Heereweg 289 / Zwanendreef 2 – Nieuw Zomerzorg

De gepleisterde voorgevel heeft kenmerken van de bouwstijl Eclecticisme.

Kadaster: D-4145. Monumentnummer: 516110. Bouwjaar woning: 1891-1999, bouwjaar bollenschuur: 1936. Architect 1899: A.J.Salm.

De eerste opzet van het woonhuis met aangebouwde bollenschuur “Nieuw Zomerzorg” dateert van 1891, toen in opdracht van de bloembollenkweker S.P. ten Kate het pand werd gebouwd. In 1899 is het huis aan de voorzijde vergroot naar een ontwerp van de Haarlemse architect Antoon J. Salm. De bollenschuur achter de woning werd aangelegd in 1936. De lange linkermuur loopt langs de Zwanendreef. De gepleisterde voorgevel van het huis wordt gekenmerkt door een aan het eclectische bouwstijl. Dat wil zeggen, dat er diverse bouwstijlen gebruikt zijn.

Heereweg 250 – Grote kerk op ’t Vierkant

Hervormde Kerk binnen Protestantse Kerk Nederland. De huidige kerk staat op de restanten van een oude katholieke kerk. De kerk staat op een hoog binnenduin.

Kadaster: C-3548. Mmonumentnummer: 25894.

Heereweg 124 tm 128b en Westerdreef 1 en 1a – Bankgebouw

De bank werd gebouwd in opdracht van de incassobank. Later werd het gebruikt als kantoor

Kasaster: C-4224. Monumentnummer: 516109. Bouwjaar: 1938. Architect: Gratema en Dinger.

Het uit twee vleugels en een middenpartij samengestelde bestaande gebouw staat op een hoek aan de entree van de dorpskom en wordt gekenmerkt door een vrij traditionalistische, aan de Delftse School verwante vormgeving. Na verloop van tijd werd het gebouw het onderkomen van de Rotterdamse Bank en vervolgens van de AMRO Bank. Het inwendige van het in 1996 niet meer als bank in gebruik zijnde hoekpand is ingrijpend gewijzigd, waardoor de bescherming van rijkswege kan worden beperkt tot het exterieur.

De voormalige bank is nu in gebruik als kantoor

 

 

 

Driehuizenpark 1 – Voormalige bollenschuur

Oorspronkelijk gebouwd als bollenschuur voor de Gebr. Driehuizen.

Kadaster: C-3676. Monumentnummer: 516108. Bouwjaar: 1922. Architect: Leen Tol.

Oorspronkelijk de bollenkwekerij het ‘Hollandse Bloembollen Huis’, bestaande uit een BOLLENSCHUUR met aangebouwd KANTOOR. Het ensemble is gebouwd in 1922, in opdracht van de firma Gebr. Driehuizen, naar een ontwerp van de in de bollenstreek bekende architect Leen Tol uit Lisse. Het complex is gebouwd in een stijl die verwant is aan de architectuur van de Nieuwe Haagse School, een strakke variant van de Amsterdamse School. De grote schuur is van het type bollenschuur met vide. Van dit type komen nog enkele in de Bollenstreek voor, maar deze hebben niet meer hun oorspronkelijke functie. Dit kwekerijcomplex is sinds 1981 niet meer als zodanig in gebruik

De monumentale bollenschuur werd jaren gebruikt door antiekhandel van Damme.
Projectontwikkelaar Hillgate Properties en Bouwbedrijf Huib Bakker maakten in 2008/2009 in de schuur 27 twee-, drie- en vierkamerwoningen waarbij de karakteristieke kenmerken van het gebouw behouden bleven.

De gigantische bollenschuur is een Rijksmonument. Het was dus van belang dat de oorspronkelijke uitstraling zoveel mogelijk intact zou blijven, terwijl de bollenschuur toch moest worden aangepast aan de moderne wooneisen. Daarom vond nauw overleg plaats met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM).

Het gebouw heeft een schitterend atrium, waar de woningen omheen liggen. Dit zorgt voor een sfeervolle entree van het gebouw.
De bollenschuur wordt geflankeerd door de kwekersvilla’s Rutsbo en Somalo die oorspronkelijk ook behoorden bij het bloembollencomplex Driehuizen.

 

Het bollenbedrijf was nog volop in bedrijf

 

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 3

De periode van 1890 tot 1900 wordt besproken. De tijd waarin van der Horst en Dames verhuisden van Heemstede naar Lisse en de beëindiging van de samenwerking

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 2, april 2005

VAN DER HORST EN DAMES ZOEKEN SAMEN FORTUIN
De vorige keer vertelden we dat kweker Gerrit van der Horst in de voorste gelederen was te vinden als het ging om het vervroegd in bloei trekken van hyacinten. Met in zijn onmiddellijke nabijheid Nicolaas Dames, wiens vakmanschap en inzicht alom werden gewaardeerd. We spreken dan over de periode van af pakweg 1890 tot kort na 1900.

Gerrit van der Horst verplaatste zijn bedrijf naar Heemstede en maakte daar kennis met Nicolaas Dames. Deze was daar geboren, de zoon van een bloembollenkweker, uit een geslacht dat vele vakgenoten leverde. Hij was ouderloos en naast het bezit van een kleine bloembollenkraam en niet geheel van kapitaal ontbloot, ofschoon dit niet zo bijzonder van betekenis was. Nu meenden beiden dat samenwerking tot verbetering van hun positie kon leiden. Daarbij kwam nog dat Dames een tuin in huur had, die groot genoeg was om voor beider kraam te kunnen kweken.

Het eerlijke woord
De vennootschap werd aangegaan, geen N.V., dat was toen nog geen gebruik. Nog veel minder werd een notarieel contract opgemaakt. Alles ging op het eerlijke woord en alles ging voornamelijk op raad en advies van de in het vorige artikel al genoemde heer Melman. Deze laatste was tevens de bankier van de nieuwe firma “Van der Horst en Dames”. De bedoeling was dat elk der firmanten op zijn beurt naar Amerika zou gaan om bloembollen te verkopen. De kennis der taal was voor hen geen bezwaar, want beiden hadden in hun jeugd engels geleerd. Dat was in die jaren een vrij algemeen gebruik. De jongelieden die in het vak kwamen, leerden allen zonder uitzondering de taal, om later in het land der dollars hun fortuin te zoeken. Voor de bijverdiensten hield Van der Horst zijn betrekking bij de firma J.W. Paardekoper & Co. als reiziger op Duitsland aan. De eerste reis maakte Van der Horst met goed succes. De firma kreeg terstond een goede naam, maar dan ook uitsluitend bij de vakgenoten; zij kochten en was het nodig dan betaalden zij, tegen een billijke korting, zelfs contant. Hun bankier, die over geld kon beschikken, had kapitaal. Het spreekt bijna vanzelf dat ook hun kraam onder deze omstandigheden aanzienlijk werd uitgebreid. Het tweede jaar ging Dames naar Amerika en breidde daar de zaken nog wat meer uit.

Andere gewassen

Dit was een van de redenen waarom de firma ook begon met de teelt van tulpen en andere gewassen. Het volgende jaar, in de herfst van 1892, trok Van der Horst weer naar Amerika en aanvankelijk verkocht hij daar veel meer dan de beide voorgaande jaren. Al zijn brieven waren opgewekt en vol goede moed voor de toekomst. Toen kwam er echter een kink in de kabel. Zijn echtgenote, die een zeer zwakke gezondheid had, was van Heemstede tijdelijk naar Beverwijk verhuisd om bij haar ouders te gaan vertoeven, zolang haar echtgenoot op reis was. Dit werd voor haar gezondheid gedaan, maar ook omdat dit voordeliger was. Aan onnodig geld uitgeven had Van der Horst een bijzondere afkeer. Hij was op de terugreis naar het vaderland, toen zijn echtgenote ernstig ziek werd. Op voorzichtige wijze werd hij daarvan in kennis gesteld. Maar deze voorzichtige wijze baatte niets. Hij ontving die tijding in New-York, verkocht daar zijn plaatsbewijs op een der Nederlandse schepen, om met een snelvarende boot via Plymouth naar Nederland terug te keren. Telegrafisch gaf hij daarvan kennis aan zijn vennoot.

Onrust
Op 19 maart 1893 overleed zijn echtgenote en ofschoon de kans zeer klein was dat hij nog tijdig genoeg zou aankomen, werd het stoffelijk overschot tot 24 maart boven aarde gehouden. Zeer verstandig had de heer Dames, die alle zorgen op zich genomen had en dit op zijn eigen kalme, goed overlegde wijze regelde, van het overlijden geen bericht gezonden. Men kan zich wel enigszins de gemoedstoestand van de echtgenoot voorstellen. In het bezit van de zo zeer gewenste bestellingen, vol verwachtingen aanvaardde hij de thuisreis. De avond voor de begrafenis kwam er een telegram bij Dames aan waarin stond dat Van der Horst de volgende morgen in Haarlem zou aankomen. Door onrust gedreven nam Van der Horst evenwel in Rotterdam de trein. Die stopte echter niet in Haarlem, zodat hij er pas in Amsterdam uit kon. Hier ontmoette hij zijn zwager die niet wist of zijn vrouw overleden was of nie! De hoop herleefde. Hij had zich de hele reis voorgesteld dat zijn vrouw gestorven zou zijn en hij begon nu te hopen haar nog in leven te zullen vinden. In Haarlem aangekomen kwam zijn compagnon met enige vrienden hem per rijtuig afhalen om hem naar Beverwijk te brengen. Het bericht van het overlijden schokte hem zeer en men bracht hem rechtstreeks naar de door hem zo zeer beminde echtgenote. Hij die reeds de eerste stap gezet had op de ladder der maatschappelijke vooruitgang en zich verheugde zijn vrouw deelgenoot te kunnen maken van hun beider geluk, zag op dat ogenblik al zijn verwachtingen de bodem ingeslagen.

Geestkracht
Zij die meenden dat de geestkracht van Van der Horst voor lange tijd geschokt zou zijn, hadden zich deerlijk vergist. Met gelatenheid legde hij zich neer bij de wil van Hem, die Heer is van leven en dood en na enige weken bleek Van der Horst dezelfde geestkrachtige man te zijn, waarvan hij altijd blijk had gegeven. Het jaar waarin het treurige feit voor Van der Horst plaatsvond, was het laatste waarin hij voor de firma J.W. Paardekoper & Co. op reis naar Duitsland ging. Met de geestkracht hem eigen, legde hij zich toe op de uitbreiding van de handel en kwekerij van de firma van der Horst & Dames. Vooral de kwekerij eiste beider toewijding en men besloot dus deze te verplaatsen naar Lisse. Deze verplaatsing ging met nog al wat moeilijkheden gepaard. De eigenaar van de tuin wilde van een verbouwing van de boerderij niets weten. Zij mochten er aan veranderen wat zij wilden, maar voor eigen rekening. Daarbij kwam nog dat elke verandering een verbetering moest zijn en deze bleef na het beëindigen van de huurtijd het eigendom van de verhuurder. Ook moesten zij elk huurjaar voor de aanvang daarvan de jaarlijkse pacht betalen. Of zij hier te doen hadden met plaatselijke naijver, dan wel met een zeker soort wantrouwen, is niet bekend. De bezwaren werden echter wel gemakkelijk overwonnen, want hun bankier, de heer Melman, opende zijn kas en daaruit kon de firma vrijelijk putten. De ondernemers begonnen met in het dak van de boerderij dakvensters aan te brengen, ramen werden er in gebouwd en ook schoorstenen. Er werd een gebouwtje neergezet dat dienst deed als kantoor en bergplaats van geholde en gesneden bollen. Ook kleine partijtjes van fijne tulpen vonden daar hun bergplaats. En toen begon de nieuwe cultuur van hyacinten.

Holkamer
Het was een vreemde aanblik. In de zomermaanden werd met geopende ramen de schuur verwarmd. En in de zogenoemde holkamer heerste een bijna tropische warmte. Aan belangstelling geen gebrek natuurlijk. Met de hem eigen openhartigheid vertelde Dames, die meer in hoofdzaak de leider van de kwekerij was, aan elk die het weten wilde, het hoe en waarom zij de bollen zo behandelden. Laat in het najaar zag men daar dan de geholde bollen waarvan de zich daarin bevindende jonge bolletjes groter waren dan bolletjes die na een jaar groeien in de bol zouden ontstaan. Het ei van Columbus was, wat de hyacinten betrof, door hen gevonden. Ook hadden zij met Kerstmis door Van der Horst vervroegde hyacinten in volle bloei. Navolgers waren er vrij spoedig in verschillende plaatsen van de bloembollenstreek. Maar er waren ook meerderen, en vooral onder de exporteurs, die al die nieuwigheden met een schouderophalen beoordeelden en veroordeelden. En er waren er zelfs enkelen die, bij de aankoop van hyacinten, de bepaling maakten dat zij niet gestookt mochten zijn en dit zelfs op hun koopbriefjes noteerden… Tot op zekere hoogte was het prepareren dus uitgevonden en daarmee is men in het bollenvak vandaag de dagzover dat het gebruik van geprepareerde hyacinten vrij algemeen is.

Eigen weg

De tijd was echter aangebroken dat Dames en Van der Horst elk hun eigen weg zouden gaan. Zonder een kwaad woord overigens, want zij zijn altijd vrienden en zeer goede collega’s gebleven. De verdeling van de kraam ging op zeer eenvoudige wijze. Elke partij werd door een draad in tweeën verdeeld en door het opgooien van een gulden werd uitgemaakt, wie de rechter of de linkerpartij zou hebben. Op dezelfde wijze werd de tuin verdeeld, ook de schuur. Maar elk der firmanten kocht er een tuin bij en konden zo hun kwekerij uitbreiden, elk naar zijn keuze. Nu ontplooiden bij beiden hun aangeboren eigenschappen. Dames werd de kweker bij uitnemendheid en heeft het daarin bijzonder ver gebracht. Van der Horst bleef kweker van hoofdzakelijk nieuwigheden. Beiden hebben aan de vervroeging van hyacinten en tulpen het hunne bijgedragen om de kennis van het vak te vergroten.

Aan het begin van de vorige eeuw was het in de winter in bloei hebben van hyacinten iets uitzonderlijks. Vandaag de dag lijkt het allemaal zo gewoon, maar niet vergeten moet worden dat het van de kwekers veel vakmanschap vergt om de producten op het gewenste tijdstip in bloei te krijgen. Zoals voor deze vak expositie van 16 februari jongstleden!

Wordt vervolgd

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 2

Het borstbeeld van Nicolaas Dames staat voor het nieuwe gebouw van Praktijkonderzoek Plant en omgeving Bloembollen (PPO). De familie Dames was een van de eerste, die vanuit Heemstede/Haarlem naar de Bollenstreek ging om hyacinten te telen. Zij vervroegden als een van de eersten hyacinten voor tentoonstellingen in Lisse en Haarlem. De compagnon van Dames was Gerardus van der Horst. De geschiedenis van Gerrit van der Horst wordt besproken. Het land was tegenover Wildlust

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Hyacinten uit Lisse de beste ter wereld
Zijn borstbeeld staat sinds enige tijd op een opvallende plaats: in de voortuin van het nieuwe pand van Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (de opvolger van het Laboratorium voor bloembollenonderzoek) aan de Heereweg in Lisse. Maar wie was Nicolaas Dames en hoe belangrijk was hij voor de bloembollen? Wij vertellen zijn levensverhaal.

De tijd kwam dat door meerdere Lissese kwekers collecties vervroegde bolgewassen, in hoofdzaak hyacinten, werden tentoongesteld. Men ontving dan uitnodigingen om een kijkje te komen nemen en dat heeft er veel toe bijgedragen de slechte naam van de Lissese bollen weg te nemen. Dit werd nog versterkt toen enkele kwekers zo vermetel waren om zelfs op de vijfjaarlijkse tentoonstellingen te Haarlem collecties vervroegde bollen in te zenden. En alsof dit niet genoeg was, gingen ze zelfs zover, dat men ze te Lisse onder de aandacht bracht in de jaren dat er in Haarlem geen expositie was. Werden de vijfjaarlijkse exposities te Haarlem gehouden in de laatste dagen van maart, in Lisse organiseerde men ze in de eerste helft van de maand februari. Beide organisaties hadden voor deze datums hun geldende redenen. De exposities te Haarlem dienden niet alleen om hyacinten te exposeren, maar ook verschillende bijgewassen. Dit gold vooral in die tijd voor de Amarylissen. Die te Lisse wilden aantonen dat hyacinten bijzonder geschikt waren om in het vroege voorjaar te bloeien en dat de bollen uit Lisse de beste waren.

Soldaten in het gelid
De tentoonstellingen werden gehouden op de bovenzaal van het hotel de Witte Zwaan en trokken steeds veel bezoekers uit de hele regio. De tentoonstellingscommissie was nogal vrijgevig met vrijkaartjes en daardoor ontstond op sommige momenten wel eens wat te veel gedrang. En daar stonden ze dan: lange rijen hyacinthen als soldaten in het gelid, op potten of glazen. Elke plant werd beoordeeld naar de grootte en volmaaktheid van de bloem. Om een smaakvol geheel te maken moest men de paden afzetten en bij gebrek aan graszoden gebruikte men daarvoor groen geverfde houtwol. Was het wat druk, dan had die afzetting wel wat te lijden van de voeten der bezoekers, vooral van de damesbezoekers, die van elke bloem het naadje van de kous wilde zien en weten. De herinnering is dat op zulke momenten de suppoosten luid hun stem verhieven en riepen: ,,De heren worden beleefd verzocht niet op het gras te trappen”. Hoe men er toe kwam om geverfde houtwol tot levend gras te verhogen, is een raadsel gebleven, maar inmiddels is het wel zo dat men in het bloembollenvak thans bijzonder goed weet hoe men de producten op tentoonstellingen moet etaleren.

Wildlust
Tot de allereersten, zoal niet de eerste die uit de omstreken naar de Zuid trokken (een toen algemeen gebruikte aanduiding voor onze bollenstreek), behoorden Van der Horst en Dames, die voor die tijd te Heemstede gevestigd waren. Zij verplaatsten hun bloembollenkwekerijbedrijf naar Lisse naar een oude boerenwoning, met het daarbij behorende land, gelegen aan de vaarsloot tegenover de buitenplaats Wildlust.
Gerardus Franciscus van der Horst,onder de vakgenoten Gerrit, werd geboren te Haarlem. Zijn vader was timmermansknecht en zijn moeder verdiende als naaister er nog wat bij. Het waren eenvoudige centzuinige mensen die elke gulden die zij niet voor hun huisgezin nodig hadden opzij legden, om voor hun Gerrit en zijn enige zuster een toekomst te scheppen. Reeds als kind openbaarde zich bij Gerrit de liefde voor bloemen en planten en dit bracht zijn ouders ertoe om hem na de lagere school bloemistleerling te maken. Het bloembollenvak in dus. Kijk dit leek de ouders zo iets, waarin veel geld te verdienen was en geholpen dus met hun spaarpenningen meenden zij dat hun zoon het wel zeer ver, althans financieel, in de wereld zou brengen. Ofschoon dit wel het geval is geweest, hebben zijn ouders hun toekomstplannen niet verwezenlijkt gezien.

De beste leerschool
Gerrit werd op zeer jeugdige leeftijd als bloemistleerling geplaatst bij de firma A. en J.J. Roozen te Overveen. Deze firma gold in die tijd als de beste hyacintenkweker in de bloembollenstreek. In deze leerschool moest hij alle werkzaamheden doen welke voorkwamen, maar hij ontving daarvoor dan ook zaterdagsavonds zijn weekloon, dat lang geen schat was. Dit werd zorgvuldig opgespaard en aangevuld met wat dubbeltjes uit moeders spaarpot en voor dit bedrag kocht hij van zijn patroon wat hyacintenbollen. Hij holde ze uit en reeds op dertienjarige leeftijd was Gerrit dus bloembollenkweker. Hij maakte te Overveen kennis met de bij sommige vakgenoten van de oude garde nog welbekende heer P.W. Voet, die toen evenals hij, het vak leerde. Met hem begon hij gedurende de wintermaanden op zeer primitieve wijze het vervroegen van de bloembollen en vooral hierin hebben beiden bijzonder uitgemunt. Hun kennis op dit terrein ging zelfs zo ver, dat op de Internationale Tuinbouwtentoonstelling te Amsterdam hun inzendingen van vervroegde hyacinten bekroond werden met de eerste en tweede prijs. Dit voorval gaf de toenmalige mededingers nogal wat stof voor op- en aanmerkingen, hetgeen toenam toen het Van der Horst het lukte om op de Vijfjaarlijkse Tentoonstelling van 1900 te Haarlem, de eerste prijs te behalen met een collectie vervroegde hyacinten in potten. Drie stuks van elke soort. Zo iets had men nog nimmer gezien en Van der Horst kreeg toen de naam van de Koning der hyacintenvervroegers.

Koopman eerste klas
Ook op latere leeftijd heeft hij meermalen blijk gegeven van zijn kunnen op dit terrein. Langzamerhand breidde zijn kraampje hyacinten zich uit, maar met die uitbreiding kwam ook de tegenspoed. Het nieuwe- of geelziek, de toenmalige uitdrukking, richtte in zijn kraampje geduchte verwoestingen aan en daardoor raakte onze vriend een weinig aan lager wal. Hij moest dus door bijverdiensten in zijn onderhoud voorzien. Gerrit kwam in contact met de toenmalige firma J.W.Paardekoper & Co te Noordwijk. Met deze kwam hij overeen om aldaar bloembollenkweker te worden en hij ging het jaar daarop voor deze firma op reis naar Duitsland. Er was echter wel een bezwaar, want hij kende de taal niet. Nood breekt wet en dus ging hij in de winter bij een van zijn kennissen privé-les nemen. Dat was bij de heer van Dobbelen, het toenmalige hoofd der openbare lagere school te Voorhout. Na vier maanden les, meende Gerrit bekwaam genoeg te zijn om op reis te gaan en bollen te verkopen. Bij de eerste reis bleek reeds zijn talent: hij was een koopman eerste klas!!

Het Instituut Melman
Nog maar zeer kort in Noordwijk gevestigd, waar hij onder zijn vakgenoten algemene achting genoot, maakte hij kennis met mejuffrouw Anna Braun, met wie hij een paar jaar later in het huwelijk trad. Ze vestigden zich in de Koediefslaan te Heemstede. Er waren vooral twee redenen, die van der Horst ertoe brachten om zijn woonplaats van Noordwijk naar Heemstede te verplaatsen. In de eerste plaats maakte hij in kennis met de heer Melman van Bronstee. Deze boerenzoon uit de Haarlemmermeer, was gehuwd met de dochter van de landbouwer-bloembollenkweker van Dril die zich meer aangetrokken voelde tot de bloembollen dan tot de koeien en zich daarom op de cultuur daarvan toelegde. Hij was het die van der Horst ertoe aanzette om bij hem op de tuin hyacinten te trekken voor de tentoonstellingen. Hij deed dit hoofdzakelijk om van Van der Horst en van de verschillende kwekers die een bezoek kwamen brengen datgene te leren, wat hij voor de uitoefening van zijn nieuwe bedrijf nodig had. Er ontstond door het dagelijkse contact met verschillende kwekers, wat men in die dagen weleens spottend noemde: Het instituut Melman. Op het bedrijf kwamen onder anderen Nicolaas Dames (jawel, hier komt onze Nicolaas op de proppen), J.v.d. Weyden, H. Ruysenaars, P. Eldering, A. Smit, H.v.d. Zijl en anderen. Daar werden de meest actuele vraagstukken op het gebied van hyacintencultuur behandeld. En een zo’n probleem was de vraag hoe de bollen behandeld moeten worden om tegen Kerstmis te bloeien.

Duitse belangen
Het ging in de jaren 1880-1890 met de hyacinten steeds in neergaande lijn en de prijzen hielden daarmee een nauw verband. Hoofdoorzaak daarvan was de mindere afzet in Duitsland, waar de meeste bollen gebruikt werden, maar vooral gevraagd waren om tegen Kerstmis in bloei te zijn. In Duitsland zelf werden ook hyacinten voor dat doel geteeld en dat scheen te lukken. Wie in die jaren de opgeklopte advertenties in de Duitse vakbladen las, zal zich menigmaal de vraag hebben gesteld, waar ons eigen bollenvak eigenlijk bleef. Het waren slechts enkele kwekers, die het meest aan hun Duitse belangen dachten.

Kerstbloei
Een van de stilzwijgende toehoorders tijdens de gesprekken over dit soort onderwerpen was H. van Zijl, de meesterknecht van de firma C.G. van Tubergen te Haarlem (thans in Lisse gevestigd). Hij nam goede nota van wat hij hoorde en wist dat op Zwanenburg in praktijk te brengen. Melman was in het bezit van een vrij uitgebreide verzameling nieuwe hyacinten, merendeels zaailingen en afkomstig van J.H.Veen te Haarlem en het was vooral met deze soorten dat Van der Horst proeven nam om er Kerstmisbroeiers van te maken.
Toen de Algemene Vereniging voor Bloemencultuur een tentoonstelling uitschreef van vervroegde hyacinten, in te zenden op de wintervergadering omstreeks Kerstmis, deden de trekkers hun best, maar Van der Horst was de enige inzender met een drietal potten hyacinten. Dit was wel een bewijs dat men met de Kerstmisbroei nog lang niet was waar men wezen wilde. Een stap verder kwam men in 1891. Wederom waren er meerdere soorten uit de collectie Melman. En zo waar; in het Haarlems Dagblad kon men de advertentie lezen, dat men op 2e Kerstdag bij de heer Van der Horst op de Koediefslaan een drietal potten met ER. Montagne Bernard in volle bloei kon bezichtigen.

Verwondering alom
Het was een mooie heldere namiddag dat men op de Koediefslaan een file van bloemisten uit Haarlem en omstreken, ja zelfs uit Lisse, Hillegom en Noordwijk kon vinden, allen nieuwsgierig naar hetgeen daar te zien was. En wat men zag, wekte wel de verwondering van alle vakgenoten. Een volmaakte donkerrode soort met grote bloemen, juist dus dat wat men zo graag wilde, stond daar voor het raam van de huiskamer te pronken. Uit de gesprekken, die men daar hoorde, kon worden opgemaakt dat allen de mening waren toegedaan, dat men in Montagne Bernard de toekomstsoort voor de Kerstmisbroei gevonden had.
Melman de partijhouder van deze soort meende van dit gunstig oordeel een handig gebruik te moeten maken. Hij sloeg elk aanbod om te verkopen van de hand, maar zei toe te overwegen om er in het voorjaar 1892 enkele regels van in openbare veiling te brengen. En dit gebeurde ook. Een tiental regels werden aangeboden en van deze stonden een drietal bloemen, goed beschermd, nog in bloei. Het schermmateriaal werd voor de aanvang van de verkoop weggenomen en allen stonden verbaasd over de volmaakte bloemen. Zij vonden dan ook gretige kopers, tegen de toen ongekend hoge prijs van f. 70,- per regel.
De tweede reden waarom Van der Horst zijn bedrijf naar Heemstede verplaatste was zijn nadere kennismaking met Dames. Daarover een volgende keer meer.

Het is december 1938. Nog maar twee dagen voor Kerstmis en in de bollenstreek staan puike hyacinten in bloei. Dit keer niet aangedragen in het befaamde Krelagehuis in Haarlem, maar op de show ‘Bloemlust’ in Sassenheim. De keurmeesters filosoferen nog wat over de inzending voordat ze een oordeel vellen.

Nicolaas Dames , de oprichter van het bedrijf en een belangrijke bollenteler in Lisse Een foto uit 1932 van Nicolaas Dames

Wordt vervolgd

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 1

Nicolaas Dames, hyacintenteler in Lisse was erg belangrijk voor de ontwikkeling van de hyacinten in Lisse. Het is eigenlijk de geschiedenis van de bollenteelt in Lisse.

door Arie in ’t Veld

INHOUD Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

LISSE HET KERKHOF VAN DE HYACINTEN

Nicolaas Dames was voor het bloembollenvak een uiterst belangrijk man. Voor hem werd dan ook in 1932 een borstbeeld opgericht. Dat beeld staat thans aan de voorzijde van het nieuwe laboratorium van P.P.O. aan de Heereweg. In een aantal afleveringen vertelt onze verslaggever het levensverhaal van Nicolaas dames en dat blijkt tevens de geschiedenis te wezen van Lisse en de streek. Hieronder volgt deel een.

In het begin van de 19e eeuw werd de bloembollenteelt in Lisse langzaam uitgebreid, maar de grote uitbreidingen kwamen vooral in de tweede helft van die eeuw. De hoofdoorzaak daarvan was in de eerste plaats de afzanding van de binnenduinen die een steeds grotere vlucht nam, waardoor er meer land voor de cultuur beschikbaar kwam.
De tweede oorzaak was dat meerdere landbouwers en veehouders zagen dat het die bloembollenmannen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen, en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden. Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Daarbij kwam dat men slechts node te bewegen was om naar andere plaatsen te verhuizen.Vondels dichterswoord: De liefde tot zijn vaderland, Is elck aangeboren,” was dus volkomen juist.

Lissers
Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend geschikt waren voor hyacintencultuur, ofschoon de vaklui uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover, dat wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die tengevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van Lissers. Ofschoon de plaatselijke naijver gedurende vele jaren vooral onder de minder ontwikkelde bloembollenmensen bleef bestaan, werd hoe langer hoe meer duidelijk dat de toekomst voor de hyacintencultuur in Lisse lag. Overigens hield met de uitbreiding van de cultuur de uitbreiding van de export geen de gelijke tred. Maar er waren wel in het begin van de 19e eeuw al exporteurs te Lisse gevestigd.

Liever Jood der Koningen
Een van de voornaamste kwekers werd door enkele heren aangespoord om naast zijn uitgebreide kwekerij, ook de export ter hand te nemen en bloemist te worden zoals men zich in die tijd gewoonlijk uitdrukte. De kweker had met ingespannen aandacht het betoog van zijn bezoekers aanhoord en toen men hem tenslotte vroeg hoe hij over dit voorstel dacht, zei hij: ,,Eniger zijner geloofsgenoten hadden zich op een zekere tijd gewend tot de oude bankier Rottschild, met het voorstel dat hij met zijn kapitaal zou trachten het oude Palestina in zijn bezit te krijgen om daarmee tot een stichting te komen van een nieuw Joods rijk, waarvan hij dan als regerend koning zou kunnen optreden. Rotschild gaf op dit voorstel ten antwoord: ‘Zie vrienden, ik ga op uw voorstel niet in, want ik blijf veel liever Jood der Koningen, dan Koning der Joden’. En zo denk ik er precies hetzelfde over. Door mijn uitgebreide kraam door het krediet dat ik gelukkig geven kan, raak ik de door mij gekweekte bollen jaarlijks gemakkelijk kwijt. Dat is voor mij voorlopig voldoende. Wat de toekomst baren zal, indien mijn kinderen ouder zijn geworden, weet ik niet, maar komt tijd komt raad.”

Ongeschikt voor vervroeging
Het spreekt bijna vanzelf dat er onder de toenmalige kwekers te Lisse meerdere gevonden werden die jaarlijks uit liefhebberij en om aan te tonen dat Lissese bollen zeer goed geschikt waren om vervroegd te worden. In die tijd beweerde menige kweker uit Haarlem en naaste omgeving dat de hyacinten, te Lisse gekweekt, weliswaar groot groeiden, maar voor vervroeging ongeschikt waren. Door dat soort opmerkingen ontstond natuurlijk na-ijver. De tijd kwam dus dat door meerdere Lissese kwekers collecties vervroegde bolgewassen, in hoofdzaak hyacinten , werden tentoongesteld.

Copyright © 2004 Vereniging Oud Lisse

Keukenhof 1 – Rozenhek van Keukenhof

Het toegangshek met pijlers is in 2017 gerestaureerde. Het gewelf is origineel.

Kadaster: A-1302. Monument: 513981. Gerestaureerd: 2017.

Ten westen van de huidige hoofdingang bevindt zich een toegangshek, dat tot voor kort in vervallen staat was. Het is in 2017 mooi gerestaureerd. Het z.g.  rozenhek is gesitueerd op een duiker met gemetseld tongewelf. Dit tongewelf is nog origineel. Het hek bestaat uit twee gemetselde pijlers met hardstenen dekplaten met een smeedijzeren spijlenhek.

Het fietspad naar het landgoed gaat nu door de poort

Het gerestaureerde rozenhek

Het vervallen rozenhek voor de vernieuwing