zich meerder en meerder in drift toegevende, mij toeriep: Dat donderd niet! Wij zullen toch kermis houden, dat komt van [door] die dondersche Brabander den Pastoor [Petrus van Halen, die overigens werd geboren in Weert] en van den Burgemeester. Waarop ik gezegde vrouw aangemaand heb bedaard te zijn en zich wegens het verbod op de kermis voorzichtig en stil te gedragen, want dat het niet houden der kermis in de Gemeenteraad besloten was.
Op welk waarschouwend gezegden gemelde vrouw met groote kwaadaardigheid uitriep: Dan mag ik lijden dat de Pastoor en de burgemeester en den geheelen raad donders worden en de cholera krijgen.
Ziende dat meergemelde vrouw, bijna in woede, voort wilden gaan haare gramschap in vloekende en scheldende uitdrukkingen tegens de Regering en de aangeplakte Notificatie (die aan haar huis op het bord met vuiligheid zich besmeerd bevind) teugel te vieren, hebbe ik haar huis verlaten. [2]
Of de Lissenaren in 1833 massaal het verbod op de kermis hebben ontdoken, heb ik niet kunnen achterhalen. Het bovenstaande laat echter duidelijk zien welke emoties een dergelijk verbod onder de bevolking los kon maken (zelfs wanneer er sprake was van een gevaarlijke situatie als gevolg van een besmettelijke ziekte). De woede van Wilhelmina Rademaker zal waarschijnlijk vooral zijn veroorzaakt door het feit dat zij en haar man Arie als uitbaters van een herberg nu extra inkomsten misliepen. De onvrede over het niet doorgaan van de kermis blijkt overigens niet alleen uit het vloeken en tieren van Wilhelmina, maar ook uit de opmerking van veldwachter Anthonie van Opzeeland dat het aanplakbiljet met daarop het besluit van de gemeenteraad met vuiligheid was besmeurd.
Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, blad 71.
[2] Ibidem, inv. nr. 1115 (ongefolieerd). Veldwachter Anthonie van Opzeeland was overigens niet van onbesproken gedrag. Op dinsdag 23 oktober 1838 werd hij in aanwezigheid van zijn vrouw Cornelia Brama door de gemeenteraad van Lisse voor de tweede maal op de vingers getikt omdat hij zich te buiten was gegaan aan sterke drank. Anthonie werd daarvoor “doorden voorzitter op de allerernstigste manier gecorrigeerd”; bron: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, fol. 9 (achterin het boek).

 

De woelige stal

door R.J. Pex

 

De boeiende historie van een boerderij in hartje Lisse

De voormalige boerderij De Woelige Stal, gelegen aan de Grachtweg behoorde toe aan de rooms-katholieke kerk. Ten tijde van de reformatie werd al het roomse grondbezit in beslag genomen en verkocht om met de opbrengst de zogenaamde “kerckendienaren” te ondersteunen in hun voornaamste levensbehoeften.

In 1636 wordt het gedeelte aan de Grachtweg verkocht aan Adriaen Maertensz Block. Block was “commandeur” geweest in de Molukken in dienst van de VOC. Later, in 1641, zou hij de bouwer worden van het huis Keukenhof. Bij bovengenoemde verkoop in 1636 is ter plaatse van de latere Woelige Stal reeds sprake van “seecker woninge, als huys, barch (hooiberg) ende geboomte daerop staende”. Reeds “op den laatsten Novembris 1636” verkoopt Block zijn aandeel in de gronden tussen de Grachtweg en de Broekweg weer door. Jan Janse Werkijn wordt dan de nieuwe eigenaar.

Diverse eigenaren, 1636-1722
Na het overlijden van Werkijn hebben zijn erfgenamen de woning aan de Grachtweg verkocht aan Hubert Quirinse Geel. Hij ging op zijn beurt een grondruil aan met dorpsgenoot Claas Adriaans van der Helder. Geel stond hierbij zijn huis aan de Grachtweg af en in ruil daarvoor verkreeg hij een huis met erf in het Oosteinde van Lisse (dus aan de noordkant van het dorp). Zo was dus Claas van der Helder vanaf 1698 de nieuwe eigenaar geworden van het huis aan de Grachtweg. Niet voor lang overigens, want negen jaar later verwisselt de woning weer van eigenaar en krijgt Jan Clase van Rode het huis in bezit.

Jan Clase
Jan Clase behoort tot een zeer omvangrijke familie die afwisselend Van Rode, De Roo of zelfs Van der Jagt of Ruijs wordt genoemd. Als Katholieke familie worden ze uitgebreid genoemd in het pas uitgebrachte werk over de parochianen van St. Agatha, 1687-1812. Jan Claesz van Rode was een zoon van Claes Jorisz, chirurgijn van beroep, en Crijntje Willemsdr Brelofsbergen. Hij huwde in 1699 met Catharina Cornelisdr Duyndam, maar deze kwam al spoedig te overlijden. Hij hertrouwde in 1706. In 1727 is Jan Clase overleden. Hij overleefde zijn vader slechts zes jaar. Het moet heel gewoon zijn geweest om voortdurend met leven en dood te worden geconfronteerd. De hygiënische omstandigheden waren nu eenmaal niet optimaal en voor vele ziekten bestonden nog geen medicijnen. Zo’n vijftien jaar heeft Van Rode genoten van zijn bezit. In 1722 bracht hij het weer in de verkoop. Als koper trad naar voren Otto Jacobse Kranenburg.

Bakker Kranenburg, 1722-1749
Kranenburg was bakker van beroep. Hij was in 1715 in het huwelijk getreden met Ariaantje Symons Hoogkamer. Daaruit waren zeven kinderen voortgekomen, waarvan er drie vroegtijdig overleden. Kranenburg zat er warmpjes bij. Hij had van zijn vader een en ander aan landerijen geërfd en ook van de kant van zijn vrouw waren bezittingen ingebracht. Zo bezat hij naast het huis aan de Grachtweg een drietal andere huizen. Een van de huizen had een erf met daarop een ovenhuis. Mogelijk zal Kranenburg dus hier zijn broodbakkersbedrijf uitgeoefend hebben. Ten behoeve van zijn dochter, Aagje, had hij in 1730 nog een huis met schuur en erf gekocht in het zogenaamde Oosteinde van Lisse. Aagje is er later een broodbakkerij begonnen en trad dus in de voetsporen van haar vader.

Gestolen zakken met rogge
Op 3 oktober 1736 heeft Otto Jacobse, als vader en voogt van zijn dochter Aagje, Jan Kluyt voor het gerecht gedaagd. Aagje had bij de korenmolen bij de Gracht zes zakken rogge doen brengen. Nadat deze door de molenaar, Adriaan Luk, waren gemalen werden de zakken klaargezet om te worden opgehaald. Voordat dat kon gebeuren had echter bakker Jan Kluyt er zijn ogen op laten vallen. Toevallig had hij het meel op dat moment hard nodig. Hij sprak dan ook met de molenaar af de zakken ’s nachts bij hem te bezorgen. Dat gebeurde inderdaad, maar er was verraad in het spel. Toen de molenaar diezelfde nacht weer terugkeerde en het erf opreed van zijn molen werd hij gearresteerd door een viertal personen. Luk kreeg een geldboete aan zijn broek en werd verbannen “uyt den Lande van Rijnland”. Bakker Kluyt kwam er beter vanaf. Hij hoefde slechts de waarde van de gestolen rogge te vergoeden aan Aagje Kranenburg, alsook de waarde van “de ses sakken selfs”.

In het krijt bij de schout
Inmiddels bevond Kranenburg zich in financiële problemen. Reeds in 1725 en vervolgens in 1733 en 1734 had hij in totaal zo’n f 6000,- geleend van schout Jacob van Dorp. De schulden stapelden zich daarna steeds meer op, want over het geleende geld moest uiteraard rente betaald worden en de grondbelasting moest hij ook nog zien op te brengen. En die was hoog, want Kranenburg bezat nu eenmaal aardig wat huizen en landerijen. Al gauw stond onze bakker dan ook diep in het krijt bij de schout. Hij slaagde er niet in het hoofd boven water te houden en in 1749 ging hij dan ook over tot de openbare verkoop van een groot deel van zijn bezittingen. Ook het huis aan de Grachtweg werd verkocht: “Een Huys ende Erve aan de Graftweg (…) met de kot ende een Hooibarg daer op staende”. Nieuwe eigenaar werd Jan van der Jagt.
Otto Jacobse Kranenburg overleed in 1773. Kranenburg stierf als een arm man. Hij liet een zeer schamele inboedel na, waarin slechts een paar voorwerpen als “een paar goude hembsknoope” nog lijken te herinneren aan de welstand van weleer. In totaal beslaat de opsomming van zijn bezittingen één enkele pagina. Aan “gereede penningen” is een bedrag van slechts twee stuivers aanwezig…

 

Bewoners
Inmiddels is niet duidelijk wie er zoal op de plek van de Woelige Stal woonden. Waren de diverse eigenaren van het huis tevens bewoner? We weten het niet. Slechts één enkele maal lezen we de naam van een bewoner, namelijk die van Leendert Pieterse Wassenaer. In 1728 was hij in het huwelijk getreden met Trijntje Jansdr van Rode, zodat we na lange tijd de familie Van Rode toch weer aantreffen aan de Grachtweg. Trijntje heeft Leendert vijf kinderen geschonken, waarvan er waarschijnlijk twee jong zijn overleden. Na haar vroegtijdige dood in 1736 hertrouwde Leendert met Maria Dirksdr van Beijeren. Leendert is in 1774 overleden, zijn tweede vrouw in 1776.

De familie Van der Jagt, 1749-1817
We hebben reeds vernomen dat in 1749 Jan van der Jagt de nieuwe eigenaar was geworden van het huis aan de Grachtweg. Van der Jagt was reeds schout van Voorhout. Later, na het overlijden van de Lissese schout en secretaris Jacob van Dorp in 1746, kreeg hij er ook het schout- en secretarisambt van Lisse bij. Zo was dan Van der Jagt een vermogend man geworden. We zien hem dan ook overal in de omgeving van Lisse, Hillegom en Voorhout en zelfs in Haarlem huizen en gronden aankopen, daar dit immers als een goede geldinvestering werd gezien. Maar waar woonde hij nu in deze periode? Gedurende de laatste levensjaren van de vorige schout van Lisse, Van Dorp, had Van der Jagt bij hem, op diens fraaie buitenplaats Mossenhof (tegenover de kerk aan de Heereweg), ingewoond. Waar hij na de dood van Van Dorp in 1746 heeft verbleven, hebben wij helaas niet kunnen achterhalen. Mogelijk was hij op Mossenhof blijven wonen, dat hij inmiddels zelf aangekocht had. De latere Woelige Stal zal waarschijnlijk verhuurd zijn geweest, maar aan wie is onbekend. Reeds in 1754 maakt hij te Rotterdam zijn testament op. Hij legateert hierin aan zijn jongste broer Maarten zijn bezit aan de Grachtweg. Op 31 december 1762 kwam de Lissese schout en secretaris te overlijden en trad Maarten van der Jagt in het bezit van het bovengenoemde goed. Deze werd na zijn dood in 1787 opgevolgd door Cornelis van der Jagt. Van deze persoon weten we dat hij tevens bewoner is geweest van de latere Woelige Stal. Bovendien wordt hij bij verschillende gelegenheden ook aangeduid als “Bouwman”, dus boer, waardoor we dus kunnen stellen dat het door hem verworven bezit aan de Grachtweg in deze periode de functie had van boerenbedrijf.
In 1817 heeft Van der Jagt zijn boerderij aan de Grachtweg verkocht aan Simon Langeveld. De familie Langeveld zullen we hier tot 1900 aantreffen.

De woelige stal begin 20e eeuw. Groepsfoto genomen vanaf de Grachtweg. Van links naar rechts: Catharina (1904-1943), Johanna en Jacobus Warmerdam (1906-1930). (Coll. J. Langeveld te Lisse.)

 

Drieëntachtig jaar Langeveld
Simon Langeveld was geboren te Aerdenhout in 1774. Hij huwde met Catharina van der Pol op 17 april 1817 en betrok de boerderij aan de Grachtweg. In het bevolkingsregister over de jaren 1830-1840 staan een zestal kinderen vermeld op huisnummer 159, namelijk Johannes, Jacobus, Petrus Johannes, Maria, Geertruida en Simon. Verderop in de straat richting de korenmolen woonde op nummer 158 Dirk Houwaard, gevolgd door Batha Roelofswaard. Op nummer 156 woonde molenaar Jan Jacobus van Rhijn. Daarnaast woonde metselaar Pieter Veldhoven met gezin, koopman Gerrit Hulsbosch en, ter plaatse van de huidige winkel van Tibboel, vrederechter Gerardus A. Entink, gehuwd met de uit Paramaribo afkomstige Sara Maria Andrika Bedloo. Na het overlijden van Simon nam diens zoon Jacobus het boerenbedrijf aan de Grachtweg over. In 1866 huwde hij Jacoba Duindam, maar het huwelijk was van korte duur. Reeds in 1877 overleed zijn echtgenote. Jacobus zelf stierf in 1888. Eén van zijn dochters, Catharina genaamd, trouwde in 1891 met Gerardus Petrus Warmerdam, geboren te Noordwijkerhout in 1866. Ze zetten samen het boerenbedrijf voort en kregen veertien kinderen. Op 7 december 1900 heeft Gerardus de boerderij van de ervan Jacobus Langeveld gekocht en kwam er aldus een einde aan drieëntachtig jaar Langeveld.
Dezelfde familie Langeveld is overigens ook eigenaar geweest van het zogenaamde “kaaspakhuisje”aan de Grachtweg, tegenwoordig Grachtweg 1a. Maar daarover meer in een afzonderlijke studie.

G.P. Warmerdam sr. en jr., 1900-2001
Het was een groot gezin dat omstreeks 1900 in de latere Woelige Stal woonde. Gerrit Warmerdam sr. had acht zonen en zes dochters. De meisjes sliepen op de zolder boven het eigenlijke woongedeelte aan de Grachtweg, terwijl de jongens boven de stal achter het huis de nacht doorbrachten. De koeien gingen in de maanden april tot en met oktober het land op. Aanvankelijk graasde het vee op de Hoppoel1) , nabij de korenmolen aan de Gracht. De Hoppoel is later verkocht aan de gemeente Lisse. Boer Warmerdam kreeg er land in de Haarlemmermeer voor in de plaats.
’s Avonds werd er muziek gespeeld of geklaverjast met de buren of eigen familie. Mevrouw Langeveld: “Het zat in de traditie van de streek. Als je niet gepandoerd (geklaverjast) had, was het niet goed met je buren”. De jaren gaan voorbij en we bevinden ons inmiddels in 1935. In dat jaar is boer Warmerdam overgegaan tot sloop van de oude boerenwoning. Een deel van het huidige gebouw van Grachtweg 9 is hierbij totstandgekomen.

“Lisse 1932”. Uiterst rechts Gerrit Warmerdam sr. (1866-1947). Links van hem zijn zoon Theodorus Petrus (geboren 1901). Achter het paard een zogenaamde tilbury. (Coll. Mw. Meeuwissen-Warmerdam, Lisse.)

Einde van het boerenbedrijf
Op 20 mei 1943 heeft Gerrit Warmerdam jr. de boerderij overgenomen van zijn vader. Het wordt dan omschreven als: “De boerderij aan de Grachtweg, bestaande uit woonhuis, koetshuis, koestal, paardenstal, varkensstal, houten stal en erf”. Gerrit jr. was geboren te Lisse in 1911 en getrouwd in 1940 met Catharina M.P. van der Stap.
Halverwege de jaren zeventig heeft Gerrit Warmerdam zijn boerenbedrijf beëindigd. In verband met de aanleg van een parkeerplaats heeft de gemeente Lisse in 1980 het overgrote deel van het erf met daaropstaande stallen gekocht en vervolgens gesloopt. Gerrit is tot aan zijn dood (2001) in De Woelige Stal blijven wonen.

Met dank aan: de heer en mevrouw Langeveld te Lisse, mevrouw Meeuwissen-Warmerdam te Lisse.
Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage, Rechterlijk Archief Lisse, Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.

1) De Hoppoel was een poeltje dat niet ver van de Gracht gelegen was. Het komt reeds op 17de eeuwse kaarten voor.

 

De schrijnende armoede in de jaren dertig

BEZIT: 17 ARE TULPEN INKOMSTEN 1940: f. 4,02 In de jaren dertig van de twintigste eeuw verkeerde de wereld in een economische crisis. Dit had vanzelfsprekend grote gevolgen voor de Nederlandse land- en tuinbouw die voor een deel steunde op de export. Exportbelemmerende maatregelen door buitenlandse overheden, overproductie en achterblijvende afzet in eigen land dwongen […]

Bloemencorso 60 jaar jong

DE REUSACHTIGE KLOMP ZAKTE SNEL IN ELKAAR

Op onze oproep de persoonlijke ervaringen te vertellen die men heeft gehad met en rond het Bloemencorso in vroeger tijden kwamen niet veel reacties binnen. Maar wel het verhaal van mevrouw Rineke van Pijpen-Snijders die over de deelname aan het eerste bloemencorso in 1947 vertelt.

“Het eerste bloemencorso werd door de meewerkende bedrijven zelf opgezet en gestoken. Ook de fa. J.W. de Gruyter, drukkerij van bijna alle bollenplaten voor de verschillende bollenfirma’s en toendertijd gevestigd aan de Hoofdstraat in Sassenheim, deed mee. Mijn vader, W.R. Snijders, was daar typograaf. Samen met het personeel en de leerlingen van mijn vader werd besloten om een levensgrote klomp te maken van hyacintennagels. Er werd op een platte kar een houten(!) raamwerk gemaakt. Daar overheen werd van kippengaas de vorm van een klomp aangebracht die vervolgens met bloemen werd bedekt. Ik weet niet meer of de hele hyacint werd gebruikt of alleen de nagels. Het was een prachtig bouwwerk geworden en men was er dan ook reuze trots op. De klomp was namelijk het logo van Drukkerij de Gruyter en men wilde dat graag goed voor het voetlicht brengen.
Men had er bij dat eerste corso echter geen idee van dat die bloemen zo zwaar waren. Al na korte tijd begon de hele boel in te zakken, het kippengaas gaf weinig steun en er was bijna geen klomp meer in te herkennen. Wat te doen? Goede raad was duur. Maar de oplossing kwam er wel.
Alle medewerkers die niet al te dik en stijf waren werden als men langs reed uit het kijkerspubliek geplukt en iedereen moest helpen om onder de klomp binnen het houten raamwerk de klomp zo goed mogelijk omhoog te houden. Dat lukte maar ten dele en iedereen was kapot, toen men er eindelijk weer onderuit mocht. Ik denk dat dit de enige keer is geweest dat men kippengaas heeft gebruikt, want ook de wagen van de fa. Tissing uit Lisse zakte volgens mijn man in elkaar. Maar al doende leert men en de volgende corso’s werden al veel mooier en beter, zoals iedereen in de volgende jaren kon zien!”

Praalwagens leeggeplunderd
Bekend in corsokringen is het verhaal van de oude garde die het nog meemaakte dat er eind jaren zeventig en begin jaren tachtig jaarlijks enkele praalwagens naar Göteborg in Zweden gingen om daar een zegerit te maken. Het publiek was steeds zeer enthousiast en hoe blij men was met bloemen uit Holland bleek als de praalwagens bij de finish waren: de achterkanten waren dan namelijk nagenoeg leeggeplunderd! En veel hilariteit na aanvankelijk grote schrik was er in een bepaald jaar ook, toen tijdens de rit bleek dat een van de praalwagens een straat niet kon indraaien. Steken dus met dat gevaarte. Dat ging goed totdat en enorm gerinkel duidelijk maakte dat er iets helemaal mis was. En inderdaad, de praalwagen was achteruit een etalage binnengereden!

Tweemaal door de streek
In vroeger jaren reed het corso tweemaal op een dag door de streek. Heen en terug dus. Het vertrekpunt was de Bernardus in Sassenheim en de finish in Bennebroek. ’s Morgens heen en ‘middags terug. In de streek was het als gevolg daarvan de hele dag en drukte van jewelste, want niemand ging naar huis voordat ook die tweede rit was bekeken. Vermoeiend waren die dagen voor alle betrokkenen en niet in het minst voor de muziekverenigingen die tweemaal aan de bak moesten. Zo vertrokken de Lissese muzikanten ’s morgens te voet naar Rehobôth aan de Achterweg (nu het gemeentehuis) om van daaruit naar de Engelenbrug te marcheren waar men in het corso werd gevoegd. Vervolgens werd gemarcheerd naar de steenfabriek en toog men daarna te voet naar huis om het geteisterde lijf wat rust te geven. Na enkele uren moest men echter weer op pad richting steenfabriek om van de partij te zijn bij de terugrit van het corso. De route richting De Engel werd vervolgens gelopen en daarna zo spoedig mogelijk weer richting Rehobôth en vervolgens naar huis. Dan had je wel even genoeg bloemencorso, publiek en bollenstreek gezien…….

 

De aanhouding en inhechtenisneming van Lisser Jillert Cammenga en 39 andere Lissers tijdens de razzia op woensdag 7 maart 1945 gedurende de Tweede Wereldoorlog in Lisse !!!”

Anne Louis Cammenga,

 

Directeur Informatiecentrum Tweede Wereldoorlog

Het is 7 maart 1945: Grote delen van Europa zijn al van het juk van de bezetter bevrijd, maar Lisse echter nog niet. Die dag wordt de dorpsbevolking eens temeer geconfronteerd met de aanwezigheid van een bezetter en de gevolgen ervan. Er vindt namelijk een razzia plaats waardoor in het dorp grote onrust ontstaat. Een dramatische dag met grote gevolgen voor 40 gezinnen in Lisse !!! Enige jaren geleden kreeg het archief van de Gemeente Lisse uit de nalatenschap van een overleden Lisser een oorlogsdagboek in handen. (zie het artikel “Oorlogsdagboek van Lissenaar Henk van Ruiten”, een bewerking van Hans Smulders uit 2005, Oorlogsdagboek van Lissenaar Henk van Ruiten). Henk van Ruiten, in de hongerwinter van 1945 een jongeman van 25 jaar, schrijft hierover:

 

Foto’s van de Sint Agathakerk in Lisse. In deze kerk werd de Lisser Henk tijdens de mis door de kapelaan gewaarschuwd dat er op woensdag, 7 maart 1945 een razzia in Lisse plaats vond. Vanaf de toren kon Henk met eigen ogen alles goed volgen.(Bron: archief A.L. Cammenga).
‘7 maart 1945: Onrustige dag; er is razzia in Lisse. Zelf was ik om 7 uur de deur uitgegaan om naar de Kerk te gaan, want het was Sint Jozef-dag. Ik was in de Kerk en daar werd er gewaarschuwd: er is razzia in Lisse. Ik heb de gehele mis uitgezeten, en verliet toen de kerk. Het zag er niet gunstig uit; ze hadden al wat jongens te pakken. Ik ging de kerk weer in. Toen kwam er een Kapelaan naar mij toe. Die zei: ‘Ga maar naar de toren.’ Wij zaten met zijn zessen in de toren, en wij hadden een piekfijn uitzicht. Nu en dan zag je een jongen lopen tussen twee Duitsers in. Ik kookte toen ik dat zag, maar ik dacht ‘Wacht maar onze tijd komt ook nog wel en datzal heus zolang niet duren.’ Thuis wist men dat ik in de kerk zat; die dachten ‘Henk zit daar goed’. Mijn eten werd ook gebracht; wat wil je nog meer. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten. Een mooi poosje hé! Ik heb over heel Lisse heen kunnen kijken; een prachtgezicht. De Duitsers zijn hier en daar in de huizen geweest; soms 4 à 5 keer in één huis. Ze hebben een heleboel fietsen en frames, banden en onderdelen meegenomen. De buit was groot. Bij ons thuis zijn de Duitsers niet in huis geweest, mijn broer is dan ook niet opgepakt.’

Een nog levende Lisser uit die periode, de heer H. Noordermeer vertelt in 2012 tijdens een pauze in een repetitie van een zangkoor aan een mede-inwoonster van Lisse, Mevrouw M.C. van Stijn. (Gré), dat hij op die bewust dag aan het werk is op het land van zijn vader. Hij ziet een groep Duitse soldaten. die bezig is met zich voor te bereiden op een razzia, die vervolgens daadwerkelijk plaats vindt. Hij kan nog net op tijd zijn broer waarschuwen.
Alle jonge mannen die zich vertonen worden opgepakt en afgevoerd. Waaronder de 19-jarige Jillert Cammenga, zoon van de toenmalige Ford-autodealer aan de Heereweg 148. Samen met 39 andere inwoners van het dorp wordt hij afgevoerd naar kamp Bocholt, net over de Duitse grens.

Foto Ford-garage J. Cammenga & Compagnon op de Heereweg 148 in Lisse (Archief Gemeente Lisse)

 

Trouwfoto van Jillert Cammenga en Annie (Antje) Kuyper. Zij huwden op 12 mei 1920 in Zaandam en woonden lange tijd met hun zeven kinderen op de Heereweg 148 in Lisse, alwaar Jillert Cammenga eigenaar was van de Ford-garage (Bron: archief A.L. Cammenga)

 

Advertentie Ford-garage J. Cammenga & Co (Bron: Bron feestblad HOBAHO 1921 – 1946)
De in 1945 negenjarige Lenie Marseille, de dochter van de schilder die met zijn gezin eveneens op de Heereweg heeft gewoond, herinnert zich de Ford-garage-eigenaar en diens echtgenote nog heel goed: ‘Jillert Cammenga sr. was lang, slank en had haar dat grijs begon te worden. Hij droeg een bril en ik zag hem altijd met een sigaar. Buiten droeg hij altijd een hoed en een korte zwarte jas, die ook wel een bonker werd genoemd. Diens echtgenote, Annie (Antje) Cammenga-Kuyper was een struise vrouw met grijs haar in een knot. Zij had een vriendelijke uitstraling.’

Tekening gemaakt door de Lisser Bert Marseille van de garage van de Ford-dealer Jillert Cammenga Sr. en van het schildersbedrijf Marseille, het bedrijf van zijn eigen vader. Nummer 3 op deze tekening is het stookhok op het terrein van garage Cammenga. Hier hield Jillert Cammenga Jr. zich tijdens de razzia op woensdag, 7 maart 1945 schuil. In dit stookhok verborg Jilert zich in het kolenhok. Een schitterende plaats om zich te verbergen en waar de Duitsers hem beslist niet snel hadden gevonden. Het mocht hem echter niet baten.

Lenie haar broer, Bert Marseille herinnert zich de situatie van vóór de Tweede Wereldoorlog nog heel goed. Hij heeft een duidelijke tekening gemaakt van de Ford-garage Cammenga, die de situatie van deze garage vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog duidelijk weergeeft. ‘Vanwege de oorlogsdreiging vond in Nederland in opdracht van de toenmalige Nederlandse regering een algemene mobilisatie plaats. De werkplaatsvan Ford-garage Cammenga (rechts boven in de tekening) was tijdens deze mobilisatie gevorderd door het Nederlandse leger. Deze stond vol met paarden en wagens. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers daarentegen de oude werkplaats (boven in de tekening) gevorderd.

Foto van drie militairen – twee in militair tenue en een in burger – genomen in september 1939 tijdens de mobilisatie op het garageterrein achter het huis van de familie Cammenga. Het garageterrein bestond in die tijd nog uit verhard zand met grind. Na de oorlog werd het terrein bestraat met tegels. De kinderen op het paard zijn in de juiste volgorde Lenie, Bram en Bert Marseille. Hun huis bevond zich pal naast dat van de familie Cammenga (Bron: archief de heer B. Marseille).

Van de werkplaats van het schildersbedrijf Marseille, het bedrijf van de broers Gerrit en Arie Marseille, die op de begane grond uit twee aparte delen bestond (zie de stippellijn in de tekening), werd het achterste deel eveneens gevorderd. Dit gedeelte werd door de militairen als een soort van eetgelegenheid en verblijfplaats gebruikt.
De helft van de eerste verdieping van de werkplaats was ook gevorderd. Daar sliepen de militairen op strozakken. In het afgesloten kantoortje, dat zich eveneens op de eerste verdieping bevond, sliepen twee leidinggevende, hoger geplaatste militairen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben vervolgens óók de Duitsers hetzelfde achterste deel van de werkplaats van Schildersbedrijf Marseille gevorderd.
Door het garagebedrijf Cammenga is het kantoortje op de eerste verdieping van de werkplaats gebruikt als opslagruimte, hetgeen tijdens de razzia op 7 maart 1945 is ontdekt door de Duitsers. De Duitsers hebben deze opslagruimte enkele weken later vervolgens helemaal leeggehaald.’

De pijl die naar de openstaande deur wijst, verwijst naar het huis van de familie Marseille. De broers Gerrit en Arie waren de eigenaren van het schildersbedrijf Marseille. De drie kinderen van echtpaar Gerrit en Marie Marseille heten Bert, Bram en Lenie. Zij spelen veel met de kinderen van het echtpaar Jillert sr. en Annie (Antje) Cammenga. De pijl, die naar het dubbele raam verwijst, duidt het kantoortje/de opslagruimte van de Ford-garage Cammenga aan. Tijdens de razzia van 7 maart 1945 werd de inhoud van deze opslagruimte ontdekt door de Duitsers. Niet alleen werd hun zoon Jillert tijdens die dag opgepakt, maar het echtpaar Cammenga moest tevens met lede ogen aanzien hoe de Duitsers hen in de periode daarna van een aantal eigendommen beroofden. Nadat de Duitsers de inhoud van het kantoortje, de opslagruimte, hebben ontdekt, wordt Gerrit Marseille door de Duitsers met de dood bedreigd, maar hij komt er gelukkig zonder kleerscheuren van af. De pijl op de voorgrond verwijst naar de schutting en het terrein van de familie Cammenga (Bron: archief de heer B. Marseille).

Over haar schoolperiode en over de oorlog als kind in Lisse herinnert Lenie Marseille zich het volgende: ‘Als meisje van negen jaar oud begrijp je niet alles van oorlog, maar dat dit iets bijzonders is, heb je wel degelijk door. Mijn ouders vertelden uiteraard niet de finesses maar dat wij de ramen van ons huis dienden te verduisteren; dat wij van de bezetter om 20.00 uur binnen moesten zijn en andere van dit soort zaken werd wel aan mij verteld. Met de buurtkinderen gingen wij veel om. Er was in die periode – eind 1944; begin 1945 – geen school. Dus waren wij regelmatig buiten en was de omgeving van de garage Cammenga ons speelterrein. Het personeel zat ons wel eens achterna wanneer wij bij de wasplaats met de waterslang aan het spuiten waren.’

De 20-jarige Jillert Cammenga in 1946; enkele weken voordat hij als dienstplichtig militair naar Nederlands-Indië zal vertrekken. Vlak voor hem staat zijn jongere broertje Hans Bernhard; het jongste lid van het gezin Cammenga op de Heereweg 148 (Bron: archief A.L. Cammenga).
Greta (Gré) Annie Cammenga, de zus van de 19-jarige Jillert, die deze razzia persoonlijk heeft meegemaakt, schrijft hierover het volgende: ‘Mijn moeder en haar zuster, mijn eigen tante Trien, die deze hele oorlogswinter bij ons verbleef, waren op woensdag, 7 maart 1945 bezig met het schoonmaken van de slaapkamers. Ik verbleef zelf in mijn ouderlijk huis, waar mijn moeder en tante op dat moment ook verbleven. Ook mijn zuster Bep was op dat moment in huis aanwezig. Mijn broer verbleef op dat moment in zijn schuilplaats. Dit was in het stookhok bij het magazijn en de garage. In het stookhok was ook het kolenhok aanwezig. Hier zat Jillert Cammenga in verborgen. Daar hadden zij hem nooit kunnen vinden, omdat het eind van de winter was en niemand eraan zou hebben gedacht om in het kolenhok te gaan kijken. Het was immers een huis aan huis onderzoeking. Bovendien lag het kolenhok te ver van het woonhuis af. Helaas moest mijn broer hoognodig naar het toilet. Wij hadden helaas niet aan een po gedacht. Bovendien moest hij ineens zo plotseling naar deze schuilplaats toe, dat wij niet eens de tijd hadden om aan iets dergelijks als een po te denken. Wij hadden in het dorp via via vernomen dat er een razzia aan de gang was. Alle jonge mannen, die niet in Duitsland wilden gaan werken, doken op een dergelijk moment dan direct onder. Mijn broer kwam dus helaas uit zijn schuilplaats en ging via de buitentrap via de keukeningang naar binnen op weg naar het toilet. Hij was nauwelijks in huis of de bel ging.

Afbeelding van de schuilplaats van Jillert Cammenga, getekend door Henk Daudeij, wiens vader een winkel had op de Heereweg vlakbij de Ford-garage Cammenga. De schuilplaats is omcirkeld (Bron: archief A.L. Cammenga).

Foto van Henk Daudeij, die een tekening heeft gemaakt van de schuilplaats van Jillert Cammenga. Na al die jaren wist hij zich alle details nog tot in de perfectie te herinneren (Bron: archief A.L. Cammenga).

Het huidige terrein achter de voormalige Ford-garage op de Heereweg 148. Op de plek van het raam (zie de twee witte pijlen) bevond zich tijdens de razzia in 1945 de schuilplaats van Jillert Cammenga. Henk Daudeij wist in 2012 – 67 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 – zich de exacte plek van de voormalige schuilplaats nog precies te herinneren. (Bron: archief A.L. Cammenga)
Over de schuilplaats van Jillert Cammenga schrijft zijn nog in leven zijnde generatiegenoot en jeugdvriend Jan Maarssen het volgende aan Cammenga’s derde zoon Anne Louis: Ik ben een generatiegenoot van uw vader en werkte tijdens de oorlog in de garage bij de firma Cammenga. Daarom kan ik mij dan ook nog goed herinneren dat deze razzia in Lisse plaats heeft gevonden en dat uw vader tijdens deze razzia door de Duitsers is opgepakt.

Een jaar of vier heb ik bij de firma gewerkt met vele goede herinneringen tot mijn diensttijd in november 1946. De razzia heb ik in Lisse wel meegemaakt, maar ik heb daar geen last van gehad, omdat ik onder de vloer een goede schuilplaats had. Ook had ik een broer die ziek voor het raam lag. Om die reden was er een briefje op het raam bevestigd met de mededeling dat het maar beter was het pand niet te betreden vanwege besmettingsgevaar !

Uw vader trof het echter slecht tijdens deze razzia in Lisse met zijn plasje doen want hij had in dat stookhok een echt goed plekje. Het magazijn met olie en stookhok waren gebouwd tussen de beide garages. In het olie gedeelte was ook een opslag voor kolen, die wegens gebrek daaraan leeg was met aan de bovenzijde een deksel. Een pracht van een plek dus met nog een uitwijkmogelijkheid naar het daarachter gelegen gedeelte waar de kachel voor de centrale verwarming stond. Helaas, je moet maar hoge nood hebben en geen WC in de nabijheid. Uw vader kwam dan ook helaas uit zijn schuilplaats om in het huis van zijn ouders naar het toilet te gaan met als gevolg dat hij door de Duitsers werd gezien, opgepakt en weggevoerd naar Haarlem en vervolgens naar Duitsland.’

 

Foto Jan Maarssen (Bron: archief A.L. Cammenga)

Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Mijn broer Jillert had geen gelegenheid meer om terug te gaan naar zijn schuilplaats, Ons ouderlijk huis was namelijk zowel aan de voor- als aan de achterkant volledig omsingeld door de Duitsers. Goede raad was duur. Wat nu gedaan. Mijn broer rende naar de bovenetage en verstopte zich snel in de grote kledingkast op de slaapkamer van mijn vader en moeder. Zoals ik al heb verteld, waren mijn moeder en tante op dat moment bezig met het schoonmaken van de slaapkamer. De Duitsers waren – na te hebben aangebeld en nadat de voordeur door één van ons was opengedaan – ons huis binnengedrongen. Zij hadden een groen uniform aan en droegen geweren bij zich. Dit om ontsnapping van de door hun gemaakte gevangenen te voorkomen. Wij waren bang voor hen.
In de eerste slaapkamer troffen de Duitsers een autoband en een po onder het bed aan. De Duitsers sommeerden mijn zuster Bep om de zware autoband onder het bed vandaan te halen. Mijn zuster pakte in haar zenuwen in plaats van de autoband – die veel te zwaar voor haar was – de po onder het bed vandaan en liet deze aan de Duitsers zien. Deze namen vervolgens zowel de autoband als een accu, die op de overloop stond, in beslag. De Duitsers deelden ons mee dat zowel de autoband alsde accu later zouden worden opgehaald. Toen de Duitsers een paar dagen later bij ons aan de voordeur kwamen om deze autoband en accu op te halen, vertelde ik hen per ongeluk dat deze al waren opgehaald, omdat ik in de veronderstelling was dat zij iets anders op kwamen halen. Dat was inmiddels ook gebeurd. Maar door dit misverstand behielden wij gelukkig de voor ons in die tijd zeer kostbare accu en autoband.

Greta (Gré) Annie Cammenga, geboren op 13 juni 1924 en de zus van de 19-jarige Jillert. Zij werd later een bekende en geliefde kleuterjuffrouw. Zo heeft de bekende Lisser en journalist Arie in ’t Veld als kleuter nog bij haar op school gezeten (Bron: archief A.L. Cammenga).

Een dergelijk voorval weet ook het toenmalige negenjarige buurmeisje Lenie Marseille zich nog heel duidelijk te herinneren. Zij vertelt: ‘Bij het schildersbedrijf Marseille dat van mijn vader Gerrit Marseille en zijn broer Arie was en dat zich naast het bedrijf van Cammenga bevond, was boven in de werkplaats een kantoortje. Dit diende destijds als een tijdelijke opslagplaats van de firma Cammenga. Er lagen autobanden, onderdelen en ander kostbaar materiaal in deze opslagplaats. Ook wij kregen controle van Duitse manschappen. Mijn vader had in die tijd de leeftijdsgrens van 40 jaar ruimschoots bereikt, zodat hij niet bang hoefde te zijn dat hij bij deze razzia zou worden opgepakt. Wèl werd hij door de Duitsers gemaand om het kantoor annex opslagplaats te openen, maar dat weigerde mijn vader door te zeggen dat hij niet over de sleutel beschikte. Daarop wilde een Duitse militair met zijn bajonet de deur forceren, waarop de sleutel toen alsnog werd gevonden.Toen de Duitsers ontdekten wat er allemaal in deze ruimte was opgeslagen, kreeg mijn vader Gerrit te horen dat hij het met de dood zou moeten bekopen als er ook maar iets uit deze ruimte zou worden weggehaald. Enkele weken later kwam er namens de Duitse bezetter een vrachtwagen langs en werd de inhoud van het kantoor annex opslagruimte in de vrachtauto gestort.’

Gré vertelt verder: ‘Ondertussen zat mijn arme broer nog steeds in de kledingkast in de slaapkamer van mijn ouders. Alsof zij het “roken” liepen de Duitsers direct op de kledingkast toe. Eén van de soldaten deed een greep met zijn hand in de kleding, die in de kast hing en trok mijn enorm geschrokken broer en Anne Louis zijn vader uit de kast. Zij voerden hem gelijk met hun mee. Inmiddels had ook mijn oudste zuster Nita zich bij ons groepje gevoegd. Deze riep moedig en boos naar de Duitsers: “Wat zouden jullie doen, als het jullie eigen zoon was.” Daar reageerden de Duitsers echter niet op, want in hun ogen was immers “Befehl ist Befehl”. Wij waren allemaal volkomen overdonderd en tot in het diepste van onze ziel geschokt. Zo lang als ik leef zal ik nooit de verslagen, geschokte blik en de intense smart op het gezicht van mijn lieve moeder vergeten. Mijn arme broer werd door de voordeur van ons ouderlijk huis weggevoerd.’
Het negenjarige buurmeisje Lenie Marseille speelde op dat moment in huize Cammenga met Tiny Cammenga, de jongste dochter uit het gezin. Zij kan zich deze gebeurtenis nog uitstekend herinneren. Over deze razzia en de arrestatie van haar buurjongen Jillert

Foto Mevrouw M. (Lenie) C. Strikkers-Marseille (Bron: archief A.L. Cammenga)
schreef zij aan diens zoon Anne Louis Cammenga het volgende: ‘Op 7 maart 1945 ging ik ’s middags met uw tante mee om bij de familie Cammenga iets te drinken en om met uw tante Tiny Cammenga te spelen, die dezelfde leeftijd als mijn broer Bert heeft. Opeens kwam uw vader Jillert met een verschrikt gezicht gehaast de huiskamer binnen lopen. Op de achtergrond was lawaai te horen; er was razzia.
Jillert was uit zijn schuilplaats gekomen vanwege hoge nood en werd snel in een kast in de slaapkamer van zijn ouders geduwd. Maar helaas te laat. Door twee Duitse soldaten met geweer werd hij afgevoerd. Allen die in huis aanwezig waren overrompeld en verschrikt achterlatend. Uw grootmoeder Annie (Antje) Cammenga-Kuyper keek naar de voordeur, waardoor haar zoon door de Duitsers werd afgevoerd. Uw grootmoeder had een wit gezicht en zag er verschrikt en verdrietig uit. Ik hoorde nog een zachte snik. Niemand kon een woord uitbrengen. We waren allen overrompeld; ook omdat het in zo’n korte tijd gebeurde. Ik ben daarna naar huis gegaan om te vertellen wat er was gebeurd.’
Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Mijn broer werd afgevoerd naar een schuur, die zich bij een PTT-gebouw bevond. Dit was zowel een PTT-kantoor als een woonhuis voor de desbetreffende PTT-ambtenaar. Hier woonde de latere echtgenoot van mijn oudste zuster Nita, Arie Tigchelaar, die ook een volle neef was van Hermina Damen, die later met mijn broer Jillert zou gaan trouwen. Hermina Cammenga is uiteraard ook de moeder van mijn neef Anne Louis Cammenga en van zijn andere broers. In deze schuur werden alle mannen verzameld, die bij deze razzia werden opgepakt.
Op één man na, want deze wist gelukkig – nota bene in dameskleding, die zijn familie hem bracht – aan deze razzia te ontsnappen. De man in kwestie werd gered door de moedige inwoonster van Lisse Marian van Klink-Marinus, die met extra dameskleren aan en met een fiets door het cordon van de Duitse soldaten is heen gefietst. Zij gaf de jonge Lisser Arie van Steensel de vrouwenkleding die zij had meegenomen en hij heeft die pijlsnel aangetrokken. De heer Van Steensel is met dameskousen en met een puntmuts op dwars door het Duitse cordon heengelopen en heeft vervolgens veilig enige tijd onder kunnen duiken. Mevrouw Van Klink-Marinus kon eveneens veilig wegkomen.
Vanuit deze schuur werden de opgepakte mannen naar de Ripperda-kazerne in Haarlem afgevoerd. In Lisse deed na de razzia al snel het gerucht de ronde dat de mannen naar Haarlem waren afgevoerd.’

Mevrouw G.P. Tibboel-Boot, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als kind op de Heereweg 137 heeft gewoond en als buurmeisje veel met de kinderen Nita, Ans, Gré – de latere kleuterjuf – en Tiny Cammenga heeft gespeeld, kan zich deze razzia nog heel goed herinneren. Zij schrijft hierover in haar getuigenverklaring aan Anne Louis Cammenga, zoon van Jillert Cammenga het volgende:
‘Dit herinner ik mij zo goed, omdat uw vader tijdens deze razzia voor mijn ogen door de gewapende Duitsers is afgevoerd. Vanuit de voorkamer van mijn ouderlijk huis zag ik hoe uw vader voor mijn ogen werd afgevoerd van zijn ouderlijk huis naar het PTT-gebouw dat zich toen ongeveer 300 meter verder op dezelfde straat bevond. Het feit dat uw vader voor mijn eigen ogen door de gewapende Duitsers werd afgevoerd, maakte als klein meisje een hele diepe indruk op mij en ik ben dit dan ook nooit meer vergeten.
Zelf heb ik als kind gewoond op de Heereweg 137. Het huis bestaat nog steeds. Ik kan mij uw tantes en voornamelijk de geschiedenis van uw vader tijdens deze razzia op 7 maart 1945 dan ook zo goed herinneren, omdat ik met hen als buurmeisje ben opgegroeid. Ons huis bevond zich immers een eindje verderop op dezelfde Heereweg. Vandaar dan ook dat ik uw vader, grootouders, ooms en tantes ook als jong meisje zo goed heb gekend.’

Foto Mevrouw G.P. Tibboel – Boot (Bron: archief A.L. Cammenga)
Foto Mevrouw C.J. (To) van der Berg-van Dijk (Bron: archief A.L. Cammenga)

Mevrouw C.J. (To) van der Berg-van Dijk schrijft in haar getuigenverklaring aan Anne Louis Cammenga over deze razzia het volgende:
‘Hierbij bevestig ik u, dat ik mij nog heel goed kan herinneren dat uw vader Jillert – roepnaam Jit – op woensdag, 7 maart 1945 tijdens een razzia in Lisse is opgepakt.
Ook herinner ik mij nog heel goed dat uw vader behoorde bij de 40 jonge mannen, die tijdens deze razzia in Lisse werden afgevoerd. Een aantal van deze jonge mannen heb ik op deze bewuste dag, 7 maart 1945, langs het raam van het huis, waar ik op dat moment verbleef, voorbij zien komen. Begeleid door Duitsers, die hen toen bewaakten.
Tevens hebben na afloop van deze razzia een aantal mensen mij persoonlijk verteld dat uw vader, Jillert (Jit) Cammenga bij deze razzia is opgepakt.’
Henk van Ruiten schrijft hierover in zijn oorlogsdagboek het volgende:
‘8 maart 1945: Weer onrustig; er waren weer Duitsers in Lisse. Zij bekeken de boel, maar er gebeurde niets. Er was al gewaarschuwd, dus je zag geen jongens op de straat. De Duitsers zijn maar weer weggegaan. Ik heb deze dag nog de kat uit de boom gekeken en ben niet naar het land gaan. Zo ik gehoord heb, hebben de Duitsers niet veel jongens in Lisse gegrepen op die bewuste woensdag 7 maart. Ik hoorde dat het nog geen 40 jongens waren. Die buit was niet groot, maar het zijn er nog 40 jongens teveel. Ze zijn naar Haarlem gebracht, en zoo verder naar een onzekere plaats, dat snap je zelf wel!
Ook hebben wij van het Zweedse Rode kruis ons cadeau gehad. Ieder kreeg 8 ons wittebrood en 125 gram Margarineboter. Het smaakte beiden heerlijk; dit hebben wij zeker in geen 2 ½ maanden niet geproefd. De boter – je zou er je tong bij inslikken – zo heerlijk was het. Wij zijn er uiterst zuinig op; elke dag nemen wij er twee sneetjes van, dan proef je lang de oude Hollandse welvaart nietwaar !!!
9 maart 1945: Alles is weer rustig. Zoals ik gehoord heb, is er één van de jongens ontsnapt en is er één afgekeurd. Van de anderen hoor je (nog) niets van.’
Gelukkig waren er ook Lissers op die bewuste woensdag 7 maart voor deze razzia gespaard gebleven. Zo weet Lenie Marseille zich nog heel goed te herinneren hoe het personeel van de bakkerij als door een wonder voor deze razzia gespaard bleef: ‘Naast ons woonde de familie Goldberg, die trouwens door middel van huwelijksbanden verwant was aan Annie (Antje) Cammenga-Kuyper, de echtgenote van Jillert Cammenga sr. Op het moment van de razzia is mevrouw Goldberg naar de bakkerij van de firma Goldberg op het Vierkant gelopen om het personeel te waarschuwen zodat zij zich konden verbergen voor de razzia. Haar oudste dochter Gine – in die tijd ongeveer vijf jaar oud – had zij bevolen om op de twee kleinere kinderen van drie en anderhalf jaar oud te passen. Zij drukte haar dochter Gine nadrukkelijk op het hart om rustig te blijven zitten als er iemand aan de deur was en deze hoe dan ook niet open te doen. Door het tijdige ingrijpen van mevrouw Goldberg kon het personeel van de bakkerij zich gelukkig net op tijd verbergen.’
Gré Cammenga vertelt verder: ‘Mijn jongere zus Ans en ikzelf gingen – op goed geluk – met ons (net een paar dagen daarvoor gekregen) Zweedse wittebrood en boter naar Haarlem op zoek naar onze broer. Ook hadden wij een pannetje met warm eten bij ons. Wij vernamen dat onze broer in de Ripperda-kazerne in Haarlem zat opgesloten. Wij moesten de hele afstand per fiets afleggen van Lisse naar Haarlem. Wij hadden echter het grote geluk dat wij – mijn zus Ans en ik – ons een deel van de route mee konden laten trekken met een auto. Uiteindelijk kwamen wij bij de Ripperda-kazerne aan. Er stonden veel mensen buiten voor het hek. De sfeer was gespannen en somber. Wij wisten immers nog steeds niet zeker of wij onze broer daar wel zouden aantreffen. De spanning was dus om te snijden. Op een gegeven moment werd er een groep jonge mannen naar buiten gelaten. Waarschijnlijk om te luchten. Tot onze onuitsprekelijke vreugde zagen wij onze broer Jillert te midden van deze jonge mannen. Gelukkig mochten wij van de Duitsers met onze broer praten. Wij hebben onmiddellijk het brood en het pannetje eten gegeven. Mijn broer was overdonderd door alle gebeurtenissen en kon deze nauwelijks verwerken. Hij was dolgelukkig toen hij Ans en mij zag. Hij pakte het brood en het pannetje eten dankbaar aan. Tot onze grote teleurstelling mochten wij helaas niet lang met onze broer praten. Onze broer en de andere jonge mannen werden weer de kazerne ingevoerd.
Mijn zus en ik gingen weer terug naar ons ouderlijk huis in Lisse. Mijn ouders waren dolgelukkig om te horen dat hun zoon in leven en gezond was. Toch bleef de ongerustheid overheersen, want wij wisten nog steeds niet wat er verder met Jillert zou gaan gebeuren.
De volgende dag gingen Ans en ik weer op de fiets naar de Ripperda-kazerne in Haarlem. De jeugd van nu kan zich dit niet meer voorstellen, maar je praat dan toch snel over zo’n in totaal 28 kilometer heen en terug. En dan ook nog op massief rubberen banden in plaats van op de huidige luchtbanden. Wat loodzwaar en dus bijzonder vermoeiend fietsen is. Helaas troffen wij onze broer hier niet meer aan. Het gerucht ging dat de jonge mannen, waaronder onze broer, waren afgevoerd naar Amsterdam. In Amsterdam zouden de jongens in een bepaalde kazerne zijn opgesloten. Dat gerucht bleek echter niet juist te zijn. Maar dat wisten wij toen nog niet.
De dag daarop ben ik alleen op de fiets naar Alphen aan den Rijn gegaan, waar wij familie hadden wonen, waarvan het hoofd van het gezin een bakker was. Daar heb ik de nacht doorgebracht en kreeg ik brood mee voor mijn broer. Door weer en wind – want het weer was inmiddels flink slechter geworden – ging ik op de fiets naar familie in Amsterdam. Daar heb ik wederom de nacht doorgebracht. De andere dag ben ik met mijn nichtje, Lies Hulleman naar de bewuste kazerne gefietst. Wij werden helaas niet toegelaten, maar konden eventueel het brood voor mijn broer aan de op wacht staande landwachter afgeven. Een landwachter was lid van de NSB en stond in dienst van de Duitsers. Voor mij en vele anderen was dit dus een landverrader. Hij bood aan het pakje brood in ontvangst te nemen en beloofde mij dit aan mijn broer af te zullen geven. Aangezien ik geen enkel bewijs had dat mijn broer inderdaad in deze kazerne verbleef en mij elk bewijs hiervoor ook werd geweigerd, weigerde ik het in de oorlog o zo kostbare brood aan deze landverrader af te geven. Het brood heb ik bij de familie Hulleman in Amsterdam achtergelaten, die hier dolblij mee was. Deze familie had met grote hongersnood te kampen, dus was blij met elk voedsel dat zij kon krijgen. Pas later toen mijn broer weer veilig terug was in Nederland, heb ik bij hem nagevraagd of hij inderdaad in deze kazerne in Amsterdam is geweest. Dit bleek echter niet het geval te zijn. Toen was ik helemaal blij dat ik het kostbare brood aan mijn dierbare verwanten Hulleman heb gegeven.
Diep teleurgesteld ben ik toen weer met de fiets van Amsterdam terug gegaan naar mijn ouderlijk huis in Lisse. Dagenlang ben ik in de weer geweest om mijn broer terug te vinden en hem van voedsel te voorzien. Thans was mijn speurtocht echter op niets uitgelopen. Ik was het spoor van mijn broer nu helemaal kwijt geraakt. Ik kan mij alleen nog herinneren dat ik mijn ouders en mijn overige familieleden doodmoe van al mijn bevindingen en emoties op de hoogte heb gebracht en dat ik vervolgens volkomen uitgeput op de divan ben neergevallen.
Inmiddels was – zo bleek later – mijn broer verder gedeporteerd naar het kamp Bocholt in Duitsland. De familie Van Egmond woonde in Alphen aan den Rijn en waren vrienden van mijn beide ouders. Piet van Egmond, het hoofd van dit gezin was directeur van een grote betonfabriek in Alphen aan den Rijn. Deze belde op een gegeven moment mijn vader om te vertellen dat zijn zoon en onze broer Jillert bij hun verbleef, nadat hij ontsnapt was uit kamp Bocholt in Duitsland.’
De heer Dr. A.P. van Vliet, Hoofd Publieksinformatie & Collectiebeheer schrijft in zijn brief van 16 februari 2012 namens de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie over de opsluiting van Lisser Jillert Cammenga in het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt het volgende aan diens zoon Anne Louis Cammenga:
‘Het is mogelijk iets te zeggen over de context waarin uw vader in het kader van de Arbeitseinsatz gedwongen werd tewerkgesteld. Uw vader is, nadat hij op de valreep van de Duitse capitulatie werd opgepakt, terecht gekomen in een werkkamp in de directe omgeving van Bocholt. Zeer waarschijnlijk betreft het hierbij het krijgsgevangenenkamp Stammlager (Stalag) VI F dat als gevolg van de oprukkende geallieerde legers in het najaar van 1944 door de Duitsers was ontruimd. Na de ontruiming van Stalag VI F is dit krijgsgevangenenkamp door de Duitsers gebruikt om dwangarbeiders in onder te brengen die belast waren met de aanleg van verdedigingswerken zoals het graven van tankgrachten e.d.
De stad Bocholt is op 22 maart door een zwaar geallieerd bombardement geheel verwoest. Bij dit bombardement zijn naast conventionele brisantgranaten relatief veel fosfor- en brandbommen gebruikt. Hoewel het een aanname blijft is de kans groot dat de Duitsers na afloop van dit bombardement dwangarbeiders hebben gebruikt om puin te ruimen en slachtoffers te bergen. Dit kan een verklaring zijn voor de traumatische ervaringen die uw vader als dwangarbeider heeft opgedaan gedurende het voorjaar van 1945 in Bocholt.'(Bron: archief A.L. Cammenga)

Afbeelding van een deel van een ansichtkaart met daarop afgebeeld het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.

Plattegrond van het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.
Foto van de spoorbaan van de trein vlakbij het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Deze foto is genomen omstreeks midden jaren negentig van de vorige eeuw. Thans bestaat deze spoorbaan niet meer. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.

Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Jillert verbleef een paar dagen bij de familie Van Egmond om op verhaal te komen. De familie Van Egmond gaf hem een fiets mee om van Alphen van den Rijn naar Lisse te fietsen. Dit zal ongeveer 24 kilometer zijn. Omdat wij vaak in Alphen aan den Rijn bij familie logeerden – wij hadden daar veel familieleden wonen – namen wij steevast dezelfde route, die via Leimuiden naar Alphen aan den Rijn voerde. Wij wisten dus welke route onze broer naar zijn ouderlijk huis in Lisse zou gaan nemen en mijn zuster Ans en ik zijn hem dan ook tegemoet gefietst. Wij hadden nog één fiets met luchtbanden. Wij hadden besloten om die aan Jillert te geven en dat één van ons beiden op de slechte fiets van Jillert met de rubberen banden dan terug zou fietsen naar Lisse. Op een gegeven moment zagen Ans en ik hem in de verte aankomen. Wij waren blij om hem weer te zien, maar schrokken enorm van de gedaanteverwisseling, die hij had ondergaan. Wij zagen duidelijk dat het verblijf in het kamp zijn sporen bij hem had achtergelaten. Allereerst liep hij naast zijn fiets, omdat hij niet meer de kracht had om überhaupt zelf nog te kunnen fietsen. Wij zagen een door en door vermoeid mens, die door alle ondervonden gebeurtenissen volledig was uitgeput. Wij hebben hem op de goede fiets gezet en hebben hem tussen ons beiden ingenomen. Zo hebben wij hem naar huis geduwd. Thuis gekomen kon hij zijn zelfbeheersing – wat uiteraard meer dan begrijpelijk is – niet meer beheersen en vloog hij onze moeder huilend om haar nek. Ook mijn vader was uiteraard erg blij zijn zoon weer veilig terug te zien. Dat gold natuurlijk voor ons allemaal.
Over Jillert Cammenga en over de bevrijdingsfeesten na de oorlog in de Ford-garage Cammenga schrijft Mevrouw M.C. van Stijn. (Gré), de dochter van de toenmalige schoenwinkel/ schoenmakerij Jac. van Stijn aan de Heereweg 169 aan diens zoon Anne Louis het volgende:
‘Wij woonden min of meer tegenover de Ford garage en speelden altijd tot ongeveer 19.00 uur of 20.00 uur op jullie terrein met de kinderen Bert, Bram en Lenie Marseille (schilder), Lenie van der Berg (slagerij), enz. De spelletjes die wij speelden waren verstoppertje, bussie trap en volley bal.
Uw vader heeft ons in de oorlog nog van licht voorzien. Hij leende ons een aggregaat of zo iets. Wij konden in de kamer om de beurt fietsen zodat er ook in het donker nog wat licht was.
Na de oorlog zijn de bevrijdingsfeesten op jullie terrein gevierd. Stoeltje verwisselen. Blokjes rapen. Koek happen, kind verkleedt vervoeren in de kinderwagen en nog vele andere spelen.’

Foto van To van der Berg-van Dijk, Jan Maarssen, Henk Daudeij en Anne Louis Cammenga op 5 mei 2012 (Bevrijdingsdag) op exact dezelfde plek waar in 1945 de Ford-garage J. Cammenga & Co. was gevestigd. In het woonhuis dat zich boven de garage bevond, werd Jillert Cammenga op woensdag 7 maart 1945 door de Duitsers tijdens een razzia opgepakt en via de Ripperda-kazerne in Haarlem verder naar een kamp in Duitsland afgevoerd. (Bron: Archief A.L. Cammenga)

In een interview met het Witte Weekblad Bollenstreek op 5 mei 2012 (Bevrijdingsdag) vertelt Jan Maarssen (85) over zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Lisse. Jan Maarssen zat in dezelfde schoolbanken als zijn vriend van toen, Jillert Cammenga en was werkzaam in de garage van diens vader. ‘In die periode werden wij door de Duitsers gedwongen om hun geweren te repareren’, vertelt de Lisser. ‘Stapels werden er aangeleverd. Die geweren gaven we altijd met een hamer een flinke klap op de loop. Ook zetten we ze wel tussen de bankschroef en gaven er dan een “rukkie” aan. Stil verzet noemden we dat, want dan kon er tenminste geen Nederlander meer mee worden doodgeschoten. Tevens moesten we luchtdoelgeschut aan de buitenkant camoufleren. Een keer verfden we niet alleen de buitenkant van zo’n tank helemaal groen, maar ook de binnenkant. Witheet waren die SS’ers. Wij hielden ons natuurlijk van de domme. Ook herinner ik mij nog, dat die moffen fietsen in de fietsenstalling zetten, in de naastgelegen werkplaats. Dan gebeurde het wel dat die er ’s avonds niet meer stonden. Natuurlijk waren die acties van ons best gevaarlijk en had je er zomaar de kogel voor kunnen krijgen. Maar op het moment zelf realiseer je je dat niet zozeer. Dat komt pas later.’
To van den Berg-van Dijk (86), die als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog net als Jillert Cammenga op de Heereweg heeft gewoond, vertelt in hetzelfde interview met het Witte Weekblad Bollenstreek eveneens over haar ervaringen in oorlogstijd en over de bevrijdingsfeesten daarna. Zij was tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs één van de kroongetuigen van de razzia op woensdag 7 maart 1945. Zij zag hoe inwoners door de Duitsers werden meegenomen. ‘Het was een heel angstige periode’,
herinnert de hoogbejaarde zich als de dag van gisteren. ‘In een woning aan de overkant van Garage Cammenga was ik aan het helpen. Ook daar zat iemand ondergedoken. Toen we de Duitsers zagen lopen, was je natuurlijk ineens extra op je hoede. Vanachter de gordijnen heb ik gezien, dat Cammenga werd afgevoerd. Dat ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Bovendien was het aan het einde van de oorlog; de Duitsers waren toen erg fel. Mijn broers zaten thuis, achter de kast verstopt. De angst dat ze die ook zouden vinden, zat er goed in.
Overigens was men tijdens de oorlog een met elkaar. Je had niets en wat je wel kreeg, deelde je. Ik herinner mij nog goed hoe blij iedereen was toen de oorlog over was. Er hebben heel wat bevrijdingsfeesten plaatsgevonden in Garage Cammenga. Jammer genoeg was die saamhorigheid na een tijdje vergeten en was het weer ieder voor zich.’

Met haar beschrijving van de persoonlijke gevolgen voor haar broer Jillert van deze razzia en van diens periode als dienstplichtig militair in Nederlands-Indië daarna sluit zijn zuster Gré haar verhaal af: ‘In de periode daarna bleek pas goed hoe duidelijk deze periode zijn sporen bij hem hadden nagelaten. Deze periode heeft bij Jillert zijn leven lang littekens achter gelaten. Hij is door deze periode en later door zijn periode als dienstplichtig militair in Nederlands-Indië voorgoed veranderd. De tragische sporen hiervan heb ik niet alleen als zijn liefhebbende zuster kunnen constateren, maar heeft ook mijn neef Anne Louis Cammenga in zijn leven helaas maar al te duidelijk aan den lijve kunnen ondervinden. Trouwens niet alleen mijn neef Anne Louis, maar ook mijn broer Jillert zijn echtgenote Hermina en zijn overige broers hebben kunnen ondervinden wat oorlogen en hun gevolgen met hun echtgenoot en vader hebben gedaan. Het voorbeeld van het leven van mijn broer Jillert en van Anne Louis zijn vader is een belangrijke en overduidelijke waarschuwing dat oorlogen, fascisme en antisemitisme altijd voorkomen en bestreden dienen te worden, omdat deze een verwoestende uitwerking hebben. Hoezeer mijn broer Jillert en Anne Louis zijn vader door zijn kampervaringen innerlijk is beschadigd blijkt wel uit het feit dat hij hier slechts zelden over heeft kunnen praten. Toen mijn broer net weer thuis was, heb ik hem uiteraard naar zijn kampervaringen gevraagd. Hij had echter al zijn ervaringen en emoties in zichzelf opgesloten. Het lukte hem destijds eenvoudig niet om met wie van onze familieleden dan ook hierover te kunnen spreken. Pas heel veel later heb ik gehoord dat hij iets hierover aan mijn jongere broer Hans heeft verteld. En mijn neef Anne Louis heeft mij verteld dat mijn broer voor zijn overlijden in 2007 gelukkig ook met hem over zijn kampervaringen heeft gesproken. Maar hoewel ik van al mijn broers en zusters altijd de beste band met mijn broer Jillert heb gehad – iets dat mijn neef Anne Louis trouwens ook direct na zijn vaders overlijden in 2007 aan mij heeft bevestigd – heeft mijn broer in heel zijn leven het innerlijk nooit kunnen opbrengen om iets van zijn kampervaringen met mij te kunnen delen. Iets wat hem – daar heb ik hem goed genoeg voor gekend – veel moeite en veel verdriet moet hebben gegeven.”

Op deze foto in 2004 staan vijf van de zeven kinderen van de in 1945 in Lisse wonende Ford-garage-eigenaar Jillert Cammenga sr. en diens echtgenote Annie (Antje) Kuyper. Ook deze kinderen woonden tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Heereweg 148. Op de voorste rij van links naar rechts: Tiny, Gré en Ans Cammenga. Op de achterste rij staan links Jillert jr. (overleden op 21 juli 2007 in Doorn) en zijn jongere broer Hans Bernhard Cammenga. De oudste twee dochters uit dit gezin Nita en Bep Cammenga staan niet op deze foto. Bep was reeds in 2002 overleden. Nita overleed in 2009 en ligt begraven op het kerkhof in Lisse (Bron: archief A.L. Cammenga).

Dankzij al deze verkregen getuigenverklaringen wordt thans volledig recht gedaan aan het verhaal van de razzia van woensdag 7 maart 1945 en aan de lotgevallen tijdens die rampzalige dag in Lisse van de 19-jarige Lisser Jillert Cammenga en dat van 39 andere jonge mannen uit dezelfde plaats. Deze mannen en hun families hebben er zonder meer volledig recht op dat deze diep ingrijpende en indrukwekkende dag in hun levensgeschiedenis nooit meer zal worden vergeten. Datgene wat hen op die bewuste woensdag 7 maart 1945 is overkomen is hen namelijk op afgrijselijke wijze opgedrongen door een wrede, fascistoïde, dictatoriale bezetter, die niets en niemand ontzag. Deze toenmalige jonge Lissers en hun families verdienen het – hetzij bij leven; hetzij postuum – dan ook dat hun geschiedenis voorgoed voor het nageslacht wordt bewaard. Daarmee wordt aan hen en aan hun dierbaren in zowel maatschappelijk als in menselijk opzicht in ieder geval in de geschiedvorming van Lisse zoveel mogelijk recht gedaan. Hiermee wordt aan deze 40 jonge mannen voorgoed een plek gegeven in de geschiedenis van Lisse.
Daarnaast is hun verhaal zowel nu als in de toekomst een belangrijke waarschuwing tegen dictatuur en fascisme. Ook mede daarom is het van groot belang dat deze razzia in Lisse op die afschuwelijke woensdag 7 maart 1945 nóóit meer vergeten wordt !!!

Informatiecentrum Tweede Wereldoorlog
Anne Louis Cammenga
Directeur
Antonlaan 432
3701 VT ZEIST
Tel.: 030-6939412
E-mail: AnneLouisCammenga@gmail.com
Website: www.iwoii.nl

Voor reacties, vragen óf aanvullingen op dit artikel kunt u contact opnemen met de schrijver van dit artikel de heer Anne Louis Cammenga of met Vereniging Oud Lisse

 

Station Lisse 100 jaar oud

Door Frits Treffers

 

Het Lissese Station vlak na de ingebruikstelling in 1905

 

Het station van Lisse bestaat honderd jaar.

Uw Vereniging Oud Lisse heeft een bijzondere band met dit gebouw, want zij behoedde het in 1993 voor sloop. Thans is het een Rijksmonument en wordt het heel succesvol gebruikt als restaurant.

Begin 1840 kreeg de gemeente Hillegom bericht dat de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.) toestemming had gekregen om een spoorlijn tussen Haarlem en Leiden aan te leggen. Deze lijn zou evenwijdig gaan lopen aan de Haarlemmer Trekvaart. Zowel in Hillegom als in Lisse was een halte gepland.
Hiertegen kwamen drie grondeigenaren in het geweer. Eén van hen was de heer Leembruggen, eigenaar van het landgoed Veenenburg op de grens van Hillegom en Lisse. Die stelde een ander tracé voor, maar de minister weigerde. Ook de gemeente Lisse was tegen, want het door Leembruggen voorgestelde tracé zou het dorp Lisse isoleren. Leembruggen bleef zich evenwel verzetten. Hij wilde het recht hebben om de trein nabij Veenenburg te laten stoppen, zodat zijn kinderen gemakkelijker naar hun school in de stad konden reizen.

Hinder
In 1901 deed de rechter eindelijk definitief uitspraak. ‘De behoorlijke uitoefening van de spoorwegdienst werd (door het idee van de heer Leembruggen) gehinderd, omdat er te vaak gestopt moest worden.’
Zo werd op 12 september 1904 ’s middags om half twee in het Centraal Personen Station te Amsterdam (in het lokaal naast de Wachtkamer 3e Klasse, ingang vestibule) de aanbesteding gehouden van het te bouwen station in Lisse.
Het gebouw werd in Art Nouveaustijl ontworpen door architect D.A.N. Margadant (1849-1945) die omstreeks 1870 in dienst van de H.IJ.S.M was getreden. Hij ontwierp onder meer de stations van Haarlem, Leiden, Santpoort, Amersfoort en het Hollands Spoor in Den Haag. In de details van het Lissese station herkent met het monumentale Haarlemse station! De bouwsom werd begroot op fl. 153.000,-.
Het Lissese station werd in 1905 in gebruik genomen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, in 1945, werd het station uit de dienstregeling geschrapt, omdat de afstand tot de dorpskern te groot was. Het deed een aantal jaren alleen nog dienst in het voorjaar tijdens de Keukenhofweken. In de loop der jaren verpauperde het gebouw sterk. Aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam het op de nominatie te staan om gesloopt te worden. De Nederlandse Spoorwegen zagen handhaving van het gebouw niet meer zitten.

Stationschef Möller
De bemoeienissen met het Station van uw Vereniging Oud Lisse (opgericht in 1991) begon toen mevrouw U.M.Möller-Blom, de echtgenote van de tweede Stationschef met wie zij nog steeds in de Stationswoning op de eerste etage woonde, de aandacht van het bestuur voor het pand vroeg. De Vereniging bestond toen nauwelijks een jaar. De Bouwkundige Werkgroep bestond ook nog maar kort.
Niettemin pakte de groep in juli 1992 de zaak aan. Men bezocht het ondertussen zwaar verwaarloosde pand en vroeg bij de Nederlandse Spoorwegen de bouwtekeningen op.
Men kreeg de beschikking over één tekening, maar wel de belangrijkste. De gevels en de doorsneden stonden er duidelijk op vermeld. Het gebouw bestond uit een hoofdgebouw met op de begane grond loketruimte, twee wachtkamers en een opslagruimte. Daarboven was een woning van twee verdiepingen. Een los staand kleiner gebouw diende vroeger tot toiletruimte. Daartussen was een boog gemetseld., maar die is later afgebroken.
Op het perron was een waterpomp aangebracht. Nog niet zo lang geleden is die pomp weer opgedoken en aan de Vereniging Oud Lisse afgestaan!
Een jaar later, 1993 dus, pakte de VOL de koe bij de hoorns: men slaagde er na slepende onderhandelingen in het Station van de NS te huren voor een periode van twintig jaar met automatische verlenging, tegen een kleine huursom, maar wel met de verplichting het onderhoud voor eigen rekening ter hand te nemen. De Vereniging zei ja, want dit was de enige manier om het pand te behoeden voor sloop zoals de Nederlandse Spoorwegen vast van plan was. De ondertekening van de overeenkomst door voorzitter Den Boer van de VOL en de directie van de Nederlandse Spoorwegen vond plaats op 26 maart 1993.

Het hele station van Lisse was versierd met bloemslingers toen in 1939 de Nederlandse Spoorwegen honderd jaar bestond. Een drietal Nederlandse militairen heeft het zich heel aangenaam gemaakt met een rokertje op het perron. De Duitse inval in mei 1940 stond voor de deur.

Oude staat
Het gebouw werd geheel gerenoveerd en zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht. De oude oliestookinrichting werd vervangen door een propaangasinstallatie. Tijdens het schilderswerk in de wachtkamer van de 3e klasse ontdekte men Jugendstil-patronen op de banken en die versieringen heeft men wederom teruggebracht! In de wachtkamer der 1e Klasse zat een heel fraaie plafondafwerking, maar die moest helaas afgedekt worden door een geluidwerend plafond in verband met het feit dat de bovenwoning nog werd bewoond.

Rijksmonument
Het duurde niet lang of het gebouw kwam op de Rijksmonumentenlijst te staan!
De VOL verhuurt het gebouw sedert 1994 aan de heer John Nederstigt uit Lisse, die er het restaurant De Verloren Koffer in vestigde (feestelijke opening op 6 december 1994), dat vanaf het begin ‘liep als een trein’! Hij was er dan ook in geslaagd de hele inrichting in de oude staat van de jaren dertig terug te brengen en de oude sfeer zo veel mogelijk te handhaven.

 

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

Door G. Schrama

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Inleiding
Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen
In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex.

Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)
In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”. Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35)Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)
Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen.

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Foto G. Schrama 2014

 

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit

 

Komt Lisse van Lux en/of Liusna?