Achterweg-Zuid 35,37,39 – Boerderij Wassergeest met bollenschuur

Boerderij “Wassergeest” met aangebouwde woonhuizen in de archaïsche stijl gebouwd op de fundamenten van de gesloopte buitenplaats “Wassergeest”.

Kadaster: B-2820, Monumentnummer: 516112. Bouwjaar: 1852

Omstreeks 1660 moet er bewoning ter plaatse zijn begonnen. De buitenplaats werd gesticht door Adriaan van der Laen (1598 -1680). Oorspronkelijk was het ongeveer 32 morgen (ongeveer 25,6 hectare) groot. Het groeide uit tot een prachtig buiten. Het buitenhuis werd omgeven door een zeer fraaie tuin. Er is een reeks van eigenaren bekend die het als buiten gebruikten, maar die hier ook wel gewoond hebben. In 1804 kwam het in bezit van D.P.J. van der Staal van Piershil. (de Staalbrug herinnert nog aan deze eigenaar). Het landgoed werd hierna aanzienlijk uitgebreid. Het landgoed Wassergeest strekte zich uit van de Heereweg in het oosten tot de Leidsevaart in het westen.

In 1852 werd Wassergeest verkocht aan Johan Frederik Steengracht . Via de familie Steengracht kwam het buiten aan de eigenaren van Keukenhof, de Van Lyndens. Eind 19e eeuw waren het herenhuis en de andere gebouwen gedeeltelijk gesloopt en het geheel was omgevormd tot boerderij. In de tweede helft van de 19de eeuw deed ook de bloembollencultuur haar intrede op Wassergeest. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn aanzienlijke delen van het landgoed verkocht.

Niet onvermeld mag de volgende anekdote blijven:
Het is november 1813. Napoleon is verslagen. Den Haag voelde zich bevrijd. Enkele voorname heren togen naar Amsterdam om samen een regering te vormen. De heren in Amsterdam durfden hun nek nog niet uit te steken. De koets met de Haagse delegatie keert huiswaarts en komt op de terugweg door Lisse. Zij verblijven op Wassergeest als gast van de eigenaar van der Staal. Ook de heer van der Staal zet zijn handtekening onder de proclamatie, die was opgesteld door G.K. Hogendorp.
Het is een mooi verhaal, maar historisch waarschijnlijk onjuist. Het meest aannemelijk is dat het landgoed Elsbroek in Hillegom de eer van de proclamatie van 1813 te beurt viel.

In woorddeel “geest” vindt u niet alleen in de naam Wassergeest terug. Geest, en in het Fries gaast, betekent zand. We vinden het ook terug in aardrijkskundige namen als Oegstgeest en Gaasterland. En in het woord geestgronden natuurlijk.

Tewkening van Rademaker

Achterweg 35 37 39 achter

Achterweg 35 37 39 achter

Achterweg-Zuid 52 - Koetshuis Huys Ter Specke

Achterweg-Zuid 52 – Koetshuis van ’t Huys Ter Specke

Het koetshuis is bewaard gebleven na afbraak van het huis rond 1740.

Kadaster: A-1239. Bouwjaar: rond 1600.

Op deze plaats stond ooit het 15e eeuwse ‘Leengoed Ter Specke’. De naam Specke wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1329, waarin Dirck van der Specke door de Hollandse graaf met een stuk grond wordt beleend. In 1416 is sprake van een ‘woningh’.
Rond 1600 werd er een nieuw huis gebouwd, dat rond 1730 werd verbouwd en uitgebreid met twee bouwhuizen. Op een anonieme tekening van circa 1730 is de voorzijde weergegeven. Te zien is een herenhuis dat op het eerste gezicht een achttiende-eeuwse indruk maakt, maar de kruisvensters met daarboven ontlastingsbogen zijn terug te voeren op het gebouw van rond 1600. Het huis zou, gezien de onderkeldering van het zuidelijke gedeelte, een boerderij met herenkamer kunnen zijn geweest. Op de tekening staat direct ten zuiden van het huis een boerderij.
Kort na 1740 is het complex afgebroken

Wat van het oude complex nog rest is het koetshuis. Het is nu een woonhuis.

Tekening uit de Rijnlandse gezichten

Achterweg-Zuid 52 - Koetshuis Huys Ter Specke

Het koetshuis van ‘Huys Ter Specke’ is al heel oud

Klik hier voor een uitgebreide beschrijving op de  gemeentelijke  monumentenlijst op website van de gemeente Lisse.

Achterweg 4 - 'Villa Johanna'

Achterweg 04 – Villa ‘Johanna’

Deze woning heeft natuurstenen elementen.

Kadaster: C-2152. Bouwjaar 1913.

Villa ‘Johanna’ werd gebouwd in 1913. Het pand heeft typische bouwelementen uit de tijd waarin de villa is gebouwd, zoals een daklijst met gootklossen en een roedeverdeling in de bovenlichten. De stijl wordt wel ‘Um 1800’ of nieuw historiserend genoemd.‘Um 1800’ is een conservatieve stijl, die teruggrijpt op de bouwstijl van eind 18e eeuw. Bij deze woning zijn ook Jugendstil invloeden te zien als bijvoorbeeld de natuurstenen sierelementen met zuiltjes boven het portiek.

Achterweg 4 - 'Villa Johanna'

Achterweg 4 – ‘Villa Johanna’

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

1ste Poellaan 65 – Poldermolen van de Zemelpolder

De molen is een achtkantige bovenkruier op een onderbouw van bakstenen.

Kadaster: D-8293. Bouwjaar: waarschijnlijk 1743, herbouw 2003.

In het bovenwiel stond het jaar 1743 ingekerfd. De molen werd gebruikt om de Zemelpolder droog te houden. In 1999 is de molen afgebrand, in 2003 herbouwd.

Het is een achtkantige bovenkruier, een grondzeiler. De gemetselde onderbouw is van rode baksteen. De bovenbouw is van hout, gedekt met riet. Het kruiwerk bestaat uit een overring en een onderring. Het kruiwerk is m.b.v. de staart en het kruirad vanaf de grond te bedienen. Bovenwiel met kammen en een vang. De vlucht van de molen is ~ 19.30 m (oorspronkelijk was dit minder, nl 17.90 m en later 18.60m)

Oorspronkelijk was het een schepradmolen, later werd een vijzel gebruikt.

Midden 17e eeuw waren er 2 kleine poldertjes in het gebied waar nu de zemelmolen ligt.(samen niet groter dan 50 morgen). Ieder met een eigen watermolen. In 1662 werd besloten om de polders samen te voegen en voortaan door 1 molen te laten bemalen.

Op een oude kaart uit 1687 staat de polder vermeld als Hemelpolder, maar op andere kaarten staat Zemelpolder. Mogelijk is de naam een verwijzing naar “kleine” polder. Een oude betekenis van het woord zemel schijnt klein te zijn.

Wanneer de eerste molen na het besluit van 1662 is gebouwd is niet bekend. Het oudste zekere jaartal is het jaar 1743 wat in het bovenwiel gekerfd stond.
In het archief van Rijnland staan in 1806 gegevens over de molen bekend. Het is een wipwatermolen en de maten van o.a scheprad en wachtdeur worden in duimen omschreven. De te bemalen polder is 42 morgen en 489 roe groot ( 45 ha).
In 1871 (na de Franse tijd waarbij het metrisch stelsel wordt ingevoerd) wordt een meting in cm. opgegeven.
Uit 1904 zijn weer metingen bekend en gaat het om een polderoppervlak van 71 ha.
Tussen de beide laatste metingen zijn grote verschillen. Mogelijk zijn er grote reparaties verricht of is de molen zelfs vernieuwd.

Oorspronkelijk werd de molen alleen door één van de landeigenaren, of hun knechten, in werking gezet wanneer dat nodig was.

Tot 1928 is de molen in bedrijf als schepradmolen. Dan wordt een elektrisch aangedreven vijzel geplaatst. Geleverd door machinefabriek Spaans uit Haarlem. Met ijzeren roeden van 19.30 meter en een gietijzeren as. Voor deze aanpassing moesten de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toestemming geven, aldus schrijft de toenmalige polderbestuursvoorzitter J.W.A. Lefeber.

In 1943 kocht de gemeente de molen. Voor een symbolisch bedrag van 1 gulden. Grote herstelwerkzaamheden aan het kruiwerk werden hierna uitgevoerd.
Toen er in het voorjaar van 1945 geen elektriciteit meer geleverd werd heeft men de polder met behulp van een automotor bemalen.
In 1973 was er, door het lange stilstaan ( sinds 1928 was er elektrisch bemalen), weer een restauratie nodig. Vanaf die tijd werd de zemelpoldermolen bemalen door leden van het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Jan van der Veek en later Pieter van der Veek en zijn vrouw Helga zijn zeer betrokken bij de molen. Er wordt regelmatig gewezen op het feit dat de molen vanaf de 60er jaren van de vorige eeuw steeds meer omsloten wordt door bebouwing en begroeiing.

De molen was rijksmonument, maar werd na de brand in 1999 van de monumentenlijst geschrapt. Alleen de veldmuren bleven na de brand over.
De molen werd weer naar zijn oorspronkelijke vorm gereconstrueerd, dus geen elektrisch aangedreven vijzel, maar weer als vanouds met een scheprad.

Dit kon ook omdat de vijzel in 1928 in de watergang van het scheprad was geplaatst.

De wederopbouw van de molen was mede mogelijk door een inzamelingsactie onder de burgerij. (april 2000). In 2003 was de molen weer herbouwd. Molenmaker was Verbeij. In het gras naast de molen ligt de bovenas van zijn voorganger, die na de brand is afgekeurd.

De molenwerf is redelijk oorspronkelijk. De molenbiotoop is aangetast door omliggende bebouwing en beplanting. Er is te weinig ruimte om de molen.
Vrijwilligers zorgen er voor dat de molen geregeld draait. De molen staat sinds 2008 op de gemeentelijke monumentenlijst.

De Zemelpoldermolen in 1935

De Zemelpoldermolen verloor zijn wieken in 1950 door een storm

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De molen na de herbouw in 2003

Achterweg 2 - Woonboerderij

Achterweg 02 – Woning

Het is een woonhuis van een voormalige boerderij.

Kadaster: C-0962. Bouwjaar: ca 1900.

 

Vroeger stond hierachter een boerderij

Acacialaan 1 - schuur Lefeber

Acacialaan 1 – Voormalige bollenschuur

Dit was de bollenschuur van de woning vanJ.W. Lefeber op Achterweg 14

Kadaster: C-3469. Bouwjaar: 1887.

Deze bollenschuur, oorspronkelijk behorend bij Achterweg 14, werd in 1886-1887 gebouwd voor bollenkweker J.W. Lefeber. De schuur kreeg een herbestemming als woonhuis. De schuur is van buiten geheel gerestaureerd en werd van binnen geschikt gemaakt als woonhuis. Daarbij is op een uitstekende manier rekening gehouden met de karakteristieke elementen van de bollenschuur, zoals de openslaande ventilatiedeuren en de naam Lefeber op de gevel. Om de toegang tot de nieuwe wooneenheid te regelen is een speciale brug gebouwd die uitkomt in de Acacialaan. Hoewel dus niet meer gelegen aan dezelfde straat blijft aan het gebouwde geheel de vroegere combinatie van wonen en werken in een bollenbedrijf goed af te lezen De initiatiefnemers kregen in 2003 als waardering voor hun inspanning om dit bollenerfgoed te behouden als eersten de Zwarte Tulpprijs uitgereikt. Deze prijs wordt jaarlijks toegekend en is bedoeld om de aandacht te vestigen op het behouden en herbestemmen van bollenschuren.

Acacialaan 1 - schuur Lefeber

De bollenschuur van bollenteler J.W. Lefeber

Hal 1 van de Hobaho wordt gesloopt

Hal 1 wordt gesloopt ten behoeve van woningen. In 1922 is een oude hangar uit Duitsland gebruikt.
Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

22 mei 2018

Nico Groen

Op het moment van schrijven van deze column is de sloper druk bezig aan de binnenkant van de laatste Hobaho-hal aan de Havendwarsstraat om alle materialen te verwijderen. Dit schiet al lekker op en eerdaags wordt de hele hal afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Hiermee heeft deze hal net geen 100 jaar gehaald. De hal werd namelijk in 1922 neergezet door de toenmalige directie Homan, Bader en Hogewoning. Het woord hobaho is van hun namen afgeleid.
Deze laatste hal werd het eerst neergezet (vandaar Hal 1). In 1948 volgde Hal 2, de hal waar later vele tentoonstellingen en rommelmarkten werden gehouden. Hier staat nu het nieuwe appartementengebouw van STEK ‘De Veilingmeester’, dat op 26 juni officieel wordt geopend met onder andere een kleine tentoonstelling van vroegere Hobaho-spulletjes. In de entreehal moet een vitrinekast komen met wat relikwieën van de HoBaHo (o.a. van de VOL).

Terug naar het begin
Homan, Bader en Hogewoning traden al als ‘groene veiling directie’ op. Zij veilden de te velde staande gewassen. Van het veilen van bollen zelf was in de Bollenstreek nog geen sprake (wel in Noord-Holland). Het trio bracht daar verandering in. Daartoe richtten zij de N.V. Hollands Bloembollenhuis op.

De eerste droge veilingen (van bollen) vonden in 1921 plaats in ‘De Witte Zwaan’ aan het Vierkant. De grote aanvoer heeft het trio dat eerste jaar wel verrast. Het was maar goed dat 1921 een mooie droge zomer had, zodat men de bollen zonder waterschade in de buitenlucht kon opslaan. De drie veilingdirecteuren dachten aan de ruimte van het etablissement voldoende te hebben, maar er werden zoveel bollen aangevoerd dat deze in de open lucht moesten worden opgeslagen.

Een vliegtuighangar als veilinggebouw
Het was duidelijk dat deze gok geen tweede keer mocht worden genomen. In die zomer werd het besluit genomen om grond aan te kopen aan de Haven in Lisse. Toen moest er natuurlijk nog een gebouw komen. In Duitsland vond men een vliegtuighangar van voldoende grootte. Door de lage koers van de Duitse mark in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog was dit gebouw een koopje. Het moest echter wel allemaal naar Lisse worden vervoerd. Dat gebeurde per speciale trein met 35 volle wagons. De hangar werd aan de Haven weer opgebouwd. De voor- en achterkant werd nieuw opgebouwd. De bekende architect Leen Tol tekende hiervoor. Het werd een hal van 48 meter breed en 87 meter lang. Deze was dus bijna 4200 vierkante meter groot, waarin aan de kant van de Haven kantoren werden gerealiseerd.

‘Heeren kom bij
Bovenstaande gegevens over de beginjaren van het bollen veilen en de veilinggebouwen zijn ontleend aan het boek ‘Heeren kom bij’, uitgegeven door de Hobaho in 1996 bij het 75-jarig bestaan van de veiling.

Voor de aan- en afvoer van de bollen per boot was er in de hal een sloot in het gebouw, met verbinding naar de Haven aan de Grachtweg. Foto uit het boek ‘Heeren kom bij’ van de Hobaho.

 

Hello world!

Welcome to WordPress. This is your first post. Edit or delete it, then start blogging!

De ondergang van het Bollenlaboratorium