Gemeenteraadsnotulen van Lisse. (I): de armencollecte (1845)

In de gemeenteraadsnotulen van 1845 wordt een collecte behandeld onder de Lissese ingezetenen en voor de allerarmsten in Lisse. Er waren nogal wat mensen, die er tegen waren. De protestanten waren tegen en hielpen niet mee. De armen van de kerk kregen dan ook niets.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding

Wellicht dat menigeen bij het lezen van “gemeenteraadsnotulen” in de ondertitel van dit artikel het beeld van een nogal saai verslag van het besprokene in de gemeenteraad van toen voor ogen krijgt. Dat is echter maar zeer ten dele het geval. Er werden inderdaad in de raad (zoals nog steeds) ook wat meer routinematige zaken besproken (het vaststellen van de personele belasting over een bepaald jaar, begroting, gemeenterekening etc.), maar ook kwamen met de regelmaat van de klok zaken aan bod die een heel aardig tijdsbeeld geven (zoals allerlei debatten over de klapwaker), of gewoon te aardig zijn om verzwegen te worden. Dit eerste deel uit de gemeenteraadsnotulen behandelt een collecte die in 1845 onder de Lissese ingezetenen werd gehouden, teneinde de nood onder de allerarmsten te lenigen.

Het voorstel van de voorzitter
Op 5 maart 1845 werd de gemeenteraad door de voorzitter bijeen geroepen. Iedereen was present: de burgemeester J.C. van Rosse, H. de Graaff, G. van Bourgonje, Dirk Kroon, J.G. Geertsema en W. van der Mey. De voorzitter opende de vergadering en gaf te kennen dat hij deze vergadering speciaal had bijeengeroepen “om daarin het voorstel te doen of niet door eene algemeene buitengewone collecte behoorde voorzien te worden in de behoefte van zoo veele dezer gemeente die door den (killen?) en aanhoudende Winter (…) niet meer bij magte zijn om in het noodige voor hun levensonderhoud te voorzien”. De voedselvoorraden die men had aangelegd waren reeds verbruikt, de “spaarpenningen” waren op en er was een “voortdurend gebrek aan werk en verdiensten”. Het voorstel werd dan ook met algemene stemmen aangenomen.

Omdat het hier om de arme ingezetenen van Lisse ging, had de voorzitter de leden van de plaatselijke armbesturen uitgenodigd de vergadering bij te wonen, “ten einde hun het gevoelen van de raad te dezen mee te deelen en met dezelve de middelen te willen beramen en hunne adsistentie te willen verleenen tot het welgelukken van het voorgestelde plan”. De armbestuurders, bestaande uit de heren A. van der Zaal, G. Hulsbosch, H. Meyer, P.H. Koppeschaar en P. Verdegaal, traden binnen en verklaarden zich akkoord met de voorgestelde plannen.

Het bedelaarsduo Josie en Dulcinea op een ansicht uit de beginjaren van de twintigste eeuw. Ongetwijfeld liepen er in 1845 ook bedelaars in de streek rond die door hun gedrag een bepaalde reputatie hadden gekregen. Helaas zijn ze ons, in tegenstelling tot de hier afgebeelde personen, niet bekend. (Coll. A. in’t Veld).

Er werd besloten de collecte op 11 maart te houden “vanaf des morgens ten half tien uren”. De raadsleden en de heren armstuurders zouden zich splitsen in vijf afdelingen die ieder een deel van het dorp voor hun rekening zouden nemen.

‘s Avonds zouden de gecollecteerde gelden verzameld worden en de verdeling daarvan onder de armen geregeld worden. Ook diegenen die liever een bijdrage in natura deden, zoals in de vorm van brandstoffen of levensmiddelen, konden terecht en wel bij de heren Van der Mey en Hulsbosch. Door middel van affiches zou de collecte aangekondigd worden. Er zou een exemplaar daarvan worden opgestuurd naar de “Eerw. Heeren geestelijken dezer gemeente, met vriendelijke uitnoodiging daarvan zoodanig gebruik te maken als zij het best geschikt zullen oordelen en in allen geval hun invloed zoo ’t kon door toespraak van den kansel te bezigen tot het welslagen van het daarbij voorgestelde doel”. Veel hoop was gericht op de “Heeren Eigenaars der Buitenplaatsen in deze gemeente gelegen”, zoals de heer Temminck (Wildlust) en C.A.A. baron van Pallandt (Keukenhof). Het plan kon niet meer stuk gaan!

 

Kerk gesigt tot Lisse”. Dit was ongeveer het beeld dat men had wanneer men omstreeks 1735 vanuit het Vierkant door het dorp Lisse reed. Het zal in 1845 niet heel veel anders geweest zijn. Men ziet de oude dorpskerk, waar van 1844 tot 1868 ds. Kooy stond. Zoals men ziet hield, nadat men de kerk rechts passeerde via de Achterweg, de bebouwing van het dorp al op om over te gaan in weiland. Kopergravure No 6 van Abrah. Rademaker, in 1731 gepubliceerd in Rhynlands Fraaiste Gezichten.

Tegenwerking van de predikant
Eén persoon was minder tevreden met de plannen en dat was de “Eerwaarde Heer Predikant”. Zijn naam wordt in de notulen niet vermeld, maar het is wel duidelijk dat het hier om ds. Kooy ging. Die stond namelijk van 1844 tot 1868 in Lisse. Even na ontvangst van de bovengenoemde publicatie had hij zich begeven naar de burgemeester, J.C. van Rosse, om hem te kennen te geven dat de collecte geen doorgang kon vinden. De redenen hiervoor waren allereerst dat zijn diakens in de vergadering waarin een en ander was besloten, geen zitting hadden gehad. De heren armbestuurders, die in de notulen van 5 maart genoemd worden, maakten dus waarschijnlijk deel uit van de Heilige Geestarmen, de katholieke variant van de protestantse diakonie, en/of van het Burgerlijk Armbestuur. Dit laatste was een college dat door de plaatselijke overheid in het leven was geroepen. Verder zou de collecte worden gehouden voor de armen “in het algemeen”, dus ook voor de leden van de Nederlands-hervormde kerk. Dat vormde voor de dominee een bezwaar, daar “zijne diakonie geene behoefte had, in tegendeel een batig saldo in kas had”. “In allen geval dat hij zich bezwaard achtte om in de gegeven omstandigheden de publicatie af te kondigen of de collecte door eenigen toespraak van den kansel aan te beveelen. Verklaarende hij voorts dat indien in de publicatie voor het woord in het algemeen in de plaats wierd gesteld voor de Roomsche Catholieken of Buiten armen, (…) dat hij alsdan in zoude kunnen overgaan”. De burgervader had daar niet op gerekend en stelde dan ook alles in het werk om de dominee te bewegen om te voldoen aan het verlangen van de raad. Bij het afscheid had hij aanvankelijk goede moed, maar de volgende morgen ontving hij een brief van ds. Kooy “in den zelfden onveranderden geest”. Burgemeester Van Rosse vond de zaak “gewichtig” genoeg om deze te bespreken in het college van Burgemeester en Assessoren, het tegenwoordige college van B&W. Het besluit daarvan was dat ds. Kooy nogmaals, maar dan namens het hele college, zou worden uitgenodigd aan het verzoek van de raad te voldoen “en dat er geene bevoegdheid was om het geen in den raad was besloten, daar buiten te veranderen”. In antwoord daarop ontving Van Rosse “op zondag 9 maart na middagkerktijd” een brief van de dominee. Er werd daarin mededeling gedaan van het besluit genomen door de kerkeraadsvergadering “dat door de diaconen geen adsistentie mogt en zou verleend worden tot het doen van een collecte voor de Algemeene armen, dat de diaconie der Hervormden vriendelijk bedankte voor het aandeel dat haar zou competeeren en dat om reeds opgegeven redenen geene annonceering noch aanbeveeling van den kansel heeft plaats gehad”. De dominee hield al met al stug vol! Het begon er dus op te lijken dat de collecte wel doorgang zou kunnen vinden, maar dan zonder medewerking van de protestanten.

“Geest van ontevredenheid”
Op de daaropvolgende gemeenteraadsvergadering van 11 maart waren dan ook de diakens afwezig. De voorzitter licht toe: “Hebbende de H H diakenen der Hervormde gemeente zich geexcuseerd om hunne adsistentie in deeze te verleenen, uit hoofde hun zulks door den kerkenraad was ontzegd geworden”. Vrijwel onmiddelijk ontstond er rumoer onder de ingezetenen die de raadsvergadering bijwoonden, want we lezen: “De voorzitter stelt het lezen der notulen van de vorige vergadering uit om het vergevorderde avonduur, evenzeer het hiernavolgende verslag, om den geest van ontevredenheid die wegens de zichtbaar geworden tegenkanting van den Ed Heer Predikant en kerkenraad onder de ingezetenen is ontstaan, niet verder op te trekken”. Op diezelfde elfde maart werd ook mededeling gedaan van de ingezamelde gelden. Per brief had de burgemeester f 50,- ontvangen van de heer Temminck, eigenaar van de buitenplaats Wildlust. Een gelijk bedrag was ontvangen van de baron Van Pallandt (van Keukenhof).

De baron had bovendien toegezegd nog eens f 50,- te zullen bijdragen. Samen met de gecollecteerde gelden die door de verschillende afdelingen bijeengebracht waren kwam het college uit op een totaalbedrag van f 358,47. Verder waren er takkenbossen beloofd door de heer Leembruggen, aardappelen door Selis van Graven en de armmeester Hendrik Meyer en Piet Verdegaal had nog toegezegd 300 lange turven te zullen leveren. Men besluit met de woorden: “Zoo dat de collecte mag gerekend worden allergelukkigst en zonder voorbeeld in deze gemeente te zijn geslaagd”

Carel A.A. baron van Pallandt (1810-1883). Hij was één van de donateurs bij de actie voor de allerarmsten in de winter van 1845. In 1837 huwde Van Pallandt met jkvr. Cecilia M. Steengracht, dochter van de eigenaar van Keukenhof, Johan Steengracht. Zij werd volledig eigenares van zowel huis als landgoed na de dood van haar vader in 1846. In 1858 liet het echtpaar Van Pallandt-Steengracht de tuinen rondom Keukenhof verfraaien door de heren Zocher. In 1861/62 werd bovendien het huis opgesierd met torens, waardoor we vanaf dat moment van het kasteel Keukenhof praten. Uit: A.M. Hulkenberg, Keukenhof (Dordrecht 1975), afb. 22.

Besluit
De uitdeling van de gecollecteerde gelden en brandstoffen vond plaats op 18 en 19 maart 1845. Heel wat minder bedeelde lieden zullen blij en opgetogen naar huis zijn gegaan. Waarschijnlijk gold dat echter alleen voor het rooms-katholieke deel van de bevolking, daar immers ds. Kooy klip en klaar te kennen had gegeven, namens het protestantse deel van de gemeenschap, niet aan de actie mee te zullen doen en er ook geen ruchtbaarheid aan te geven. De armenkas van de hervormden was zodanig dat een collecte niet nodig werd geacht, aldus Kooy. Hield dat in dat de noodlijdenden zich dus vooral bevonden onder de rooms-katholieken, ofwel de “Buiten-armen”? Of trof die strenge winter van 1845 eigenlijk alle arme ingezetenen van Lisse, ongeacht de religieuze gezindheid? Dit laatste lijkt het meest aannemelijk, daar men immers voornemens was een “algemeene collecte” te organiseren. Helaas lijken de behoeftige ledematen van de hervormde kerk hierbij dus buiten de boot te zijn gevallen, hetgeen ook niet voor niets zo’n verontwaardiging teweeg bracht bij degenen die de gemeenteraadsvergadering van 11 maart bijwoonden.

Bronvermelding: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 3

Besproken wordt hoe de preventie en de brandbestrijding georganiseerd was. Het brandgevaar door kaarsen en olielampen was groot. Lange tijd wed gebruik gemaakt van emmers, die werden doorgegeven. In 1743 had Lisse een slangbrandspuit met 4 spuitvoerders, 16 pompers, 12 waterdragers om water naar de pomp te brengen, 4 watergieters en 2 oppassers.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Dorpen hadden vanwege de meer verspreid staande bebouwing over het algemeen minder vaak last van grote branden dan steden, waar de huizen dicht op elkaar stonden. Toch konden branden bij tijd en wijle ook op het platteland veel schade aanrichten. Brandpreventie en brandbestrijding behoorden daarom tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. In dit derde en laatste deel van mijn artikelenserie wil ik bekijken hoe de brandbestrijding in Lisse was georganiseerd.

Brandbestrijding/Brandpreventie
Brandbestrijding begint natuurlijk met brandpreventie. Het bestuurders van Lisse drukten de dorpelingen dan ook regelmatig op het hart om voorzichtig te zijn met vuur. Zo kreeg de gerechtsbode van Lisse op 27 oktober 1767 de opdracht om “Dirk Heemel aan te zeggen dat hij zorg moet draagen om van nu voortaan voorzigtig met vuur en ligt te zijn, ende dat hij geen vulnis of waater op straat zal hebben te werpen”. [1]
Tijdens feestelijkheden was het gebruikelijk om de huizen met kaarsen en olielampen te verlichten. Op dat soort momenten was het brandgevaar natuurlijk groot. [2] Het dorpsbestuur probeerde de risico’s dan ook zoveel mogelijk te beperken. Tijdens de viering van het stadhouderschap van Prins Willem V van Oranje-Nassau op zaterdag 8 maart 1766 stonden de schout en burgemeesters van Lisse de inwoners toe om “hunne huyzen ten zelven daage te illumineeren [verlichten] en daar meede te beginnen des avonds 8 uuren, zullende daar meede moogen eyndigen des nagtsten twaalf uuren, in agt neemende alle moogelijke preecautien tot voorkooming van brand, verbiedende wel expresselijk aan alle en een iegelijk, geduurende de voorszeyde illuminatien eenige voetsoekers off diergelijke soort van brandende machines te werpen, off met snaphaanen, pistoolen off ander schietgeweer te schieten”. Overtreders kregen per overtreding een boete opgelegd van 42 stuivers. Het geld dat hiermee in de dorpskas vloeide, kwam ten goede aan de Heilige Geestarmen van Lisse.

Detail van een prent van de brand van het oude stadhuis te Amsterdam op 7 juli 1652. Mensen helpen met blussen en dragen water en ladders aan.

Slangbrandspuit
Lange tijd kon voor het blussen van branden alleen gebruik worden gemaakt van emmers. Pas in 1614 werd er door de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden voor het eerst een octrooi verleend voor een brandspuit. Deze brandspuit was niet erg praktisch in het gebruik. De bak met water moest bijvoorbeeld nog steeds met behulp van emmers worden gevuld en met de spuit kon men niet echt dicht bij de brand komen. Er volgden vele verbeteringen op dit eerste ontwerp, maar de echte doorbraak vond pas plaats toen de in Amsterdam woonachtige glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder Jan van der Heijden (1637-1712) in 1672 de slangbrandspuit ontwierp. Met dit handzame apparaat konden branden veel beter worden geblust. Voor de brandbestrijding was deze uitvinding dus een grote stap voorwaarts. Lisse had in de achttiende eeuw eveneens de beschikking over een slangbrandspuit.
Voor het bemannen van een slangbrandspuit waren gemiddeld 36 personen nodig, die elkaar om het kwartier aflosten bij het pompen. In Lisse waren in 1743 in totaal 38 personen betrokken bij het bedienen van de slangbrandspuit: vier “spuitvoerders”, zestien “pompers”, twaalf “waterdragers”, vier “wateringieters” en twee “oppassers”. [3] Jan van der Heijden ontwierp voor zijn slangbrandspuit ook een zogenoemde zuigbuis, waarmee water kon worden aangezogen. Op die manier had men geen emmers meer nodig om de slangbrandspuit van water te voorzien. De aanwezigheid van twaalf waterdragers en vier wateringieters laat zien dat de slangbrandspuit van Lisse in 1743 waarschijnlijk nog niet was uitgerust met een buis om water aan te zuigen.

Voorbeeld van een ouderwetse langbrandspuit.

In de achttiende eeuw was er in Lisse nog geen sprake van een vrijwillige brandweer. Brandbestrijding werd namelijk beschouwd als een burgerplicht. [4] Net als bij de stille nachtwacht stelden de schout en burgemeesters van Lisse ieder jaar lijsten samen met daarop de namen van de mannen die brandspuitdienst hadden. Iedereen was verplicht om tijdens zijn dienst in het dorp aanwezig te zijn (op straffe van een fikse boete).
Op 30 juni 1767 vonden de schout en burgemeesters van Lisse het nodig om een nieuwe slangbrandspuit aan te schaffen. Het brandspuithuisje diende eveneens vervangen te worden. De daartoe uitgevaardigde collecte onder de inwoners van Lisse bracht voldoende geld in het laatje: op 1 december 1767 werd de nieuwe slangbrandspuit geleverd, en na inspectie door de schout en burgemeesters in het brandspuithuisje geplaatst. De oude brandspuit was hierdoor overigens niet overbodig geworden. Hij werd namelijk ondergebracht in de schuur van Hendrik van Leeuwen, hospes in het rechthuis van Lisse (de Witte Zwaan in het Vierkant). Sindsdien beschikte Lisse dus over twee slangbrandspuiten.

Onderhoud en testen
De slangbrandspuiten moesten natuurlijk goed worden onderhouden. Ieder jaar werden ze daarom volledig uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet om op die manier eventuele mankementen aan het licht te brengen. De noodzakelijke werkzaamheden en reparaties werden daarbij normaal gesproken door één van de plaatselijke ambachtslieden verricht. Zo kreeg de schoenmaker Johannes van der Jagt in 1771 een vergoeding van het dorpsbestuur van Lisse voor het “maaken van een leeren riem aan de brandspuyt”. [5] Soms was het echter noodzakelijk om specialisten naar de slangbrandspuit te laten kijken. In 1781 werd Govert van Parijs betaald “voor verdiend vragtloon van de oude spuyt heen en weder na en van Amsterdam”. Dankzij de brandspuitenfabriek van Jan van der Heijden was Amsterdam in deze tijd hét kenniscentrum voor wat betreft slangbrandspuiten. De reden voor de reis naar Amsterdam wordt niet vermeld, maar vermoedelijk waren er in 1781 problemen met de slangbrandspuit geconstateerd waar men in Lisse geen raad mee wist. Iets vergelijkbaars deed zich namelijk ook al in 1743 voor. Op 28 augustus van dat jaar was een groot deel van het aan de Grachtweg gelegen huis van Otto Jacobszn. Cranenburg, alsmede een grote hoeveelheid vlas, hooi en gekloofd hout in vlammen opgegaan. De slangbrandspuit werd tijdens het blussen van deze brand “seer gebrekkelijk” bevonden. Na het inwinnen van advies in Leiden en het bestuderen van de brandkeuren van Nieuwkoop en Amsterdam, besloten de schout en burgemeesters tijdens de vergadering van 1 september 1743 daarom burgemeester Bart Janszn. Klinkenberg naar Amsterdam te sturen om bij de “maker ende leveraar van de brandspeuten” een leren slang en een slang van zeildoek te bestellen. [6]
De Lissese slangbrandspuiten werden ook regelmatig getest. Volgens een verslag van de vergadering van de gemeenteraad uit 1817 gebeurde dat vanouds op de eerste dinsdag na Pinksteren vóór het rechthuis van Lisse. [7] Dat zal wel een vrolijke bedoening zijn geweest, want in 1771 kreeg Govert van Parijs tien gulden en negen stuivers betaald “over leverantie van twee vaaten bier op ’t probeeren van de twee brandspuyten”.

 

 

Zoals hierboven al even ter sprake kwam, werd de slangbrandspuit van Lisse in de achttiende eeuw opgeborgen in een zogenoemd brandspuithuisje (dat net als het wachthuis door middel van een slot kon worden afgesloten). De exacte locatie van dit huisje is niet bekend, maar mogelijk stond het in de achttiende eeuw min of meer op dezelfde plek als het nieuwe brandspuithuisje dat in 1822 aan de noordwestkant van de toren van de dorpskerk in het Vierkant werd gebouwd.

Brandgereedschap
Tot het brandgereedschap behoorden brandemmers, brandladders en brandhaken (lange stokken met een ijzeren haak, waarmee onder andere brandend riet van daken kon worden afgetrokken). Regelmatige inspectie door de schout en secretaris diende er voor te zorgen dat dit brandgereedschap steeds in goede staat verkeerde.
De brandemmers werden opgeslagen in het brandspuithuisje. Na een brand leverde echter lang niet iedereen zijn emmer weer keurig in. Het was de taak van de gerechtsbode van Lisse
Detail van een ansichtkaart, met direct achter de kinderen het puntdak van het brandspuithuisje.

om alle brandemmers op te zoeken “die tot uytblussinge van ontstane branden” waren gebruikt, en die vervolgens terug te brengen naar het brandspuithuisje.Voor het opbergen van de brandladders en brandhaken was het brandspuithuisje te klein. Deze zaken werden daarom opgeslagen in de kerktoren van de dorpskerk in het Vierkant: “betaald aan kerkmeesteren van Lisse een jaar recognitie van ’t plaatsen van des dorpsbrandladders en brandhaaken in den toorn”. [8]

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 208v.
[2] In 1747 brandde de buitenplaats Berkenrode bij Heemstede bijvoorbeeld volledig af na een ongeluk met vetpotjes en kaarsen, die door de eigenaar waren aangestoken om het stadhouderschap van Prins Willem IV van Oranje-Nassau te vieren: G. van Duinen, De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode (Heemstede 1957) 35.
[3] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 257v.
[4] J.C.N. Raadschelders, Lokale bestuursgeschiedenis (Zutphen 1992) 16.
[5] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v.
[6] Ibidem, inv. nr. 3, fol. 266.
[7] Dat wordt onder andere bevestigd door een uit 1743 daterende passage in het resolutieboek van de schout en burgemeesters van Lisse: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 259.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v-14.

 

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 2

 

De klapwaker en de stille nachtwacht begonnen in de 18e eeuw hun rondes bij het wachthuis. Dit wachthuis stond net ten zuiden van het Vierkant. De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een bestaand huis aan het Vierkant. Er was toen één dorpslantaarn. Lisse kreeg het schavot van Noordwijkerhout. Bovenstaande wordt uitvoerig besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

In het eerste deel van deze artikelenreeks werd aandacht besteed aan de klapwaker en de nachtwacht in Lisse. Nu wordt de draad weer opgepakt bij het wachthuis van waaruit de klapwaker en de stille nachtwacht hun dagelijkse rondes deden.

De grote kerk met achter de personen het wachthuisje van de brandweer

Wachthuis
De klapwaker en de stille nachtwacht deden hun rondes door het dorp vanuit het wachthuis. Volgens een kaart uit 1771 was dit wachthuis gelegen aan de Heereweg, even ten zuiden van het Vierkant (tegenover de woning van de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart). In het winterseizoen werd het wachthuis verwarmd door middel van een op turf gestookte kachel. Het was de taak van de schoolmeester om deze kachel brandend te houden. Daarnaast was diezelfde schoolmeester ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van het wachthuis. Hij werd hiervoor betaald door het dorpsbestuur. [1]

Omdat er wapens in werden opgeslagen, moest het wachthuis door middel van een degelijk slot ook afgesloten kunnen worden. Af en toe diende dat slot gerepareerd of vernieuwd te worden: in 1727 werd Herman Schuurman bijvoorbeeld betaald voor het “vermaken van ’t slot aan ’t wagthuys”.

Detail van een kaart uit 1771 met het wachthuis aan de Heereweg

Dorpslantaarn(s)
In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas.
Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.

Staande man met piek en zwaard op een weg nabij Lisse, detail van een prent uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw waren leden van de stille nachtwacht eveneens bewapend met een piek.

Gevangenis
In mijn artikel over de welgeboren familie Duycker gaf ik aan dat er onderscheid werd gemaakt tussen lage en hoge rechtspraak (Nieuwsblad jaargang 6 nummer 4, oktober 2007). De hoge rechtspraak was voorbehouden aan de baljuw en zijn welgeboren mannen. Zij mochten dus als enigen halsmisdrijven berechten en gevangenisstraffen opleggen. De ambachtsheerlijkheid Lisse bezat alleen de lage rechtspraak. [2] Toch kreeg het dorp in de achttiende eeuw een gevangenis. Dat hield verband met het feit dat Lisse samen met Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout één baljuwschap vormde. Aanvankelijk werden arrestanten en veroordeelden uit dit baljuwschap opgesloten op Teylingen. [3] Dit kasteel viel echter niet onder jurisdictie van het baljuwschap. Dat leidde nog wel eens tot problemen. Daarom hadden Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout zich sinds 1724 sterk gemaakt voor een eigen gevangenis. Lange tijd liep dat op niets uit, maar uiteindelijk stemden de Staten van Holland en West-Friesland in 1763 toch toe. Als locatie voor de nieuwe gevangenis werd gekozen voor het centraal gelegen Lisse. Voor de bouw reserveerde men een bedrag van 1000 gulden. De jaarlijkse onderhoudskosten van de gevangenis werden begroot op 21 gulden en voor het salaris van de cipier moest ieder jaar eveneens 21 gulden worden opgebracht. Al deze kosten werden in gelijke mate verdeeld over de vier betrokken dorpen. De baljuw diende er als inner van de bedragen op toe te zien dat alle dorpen hun betalingsverplichtingen nakwamen. [4]
De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een reeds bestaand huis in het Vierkant, dat op 13 mei 1765 onderhands was gekocht door de baljuw Elbert Testart. Dit pand behoorde destijds toe aan de erfgenamen van de Lissese timmerman Cornelis Adriaanszn. van der Zaal, die het op zijn beurt in 1717 had verkregen uit de boedel van Maarten Dirkszn. van ’t Hoog. [5] Een half jaar later was de gevangenis klaar voor gebruik. Tijdens de vergaderingen van de schout en burgemeesters van Lisse werden ieder jaar ook lijsten opgesteld van alle afgebroken, verbeterde en nieuw gebouwde huizen. Het bovengenoemde pand in het Vierkant werd op 29 maart 1766 als volgt omschreven: “Een huys staande in het quohier der verpondinge ten naame van de erfgenaamen van Maarten Dirkse van ’t Hoog ende Dirkje Jacobs van der Mark…welk perceel wel is verbeeterd, dog geapproprieert [=ingericht] tot een gevangenhuys”. [6] Volgens A.M. Hulkenberg stond deze gevangenis op de plek waar in later tijd de Algemene Bank Nederland was gevestigd, oftewel op de plek waar straks het appartementencomplex ‘Oud Raadwijk’ zal verrijzen. [7]

De jaarlijkse betalingen van Lisse voor het onderhoud van de gevangenis zijn terug te vinden in de rekeningen van de omslag van de bede, bijvoorbeeld die uit 1771: “Betaald aan den heer bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout voor een jaar onderhout van het gevangenhuys, voor de portie van die van Lisse, volgens quitantie 5:5:0 [=vijf gulden, vijf stuivers en 0 penningen]”. Hierna volgt ook de betaling voor de cipier: “Aan den cipier van het gemelden bailliuwschap, Sijbrand Schaap, voor een jaar tractement [=salaris] voor de portie van denselven dorpe 5:5:0”.
De hierboven genoemde Sijbrand Schaap werd op 31 oktober 1765 beëdigd tot cipier. Mogelijk vervulde hij deze functie als een soort bijbaantje, want hij was eigenlijk meester-metselaar van beroep. Sijbrand woonde oorspronkelijk in Purmerend, maar verhuisde naar Lisse toen zijn vrouw Alida van Une daar op 14 augustus 1764 werd aangesteld als dorpsvroedvrouw. [8] Als cipier was hij verplicht om in de gevangenis te wonen. Tot zijn taken behoorde onder andere het schoonmaken van de gevangenis. Over het schoonhouden van de straat vóór de gevangenis werd niet gesproken. Dat had men beter wel kunnen doen, want in 1768 werd Sijbrand Schaap door de schout en burgemeesters van Lisse op de vingers getikt over het storten van as en vuilnis “op des dorpsgrond en houttuyn voor de huyzen bij hem bewoond [=de gevangenis in het Vierkant]”. Een eerdere mondelinge vermaning van de Lissese gerechtsbode had niet het gewenste effect. Daarom verklaarden de schout en burgemeesters op 11 februari 1768 dat Sijbrand zijn troep binnen 24 uur moest opruimen. Deed hij dat niet, dan diende de gerechtsbode samen met twee of drie andere mannen de as en het vuilnis naar een geschikte plaats aan de gracht te transporteren. De daarmee gemoeide kosten zouden vervolgens worden ingehouden op het salaris dat de vrouw van Sijbrand Schaap als vroedvrouw van het dorpsbestuur van Lisse ontving. Verdere aantekeningen over deze zaak ontbreken. Blijkbaar heeft Sijbrand Schaap uiteindelijk eieren voor zijn geld gekozen en zelf de as en het vuilnis weggehaald.

Schavot
Zoals gezegd kreeg het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout in 1763 toestemming om een nieuwe gevangenis te bouwen. Er werd toen tevens bepaald dat alle terechtstellingen voortaan in Lisse plaats moesten vinden (voorheen gebeurde dat in Noordwijkerhout). Daartoe was een schavot nodig, dat door Lisse bewaard en onderhouden diende te worden. Het dorpsbestuur weigerde daar echter aan mee te werken. Zo kon het gebeuren dat er geen schavot aanwezig was, toen Jan den Otter na zijn arrestatie op 30 oktober 1765 wegens stroperij werd veroordeeld tot geseling en brandmerken. De zaak werd voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar die stelden Lisse in het gelijk. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: net als bij de gevangenis en de cipier werden de kosten voor het schavot in het vervolg door alle vier de dorpen van het baljuwschap gezamenlijk opgebracht.

Het Kuijkehuis en de ABN-bank in het Vierkant. Op de plek van het bankgebouw stond vroeger de gevangenis van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Op donderdag 12 december 1765 kwamen vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van Noordwijkerhout, Hillegom en Lisse in het rechthuis van Lisse (herberg De Witte Zwaan) bijeen om verder te praten over het schavot. Lisse was niet van plan om het oude schavot zomaar over te nemen. Het dorp wilde eerst de burgemeesters Reinier van Leeuwen en Maarten van der Jagt naar Noordwijkerhout sturen om het schavot aldaar te inspecteren. Pas nadat het door beide heren in orde was bevonden, zou het naar Lisse mogen worden overgebracht. De afgevaardigden van Noordwijkerhout en Hillegom gingen daarmee akkoord. Het dorpsbestuur van Voorhout was niet aanwezig bij deze vergadering, maar zou (op nadrukkelijk verzoek van de secretaris van Voorhout) door de schout van Lisse op de hoogte worden gesteld van de gemaakte afspraken.
Precies een week later (op donderdag 19 december 1765) werd er in Lisse alweer een vonnis van de baljuw ten uitvoer gebracht. Op last van de plaatsvervanger van de baljuw had Jacob van der Jagt, schoolmeester en koster te Lisse, toen de klok van de dorpskerk in het Vierkant geluid. Hij werd hierover op 30 december 1765 door het dorpsbestuur op de vingers getikt. Er werd toen namelijk verklaard dat alleen de schout en burgemeesters van Lisse opdracht mochten geven om de kerkklok op buitengewone tijden te luiden. De baljuw had daarover helemaal geen zeggenschap. In het vervolg diende Jacob van der Jagt voor het luiden van de dorpsklok dus toestemming te vragen aan het dorpsbestuur van Lisse, “uytgezondert het luyden op gewoone kerktijden, cathegisatien, bij het sterven en begraven der dooden”.
Het schavot stond overigens niet continu in het Vierkant. Het werd daar alleen neergezet als er executies uitgevoerd moesten worden. Daarna werd het schavot weer uit elkaar gehaald en opgeborgen in de toren van de dorpskerk aan het Vierkant. In 1781 werden de kerkmeesters van Lisse namelijk door het dorpsbestuur betaald “voor ’t plaatsen van ’t schavot inden toorn”. [9]

wordt vervolgd

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening uit 1771, fol. 11v en fol. 12.
[2] Lisse had als ambachtsheerlijkheid wel een schandpaal, zie artikel van dr. A.J. Kölker in het Nieuwsblad van de Ver.Oud Lisse, jaargang 2, nr 4 (oktober 2003).
[3] Theo van der Poel, “Uyt den Vierschaer geknipt. Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, in: Hangkouserieën Jaargang 16 (februari 2008) 40-43, aldaar 40.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 148v.
[5] Van der Poel, “Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, 40-43, aldaar 40.
[6] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 189v.
[7] A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk Lisse 1998) 44.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 156v en fol. 212v.
[9] Ibidem, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1781, fol. 14v.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 1.

Om in de nachtelijke eeuwen toezicht te houden had Lisse een klapwaker in dienst. Zijn belevenissen worden beschreven. Er was ook een stille nachtwacht.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding
Het gemeentearchief van Lisse herbergt een schat aan gegevens met betrekking tot het dagelijks leven in vroeger tijden. Ik heb daar voor deze artikelenreeks over ordehandhaving en brandbestrijding dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Tijdens de achttiende eeuw behoorden de handhaving van de openbare orde en brandbestrijding tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. De bestuurlijke taken werden in die tijd waargenomen door een schout, vier burgemeesters, zeven schepenen en twee ambachtsbewaarders. De schout en burgemeesters waren onder andere betrokken bij het opstellen van de zogenoemde ‘rekeningen van de omslag van de bede’. Daarin zijn diverse betalingen terug te vinden die betrekking hebben op ordehandhaving en brandbestrijding. De navolgende artikelen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie die afkomstig is uit deze dorpsrekeningen. Daarnaast werd ook veelvuldig gebruik gemaakt van enkele verordeningen en instructies van het Lissese dorpsbestuur.

Ordehandhaving door de klapwaker
Om in de nachtelijk uren toezicht te houden had Lisse een klapwaker of “klapperman” in loondienst. Deze klapwaker liep rond met een houten klepper die ook wel “klap” werd genoemd. [1] De klap bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit houten bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog.

Ieder uur moest de klapwaker de klap driemaal slaan en luid en duidelijk aangeven hoe laat het was. Bij onraad of brand diende hij de klap ‘verkeerd te slaan’ en direct het dorpsbestuur en de opzichters van de brandspuiten op de hoogte te stellen. De klapwaker moest er ook op toezien dat alle huizen goed waren afgesloten, de bewoners geen spullen buiten hadden laten staan, er door niemand meubels of soortgelijke zaken werden vervoerd, en er geen mensen met ladders of stokken over straat liepen. [2] De klapwaker had een baan met veel verantwoordelijkheid. Daarom werd van hem verwacht dat hij van “goeder naam en faam” was. Daarnaast moest hij ten overstaan van het dorpsbestuur een eed afleggen waarin hij verklaarde dat hij zijn functie op een correcte manier zou uitoefenen. In 1785 werd tijdens de aanstelling van de nieuwe klapwaker benadrukt dat hij altijd nuchter en bekwaam moest zijn. [3] A.M. Hulkenberg associeerde dit meteen met alcoholmisbruik, maar het zou net zo goed ook betrekking kunnen hebben op de persoonlijkheid van de klapwaker (verstandig, kalm, niet makkelijk van de wijs te brengen). Er zijn in ieder geval nog geen verhalen opgedoken over Lissese klapwakers die in beschonken toestand hun ronde deden. De werktijden verschilden per seizoen: tussen 1 mei en 1 oktober werkte de klapwaker van elf uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens, en tussen 1 oktober en 1 mei van tien uur ’s avonds tot vijf uur ’s morgens. Was hij ziek, of kon hij om een andere reden zijn functie niet uitoefenen, dan diende de klapwaker in overleg met de schout van Lisse (en op eigen kosten!) te zorgen voor een vervanger.
Iedere nacht liep de klapwaker een vaste route door het dorp: van de huizen van Cornelis Tromp en Hendrik Mens in het zuiden (aan de Heereweg, nabij de huidige Zwanendreef) tot aan de woning genaamd ‘Vianen’ in het noorden, vervolgens de Grachtweg op tot aan de korenmolen, en ten slotte het Hop of de Kapelsteeg (=Kapelstraat) door tot aan het laatste huis aan de Halfwegse weg (de huidige Berkhoutlaan). Jaarlijks legde hij op die manier heel wat kilometers af. Het is niet bekend hoeveel schoenen hij daardoor versleet, maar in ieder geval kreeg de klapwaker elk jaar op kosten van het dorpsbestuur één paar nieuwe schoenen. [4] Daarnaast betaalde het dorpsbestuur ook het uniform van de klapwaker: zo kreeg de Lissese kleermaker Willem Filipszn. Kouwenhoven in 1705 een vergoeding voor het verstellen van de “klappermansrok”. [5]
De klapwaker moest zich volledig concentreren op zijn ronde door het dorp. In de praktijk kwam het echter wel eens voor dat hij werd gevraagd om iemand te begeleiden naar of af te halen van de trekschuit bij Halfweg. Het dorpsbestuur van Lisse achtte dat niet wenselijk. Daarom werd hier in de functieomschrijving van de klapwaker expliciet een verbod tegen uitgevaardigd.
Zodra hij tijdens zijn ronde iets onrechtmatigs ontdekte, diende de klapwaker de schout of (afhankelijk van de ernst van het misdrijf) de baljuw te waarschuwen. Kleine overtredingen mochten ook de volgende dag worden gemeld, maar spoedeisende zaken behoorden natuurlijk direct te worden afgehandeld. Lagen de schout en baljuw op dat moment al te slapen, dan moest de klapwaker hen “met de meeste voorzigtigheid doen ontwaaken”.

Stille nachtwacht
In Lisse waren ook onbezoldigde nachtwakers actief. Zij liepen rond zonder ratel en werden daarom de ‘stille nachtwacht’ genoemd. De stille nachtwacht werd gerekruteerd uit de mannelijke Lissese bevolking. Dat gebeurde op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen. Deelname aan de stille nachtwacht was verplicht: personen die zich hieraan onttrokken, werden daarvoor door het dorpsbestuur bestraft. [6] Tijdens de vernieuwing van de keur van de stille nachtwacht op 31 december 1764 werd deze verplichting als volgt omschreven: “Dat tot het doen van de stille nagtwagt in Lisse verpligt zullen zijn alle zodaanige burgers en ingezeetenen van Lisse onder de 60 jaaren oud zijnde, welke jaarlijks door schout en burgermeesteren zullen werden genoemdt, te beginnen en te eyndigen met zodanige tijd als bij gemelde lijste zal werden uytgedrukt, die ook jaarlijks in ’t dorpswagthuys zal werden opgehangen”. Van een complete vernieuwing was overigens geen sprake. De keur uit 1764 is qua inhoud namelijk voor een groot deel gelijk aan de keur van de stille nachtwacht die op 19 juli 1699 door het dorpsbestuur van Lisse werd uitgevaardigd. [7] Wel is hier en daar de tekst enigszins aangepast en gemoderniseerd.
Uit de periode 1714-1749 zijn enkele lijsten bewaard gebleven met daarop de namen van de leden van de stille nachtwacht en de nachten waarop zij dienst hadden. In de eerste jaren worden er per nacht steeds vier namen genoemd, maar vanaf 1720 staan er nog maar twee namen vermeld (zie afbeelding ).

Om kwaadwillende lieden af te schrikken of te overmeesteren waren de leden van de stille nachtwacht bewapend: in 1727 werd de timmerman Harmen Andrieszn. Tijdeman betaald voor het maken van twee stokken ten behoeve van de nachtwacht, terwijl de smid Tieleman Stroom een vergoeding kreeg voor het vervaardigen van ijzeren punten op deze stokken. Blijkbaar werden deze pieken soms wat al te onbesuisd gebruikt, want in 1764 bepaalden de schout en burgemeesters van Lisse dat iedereen die één of meerdere pieken brak, of daarmee schade toebracht aan het wachthuis, de reparatiekosten zelf zou moeten betalen. De stille nachtwacht was tevens bewapend met geweren, die na afloop van de dienst moesten worden overgedragen aan de volgende nachtwakers (of als die niet thuis waren, aan één van hun gezinsleden).
De leden van de stille nachtwacht dienden, “na dat hem de wagt des smorgen sal werden aangesegt ende bekend gemaakt”, om tien uur ’s avonds te verschijnen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur’s ochtends te patrouilleren door het dorp (net als bij de klapwaker gebeurde dat over het algemeen volgens een vaste route). Daarbij moesten ze goed letten op brand en diefstal. Soms ontstond er tijdens hun ronde een handgemeen. In dat geval waren alle inwoners van Lisse (maar vooral diegenen voor wiens huis het handgemeen plaatsvond) verplicht om de nachtwakers te hulp te schieten. Na afloop van hun dienst moesten de leden van de stille nachtwacht hun opvolgers in de loop van de ochtend persoonlijk ‘de wacht aanzeggen’. Op die manier kon niemand zich verschuilen achter het excuus dat hij niet wist dat hij die avond nachtwachtdienst had.
Uit het bovenstaande verhaal kan worden opgemaakt dat de klapwaker en de stille nachtwacht niet alleen verantwoordelijk waren voor het handhaven van de orde, maar ook een belangrijke rol speelden bij de brandbestrijding. Beide taken waren in deze tijd nog nauw met elkaar verbonden. Dat wordt bevestigd door de rekeningen van de omslag van de bede, waarin alle uitgaven voor de klapwaker en de stille nachtwacht zijn genoteerd onder het kopje “Uytgeef wegens de brandgereedschappen”.

Buitengewone stille nachtwacht
Naast de gewone stille nachtwacht, kon er door het dorpsbestuur van Lisse ook een buitengewone, of extraordinaire, stille nachtwacht in het leven worden geroepen. Dat gebeurde bijvoorbeeld op 1 februari 1765, toen de schout, burgermeesters en schepenen verklaarden “dat de gewoone stille nagtwagt voor deesen saayzoene een eynde zal neemen, ende dat in plaatse van dien is aangesteld een extraordinaire stille nagtwagt”. Alle mannelijke inwoners van Lisse die ouder waren dan achttien jaar, waren verplicht om hier aan deel te nemen (wederom op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen).
Er werden in totaal vier groepjes gevormd van vier tot zes personen, die ieder “met behoorlijk geweer voorsien” een deel van Lisse onder hun hoede hadden. Het ging daarbij om de grens met Hillegom (vier man), de weg tussen Berkhout en Halfweg (zes man), de Achterweg vanaf de woning van Cornelis Huibertszn. Zandvliet tot aan de grens met Sassenheim en Voorhout (vier man), en de Heereweg vanaf de woning van Cornelis Tromp tot aan de grens met Sassenheim (zes man). De leden van de eerste twee groepjes bepaalden via loting of zij wacht moesten lopen aan de grens met Hillegom, of op de weg tussen Berkhout en Halfweg. Uit hun midden werd één korporaal gekozen die de leiding had. Uit de andere twee groepjes werd eveneens één korporaal gekozen. De twee groepjes die wacht liepen in het noordelijke deel van Lisse dienden zich iedere avond om tien uur te verzamelen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur ’s ochtends te patrouilleren. Dat gold ook voor de andere twee groepjes, met dien verstande dat zij zich elke avond om tien uur moesten melden bij de woning van de schout. Daarmee werd het huis Dever bedoeld, dat tussen 1763 en 1771 werd bewoond door de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart.

Het is niet bekend waarom het dorpsbestuur van Lisse besloot tot het instellen van deze buitengewone stille nachtwacht. Het lijkt te gaan om een verhoogde staat van paraatheid, maar van reële oorlogsdreiging was op dit moment geen sprake. Misschien was de criminaliteit sterk toegenomen, en probeerde het dorpsbestuur dat op deze manier weer in te dammen. In ieder geval lijkt er in deze tijd in de directe omgeving van Lisse wel wat aan de hand te zijn geweest. Al op 18 januari 1765 had de baljuw namelijk een brief geschreven aan Pieter van Ommen en Johannes Oldenzeel, welgeboren mannen van Lisse, met het verzoek om zes man uit Lisse 24 uur lang paraat te houden. Zij moesten de baljuw helpen door ’s nachts te patrouilleren “door het afgeleegentste van Lisse” en overdag de wegen in Lisse te bezetten. Daarbij dienden zij alle personen te arresteren “die haar suspect zullen voorkomen”.
wordt vervolgd

Noten
[1] J.B. Glasbergen, 1000 Jaar Rijnsburg (Leiden z.j.) 72.
[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 31 (ongefolieerd).
[3] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 239.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 38, rekening uit 1727, fol. 13.
[5] Ibidem, inv. nr. 36, rekening uit 1705, fol. 14.
[6] Ibidem, inv. nr. 4, fol. 159v en 160.
[7] Ibidem, inv. nr. 252.

Voorbeeld van een houten klep

 

Eerste blad van de lijst met namen van de leden van de stille nachtwacht in het jaar 1746 (waarvan destijds een kopie werd opgehangen in het wachthuis).

 

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 4

De veredeling van zijn tulpen wordt besproken.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Selecteren is een kwestie van durven weggooien

Vorige keer werd in het VOL blad beschreven hoe de heer Dirk W.Lefeber dacht over het winnen van nieuwe soorten en de moeite die gedaan moest worden om zo’n soort op de juiste wijze in de boeken te krijgen.
Lefeber hing het credo aan te geloven in het behoud van oude soorten.Vooral de originele in het wild voorkomende soorten die in vorm en kleur hun gelijke niet hebben. Verbeteringen vanuit die soorten komen zeer moeizaam tot stand, zoals bij de Greiggii tulpen het geval was.
‘Gedurende lange tijd kweekten we uit kruisingen van Greigii met Greigii meer dan een kwart miljoen verschillende Greigii’s in een tijd dat er een grote vraag was naar deze gemengde Greigii’s. Speciaal in de Verenigde Staten. Daarom waren we zo gelukkig een paar van de beste te selecteren. In het eerste jaar selecteerde ik er duizend uit en na een paar jaar was dat tot zeven soorten teruggebracht.’
Lefeber gaf daarmee aan dat het winnen van nieuwe soorten een goed begin is, maar dat daarna nog het moeilijkste moet komen. De hybridiseur moet het namelijk kunnen opbrengen om aan de hand van de zwaarste eisen uit de grote hoeveelheid nieuwelingen (zaailingen) alleen de allerbeste te halen. De rest gaat naar de mesthoop en elke bol die daar belandt doet pijn… Een paar van de mooiste Greigii tulpen die door Lefeber werden gewonnen waren onder andere Jury Gagarin, Opera, Academicion, Tsitsin, Gala Premiere, United Nations en Lovely Surprise. Sommige van die soorten leken op rozen en (zoals Lefeber het stelde) ‘Een ware traktatie om naar te kijken.’ Hij vertelde de kroniekschrijver verder: ‘Door vele kruisingen om deze roosachtige tulp te verkrijgen ben ik er in geslaagd ook een semi dubbele Greigii te krijgen, alsmede nieuwe Greigii’s met een andere vorm. Wanneer de bloem hiervan openstaat, is de vorm practisch vierkant en buitengewoon mooi. De kleuren zijn rood, oker met rode strepen en geel-rood gevlamd,’ aldus Lefeber die tevens vermeldde dat naar zijn smaak de Henriette Mijma tulp de fraaiste was vanwege de zuiver oranje-scharlaken kleur en een buitengewoon goede houdbaarheid.
Nadat Lefeber de kroniekschrijver uitgebreid uit de doeken had gedaan dat mutaties (spontane verlopingen uit een soort) vaak een verbetering van de soort aan het licht brengen, maar niet zelden ook een verslechtering zijn, vervolgde hij met de vaststelling: ‘Het is duidelijk dat elke hybridisatie verschillende resultaten geeft maar het is ook een feit dat twee gelijke kruisingen van bijvoorbeeld twee tulpenvariëteiten die op verschillende tijden zijn uitgevoerd met een verschil van bijvoorbeeld enkele uren en met een verschil in lichtintensiteit, totaal verschillende kruisingsresultaten te zien geven in zowel kleur als in type. Op een keer verrichtte ik kruisingswerkzaamheden gedurende de ochtend met zonnenschijn en enkele uren later in de middag met een bewolkte hemel. Er werd precies hetzelfde uitgangsmateriaal gebruikt. De beide proeven hield ik apart en bij de bloei bleken de zaailingen van de ene kruising totaal verschillend in kleur, vorm, blad en type te zijn dan van de andere zaailingen.’
Lefeber behaalde zijn beste resultaten met de uit Aziatisch Rusland geïmporteerde en in het wild voorkomende tulpen. ‘Sommige van deze in het wild voorkomende tulpen nam ik zelf mee na een reis door het zuidelijke gedeelte van de USSR. Dankzij deze tulpen heb ik mijn beste nieuwe tulpensoorten verkregen.’

D.W. Lefeber

Na de tweede wereldoorlog werd Lefeber door de minister van Landbouw van Rusland uitgenodigd om deel te nemen aan een rondreis door het zuiden van Aziatisch Rusland om verschillende botanische tuinen te bezoeken en de plaatsen waar de tulpen in het wild voorkomen. ‘Gedurende deze lange reis van twee maanden bezocht ik ook de botanische tuinen in Suchmi en verschillende andere provincies waar ik belangrijke verzamelingen aantrof. Ook van de minder bekende soorten waaronder zeer interessante variëteiten.
Bij de vele bezoeken aan Moskou was het ook zeer interessant om ,Academicion’ Tsitsin te bezoeken. Een belangrijk man op het gebied van de kwaliteitsverbetering van granen. Hij toonde mij diverse resultaten van kruisingen tussen de in het wild voorkomende planten en gecultiveerden, hetgeen resulteerde in het ontstaan van een sterk en uitgebreid aantal granenrassen. Geen wonder natuurlijk, dat ik gelijk aan mijn Darwin, Greigii en Fosteriana Hybriden dacht die ook door kruisingen van de in het wild voorkomende soorten met oude gecultiveerde soorten tot stand zijn gekomen. Met als resultaat dat de bloemen tweemaal zo groot waren en de kleur briljant was. Ik vertelde mijn Russische vriend dat niet alleen het Sovjet volk dankbaar kon zijn voor de verbetering van de granen, maar ook voor de verbetering van de bloemen en ik ben blij te kunnen zeggen dat mensen niet van brood alleen kunnen leven en dat bloemen zoiets als ,levensbrood’ zijn en mijn Russische vrienden stemden daarmee van harte in.’

‘Vele Sovjet autoriteiten toonden belangstelling voor de resultaten van de hybridisatie-arbeid. Mij is gebleken dat de originele in het wild voorkomende tulpen, ongerept en stevig als ze zijn, zich beter voor hybridiseren lenen dan de in Nederland gekweekte rassen zoals de Darwin tulpen, de vroege tulpen en bijvoorbeeld ook de Triumph tulpen. De oorspronkelijke Fosteriana en Greigii behouden voor het grootste deel hun eigen kleur. Zelfs wanneer ze gekruist worden met andere rassen en kleuren. De hybrides echter die uit deze kruisingen zijn voortgekomen zijn bijna steriel en aan de andere kant geven ze uit kruisingen tussen de oorspronkelijke Fosteriana’s, Greigii’s en Kaufmaniana’s zaad met grote kiemkracht.
Het duurde ook vele jaren voordat de geïmporteerde in het wild voorkomende tulpen aan onze omgeving gewend waren. We moesten daarom beginnen met erg kleine bollen en zwakke gewassen. Na vijf tot zes jaar was de kwaliteit goed genoeg om het stuifmeel te gebruiken.’
Lefeber stelde indertijd (en de kroniekschrijver noteerde dat…) dat het hoofddoel van het hybridisatiewerk was het kweken van een tulp met een meer briljante kleur; de bloemen te vergroten en om bollen te krijgen die sneller te vermenigvuldigen zijn. En daarin slaagde hij, want de door hem ,gewonnen’ soorten hadden en hebben grotere bloemen, zijn briljant van kleur en in het geval van bijvoorbeeld de rode tulp Apeldoorn is het zo dat als hiervan een kilogram wordt geplant, de oogst driemaal zo groot is, terwijl dat in veel andere gevallen 1 op 1 is. Overigens bloeide van Apeldoorn in 1942 de eerste bol en tientallen jaren lang werd van dit product een aanzienlijk areaal geteeld.
‘Sprekend over de hybridisatie doet dit me denken aan een van de grootste hybridiseurs in Engeland die zich, als jongeman, tot taak gesteld had een zuiver witte narcis te kweken. Zijn vader zei tegen hem dat hij nooit rijk zou worden omdat het allemaal teveel tijd en teveel geld kostte.
De zoon antwoordde daar op dat als hij zijn doel zou bereiken, hij zich dankzij die witte narcis ontzettend rijk zou voelen. ‘En deze grote expert en bloemenliefhebber is erg succesvol geweest.’


Lefeber vertelde tevens dat het hybridiseringswerk niet altijd om economische redenen wordt gerechtvaardigd. ‘Er worden teveel nieuwe variëteiten gekweekt die niet economisch zijn. Naar mijn mening moeten we goed voor ogen houden dat als we aan veredeling denken, de vraag uit de markt belangrijker is dan een certificaat of een medaille,’ aldus Lefeber pakweg veertig jaar geleden en daarmee een waarheid verkondigend die nog altijd regelmatig in het bloembollenvak terugkeert. ‘We worden in het veredelingswerk niet alleen gestimuleerd omdat het leuk is, maar vooral ook omdat het economisch gerechtvaardigd wordt.’ En soms krijgt men als hybridiseurs met uitschieters in de belangstelling te maken en kan men zich in de tijd van de windhandel wanen. Zoals de Amerikaan die zich ooit bij Lefeber meldde. ‘De man bezocht onze bollenvelden en vroeg de prijs van de beste en nieuwste variëteit. Dat was ‘Hollands Glorie’ waarvan de voorraad erg klein was. Ik vertelde hem dus dat het er te weinig waren om bollen voor de export te verkopen. We hadden er namelijk slechts een paar voor 2500 gulden per stuk verkocht voor kweekdoeleinden. De Amerikaan bleef echter aandringen. Hij wilde een bol voor zijn tuin hebben en om aan zijn vrienden te tonen en dus verkocht ik hem een kleine bol voor 750 gulden. Ik ben er zeker van dat dit de duurste tulp is die ooit werd geëxporteerd maar daarmee is het verhaal nog niet af. De Amerikaan stuurde me namelijk een brief uit Cleveland waarin hij vertelde dat een muis zijn bol had opgevreten. Dus hebben we hem later maar een nieuwe bol toegestuurd…’
In zijn ontboezemingen die bloembollen hybridiseur Dirk W. Lefeber enkele tientallen jaren geleden door een journalist op papier liet zetten komt ook de start van Keukenhof in beeld. Dat ging bepaald niet vanzelf en Lefeber moet (zo blijkt althans uit de kroniek) een van de motoren geweest zijn waardoor het initiatief toch van de grond kon komen en succesvol werd. ‘De bloembollenkwekers hadden grote behoefte aan een neutrale en een centrale plaats waar elk jaar alle geselecteerde nieuwe soorten getoond konden worden. Wij vonden zo’n plaats en noemden dit de nationale Bloemententoonstelling Keukenhof waar dus alle vooraanstaande firma’s hun nieuwe rassen kunnen tonen.


Het is geen geheim, dat er bij de start van Keukenhof veel problemen en grote moeilijkheden overwonnen moesten worden. Slechts een paar van mijn collega’s waren optimistisch over het welslagen van een dergelijke tentoonstelling. De realisatie ervan is te danken aan een klein comité dat veel problemen het hoofd bood. De problemen waren ook van financiële aard en er werd indertijd zelfs gepubliceerd dat Keukenhof startte met slechts honderd gulden in kas. Dat was natuurlijk een grap, hoewel het waar is dat zelfs geen kweker of exporteur ons plan ondersteunde.
Op een zeker moment heeft het plan daardoor aan een zijden draadje gehangen. Om de moeilijke start mogelijk te maken moest ik persoonlijk het tentoonstellingsterrein gedurende de eerste tien jaren huren. Het risico lag dus bij mij nog voordat een exposant zich had gemeld en voor er een spade in de grond was gezet. Gelukkig bleek Keukenhof een succes te zijn. Zelfs in het eerste jaar en het huurcontract werd overgezet op het Keukenhof-comité waardoor het mogelijk werd de winst te benutten voor de verbetering en uitbreiding van onze tentoonstelling.’
‘Ondertussen is gebleken dat de Nationale Bloemententoonstelling Keukenhof met z’n prachtige omgeving en natuurlijke schoonheid de meest ideale plaats is om elk jaar in kassen en park de nieuwe cultivars gedurende hun bloeitijd jaarlijks aan meer dan 800.000 bezoekers van over de gehele wereld te tonen. Meer dan vijftig procent van die bezoekers komt uit het buitenland en zij worden allemaal propagandist van de bloembollen, nadat ze deze in volle glorie op deze unieke plaats hebben zien bloeien. En dat doen ze ook middels miljoenen foto’s’, aldus de ontboezemingen van Lefeber die tevens vaststelde dat het vak zich geen betere tentoonstellingsplaats had kunnen wensen. En met die vaststelling eindigen we een korte serie waarin enkele ervaringen van Dirk W. Lefeber, de winner van talloze en beroemde nieuwe bloemen, aan de lezers van het blad van de VOL werden voorgelegd.

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 3

De veredeling van zijn tulpen wordt besproken

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

Één tulp, twee namen

Als proef voor het welslagen van de zogenoemde vijf graden tulpen stuurde Lefeber ongeveer honderdduizend bollen van de tulp ‘Apeldoorn’ naar de Botanische Hoofdtuin in Moskou en deze kwamen omstreeks de jaarwisseling allemaal in de experimentele kas aldaar in Moskou in bloei.
Lefeber vertelde ooit aan de kroniekschrijver die zijn verhaal aan het papier toevertrouwde, dat hij als een van de eerste tulpen voor zijn kruisingswerkzaamheden de in het wild voorkomende tulp Fosteriana Madame Lefeber had uitverkoren. “Uit de Russische Fosteriana selecteerde ik een variëteit die ik als de beste beschouwde en gedurende vele jaren kweekte ik daar een grote voorraad van. Ik noemde deze variëteit ‘Madame Lefeber’ en het was de eerste variëteit die werd geregistreerd. Toen ik deze tulipa introduceerde waren veel van mijn collega’s de mening toegedaan dat deze variëteit inderdaad een prachtige heldere rode kleur had, maar voor de handel waardeloos was. Zij dachten zelfs dat deze tulp niet constant gekweekt zou kunnen worden. Toen ik de naam van deze variëteit liet registreren dachten de meeste collega’s dat ,Fosteriana’ voldoende zou zijn en dat een naamstoevoeging overdreven zou zijn. Om een en ander te regelen moest ik naar Londen om de bloemen aan een jury van The Royal Hortical Society te tonen. Toen ik hen de prachtige bloemen liet zien waren ze het onmiddellijk met mijn voorstel eens om een variëteitsnaam te laten registreren. En dat werd madame Lefeber. Later waren twee partijen geïnteresseerd in de naam van deze Fosteriana tulp Madame Lefeber. Dat waren mijn moeder en mijn vrouw. Beiden vroegen of de tulp naar haar vernoemd was. Een moeilijke vraag voor mij natuurlijk, daarom zei ik tegen elk: Hij is naar jou vernoemd, maar praat er met niemand over en zo draaide ik me er aardig uit…

Met deze variëteit, waarvoor ik zowel kritiek als bewondering oogstte, werkte ik het meest om een betere rode tulp te krijgen met een grote bloem en een normale tulpvorm. Het vereiste enige moed om de tulipa Fosteriana als voorvader te nemen. Ik herinner me dat toen ik de eerste was die een grote geselecteerde hoeveelheid van de tulp Madame Lefeber kweekte, vooraanstaande kwekers me vertelden: “Het is buitengewoon mooi, maar heeft geen commerciële waarde.” Deze kritiek was niet alleen gebaseerd op concurrentie. Mijn persoonlijke mening was dat deze tulp een van de belangrijkste zou kunnen worden en in alle tuinen over de gehele wereld zou kunnen komen te staan. En dat is ook gebeurd, maar pas na vele jaren en een moeilijke periode”. Lefeber liet de kroniekschrijver tevens vastleggen dat hij dit opmerkte omdat hij de aandacht wilde vestigen op het feit dat het introduceren van een nieuw soort werkelijk heel belangrijk is.

Maar dat introduceren duurt lang en het goed bekend maken van de soort duurt vaak zelfs langer dan het kweken van een verbeterde nieuwe variëteit. “Mijn collega’s vonden de bloemen te groot en de bladeren onhandig. Ik ben echter van mening dat geen tulp te groot is en misschien ook geen tulp te klein. Ik zou bijvoorbeeld niet teleurgesteld zijn als ik in de lente een van mijn zaailingen zou zien bloeien met een bloem zo groot als een amaryllis, noch wanneer deze tulp drie of vijf bloemen zou hebben en bij voorkeur met de kleur van de Fosteriana Madame Lefeber. Echter: een ongewoon kleine tulp zou me ook welkom zijn. Ik heb wel eens gezegd dat de bloembollenkwekers blij zouden moeten zijn dat de grootste artiest, Moeder Natuur, geen onbegrijpelijke moderne vormen creëert. Alhoewel door de vele verschillende kruisingen de meest bijzondere vormen en kleuren zijn verkregen, zijn ze nu acceptabel voor elke liefhebber van bloemen en kunnen door iedereen worden gewaardeerd,” aldus werd door de kroniekschrijver uit de mond van de heer Lefeber opgetekend die daar tevens aan toevoegde van mening te zijn dat de oorspronkelijke vormen en kleuren van de Fosteriana’s en Greiggii’s hem het meest aanspraken, maar dat door het hybridiseren de bloem meer geschikt werd voor de massaproductie en -verkoop. Lefeber was er dan ook niet gelukkig mee dat in de officiële lijst van geregistreerde tulpennamen veel hybriden geregistreerd staan onder het kopje van de originele Fosteriana en Greiggii namen. “Naar mijn mening kan de mooiste ezel geen paard genoemd worden en in dit geval waren er naar mijn mening meer ezels dan paarden….”

Dirk Lefeber in zijn jonge jaren

 

 

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 2

De introductie van de tulpen Madame Lefeber en Apeldoorn worden beschreven.

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

Lefeber had belangrijke inbreng in bloembollencultuur

Rode tulpen nog altijd uitermate belangrijk

Dat Dirk W. Lefeber onschatbare diensten aan het bloembollenvak heeft bewezen is de lezer een vorig keer al duidelijk geworden. Hij was niet alleen een doorzetter als het er om ging om nieuwe markten te verkennen (zijn reizen naar Rusland zijn legendarisch), maar eveneens niet van zijn stuk te brengen als het ging om het zoeken naar nieuwe variëteiten bloembollen. En dan vooral tulpen. In de loop der jaren zijn door Lefeber talloze van die nieuwe variëteiten ontwikkeld, waaronder de rode Apeldoorn die heel lange tijd de meest geteelde tulpensoort was en in vele honderdduizenden huiskamers in de gehele wereld wel eens te gast is geweest.
Lefeber heeft ooit aan het papier toevertrouwd op welke wijze hij steeds te werk ging en welke resultaten werden bereikt.
Daarbij stelde hij echter op de voorgrond dat vele andere hybridiseurs eveneens met groot succes aan de gang waren en waardevolle resultaten bereikten. “Vooral de eerste 25 jaar na de tweede wereldoorlog zijn veel belangrijke soorten geïntroduceerd die elk hun bijdrage hebben geleverd aan prachtige bloeiende tuinen en parken en veel aanbod in de bloemen-winkels.”
Lefeber stelt dat bij dat alles de rode tulp veruit favoriet was en is.
“Ongeveer 70% van alle geëxporteerde tulpen is rood. Door veel kruisingen van de oude, in Holland gegroeide Darwin tulpen met de originele in het wild voorkomende Fosteriana en Greigii tulpen heb ik prachtige nieuwe soorten gewonnen. Het belangrijkste resultaat van mijn werk is de hybridisering van de oude Darwin tulpen geweest, gekruist met de originele wilde Fosteriana en die onder de naam ‘Madame Lefeber’ werd geregistreerd. Buiten deze kruisingen werd de Darwin Hybride tulp officieel als nieuw ras geregistreerd. Een ras met een werkelijk sprankelende rode kleur. Roder dan alle andere Darwin tulpen. Ook zijn de bloemen veel groter en is de groei sterker dan van de andere tulpen”.

De Darwin hybride Apeldoorn

De grote Darwin hybride nam later een vooraanstaande plaats in het totale pakket voorjaarsbloeiende bloembollen in. Op een gegeven moment bestond zelfs eenderde van het totale areaal uit deze tulpensoort en werden er elk jaar miljoenen bollen van geproduceerd. Voor Lefeber stond het dan ook vast dat het verkrijgen van betere handelsvariëteiten niet alleen van belang was en is voor de hybridiseur, maar nog van veel groter belang voor de totale bloembollenbranche. “Ik durf te stellen dat zonder genoemde Darwin hybride tulpen het voor de bollen- en bloemenhandel in het algemeen moeilijk geweest zou zijn om haar positie te handhaven. Bovendien zijn veel van de oude Darwin tulpen gedegenereerd (in kwaliteit teruggelopen-red.) zodat de Darwin hybride tulpen net op tijd kwamen. Maar als ik het niet gedaan zou hebben, zou er ongetwijfeld een andere kweker zijn opgestaan en misschien had die het nog beter gedaan ook. Ik had gewoon geluk dat niemand anders het deed. En natuurlijk kunnen de Darwin hybride tulpen verbeterd worden. Bijvoorbeeld met een sterkere bloem die langer bloeit. Maar de heldere kleur, de bloemvorm, de bladeren en het grote groeivermogen zullen moeilijk verbeterd kunnen worden”.
Over het aantal Darwin hybride tulpen dat door Lefeber werd geïntroduceerd zegt hij in zijn verslag het volgende: “Uit één kruising kwamen 364 buitengewone zaailingen. Maar na vele jaren van testen, eerst in de kas en later buiten, zijn daarvan slechts tien cultivars geïntroduceerd. Het is werkelijk heel moeilijk geweest om uit zoveel prachtige tulpen te selecteren. Ik moest de overige primeurs vernietigen om te voorkomen dat de variëteiten met elkaar zouden concurreren. Een kleine collectie heeft immers een grotere marktwaarde voor zowel de kwekers als voor de handel in z’n totaliteit. Zelfs de beste vier cultivars zouden voldoende zijn geweest. Dat zijn de Darwin hybride ‘Parade’, ‘Oxford’, ‘Apeldoorn’ en ‘Gudoshnik’. Volgens mij komt het in de bloembollenwereld zelden voor, dat als gevolg van hybridisering van verschillende soorten en variëteiten één variëteit tevoorschijn komt waarvan elke zaailing uitstekend blijkt te zijn,” aldus Lefeber die verder in zijn verslag vertelt zich vooral toegelegd te hebben op het verkrijgen van nieuwe tuintulpen voor de broei (die de bloemen uit de bol ,trekt’-red.), maar dat het ook aantrekkelijk is nieuwe cultivars te kweken die aantrekkelijk zijn voor zowel de broeierij als de tuin. Zoals indertijd vooral de vuurrode tulp ‘Apeldoorn’. Door een speciale temperatuurbehandeling (de zogenoemde vijf graden behandeling -red.) kon deze tulp met veel succes in de periode rond de jaarwisseling in bloei worden getrokken en was het jarenlang op dat vroege tijdstip één van de voornaamste tulpen in de markt.

Voorpagina van de catalogus uit 1969 van de firma D.W. Lefeber, bestemd voor de Russische markt. Op de voorgrond staan prachtige rode tulpen in bloei op de Keukenhof. collectie: Museum de Zwarte Tulp

 

 

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 1

De geschiedenis van veredelaar Lefeber tot 1917 wordt besproken. Hij is in 1894 geboren.

Door Arie in ’t Veld

De jonge Dirk W. Lefeber

Nieuwsblad 7 nummer 1, januari 2008

Alhoewel we ons in Lisse niet zo erg druk maken als het erom gaat om bepaalde personen in de vorm van een beeld te eren als dank en herinnering aan hun bewezen diensten, zijn er natuurlijk wel namen te noemen van personen die daarvoor in aanmerking zouden komen. Nicolaas Dames bijvoorbeeld, waarover we het in het blad van de VOL al uitgebreid hebben gehad en waarvan dan een buste staat aan de voorzijde van het PPO gebouw aan de Heereweg. En, sprekend over het bollenvak, zijn de verdiensten van Dirk W. Lefeber ook bepaald niet onbelangrijk. Enige jaren geleden werd op bescheiden wijze aan hem herinnerd toen Jan Willem Plug namens de Stichting D.W. Lefeber’s Memory een prachtige aquarel van een zwarte tulp aan het Museum de Zwarte Tulp schonk. Wie was die Dirk Lefeber en wat betekende hij voor het bollenvak? In enkele afleveringen gaan we daar op in.

D.W. Lefeber werd op 25 augustus 1894 in Lisse geboren. Over zijn jongensjaren is niet veel in de openbaarheid gebracht, maar bekend is wel dat hij al in een vroeg stadium door Europa reisde om bloembollen te verkopen. In 1910 was dat het geval in Engeland, in 1911 in Duitsland en in 1913 trok Lefeber naar Rusland. Dat klinkt tegenwoordig redelijk simpel, maar bedacht moet wel worden dat de bollenreizigers in die tijd ware avonturiers waren die op alle mogelijke manieren trachtten hun bestemmingen te bereiken. Een vreemde taal werd nauwelijks beheerst en de manieren van vervoer waren bepaald niet om over naar huis te schrijven. Althans niet als je dat met de huidige tijd vergelijkt. Maar ze gingen. Naar alle windsteken om te proberen de bloembollen aan de man/vrouw te brengen. In 1914 werd door Lefeber de wapenrok aangetrokken en na die ervaring vertrok hij in 1915 naar de Verenigde Staten waar hij vertegenwoordiger werd van ,The America Farm Company’ in Tucson Arizona en speciaal was belast met irrigatie-projecten. Op zichzelf heeft dat niet zo veel uit te staan met bloembollen, maar wel met het tegenwoordig zo geliefde “netwerken”. De jeugdige Lefeber had dus al spoedig voet aan de grond in de USA en werkte ook nog bij het grote zaadhuis W.W. Johnson & Son in Boston. De bollenman heeft op jeugdige leeftijd dus al het nodige van de wereld gezien.

In de herfst van 1917 vertrok Dirk naar Rusland en belandde daar in een uiterst moeilijke periode. De revolutie sluimerde en barstte uiteindelijk los met tot gevolg dat Lefeber middenin het strijdgewoel belandde en pas na zeven maanden kans zag Rusland te verlaten zonder een bol verkocht te hebben. Lefeber reisde daarna diverse keren als diplomatiek koerier van Petrograd (Leningrad) naar Moskou en tijdens een van die gelegenheden ontmoette hij de Sovjet minister van buitenlandse zaken Tschitserin. Toen hij zijn kans schoon zag vertrok hij met de eerste militaire gelegenheid dwars door het front als diplomatiek koerier van de Nederlandse ambassade naar Duitsland en belandde uiteindelijk weer op vaderlandse bodem waar de dingen van de dag weer werden opgepakt.

Enkele jaren na dit avontuur startte Lefeber met het hybridiseren (winnen van nieuwe soorten) van bloembollen. Gladiolen, narcissen en hyacinten, maar vooral tulpen. In 1932 werd hij benoemd tot lid van de regeringscommissie tot regulering van de productie en export van bloembollen en gedurende een jaar of tien had hij zitting in diverse commissies. De genomen maatregelen maakten het mogelijk dat er een goede basis werd gelegd voor een gezonde bloembollencultuur die ook de crisisjaren overleefde. Na de tweede wereldoorlog vloog Lefeber naar Rusland met in zijn bagage dertigduizend bloembollen die hij namens de Hollandse kwekers aan het Sovjet volk aanbood. De banden werden versterkt en er ontstond een behoorlijke handel op Rusland. Lefeber werd om zijn inzet en kennis van zaken zowel nationaal als internationaal geëerd en ontving vele onderscheidingen, waaronder ,The Lindley Medal’ van de Royal Horticultural Society in Londen voor het vinden van nieuwe tulpenrassen.

Vooral op het gebied van de tulpenkruisingen werd Lefeber vermaard. Omdat vele in cultuur gebrachte tulpen gedegenereerd waren zocht hij zijn heil in originele, wilde Russische tulpen. Na vijftig jaar ervaring en het introduceren van vele nieuwe en spraakmakende soorten zei Lefeber indertijd dat hij daarover wel een boek zou kunnen schrijven onder de titel ,Humor en Drama’.
“Maar vijftig jaar ervaring op dit gebied heeft me één ding duidelijk gemaakt: ik weet zeker dat ik er niets vanaf weet. De vraag die me zo vaak is gesteld of dit werk enig geheim in zich bergt is dan ook snel beantwoord. Zonder enige twijfel zijn er veel geheimen, maar Moeder Natuur houdt ze voor zichzelf. Zij speelt de eerste viool, zodat de resultaten van mijn werk altijd en verrassing waren. Ik weet alleen dat de kans om een werkelijke verbetering te realiseren heel klein is. Daarom denk ik, dat het nodig is veel pogingen te ondernemen.
Dat betekent veel werk en geduld en in het algemeen zou ik willen zeggen:
Na zoveel jaren ervaring heb ik nog steeds de sleutel van het geheim niet gevonden.” aldus Lefeber die stelde dat de verbetering van de handelsvariëteiten uitermate belangrijk was maar dat het kweken van nieuwe bollen al gauw zo’n zes jaar in beslag neemt. “Om duizend bollen te kweken duurt tien jaar en om een miljoen bollen te kweken duurt nog eens tien jaar en dan is het pas een handelsvariëteit,’ aldus Lefeber die daarmee aangaf dat het winnen van nieuwe bloembollen-variëteiten de ene kant van de zaak is, maar dat het een weg van de lange adem is voordat zo’n nieuweling massaal in de markt ‘gezet’ kan worden. Vandaag de dag verloopt dat voor veel bolsoorten iets minder moeizaam door de nieuwe vermeerderingstechnieken zoals de weefselkweek, maar toch duurt het altijd nog een hele tijd voordat een nieuw soort handelsrijp is.

Apeldoorn is de belangrijkste aanwinst voor Lefeber

 

 

GLAS IN LOOD RAAMPJES

Het glas -in-lood-raampje staat nu bij de VOL

Twee glad-in-lood raampjes  bij de VVV aan de Grachtweg  zijn verwijderd en gerestaureerd.

Door Else Wesseling – Capel

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 3, juli 2012Twee kleine glas-in-lood raampjes waren tot voor kort zichtbaar in de zijmuur van het pand van de V.V.V. aan de Grachtweg, voorheen het woonhuis van de familie Van der Linden. Ze bevatten kleurige afbeeldingen van zeilende binnenvaartschepen. Ze vielen nauwelijks op en verkeerden in een slechte staat. Dankzij de belangstelling en de hulp van de Vereniging Oud Lisse en niet te vergeten de bereidwillige medewerking van de V.V.V. zijn ze voor verval en ondergang gered, ook al zou het pand waarin ze zich bevonden in het kader van het plan Havenkwartier onder de slopershamer vallen. Onlangs werden ze deskundig en voorzichtig uit de sponningen genomen door medewerkers van de Vereniging Oud Lisse. Ze werden vervolgens, dankzij financiële hulp van de Vereniging Oud Lisse en bijdragen van sponsoren, vakkundig gerestaureerd. Zo blijven ze bewaard voor het nageslacht.

De restauratie is goed geslaagd

Dec raampjes worden voorzichtig verwijderd

Deze raampjes zijn ook uit historisch oogpunt belangrijk. Ze vertellen het verhaal van ons dorp!
Lisse, oorspronkelijk gesitueerd aan het Haarlemmermeer, heeft ook een meer dan drie eeuwen lange geschiedenis van beurtschippers! Zij vormden voor Lisse een onmisbare schakel in de handel, later met name in de bloembollencultuur. Ouderdom en herkomst van de raampjes is niet meer te achterhalen. Toch zijn zij een symbool van een voor Lisse markante bedrijfstak. Er is nóg een aanknopingspunt met onze schippers in Lisse. Een van de kroonluchters in de Grote Kerk (de Hervormde Kerk aan het Vierkant) is geschonken door schippers te Lisse. Een schildje vermeldt dat met de woorden: “gegeve bij Engel Jacobsse, Jan Jacobss in den Direkse en de Pieter Willems Schippers tot Lisse 1660”. Naam en wapen van mijnheer In den Direkse sierden ook een gebrandschilderd glas dat ooit in die kerk te zien was en nu in de Bavo in Haarlem een plaatsje heeft. Geen onbetekenende bedrijfstak dus.


Waarom waren die twee kleine raampjes nu zo belangrijk voor zomaar een inwoonster van Lisse?
Wanneer men de kinderjaren heeft doorgebracht aan de Grachtweg, dan bekijk je dat gebied nog altijd met ogen waarin herinnering zich warm genesteld heeft.
Mijn broer Jan (1941) en ik (1946), beiden geboren aan de Grachtweg op nummer 55a, denken nog vaak aan de prachtige speelplekken tussen Grachtweg, Molenstraat, Kanaalstraat en Kapelstraat. Overal in die omgeving liggen onze voetstapjes, zoals bij de familie Tinus van der Linden, de laatste beurtschipper aan wat nu de Grachtweg is, maar in onze jeugdjaren was dat nog een echte haven met schepen.

Jan herinnert zich het gezin van Tinus van der Linden en Lina van der Linden-Ludlage als een veilige haven. Het was oorlog, de ramen waren verduisterd, maar in de grote keuken voelde het heel veilig en vertrouwd. De kinderen van der Linden, Wim, Siena, Willy, Theo en Mart, toen rond de twintig jaar, speelden een grote rol in zijn leven. Zij waren ook dol op hém, foto’s getuigen daarvan. Wanneer in de oorlogsjaren Vader en Moeder niet vóór “spertijd” thuis konden zijn dan bleef kleine Jan gewoon bij buurman Van der Linden. ’s Avonds met de groten aan tafel met een mooi tijdschriftenboek en, óók voor hem, een pul donker bier! Blijven slapen was daarna geen probleem meer! Spanning was er ook in die tijd. In verband met een razzia moesten de zoons verborgen worden. Een schuilplaats onder de dekzeilen in het pakhuis leek een ideale plek. “Ga je gang”, zei Vader Tinus tegen de Duitsers die ook het pakhuis wilden doorzoeken; “ik zet de schnaps vast klaar”! Naar zijn zoons werd niet meer gezocht! Toen er eens geweerschoten klonken meende kleine Jan dat op de kade “kisten waren omgevallen”, alsof hij daarmee ‘de groten’ kon geruststellen!?
De Pastoor van de Agathaparochie zag het contact van de familie van der Linden met de protestantse familie Capel met lede ogen aan en wees Tinus van der Linden daarop. Van der Linden had daarover een eigen mening; “Pastoor” zei hij, “dat maak ik zelf wel uit!”
De familie van der Linden was niet bang uitgevallen! Dat bleek duidelijk toen de “Ondergrondse” 11 geallieerde piloten bij de beurtschipper bracht. Van der Linden verborg hen onder de luiken van een schip. Allen deden zich voor als doofstom om te voorkomen dat zij met elkaar, of met wie dan ook een woord zouden wisselen. Zo werden zij ‘illegaal’ naar Rotterdam vervoerd, begeleid door zoon Theo. Onderweg deden zich angstige situaties voor, maar ze bereikten Rotterdam veilig. Daar werden de piloten opgevangen en verder begeleid. Hoe het hen is vergaan? Een prachtige oorkonde met dankbetuiging vanuit Engeland en een certificaat van dank ondertekend door niemand minder dan Generaal, en later president van de USA, Dwight Eisenhower getuigen daarvan.

Als klein meisje kwam ik ook over huis bij de familie van der Linden. De woonkamer vond ik altijd heel bijzonder. Want daar, in de buitenmuur, aan weerszijden van de schouw, blonken twee kleurige raampjes met afbeeldingen van scheepjes. Iets om ademloos naar te kijken. Het pekineesje Mikado, in zijn mandje naast de haard stond dichterbij komen niet toe. Mikado had het niet zo op een klein meisje dat juist heel veel van honden hield. Maar, zelfs van een afstand waren die veelkleurige raampjes fascinerend!
Herinneringen, vanuit een verschillende invalshoek en om uiteenlopende redenen allemaal belangrijk. Ik denk dat ze daarom zo nadrukkelijk een plek innemen in mijn herinnering.
Echter, zijn kinderlijke herinneringen zoals dezen wel correct? Klopt het wel of ging mijn fantasie met me op de loop? De enige die het zou kunnen weten was Mevrouw M. van der Linden – van Ruiten.
Het bezoek aan haar werd een ervaring van warme belangstelling en herkenning. Zij kon mijn herinneringen bevestigen!
Daarmee werd de tijd voor Aktie; het plan Havenkwartier diende zich immers aan!
Die prachtige raampjes, door de tijd al zwaar beschadigd, mochten niet onder de slopershamer vallen!,

 

Restaurateur John v/d Meij in gesprek met initiatiefneemster Else Wesseling.

 

DE ONDERGANG VAN HET BOLLENLABORATORIUM

Guus Maas Geesteranus,oud bestuurslid, vemeldt alle wetenswaardigheden rondom de sloop van het Laboratorium voor Bloeembollenonderzoek.

Door Guus Maas Geesteranus

Inhoud Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

 

De oude Romeinen hadden er al een gezegde voor: Sic transit gloria mundi.
Zo vergaat ’s werelds roem. Wat was er aan de hand.

Op 2 december 2003 besluit het College van B&W van Lisse het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te schrappen van de gemeentelijke monumentenlijst, waarop het pand sinds 1999 stond. Toen namelijk bekend werd dat de bloembollenveiling CNB Lisse dreigde te verlaten, heeft de gemeente in haar streven om het bedrijf binnen de gemeentegrenzen te behouden, CNB een leeg en vlak terrein aangeboden, terwijl daar genoemd gemeentemonument opstond. Zowel de Monumentencommissie als de Vereniging Oud Lisse maken bezwaar hiertegen en adviseren de gemeenteraad niet in te stemmen met het besluit, het pand op de lijst te laten staan en niet te laten slopen.

Het bezwaar berust op twee argumenten: cultuurhistorisch en bouwhistorisch.

Cultuurhistorie
In het begin van de vorige eeuw had de bloembollensector te kampen met ziektes in verschillende bolgewassen. De handel in narcissen naar Amerika stokte, omdat men daar bevreesd was voor import van plantenziektes. De bollenstreek ervoer deze handelsstop als een enorm probleem. In overleg met Ministerie van Landbouw werd besloten in Lisse een laboratorium voor bloembollenonderzoek te bouwen, in te richten en te bemannen, onder leiding van de Wageningse hoogleraar van Slogteren. In dit laboratorium kon worden aangetoond dat de plantenziekte van de narcis geen bedreiging kon zijn voor de Amerikaanse markt. Hierop herleefde de handel met Amerika. Daarnaast ontwikkelde het lab methoden van behandeling en keuring van verschillende bolgewassen waarmee exportkwaliteit kon worden gegarandeerd. Ook de Japanse markt kon aan het eind van de vorige eeuw geopend worden doordat de sector zo’n keuringsdienst bezat. Men kan dus zeggen dat de huidige bloembollensector zijn bestaan heeft te danken aan de ontwikkelingen die in het lab tot stand zijn gekomen.

Bouwhistorie
Het ontwerp van het lab is van Rijksbouwmeester C.J. Blaauw en verwant met drie eerder door hem ontworpen laboratoria op het terrein van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Alle vier panden kunnen tot de zgn. Amsterdamse School gerekend worden. De drie laboratoria in Wageningen zijn tot rijksmonument verheven.

Op 18 december 2003 gaat de gemeenteraad akkoord met het schrappen van het lab van de monumentenlijst en de verkoop van het terrein aan CNB. Meteen de volgende dag vraagt de eigenaar van het pand, de Universiteit van Wageningen, een sloopvergunning aan, die enkele dagen later door de gemeente wordt verleend. Publicatie van de aanvraag in de Lisser is op 31 december, een dag waarop de oliebollen meer aandacht krijgen.

Alert reageert de Vereniging Oud Lisse (VOL) begin januari door een bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente tegen sloopvergunning en tegen het schrappen van het lab van de gemeentelijke monumentenlijst als ook een verzoek bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg om het pand aan te wijzen als rijksmonument. Het verzoek wordt in behandeling genomen waardoor de sloopvergunning voorlopig wordt geschorst tot de uitspraak heeft plaatsgevonden.

Het onderwerp heeft nu alle aandacht van de gemeenteraad en het VOL-bestuur krijgt de gelegenheid in de raadsvergadering van 29 januari 2004 zijn bezwaren toe te lichten. Ook VOL vindt het een goede zaak dat CNB als onderdeel van de bloembollenhandel behouden blijft voor de Duin- en Bollenstreek. Dit past binnen de doelstellingen van het Pact van Teylingen, een overeenkomst die ook VOL onderschrijft. Maar niet ten koste van een gemeentelijk monument. Pogingen om CNB te bewegen het gebouw op te nemen in hun bouwplannen zijn door het bedrijf afgewezen en door de gemeenteraad niet serieus besproken.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift wordt het VOL-bestuur uitgenodigd voor een hoorzitting (2 feb.) en een informeel gesprek met burgemeester en wethouder Schuijt (3 feb.). Op 4 feb. verklaart B&W beide bezwaarschriften ongegrond. Wel wordt de sloopvergunning ingetrokken (voorbescherming) omdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) het verzoek van VOL in behandeling heeft genomen. Op grond van de RDMZ-procedure wordt de Lissese gemeenteraad om zijn mening gevraagd. Die heeft zich laten adviseren door een onafhankelijke deskundige, ir. M. Verweij, adviseur op het terrein van gemeentelijk monumentenbeleid. Hij acht het voormalig laboratorium van historisch en architectonisch belang en bepleit het gebouw in enigerlei vorm te behouden.

In verband met de lopende procedures stopt CNB de voorbereidingen voor de nieuwbouw op het aangeboden terrein en geeft de gemeente gelegenheid om uiterlijk 1 september 2004 met een visie te komen als het voormalig bloembollenlaboratorium een rijksmonument wordt. Het bedrijf wil weten hoe de gemeente Lisse denkt zijn verplichtingen, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst, te kunnen voldoen.

In augustus 2004 wijst RDMZ het VOL-verzoek af, maar benadrukt dat het pand zeker de status van een gemeentemonument waard is. Met deze afwijzing staat de weg voor slopen en CNB-nieuwbouw open als niet een nieuwe partij op het toneel verschijnt. Onafhankelijk van VOL dient het Cuypersgenootschap (Vereniging tot het behoud van negentiende- en twintigste-eeuws cultuurgoed in Nederland) een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van RDMZ en tegen de sloopvergunning van gemeente Lisse. Ook dit bezwaarschrift wordt in februari 2005 afgewezen.

Daarmee is het lot van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek definitief bezegeld en blijkt ook wat eens ’s werelds roem was vergankelijk kan zijn.

 

We ontvingen n.a.v. dit artikel een reactie van de heer Maarten Timmer.
Hij schrijft:

Maas Geesteranus schrijft een boeiend verhaal over de ‘ondergang’ van het LBO en besteedt ook aandacht aan de stichting ervan. De ironie van de geschiedenis wil dat de aanleiding niet was dat het buitenland Nederlandse narcissen wilde weren vanwege de import van plantenziekten maar dat het juist de Nederlandse telers waren die de import van buitenlandse bloembollen wilde belemmeren, althans binden aan een ‘keuring door een officieel deskundige’. Het was een voorstel van de afdeling Sassenheim aan de algemene ledenvergadering van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) die op 19 mei 1916 plaatsvond. Ze kwamen daartoe omdat het aaltjesziek in vooral uit Engeland geïmporteerde narcissen daar vreselijk huishield. Niet alleen daar, de hele Zuidelijke Bollenstreek leed eronder. Voorzitter van de AVB Ernst Krelage was beducht dat als dit voorstel zou worden aangenomen het buitenland tegenmaatregelen zou nemen in de vorm van exportbelemmeringen. Daarom haalde hij de angel uit de motie door voor te stellen eerst maar eens onderzoek te doen naar die ziekte. In die tijd was ir. K. Volkersz de rijkstuinbouwconsulent en directeur van de school en hij vatte in een lezing op 26 juni 1916 voor 150 belangstellenden de stand van zaken samen en kwam tot de conclusie dat het beste was aan de minister van Landbouw te vragen een phytopatholoog in de Bollenstreek aan te stellen voor nader onderzoek. Hij had zo’n constructie al in 1914 besproken met de prof. J. Ritzema Bos, directeur van het Instituut voor Phytopathologisch Onderzoek (IPO), onderdeel van de Wageningse Rijks Hogere Land- Tuinbouw en Boschbouwschool (RHLTBS). Die onderzoeker zou dan ruimte krijgen in de school. Door bezuinigingen op de rijksbegroting ging het toen niet door. Maar nu trokken Krelage en Volkersz samen naar Den Haag en wisten nu wel geld los te krijgen. Omdat Ritzema Bos niet zo gauw een onderzoeker kon vinden schakelde Krelage zijn netwerk in. In die tijd was hij ook secretaris van het bestuur van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten waarvan prof Went voorzitter was (ook wel de ‘paus ‘van de Nederlandse botanie genoemd). Hij gaf Krelage een lijstje met vijf geschikte kandidaten en daaruit pikte in januari 1917 Ritzema Bos E. van Slogteren uit. Na zijn promotie (cum laude) op 29 maart werd hij op 12 april 1917 aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar bij het IPO en gedetacheerd in Lisse. In maart 1918 ‘promoveerde’ de RHLTBS tot Landbouwhogeschool en die LH kreeg in 1920 de benodigde gelden van het ministerie om een Laboratorium voor Van Slogteren in Lisse te bouwen.