Pareltje: over ‘Spranken uit het leven van Cornelis Kruseman’

Cornelis Kruseman, de Rafaël van het Noorden, was een zeer befaamd schilder. Hij woonde en werkte in Lisse op het mooie Rosendaal aan de Heereweg. Koningen en andere hooggeplaatsten behoorden tot zijn klantenkring.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De rouwadvertentie van Krusemans weduwe in de Opregte Haarlemsche Courant laat goed zien dat Krusemans voorliefde uitging naar historische onderwerpen. Henriette, haar zus Anna Maria en schoonzus Geertruida vertrekken na Krusemans overlijden naar Den Haag.

In de ochtend van 14 november 1857 staan de 29-jarige Johannes Diederick Kruseman, zonder beroep, en de 46-jarige arts Thomas Nieuwenhuisen bij de secretarie van de burgerlijke stand in Lisse, waar burgemeester J.C. van Rosse ook als ambtenaar fungeert. Zij geven bij hem het overlijden aan van kunstschilder Cornelis Kruseman, die om drie uur die nacht is overleden. De aangifte heeft een Haags tintje. Cornelis Kruseman woonde en werkte jarenlang in Den Haag, zijn neef Johannes Diederick woont er nog en Thomas Nieuwenhuisen is geboren in de Hofstad.

Een kunstenaarsfamilie
De overledene komt uit een zeer kunstzinnige familie, die in de negentiende eeuw alleen al zes kunstschilders telde. Cornelis en zijn achterneef Jan Adam Kruseman zijn daarvan de belangrijksten en beiden gevierde kunstenaars.

Zijn oomzegger Johannes Diederick, de man die de aangifte doet, is een zeer verdienstelijk amateurschilder en steenrijk.  Zijn vader heeft een suikerfabriek in de Oost, het huidige Indonesië. Hij hoeft niet te werken voor de kost en hanteert de verfkwast voor zijn genoegen. Hij is vooral bekend geworden door zijn stadsgezichten. In 1846-1847 voegt hij zich bij Cornelis Kruseman en diens vrouw Henriette tijdens hun laatste Italiaanse kunstreis en hij zal zich later bezighouden met het inventariseren van het omvangrijke schildersoeuvre van zijn oom.

Rafaël van het Noorden
Cornelis, Kees in het dagelijks leven, wordt geboren in het gezin van een Amsterdamse apotheker op 25 september 1797. Het schoolleven kan hem niet bekoren. Hij is pas 14 jaar oud als hij lessen volgt aan de Amsterdamse Stadstekenacademie en al snel bekroont men zijn werk met prijzen en medailles. Koning Willem I koopt in 1819 van de tweeëntwintigjarige een ‘kaarslichtschilderij’ van een oude blinde man en een jong meisje, een cadeau voor zijn vrouw Wilhelmina. Een populair genre in de negentiende eeuw, maar Kruseman wijst opdrachten voor meer ‘kaarslichten’ af. Hij is ambitieus en wil zich bekwamen in historiestukken. Hij verlaat Amsterdam en reist in1821 naar Italië, waar hij in Rome de Italiaanse kunst bestudeert. Zijn afbeeldingen van het Italiaanse landleven bezorgen hem later de bijnamen de Italiaanse Kruseman en Rafaël van het Noorden. Hij heeft een neus voor zelfpromotie. Hij organiseert een solotentoonstelling van zijn Italiaanse schilderijen en stuurt ze daarnaast op naar openbare kunsttentoonstellingen. Het dagboek dat hij tijdens zijn Italiaanse reis bijhield, publiceert hij in 1826.(1

Gevierd portretschilder
Weer terug in Nederland vestigt hij zich in 1825 als portretschilder in Amsterdam, maar hij krijgt weinig opdrachten.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831, lithografie van Adolf Carel Nunnink naar het schilderij van Cornelis Kruseman. Rijksmuseum Amsterdam.

Nog in hetzelfde jaar besluit hij zich in Den Haag te vestigen. Een gouden greep: ambtenaren, officieren en diplomaten laten zich graag portretteren. In zestien jaar tijd schildert hij honderdtien portretten en portretgroepen en hij kan daar ruim van leven. Voor extra inkomsten zorgen de vele leerlingen die hij opleidt. Toch ligt zijn hart bij grote historiestukken, die financieel ook nog eens heel lonend kunnen zijn. Maar daarvoor heeft hij wel een opdrachtgever nodig. De materiaalkosten van de enorme doeken zijn hoog en het vergt veel tijd ze te schilderen. Koning Willem I verleent hem toestemming een ‘Graflegging van Christus’ te schilderen voor een bedrag van 3500 gulden, inclusief de lijst. Het kost Kruseman drie jaar het doek te voltooien. Hij wordt hiervoor in 1831 koninklijk onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Haagse stadsbestuur geeft hem vervolgens de opdracht de monarch ten voeten uit te portretteren.

De slag bij Bautersem
In 1831 vechten Nederlandse troepen tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen bij de slag bij Bautersem. Tijdens de slag treft een kanonskogel het paard van de prins van Oranje, maar de dappere kroonprins zet de strijd voort op een ander strijdros.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Zijn populariteit stijgt na deze heldendaad en meerdere schilders beelden de veldslag uit. De gebeurtenis inspireert Kruseman tot het gigantische schilderwerk ‘De slag bij Bautersem’, een doek van vijf bij zeven meter, waar hij vijf jaar aan werkt. Kroonprins Willem, de latere koning Willem II, heeft een centrale rol op het schilderij. Dankzij zijn inkomsten uit de portretten kan Kruseman zich de investering in tijd en materiaal veroorloven. Maar Willem I staat lauw tegenover het in 1838 voltooide werk, tot teleurstelling van Kruseman. De koning wil liever niet geconfronteerd worden met het verlies van België en weigert in te gaan op de uitnodiging van Kruseman het werk te bekijken. De held op het doek, de kroonprins, is al na een kwartier op het schilderij uitgekeken. Een tentoonstellingsreis door het land, de opbrengst van de toegangskaartjes is voor de armen, wordt goed bezocht. Daarna komt het werk in de koninklijke collectie.

Een monumentale Johannes de Doper
In 1832 trouwt de schilder met de drie jaar jongere Henriette Angelique Meijer (1800-1868), een vrouw die vaardig is in het aquarelleren van bloem- en vruchtstillevens. Een goed huwelijk, volgens tijdgenoten. Zij is voorzien van de ‘edelste zielshoedanigheden’, begrijpt hem en steunt hem in lief en leed. De kersverse koning Willem II, een gepassioneerd kunstverzamelaar, bezoekt Krusemans atelier in 1841 en Kruseman toont hem tekeningen van een predikende Johannes de Doper, waarna hij de opdracht krijgt een historiestuk over dit onderwerp te maken.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Dat is voor Kruseman de aanleiding met zijn vrouw naar zijn geliefde Italië te reizen om de fenomenale religieuze kunst aldaar diepgaand te bestuderen. Als zij na een verblijf van zeven jaar terugkomen in Den Haag kan de kunstenaar een monumentaal olieverfschilderij presenteren: ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’. Na onderhandelingen komt het voor het enorme bedrag van 30.000 gulden in de Koninklijke Verzamelingen. Maar eerst krijgt het publiek de kans het werk te zien en reist het een jaar lang door het land, waarna het een plaats krijgt in het Paleis Noordeinde. Koning Willem II benoemt Kruseman tot Commandeur der Orde der Eikenkroon. Eén grote opdracht voor historiestukken volgt nog. Jan Elias Huydecoper bestelt in 1848 voor zijn slot Zeist vier monumentale schilderijen met onderwerpen uit het Nieuwe Testament. Kruseman voltooit de werken in januari 1854. De schilderijen zijn tegen betaling te bezichtigen tijdens een tour door het land voor ze in Zeist bij hun eigenaar komen te hangen.

Rosendaal in het vriendelijke Lisse
Cornelis Kruseman verlangt naar een leven ver buiten de grote stad. Het is een wens die hij al lang koestert en hij is blij als hij een woning vindt in het vriendelijke Lisse, waar hij wil schilderen aan zijn geliefde onderwerpen, historische en bijbelse gebeurtenissen.(2 Hij en zijn vrouw Henriette vertrekken eind augustus 1854
van Den Haag naar Lisse en betrekken daar huis nr. 87, aan de Rijks- of Heereweg, het buitenplaatsje dat vele Lissers nog kennen als Rosendaal. Zijn schoonzus Anna Maria en zijn zus Geertruida, die evenals Anna Maria ongetrouwd is, wonen bij het echtpaar in. Dat de keuze op Lisse is gevallen, zal te maken hebben met de relatief gunstige verbindingswegen met Amsterdam en Den Haag. Meegewogen kan ook hebben dat er familieleden in de buurt wonen. Raimond Christiaan Affourtit (1776-1858) en zijn dochters Elisabeth Maria (1819-1893) en Dorothea (1821-1876) wonen in Lisse op Grotenhof. Affourtit, een van de eerste bollenhandelaren, is de weduwnaar van Cornelis’ oudtante Maria Margaretha Kruseman (1785-1837). Suzanna Kruseman (1830-1906), getrouwd met Stephanus de Clercq (1826-1886), woont in 1855 in Hillegom en later in Lisse.

In zijn atelier op Rosendaal stelt Kruseman zijn laatste werk ‘De maagd Maria met het Kind’ tegen betaling tentoon.

Suzanna is de dochter van de bekende kunstschilder Jan Adam Kruseman, achterneef van Cornelis. Jan Adam was een van zijn leerlingen. Stephanus is de zoon van een van Cornelis’ beste vrienden, de dan al overleden dichter, koopman en bankier Willem de Clercq.(3

Overgelukkig op Rosendaal
Kruseman heeft het naar zijn zin in zijn nieuwe woonplaats  Aan Johannes Willem Holtrop, de vermaarde directeur van de Koninklijke Bibliotheek, schrijft hij:
‘Roozendaal te Lisse 27 sept 1854 Weled: Heer en vriend! Bij mijn vertrek uit s’ Hage stapelde zich zoodanig de droktens op welk bij een volledige verplaatzing onvermijdelijk zijn. Reeds een maand verstreek in de meeste voldoening over de gedaane keuze en met elken dag vermeerderde de genoegens welke die plaatsverwisseling kon opleveren en gevoel mij overgelukkig. Uwed. dw.dr.C: Kruseman’.

In een van de bijgebouwen van Rosendaal is de verversknecht Hendrik Lambert de Bauterlé met zijn gezin gaan wonen. De Bauterlé zal zijn ingehuurd om olieverf te maken. Het wrijven van de verfpigmenten is een zwaar werk en het vermengen met lijnolie en vulmiddel een precies karweitje.(4 Voor Kruseman is het zeer belangrijk een vakman hiervoor in huis te hebben. De verf van zijn grote schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ is gaan druipen, waarschijnlijk door de gebruikte pigmenten en herhaaldelijk overschilderen. Hij trachtte zelf het werk te herstellen en was daar eind januari 1854 mee klaar. Geen wonder dat hij bitter teleurgesteld naar Lisse verhuist en daar naar rust zoekt.

Liefdegift voor Lissese armen
Kruseman schildert in zijn Lissese atelier zijn laatste grote werk: ‘De maagd Maria met het Kind’, dat hij in 1855 voltooit. Het doek heeft met een afmeting van 124.0 x 111.0 cm, bij lange na niet de grootte van zijn schilderij ‘Johannes de Doper’ dat 382.0 x 479.0 cm mat.

Rosendaal waar Cornelis Kruseman en zijn vrouw Henriette vanaf eind augustus 1854 met veel genoegen hebben gewoond

In een brief van 5 maart 1855 schrijft hij aan zijn achterneef Arie Cornelis Kruseman dat hij zijn schilderij over de maagd Maria en het kind Jezus in zijn atelier op Rosendaal tentoonstelt om een ‘liefdegift in te zamelen om aan armen en kranken in de gemeente uit te reiken’. Predikant en priester kondigden dit aan ‘aan den kanzel en aan het altaar. En rijk en arm stroomden in menigte toe, en zilveren stukken en koperen penningen klonken welwillend in den blikken bus welke bij de schilderij geplaatst was. Origineele, ernstige en boertige situaties leverden die dáár verzamelde menigte op’. Hij nodigt zijn achterneef uit naar Lisse te komen om het schilderij te bezichtigen. Kruseman schrijft in de komende drie jaar vanuit Rosendaal veel brieven aan Arie Cornelis Kruseman. Deze Kruseman is een jonge Haarlemse uitgever, die de belangrijkste van zijn generatie zal worden. ‘Uncle Tom’s cabin’ van Harriet Beecher Stowe geeft hij in 1853 uit als ‘De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika’. Een volgend spraakmakend boek is Darwins ‘Het ontstaan der soorten’, dat verschijnt in 1860. Een man om te vriend te houden, dit ambitieuze familielid. De uitgever plaatst op verzoek van Kruseman een prent naar ‘De maagd Maria met het kind Jezus’ in het ‘Christelijk album’ van 1857, waarmee het werk landelijk bekend wordt.

Cornelis Krusemans schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ uit 1847 in deplorabele staat gefotografeerd rond 1971. Vlak daarna werd het vernietigd.

Zeewater naar Rosendaal
Krusemans gezondheid neemt af. Op 15 februari 1856 klaagt hij over koorts. Hij kan niet werken en heeft moeite met schrijven. Juli 1856 vertrekt hij naar Den Haag om in Scheveningen een badkuur te ondergaan, voorgeschreven door de artsen. Op Rosendaal wordt als onderdeel van de kuur al eerder zeewater aangevoerd. Inspanning is verboden en volkomen rust en kalmte worden voorgeschreven. Eind september is hij weer in Lisse en de kuur heeft effect gehad. ‘Thans de goede god zij er voor gedankt loop ik weder met fiksche stappen door het huis, bezoek de tuin en ben zelfs heden weder op de straat geweest. Hoe opgeruimd zoudt gij mij thans zien’, schrijft hij op 8 oktober 1856 aan zijn achterneef.(5 Hij heeft weer zin om te tekenen en is opgeruimd. Lichamelijk en geestelijk nemen de krachten toe en hij wandelt door het dorp.

Lissese dorpsjeugd
Zijn vriend de schrijver Arnold Ising schrijft over Krusemans liefde voor de natuur, die hem troost en inspireert: ‘Dat kunt ook gij getuigen, lieflijke omstreken van het nederige Lisse waar de kunstenaar zijn laatste dagen sleet. Hoe menigen voetstap zette hij in uw bosschen, op uw heuvelklingen; wat was hem spoedig de weg naar de schoonste plekjes bekend; met wat ingenomenheid toonde hij die aan vrienden, die hem kwamen bezoeken, terwijl hij er zelf nog altijd nieuwe schoonheid ontdekte! En gij ook zoudt het kunnen getuigen, knapen en meisjes, die in de dorpstraat te spelen pleegt.

 

Tekening uit 1892 door A. Brouwer Grote Kerk in Lisse. Zie ook: Beeldverhaal LisseTijdReis Grote Kerk.

Hoe menigwerf bleef de vriendelijke grijze schilder staan en wenkte u met een glimlach om uw kinderlijk spel niet te staken, daar hij dan juist de natuur het best in u betrappen kon. Wat sprak hij u menigmaal aan om uw oogjes te zien schitteren, of uw mond zich tot lagchen te zien plooijen; wat verzette hij soms grappig uw mutsje, om meer leven en uitdrukking aan het kopje te geven! En uw kinderlijke vreugde, uw juichen en joelen deed niet alleen de kunstenaar, maar ook den mensch goed den mensch die het tot in zijn laatste dagen betreurde, dat God hem nooit vadervreugde geschonken had; maar wiens hart veel te mild was, dan dat het zich daarom ooit bij het zien van kinderen pijnlijk had kunnen sluiten’.(6

Krusemans herstel blijkt tijdelijk. Zijn gezondheid verslechtert. Portretopdrachten zegt hij af en er komt minder geld binnen. 18 oktober 1857 schrijft hij: ‘Behalve ontstaane financieele ongelegenheid door mijn u bekende langdurige ongesteldheid zoo is weder eene stremming gekomen in mijn nauwelijks weder op gevatte schilder arbeid daar dien de koortsen mij hevig hebben aangetast’.(7 In het grote atelier op Rosendaal mag hij van de artsen niet langer werken.

Portret van Cornelis Kruseman in zijn laatste levensjaren aar een tekening van Johann  Kachel.

De tuinkamer wordt ingericht als atelier en hij hoopt weer te kunnen werken.(8 Kruseman overlijdt op 14 november 1857. Vijf dagen daarna schrijft de Middelburgsche Courant: ‘De naam van Kruseman zal zeker eene eervolle plaats blijven innemen in de geschiedenis van onze kunst, gedurende de laatste dertig jaren, en het dorpje, waar hij zijn veel bewogen leven eindigde, mag er gewis fier op wezen, als de asch van den eenmaal zoo gevierden schilder in zijn nederig kerkhof rusten zal!’

Een goede rustplaats
Arnold Ising bezoekt 26 december 1857 in Lisse het graf van zijn vriend (9 en geeft daarvan de volgende beschrijving: ’t Was een Decemberdag zoo als er zelden zijn, de hemel was blaauw en toch vroor het niet. De blaaderlooze boomen zwiepten niet heen en weder, kraakten niet onder den magtigen adem van den storm. Hier en daar zat nog een vogel in de haag te fluiten, en, ware de zon niet zoo spoedig weêr aan ’t dalen gegaan, men zou zich in October hebben gewaand. Ik naderde het dorpje, en reeds van verre zag ik den dikken toren van de kleine kerk, in wier schaduw de dooden slapen. Het hek van ’t kleine kerkhof stond open. Ik ging er binnen en keek naar de namen, op de weinige zerken gegrift. Plotseling, toen ik regts van de kerk was gekomen, trad de zon, die achter den toren met een enkele groote wolk scheen te spelen, tevoorschijn; een helder schuin licht viel over een nieuwe grafzerk, een der zwarte paaltjes, ter zijde in de zode gestoken, wierp een breede slagschaduw over den zonnigen steen en deed den daarin gebeitelden naam nog meer in ’t oog springen, doordien als ’t ware te onderstrepen…Ik las: CORNELIS KRUSEMAN. Op dat oogenblik voelde ik, nog levendiger dan vroeger, dat de vriend gestorven was. Ik stond bij zijn graf… Langs den muur van ’t kerkhof loopt een landweg heen en daarnevens breidt zich een grasveld uit, op den achtergrond begrensd door de rijk met hout bewassen duinen van Keukenhof. ’t Is een fraai Hollandsch landschap, waarvan het ruime, het helder verlichte, het zonnige groen der weide afstekend tegen het blinkend wit der zandige duinplekken in ’t verschiet, zelfs op dien laten, tweede Kerstdag het oog trof en boeide. De zon scheen op het landschap, even als op de zerk en ’t was of ik den kunstenaar, die daar aan mijne voeten sluimerde, tot mij zeggen hoorde, zoo als hij mij zoo dikwijls op onze wandelingen had toegevoegd: “Kijk, hoe schoon!” En ik dacht: “Vriend en kunstenaar, wat hebt ge daar een goede rustplaats. Sluimer zacht te midden dier omstreken, wier eenvoudig schoon gij zoo zeer op prijs steldet”.(10

Wenende schilderijen
Krusemans’ grootste werken, ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ en ‘De slag bij Bautersem’, waarin hij zijn ziel en zaligheid had gelegd, vernietigen zichzelf in de loop van de jaren. Van zijn ‘Johannes de Doper’ begint de verf al tijdens zijn leven te druipen. ‘De slag bij Bautersem’ treft eenzelfde tragisch lot.

Portret van ‘artiste’ Cornelis Kruseman, gemaakt tijdens zijn tweede verblijf in Rome door Louis Joseph Brüls.

De afdruipende verf werkt door het vernis heen en dreigt de figuur van Willem II aan te tasten. Het publiek mag het schilderij niet meer zien en het wordt weggehaald uit het museum voor moderne kunst in Paviljoen Welgelegen in Haarlem en krijgt een plek in een zaal in Paleis Noordeinde. De beide werken hangen daar dan bij elkaar. ‘Het is een treurige aanblik’, schrijft Ising in 1870 vol deernis, ‘ t is alsof die beide groote stukken daar in die verlaten Gothische zaal te weenen staan over den verstoorden roem van hun maker’.(11 ‘De slag bij Bautersem’ wordt rond 1950 vernietigd. In 1971 volgt ‘Johannes de Doper’.

Voetnoten:
1 Aanteekeningen van C. Kruseman, betrekkelijk deszelfs kunstreis en verblijf in Italië. (1826)
2 T. van Westhreene: ‘C. Kruseman, zijn leven en werken’. In: Kunstkronijk 20 (1859), p. 16
3 Stephanus de Clercq was landeconoom en kocht in 1854 grond in de Haarlemmermeerpolder bij de Lisserweg. Hij maakte een mooie bestuurlijke carrière. Hij was o.a  hoofdingeland en heemraad van de Haarlemmermeerpolder en dijkgraaf van Rijnland. Nazaten van De Clercq beheren onder de welbekende naam de Olmenhorst het land dat hij ooit kocht. Stephanus de Clercq vestigde zich in 1857 in Lisse en vertrok in 1866 naar Haarlem. Bevolkingsregisters Lisse 1850-1860 en 1860-1870. Zijn vader Willem de Clercq (1795-1844) was een van de voormannen van de Réveilbeweging, een richting binnen het protestantisme. Hij hield tussen 1810 en 1844 een dagboek bij, een belangrijk egodocument dat in 2022 gedigitaliseerd en getranscribeerd is.
4 A. F. de Graaff: ‘Rosendaal en zijn bewoners (1641-1962)’. In: Leids jaarboekje 1963, p.153-161. Bauterlé vertrekt na het overlijden van Kruseman naar Den Haag.
5 Brief aan Arie Cornelis Kruseman
6 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.  In: De Tijdstroom 1 (1858), pp. 91-107.
7 Brief aan Arie Cornelis Kruseman.
8 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.
9 De grafzerk van Kruseman kreeg nummer 75 (informatie Dirk Floorijp). In 2003 zijn grafzerken die buiten de kerk stonden hergebruikt voor de vloer van de kerk. Stenen die minder mooi waren werden op een andere manier verwerkt (informatie Jan Wesseling). Wat er gebeurd is met de steen van Kruseman is niet bekend.
10 Ising: Spranken, Tijdstroom pp. 91-107.
11 A. Ising, ‘1831. Uit de nagelaten papieren van een kunstenaar’. In: Kunstkronijk 11 (nieuwe serie), 1870, p.60

Bronnen:

  • Eva Geudeker: Cornelis Kruseman (1797-1857): Aardse roem en hemelse ambitie.
  • https://cornelis- kruseman-1797-1857.rkdstudies.nl. Proefschrift, ( 2024). Uitsluitend gedigitaliseerd verschenen.
  • Brieven van Cornelis Kruseman aan Arie Cornelis Kruseman bevinden zich in de UB Leiden.
  • Transcripties zijn online geplaats door RKD https://rkd.nl/excerpts/.
  • De Cornelis Kruseman Stichting in Den Haag spant zich in het werk van Cornelis Kruseman en zijn schilderende familieleden grotere bekendheid te geven. Op afspraak is de collectie van de stichting te bezichtigen.

 

 

 

Kijk nou eens: Achter Sint Aagten 15

Enig idee welke richting we nu opgaan? Een volgende keer vertellen we erover. Mocht u een pand weten waar wel eens aandacht aan mag worden besteed, meld dat dan via redactie@oudlisse.nl of bij een bezoek op dinsdagochtend aan de 1e Havendwarsstraat 4.

Die walvis op de schoorsteen. Kon u de plek bedenken waar die thuishoort? Het is geen plek waar iedere Lisser alle dagen voorbijkomt. Liesbeth Brouwer gaat het helemaal uit de doeken doen.
Natuurlijk ook weer een nieuwe plekje!

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Wist u hoe de wind stond bij deze opgave? Achter Sint Aagten 15, hethuis met de walvis als windvaan, was het antwoord. Het huis met de walvis Daar wonen Theo en Tineke Bosman. Ze zijn Amsterdammers van geboorte en zoeken in de zestiger jaren zoals velen woonruimte. Theo werkt bij de IBM (International Business Machines) en is voor zijn werk zowel in Amsterdam als in Den Haag actief. Gezocht wordt een huis waarvandaan deze plaatsen goed bereikbaar zijn. Bij de ontwikkeling van de Poelpolder zien zij hun kans schoon om een huiste kopen. Verschillende IBM-collega’s volgen dezelfde weg naar de Poelpolder. Daar wonen valt in die beginperiode met overal bouwactiviteiten die zorgen voor de nodige overlast en ver van allerlei voorzieningenniet mee. Langzamerhand wordt dat beter en blijkt wonen in Lisse aantrekkelijk. Wanneer zich eind zeventiger jaren de kans voordoet om iets te kopen in het toen net ontwikkelde Agathapark wordt die omarmd. Nog een tiental jaar later wordt weer verhuisd, nu naar Achter Sint Aagten 15, naar een stukje van Lisse dat dan al min of meer tot het centrum van Lisse wordt gerekend, maar kort daarvoor nog een agrarische bestemming had.

Piusland
Begin twintigste eeuw was er behoefte om een tehuis te bouwen waar “ouden van dagen verpleegd kunnen worden”. Het Armbestuur van de Agathaparochie gaat voortvarend tewerk en krijgt het voor elkaar om deze plannen te realiseren. Van de weduwe Vreeburg wordt een flink stuk grond gekocht. Aan de Heereweg verrijst het Piusgesticht dat voor die tijd een prachtig complex is. Het terrein dat bij het gesticht hoort is enorm. In 1909 staat in een krantenbericht over het te bouwen Piusgesticht: “Het bleek ons dat het Armbestuur voor haar doel een kolossaal terrein heeft gekocht. Het terrein loopt, de plaats van het gebouw niet meegerekend, van den tuin af achter de R.K. Kerk langs de Kerksloot tot aan den Waterweg, welke loopt naar de Ringvaart enz. en heeft een breedte van naar schatting 10 á 12 R.R”. Het Piusgesticht moet min of meer zelfvoorzienend worden; met een boomgaard en een moestuin “terwijl het achtergedeelte in wei zal blijven om een paar koeien te grazen”. Huize Pius functioneert jarenlang naar wens, maar in de jaren zestig blijkt een huis als de Pius niet meer te voldoen. Er volgen plannen voor een nieuw bejaardenhuis: het plan Berkhout. Dat betekent afbraak van de Pius, maar ook verkoop van het enorme terrein. Zo gebeurt het dat het bestuur van de Stichting Pius om een gesprek met de directie van de Hobaho vraagt.

Hobaho
Joop Zwetsloot is dan net een paar jaar directeur en één van de oprichters van de Hobaho is ook nog in functie: Daan Hogewoning. Samen ontvangen ze het Piusbestuur dat meedeelt het weiland achter de Pius te willen verkopen en of er interesse is. Hogewoning had in zijn tijd bijna permanent noodzakelijke uitbreidingen van de veiling accommodatie meegemaakt; hal 1 was in 2 fases gebouwd, hal 2 volgde met daarna de derde, de Glazenhal zoals die werd genoemd. En daarachter lag nog ruimte voor verdere groei. Hogewoning laat de keuze aan Joop Zwetsloot, maar merkt wel op “buurmans land is maar één keer te koop…”. Voor verdere uitbreiding van het veilingbedrijf is het Piusterrein niet nodig. Er zijn wel ideeën voor andere functies binnen het bedrijf en je weet maar nooit, misschien is het land daarvoor te gebruiken. Dus wordt het land gekocht. Nieuwe succesvolle ideeën worden in de jaren erna ontwikkeld, maar niet in relatie met het Piusland. Oudere Lissers zullen nog weten dat het land ook nog gebruikt is als kermisterrein, maar dat is natuurlijk maar een tijdelijk gebruik.

Makelaardij
Inmiddels belanden we in de jaren tachtig. Voor het Piusterrein is nog steeds geen redelijke functie naar voren gekomen. De behoefte aan bedrijfsgebouwen voor de Hobaho is inmiddels steeds minder geworden. Wel heeft de Hobaho intussen een afdeling Makelaardij en Onroerend goed. Meerdere makelaarskantoren zijn aan het werk onder de naam Heemborgh. Er liggen mogelijk kansen om het vroegere land van de Pius te ontwikkelen voor woningbouw. Dus eerst naar het gemeentehuis met het idee: kans van slagen, woningbouw op die locatie?? Het antwoord luidt: In principe zou dat kunnen, kom maar met een plan. Dan komt er een hele beweging met architecten en wat al niet op gang en dat leidt tot een opzet voor een plan: het terrein wordt ontwikkeld met een circuit van een weg en daaromheen kavels…..

Dan komt Rijnland erbij en die zegt: nee, zo kan het niet. “Wij willen meer water! Er loopt nu een brede sloot door het terrein en erlangs, er is een vijver tegen het kerkhof…er moet minstens zoveel water ook terugkomen in dit plan… .” Dat heeft geleid tot de huidige structuur van Achter Sint Aagten. De makelaardij van de Hobaho zet de kavels te koop en binnen niet al te lange tijd is alles verkocht en heeft het land van de Pius een bestemming gekregen. Bij de familie Zwetsloot  aan de eetkamertafel komt deze ontwikkeling natuurlijk ook aan de orde. “Zullen we aan de gemeente vragen of wij een naam aan dit plan mogen geven?” Antwoord: “Ja, kom maar met een voorstel”. Zo wordt het “Achter Sint Aagten”. Binnen de familie is men het niet eens over wie nu de bedenker was.

De kavel
Het plangebied is 1,5 ha groot. Op het terrein worden twee-onder-eenkapwoningen gepland en is ruimte voor 13 kavels waarop een huis naar eigen ontwerp kan komen. De familie Bosman wil een kavel kopen aan de kant van de sloot die het terrein achter de kerk scheidt van het bouwplan. De koop was bijna niet doorgegaan omdat er nogal wat geluidsoverlast was van het transformatorstation aan de Zwanendreef. Dat werd gelukkig opgelost. Architect voor hun woning is Dick van Manen sr. uit Noordwijk, die meerdere andere vrijstaande en de twee-onder-een kapwoningen uit het wijkje ontwerpt. Sinds 1988 wonen zij in dit huis. Oorspronkelijk loopt hun tuin af naar de sloot. Het gedeelte om de kerk is daar dan nog geen kerkhof, maar al vlot nadat ze er wonen wordt dat gedeelte tot grote ergernis van de omwonenden toch bij het kerkhof getrokken. Met de aanleg van het kerkhof komen ze tegen een wal aan te kijken en daarom wordt besloten de tuin op te hogen. Van een walvis als windvaan is dan nog geen sprake.

Studie

Theo Bosman loopt hier achter zijn iets jongere studiegenoten

Theo werkt bij IBM. Dit bedrijf is lange tijd een van de grootste IT-bedrijven, maar komt begin negentiger jaren in de problemen waardoor drastische maatregelen moeten worden genomen. Personeel krijgt een aanbieding om het bedrijf te verlaten en daar maken ook veel IBM’ers uit Lisse gebruik van. Zo ook Theo Bosman. Hij is dan 56 jaar. Te jong om van zijn pensioen te gaan genieten. Net als meerdere oud-collega’s grijpt hij de kans om een totaal andere richting op te gaan. Hij kiest
ervoor om in Leiden geschiedenis te gaan studeren. Als dagstudent dus tussen de 18-jarige schoolverlaters. Het eerste jaar volgt hij ook colleges bij Jaap Bruijn, hoogleraar zeegeschiedenis. Hierna kiest hij voor een summer school in Mystic Seaport (Connecticut, USA). Dit is een gigantisch openluchtmuseum op nautisch gebied. Een van de hoogtepunten daar is de jaarlijks terugkerende 24-uursvertelling, gebaseerd op de klassieker Moby Dick (1851) van de schrijver Melville. Dit is het verhaal over een witte potvis, Moby Dick, die zich maar niet laat vangen en rampen veroorzaakt voor de walvisvaarders. Later volgt Theo een stage bij het Kendall Whaling Museum (USA, Massachusetts). De kennis van walvisvaart van de meesten van ons beperkt zich tot het naoorlogse walvisfabrieksschip de Willem Barendsz, die rond Antarctica actief was. Die manier van vissen en visverwerking, die mede ingegeven was door de naoorlogse behoefte aan oliën en vetten (margarine), is totaal niet te vergelijken met de eerdere 17e en 18e eeuwse walvisvaart. Houten schepen voeren in die tijd in het voorjaar naar het Noordpoolgebied en keerden in de herfst terug. In Nederland waren het vooral Noord-Hollandse reders die actief waren als walvisvaarder. In Noord-Amerika ontwikkelde de walvisvaart zich vanuit
New England. De keuze voor de masterscriptie was voor Theo, na de boeiende ervaringen, niet zo moeilijk; de 18e eeuwse walvisvaart.

De windvaan
Bij de verkoopshop van het museum in Mystic Seaport zijn ook windvanen met een voorstelling van een walvis te koop. Met aan de onderkant wijzers die de windrichtingen aangeven. Het idee om zoiets mee te nemen voor thuis wordt omarmd. In Lisse moet de walvis natuurlijk de schoorsteen op, maar dan zonder de aanwijzingen voor de windrichtingen. Theo en Tineke willen graag dat de walvis boven een golf uitspringt. Dat alles wordt gerealiseerd door Van der Zwart Hekwerken, Noordwijkerhout. Theo studeert in 1997 af en heeft daarna nog diverse interessante contacten die te maken hebben met zijn studie naar de walvisvaart. De walvis geeft nog steeds de windrichting aan, maar verwijst ook naar een mooie tijd in de Verenigde Staten en een interessante studie!

Dank aan: Tineke en Theo Bosman – Joop Zwetsloot

Bij de hartpagina. Rond Rustoord een halve eeuw geleden

Nog een stukje Lisse van een halve eeuw terug waar wel het één en ander veranderd is en nog gaat veranderen. In Lisse wordt gebouwd. We gaan gewoon lekker door met bouwen want dat is hard nodig in deze tijd van woningschaarste!

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Je moet even terug in de tijd, maar voor Rustoord was het meer een bloemoord.

De drie aanleunwoningen aan de Achterweg zijn in 1962 gelijk met het grote gebouw opgeleverd

Stukje Achterweg, omgeving Rustoord, rond 1975 Rustoord werd op 30 november 1962 officieel in gebruik genomen. Aan de kant van de Heereweg kon je de mooi
aangelegde tuinen bewonderen. Rechts de MVO school door architectenbureau Paardekooper & Barnhoorn ontworpen volgens de principes van de Bossche School.

 

 

“De Binnentuin”, het gebouw met het glazen atrium werd in 1984 geopend

We zien de bollenschuur van Jack Th. de Vroomen pal naast de aanleunwoningen van Rustoord en de schuur van Jan Jaco Bos In 1975 staan daar al geen bollen meer in de schappen. De kartonvoorraad van Marbus ligt klaar voor de verpakkingsfabricage. Het bollenveld om Dubbelhoven is niet meer. Achter de Vuursteeglaan en de Spekkelaan zitten nog wat bollen in de grond. De uitbreiding van het sportpark en de Randweg zijn nog niet te zien op de foto. Achter de Vuursteeglaan en naast Rustoord wordt de grond nu bouwrijp gemaakt. Eens stonden hier volop bonte voorjaarsbloemen! Doet het u ook niet denken aan dat mooie lied met de titel, “Waar zijn al de bloemen toch, van heel lang geleden………”?

 

Oud Nieuws: Het Mallegat bij De Engel en booerderij de Burgh

Dirk Floorijp heeft weer wat opgedoken uit het verleden. Het gaat over de waterlozing het Mallegat die onder de Engelenbrug door stroomt.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Argeloos rijden we over de brug in De Engel zonder te weten hoe belangrijk deze was in vroeger eeuwen. De watering was lange tijd de enige vaart waardoor de ingezetenen hun vruchten en gewassen naar de naastgelegen steden van Haarlem en Leiden konden vervoeren. Van de Hillegommerbeek tot Leiden is geen vaart die in de Meer en trekvaart uitkomt als het voorschreven Mallegat, dat langs het voors: water sijn gestelt blekerije, vlasserije, bierstal, lustplaatsen en boomgaarden etc. en ook schippers met hun huizinge die door hetzelfde water wekelijks naar de markten in de steden hun producten brengen. Aan het Mallegat in De Engel was ook een kleine scheepswerf. In maart 1594 was er een eerste verkenning om een waterlozing aan te leggen door Noordwijkerhout, kosten 975 gulden voor de afwatering van 650 morgen, door Voorhout, kosten 582:17:8 door 388 morgen 350 roeden en door Lisse kosten 360:12:8 door 240 morgen 250 roeden, opgesteld door de dijkgraaf en de hoogheemraden van Rijnland.

“Het Keukenduin van Huize van Teijlingen tot de Lisserpoel met vier stenen bruggen. Een brug in de Vaart, een brug in Het Keukenduin, een brug in de Lijdweg en een brug in de Heereweg bij De Engel. Dat de stenen brugge en de houten quackel bij de hofstede van de erfgenamen van Pieter Pijnsen door Jan Ewouts bewoond, ten eeuwigen dage te worden onderhouden door Lisse en de brug aan de Lijdweg door die van Voorhout.

Ondertekend door de ambachtbewaarders en de ingelanden, voor Lisse was dat Claes Cornelisz Corsteman”.

In 1604 verklaarden zij tevreden te zijn na inspectie van de waterlozinge vanaf de wegh genoemd de vaert tot in de poel toe. Wie was die Claes Cornelis Corsteman (1541-1616)? Hij was kerkmeester en ambachtsbewaarder, woonde op de ridderhofstede De Burgh1, was eigenaar van de boerderij De Wolff en getrouwd met Maartje Vranckendr van den Burgh. Ruim een eeuw later, in 1730, is, door nalatigheid en geen toezicht op het schouwen, de vaart ondiep geworden voor de scheepvaart en gelastte het hoogheemraadschap dit op diepte en wijdte te brengen. De waterlozinge het Mallegat, beginnende in de duinen en uitlopende in de ringsloot van de bedijkte Lisserpoel, was volgens het hoogheemraadschap van Rijnland jaren niet geschouwd en op diepte gehouden zodat de scheepvaart er niet meer doorkwam. Het jaarlijks schouwen werd verplicht. De onkosten en arbeidsloon van 550 gl. moest Lisse betalen. Jacob Bartse van der Son was schipper aan het Mallegat, zou deze met zijn schip onder de Heereweg door kunnen varen? Ik neem aan van wel want de schepen van de scheepswerf moesten ook onder de Heereweg door.

Vuurwerkverbod.

Vuurwerk geeft altijd gedonder. Lees ook samengesteld artikel in het herfstnummer 2017 vanaf de hartpagina.

Men zegt wel eens dat er niets nieuws onder de zon is. De discussie over een vuurwerkverbod met oud en nieuw is in volle gang met voor- en tegenstanders. Wie nu denkt dat dit alleen tegenwoordig speelt heeft het mis; ik kom dat al in een akte van het gemeentearchief tegen in 1773. Alleen was het toen eenander soort vuurwerk dan nu en was het verbod gemakkelijker te handhaven op een bevolking van nog geen 1000 inwoners. Een verordening voor oud en nieuw 1773/1774
Schout en Burgemeesteren van Lisse.

“Vernieuwende de voorgaande verbooden, interdeceeren ende verbieden, alsnog het schieten op heeden zijnde oude jaarsavond, ofte morgen zijnde nieuwe jaarsavond ofte nagt, nog met roerspistoolen, oft ander schietgeweer, onder aller misbruijk van Buskruijt hoe ook genaamt, insonderheijd ook aan de bruggen omtrent den huijse van Meerenburg, (dat was de hangplek voor jongeren, D. F.) op een boete van twee en  veertig stuijvers, ten behoeve van den schout van Lisse, daarvan den aanbrenger zal genieten een derde part, onvermindert het regt van den Hoog Ed.Heer Houtvester van Holland ende van den Heere Bailluw zullende de ouders voor haare kinderen, ende de voogden voor haare weesen moeten instaan ende betaalen. Aldus gedaan ende gearresteert int regthuijs van Lisse, bij de Heeren Willem Jacobus Sennepart schout, IJsbrand van Wateringen, Maarten van der Jagt ende Goverd van Parijs burgemeesteren van Lisse, op den 31e december 1773”.

De schout ontving 2/3 en de aangever 1/3 van de bekeuring.

Voetnoot
1 De Burgh wordt ridderhofstad genoemd. In 1500 is het in bezit van Jacob van Almonde en ligt in het verlengde van wat nu de Zwanendreef heet. De familie Vrancken woonde er. Een zoon was castelein op kasteel Dever. Castelein had toen een andere betekenis dan die we nu kennen, nl. rentmeester of plaatsvervanger van de kasteelheer. Later woonde de familie Corsteman er.

Bij de voorplaat: Willibrordusschoolreisje

De vierde klas van de r.k. St Willibrordschool gaat op 12 mei van het jaar 1960 op schoolreis naar Schiphol. De geijkte plek voor een groepsfoto is natuurlijk het vliegtuig met de legendarische naam “DE VLIEGENDE HOLLANDER”.

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De vierde klas van de r.k. St Willibrordschool gaat op 12 mei van het jaar 1960 op schoolreis naar Schiphol. De geijkte plek voor een groepsfoto is natuurlijk het vliegtuig met de legendarische naam “DE VLIEGENDE HOLLANDER”. Het type 2-motorig vliegtuig is een DC-3 van de Douglas Aircraft Company uit de VS. Er zijn er vanaf 1935 ruim 10.500 van gebouwd. De RAF noemde het toestel Dakota; de Amerikanen spraken van Gooney Bird. Heel veel verenigingen en scholen gebruikten vliegtuigen als groepsfoto. Deze is al van 65 jaar geleden. De kinderen op de foto waren toen rond de tien jaar jong en nu allemaal om en nabij de 75 jaar oud. Misschien herkent u zichzelf en uw vriendje of vriendinnetje van toen. Laat het ons weten! Misschien kunnen we in de toekomst er bij Vereniging Oud Lisse eens wat mee gaan doen. Groepsfoto’s daar raak je immers nooit over uitgepraat.

Nostalgie

Nieuwsflits

19 juni 2026

Nieuwsblad 25 nummer 2 2026

In 1991 is de VOL opgericht als reactie op het slopen van villa’s in het dorp. Eerste doel was om waardevolle panden, die bedreigd werden met sloop, te redden. In die eerste jaren werden activiteiten ontplooid vanuit de huiskamer van leden. De VOL groeide langzamerhand van een actiepartij tot een vereniging die zich breed inzet voor het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed in Lisse. Hierbij hielp natuurlijk dat we konden intrekken bij het op 10 maart 2007 opgerichte ‘Centrum voor Cultuurhistorie Duin- en Bollenstreek’ in de Havendwarsstraat. Dit voormalige Hobaho-kantoorgebouw wordt vanaf dat moment De Vergulde Zwaan, waar op de dinsdagochtenden de vrijwilligers werken en samenkomen en belangstellenden kunnen binnenlopen.

Voorzitter Wim Bosch kan op 10 juni 2007 de eerste inloopavond openen en er zullen nog vele lezingenavonden volgen. Op 19 mei jl. had Paul Stelder de eer om met zijn verhaal over de Achterweg de reeks lezingenavonden in De Vergulde Zwaan af te sluiten. In de achter ons liggende jaren heeft Oud Lisse vanuit De Vergulde Zwaan veel mooie projecten kunnen realiseren. Er breekt voor de VOL een nieuw tijdperk aan. Ons honk is straks in de bibliotheek, waar we ons als vanouds zullen inspannen voor ons erfgoed. Waar de inloop straks op donderdagavond zal zijn en de lezingen als gebruikelijk op dinsdagavond. Andere omgeving, nieuwe inspiratie, nieuwe kansen! We rekenen op uw komst naar onze nieuwe plek. Onze tijd in De Vergulde Zwaan is vanaf
nu een deel van onze geschiedenis.

Sommige vrijwilligers waren van alle markten thuis: Gert, Huub en Hans, lekker bezig hier.

 

Verhuizing van VOL is een uitdagende klus

Nieuwsflits

19 juni 2026

Nieuwsblad 25 nummer 2 2026

Zoals iedereen intussen wel zal weten heeft VOL het gebouw van de Vergulde Zwaan aan de 1e Havendwarsstraat verlaten. Wij zijn per 3 juni 2026 ingetrokken bij de bibliotheek van Lisse. Helaas kunnen we slechts een beperkt aantal zaken meenemen naar de nieuwe locatie. De rest van alle objecten, documenten, foto’s en verdere inventaris moet worden opgeslagen in een andere opslagruimte. Met een aantal mensen zijn wij al geruime tijd bezig geweest om de inventaris qua ruimtebeslag in kaart te brengen. Er wordt nu gezocht naar een goede opslagruimte. Als dat is gelukt wordt alles zorgvuldig uitgezocht, ingepakt, gedocumenteerd en overgebracht. Een aantal overbodige objecten en spullen zullen apart worden gezet en een andere bestemming krijgen. Dit alles zal de komende maanden het nodige werk en aandacht vragen.

Wat zou het mooi zijn als al het moois wat er is binnengebracht in de loop der tijd nu ergens een plek kan krijgen. Bijvoorbeeld die prachtige maquette van de ophaalbrug over de gracht die Chris Balkenende zo precies heeft nagemaakt. Het zou toch fantastisch zijn als dit in de entree zou staan van het nieuw te bouwen complex bij supermarkt Hoogvliet. Deze dingen moeten gezien worden. De wanden van de Vergulde Zwaan hangen vol met herinneringen.

Op een mooie Pinksterdag bij Dever in de zon

Nieuwsflits

19 juni 2026

Nieuwsblad 25 nummer 2 2026

Alsof de warmte van de zon nog niet genoeg was deden ze er bij Dever nog even een paar schepjes bovenop. Beneden in de kelder ging de fik erin om de middeleeuwse takkenbossenoven op broodbak-temperatuur te krijgen. De smid stond buiten zijn vuur te stoken om het metaal te bewerken en zijn vrouw bakte ook nog eens tegels met het wapen van Dever erop. Het lekkers van cateraar Van der Lanswerd werd ook warm aanbevolen. De soep werd ook heet opgediend. Ja, het was me het dagje wel en er was genoeg publiek om het gezellig druk te maken. Een leuke gelegenheid om je even in  de middeleeuwen te wanen in ons Lissese 650 jaar oude slot. De versgebakken broodjes en al het andere lekkers gingen goed over de toonbank. De mooie verhalen van de minstreel werden geslikt als zoete koek. Er werd met scherp geschoten want menig pijl schoot op het achterveld in de roos.

 

Ook dit jaar wordt alweer volop gewerkt aan een boeiend programma voor de komende Open Monumentendag op 12 september. In een volgend nummer van het Nieuwsblad zal daarover meer informatie te vinden zijn. Vanuit hier werd ons Lisse in het verleden plichtsgetrouw en goed bestuurd. Nu is het bestuur van Lisse aan de beurt haar plicht te vervullen om dit unieke slot te behouden voor de toekomst. Wie haar geschiedenis niet eert…………………ach, vul het zelf maar in!

Comité OMD ontvangt Vrijwilligers Groepsprijs

Nieuwsflits

19 juni 2026

Nieuwsblad 25 nummer 2 2026

Op woensdag 1 april jl. ontving het comité Open Monumentendag Lisse uit handen van burgemeester Jasper Nieuwenhuizen de Vrijwilligers Groepsprijs van de gemeente Lisse. Jaarlijks wordt deze prijs, bestaande uit een oorkonde en een geldbedrag van € 500,=, uitgereikt aan een groep vrijwilligers die zich jarenlang belangeloos inzet voor de gemeenschap. Het landelijk Comité OMD bestaat dit jaar reeds 40 jaar en de plaatselijke organisatie van de gemeente Lisse heeft vanaf de oprichting steeds een Open Monumentendag georganiseerd. Voorwaar een reden om trots op te mogen zijn. Aanvankelijk lag het initiatief voor een Open Monumentendag voor een deel bij de gemeente en voor een deel bij vrijwilligers. Later is het geheel overgenomen door een groep vrijwilligers en de naam van Emma Schuuring-Schoonewelle mag daarbij zeker niet ontbreken. Zij was jarenlang de drijvende kracht achter de Open Monumentendag in Lisse en benaderde onvermoeibaar vele particulieren en organisaties om mee te doen. Inmiddels staat de organisatie als een huis: de samenstelling van het comité is stabiel, sommige leden zijn al meer dan tien jaar actief. In Lisse lukt het elk jaar om ongeveer twintig objecten mee te laten doen en daarbij wordt ook geprobeerd om in die panden iets extra’s te organiseren: muziek, tentoonstellingen, orgelconcerten etc. Er is dus vaak meer te bewonderen dan alleen het gebouw.

’t Quakelnest en de Flamingo

Nieuwsflits

19 juni 2026

Nieuwsblad 25 nummer 2 2026

In 1965 start de grootschalige woningbouw in de Poelpolder. Er zullen veelal jonge gezinnen komen waarvan de kinderen alleen in de oude dorpskern naar school kunnen. De verwachting is dat er een groeiende behoefte aan scholen in de Poelpolder ontstaat. In december 1966 richt het bestuur van de Katholieke Onderwijsstichting Lisse zich tot de gemeenteraad met het verzoek om een kleuterschool op te richten in de Poelpolder. Een maand later wordt positief beslist. De verwachting is dat de school in 1970 gereed kan zijn en dat er dan voldoende (minstens 30) kleuters zijn die de nieuwe school gaan bezoeken. Ondertussen starten vanaf 1967 de kleuters in een noodkleuterschool. Daarin zijn twee klassen voor de rk kinderen, ’t Quakelnest (genoemd naar een vroegere kwakelbrug in de Poelpolder), en een klas voor de Hervormde Schoolvereniging, ‘t Poeltje. Op 4 september 1969 kan de nieuwgebouwde kleuterschool ’t Quakelnest geopend worden door mevrouw Berends, de echtgenote van de burgemeester. Wanneer de kinderen oud genoeg zijn voor de basisschool gaan ze naar de lagere school, de Flamingo, die in september 1970 geopend wordt. De scholen zijn er al lang niet meer. De Flamingoschool sloot in 1992. Op de plaats van de scholen staan nu woningen. Rob Pex heeft op beide scholen gezeten. Rob, lid van onze redactiecommissie en schrijver van diverse artikelen in ons Nieuwsblad, doet onderzoek naar deze scholen. Het formele archief van de scholen is waarschijnlijk vernietigd. Hij wil nu zelf een archief gaan formeren vanuit hetgeen oud-leraren of oud-leerlingen nog in huis hebben. Dan moet gedacht worden aan rapporten van de jaarlijkse sportdag, maar ook de ‘gewone’ rapporten met leerresultaten, foto’s, plakboeken met krantenknipsels enz. enz. In de toekomst zal geprobeerd worden om dit archief, met een goede beschrijving, onder te brengen bij het Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO). Dan kan ‘het verhaal’ van beide scholen toch nog voor het nageslacht bewaard blijven. Zo is hij zeer benieuwd of de eerste steen voor het Quakelnest, die in april 1969 werd gelegd, nog ergens bewaard is gebleven. Weet u iets te melden, mail dan naar robpex@live.nl.

Laat van je horen als je hier ook naar school ging in ’t Quakelnest en/of de Flamingo