De Vicarie van Sint Servaas te Lisse omstreeks het midden van de 14e eeuw. Deel 2

door Maarten van Bourgondiën

De stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse
De vroegste geschiedenis van de vicarie van Sint Servaas is in nevelen gehuld. De oudste bewaard gebleven verwijzing naar deze vicarie dateert uit 1351. Lisse had in deze tijd nog geen eigen parochiekerk. Het altaar van de vicarie van Sint Servaas was dus gevestigd in de kapel van Lisse. Op basis van de in het eerste deel van dit artikel behandelde akten uit 1351 en 1354 zou de conclusie getrokken kunnen worden dat (een voorouder van) de graaf van Holland de stichter was, aangezien hij in beide jaren het collatierecht bezat. In dat geval is het vreemd dat er niet meer grafelijke benoemingen bewaard zijn gebleven. De betrokkenheid van de graaf vloeide vermoedelijk eerder voort uit de Hoekse en Kabeljauwse twisten die in 1351 een hoogtepunt bereikten. Willem van Beieren was de aanvoerder van het Kabeljauwse kamp. Hij was in een machtsstrijd verwikkeld met de Hoekse medestanders van zijn moeder Margaretha van Henegouwen, gravin van Holland. In de eerste helft van de jaren vijftig van de veertiende eeuw had Willem van Beieren in het graafschap Holland de macht in handen. Veel Hoekse edelen werden verbannen. De goederen en rechten van deze bannelingen vielen toe aan Willem van Beieren. Ze zouden pas weer in 1355 worden teruggegeven aan de vroegere Hoekse eigenaren. Willem van Beieren verzoende zich in dat jaar namelijk met de aanhangers van Margaretha van Henegouwen. Het proces van toe-eigening van de rechten en bezittingen van de Hoekse edelen ging overigens heel snel. Begin februari 1351 werd Willem van Beieren tot graaf van Holland uitgeroepen (graaf Willem V). Op 20 februari begon hij een huldigingstocht langs de steden Haarlem, Alkmaar en Amsterdam, en op 24 februari bemoeide hij zich al met het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas in Lisse (hij verbleef toen overigens in Haarlem, de eerste stad van zijn huldigingstocht) [1].

Er waren verscheidene Hoeksgezinde adellijke families met bezittingen en rechten in (de omgeving van) Lisse: Van Heemstede, Van Bentheim en Dever. In navolging van A.M. Hulkenberg ben ik van mening dat het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas oorspronkelijk toebehoorde aan een lid van één van deze tot het Hoekse kamp behorende adellijke geslachten [2]. Het adellijke geslacht Van Sassenheim wordt door Hulkenberg niet genoemd. Dat is op zich niet zo vreemd. Deze adellijke familie stond halverwege de veertiende eeuw namelijk op de rand van uitsterven, en van enige partijkeuze in het Hoekse en Kabeljauwse conflict is verder niets met zekerheid bekend (de Haarlemse schout Jan van Sassenheim schijnt echter trouw geweest te zijn aan Willem van Beieren) [3]. Nadat Dirk van Sassenheim in 1345 was gesneuveld in de slag bij Staveren, ging een belangrijk deel van zijn bezittingen en rechten (waaronder het Huis te Sassenheim) over in handen van zijn nicht Elisabeth van der Made. Elisabeth was getrouwd met Filips van Polanen, een voorvechter van de Hoekse zaak. Filips behoorde dan ook tot de groep edelen die werd verbannen en waarvan de rechten en bezittingen toevielen aan Willem van Beieren. Hoewel bewijzen ontbreken, is het mogelijk dat de vicarie van Sint Servaas was gesticht door een lid van de familie Van Sassenheim, waarna het collatierecht omstreeks het midden van de veertiende eeuw via Elisabeth van der Made in bezit kwam van Filips van Polanen. Aan het bovengenoemde rijtje met potentiële stichters, kan volgens mij dus ook de familie Van Sassenheim worden toegevoegd (misschien dat daarom net als bij de kerk van Sassenheim voor een IJsheilige werd gekozen).
Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kwam het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas korte tijd in handen van de graaf van Holland. Vandaar dat Willem van Beieren in 1351 en 1354 betrokken was bij de benoeming van een nieuwe vicaris. In 1355 moet de oorspronkelijke Hoekse eigenaar het collatierecht weer terug hebben gekregen. De eerstvolgende vicaris zal dan door een lokale edelman zijn benoemd. Dat gebeurde zeer waarschijnlijk na 1372, want op 29 juni 1372 trad de eerder genoemde priester Willem Pyl, vicaris van de kapel in Lisse, samen met priester Gerrit Visser nog op als getuige voor priester Pieter Ludolfszn. [4]. In tegenstelling tot de grafelijke akten zijn de collatieakten van lokale edelen vaak niet bewaard gebleven. Daarom is het op dit moment helaas niet mogelijk de precieze identiteit te achterhalen van de stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse. Misschien dat toekomstig onderzoek dat nog aan het licht kan brengen.

Noten
[1] J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late middeleeuwen (Leuven 1995) 123-124.
[2] Hulkenberg, De Aagtenkerk, 15.
[3] Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen (Hilversum 2001) 439.
[4] C. Hoek, “Bronnen tot de geschiedenis van het Sint Ursulaconvent te Schiedam”, in: Ons Voorgeslacht 23e jaargang no. 172 (december 1968) 249-304, aldaar 250-251; hier wordt hij echter priester Willem Pyn genoemd.

 

DE VICARIE VAN SINT SERVAAS TE LISSE OMSTREEKS HET MIDDEN VAN DE 14e EEUW DEEL 1

Door Maarten van Bourgondiën

Inleiding
Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland en Rooms-koning van het Heilige Roomse Rijk, een kapel in Lisse. Aangezien de latere parochiekerk van Lisse was gewijd aan Sint Agatha, ligt het in de lijn der verwachting dat de kapel eveneens aan deze heilige was opgedragen.
Het is daarom opmerkelijk dat er in 1351 wordt gesproken over een kapel ter ere van Sint Servaas. Bij nader inzien blijkt het echter om een kapelanie (of vicarie) te gaan. In dit tweedelige artikel zal ik wat dieper ingaan op deze vicarie.

De dorpskerk van Lisse in de zeventiende eeuw. Hier stond in de middeleeuwen de aan Sint Agatha gewijde kapel.

De dorpskerk van Lisse in de zeventiende eeuw. Hier stond in de middeleeuwen de aan Sint Agatha gewijde kapel.

 

Wat is een vicarie?
Tijdens de Middeleeuwen kwam het regelmatig voor dat edellieden of gegoede burgers een vicarie stichtten in een parochiekerk of kapel [1]. Er werd dan een priester aangesteld die met een zekere regelmaat memoriediensten moest houden. Dat wil zeggen dat hij missen moest lezen voor de ziel van de stichter van de betreffende vicarie en voor de zielen van zijn familieleden, om zo de tijd in het vagevuur te bekorten. De priester die aan een dergelijke stichting verbonden was, werd vicaris genoemd. In veel gevallen was hij een familielid van de stichter, want die had namelijk het recht om de vicaris voor te dragen: het zogenoemde collatierecht.
Na het overlijden van de stichter kwam dit collatierecht in handen van zijn erfgenamen.
Om er voor te zorgen dat de vicaris in zijn levensonderhoud kon voorzien, ging de stichting van een vicarie gepaard met de schenking van landerijen of andere goederen (waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de vicaris). Bij een vicarie moesten deze goederen geestelijk worden gemaakt (d.w.z. onder geestelijk recht worden gebracht). Daarnaast diende de stichting door de bisschop van Utrecht te worden bekrachtigd. Bleven de geschonken goederen daarentegen wereldlijk, dan werd er niet gesproken van een vicarie, maar van een officie. Bij een vicarie kon de priester die de missen opdroeg niet worden afgezet, terwijl de priester van een officie wel afgezet kon worden.

Middeleeuws voorbeeld van Sint Servaas. In zijn rechterhand de sleutel der Hemelpoort die hij van Petrus had gekregen (website Iconen Atelier ‘Sint Servaas’ in Maastricht).

Sint Servaas

Het is niet bekend waarom de vicarie in Lisse aan Sint Servaas werd gewijd, maar blijkbaar had deze heilige een speciale betekenis voor de stichter.
Sint Servaas wordt ook wel Servatius van Maastricht genoemd. Hij was omstreeks 340 na Christus bisschop van Tongeren. Later verhuisde Sint Servaas zijn bisschopszetel naar Maastricht, alwaar hij de eerste kerk op Nederlands grondgebied bouwde. Hij was één van de belangrijkste tegenstanders van het Arianisme, een stroming binnen het vroege christendom die het dogma van de drie-eenheid niet accepteerde (de Arianen ontkenden de goddelijkheid van Jezus). De naamdag van Sint Servaas is 13 mei (volgens de overlevering zou hij namelijk op 13 mei 384 zijn overleden). Samen met Sint Mamertus (11 mei), Sint Pancratius (12 mei) en Sint Bonifatius van Tarsus (14 mei) behoort Sint Servaas tot de zogenoemde IJsheiligen. Dat zou kunnen verklaren waarom de vicarie in de kapel van Lisse aan Sint Servaas werd opgedragen. Lisse maakte in de dertiende en veertiende eeuw op kerkelijk gebied namelijk deel uit van de parochie van Sassenheim. De beschermheilige van deze parochie was Sint Pancratius. Misschien koos men bij de stichting van de vicarie in de kapel van Lisse daarom eveneens voor een IJsheilige.

Vicaris Willem Terninc
Op 24 februari 1351 richtte hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, een verzoek aan de aartsdiaken van de Dom van Utrecht om de priester Willem Terninc aan te stellen als vicaris van de vicarie van Sint Servaas in Lisse [2]. De naam van zijn voorganger is niet bekend. Willem van Beieren verklaarde slechts dat de vicarie in 1351 onbezet was. Willem Terninc is niet zo lang vicaris geweest. Hij overleed in 1354, waarna Willem van Beieren op 8 december 1354 Willem Pyl tot zijn opvolger benoemde.
Er is maar weinig bekend over de carriére of de familie van Willem Terninc. Hij wordt voor het eerst genoemd op 13 juni 1332. Op verzoek van Elisabeth Simonsdr. Nagel zegelde priester Willem Terninc toen samen met enkele andere personen een oorkonde [3]. In deze oorkonde vroeg Elisabeth toestemming aan de abt van de abdij van Egmond om een vicarie te stichten in de kerk van Voorhout. Elisabeth wilde haar neef Willem Janszn. Nagel benoemen tot vicaris. Daarnaast was zij van plan om al haar landerijen (uitgezonderd de ‘Poorterscamp’) aan deze vicarie te schenken. Na de dood van Elisabeth Simonsdr. Nagel diende het collatierecht over te gaan op haar broer Jan Simonszn. Nagel. Was hij op dat moment ook al overleden, dan moest het collatierecht overgaan in handen van twee andere leden van de familie Nagel en ten slotte in handen van de abt van Egmond. Ik ben hier wat dieper op ingegaan omdat het een aardig beeld geeft hoe het er bij de stichting van de vicarie van Sint Servaas in Lisse aan toe kan zijn gegaan.

Voorhout in de zeventiende eeuw, met het kerkje waar Albert Terninc in de veertiende eeuw als pastoor aan verbonden was.

Priester Willem Terninc was vermoedelijk een kleinzoon van de Willem Terninc die in het laatste kwart van de dertiende eeuw een berkenbos rooide in de ambachtsheerlijkheid Heemstede. Het vrijgekomen stuk land werd op 5 december 1284 door graaf Floris V verkocht aan Jan ver Aleydensone (= Jan, zoon van vrouwe Alijd) uit Haarlem, wiens nageslacht de naam ‘Van Berkenrode’ aannam en belangrijke stedelijke functies vervulde in Haarlem. Het woord “terninc” betekende volgens het Middelnederlandsch Woordenboek ‘dobbelsteen’ [4]. Het is een oude spellingsvariant van “teerling” (zie bijvoorbeeld de uitspraak ‘de teerling is geworpen’). In de bronnen wordt ook wel gesproken over “tarninc” of “tairninck”.

De familienaam Terninc vinden we in de eerste helft van de veertiende eeuw ook terug in Voorhout. Op 29 juni 1339 gaf Albert (of Albrecht) Terninc, pastoor van Voorhout, samen met Stase Loefszn. uit naam van de abt van de abdij van Egmond een huis in eigendom aan Gerrit Hugezn. [5]. Pastoor Albert Terninc was de opvolger van Hugo Pollaart, die in 1332 als pastoor van Voorhout wordt vermeld. De vroegste vermelding van Albert Terninc dateert van 24 september 1318 toen hij werkzaam was als kapelaan in Noordwijk [6]. Vermoedelijk was hij een broer van priester Willem Terninc. Er is onder andere een testament van Albert Terninc bewaard gebleven d.d. 18 augustus 1349. Volgens dit testament dienden zijn in Noordwijk gelegen goederen gebruikt te worden voor de stichting van een vicarie in het cisterciënzerinnenklooster Ter Lee in Noordwijkerhout. Dit klooster was in 1261 door de broers Arnoud en Walewijn van Sassenheim gesticht en werd ook wel ‘Leeuwenhorst’ genoemd. Daarnaast gaf Albert Terninc zijn goederen in Monster aan de armen die door het klooster Ter Lee werden verzorgd. Zijn huis in Voorhout vermaakte hij aan de plaatselijke kerk. De inkomsten die hieruit voortvloeiden, moesten door de kerk van Voorhout worden geïnvesteerd in renten om wijn, hosties en kaarsen te kopen. Albert Terninc schonk de rest van zijn bezittingen (waaronder zestien morgen land in Maasland) aan het door hem gestichte gasthuis in Noordwijk. Dit gasthuis stond in de huidige Kerkstraat tegenover de Sint Jeroenskerk [7].
wordt vervolgd

Noten
[1] Hanno Brand, Over macht en overwicht. Stedelijke elites in Leiden (1420-1510) (Leuven/Apeldoorn 1996) 341.
[2] A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 13; het graafschap Holland maakte deel uit van het aartsdiaconaat van de Dom van Utrecht.
[3] Noord-Hollands Archief (NHA), Inventaris van het archief van de Abdij van Egmond, Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 220.
[4] E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek dl. V (‘s-Gravenhage 18..), kolom 140.
[5] NHA,Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 257.
[6] Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994) 594.
[7] C. Hoek, “Acten betreffende De Lier, Maasland en Schipluiden”, in: Ons Voorgeslacht 46e jaargang no. 416 (mei 1991) 204-235, aldaar 222 en De Moor, Verborgen en geborgen, 448.

 

‘DE STATENVERTALER Ds.WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 2

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

In deel 1 werd de persoon Willem Baudartius beschreven en werd zijn relatie met Lisse uitgelegd. Zijn belangrijke werken komen in dit deel aan de orde.

Geschiedschrijver en Statenvertaler
Daarmee zijn we toe aan de buitengewone dingen, die de naam Baudartius hebben doen voortleven. Dat zijn er twee. Ten eerste heeft hij enkele boeken geschreven, vooral over de Nederlandse geschiedenis. Ten tweede is hij in 1618 door de synode van Dordrecht aangewezen als één van de zes theologen, aan wie de nieuwe vertaling van de bijbel werd toevertrouwd. De boeken die hij schreef worden tegenwoordig alleen nog gelezen door beroepshistorici. Zijn werk als vertaler is aan iedereen bekend die gewoon is de bijbel te lezen in wat wij de statenvertaling noemen. Die vertaalarbeid begon hij in de laatste fase van zijn leven, toen hij de zestig reeds gepasseerd was. Zijn boeken had hij toen al geschreven, en het ligt dus voor de hand dat we daar onze aandacht het eerst op richten.
Het heeft niet veel zin, de hele catalogus van Baudartius’ werken in alle details door te lopen. We zullen er twee uitlichten die ook verreweg de belangrijkste zijn: de Morgenwecker, en de Memoryen. Beide zijn elk op hun eigen manier heel bijzondere boeken.

Morgenwecker
De Morgenwecker is voor het eerst verschenen in 1610. De Morgenwecker is een korte geschiedenis van de strijd tussen de Nederlanders en de Spanjaarden. Baudartius vertelt hierin uitgebreid over de wreedheden, de bedriegerijen, de verbroken beloften en de verdragen die nooit waren nagekomen door de Spanjaarden; zodat ieder die dit leest een afkeer van de Spanjaarden zal krijgen, en zal wensen dat deze landen nooit weer in hun handen vallen. Dat is dus geschreven in 1610, tijdens het twaalfjarig bestand.
In 1609 was de oorlog tegen de Spanjaarden tijdelijk tot stilstand gekomen. Er waren in ons land toen twee partijen. De ene wilde vrede, en de andere oorlog. Willem Baudartius was omdat hij een Vlaming was een overtuigd aanhanger van de oorlogspartij. Voor hem was de oorlog niet afgelopen, zolang zijn vaderland niet bevrijd was. De Morgenwecker is dan ook een opwekking aan het Nederlandse volk, vooral niet te vergeten waarom het zo bitter noodzakelijk was de strijd tegen Spanje straks weer voort te zetten.
Baudartius heeft met dat boek groot succes gehad. In het eerste jaar kwamen er meteen vijf drukken uit. Korte tijd later verscheen er, in 1614, ook nog een aparte bewerking voor kinderen, onder de titel: “De Spiegel der Jeugd”. In die vorm heeft het enorme opgang gemaakt. We mogen dus zeggen dat Baudartius eer van zijn werk heeft gehad.


Memoryen
In de Morgenwecker kiest Baudartius partij. Dat doet hij ook in zijn grote geschiedwerk, dat bekend staat als de Memoryen. Het is verschenen in 1620, als een overzicht van de meest recente geschiedenis, van 1612 tot 1620. Daar bleek wel vraag naar te bestaan, want in 1624 verscheen een tweede druk, waarin het verhaal tot dat jaar werd voortgezet. De Nederlandse geschiedenis van 1612 tot 1620 gaat over de kerkelijke twisten tussen remonstranten en contra-remonstranten, en over het conflict tussen Maurits en Oldenbarnevelt. Die hele strijd is in 1618 en 1619 beslist. Toen Baudartius zijn boek schreef kende hij dus de afloop al, en dat maakte de constructie van het verhaal gemakkelijker. Hij voelde zich bij de strijd nauw betrokken, en hij beschouwde de uitkomst als een zegen voor de kerk. Daar wilde hij in zijn boek getuigenis van afleggen.

Statenvertaler
De belangrijkste verdienste die Baudartius zich voor het nageslacht heeft verworven is echter niet zijn werkzaamheid als geschiedschrijver. Als zijn naam thans nog met ere genoemd mag worden, is het omdat hij tot de bijbelvertalers heeft behoord. Dat de synode van Dordrecht hem daarvoor zou kiezen lag wel voor de hand. Ten eerste was hij één van de beste kenners van het Hebreeuws, ten tweede had hij voor het vertaalwerk altijd al grote belangstelling aan de dag gelegd. De bestaande Nederlandse bijbelvertaling, gebaseerd op een vertaling van Luther was van zeer matige kwaliteit. Daarom deed de behoefte aan een betere uitgave zich steeds sterker voelen, en ook de overheid erkende dat, door in 1594 Marnix van Sint Aldegonde aan te wijzen als bijbelvertaler. Die heeft echter zijn taak maar zeer ten dele volbracht. Toen hij stierf in 1598 waren slechts enkele fragmenten gereed gekomen. Een paar Hollandse predikanten kregen toen opdracht om verder te gaan, maar veel schot zat er niet in. Het begon de kenners te verdrieten, en de schrijflustige Baudartius heeft zich toen al met de zaak bemoeid, door in 1606 een boekje uit te geven dat geheel aan het probleem gewijd was: de ‘Wechbereyder op de verbeteringh van den Nederlantschen Bijbel’. De synode van Dordrecht heeft de vertalers pas aangewezen in 1618, twaalf jaar na de verschijning van Baudartius’ Wegbereider, en toen zou het nog tot 1637 duren eer hun werk gedrukt was. De noodzaak van een goede bijbelvertaling zag ook de overheid in, en dus begreep zij dat de kosten voor haar rekening moesten komen. Daarom spreken we nog altijd van de statenvertaling. Maar het heeft nog tot 1626 geduurd, eer de vertalers naar Leiden konden reizen om daar samen het vertaalwerk ten uitvoer te leggen. Zes mannen had de synode daartoe aangewezen, en veiligheidshalve waren er enkele plaatsvervangers aan het lijstje toegevoegd. Het bleek wijze voorzorg, want één van de zes was al overleden toen het eigenlijke werk begon.


De drie oorspronkelijk aangewezen vertalers voor het Oude Testament waren wel nog alle drie in leven. Naast Baudartius waren dat Johannes Bogerman, de praeses van de Dordtse synode, en Gideon Bucerus, die predikant was in Veere, en net als Baudartius een Vlaming van geboorte. Twee Vlamingen dus en een Fries voor het Oude Testament. Voor het Nieuwe Testament nog een Vlaming, Antonius Walaeus, en nog een Fries, Festus Hommius. Die vijf hebben de statenvertaling gemaakt. Een Vlaams-Friese coóperatie dus, en niemand uit de provincie Holland. De vertaling van het Oude Testament werd in januari 1633 voltooid. De vertalers zijn vanaf 1626 ruim zes jaar in Leiden bezig geweest met het vertalen. Wat ieder van hen precies gedaan heeft is niet bekend. Bucerus heeft het einde niet gezien. Toen hij stierf in 1631 was hij bezig met Ezechiël 21. Bogerman en Baudartius hebben getweeën het vertalen van de laatste profetenboeken in het Oude Testament voltooid.
Op de vertaling volgde een tweede ronde, waarin het hele werk vers voor vers besproken werd met de zogenaamde revisoren. Pas na die uitvoerige en gedetailleerde controle kon de vertaling naar de drukker. Toen eindelijk op 17 september 1637 de complete gedrukte bijbel aan de Staten-Generaal kon worden aangeboden, waren er negentien jaar verlopen sinds de synode de opdracht had verstrekt. Van het oorspronkelijke zestal vertalers was nog slechts één in leven. Dat was Willem Baudartius. In 1628 had hij al een korte autobiografie geschreven, opdat zijn zoon het verhaal van zijn leven kennen zou. Hij leek toen te denken dat het de hoogste tijd was, want hij schreef dat verhaal, naar hij zelf zegt, in zijn ‘grooten ouderdom’. Hij was toen naar we weten drieënzestig jaar. Hij had in 1640 het voornemen uitgesproken om een verslag te schrijven van het hele vertaalwerk, maar er is niets meer van gekomen, want in datzelfde jaar 1640 is hij overleden.
En dat is dan zijn leven: een dominee met gewone en buitengewone eigenschappen; geen genie, geen begenadigd schrijver, wel een man die met zijn gaven de kerk naar beste vermogen gediend heeft. Eén van de weinigen vooral, wiens werk na zoveel eeuwen nog dagelijks gelezen wordt door de velen die de bijbel het liefste lezen in de vertaling van 1637, de Statenvertaling. Alleen kan niemand ook maar één vers in dat hele Oude Testament aanwijzen, waarvan met zekerheid te zeggen valt: dit is nu Baudartius. Vertalen is nu eenmaal een dienende arbeid, waarbij de persoon van de vertaler geheel op de achtergrond blijft, zeker wanneer het de bijbel geldt. Dat is de geest, waarin de statenvertalers gewerkt hebben, en daarom is ook Willem Baudartius in de anonimiteit gebleven.

 

‘DE STATENVERTALER Ds.WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 1

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

Inleiding
Sinds de hervormde gemeente van Lisse in 1577 werd gesticht, ruim vier en een kwart eeuw geleden, is ze door een hele rij van predikanten bediend. Sommigen stonden er langer en anderen korter.
Niemand heeft er zo kort gediend als Willem Baudartius: Nog geen twee jaar was hij predikant in Lisse. Hij maakte naam door bijzondere dingen te doen. Ondanks al het aparte dat hem kenmerkte was hij kind van zijn eeuw, geworteld in een wereld, die hem vertrouwd was, maar die ons in vele opzichten vreemd is geworden en daarom een uitleg nodig maakt. Het eigene van Baudartius moeten we zien te verbinden met het alledaagse van zijn tijd, want alleen tegen die achtergrond krijgen we hem scherp genoeg in beeld.

Afkomstig uit Vlaanderen
Baudartius is geboren op 13 februari 1565 te Deinze in Vlaanderen. Tegenwoordig zijn niet veel gereformeerde of hervormde predikanten in ons land afkomstig uit Vlaanderen. In zijn tijd was dat heel normaal. De 16e eeuw kende net als deze tijd haar asielzoekers. Slachtoffers van godsdienstvervolging vluchtten naar landen waar ze hun geloof in vrijheid konden belijden. Inwoners van arme landen voelden zich onweerstaanbaar aangetrokken tot rijke landen: de economische vluchtelingen. Zo hadden we hier twee grote immigratiegolven van vluchtelingen omwille van de godsdienst, die naar het tegenwoordige Nederland kwamen, ofwel de Republiek der Zeven Provinciën, zoals het vroeger heette. In de jaren tachtig van de 16e eeuw kwamen ze uit Brabant, Vlaanderen en de Waalse gewesten; honderd jaar later uit Frankrijk: de protestantse hugenoten. Daar tussendoor was er een gestage instroom van economische migranten, armen die hier de rijkdom kwamen opzoeken, en die vooral uit Duitsland afkomstig waren. Zo gezien is er niets nieuws onder de zon, maar er was natuurlijk wel een belangrijk verschil met de tegenwoordige tijden. Al die nieuwkomers zagen er namelijk net zo uit als de ingeborenen. In de tweede generatie waren ze meestal reeds volkomen aangepast. Vrij veel autochtone Nederlanders stammen af van 17e eeuwse immigranten. Tot zo’n familie behoorde ook Baudartius. Baudartius’ vader vertrok uit Vlaanderen omwille van de godsdienst. Hij had zich in Deinze gevoegd bij de calvinisten, en was daar in 1566 tot ouderling gekozen. De gemeente leidde een ondergronds bestaan en stond aan vervolging bloot. Baudartius senior is in datzelfde jaar nog gevlucht naar het voor protestanten veilige Engeland. Daar kwam enkele maanden later ook zijn vrouw met de kinderen, in 1567. Onze Willem Baudartius was toen twee jaar. Hij heeft dus zijn eerste vorming en onderwijs op Engelse bodem ontvangen. Hij leerde daar de Engelse taal terwijl de Nederlanders in die tijd, als ze een vreemde taal spraken, meestal het Frans leerden. Baudartius leerde het Engels gewoon op straat, vertelt hij zelf, ‘met de Engelse kinderen spelende’.

Groot taalgevoel
Later was hij die taal genoeg meester om zonodig in het Engels te preken. Baudartius moet een goed gevoel voor talen gehad hebben. Zijn opleiding is er ook naar geweest. Het waren talen voor en talen na. Dat had hij aan zijn moeder te danken. Moeder Baudartius had hem als een tweede Samuël van jongsaf aan bestemd voor de kerk. Zij wilde dat haar zoon dominee zou worden, en dus ging Willem eerst naar de Franse, en al spoedig naar de Latijnse school in Sandwich en Canterbury. Hij leerde niet alleen het Engels op straat en het Nederlands in huis, maar op school ook nog Frans, Latijn, Grieks en Hebreeuws, en later in zijn studietijd heeft hij zich nog het Duits eigen gemaakt. Hij kon, zei hij later, in vier talen preken: Nederlands, Frans, Duits en Engels. Baudartius kreeg van jongsaf de opleiding die hem geschikt maakte voor het beroep van predikant. Dat begon in Engeland en ging verder toen de familie in 1576 terugkeerde naar Vlaanderen. De vader was al in 1574 gestorven aan de pest. Zijn weduwe bleef redelijk bemiddeld achter, want in Gent kon ze de verdere studie van haar zoon bekostigen. In 1576 waren de geloofsvervolgingen in Vlaanderen tijdelijk voorbij, Willem van Oranje had het er voor het zeggen. Daar profiteerden de calvinisten van, vooral in Gent, toen de meest calvinistische stad in heel de Nederlanden. Daar ontving de jonge Baudartius acht jaar lang onderwijs en dat stempelde zijn hele leven: Hij werd gevormd als calvinist, en zou dat altijd blijven. Gent moest hij verlaten toen de stad in 1584 door de Spanjaarden onder leiding van Parma heroverd werd. Baudartius was toen negentien jaar, oud genoeg om de overstap te maken van de school naar de universiteit. Hij had in Gent Griekse en Latijnse schrijvers gelezen, en de Hebreeuwse grammatica geleerd. Dat bleef ook bij de universitaire studie het voornaamste: vertrouwd raken met de talen. Hij studeerde Hebreeuws en theologie in Leiden en daarna aan de pas gestichte Friese hogeschool in Franeker. Vervolgens studeerde hij gedurende een korte tijd aan de calvinistische universiteit in Heidelberg. Uiteindelijk voltooide hij zijn studie in Franeker.

Hij kwam in Heidelberg eigenlijk al niet meer als student binnen. Alle wetenschap steunde op twee peilers: kennis van de bijbel, en kennis van de Griekse en Latijnse schrijvers. Wie daar jong mee begon en over een goede aanleg beschikte kon al vroeg een hoog niveau bereiken. Jonge professoren waren volstrekt geen uitzonderingen, en de uitblinkers konden op twintigjarige leeftijd al wel hoogleraar zijn. Baudartius had het kunnen worden in 1592, toen hij 26 jaar oud was. De Heidelbergse universiteit bood hem toen een leerstoel aan voor de gewijde talen. Hij had toen klaarblijkelijk al naam gemaakt als kenner van het Hebreeuws, en dat zullen we in het vervolg van zijn levensloop ook bevestigd zien. Hij heeft echter voor de eer bedankt. Hij gaf er de voorkeur aan predikant te worden. Met dat doel is hij naar de Nederlanden teruggekeerd.

Predikant in Kampen (1593-1596)
Hij vestigde zich in Kampen en werd daar prompt beroepen. Dat was een eervol begin. Het was voor elke dorpsdominee een onderscheiding, wanneer hij in een stad werd beroepen. Baudartius was nog niet eens predikant toen ze hem in de stad Kampen begeerden. Hij moet dus een man geweest zijn met opvallende kwaliteiten. Ook in onze tijd worden dominees gewoonlijk in de eerste plaats beoordeeld op hun preektalent. In de 16e eeuw was dat nog veel meer het geval. Catechisatie gaven ze niet, dat deden de schoolmeesters.
Aan zielzorg hoefden ze niet veel tijd te besteden. Van hen werd wel verwacht dat ze bij de zieken langs zouden gaan, maar de belangrijkste taak was het preken. En als dus Kampen de jonge Baudartius aan de kerk wilde verbinden, dan moet hij een echte kanselredenaar zijn geweest.
We weten nu dat Baudartius vlijtig was, en intelligent, met een speciale gave voor het leren van talen, en welsprekend op de stoel. We kunnen er nog een eigenschap aan toevoegen. Hij wist heel goed wat hij wilde, en voer dan zijn eigen koers. Kampen kreeg hem als predikant, maar toen hij aan de verwachtingen beantwoordde, wilden ze hem ook houden. De stadsoverheid verlangde van de jonge Baudartius de belofte, dat hij zich voor zijn leven aan Kampen verbinden zou. Maar Baudartius weigerde. Hij wilde niet, omdat hij uit Vlaanderen kwam. In de zestiende eeuw vormden noord en zuid één geheel, en ze zijn pas uit elkaar geraakt door de opstand onder leiding van Willem van Oranje. De bedoeling van de opstand was echter om in al de Nederlandse provincies tussen de Franse grens en de Waddenzee een einde te maken aan de geloofsvervolgingen, en ruimte te vinden voor de vestiging van een vrije protestantse kerk. Zo heeft Baudartius het ook altijd gezien. De strijd tegen de Spanjaarden zou in zijn ogen pas afgelopen zijn, als ook Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en al die Zuidnederlandse provincies bevrijd waren. Als het zo ver zou komen, dan wist hij wat hem te doen zou staan. Dan moest hij terug naar Vlaanderen om de kerken van zijn geboorteland te dienen.

De bevrijding van de zuidelijke gewesten is niet tot stand gekomen. Baudartius heeft Vlaanderen nooit teruggezien. Kampen heeft hij evenwel moeten verlaten. De stad heeft hem onmiddellijk de dienst opgezegd. Wilde hij zich niet vast verbinden, dan moest hij maar meteen vertrekken. Blijvende gevolgen heeft zijn korte Kamper diensttijd wel gehad, want hij heeft er een vrouw gevonden: Barbara Martens, dochter van een vooraanstaand Kamper regent. Zij was naar Baudartius’ mening klaarblijkelijk de hulp die bij hem paste, en ze heeft in elk geval één ding met hem gemeen gehad.

Predikant in Lisse (1596-1598)
Ook Barbara Martens wist namelijk precies wat ze wilde. Haar man kreeg vrijwel direct na zijn ontslag in Kampen de kans zich aan een andere gemeente te verbinden. Het gold opnieuw een Oostnederlandse stad, namelijk het Gelderse Zutphen, dat hem in maart 1596 beriep. Het is niet doorgegaan. Barbara vond het in Zutphen veel te gevaarlijk. Het was toen immers nog volop oorlog tussen Nederlanders en Spanjaarden. Zutphen was pas vijf jaar eerder, in 1591, door Maurits veroverd. De stad lag dicht bij de grens, daar kon zomaar ineens een vijandelijk leger voor de muren opduiken. Zij gaf de voorkeur aan veiliger streken. Zo is het Lisse geworden. Pas daar heeft ze geleerd welke voordelen Zutphen te bieden had. Maar daarover later.
We keren eerst terug naar haar man want die blijft de hoofdpersoon van ons verhaal. Hij was best tevreden met Lisse, ‘een schoon dorp gelegen tusschen Haerlem ende Leijden’. Baudartius voelde zich daar thuis. Hij heeft slechts korte tijd in Lisse gestaan, maar hij werkte er met veel vrucht, want de gemeente groeide. Dat zien we vaker in die tijd, dat een gemeente groeit direct na de komst van een nieuwe dominee. We moeten daarbij bedenken, dat destijds elke zondag in het kerkgebouw twee soorten mensen zaten. In de eerste plaats de lidmaten, de mannen en vrouwen die toegang gekregen hadden tot de viering van het avondmaal. Die lidmaten vormden echter vrijwel overal slechts de minderheid.

Belangstellenden
Daarnaast was er een grotere groep – veel groter dikwijls – van belangstellenden, die wel min of meer regelmatig kerkten, maar er niet toe kwamen de volgende stap te zetten door zich als lidmaten bij de gemeente aan te sluiten. Die worden de liefhebbers van de gereformeerde religie genoemd. Ze zijn niet vreemd aan de kerk, maar ze horen er toch niet echt bij want ze zijn geen lidmaten.
Een bijzondere aanleiding in hun persoonlijk leven kon daar verandering in brengen, bij voorbeeld als ze gingen trouwen. Maar er kon ook sprake zijn van een meer algemene aanleiding die een hele groep van liefhebbers tegelijk over de drempel trok. Zo’n aanleiding kon liggen in de komst van een nieuwe dominee. Het is geen automatische reactie. Niet elke nieuw aangetreden predikant bereikt dat effect. Als de preken er goed ingingen, als hij de harten van de hoorders wist te treffen, dan had dat ook gevolgen voor de omvang van de gemeente. Dat effect trad meestal snel op, in het eerste jaar van de nieuweling.

Als we dus in Lisse grote groei hebben kunnen waarnemen na de intrede van Baudartius, dan zegt dat ons iets over de kwaliteit van zijn preken. Hij vond weerklank bij de hoorders. Daarom stapten ze over hun aarzelingen heen en werden lidmaten. Baudartius had het in zoverre ook verdiend, dat hij inderdaad aandacht besteedde aan zijn preken. Zelf zei hij het zo, dat hij in Lisse veel tijd had om goede boeken te lezen. Hij bedoelt daarmee dat hij regelmatig studeerde. Dat werd ook van de dominee verwacht. Dat was de belangrijkste vraag bij kerkvisitaties: is hij wel vaak genoeg thuis om te studeren. Dat kwam zijn preken ten goede, en daar zouden alle kerkgangers de meeste baat bij hebben. Baudartius voldeed aan die voorwaarde. De gemeente zal met hem dan ook zeer tevreden geweest zijn.
En toch ging het niet goed in de pastorie van Lisse. Dat lag niet aan Willem Baudartius, maar aan zijn vrouw Barbara Martens. Maar ook daar is dan weer een enkel woord van uitleg bij nodig. Het traktement van een dorpsdominee was niet buitensporig hoog en meestal zou hij proberen er iets bij te verdienen. Sommige predikanten gaven les, anderen hadden aan de universiteit wat medische kennis opgedaan, en er waren er ook die een kamer van hun huis als winkeltje hadden ingericht. Maar de meest gebruikelijke manier om bijverdiensten te verwerven was dat de dominee en zijn echtgenote net zo deden als de andere dorpsbewoners, en dus extra inkomsten probeerden te halen uit het boerenbedrijf: twee koeien, een varken, een klein stukje land. Ook Baudartius en zijn vrouw waren tegen wil en dank op veeteelt en akkerbouw aangewezen. Maar de dominee had zijn tijd nodig om preken te maken en goede boeken te lezen, en dus was het vooral Barbara Martens die de koeien moest melken en de moestuin verzorgen. Daar was de Kamper burgemeestersdochter niet voor opgeleid. Het duurde niet lang of ze kreeg spijt van het vertrek naar Lisse. Ze begon er bij haar man op aan te dringen dat hij naar een stadsgemeente zou omzien. En toen kwam dan het vroeger versmade Zutphen opnieuw in beeld. Daar bleek men nog altijd Baudartius te begeren. In 1598 werd hij te Zutphen in de dienst bevestigd, en in die stad zou hij in 1640 overlijden.
Wordt vervolgd.

 

DE ´VERPLAATSING´ VAN HET GEMEENTEHUIS, 1848

Door R.J. Pex

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel VII

Inleiding
In een vorig deel uit de serie politierapporten vernamen we al dat de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse, en de logementhouder van de Witte Zwaan, J.P. Rotteveel, niet zo goed met elkaar door één deur konden. Zo was de burgemeester op een kwade dag met twee personen op weg naar het station, dat in die tijd ver buiten het dorp was gelegen, nabij de buitenplaats Veenenburg, aan het einde van de Zwartelaan (zo genoemd vanwege het vele aanwezige geboomte aldaar). De burgemeester was met ze meegegaan om ze de weg te wijzen. Plotseling hoorden ze achter zich een luid rumoer: de logementhouder van de Witte Zwaan bracht per koets een paar aangeschoten gasten naar het station. Even later waren ze in conflict met de burgemeester, die ze bij de kraag vatten en overlaadden met gevloek en getier. En de logementhouder stond erbij en keek ernaar. Dat zette kwaad bloed bij de burgervader, maar ook bij het Gemeentebestuur.
Ook in dit deel zal de wanverhouding tussen de burgemeester en J.P. Rotteveel een belangrijke rol spelen. Dus blijft u aandachtig lezen.

Een ‘vreemde en onhebbelijke’ houding
De situatie werd er niet beter op. De ‘vreemde en onhebbelijke’ houding van Rotteveel tegenover burgemeester en assessoren was aanleiding voor nog een tweetal voorvallen, waarbij de logementhouder zich niet ontzag ‘zich tegen hem (de burgemeester) en het bestuur in tegenwoordigheid van anderen beleedigend uittelaten’.

Er moet een besluit genomen worden
Sinds zeer lange tijd fungeerde de Witte Zwaan als ‘rechthuis’, ofwel in hedendaagse termen als gemeentehuis. Er werd dus met regelmaat vergaderd en recht gesproken. Zolang de verhouding tussen de kastelein en dorpsbestuurders goed te noemen was, was er natuurlijk geen vuiltje aan de lucht. In 1848 waren er echter inmiddels al een paar aanvaringen geweest en de burgemeester begon zich nu af te vragen of niet naar een andere locatie moest worden uitgezien waar men kon vergaderen en recht spreken. Hij besloot het in te brengen bij de Gemeenteraadsvergadering van 26 september 1848. Het zag er naar uit dat er een belangrijk besluit genomen moest worden.

Het Oude Raadhuis komt in beeld
Het voorstel van burgemeester J.C. van Rosse aan de gemeenteraad luidde om “bij provisie”, dus voorlopig, het zogenaamde Oude Raadhuis te gebruiken als gemeentehuis. Het Oude Raadhuis bevond zich aan het Vierkant ter plaatse van de latere Algemene Bank Nederland, dus waar nu Oud Raadwijk in aanbouw is. Het was sedert 1765 van het Baljuwschap van Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse. Baljuw en welgeboren mannen vergaderden hier en er was ook een gevangenis. Mogelijk was het vanwege de vergaderingen van genoemde raad van de baljuw en welgeboren mannen dat men het gebouw later Het Oude Raadhuis is gaan noemen. In ieder geval fungeerde het vóór 1848 zeker niet als gemeentehuis, wat de naam wél doet vermoeden. In 1848 was er echter allang geen baljuw meer. We lezen dan ook dat “reeds sedert bijna eene halve eeuw” de gemeente belast was met het onderhoud van het bewuste gebouw aan het Vierkant. Ook wist men niet beter of de gemeente Lisse trad als eigenaar op. Toch besloot men in de gemeenteraadsvergadering van 27 oktober 1848 om “af te wachten wat door gemelde ambachten of gemeenten wegens mede eigendom mogt gepretendeerd worden”, maar er kwamen geen reacties binnen.

Hoe zal de logementhouder reageren…?
Inmiddels had men het “afkondigingskastje” waaraan huwelijksafkondigingen e.d. op aangeplakt werden, overgebracht van De Witte Zwaan naar Het Oude Raadhuis. Ook was men overgegaan tot aankoop van meubilair “en het verder laten repareren en in orde brengen” van het gebouw. Verder ging men niet. Men was namelijk benieuwd hoe de logementhouder, J.P. Rotteveel, zou reageren! Een beetje kat en muis spel spelen dus. Aangezien het logement De Witte Zwaan altijd al als raadhuis had gefungeerd, verwachtte men dat de logementhouder een genoegdoening zou eisen voor de inkomsten die hij nu mis zou gaan lopen. Maar het bleef akelig stil aan deze zijde van het Vierkant. Rotteveel gaf geen kik! Hij vond het kennelijk best dat de gemeenteraad, waarmee hij immers slecht door één deur kon, nu elders vergaderde.
Reden temeer dus om verder te gaan op de ingeslagen weg. Er moest nog veel gebeuren aan het nieuwe Oude Raadhuis voordat het in gebruik kon worden genomen, waaronder “het aanbrengen van licht in de benedenvertrekken”, de reeds aanwezige tafel “appropriëren” (verbeteren/herstellen) – want in deze zorgelijke tijd was men zéér zuinig! (zie ook het kader) – en het aanbrengen van “eene balie”.

Conclusie
Zo was er dus in 1848 een einde gemaakt aan een lange traditie, waarbij De Witte Zwaan fungeerde als rechthuis. En dat alleen, omdat logementhouder en gemeentebestuur niet met elkaar konden samenwerken. Het gebouw met de opvallend voorspellende naam Het Oude Raadhuis ging nu fungeren als gemeentehuis. Dat is zo gebleven tot in het jaar 1905, toen er een nieuw raadhuis in gebruik werd genomen. Dit werd te klein, zodat, ondanks hevige protesten (“hou heel, geen houweel!”), het gebouw begin jaren tachtig werd gesloopt. Er kwam een nieuw gebouw, wat in 1983 in gebruik werd genomen: het huidige gemeentehuis. Veel Lissers zullen zich wellicht het oude raadhuis uit 1905 nog wel herinneren. Dat zal anders zijn met de voorganger aan het Vierkant, waarvan de lezer de geschiedenis nu vernomen heeft.

“Oude en nietswaardige archieven”
In de vergadering van de gemeenteraad van 26 september 1848 waarbij de burgemeester de raad voorstelde om maar elders te gaan vergaderen, kwam ook nog een ander punt ter sprake. Het ging om de archieven van de gemeente. Men had deze nog maar pas weggehaald uit het leegstaande huis Dever, want het gebouw stond zo langzamerhand op instorten. Met toestemming van de baron Heereman van Zuydtwijck werden deze papieren naar het logement De Witte Zwaan overgebracht. (Dit was namelijk nog juist voordat men van gemeentewege besloot hier niet meer samen te komen). Maar hoe moesten deze documenten nu opgeborgen worden? De aldaar aanwezige kast bood namelijk niet genoeg ruimte. Men wilde geen excessieve kosten maken. Dat kon in deze schrale tijd niet! Aanvankelijk vatte men het plan op om van de restanten van wat ooit verschillende kasten waren geweest in de Kapelzaal van het Huis Dever een nieuwe kast te maken. Zuinigheid troef! Maar voordat men dat plan kon uitvoeren waren de planken al weggehaald… Op genoemde datum van 26 september bracht de burgervader ter tafel “eene tekening van eene archieve kast door den Timmerman AvdZaal gemaakt, met de daartoe betrekkelijke opgave van kosten”. Die kosten bedroegen de somma van 65 gulden. Dit vond de raad een veel te hoog bedrag! Dan moest er maar besloten worden “tot opruiming van oude en nietswaardige (!!!) archieven, des noods bij verkoop”. Wel ja! En indien er dan nóg geen ruimte was, nou ja, dan moest er maar een kast gekocht worden. Maar dan wel “eene zoodanige oude kast”! Anders kon men net zo goed de plaatselijke timmerman Van der Zaal inschakelen.

Het leegstaande Huis Dever, ca. 1845. Steendruk naar een tekening van P.J. Lutgers in Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leijden (1855). A.M. Hulkenberg, ’t Huys Dever (Alphen aan den Rijn 1981), p. 51.

De Witte Zwaan gezien vanuit het zuiden. Voor de fraaie serre staan nog bomen, alsook een houten fietsenrek met het opschrift ‘M. Bruynen, Lisse’. De ansicht dateert van ca. 1905. Coll. schrijver.

De Witte Zwaan gezien vanuit het noorden, ca. 1900-1905. Ook hier valt het vele geboomte in het oog. Aan de laatste boom langs de weg in het midden van de ansicht is een bordje aangebracht met waarschijnlijk de tekst: ‘INRIJ voor RIJWIELEN’. Daaronder hangt een vaandel van – waarschijnlijk – de ANWB met als tekst: Vereeniging voor auto’s.

Eén van de weinige ansichten waarop Het Oude Raadhuis goed in beeld is gebracht. Het betreft het tweede huis van rechts. Zo te zien was de omvang van het pand niet echt bijzonder te noemen. Dat was dan ook de reden waarom het gemeentebestuur nog in hetzelfde jaar waarin deze foto vermoedelijk genomen is – het jaar 1905 – een ander, iets ruimer, gebouw betrok, naast de Hervormde Kerk. Ansicht uit coll. auteur.

Het voormalige Oude Raadhuis werd gesloopt in 1921. Ter plaatse verrees de Algemene Bank Nederland, op deze ansicht het tweede pand van rechts. Geheel links zien we het huis van Petrus Coenraad van Vrijberghe de Coningh, vóór die tijd bewoond door Dr. Van Dieren. Ansicht uit coll. auteur.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513 (notulen van de gemeenteraad) en 552 (notulen van het College van B en W).
Website van de Vereniging Oud Lisse, www.oudlisse.nl, “Ordehandhaving en brandbestrijding in de achttiende eeuw, deel 2”, door Maarten van Bourgondiën. Hierin informatie over het Oude Raadhuis.

 

NOGMAALS OVER DE ZWERVER JUDE J. LANDMAN, ca. 1850

Door R.J. Pex

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel VI

Inleiding
IIn de notulen van het gemeentebestuur van rond 1850 valt nogal vaak de naam Landman. Het gaat om Jude Jacob Landman (1790-?). Een oude bekende, want in de politierapporten van 1847 kwamen we hem ook al eens tegen. Geen wonder, want hij zou zijn echtgenote hebben vermoord middels verdrinking in de Gracht. Daarna zou hij naar Leiden zijn vertrokken, waarna niemand meer iets van hem vernam.

Hij duikt weer op.
Totdat hij in 1849 weer opduikt in Arnhem! Het armbestuur aldaar had hem gedurende enige tijd onder haar hoede gehad en nu vroegen ze aan het gemeentebestuur van Lisse of die voor de kosten konden opdraaien voor gedane verpleging, het verstrekken van een hemd, etc.

De Armenwet van 1818
Maar hoe kon het zo zijn dat een zwerver die in een ander deel van het land verbleef, toch ‘onderstand’ kon genieten van, in dit geval, het Burgerlijk Armbestuur of de Heilige Geestarmen van Lisse? Dat had alles te maken met de Armenwet van 1818. Deze bepaalde namelijk dat de geboorteplaats van de betreffende behoeftige ook de plaats was die verantwoordelijk was voor de alimentatie. Ongeacht dus waar hij/zij zich bevond op dat moment! Zo kon het dus gebeuren dat het armbestuur van een bepaalde plaats gedurende het hele leven van zo’n zwerver verantwoordelijk was voor zijn/haar onderhoud. Dat kostte de gemeenschap dus heel wat geld. Bovendien was manipulatie van de kant van de armlastige mogelijk! Hij/zij kon bijvoorbeeld als geboorteplaats een stad of dorp opgeven die over een goed gevulde armenkas beschikte.
Vandaar ook dat Landman diverse verkeerde woonplaatsen had opgegeven. Uiteindelijk had hij nu dus maar voor Lisse gekozen. Maar zo rijk waren de instellingen van liefdadigheid niet in ons dorp.

Zwervers zijn er in Lisse e.o. altijd geweest. Wat te denken bijvoorbeeld van Josie en Dulcinea? Deze ansicht uit ca. 1905 brengt hen in beeld. Coll. auteur.

Amsterdam
De burgervader had helemaal niet zoveel zin om de armenkas prijs te geven aan de willekeur van een zwerver, die nog had gelogen ook! Vandaar dat hij bij andere gemeenten waar Landman zich had opgehouden, te rade ging. Van Rosse (de burgemeester) ontdekte dat Landman ooit in Amsterdam had gewoond. Hij was er zelfs in 1790 geboren! Het was dus wel duidelijk dat Amsterdam voor de kosten moest opdraaien. Maar het Burgerlijk Armbestuur van Amsterdam was in deze net zo min over de brug te halen als Lisse. Ze schreven dan ook een brief terug (een ‘missieve’) aan Van Rosse met de mededeling dat ze niet zeker wisten of Landman inderdaad wel in 1790 in Amsterdam was geboren! Het lijkt haast iets weg te hebben van een slecht bedachte smoes. Landman was echter een lidmaat van de Joodse Gemeente, waardoor hij bijgevolg ook niet voorkwam in de doopregisters van Protestantse of Rooms-katholieke gezindte. Hield de Joodse Gemeente de dopen zelf bij? Nee, nog sterker: er werd in het geheel niet gedoopt bij de Joden! Dit zal de reden zijn geweest dat de Amsterdamse magistraten niet met zekerheid konden vaststellen dat hij aldaar in 1790 het levenslicht had gezien. De bal werd dus weer teruggespeeld naar Lisse.

Signalement voor J.J. Landman, in alimentatie bij het Nederlands Israëlitisch Armbestuur te Arnhem, 1849. GA Lisse.

Bemoeienis van de Provincie
Inmiddels was Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zich met de zaak gaan bemoeien. Die moesten nu dus een uitspraak doen welke plaats gold als het zogenaamde ‘domicilie van onderstand’ voor J.J. Landman. De burgemeester voelde de bui al hangen. Er was namelijk nog een ander artikel van de Armenwet dat voorschreef dat indien een armlastige meer dan vijf jaar in een bepaalde gemeente had verbleven, deze de alimentatieplicht moest overnemen van diens geboorteplaats! En dat was het geval met Lisse! Van Rosse schreef dan ook een uitvoerige brief naar de Commissaris des Konings in Zuid-Holland met de mededeling dat een willekeurige zwerver toch niet zomaar de armenkas kon gaan exploiteren van een gemeente die toch al ieder dubbeltje om moest draaien! Het plaatselijke armbestuur, zo schreef de burgemeester, was evenwel bereid om Landman toch te onderhouden in eten, drinken etc als er maar een duidelijk ‘einde’ berekend kon worden in deze zaak. In dat geval viel erover te praten. Tussen de regels door lezen we dat men toch stiekem hoopte dat Landman niet lang meer te leven zou hebben, vanwege zijn leeftijd (zo’n 60 jaar).

Landman blijft rondzwerven, 1849-1851
Inmiddels had Landman de stad Arnhem alweer verlaten en was gaan rondzwerven in de provincie Gelderland. Het gemeentebestuur van Arnhem verspreidde daarop een signalement (zie afb. 1).

Laatste berichten over Landman
Het laatste wat we lezen over Landman werd besproken tijdens een vergadering van burgemeester en wethouders van 17 januari 1851. We lezen het volgende:
‘Nopens (betreffende) het in de vorige vergadering behandelde betrekkelijk Jude Jacob Landman, wordt gelezen een extract uit het verbaal van het verhandelde bij Gedep. Staten van 3 January jl., waaruit blijkt dat dat College van gevoelen is dat het Israëlitisch Bestuur te Leiden niet als armlastig kan worden aangesproken’.
Waarschijnlijk had het Lissese gemeentebestuur dus nog een laatste poging aangewend om de alimentatieplicht voor Landman te ontlopen, door het Israëlitisch Armbestuur te Leiden aan te merken als het lichaam dat hierin moest voorzien. Landman was immers van Joodse afkomst. En inderdaad, zoals we al eerder vernamen, was hij in 1847 vertrokken naar Leiden. Hij had daar echter maar een paar jaar verbleven, want in 1849 komen we hem weer tegen in Arnhem. En een bepaalde gemeente kon slechts de alimentatieplicht overnemen, wanneer de betreffende behoeftige daar meer dan vijf jaar had verbleven.

Conclusie
Dit is tevens het laatste dat we over onze veelbesproken zwerver in de Lissese archieven tegen komen. Hoe de zaak toch nog tot een einde is gekomen, is onduidelijk. Is Landman inderdaad al vrij spoedig overleden? We weten het niet. Wel bepaalde de nieuwe Armenwet van 1854 dat armenzorg voornamelijk een kwestie was voor de diaconieën in een bepaalde gemeente. Voortaan zou het Burgerlijk Armbestuur (een overheidsinstelling) pas worden ingeschakeld als de diaconieën in gebreke bleven. Op deze manier kon dus de gemeentelijke armenkas gespaard blijven. En inderdaad was dit ook de bedoeling geweest in de kwestie Landman vóórdat deze wet tot stand kwam.
Het lijkt haast ongelooflijk dat het gemeentebestuur van Lisse zich in alle mogelijke bochten wrong, teneinde de alimentatieplicht voor Landman te ontlopen. Overal klopte ze aan (onder meer in Amsterdam), maar zonder resultaat. Op een gegeven ogenblik hoopten ze zelfs dat Landman, vanwege zijn ouderdom, niet lang meer te leven zou hebben. Het was echter een bijzonder schrale tijd, hetgeen kan verklaren waarom het Burgerlijk Armbestuur maar heel krap bij kas was.
Kennelijk werd er ook misbruik gemaakt van de armenkas. Soms wist men toch de mazen in de wetgeving te vinden. Bijvoorbeeld door verkeerde geboorteplaatsen op te geven. Maar is dat niet van alle tijden?

DE LISSESE SPOORWEGKWESTIE

Door R.J.Pex

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel V

Inleiding
In de reeks notulen bespreken we diverse kwesties die zich in het Lisse van de negentiende eeuw afspeelden. Eén daarvan is de Lissese spoorwegkwestie. Wat was de aanleiding en hoe heeft het gemeentebestuur in deze gehandeld?
Problemen met de heer Leembruggen, 1842
Nadat in 1839 de eerste trein was gaan rijden, vatte de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij al gauw het plan op om naar Rotterdam eveneens een spoorwegverbinding aan te leggen. In Lisse zou deze over een drietal landgoederen gaan lopen, te weten van noord naar zuid Veenenburg, Keukenhof en Wassergeest. Met de eigenaren van Wassergeest en Keukenhof viel over de verkoop van de benodigde percelen wel te praten. Anders was dat met de heer Leembruggen, eigenaar van het buiten Veenenburg. Hij wilde best meewerken, maar dan moest daar een tegenprestatie tegenover staan. Dat hield in dat de trein regelmatig stopte op zijn eigen landgoed, waar de HIJSM dan een station moest onderhouden. Die eis hield de Spoorwegmaatschappij voor onredelijk.

De buitenplaats Veenenburg op een ansicht uit circa 1900-1910. Coll. R.J. Pex.

Het station Veenenburg, 1842
Bij het aanleggen van het spoor moest echter een brug aangelegd worden over de Hillegommerbeek, waarvoor men de toestemming nodig had van niemand minder dan…de heer Leembruggen! En natuurlijk kwam deze onmiddelijk weer op de proppen met de reeds eerder gestelde voorwaarden: er moest een halteplaats komen op het landgoed Veenenburg. En zo geschiedde…

Geen stations te Halfweg en Lisse
De trein stopte één keer per dag op het station Veenenburg. Men zag er vanaf om op zo’n korte afstand nog een ander station op te richten op Lissese en/of Hillegomse bodem. Dat had echter als gevolg dat inwoners van Lisse die van de diensten van de trein gebruik wilden maken eerst van het dorp naar de Zwartelaan moesten lopen en vandaar naar het station Veenenburg. Een mooie wandeling in die tijd, dat wel. Maar het deed afbreuk aan het algemeen belang van de Lissese ingezetenen; slechts de heer Leembruggen profiteerde van de nieuwe situatie.

Het verzoekschrift van de gemeente Lisse
Een tijdlang legde de besturen van Hillegom en Lisse zich neer bij dit ‘fait accompli’, maar niet voor lang. In de notulen van de Gemeenteraad van 29 oktober 1850 lezen we dat de gemeente Hillegom een verzoekschrift had ingediend ‘ter bekoming van een station aan de Hillegommerbeek’. Het gemeentebestuur van Lisse besloot in deze zaak niet achter te blijven en besloot eveneens een ‘adres’ aan de Minister van Binnenlandse Zaken te richten. In de betreffende brief legt de burgemeester nogmaals het algemeen belang uit van een halteplaats ter hoogte van Lisse in de buurtschap Halfweg. Afschriften van de brief werden gezonden naar de Gouverneur van Zuid-Holland en de directie van de HIJSM met de vraag om het genoemde verzoek aan de Minister kracht bij te zetten.
In de brief aan de HIJSM wordt onder meer ook vermeld dat de burgemeester overleg heeft gevoerd met de eigenares van Keukenhof, mevrouw Cecilia Maria barones Steengracht. Zij is genegen de benodigde gronden voor de bouw van een station bij Halfweg in gebruik af te staan.
Maar dan komt op 5 december het antwoord binnen. Het is verpletterend. Mede namens de HIJSM wordt medegedeeld dat men aan het verzoek van de besturen wil tegemoet komen, mits deze ook de kosten van vergoeding aan de eigenaar van Veenenburg, te weten een bedrag van f 5000,–, alsmede de kosten van verplaatsing van het station, op zich willen nemen. Er volgt onderling overleg tussen de betrokken gemeentebesturen. Men vindt het voorstel onbestaanbaar en men besluit nogmaals op deze zaak bij de minister aan te dringen, aangezien men de kwestie van voldoende belang acht.

Het verzoek van de brievengaarder
De Lissese brievengaarder gooide er nog een schepje bovenop. Deze fungeerde rond 1850 als een soort postbode: hij bracht de brieven en andere post van Lisse naar het station (Veenenburg) en vice versa. Gezien de grote afstand tussen dorp en station vond de betreffende brievengaarder het onredelijk dat hij wat salaris betreft werd achtergesteld met naburige gemeenten. Het gevolg is dat hij een brief opstelt met verzoek tot gelijkstelling en deze overhandigt aan de burgemeester. Deze stuurt de brief op zijn beurt door, maar maakt van de gelegenheid gebruik om deze te doen vergezellen van zijn eigen commentaar (gedagtekend 28 december 1850).
Het eerste punt wat hij aanvoert is dat de wegen in de winter moeilijk begaanbaar zijn en dat indien de brievengaarder ook nog eens een relatief grote afstand moet afleggen om bij het station te geraken en zo ook weer terug naar Lisse ‘de moed zal laten zinken’.
In het laatste punt maakt burgemeester Van Rosse opmerkzaam dat de gemeentebesturen van Lisse, Hillegom en Noordwijkerhout verzoekschriften hadden gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek om het station Veenenburg op te heffen en in plaats daarvan stations op te richten in het Lissese Halfweg en bij de Hillegommerbeek in Hillegom. ‘Door deze maatregel zoude de afstand voor den Brievengaarder zoo wel te Hillegom als te Lisse op althans de helft minder worden gesteld’, zo beëindigd Van Rosse zijn begeleidende brief. De uitkomst met betrekking tot dit laatste punt hebben we in het voorgaande reeds vernomen en dat impliceerde dat er niets veranderde…

Het einde van de spoorwegkwestie, 1896
Nog jarenlang bleef het station Veenenburg in functie, totdat de HIJSM van het station af wilde. Het kwam aan op een proces met de familie Leembruggen, die aanspraak bleef maken op de oorspronkelijke overeenkomst van 1842. Laatstgenoemden werden in 1895 in het gelijk gesteld.
Maar de Spoorwegmaatschappij gaf zich niet gewonnen. Ze kwam met het slimme plan om te Hillegom en Halfweg hulpstations te bouwen. Op deze manier zou de trein op een traject van elf kilometer zes maal halt moeten houden. De Minister van Waterstaat, die de dienstregelingen moest goedkeuren, verleende hiervoor niet zijn accoord en veranderde mede op advies van de directie van de HIJSM het ontwerp. Dat hield in dat het station Veenenburg kwam te vervallen. De familie Leembruggen kwam in actie en sleepte de Spoorwegmaatschappij voor de rechtbank. Deze beriep zich echter op de Staat. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam aanvaardde het beroep op overmacht van de Maatschappij en veroordeelde de eiser in de kosten. Zo kwamen er in Hillegom en Halfweg nieuwe stations.

Het station Lisse, ca. 1905-1910; ansicht; coll. R.J. Pex.

Naschrift
De politiek is en blijft echter een uiterst veranderlijk fenomeen. Zo werd in augustus 1896 een openbare vergadering gehouden van het Lissese gemeentebestuur. Er was hun medegedeeld dat het station Veenenburg zou worden opgeheven en in plaats daarvan te Hillegom en Lisse nieuwe halteplaatsen zouden komen. Men zou verwachten dat deze nieuwe situatie hartelijk bij het gemeentebestuur zou worden verwelkomd. Maar niets is minder waar. De vergadering nam een motie aan, waarin men zijn ongenoegen te kennen gaf. De opheffing van station Veenenburg zou een ramp wezen voor de gemeente Lisse, die daardoor in haar handelsverkeer gevoelig werd getroffen. Er werd dus een commissie in het leven geroepen die met betrekking tot dit punt in onderhandeling moest gaan treden met de betrokken autoriteiten. Het haalde echter niets uit en zo geschiedde het dat op 1 oktober 1896 de treinen geen halt meer hielden op station Veenenburg, maar – voor het eerst in 54 jaar – doorreden. En dat was tevens het einde van een langslepende kwestie.

Dienstregeling van de Hollandsche IJzeren Spoorweg, 1846. Uit: Hulkenberg (1989), p. 82.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 655.
‘De Lissese spoorwegkwestie’, in: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), pp. 77-83.
A.M. Hulkenberg, ‘Keukenhof’, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), pp. 157-159.

 

MONUMENTENBELEID IN LISSE IN 1851

Door R.J. Pex

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel IV

Inleiding
In dit verhaal wordt de rol van hoofdpersoon vertolkt door Jan Jacob Guldemond. Hij zag in 1827 in Sassenheim het levenslicht, als zoon van de ‘bloemist’ (bloembollenkweker) Jan Guldemond en Maria de Bruin. Ook zoonlief voelde wat voor de nog prille bloembollencultuur en trad in de voetsporen van zijn vader. Op zijn drieëntwinigste jaar (dus in 1840) trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Jacoba van Ingen. Een aantal jaren later vinden we Jan terug in haar geboortedorp, waar hij in de beginmaanden van 1851 ‘een huis met erve’ aankocht van Sara Maria Bedloo, weduwe van Gerardus A. Entinck. En daar begint eigenlijk ons ‘verhaal’

De Grachtweg gezien in oostelijke richting met links het huidige pand van Tibboel op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat, ca. 1918. Rechts de in 1905 aangelegde brug naar de Schoolstraat. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

Het ‘rekest’ aan de gemeenteraad
Het huis dat Guldemond in 1851 aankocht blijkt identiek te zijn met het huidige pand van Tibboel, op de hoek van de Kapelstraat en de Grachtweg. De Gemeenteraad was de mening toegedaan dat het huis ‘het sieraad van de Gracht of haven’ was. Maar Guldemond had daar geen of weinig oren naar. Nog in hetzelfde jaar schreef hij een brief (zonder datum en handtekening) aan de Raad, waarin hij meldde dat het door hem aangekochte huis ‘tot zijn leedwezen’ in slechte staat verkeerde en dus ‘zware reparatien behoeft’, ofwel (in huidige termen) aan een restauratie onderworpen moest worden. Het daaraan belendende koetshuis en paardenstal verkeerden echter ‘in den besten staat’. Guldemond stelde dan ook voor om het oude huis aan de Gracht af te breken en de paardenstal annex koetshuis te doen verbouwen tot herenhuis.

We zijn nu aan de overzijde van de brug van afb. 2 en we kijken de Kapelstraat in. Rechts het tegenwoordige pand van Tibboel met, aan de Kapelstraatzijde, een latere aanbouw, ca. 1925. Ansichtkaart uit coll. schrijver. Geen datum, noch handtekening

 

We lezen verder in de notulen van de Gemeenteraad van 11 maart 1851: ‘De voorzitter (burgemeester J.C. van Rosse) verklaart de zaak in het belang der gemeente van voldoende gewigt te achten om, alvorens die ter competente beslissing van Burgemeester en Assessoren (het huidige College van B&W) te brengen, vooraf het gevoelen der raad daarover te hooren’. Enige souplesse was burgemeester Van Rosse niet vreemd, want ondanks dat het rekest van Guldemond ‘noch datum, noch handtekening draagt’ stelde hij voor om maar verder te gaan, aangezien ‘dit gebrek alleen maar aanleiding tot oponthoud zou kunnen geven’. Anno 2010 ligt dat wel heel anders in gemeenteland!

Tegenstand in de Gemeenteraad
Inmiddels vroegen diverse leden van de Gemeenteraad zich openlijk af, waarom Guldemond niet eerder bekend was met de gebreken aan het pand op het moment dat hij het aankocht. Daarnaast was het de vraag of de paardenstal en het koetshuis wel geschikt waren ‘om hetzelve in Heeren Huizing te veranderen’. Het belangrijkste argument dat een aantal Gemeenteraadsleden te berde bracht, was evenwel dat, in tegenspraak tot wat Guldemond beweerde, het muurwerk van het te slopen pand ‘in den besten en stevigsten staat’ verkeerde!

Het reglement
Bovendien was in 1843 door de Provincie Zuid-Holland een reglement uitgevaardigd op het slopen van gebouwen die zich bevonden binnen de provinciegrenzen. We lezen daarin dat men vrij was om die gebouwen die buiten de bebouwde kom van een dorp of stad lagen, af te breken. Daarbinnen was het echter verboden. Dat was slecht nieuws voor Guldemond, want de bebouwing aan de Gracht ‘volgde in onafgebroken rei (rij) aan de overige gedeelten van het dorp’ en lag dus duidelijk binnen de bebouwde kom! Dit gold echter alleen voor die huizen waarvan de muren ‘verheeld’ waren met de muren van belendende panden. Anders kon aan deze huizen immers schade ontstaan in geval van sloop. En wat bleek nu? De muren van het huis dat Guldemond in 1851 had aangekocht waren niet verheeld met de naastgelegen panden. En dus kon er naar hartelust gesloopt worden! Aldus Guldemond, die nu dacht een goed punt naar voren te hebben gebracht.

De Raad heeft moeite met het reglement
De Gemeenteraad had daar echter wat problemen mee, want dit kon gemakkelijk inhouden dat men ‘op enkele uitzonderingen na het geheele dorp zoude kunnen sloopen’. Vervolgens werd toch een beroep gedaan op een aantal meer esthetische argumenten, die erg veel weg hebben van huidige discussies omtrent monumentenbeleid. Zo lezen we dat de gevraagde vergunning ‘een belangrijk deel der gemeente zoude ontsieren en in geenen deele te verhelpen of te vergoeden valt met het op de tekening voorgestelde hek of rasterwerk’. In plaats van het monumentale pand zou dus een eenvoudig hek worden aangebracht. Ontsiering van het dorp, zo vond dus menig raadslid in die tijd.

Guldemond krijgt geen toestemming
Een ander punt dat naar voren werd gebracht, was de heersende armoede, waardoor veel gezinnen huis en haard verlieten om elders zijn geluk te beproeven. Het gevolg was dat er steeds meer huizen leeg kwamen te staan en dit kon in de nabije toekomst tot gevolg hebben dat er veel sloop binnen het dorp zou plaatsvinden. Ook de drooglegging van het Haarlemmermeer, waar men in 1851 nog druk mee bezig was, kon als gevolg hebben dat er arme gezinnen naar de nieuwe polder zouden verhuizen teneinde daar een iets welvarender bestaan op te bouwen. De gemeenteraad wilde zoveel mogelijk van het oude dorp handhaven en stond wat dat betreft dus niet op het standpunt om al te gemakkelijk tot sloop over te gaan. Men kan het al raden: Guldemond kreeg dus geen toestemming het uit 1754 daterende pand aan de Gracht af te breken. Een gevolg van een stukje vooruitstrevend monumentenbeleid in die tijd!

Naschrift
Waarschijnlijk heeft Guldemond uiteindelijk genoegen genomen met een aantal aanpassingen aan dit klaarblijkelijk voor vele Lissenaren geliefde pand. In hetzelfde jaar waarin hij het huis aankocht (1851) werd namelijk een zoon, Jan Jacob jr., in huisnummer 153 geboren en dat was het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat. Ook een dochter, Jacoba Maria, wordt op 4 juli 1852 aldaar geboren. Kort daarna blijkt het gezin verhuisd te zijn. Ze trokken in een woning dat eveneens aan de Gracht was gelegen, maar iets meer in de richting van de molen, dus meer richting het oosten.

Conclusie
We zijn getuigen geweest van een staaltje plaatselijk monumentenbeleid in 1851. Een tijd waarin de Rijksdienst voor Monumentenzorg nog opgericht moest worden! Toch was er wel iets van provinciale reglementering. Het hield in dat je alles kon slopen, als het maar geen schade teweeg bracht aan naastgelegen panden. Dat dit voorschrift duidelijk te kort schoot, blijkt wel uit bovengenoemde discussies in de gemeenteraad van die dagen. Het kwam er simpelweg op neer dat nagenoeg alle gebouwen die enigszins in bouwvallige staat verkeerden en binnen de gemeentegrenzen van Lisse lagen, voor sloop in aanmerking kwamen. Het meer esthetische element deed er kennelijk niet toe en dat was eigenlijk gelijk het grote verschil met het Monumentenbeleid anno 2010. De gemeenteraad in die dagen komt in al deze discussies echter bijzonder vooruitstrevend naar voren. Daardoor zijn waarschijnlijk meerdere panden voor sloop behoedt. In ieder geval geldt dat zeer zeker voor ‘het sieraad van de Gracht of haven’: het tegenwoordige pand van Tibboel!

De ‘Gracht of haven’ gezien richting het oosten, eind negentiende eeuw. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

bronnen: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513. Idem, bevolkingsregister 1850-1860.

 

DE LISSESE KERMIS (1845-1853)

Door R.J. Pex

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel III

Pieter Bruegel de Jonge (toegeschr.), Dorpskermis, ca. 1600. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel (detail). www.dbnl.org. Te zien is onder meer dat er zojuist een toneelstuk wordt opgevoerd.

Inleiding
De kermis is altijd een bron van vermaak geweest voor zowel jong als oud. Dat geldt zeker voor vroeger eeuwen.
In Lisse werd de kermis meestal in de maand oktober gehouden, zodat er dus wat dat betreft wel enig verschil is met de huidige praktijk. Hij duurde vanaf ‘den eersten zondag na St. Bavo’ (St. Bavo viel op 1 oktober) tot de zondag daaropvolgend. Ongeveer een week dus. Aldus de ‘verordening betreffende de kermis en andere openbare vermakelijkheden’ die door de raad werd vastgesteld in 1856. Soms duurde dit evenement (onbedoeld) langer dan de vastgestelde termijn van acht dagen. Dat gaf nog weleens problemen (openbare dronkenschap e.d.). In 1833 maakte Hermanus de Graaf in de gemeenteraadsvergadering daar bezwaar tegen. Hij pleitte er dan ook voor om de gebruikelijke termijn bij toekomstige kermissen strenger te hanteren. De kermis bestond uit tenten of stallen. De tent van een toneeldressuurder was al gauw zo’n 30 voet lang (ongeveer 8,5 meter). Voor het innemen van een plek op de kermis moest toestemming worden gevraagd bij het gemeentebestuur. Deze vroeg daarvoor een bepaald bedrag, het zogenaamde plaatsengeld. De aanvraag werd meestal schriftelijk gedaan.
In het gemeentearchief zijn meerdere brieven bewaard met zulk een verzoek om toestemming/vergunning, vaak in een ietwat onhandig Nederlands geschreven. In 1849 richt een zekere weduwe Van der Plas zich tot de burgemeester met de volgende woorden (punten en komma’s zijn van de schrijver, zie afbeelding ernaast):

Mijn heer burgemeester,

Mij verzoek is of ik bij u op het dorp zout kunne staan met de broedekraam (poffertjeskraam), daar wij nu geslagen (teleurgesteld) zijn dat er geen kermisze zijn. Nu staan wij met de kraam in noorwijk. Daar maggen wij voor (van) de burgemeester een dag of tien bakken. Mijnheer als gij nu zo goede wilde zijn en ons verzoek ook toe te staan, dat wij bij u ook een dag of tien zout maggen bakken. Dit zou ons een groot genoegen zijn voor ons en het volk. Nu, Mijn [heer], houd het in u gedachte en zent ons een maandag of dingsdag een bootschap met de looper. Nu, Mijnheer, ik blijf u in allen achting. De Wed Van der Plas.
Wij staan met de kraam bij de kastelijn krijneburg op de werf te noortwijk’.

Het was kennelijk de bedoeling van de brievenschrijfster om alsnog een kraam op te mogen richten in Lisse, ondanks dat de kermis in dit jaar van gemeentewege werd verboden. Het was niet de eerste keer dat een kermis werd afgelast of voorstellen in die richting werden gedaan.

De aardappelziekte, 1845
In 1845 was er in Zuid-Holland een ernstige aardappelziekte geconstateerd. Hele oogsten mislukten in dat jaar. De provincie had al de nodige middelen beraamd voor de aanstaande nood. Reden waarom de burgemeester, Van Rosse, voorstelde in dat jaar geen kermis te houden, omdat hij de noodsituatie niet kon verenigen met het organiseren van feestelijkheden. In de gemeenteraadsvergadering van 19 september 1845 werd het voorstel besproken, maar verworpen. De kermis zou toch doorgang vinden ‘om den wille der neringdoende in deze gemeente en de Logement en Tapperijhouders’. Aan het economisch belang werd dus in dit geval een grotere waarde gehecht. Als het hele gebeuren maar niet langer zou duren dan de tijd die ervoor stond (ongeveer een week dus) en de kermis ‘daags na den laatsten Zondag door alle kramers geene uitgezonderd zal worden geruimd’.


Een voorstel van de ‘Heeren Geestelijken’ tot afschaffing, 1846
Er was nog geen jaar voorbij of het wel of niet houden van kermis werd opnieuw ter discussie gesteld. Maar dit keer ging het wat verder. In een ‘adres’ van de ‘Heeren Geestelijken alhier aan het Plaatselijk Bestuur ingediend’ betogen deze een volledige afschaffing van de kermis ‘of althans tot uitzondering der Zondagen’. Inderdaad leek de kermis nogal eens averechts te werken op de gebruikelijke normen- en waardenstandaard van de gewone man. Zo was openbare dronkenschap geen uitzondering. Wellicht was het dus allemaal niet zo kwaad bedoeld van kerkelijke zijde, maar de predikant en de pastoor hadden ‘de algemeene geest der Ingezetenen’ helaas tegen. Volgens de raad zouden vele neringdoenden ‘voor een aanmerkelijk deel in hunne broodwinningen (…) worden benadeeld’. Bovendien was het bij een dergelijk verbod te verwachten dat men toch kermis zou houden, maar op afzonderlijke plaatsen en buiten de gemeentegrenzen, zodat direct politietoezicht werd bemoeilijkt. Men besloot dus afwijzend te beschikken op het verzoekschrift van de heren geestelijken.

Cholera, 1849
Bakker Rotteveel (1804-1880) schrijft in zijn memoires dat in augustus 1832 de cholera uitbrak in Lisse. In 1849 was dit wederom het geval. Voor degenen die aan de ziekte mochten komen te lijden waren het jaar ervoor al de benedenvertrekken van het raadhuis op het Vierkant op orde gebracht. In september was de situatie zodanig dat men opnieuw het wel of niet doorgaan van de kermis in de gemeenteraadsvergadering ter sprake bracht. Aangezien inmiddels andere gemeenten hadden besloten dat jaar geen kermis te houden, vormde dit voor de raad een goede reden om voor wat betreft Lisse hetzelfde te besluiten en op die wijze deelneming te betuigen in de ‘treurige omstandigheden van andere gemeenten’. Bovendien zou bij een dergelijk evenement, waar doorgaans veel volk op de been was, de kans op besmetting ook groter zijn. Tevens werd besloten ook andere ‘openbare vermakelijkheden in of buiten Logement of Tapperijen bij dag of bij nacht’ geen doorgang te laten vinden. Vandaar dus dat onze bakkersvrouw aan het begin van dit artikel zo ‘bezwaard’ (teleurgesteld) was en vroeg of de burgemeester niet alsnog genegen was haar toestemming te verlenen een poffertjeskraam op te richten in Lisse.
Het spreekt vanzelf dat het gemeentebestuur alle medewerking verkreeg van de plaatselijke geestelijkheid. Per brief van 21 september werd hiervan dan ook mededeling gedaan aan de burgemeester.

Nogmaals een dreigende cholera-epidemie, 1853
Vier jaar later openbaarde de gevreesde ‘Cholera-ziekte’ zich nogmaals in de nabijheid van Lisse. Een aantal ingezetenen, waaronder Jan Raimond Affourtit, hadden daarop een ‘adres’ gericht aan het gemeentebestuur met het verzoek de kermis niet door te laten gaan. Het had nogal wat onrust veroorzaakt ‘zoo wel bij de neringdoende ingezetenen (…) als bij de vele voorstanders der kermis die vermeenen dat men hunne ontspanning en vermaken niet zoude gunnen’. In de raadsvergadering van 22 september 1853 werd het verzoekschrift ter sprake gebracht, maar buiten behandeling gelaten, vanwege een nogal ambtelijk aandoend excuus, namelijk omdat ‘het adres niet van een zegel voorzien is’. Maar om toch verder oplopende spanning en ontevredenheid te voorkomen, werd besloten de kermis gewoon door te laten gaan. Een verbod op de kermis zou niet alleen velen schaden in hun inkomsten, maar ‘nog meerdere in het nemen van hunne vermaken’, wat grote sociale onrust ten gevolge kon hebben, zoals de ondervinding inmiddels meermalen aangetoond had.

Conclusie
Het is duidelijk dat de gewone man rond het midden van de negentiende eeuw een groot belang hechtte aan een middel tot vermaak als de kermis. Wie hem dat ontnam, kwam in een bijzonder slecht blaadje te staan. Men moet ook goed bedenken dat het dagelijks leven van de gemiddelde dorpsbewoner in die tijd veel te wensen over liet. Een hoge kindersterfte, gebrek en ziekte speelden er een belangrijke rol in. Verder komt uit de stukken ook een duidelijk economisch motief naar voren: de kermis vormde een belangrijke inkomstenbron voor de middenstand.
Zo kon het dan gebeuren dat toen in 1833 eveneens een verbod op het houden van de kermis was afgekondigd door het Lissese gemeentebestuur, de vrouw van de plaatselijke herbergier zeer geïrriteerd raakte tegenover de veldwachter. Meer daarover in een artikel van de hand van Maarten van Bourgondiën in dit zelfde nieuwsblad.
Gebruikte bronnen:
Gebruikte bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 598.

 

PROBLEMEN MET DE KLAPWAKER (1845)

Door R.J. Pex

‘Burgemeester, schaam je wat!’

Uit de gemeenteraadsnotulen van Lisse. Deel II

Inleiding

In Lisse was vanouds een zogenaamde nachtwacht ingesteld, ook wel klapwaker genoemd. In instructies en in zogenaamde keuren werden zijn rechten en plichten nauwkeurig vastgelegd. In een instructie van 1815 lezen we dat hij bij ‘ieder Uur de Klap Twee maal (moest) slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’. Verder moest hij gedurende de nacht, dat wil zeggen van tien of elf uur ’s avonds tot vier of vijf uur ’s morgens (afhankelijk van de tijd van het jaar), toezicht houden op de eigendommen van de ingezetenen en op de openbare orde en tijdig bepaalde calamiteiten (zoals brand) melden. Ter voorkoming van inbraak e.d. had hij tevens de bevoegdheid om verdachte personen aan te houden. Lieden die midden in de nacht met een ‘Ladder den Dorpe’ in gingen waren bijvoorbeeld verdacht, maar ook mensen die in het nachtelijk uur met ‘Meubilen’ (meubels) e.d. aan de sjouw waren. Hij droeg gedurende zijn ronde dan ook een sabel bij zich of een speer.
De klapwaker deed zijn ronde binnen de toenmalige bebouwde kom, dat wil zeggen van boerderij Welgelegen (bij het voormalige politiebureau) in het zuiden tot het laatste huis in het noorden, richting Hillegom (huisnummer 200 in 1815) en van de korenmolen aan de Gracht tot het laatste woonhuis aan de Halfwegse Steeg, ofwel de huidige Berkhoutlaan.
Er bestond rond 1844 niet erg veel toezicht op het functioneren van de klapwaker. In laatstgenoemd jaar kreeg Lisse echter een nieuwe burgervader, namelijk J.C. van Rosse (1801-1875). Hij vergrootte het toezicht en waarschijnlijk is dat dan ook één van de redenen waarom we in de notulen van het gemeentebestuur in het jaar daarop (1845) zoveel over de nachtwacht tegenkomen.

Eerste ‘correctie’, februari 1845
Op 21 februari had de dienstdoende nachtwacht, een zekere Snaara, aan de burgemeester gevraagd of hij zijn zoon mocht laten waken, maar Van Rosse had daar niet mee ingestemd. De klapwaker moest de volgende nacht gewoon weer op zijn post verschijnen. Omdat de burgemeester het niet vertrouwde ging hij ’s avonds een oogje in het zeil nemen. Het bleek hem dat Snaar ‘zich (…) afwezig had gemaakt en zijn zoon weder zijn wapen had afgegeven’. Gedurende die nacht had Snaar gewerkt bij kastelein Veldhorst in de Witte Zwaan om op die manier nog wat bij te verdienen. Aangezien zijn zoon zijn taak als klapwaker inmiddels waarnam, genoot hij dus op deze wijze extra inkomsten. Van Rosse was mild: Snaar kreeg de volgende dag alleen ‘een duchtige correctie’ en kon toen weer gaan. Hij begreep de behoefte van Snaar om in extra inkomsten te voorzien (blijkbaar was hij armlastig) en vorige ‘besturen’ waren erg slap en toegeeflijk geweest. De klapwaker moest echter beloven ‘dat hij voortaan zoude zorgen van in de vervulling zijner pligten buiten gegronde aanmerkingen te blijven’.

Hier genoot de nachtwacht Snaar neveninkomsten door kastelein Veldhorst bij te staan in diens werkzaamheden. Rechts tegen de zijgevel is een bord aangebracht ten behoeve van het aanbrengen van publicaties. Er is juist een wagen vol met mensen gearriveerd. De Zwaan was bij de Leidse studenten erg in trek, maar deze veroorzaakten ook de nodige overlast in het dorp, zoals we uit de notulen van de vergaderingen van B&W van 10 december 1845 vernemen.


Het logement de Zwaan te Lisse’, 1834. Steendruk van L. Springer naar W. van Groenewoud. Regionaal Archief Leiden LPV 77714. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), p. 59

Opnieuw problemen, november 1845
Een hele tijd bleef het goed gaan, doch in de vergadering van de gemeenteraad van 25 november constateert Van Rosse opnieuw onregelmatigheden: ‘De voorzitter deelt mede dat hij eenige dagen geleden alwederom den nachtwacht niet op zijn post heeft gevonden’. ’s Avonds om kwart voor tien was hij hem echter wel in Sassenheim tegengekomen! Hij besloot in het dorp zijn komst af te wachten. En inderdaad: om half elf hoorde hij weer geklepper. De burgemeester ging op het geluid af en trof Snaar aan. Hij wees hem op strenge toon terecht, doch Snaar begon met ‘ontkennen en tegenspreken op schreeuwende toon’. Al dat kwaad gerucht midden in de nacht kon natuurlijk niet en dus pakte de burgemeester Snaar bij de arm met de woorden: “Kom, houdt op met dat liegen en schreeuwen en ga voort met uwe ronde te doen!”. Maar daarop begon hij juist nóg harder te schreeuwen: “Burgemeester, gij moet mij niet slaan!”. Van Rosse trachtte hem ervan te overtuigen dat hij hem niet sloeg, maar hem alleen terecht wilde wijzen. Tenslotte had hij geen enkele andere keuze dan zich te verwijderen. Hij zou hem later wel ‘tot beteren pligt brengen’. Van Rosse liep dus weg, terwijl de klapwaker hem ettelijke malen naschreeuwde: “Burgemeester, schaam je wat!”. Heel wat rumoer dus zo midden in de avond/nacht!

Wat nu te doen?
In de gemeenteraadsvergadering doet de voorzitter (Van Rosse) ‘opmerken dat het schijnt dat den nachtwacht het meerdere toezigt dan vroeger moede is en een einde aan die gedurige terugkomende correctien willende maken door de ontkentenis van alle pligtsverzuim waarop dien hem zoude willen achterhalen. En door straatgerucht te maken zich heeft voorgenomen den Burgemeester van alle verdere surveillance of correctie af te schrikken.
En dat hij inderdaad zich aan dergelijke ontmoetingen met den Nachtwacht niet verder kan blootstellen, terwijl maar al te dikwijls hij zich op pligtverzuim laat betrappen en doorgaans het allerminst een ondergeschikt karakter aan de dag legt, het welk op beter zoude kunnen doen hoopen’. Een patstelling dus: de klapwaker moest tot betere plichtsbetrachting gedwongen worden, maar aan de andere kant vormde het uitoefenen van direct toezicht een probleem.

De aardappelziekte en de kwestie met de klapwaker
Het Reglement voor het Bestuur ten Plattelande gaf evenwel de burgemeester het recht om plaatselijke bedienden en ambtenaren die zich aan plichtsverzuim schuldig maakten, te schorsen voor de tijd van zes weken, maar in het licht ‘van de tegenwoordige tijdsomstandigheden’ vond Van Rosse het nogal bezwaarlijk dit artikel in toepassing te brengen. Met die omstandigheden doelde hij op de aardappelziekte die juist in 1845 was uitgebroken en waardoor met name de armere lagen van de bevolking werden getroffen. De prijzen van aardappels, maar ook van andere voedingswaren waren immers door het mislukken van diverse aardappeloogsten gestegen en het was met name de aardappel die in die dagen het voedsel voor de armen vormde. Als daar voor het gezin Snaar dan ook nog werkloosheid en dus vermindering van inkomsten bijkwam, kon dat heel vervelende consequenties hebben.

Er wordt een oplossing gevonden
Van Rosse was zich daarvan bewust en dus werd besloten ‘den Nachtwacht voor den vergadering te laten roepen, hem te corrigeren en aan te zeggen dat hij zijne klep en sabel tot nader orde aan de secretarie zal hebben te brengen, teneinde alzoo gedwongen te zijn om op zijne tijd de ronde te beginnen. Zullende in geval hij niet voor of juist ten tien uren aan de secretarie zou verschijnen om zijn klep en sabel te komen halen, dezelve door den burgemeester aan een ander worden gezonden met last om ten koste van den Nachtwacht voor dien nacht deszelfs post waar te doen nemen’.

De nachtwacht of klapwaker moest ‘ieder Uur de Klap Twee maal slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’, aldus de instructie voor de klapwaker van 1815. Op deze prent zien we hoe de klapwaker duidelijk zo’n klap of klep in de hand draagt. Tevens kon hij verdachte personen aanhouden. De afgebeelde klapwaker draagt dan ook een speer bij zich in de andere hand. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 51

De brief van de gouverneur
Wellicht speelde hierbij ook een brief, gedateerd 23 september, van de gouverneur van Zuid-Holland een rol, waarin hij het instellen van nachtwachten als maatregel voor orde en rust aanprijst. Dit in verband met ‘de tegenwoordige tijdsomstandigheden bij het mislukken van de aardappelen oogst’. Juist in deze tijd was het hebben van een nachtwacht belangrijk en dat kan Van Rosse er toe hebben bewogen de nachtwacht Snaar niet zomaar te ontslaan of te schorsen.

Na 1845 lezen we in de notulen niets meer over onregelmatigheden in de taakuitvoering van de klapwaker. Was er inmiddels iemand anders aangesteld? Of deed Snaar beter zijn best in de uitvoering van zijn plicht?

‘Ongeregeldheden met studenten’
De notulen van de vergaderingen van B&W maken in december 1845 melding van ongeregeldheden met studenten uit Leiden. Inderdaad deden deze het dorp Lisse graag aan en dat gold zeker voor het logement de Witte Zwaan, waar ‘Vadertje Veldhorst’ achter de tapkast stond, zoals hij door de studenten genoemd werd. Ook het leegstaande huis Dever werd door hen bezocht. Ten aanzien van de plaatsgehad hebbende gebeurtenissen wordt besloten bij voorkomende herhalingen een speciale nachtwacht aan te stellen en die te belasten met het toezicht op ‘de plannen en gangen’ van de heren studenten. Deze zal bestaan uit drie personen, te weten M. Verhagen, Floor Kerkvliet en Toon Kulk. Men wil echter het oordeel afwachten van de gemeenteraad met betrekking tot de instelling van een keur voor de ‘buitengewonen winter nachtwachter’. Of de ongeregeldheden met de studenten zich hebben herhaald is niet duidelijk en we kunnen dus ook niets zeggen over deze ‘studenten nachtwacht’. De keur op de winternachtwacht werd afgekondigd en aangeplakt op 27 december 1845. Het stuk bevindt zich in het gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756.

Conclusie
Het lijkt erop dat Lisse in 1845 een burgemeester had die niet alleen streng was maar ook veel medelevendheid aan de dag kon leggen. Dat lijkt althans de manier waarop de kwestie met de nachtwacht werd afgehandeld aan te tonen.
De gevolgen van de aardappelziekte waren kennelijk ook in Lisse voelbaar, althans onder de lagere klassen van de samenleving, met name de arbeiders. Dit ondanks hetgeen we lezen in de notulen van de gemeenteraad van 19 september, waarin het provinciaal blad wordt voorgelezen ‘houdende uitnodiging tot het beramen van middelen der voorziening in den aanstaande nood der arbeidende klasse door den mislukten aardappelen oogst en de duurte der overige levensmiddelen’. Men besloot echter voorlopig nog geen maatregelen te nemen vanuit de overweging dat de mindere klasse nog geen gebrek aan werk had en vaak voorzien was ‘van een eigen geteeld voorraadje’. Bovendien was men bang dat ‘vooruitlopende zorgen en maatregelen weleens een verkeerde uitslag zouden kunnen hebben’. Uit latere notulen blijkt niet dat men alsnog tot maatregelen is overgegaan. Uit de milde houding echter van de burgemeester ten opzichte van het voorgevallene met de klapwaker (met name dus de vermelding dat hij niet tot schorsing wilde overgaan vanwege de ‘tegenwoordige tijdsomstandigheden’) kunnen we opmaken dat de gevolgen van de aardappelziekte zich ook onder de lagere klassen lieten gevoelen.
Hoe dan ook, de nieuwe burgemeester heeft het nogal eens zwaar te stellen gehad met zijn onderdanen. Zo ontmoette hij het volgende jaar (1846) een uitermate lastig persoon op de Delfweg (huidige Stationsweg), die hem zowaar bij de kraag vatte! ‘Ik ben tot alles in staat!’, zo zou hij hebben uitgeroepen. Deze ongelukkige ontmoeting is beschreven in een eerdere uitgave van ons nieuwblad (Politierapporten deel II).

Gebruikte bronnen:
A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 50.
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513, 552.