Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

OudNieuws: Roomse armen buitengesloten van opbrengst potas 1774

Na 1774 werd de potas door Lisse opgehaald. De potas werd verkocht. De opbrengst was bestemd voor de arme leden van de Gereformeerde Kerk, later de Hervormde Gemeente. De katholieke armen kregen niets. Daar waren de roomse kerkmeesters het niet mee eens.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Foto van rond 1900 langs de Gracht met rechts de asschuur

Wat as al niet teweeg kan brengen. De meeste mensen gebruikten als brandstof turf en hout, steenkool kwam pas later in beeld. Hout en turf geven veel as, als er een strenge winter was werd er veel gestookt en was er ook veel as, wat de prijs drukte, bij een zachte winter ging de prijs weer omhoog. De potas werd verkocht aan de zeepziederij in Leiden waar er zeep van gemaakt werd. De houtskool eruit werd gebruikt voor de smidsvuren. In Sassenheim werd de grove as gebruikt voor de rozenteelt.

Dominee
De as van Lisse werd tot 1774 opgehaald door Sassenheim. Dat verviel door wat voor reden ook en werd door de gemeente Lisse overgenomen. De gereformeerde kerk die dit hoorde belegde een kerkenraadsvergadering en was er als de kippen bij. In die tijd was de gereformeerde kerk, die later de naam Nederlands Hervormde Kerk kreeg, de bevoorrechte kerk.

een detail uit de kadasterkaart van 1888

Zij legde bij schout en burgemeesters vast dat de opbrengst alleen bestemd zal worden voor de armen van de gereformeerden, met uitsluiting van alle anderen. De predikant en kerkenraad waren niet voornemens de Roomse armmeesters deelgenoot te maken. Ds. Adam Bernard Smits Gordon was de grootste aanstichter hiervan en twee burgemeesters zaten ook in de kerkenraad. Erg tolerant ten opzichte van anderen was de dominee niet. Volgens het predikantenbord stond hij van 1764 tot zijn emeritaat in 1803 in Lisse. Hij werd begraven in de kerk op 21 november 1811. Dat hij zo vasthoudend was zal wel met zijn opvoeding te maken hebben, zijn vader James Gordon was generaal-majoor. De asopbrengst was bedoeld voor de armen. Door de teloorgang van de vlasindustrie kwam men in geldnood voor de hulp aan armen. In een brief gericht aan de schout werd gevraagd om een collecte onder de buitenplaatsen en om de opbrengst van de as voor de gereformeerde armen te bestemmen. De schout stemde hiermee in.

Roomse armmeesters
Er ontstond een echte dorpsrel die het hele jaar duurde. Nu kwamen de armmeesters van de roomse gemeente in het geweer bij monde van Jan Kragt en Leendert Pieterse Kerkvliet. De dominee was hun voor geweest door vast te leggen bij schout Sennepart en burgemeesteren dat het voor de gereformeerde armen was met uitsluiting van alle anderen. Kragt en Kerkvliet schreven een verzoek om de opbrengst van de as te verdelen onder al de armen. Als dat gezamenlijk werd gedaan zou de opbrengst groter zijn. Dit request werd ter hand gesteld aan Jacob Schelling wonende te Amsterdam als gevolmachtigde van de heer van Lisse.

De Sassemse asman

Die wilde zijn handen er niet aan branden. De heer Schelling stuurde een brief aan de schout en burgemeesteren van Lisse die werd voorgelezen aan dominee Smits Gordon met het verzoek om de zaak in het vriendelijke te schikken. Er werd echter niet afgeweken van wat Smits Gordon had laten vastleggen. Verwijten gaan over en weer, de dominee verwijt de schout al te grote ijver voor de roomsgezinden en de schout zegt dat de predikant liefdeloos handelt, dat hij zich door zijn driften menigmaal laat meevoeren. Het roomse armbestuur vraagt in 1773 de gemeente om jaarlijks 200 gulden te schenken in plaats van subsidie, vanwege gemiste inkomsten uit de as die nu door de gemeente wordt opgehaald. “Die van Lisse halen alleen de assche te Lisse op uit hoofde van het privilege hun door het geregt van Lisse verleend. De assche word opgehaald door een kar en paard welke bij de gemeente is”. De koster en schoolmeester van Lisse moest uit naam van de kerkenraad naar de asman in Sassenheim toe om te melden dat hij niet meer mocht rijden, deed hij dat toch dan zal de kerkenraad overgaan naar het Hof van Holland om over hem te klagen en draagt hij tevens de kosten. Er staat onder: de schoolmeester als bode van de kerkenraad doet deze aanzegging naar behoren. Er is een reeks van verzoekschriften van wel 40 bladzijden die echter niets opleverde. In het boek De Aagtenkerk van Lisse uit 1960 schrijft Hulkenberg erover.

Locatie leerlooierijen herleid
In 1775 werd er een stenen asschuur aan de Grachtweg gebouwd ‘naast de loijerijen’. De locatie ervan was niet duidelijk. Deze schuur staat op een foto met Adriaan Stoop (1894-1911), de asophaler van Lisse (zie foto). Die ging met de askar en een ratel langs de deuren. De asschuur is in 1927 gesloopt. Ik wist dat er op de Grachtweg twee leerlooierijen waren, maar waar? Dankzij het onderzoek naar de perikelen rond de opbrengst van de as weten we nu de locatie ervan.

 

Frits Treffers Penning 2024: Voormalig Gemaal Rooversbroek”

Op 17 september heeft de Cultuur Historische-Vereniging Oud Lisse de jaarlijkse Frits Treffers-penning uitgereikt. De keuze is gevallen op het markante voormalige pompgebouw aan de Ringdijk 8 te Lisse.

Door Jos van Bourgondiën

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Op 17 september heeft de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse de jaarlijkse Frits Treffers-penning uitgereikt. De keuze is gevallen op het markante voormalige
pompgebouw aan de Ringdijk 8 te Lisse.

Een korte historie:
Het is zo bijzonder, dat de keuze voor deze penning is gevallen op dit markante gebouw aan de Ringvaart. Bij een eerdere inventarisatie van monumentale panden was het stoomgemaal over het hoofd gezien. Het Hoogheemraadschap van Rijnland bouwde het een dikke eeuw (1898) geleden om de Rooversbroekpolder droog te houden. Het gemaal was een relatief groot gebouw, omdat het een stoommachine moest herbergen. Het werd gefundeerd op houten palen. De stoommachine was zo bewerkelijk dat de machinisten, eerst Lissenaar Cozijn en daarna vader en zoon Koelewijn, het warme eten vaak naast de machine opaten. De vervanging door een dieselmotor van Crossley Bros Manchester in 1924 was een hele verbetering, ook al moest de motor om het uur worden gesmeerd. Voor de familie Koelewijn was het bedienen van het gemaal overigens een bijverdienste, want vader en zoon waren in eerste instantie bollenkwekers. In 1974 nam de Lisserpoelpolder de bemaling van de Rooversbroekpolder over. De bemaling van zowel de Rooversbroekpolder als de Poelpolder geschiedt nu door een elektrisch gemaal. Het gemaalgebouw aan de Ringvaart werd verkocht aan de familie Roozen en door de inzet van Mary Roozen en haar zoon Ruud is dit bijzondere pompgebouw gerenoveerd en verbouwd tot een woning, Mary Roozen woonde er vanaf 30-06-2007. Het oude houten woonhuis ernaast werd afgebroken. Daarbij werd Frits Treffers van de Vereniging Oud Lisse benaderd om hen daarbij te helpen. In 2021 is het voormalig pompgebouw verkocht aan Guido op ’t Hof en Pim van Deun. Zij hebben er op hun beurt alweer vele uren werk en zorg aan besteed om dit pand te behouden voor de toekomst. De Vereniging Oud Lisse wil hun inzet belonen met een waarderingspenning “de Frits Treffers-Penning” met de bijbehorende oorkonde. De penning – een ontwerp van Frans en Truus van der Veld – hoort bij het huis. De kenmerken van het gebouw zijn met name het metselwerk dat toch wel opvalt voor zo’n eenvoudig pompgebouw. Het metselwerk om het roosvensters, het overstek van de dakranden en de horizontale lagen zijn uitgevoerd in donkere en lichte stenen.

Bronnen:

“Van bouwval tot woning”, Patrick Roozen
Tips om te lezen: Op de website van de Vereniging Oud Lisse.
Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007 Sjaak Smakman
Nieuwsblad Jaargang 12 nummer 3, juli 2013 Liesbeth Brouwer

 

LAATSTE HBS KLAS VAN FIORETTI

Gerard van der Zwan zat in die laatste klas en denkt nog graag terug aan die tijd. De tijd van jongens met lang haar en rokende leerkrachten. Op tv keken we naar een serie met de titel ‘Please Sir’, een weerspiegeling van die tijd.

Door Gerard van der Zwan

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Reünie
Op maandag 30 september werd in hotel ‘Villa Flora’ in Hillegom een reünie van het Fioretti College gehouden. Nu zal de lezer denken wat is daar nu zo bijzonder aan, er worden wel vaker reünies gehouden. Maar in dit geval was het wel zeker een bijzondere samenkomst van oud-leerlingen. Normaal gesproken vindt een reünie plaats waarbij de oud-leerlingen uit verschillende schooljaren worden uitgenodigd. Je komt dan mensen tegen die bij wijze van spreken dertig jaar geleden de betreffende school verlieten en leerlingen die een jaar daarvoor pas ex-leerling werden. Een gemêleerd gezelschap dus, bestaande uit meerdere generaties, die op zich niet meer met elkaar gemeen hebben dan dat ze in verschillende periodes op een bepaalde school hebben gezeten. Zo niet op de reünie in ‘Villa Flora’, die plaatsvond onder de noemer: De Allerlaatste HBS’ers. Hier kwam je uitsluitend personen tegen die allen  zo rond de zeventig jaar oud waren. Immers de reünie was niet bestemd voor alle oud-leerlingen die ooit het Fioretti hadden bezocht, nee het ging uitsluitend om leerlingen die in 1971 en 1972 in de examenklas van de Hogere Burgerschool (hbs) zaten. In totaal ging het om 230 leerlingen van destijds, die in die twee jaren eindexamen deden. Van dit aantal heeft meer dan de helft deelgenomen aan de reünie.

Einde hbs als schooltype

Naambord wordt geplaatst met doorkijk naar de boerderij

Het laatste jaar van de hbswas 1972. In dat jaar werd onder andere dit schooltype opgeheven in het kader van de Mammoetwet, die nieuwe schooltypen als mavo, havo en atheneum voortbracht. Een belangrijk verschil tussen de ‘oude’ hbs en de opvolgers is het aantal vakken dat wordt onderwezen. Op de huidige havo zijn dat circa zes vakken, terwijl op de oude hbs het aantal vakken dat werd onderwezen, boven de tien lag. Natuurlijk bood het oude hbs-diploma meer mogelijkheden, daar staat tegenover dat de vele vakken vaak een handicap waren voor leerlingen, die bijvoorbeeld wel goed waren in talen maar niet in handelswetenschappen en economie. De huidige opzet van de middelbare school sluit in die zin veel beter aan bij de mogelijkheden van de individuele leerling.

Noodlokalen aan de 1e Poellaan
Een gemeenschappelijke noemer van de deelnemers aan de reünie was niet alleen de leeftijd, maar ook het gegeven dat alle deelnemers hun hbs-tijd op het Fioretti hebben doorlopen in de noodlokalen van het Fioretti aan de 1e Poellaancop nummer 7 in Lisse. Het Fioretti College wordt opgerichtvop 1 september 1956. Eén van de redenen voor de stichting van het Fioretti is dat in die jaren de Bollenstreek vergelekenvmet andere regio’s in economisch opzicht blijkt achter te blijven. De teelt van bloembollen is de basis van de economie, die in de ogen van de autoriteiten een verbreding behoeft. Een hoger opleidingsniveau zou in dat opzicht daar aan kunnen bijdragen.

houten barakken met 4 rijen klaslokalen

In het jaar van de oprichting heeft de school nog niet de naam Fioretti, maar eenvoudig R.K. H.B.S. en zit op het moment van aanvang ook nog niet in de noodbouw aan de Poellaan. De startdatum van de school is donderdag 6 september in het schoolgebouw van de St. Agathaschool voor meisjes aan de Heereweg. Bij de aanvang van de school ontbreekt het aan van alles, zo is er geen passend meubilair en moeten de leerlingen op krukjes zitten. Ook is er geen lesmateriaal. De directeur W. A. Terwijn heeft de dag voordat de school van start gaat, zo gaat het verhaal, zelf een doosje krijtjes en een borstel aan moeten schaffen. In de eerste maanden bedraagt het leerlingenaantal niet meer dan 29. Pas in het volgende voorjaar is het eerste deel van de noodbouw aan de Poellaan beschikbaar en verhuist de school naar deze locatie. In het beginjaar van de school is de locatie waar deze – nadat de opvang in de Agatha-meisjesschool is beëindigd – moet komen nog niet definitief vastgelegd. Aanvankelijk is er het plan om de school te vestigen langs een nog aan te leggen weg in het verlengde van de Spekkelaan richting Noordwijkerhout.

School met groeispurt

Ook een perceel naast de Vuursteeglaan komt in aanmerking, maar wordt gezien de beperkte ruimte van het beschikbare grondoppervlak verworpen. Uiteindelijk wordt gekozen voor noodbouw aan de 1e Poellaan 7. In 1956 wordt het eerste deel van het noodgebouw gebouwd. In de loop van de jaren groeit de school. In 1958 wordt de tweede rij klaslokalen en de gymzaal gebouwd. Weliswaar groeit het leerlingenaantal gestadig, echter in 1958 bedraagt het aantal niet meer dan 163. Ondanks het feit dat de school op dat moment uit niet meer dan 8 lokalen bestaat, weerhoudt dit de rector en de conciërge er niet van om een groot bord met daarop Fioretti-College boven de ingang van de school te bevestigen. Maar wellicht was het een vooruitziende blik, immers de jaren daarna groeit de school in ras tempo, zodat de naam College al snel gerechtvaardigd blijkt te zijn. In 1960 wordt de 3e en 4e rij klaslokalen neergezet. houten barakken met 4 rijen klaslokalen  Naambord wordt geplaatst met doorkijk naar de boerderij

Nog meer groei

De naam Fioretti is overigens afkomstig van een Italiaans woord dat ‘bloemetjes’ betekent. Uiteraard verwijst de keuze van de naam naar de situering in de Bollenstreek, maar toch evenzeer naar het doel om leerlingen op te leiden, die hun bijdrage aan een welvarender ‘bloemrijke’ samenleving kunnen geven.

Lang haar en rokende leerkrachten in de tv-serie ‘Please Sir’.

De groei van het Fioretti komt in de loop van de tijd in een stroomversnelling. Dit wordt mede veroorzaakt door de omstandigheid dat in 1965, vooruitlopend op de volledige invoering van de Mammoetwet, reeds een havo-afdeling op de school wordt gestart. In 1967 is het Fioretti uit zijn jasje gegroeid. Nieuwbouw zit er op dat moment niet in. Wel komen er 10 nieuwe klaslokalen  bij. Uiteindelijk bestaat de noodbouw in 1970 uit 20 noodgebouwen met in totaal 1100 leerlingen. Wat maakt de noodbouw van het Fioretti aan de 1e Poellaan bijzonder? Terugkijkend naar de jaren ‘60 en ‘70 vallen uiteraard verschillen op tussen toen en nu. Om er enkele te noemen. De schoolweek bestond voor de leerlingen uit 6 lesuren per dag (van maandag tot en met vrijdag) en op zaterdagmorgen nog eens 4 lesuren. De leerlingen aan de 1e Poellaan  hadden hun eigen klaslokaal. Het zijn de leerkrachten die van lokaal naar lokaal verhuizen. Dat was ook mogelijk omdat het lespakket van de leerlingen van de hbs, wanneer eenmaal is gekozen voor de richting A of B, hetzelfde was. Het hebben van een eigen lokaal gaf ook een grotere saamhorigheid en bood ook de mogelijkheid buiten de lesuren in het ‘eigen’ lokaal te verblijven. Dit veranderde met de invoering van de Mammoetwet. Leerlingen kunnen in het nieuwe schooltype tot op zekere hoogte hun vakkenpakket zelf samenstellen. Hierdoor wordt het noodzakelijk dat het de leerlingen zijn die steeds in wisselende lokalen zitten, terwijl de leerkrachten min of meer de beschikking hebben over een eigen klaslokaal.

Lang haar taboe voor jongens
Wat in de jaren dat het Fioretti is ondergebracht in de noodbouw een volstrekt taboe is, is het hebben van lang haar. Voor de mannelijke leerlingen dan wel te verstaan. Op andere scholen zal het in die tijd al wat meer gemeengoed zijn geweest, zo niet op het Fioretti. De directie in de persoon van rector Terwijn en met name conrector Frijters waken erover dat de mannelijke leerlingen het haar niet over de oren groeit. Het is een verloren strijd, maar dat  beseft de directie op dat moment nog niet. Zelf ervaar ik het wanneer, op één van de eerste dagen in mijn klas op het Fioretti, conrector Frijters binnenkomt en zegt, terwijl hij mij bestraffend aankijkt: “Je zorgt er voor dat morgen je toilet in orde is”. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik de goede man aanvankelijk niet direct begreep. Het woord toilet gebruikten we thuis voor iets anders dan mijn haarlengte. Enige tijd later is het aantal leerlingen dat lang haar heeft zo groot dat de regel: “niet over het oor” niet langer is te handhaven. Een – misschien nog meer in het oog springend – verschil met de huidige tijd is dat het in die jaren volstrekt normaal is dat leerkrachten voor de klas roken, zelfs in de noodbouw aan de Poellaan, die uit houten barakken bestond, waardoor brandgevaar niet uitgesloten was. Een andere bron van brandgevaar was de verwarming. In de houten barakken was er geen centrale verwarming. De klaslokalen werden verwarmd door grote oliekachels. Lang haar en rokende leerkrachten in de tv-serie ‘Please Sir’. In die oliekachels achter in de leslokalen zaten deurtjes, die open konden. Voor leerlingen die in de buurt van de kachels zaten was het uiteraard verleidelijk soms gummetjes of elastiekjes in de kachel te gooien waardoor een enorme stank ontstond. In 1968 wordt aangevangen met het rijp
maken van het terrein aan de Sportlaan in Lisse voor de bouw van een nieuwe vestiging van het Fioretti. Scholieren sjouwen op 9 oktober heipalen naar de locatie waar hun school zal worden gebouwd. In 1971 start het Fioretti College op de nieuwe locatie aan de Sportlaan. Twee jaar later zal de noodschool aan de 1e Poellaan definitief worden gesloten.

Thorbecke

Johan Rudolf Thorbecke (1798 – 1872), als minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het onderwijs, brengt in 1863 de Wet op het Middelbaar Onderwijs tot stand. Deze wet legt de basis voor de hogere burgerschool (hbs). Tot die tijd was er na de lagere school – waarvoor toen nog geen leerplicht gold – uitsluitend de Latijnse school (het latere gymnasium). Thorbecke – de architect van de grondwetsherziening in 1848 – is ervan overtuigd dat Nederland moet hervormen en moderniseren wil het blijven bestaan als zelfstandig land. Nederland dient zich in de ogen van de staatsman van een agrarisch exportland te ontwikkelen tot een moderne veelzijdige economie. Daartoe is er grote behoefte aan goed geschoold kader in de handel, nijverheid en staatsdienst. De hbs is de school die dit praktisch geschoold kader dient voort te brengen.

Bronnen:
Lustrumuitgave 1966. Fioretti-College – Eerste Poellaan 7 – Lisse –

Extra uitgave Fioriteiten. Fioretticollege Lisse 1956-1981. Een kwart eeuw Fioretti in woord en beeld.

Roelof Bouwman en Henk Steenhuis. Wij van de HBS, Terug naar de beste school van Nederland. 2017.

 

 

Oud Nieuws: Onbetrouwbaar personeel

Dit keer gaat het over onbetrouwbaar personeel. En daar moest wat aan gebeuren. Het speelt zich af in het oude buiten met de naam “Meer en Duin”. De naam die op die plek nog steeds gebruikt wordt.

Door Dirk Floorijp

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Onbetrouwbaar personeel

Voorbeeld van een signet om een brief te signeren met eenafdruk van een graveerde zegelring in was of lak.

Willem Adriaan van der Stel, begraven in de kerk waar zijn marmeren graftombe ligt, had niet altijd te maken met betrouwbaar personeel, zo blijkt uit een akte onder ede opgemaakt op zijn buitenplaats Meer en Duin.

Op 1 oktober 1727 verscheen oude Jansz. Johanna van Hellingdoorn voor de schout Jacob van Dorp en de schepenen Cornelis Gijsbertse Cleijnenbreugel en Jan Vlaanderen. Oude Jansz. Johanna van Hellingdoorn, in dienst zijnde van de weled. heer Willem Adriaan van der Stel, heer in Oud en Nieuw Vosmeer, dat zij tegenwoordig ziekelijk op bed liggende op de hofstede Meer en Duin, haar verstand en redenen wel te hebben, verklaarde onder ede voor Schout en schepenen, dat Catarina Kervel geboortig van Lingen in dienst bij de heer van der Stel verscheidene malen ontrouw bemerkt heeft, dat zij de laatst voorgaande winter gehoort hadde dat Catarina in de morgenstond een lade in een tafeltje in het voorhuis openstond waar geld in leijd, of zij ook geld heeft uitgenomen,

Detail uit een kaart waarop de uitgebreide tuinen en behuizingen zijn te zien van de grote buitenplaats “Meer en Duin”. Het industrieterrein tussen de Lisserbeek en het Veenenburg- Elsbroekkanaal wordt nog steeds zo genoemd. De dikke lijn rechts met cijfers is de grens met Hillegom.

verders dat zij kort daarna zittende in de kookkeuken een tas met een zilveren beugel daar geld in was van de huishoudster Lidia Jans op haar schoot had, en seijde, sie wat een geld heeft Lijs in haar tas, welke tas gemeenlijk gesloten leijd in een kasje in de kookkeuken. Dat ik Johanna heb gezien dat Catarina een stuk rauw spek van de heer uit de provisie kelder genomen heeft en in haar zak gestoken. Verder verklaar ik dat in de heer zijn huis is vermist een silveren segnet 1) van juffr. Maria van Ree en ik het vermiste segnet heb gevonden. Het lag boven op de kleerzolder agter een lat, dog hetzelfe niet alleen daar vandaan te halen en met anderen mee naar boven gegaan om het segnet te halen. Catarina Kervel van Lisse naar Amsterdam vertrokken was.

“Meer en Duin” de naam is niet weg te denken uit Lisse: op de woning hieronder staat de naam geschreven en op het bordje naast de deur staat Istec BV Lisse. De oude schuur is gebouwd in 1901 op het landbvan Dirk Nieuwenhuis. De oude rode beuk uit de tijd van het grote landgoed moest er ook aan geloven toen het huis werd gesloopt.bOp deze plek is nu SERCOM gevestigd.

Soo waarlijk moest haar God almagtig helpen. Aldus gedaan op de hofstede Meer en Duin in de oostgeest 1 oktober 1727. 1) Het woord segnet staat waarschijnlijk fout in de akten en moet signet zijn, een sieraad in de vorm van een handstempel.

 

ISTEC is de naam op de gevel trouw gebleven. Het bedrijf is gevestigd op Meer en Duin 8. Vanaf de start in 1974 op Heereweg 9 bestaat het nu een halve eeuw. Beukennootjes vallen ook niet ver van de boom zullen we maar zeggen, kijk maar in de voortuin. Die rode beuk mag nog wel een stuk of wat generaties door groeien net als ISTEC zelf.>

 

De huisartsen van Lisse. De jassen gaan uit

De artikelenreeks van Paul Stelder over de huisartsen, die op zeer veel belangstelling kon rekenen, eindigt in dit nummer. Het hoofdstuk waar hijzelf een rol in speelt moet dan maar over een poosje door iemand anders geschreven worden.

door Paul Stelder

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Het beroep van huisarts en het functioneren van die huisarts is in de loop van de jaren zestig behoorlijk veranderd. In de praktijkvoering nemen de mogelijkheden sterk toe.

Dit geldt voor bijvoorbeeld de diagnostiek: het wordt mogelijk om uitgebreider bloedonderzoek te laten verrichten in een laboratorium en er kunnen door huisartsen in het ziekenhuis röntgenfoto’s en echo-onderzoeken worden aangevraagd. Het geldt ook voor de behandelmogelijkheden: er komen nieuwe medicijnen tegen maagzweren en hoge bloeddruk op de markt. Ook in relatie tot de patiënt verandert er veel. Symbolisch en letterlijk trekken de huisartsen steeds vaker hun witte jas uit: ze willen daarmee de afstand tussen de huisarts en de patiënt verkleinen. Huisartsen zijn zich ook steeds meer bewust geworden van het feit dat zij een heel andere groep patiënten te zien krijgen dan die waar de specialisten in de ziekenhuizen mee te maken hebben. Bepaalde klachten komen bij de huisarts heel veel voor en dit type patiënt belandt nooit in het ziekenhuis. De Nederlandse huisartsen richten in 1956 het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) op. Het NHG beijvert zich om de huisarts een eigen vakgroep binnen de universiteit te laten krijgen en daarmee een eigen specialistische opleiding in de huisartsgeneeskunde. In 1966 wordt aan de Universiteit van Utrecht de huisarts Jan van Es de eerste hoogleraar Huisartsgeneeskunde. Hij gaat de opleiding vorm geven. In de loop van enkele jaren volgen dergelijke leerstoelen aan alle Nederlandse universiteiten. In eerste instantie is de gespecialiseerde opleiding tot huisarts vrijwillig. Vanaf 1971 wordt de opleiding geleidelijk aan verplicht voor artsen die zich in Nederland als huisarts willen vestigen. Tot die tijd mochten artsen die de opleiding geneeskunde hadden afgerond, zich overal vrijelijk als huisarts vestigen.

Deze foto is gemaakt bij de overdracht van de praktijk van Lex Duymaer van Twist aan Hans van Weel. Van links naar rechts staand: Gert van Dijk, Vincent de Vroomen Frans Haase sr, John Sedelaar, Klaas Bet, Margreet van Weel- Sipman, Hans van Weel, Frans Haase jr. Zittend: Lex Duymaer van Twist met zijn echtgenote Mien Duymaer
van Twist-Weggemans

 

 

 

 

Drie van de vier huisartsen die zich reeds voor de oorlog in Lisse hebben gevestigd, worden in de loop van de jaren zeventig opgevolgd door drie jonge mannen ‘van buiten’ en de vierde arts op leeftijd krijgt hulp van zijn oudste zoon. Alle vier deze nieuwe huisartsen vallen nog onder de oude regeling en hebben dus nog geen gespecialiseerde opleiding gevolgd. De Lisser huisartsen lopen meestal niet vooraan bij nieuwe ontwikkelingen in de huisartsgeneeskunde… Binnen het NHG is er ook een groep huisartsen die zich bezighoudt met de praktijkvoering. Een heel belangrijke aanpassing daarin, is de invoering van de zogenaamde Groene Kaart geweest. In de jaren zestig wordt een patiëntenkaart ontwikkeld waarop de huisartsen, naast persoonlijke gegevens van patiënten, ook de medische voorgeschiedenis en de reden van hun komst kunnen schrijven. Bij verhuizing of verandering van praktijk wordt zo’n kaart met de eventuele brieven uit het ziekenhuis, aan de patiënt meegegeven of naar de nieuwe huisarts opgestuurd. De vier nieuwe huisartsen hebben allen direct bij het begin van hun praktijk, het gebruik van deze kaart ingevoerd. De zittende huisartsen Bet en Van Dijk hebben nooit met een kaartsysteem gewerkt. Kennelijk beschikten zij over een enorm goed geheugen en zijn zij hun hele carrière in staat geweest daarop te vertrouwen. Door maatschappelijke veranderingen in die periode is het ook niet meer vanzelfsprekend dat de echtgenote de enige hulpkracht is van de huisarts. Tot die tijd deed de huisarts de praktijkvoering vrijwel alleen, met zijn echtgenote als hulp op de achtergrond. Er komt nu ruimte voor ondersteunend personeel. Dat kan een administratieve kracht zijn of een gediplomeerd doktersassistente. Zo worden geleidelijk aan steeds vaker personen van buiten aangetrokken om de huisarts te ondersteunen bij zijn werk. Een andere grote verandering die zich in die jaren voltrekt, is de onderlinge waarneming en daarmee de intensivering van de samenwerking. Tot die tijd bestaat er alleen een weekend- en vakantiewaarneming. Bij de komst van de nieuwe generatie huisartsen wordt er ook voor de avonduren van doordeweekse dagen onderlinge waarneming ingevoerd en krijgt iedere huisarts – naast weekenddiensten – ook avonddiensten.

De opvolger van Marius van Dijk: Vincent de Vroomen
De eerste huisarts die in de jaren ‘70 zijn praktijk overdraagt, is Marius van Dijk. Zijn grote praktijk heeft hij vanaf oktober 1963 gedeeld met zijn neef Gert van Dijk, maar hij besluit in 1971 voor zichzelf een opvolger te zoeken. In een gesprek met één van zijn patiënten komt hij erachter, dat haar zoon in Nijmegen geneeskunde studeert en wellicht huisarts wil worden. Hij vraagt haar of deze zoon contact met hem wil opnemen. Na een kennismakingsgesprek met deze zoon, Vincent de Vroomen (V.M.P. de Vroomen,geboren 7 augustus 1944 te Voorhout – overleden 6 mei 2010 te Silvolde), krijgt Vincent het voorstel om eind 1971 een coschap huisartsgeneeskunde bij Marius van Dijk in de praktijk mee te lopen. In het evaluatiegesprek na afloop van dat coschap biedt Marius van Dijk aan De Vroomen de mogelijkheid om de praktijk en het woonhuis over te nemen. Aldus geschiedt. Vincent de Vroomen is geboren aan de Loosterweg te Voorhout, zijn moeder is onderwijzeres. Hij gaat in de Engel in Lisse naar de lagere school en na de mulo in Sassenheim en de hbs in Lisse, gaat hij in Nijmegen studeren. Op een bruiloft in Oegstgeest leert hij zijn latere vrouw Joke Liefferink kennen. Eind 1968 zijn zij getrouwd en gaan zij samen in Nijmegen wonen. Ze krijgen twee kinderen. Op 1 oktober 1972 start de nieuwe huisarts vanuit hetzelfde huis als zijn voorganger: aan de Achterweg 6. Het huis is in 1904 gebouwd voor huisarts Blok. Het oude doktershuis zal tot het einde van de carrière van De Vroomen in 2001, zijn praktijk huisvesten. Op een grondige manier verbouwt De Vroomen enkele keren de binnenkant van het huis. In de laatste jaren is vrijwel de gehele benedenverdieping ingericht als huisartsenpraktijk en vindt het wonen voornamelijk op de eerste verdieping plaats. De samenwerking die Gert van Dijk voorheen met zijn oom Marius had, wordt nu met De Vroomen, de opvolger van zijn oom, voortgezet. Na enkele jaren wordt deze samenwerking echter ontbonden: ieder gaat liever zijn eigen weg. Wel is er nog vele jaren een onderlinge waarneemregeling tussen beide huisartsen.

Werkt hij vanaf 1972 nog met een doktersassistente, vanaf 1981 neemt de echtgenote van De Vroomen de taken van de assistente fulltime over. Dit zal zij blijven doen tot aan het beëindigen van de praktijk. De Vroomen is jarenlang voorzitter van het plaatselijke Rode Kruis. Hij biedt een leerplek aan diverse coassistenten geneeskunde en is in zijn laatste jaren als huisarts, ook opleider aan de huisartsenopleiding. Naast zijn werk ligt zijn interesse vooral op het gebied van de techniek. In zijn vrije tijd is hij graag bezig met elektrische schakelingen en ook het klussen in huis is meer dan een hobby. Hij is een pionier op het gebied van informatietechnologie. Hij schrijft reeds in de jaren tachtig computerprogramma’s ben bij de invoering van de computer in de huisartsenpraktijk is hij voor menigeen een vraagbaak.

 

 

 

 

 

 

De opvolger van Henk Holl: John Sedelaar

Praktijkoverdracht van huisarts Holl naar Stella en John Sedelaar

Henk Holl start in 1937 met zijn huisartsenpraktijk, als opvolger van Martinus de Graaff. Wanneer hij zijn praktijk wil neerleggen, plaatst hij enkele keren een advertentie in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Verschillende artsen willen zijn praktijk wel waarnemen tijdens vakanties, maar lange tijd dient zich geen echte opvolger aan. John Sedelaar (J.P.M. Sedelaar, geboren 28 januari 1945 te Amsterdam) neemt op een bepaald moment ook contact met hem op. Er is direct een klik tussen beide mannen. Holl heeft een kleine praktijk en wil zijn huis graag mee verkopen, iets dat in die tijd heel gebruikelijk is. Sedelaar denkt de groeimogelijkheden van deze kleine praktijk alleen maar te kunnen realiseren in de Poelpolder en wil zich daarom nadrukkelijk alleen daar vestigen. Holl heeft er begrip voor en stemt toe. Daarop wordt het praktijkgedeelte zonder het woonhuis verkocht en kan Sedelaar zoeken naar een geschikt pand. Dat blijkt in die tijd geen enkel probleem, want er worden in de Poelpolder veel nieuwe huizen gebouwd en men wil graag een jonge huisarts in de nieuwe woonwijk.

Op 1 oktober 1973, precies een jaar na de komst van Vincent de Vroomen, vestigt Sedelaar zich in twee naast elkaar gelegen huizen aan de Händelstraat nummer 18 (woonhuis) en 20 (praktijk), nadat eerst een verbinding binnendoor is gerealiseerd. Zijn vrouw, Stella Sedelaar-Teunissen, heeft een baan in het onderwijs.

Zij wil fulltime assistente worden in de praktijk van haar man en volgt daartoe eerst een cursus tot het verkrijgen van het diploma doktersassistente. Zij zal hem zijn hele actieve carrière, die duurt tot 1 januari 2005, als assistente ondersteunen. In 1975 worden de eerste contouren zichtbaar van het door architect Aad Paardekooper ontworpen Burgemeester de Graafplein. Sedelaar mag binnen dat ontwerp zelf de plaats bepalen waar hij wil wonen en werken. Hij zoekt contact met fysiotherapeut Guus Kosters, die graag mee wil denken in dit project. Kosters en Sedelaar worden buren, ieder met een eigen moderne praktijkruimte. De praktijk van Sedelaar groeit snel en is uiteindelijk veel te groot voor één huisarts. Diverse arts-assistenten komen hem vanaf 2001 ondersteunen. In 2001 verhuist de praktijk van Sedelaar voor de laatste maal en wel naar het Vivaldiplein, waar nu nog steeds huisartsenpraktijk Poelpolder gevestigd is. Uiteindelijk neemt Wil Derks in 2005 de praktijk van Sedelaar over, op dat moment werken er al negen medewerkers in deze praktijk! Naast het werk in de huisartsenpraktijk geeft Sedelaar jarenlang EHBO-les en is hij actief in het organiseren van nascholing voor huisartsen.

Jarenlang ontvangt hij ook coassistenten om hen de kans te geven te zien hoe leuk en soms moeilijk, het werk als huisarts is. Hij is ook geruime tijd medisch adviseur van de Indicatiecommissie Opname Verpleeghuis. Verpleeghuiszorg is in die tijd plaatselijk en niet regionaal georganiseerd. Als hobby is hij tot op de dag van vandaag in diverse combo’s, vooral op trompet en klarinet, actief in de jazzmuziek. Ook fotografie en genealogie zijn nog steeds zijn hobby.

 

 

 

 

De opvolger van Lex Duymaer van Twist: Hans van Weel
Lex Duymaer van Twist is in die periode de langst zittende huisarts. Hij heeft zich reeds in 1932 op 29-jarige leeftijd gevestigd op de Heereweg 295. Hij heeft altijd veel tijd aan zijn patiënten willen besteden en om dat mogelijk te maken heeft hij bewust een kleine praktijk gehouden. Op 15 maart  1975 draagt hij na 43 jaar(!) zijn praktijk over aan Hans van Weel. (H. van Weel, geboren 11 juli 1937 te Utrecht – overleden 13 november 2016 te Voorhout). Hans is geboren in een artsengezin. Zijn vader is een vooraanstaand chirurg en hoogleraar chirurgie. Hans is de tweede zoon in een gezin van drie jongens. Al op jonge leeftijd blijkt hij veel talent voor muziek te hebben. Hij bespeelt verschillende instrumenten en heeft een absoluut muzikaal gehoor: hij kan een melodie, zonder notenschrift te kennen, direct foutloos en zuiver naspelen. De vibrafoon is zijn meest geliefde instrument en hij heeft in verschillende vooraanstaande jazzcombo’s gespeeld. Hij gaat aanvankelijk in Utrecht geneeskunde studeren, maar hij maakt zijn studie af in Leiden. Daar leert hij zijn latere echtgenote Margreet Sipman kennen. Zij studeert ook geneeskunde en heeft altijd haar eigen carrièrepad gevolgd. Zij wordt kinderarts in het LUMC en bouwt in dat vakgebied een zeer goede naam op. Helaas is zij in 2002 erg jong overleden. Van Weel zet aanvankelijk de praktijk van Duymaer van Twist voort met een doktersassistente (want zijn vrouw heeft een eigen carrière!) aan de Heereweg 295, in het huis van zijn voorganger. Ook hij introduceert direct de Groene Kaart om patiëntgegevens te noteren. Vrij snel verhuist het gezin naar villa ‘de Venne’ aan de Heereweg 341, mede omdat daar een schuur staat die de mogelijkheid biedt om te verbouwen tot een vrijstaande praktijk. Immers, in de praktijk op het adres Heereweg 295 moet nog steeds iedere patiënt de trap op! Helaas voor Van Weel zakt de woningmarkt in. Dit maakt, in combinatie met de hoge rente in die tijd, het financiële risico te groot om een verbouwing te realiseren. Een terugkerende alcoholverslaving maakt het werken uiteindelijk niet meer mogelijk. In de zomer van 1982 wordt besloten om de praktijk over te dragen en op 30 augustus 1982 zet Paul Stelder zijn praktijk voort vanaf het adres Oranjelaan 93.
Frans Haase sr. gaat samenwerken met Frans Haase jr. De laatste arts die zich in de jaren ‘70 gevestigd heeft, is de derde huisartsgeneratie Haase en om het moeilijk te maken draagt hij ook de naam Frans. (F.G.W.M. Haase, geboren 26 april 1945 te Lisse). Frans jr. is de oudste zoon in een gezin van zes kinderen. Na de middelbare school, die de eerste drie jaar op het Adelbert College in Wassenaar en de laatste twee jaar op het plaatselijke Fioretti College zijn afgelegd, begint hij zijn geneeskundestudie in Nijmegen. Na een jaar stapt hij over naar Leiden. In 1974 rondt hij zijn studie af en daarna volgt een korte periode militaire dienst. In 1975 gaat hij in de praktijk van zijn vader werken aan de Heereweg 337, eigenlijk in eenzelfde samenwerkingsvorm als zijn grootvader dat in 1939 met zijn vader deed. Frans senior trekt zich geleidelijk aan steeds meer terug uit de praktijk, maar hij blijft actief tot 1986. Hij is dan 47 jaar huisarts geweest met een onderbreking van drie jaar door zijn periode in militaire dienst in Indonesië. (Zie VOL Nieuwsblad 2024- nr. 1). In de jaren ‘70 zien we dus in korte tijd vier nieuwe, jonge huisartsen verschijnen. Huisarts is op dat moment nog een echt mannenberoep, slechts 5% is vrouw. Alle vier de huisartsen voeren de ‘moderne’ patiëntenadministratie in en de meesten gaan werken met een doktersassistente. Er komt een waarneemregeling voor alle avond- en weekenddiensten en de vakantiewaarneming wordt meer geformaliseerd, hoewel van de twee reeds langer gevestigde huisartsen Klaas Bet er altijd moeite mee gehouden heeft: hij hoeft niet op vakantie en hij is er altijd voor zijn patiënten…

Hans van Weel was ook zo’n muzikale huisarts , Paul Labohm heeft over zijn leven een boek geschreven.

Tenslotte:

it is het achtste en voorlopig laatste artikel in de reeks over de Dhuisartsen in Lisse. De hele reeks beschrijft bijna 200 jaar van medische zorg in een groeiend dorp: waar rond 1800 ongeveer 2000 mensen woonden, werden dat er rond 1980 al meer dan 20.000. Nu (2024) wonen er 23.000 mensen in Lisse en 3500 in de Lisserbroek. Het aantal huisartsen is meegegroeid. In de 19de eeuw zijn het vooral kindersterfte en infectieziekten die de aandacht van de huisarts vragen, nu zijn het veelal de ouderdomsziekten en kanker. Naast de huisarts komt de assistente als onmisbare schakel en wordt van elk consult een verslag bijgehouden. Deze reeks wilde een beeld schetsen van de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in Lisse en daarbij was er ook aandacht voor het persoonlijke leven van die dokters in relatie met hun patiënten en hun gezin. Dit artikel kwam tot stand na gesprekken met John en Stella Sedelaar, Joke de Vroomen, Nanke van Dijk, Ellen van Weel, Sake Holl, Ajo Duymaer van Twist en Frans Haase jr.

 

 

 

 

 

 

 

 

Heereweg 337 praktijk en woning van de familie Haase

HET BRUINE CAFÉ deel 3. De Taveerne in de Wagendwarsstraat

De Taveerne of van ouds “De Vereniging” aan de Wagendwarsstraat is een blijvertje op het gebied van het bruine café. Louise Kerkvliet-van Kampen neemt ons mee in het enige echte bruine café dat Lisse nog rijk is.

door Louise Kerkvliet-van Kampen

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

In juli 1912 werd de (kleine) Vereeniging geopend. Het pand is gebouwd voor Willem van der Reep en staat in de nieuw aangelegde Wagendwarsstraat, waar daarvoor bollenland en een tuinderij was. Willem van der Reep (1876-1961) en Martha van Tol (1881-1953) exploiteren De (kleine) Vereeniging vanaf de opening in 1912. In een krantenartikel lezen wij dat er in 1922 onder andere protestantse kerkdiensten in de zaal worden gehouden. De Nederlandse Protestanten Bond beoogde alle moderne protestanten te verenigen en organiseerde kerkdiensten zonder dat deze verbonden waren aan één kerk in het bijzonder. Ook worden er allerlei activiteiten georganiseerd door plaatselijke verenigingen en worden er tentoonstellingen en veilingen gehouden in de zaal. Rond 1935/36 wordt alles openbaar verkocht wegens faillissement. Het pand met opstallen wordt gekocht door J. P. van der Aart (1906-1982). In 1936 wordt het perceel gesplitst.

Mevr. J. J. Duivenvoorden-Warmerdam, een doorzetter!

Het naastgelegen huis krijgt een eigen kadastraal nummer en is niet meer onderdeel van de opstallen van het café. Het is onbekend wie exploitant is tussen 1936 en 1946, maar aannemelijk is dat de locatie verhuurd wordt. Volgens een krantenadvertentie uit 1937 geeft mevrouw De Wekker er dansles in de grote zaal. Verder zien wij in een ander krantenartikel dat er voor grote gezinnen een kerstfeest gevierd wordt in 1939, bekostigd door de Katholieke Kerk van Lisse. Na het feest worden voedselpakketten verstrekt aan de aanwezigen. Tussen 1946 en 1952 exploiteert Jos van Riel (1897-1967) uit Best het bedrijf; hij woont met zijn gezin in de Nieuwstraat.  De familie is nu nog een bekende horecafamilie. In advertenties zien wij dat het bedrijf gevoerd wordt onder de naam De Vereeniging. Vanaf 1927 exploiteert Cornelis Theodorus Duivenvoorden (1902-1942) met zijn echtgenote Jacoba Johanna Warmerdam (1903-1987) het KAB gebouw in de Schoolstraat. Helaas komt Cornelis Duivenvoorden jong te overlijden en blijft Jacoba achter met tien jonge kinderen. Alhoewel de verdiensten niet hoog zijn, zet zij het café voort tot 1952. Het verenigingsleven en de feesten en partijen gaan tijdens de oorlogsjaren gewoon door. Zoals aangegeven in het artikel over de Gewoonste Zaak (in Nieuwsblad nummer 2, 2024) werden alle bondsgebouwen tijdens de oorlog ondergebracht bij Het Nederlandsche Arbeidsfront, de nationaalsocialistische vakbond. Rond 1950 komen alle bezittingen terug aan de voormalige eigenaar het Bisdom Haarlem en deze besluit alles te verkopen. Weduwe Duivenvoorden heeft vernomen dat Jos
van Riel zijn bezit in de Wagendwarsstraat wil verkopen. Jacoba en haar zonen Peter (1929-1960) en Cock (1927-1958), die de hotelschool hebben doorlopen, besluiten het bedrijf gezamenlijk te exploiteren. Vanaf 1952 zijn zij samen eigenaar van het pand met opstallen in de Wagendwarsstraat. Zij willen het café een nieuwe passende naam geven en besluiten een prijsvraag uit te zetten met als hoofdprijs een mooie fles wijn. Albert Helmus (1928-2017), pianoleraar in Lisse, stelt de Taveerne voor en dat valt in de smaak. Tot op heden is dat de naam van het bedrijf. Als Cock en kort daarop Peter veel te vroeg komen te overlijden, komt broer Jan (1938-) noodgedwongen het bedrijf versterken. Jan heeft de hotelschoolopleiding afgebroken en is gaan varen bij de Holland-Amerika Lijn. Na het overlijden van zijn broers komt hij terug om samen met moeder het bedrijf voort te zetten. Er moet flink gewerkt worden, omdat er vier gezinnen moeten rondkomen van de inkomsten. Alle familieleden moeten helpen om de zaak draaiende te houden, ook jongste dochter Thea (1941-2020).

Thea en Sandor (Alex) Szabò runnen de zaak verder.

Om ervaring op te doen in de horeca gaat Thea enige tijd naar Duitsland, waar ze receptioniste is bij Hotel Atlanta in Andernach. Daar ontmoet zij Sandor (Alex) Szabò (1938-2020). Hij is gevlucht uit Hongarije naar aanleiding van de opstand tegen het stalinistische bewind van 1956 en is uiteindelijk terechtgekomen in Duitsland. Zij worden verliefd en trouwen in 1962. Rond 1964 komen Thea en Alex in dienst van het bedrijf van moeder; later zijn ze aandeelhouder. Begin jaren zeventig is er wederom een opstand in Hongarije en vlucht broer Jens Szabò (1947-2021) naar Italië, waar hij opgehaald wordt door zijn broer. Jens komt in dienst bij de Taveerne en als hij in 1974 verkering krijgt met Germa Frederiks uit Hillegom en later met haar trouwt, komt ook zij in dienst. Vele jaren hebben zij boven de zaak gewoond. Van 1966 tot 1978 is een gebruikelijke financiële constructie aangegaan met de firma Bols Ned./Heineken Expl. Maatsch. Het is een constructie die vele horecabedrijven aangaan in die jaren. Bols/Heineken worden eigenaar van het pand met opstallen van het horecabedrijf en Jacoba Duivenvoorden-Warmerdam wordt huurder.

 

Jens en Germa Szabò woonden en werkten in de Taveerne

Later gaan Alex en Thea door met de bestaande bedrijfskundige constructie en vanaf 1978 nemen zij de huur over van Heineken en stapt Jacoba Duivenvoorden- Warmerdam uit het bedrijf. In 1986 kopen Thea en Alex Szabò alles terug van Bols/Heineken en worden zij eigenaar van het pand met opstallen. Thea en Alex zijn heel bijzonderemensen; ze weten iedereen met naam te verwelkomen en staan altijd klaar met een luisterend oor. Ze zijn beiden heel vrolijk, warm en sociaal. Veel buurtgenoten komen langs voor een praatje en hun kopje koffie of biertje en versnapering na het werk. Alex is een goede kok; hij maakt heerlijke goulashsoep die zeer gewild is bij de klanten. Zeker in de jaren 60 waren er nauwelijks buitenlandse invloeden in onze keuken. Door de komst van Alex kregen wij een stukje Hongarije mee. Wij genoten niet meer van gehaktballen in jus, maar van poestagehaktballen, zeldzaam lekker. Hij kookte wat af; hele busladingen aten in de Taveerne tijdens de Keukenhof-periode. De bussen draaiden door de smalle straatjes om klanten te brengen. Die kregen iets heerlijks voorgeschoteld. Ted Warmerdam hielp in de jaren 60 regelmatig mee in de zaak. Tijdens de feestweek kregen de kermisexploitanten een feestje aangeboden dat gehouden werd in de Taveerne. Ook wordt er gekaart in de feestweek en in 1984 wordt als extra attractie een varken verdeeld onder de prijswinnaars. Vooral herinner ik mij de jukebox en het meezingen met oude en nieuwe liedjes, dat gaf een gevoel van verbondenheid. Zittend op een barkruk een praatje maken met alle bekenden uit de buurt en met dorpsfiguren die op zaterdagavond een drankje komen nuttigen. Een heerlijk onbezorgde en gezellige tijd. Er zijn veel plaatselijke verenigingen die gebruikmaken van de zaal, maar er worden ook talrijke bruiloften en feesten gevierd en Alex weet elke keer weer iedereen iets lekkers voor te zetten. In de regio is een levendige biljartcompetitie, die in veel cafés in Lisse wordt gehouden, ook in de Taveerne. In het café wordt ook snooker gespeeld. Er worden toneelvoorstellingen gegeven, danslessen door Castelein, tal van sportverenigingen maken gebruik van de voorzieningen. Tijdens de feestweek en de kerstperiode is er vlotbruggen (de vlotbrug is een dikke houten plaat die in de hoek van de biljarttafel wordt gelegd. De plaat heeft 25 holletjes en een afgeschuinde kant, waar een bal tegen op gespeeld kan worden). De Taveerne is sponsor
van veel van deze verenigingen, maar in het bijzonder van de biljart- en zaalvoetbalteams. In 1998 verhuren Thea en Alex de Taveerne aan Teun Oosthoek en Philip Hogervorst voor een periode van vijf jaar. Zelf stoppen zij met actief werken en gaan van hun pensioen genieten. In 2004 koopt Teun de Taveerne en hij is de huidige eigenaar-exploitant van een van de weinige bruine cafés die Lisse nog heeft.

Gevel van de Taveerne nog niet wit gepleisterd

Kijk nu eens: De appartementen om de Poelmarkt


In het volgende Nieuwsblad zal iets verteld worden over het complex dat bij deze steen hoort. Met dit fragment erbij zal het niet zo moeilijk raden zijn. Natuurlijk zijn
we weer zeer geïnteresseerd in uw aanvullende verhalen.

Eerst uit de doeken doen waar het vorige kleine stukje Lisse vandaan was geplukt. Dan een nieuw stukje steen plaatsen als  volgend vraagstuk. Het is wel de bedoeling dat u hier op reageert, want dat vinden wij als redactie dan weer leuk.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Huizenblokken Vivaldi-, Verdi- en Händelstraat rond winkelcentrum De Poelmarkt

Eerste steen

Het plan

Natuurlijk had u gezien dat het om een eerste steen ging. Maar had u door dat het in de Poelpolder was? De steen is in 1974 ingemetseld in een appartementencomplex in de Händelstraat. Het leek passend om in het jaar van 400 jaar Poelpolder voor deze rubriek iets te kiezen uit dat gebied. Voordat de steen gemetseld kon worden Vanaf de 60-er jaren werd in de Poelpolder gewerkt aan woningbouw. Voor de sociale woningbouw waren de Lisser woningbouwverenigingen Volksbelang en Het Gezinsbelang actief. De verdeling van de te bouwen woningen verliep in overleg met de gemeente en het huizenbezit van deze verenigingen nam enorm toe. De gemeente verkocht grond aan een woningbouwvereniging met de plicht sociale huurwoningen te bouwen. Het Gezinsbelang, de woningbouwvereniging die het complex rond de Poelmarkt bouwde, bezat bij de start van het bouwen in de Poel 180 huizen. Daar kwamen er in 1966 door nieuwbouw in de Poel 44 bij en dat aantal bleef gestaag groeien. Vroeger bouwde een woningbouwvereniging alleen voor eigen leden. In 1968 had Het Gezinsbelang een wachtlijst van 160 zoekenden! De nood was hoog. Vanaf 1974 werd de toekenning voor een woning geregeld door de toen ingestelde Centrale Woonruimte Commissie waar beide woningbouwverenigingen zich bij aansloten. Dat daarmee nog geen oplossing voor de woningnood kwam weten we ook nu maar al te goed. De eerste winkelvoorzieningen in de Poel waren noodvoorzieningen in garages. Begin 70-er jaren kregen de plannen voor de Poelmarkt concreet vorm. Het werd een min of meer symmetrisch plan met winkels aan beide zijden van een doorlopende wandel/fietsroute naar de nu nog bestaande brug. Het Gezinsbelang zou aan beide zijden van het winkelcentrum 2 woonblokken van 2 bouwlagen bouwen.

De bouwplannen

De huizenblokken rond winkelcentrum De Poelmarkt

De woningen zullen “huizen voor beginners” worden, aldus de secretaris van Het Gezinsbelang in de beginfase van het plan voor de woonblokken. Later worden de ambities wat bijgesteld. In 1974 meldt het Leids Dagblad dat Het Gezinsbelang bouwt aan 60 woningen. Men wil ook bereiken dat mensen met een grotere huurwoning die dat eigenlijk niet meer nodig hebben, gaan doorstromen. Belangstellenden moeten zich melden bij de Woonruimtecommissie. De huur wordt fl. 175,- per maand voor een woonkamer van 18,3 m2 en 2 slaapkamers van 11,3 m2 en 6,2 m2. Of dat doorstromen gelukt is weten we niet. De 60 woningen werden er overigens 58 en wel 4 eenkamerwoningen, 52 driekamerwoningen en 2 woningen werden wat groter waardoor ze geschikt werden voor gehandicapten. Dat was in die tijd echt een primeur.

Groen
Met het gereedkomen van dit gedeelte was de eerste fase in de bebouwing van de Poelpolder redelijk afgerond. Er was een leuke, afwisselende bebouwing ontstaan met veel groen op een gebied dat voorheen weidegebied was. De groene uitstraling kostte de nodige inspanning wat geen wonder is bij een ondergrond die eeuwen als weidegrond heeft gediend en waar het nodige zand voor wegen- en huizenbouw overheen gegaan is. Maar nu zijn in de Poelpolder leuke laanbeplantingen te zien in de diverse straten en ook bij de woonblokken rond de Poelmarkt is daar een fraai staaltje van aanwezig. Daar staan Hollandse zuiliepen met een kenmerkende, smalle, hoog opgaande groei die mooi passen op deze plek. De destijds gemaakte keuze voor inheemse bomen blijkt steeds waardevoller te zijn voor het ecosysteem in deze tijd van klimaatverandering.

Nog steeds woningtekort

De Hollandse zuiliepen

Woningzoekenden bleven er ook in de jaren ’90. Volgens toegekende provinciale contingenten mocht er worden gebouwd, maar inmiddels was in dit deel van de Poel geen bouwgrond meer beschikbaar. Het Gezinsbelang was een relatief kleine organisatie met een grote onderlinge betrokkenheid. Fred Broersen, met zijn praktijk voor fysiotherapie vlakbij, was bestuurslid. Toen weer eens het probleem van ‘wel mogen bouwen maar geen bouwgrond’ ter sprake kwam, opperde hij het idee van optoppen. Voorzitter Theo van der Lans had zitting in de landelijke koepel huisvesting waar ook dit soort vernieuwende ideeën werden besproken. Het was bovendien in Lisse al vertoond. Op de appartementen van Eikenhorst was ook een extra etage gebouwd. De eerste bewoners daar waren in 1994 tijdelijke gasten van Berkhout dat toen grondig verbouwd werd. Wat bij Eikenhorst kon zou ook bij de appartementen rond de Poelmarkt kunnen stelde Broersen en het bestuur ging akkoord met dit vooruitstrevende idee. Het Gezinsbelang werkte eerder samen met architectenbureau Henri Stol uit Sassenheim, dus daar moest het idee vorm
gaan krijgen.

Optoppen
Eikenhorst leek zo’n fraai voorbeeld, maar technisch was het totaal niet vergelijkbaar. Eikenhorst is gebouwd op zand, in de Poel heb je te maken met een heel andere ondergrond. De technische problemen waren groot en oplossingen duur. De fundering moet natuurlijk voldoende zijn voor het extra gewicht. Een puzzelstuk voor architect Stol. De bestaande houten palen fundering kon maar weinig extra gewicht hebben. Er is daarom gekozen voor houtskeletbouw. Voor Het Gezinsbelang een uitdaging om dit financieel te kunnen realiseren. De eerste verkenningen met een bouwer uit Warmond bleken te resulteren in een aanneemsom die ver boven de begroting van Het Gezinsbelang uitkwam. Bouwbedrijf R.A. van Leeuwen uit Alphen a/d Rijn kon de woningen gelukkig wel realiseren binnen het beschikbare
budget.

De realisatie
Door de vele hobbels werd het project pas in 2000 opgeleverd. Ook begin 2000 waren de woningbouwverenigingen Volksbelang, Het Gezinsbelang en Voorhout gefuseerd tot woningbouwvereniging Trias Woondiensten. Er kwamen 28 houtskeletwoningen boven op het bestaande betonskelet. De eenkamerwoningen werden omgebouwd tot vierkamer maisonettewoningen. De woningen zijn levensloopbestendig en energiezuinig. Mooi is ook dat er in 2 van de 4 trappenhuizen een liftinstallatie kwam. Door koppeling van de blokken met een loopbrug konden alle woningen gebruik maken van de liftvoorziening. Daardoor zijn alle woningen op de galerij geschikt voor mindervaliden. Er is in de bouwperiode door Het Gezinsbelang veel zorg besteed aan de contacten met (toekomstige) bewoners. Het is natuurlijk wel een ongewoon project dat zorgt voor overlast en vragen. Gelukkig is het project door de vindingrijkheid en durf van de bestuurders van destijds en natuurlijk van de creativiteit van architect Stol gerealiseerd en staan en er nu woonblokken die geen saai plat dak hebben, maar heeft het geheel meer allure en een spannende uitstraling gekregen door de ronde dakvormen van de tweede, later gebouwde verdieping.

Met dank aan Fred Broersen en Thomas van ’t Wout voor hun inlichtingen.

De eerste steen

 

 

 

PROTESTMARS IN LISSE 1968

In 1968 werd er door twee muloleerlingen een heuse protestmars georganiseerd. Aanleiding was de inval van de Sovjetunie in Tjechoslowakije. Ze zijn een beetje hardleers die Russen, gezien de situatie van vandaag de dag.

door Gerard van der Zwan

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

In het karakteristieke pand aan de Heereweg 343-345 dat iedereen in de Bollenstreek kent, was in de jaren zestig de Tuinbouwschool gevestigd. Officieel heette de school de ‘Rijks Middelbare Tuinbouwschool’ (RMTS), maar iedereen kende het als ‘de Tuinbouwschool’. Deze school had in die jaren, doordat de school zich geheel op de opleiding van de bollenteelt concentreerde, al veel internationale contacten. Ik herinner mij dat begin jaren zestig bijvoorbeeld een groep Israëlische studenten een cursus volgde. De staat Israël bestond op dat moment amper vijftien jaar, maar wilde in het woestijnachtige gebied, dat een groot deel van het land beslaat, ook de teelt van bloembollen ter hand nemen. De Israëlische studenten zijn niet de enige die ik me herinner. Ook uit andere, niet voor de hand liggende landen, kwamen studenten die zich middels een cursus wilden bekwamen in de teelt van bloembollen. Bijvoorbeeld uit het toenmalige Tsjechoslowakije. In de lente van 1968 vindt er in dat land een wisseling plaats in de top van de communistische dictatuur. Na korte tijd blijkt dat de nieuwe leider Dubček een frisse wind door het land laat waaien; een communisme met een menselijk gezicht. De bevolking in Tsjechoslowakije krijgt de vrijheid terug waarvan ze jarenlang verstoken is geweest. Eén van die vrijheden is de mogelijkheid te reizen naar het Westen. En ze maken er dat jaar massaal gebruik van. Zo kom ik in contact met een groep studenten uit Tsjechië die op de Tuinbouwschool een cursus volgt. Mijn vader werkt als amanuensis op de Tuinbouwschool en via hem kom ik met hen in contact. Mijn vader rijdt op dat moment in een Skoda, een auto afkomstig uit Tsjechoslowakije. De studenten zijn er zichtbaar trots op dat een product uit hun land ook in de westerse landen blijkbaar wordt gewaardeerd. Met een paar van de studenten rijden we in het mooie voorjaar van 1968 door Lisse en omgeving om ze de bollenteelt te laten zien. Ik spreek ook veel met ze over de nieuwe vrijheid in hun land, waar ze uiterst tevreden mee zijn.

Vanaf het pein voor de HBG (nu het parkeerterrein van Floralis) trok een stoet van wel 500 over het algemeen jonge mensen richting de plek waar men normaliter de oorlogsslachtoffers herdenkt. Zijn ze hardleers, die Russen ?

Dan, in de vroege morgen van 21 augustus 1968, rollen de tanks door de straten van Praag en maken een einde aan de Praagse Lente. Via de televisie ben ik er getuige van hoe de bevolking van de pas verworven vrijheid wordt beroofd en  Tsjechoslowakije achter het, weer gesloten, IJzeren Gordijn verdwijnt. Nu nog voel ik de verbolgenheid die ik daarover toen ervoer, wellicht te meer ingegeven door het feit dat ik een aantal studenten uit het land had leren kennen en met sommigen ook nog een briefwisseling onderhield. Die avond van woensdag de 21ste augustus pak ik mijn fiets en rijd naar Bert de Weerd, die in de Barentszstraat woont, op nummer 60. Bert en ik zitten in de vierde klas van de mulo aan de Hyacinthenstraat, waar in die jaren Johan Segers directeur is. Samen met Bert bespreek ik vaak de wereldpolitiek en ook op die avond vinden we bij elkaar een gewillig oor om onze verontwaardiging te uiten. Maar we willen ook iets doen. Een daad stellen! Maar ja, wat doe je als twee zeventienjarigen in de Bollenstreek in Lisse, wanneer je het niet eens bent met wat er duizend kilometer verder door een grootmacht in Europa gebeurt? Al pratend komen we op een idee dat aansluit op wat in die jaren zestig als fenomeen in Europa niet ongebruikelijk is geworden: het houden van een demonstratie. We zijn het eens om een protestdemonstratie te houden. Maar hoe doe je dat? Je kan moeilijk met z’n tweeën door het dorp gaan lopen, onder de noemer ‘als alles meeloopt hebben we een demonstratie’.

Dat lopen door het dorp deden we wel vaker, maar dat had nooit de vorm van een demonstratie aangenomen. We besluiten het groots aan te pakken en de leerlingen van onze school te mobiliseren. Maar we moeten natuurlijk ook de gemeente erbij betrekken. En zo rijden we vijf minuten later op de fiets naar de Von Bönninghausenlaan, waar in het witte huis op de hoek de burgemeester woont. We bellen aan. Na een krappe minuut doet een mevrouw open, waarvan wij vermoeden dat zij de vrouw van de burgemeester is. Nadat we haar uiteen hebben gezet dat we in Lisse een protestmars tegen de inval van de Sovjet-Unie in Tsjechoslowakije willen organiseren en dat we daarvoor de gemeente toestemming willen vragen, zegt ze dat haar man niet thuis is en dat wij ons het beste de volgende dag op het gemeentehuis kunnen vervoegen. De volgende dag – donderdag – gaan we eerst naar school om ons idee met directeur Johan Segers en een paar leerkrachten te bespreken. Ons plan valt in goede aarde. Ook de schoolleiding is dermate verbolgen over wat zich in Midden-Europa de vorige dagen heeft afgespeeld, dat we voor het volgen van lessen worden vrijgesteld om onze demonstratie voor te bereiden.

En daarmee beginnen twee zeer hectische dagen. Wij verlaten de school en spoeden ons op de fiets naar het gemeentehuis. Eenmaal in het gemeentehuis merken we dat onze wens tot het houden van een demonstratie – de avond ervoor geuit tegen de vrouw van de burgemeester – reeds als een lopend vuurtje door het gebouw is gegaan en ook, zo blijkt later, het politiebureau een kilometer verder langs de Heereweg al heeft bereikt. De ambtenaren en politiemensen vinden een demonstratie gezien  de aard van het protest geoorloofd, maar zien bij zo’n nieuw verschijnsel in de gemeente wel wat – logistieke – problemen en zijn er een beetje nerveus onder; je weet tenslotte maar nooit of het niet uit de hand zal lopen. Lisse is dan wel een rustig dorp in de Bollenstreek en geen Amsterdam, laat staan een Parijs, waar in mei dat jaar een studentenopstand bijna tot het einde van de Franse Republiek had geleid, maar toch.

Vervolgens moet het grote organiseren beginnen. Bert en ik rijden die middag van de 22ste augustus alle scholen in Lisse af, waar we met de verschillende schoolleidingen ons plan bespreken en vragen om hun leerlingen op te roepen aan de protestdemonstratie mee te doen. Het valt ons, misschien tegen onze verwachting in, op dat er niemand van de schoolleidingen is die zo zijn of haar twijfels heeft bij het houden van een protestmars in Lisse. Nee, allen spreken zich er direct positief over uit en zeggen hun steun toe. Het bemoedigt ons om door te gaan. Na de schoolleidingen gaan we naar het politiebureau, om met de politie te overleggen. We komen overeen dat de demonstratie
de volgende dag – vrijdag – in de avond zal plaatsvinden. Ook de route wordt afgesproken. Overeengekomen wordt dat de demonstratie begint bij de HBG aan de Haven, daarna door de Tulpenstraat, Kanaalstraat, de Van der Veldstraat, Nassaustraat en de Heereweg. Afgesproken wordt dat de demonstratie zal eindigen bij ‘Blote Bertus’, het standbeeld aan de kop van de Oranjelaan. Na het overleg met de politie fietsen we terug naar het gemeentehuis. Daar ligt inmiddels de vergunning klaar voor de protestmars. En zo krijgen we, tegen betaling van fl. 2,50 aan leges, de vergunning. Vervolgens spoeden we ons naar de AKO – een firma voor elektronische apparatuur – in de Kanaalstraat, die beschikt over een geluidswagen. Ook bij de firma AKO ontmoeten we alle medewerking, zodat we bij de protestmars kunnen beschikken over een geluidswagen, die de tocht zal begeleiden en waarmee we de menigte bij het standbeeld kunnen toespreken. De volgende dag, de vrijdag waarop de demonstratie aan het einde van de dag gaat plaatsvinden, zetten Bert en ik ons aan het schrijven van de speech die Bert bij het monument zal uitspreken. Ondertussen zijn leerlingen op scholen in Lisse begonnen met het schilderen van de spandoeken, met teksten als: “Russen dit vragen wij: laat de Tsjechen vrij”, “Tsjechen houdt moed” en “Russen tem uw communisme”. In de middag stopt voor ons huis in de Anemonenstraat het blauwe busje van de politie. Twee agenten bellen aan. Ze zijn wat nerveus nu over enige uren de demonstratie zal gaan plaatsvinden en vragen zich af of het niet uit de hand gaat lopen. Wellicht heeft de politie zich inmiddels gerealiseerd dat Bert en ik – de organisatoren – beiden zeventien jaar oud zijn en dus minderjarig. En wie is dan verantwoordelijk wanneer het fout dreigt te gaan. Het is om die reden dat de agenten, in een overigens coulant gesprek, mijn ouders duidelijk maken dat zij, omdat ik minderjarig ben, verantwoordelijk zijn voor mijn handelen. Gelukkig vatten mijn ouders het niet al te zwaar op en zijn ze er ook van overtuigd dat ik geen gekke dingen van plan ben en gaan ze akkoord met het op zich nemen van de verantwoordelijkheid.

Op het moment dat de demonstratie van start gaat, blijken 500, vooral jonge, mensen mee te lopen van het HBG-plein naar het bevrijdingsbeeld aan de kop van de Oranjelaan. Bert spreekt de menigte toe en maakt een vergelijking met de inval van Duitsland in Tsjechoslowakije in 1938, op dat moment dertig jaar geleden. In de plaatselijke en regionale pers wordt van de protestdemonstratie melding gemaakt en wordt de waardige wijze waarop zij verliep alsook de goede organisatie geprezen. Na afloop van de demonstratie versturen Bert en ik op zaterdag om 11 uur een telegram naar de Tsjechoslowaakse ambassade. Dat is nog even puzzelen. Een lang telegram brengt nogal wat kosten met zich, dus willen we de tekst zo kort mogelijk houden, immers het telegram moet van ons zakgeld worden betaald. En zo wordt het volgende telegram verstuurd: “Lisse demonstreert: – 500 man – houdt moed!” Er zullen ongetwijfeld in Lisse nog oud-scholieren leven die als één van de 500 deel hebben genomen aan die gedenkwaardige protestmars op vrijdag 23 augustus in 1968, nu meer dan een halve eeuw geleden, die de eerste en zo ver ik weet tot nu toe ook de laatste protestdemonstratie is in de geschiedenis van Lisse.

BIJ DE HARTPAGINA: Poelpolder in de jaren zestig

 

Door de redactie

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

Men had nog heel wat bouwen voor de boeg

In het kader van 400 jaar Poelpolder zal Cultuur-Historische Vereniging ”Oud Lisse” flink uitpakken. VOL gaat een boek uitgeven van 250 pagina’s dik, met vele illustraties. Er komt een expositie over de geschiedenis van de Lisserpoelpolder. Een wandel- en fietstocht over de oude oevers en dwars door wat eens water was. Na dit jaar kan iedere bewoner van de Poelpolder en de Rooversbroekpolder alles weten over de plek waar hij of zij woont. Zorg dat je er bij bent en maak er een feest van. De hartpagina staat natuurlijk ook in het teken van die geschiedenis. We zien de eerste auto’s al tanken bij het gloednieuwe pompstation aan de Ruishornlaan. (Weet u nog wat u voor een liter betaalde?). Bij de toekomstige Poelmarkt ligt alles nog braak. Voor de boodschappen kon je aan de overkant terecht in de garageboxen die voorlopig omgeturnd waren tot winkelcentrum van de Poelpolderwijk. Ja, er is een groots werk verricht in de polder! In betrekkelijk korte tijd werden maar liefst 3200 woonplekken opgeleverd. Een kerk, schoolgebouwen, winkelcentrum, het Poelhuis, Magnifiosi, een park en een dokterspraktijk. Alles wat er in een wijk hoort .

 

Voorbij de Ooievaarsflat hield het bouwen even op

 

Men had nog heel wat bouwen voor de boeg

 

 

 

Luchtfoto Poelpolder

Oud Nieuws: ROSENDAAL EN ZIJN BEWONERS

Dirk Floorijp en Alfons Verstraeten doen een boekje open over Rosendaal en al haar bewoners. Dat waren mensen die heel wat in de melk te brokkelen hadden. Van zeevaarder en kunstenaar, tot pastoor en huisartsen.

Dirk Floorijp en Alfons Verstraeten

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

Eén van de laatste buitenplaatsen in Lisse, Rosendaal, werd in 1962 gesloopt. Er was vroeger een verordening om het slopen van buitenplaatsen tegen te gaan. De meeste waren rond 1800 verdwenen. Alleen het buiten Wildlust bleef nog bewaard tot 2009. Dat was het derde Wildlust en het moest plaats maken voor een rotonde.

Bouwhuis
Voordat Rosendaal werd gebouwd stond er een boerderij waar het buiten waarschijnlijk naar is vernoemd. In 1591 woonde op dit bouwhuis Cornelis Cornelisz van Immerseel (1557- 1631), schout en secretaris. Hij kreeg twee kinderen bij zijn eerste vrouw Claesgen Dircxdr de Goede, zoon Cornelis en dochter Appollonia. Later trouwde hij met Beatrix Cornelisdr Langevelt. In 1600 is de bewoner Jan Gerrits de Monnick, duinmeier (1548-1619), alias Jan Gerrits van Rosendael. Dit alias doet vermoeden dat de naam Rosendaal toen al gebruikt werd voor het bouwhuis met landerijen. Deze Jan Gerrits was een aangetrouwd familielid van de Van Immerseels. Appollonia was gehuwd met Adriaan Engelsz van Larum, schepen en molenaar in de Lisserbroekerpolder in 1646. Zij woonden ook op Rosendaal.

“De Zwarte Leeuw”, een fluitschip, geladen met ammunitie.

Adriaen Maartensz Block
Adriaen Maartensz Block (ca. 1582-1661) werd geboren in Gouda. Block maakte carrière in de Oost en was Commandeur der Vereenigde Oostindische Compagnie en van  1614 tot zijn vervanging in 1617 gouverneur van Ambon. Het was geen succes. Block was al in 1601 bij de Voorcompagnie, voorganger van de VOC, schipper op de Zwarte Leeuw. Met een retourvloot maakten ze een Portugees  schip, de kraak Santa Catarina, buit, beladen met porselein en zijde. De lading bracht enkele miljoenen op. Voor Block was Lisse bekend gebied. Zijn schoonouders Van der Laan woonden op Huis ter Spekke. In de akte van 1624 verkopen Appollonia en Cornelis Cornelisz de Jonge, kinderen van schout van Immerseel, huis en erve (een huijs ende erffve mit de potterije ende daer toe een crogte affgesandt geestlandt … ter grootte van 750 roeden) aan commandeurBlock voor ƒ2000. Hij (ver)bouwde de buitenplaats. Deze was geheel ommuurd voor de teelt van fruit en groente. In een verkoopakte staat dat bij de ommuurde buitenplaats nog zeven huisjes in zijn bezit waren. Deze lagen ten zuiden van de boerderij en zijn later niet meer in bezit van Block. Block ging van maart 1624 tot oktober 1627 voor de derde keer naar de Oost. Hij verloor daar al zijn functies en kreeg in 1629 een boete van ƒ12.000 voor illegale handel. Block protesteert en jaren later komt het tot een schikking. In 1631 is hij terug in Nederland. Block was dus jaren niet in Lisse, zelfs niet in de Nederlanden. Adriaen Block was in zijn tijd de rijkste man van Lisse. In 1641 laat hij Keukenhof bouwen. In 1645, zijn schoonvader is dan overleden, gaat Block wonen op Huis ter Spekke. Er is een inboedelbeschrijving, opgemaakt na zijn dood in 1661, door notaris A.J.Raven.

Isaac Abrahamsz Massa

Schilderij van Frans Hals: Isaac Massa en Beatrijs van der Laan 1622 Zij hadden een nu nog bestaand huis in Haarlem aan de Kruisstraat, met de naam “In den Moscoviter”, zeer toepasselijk voor een gezant in Rusland.

Mogelijk woonde op Rosendaal ook de zwager van Block: Isaac Abrahamsz Massa (Haarlem 1586-1643), graankoopman en gezant op Rusland, getrouwd met Beatrijs Gerardsdr van der Laan. De schoonvader van zowel Massa als Block, Gerard van der Laan, woonde op Huis
ter Spekke. Gerard van der Laan was burgemeester van Haarlem. Isaac Massa werd verscheidene keren geschilderd door Frans Hals. Ook het huwelijksportret zou van zijn hand zijn. Overigens vond het gerechtelijk huwelijk van Isaac en Beatrijs in 1622 plaats in het huis van Block.

Beerput
Verschillende opgravingen uit de beerput van Rosendaal die gedaan zijn in 1996 geven een beeld van de bewoning uit de periode 1590-1630. Zoals roodbakken aardewerk uit de 16de en 17de eeuw, drie olielampen uit de eerste helft van de 17de eeuw, een zalfpot en twee pispotten, een aantal borden van Chinees porselein, verder drinkgerei zoals bekers, roemers, fluiten en een kelkglas. Het bekertype bestond tussen 1529 en 1577. Gevonden werden ook kleurloze fluitglazen die geliefd waren bij de hogere milieus in de tweede helft van de 16de eeuw. Plus een zilveren lepel die afkomstig was uit de boedel van Block.

Na overlijden van Block

Gravure van Abraham Rademaker uit Rhynlands fraaiste gezichten.

In 1653, ruim voor zijn dood in 1663, verkocht Block Rosendaal voor ƒ 6.000 aan Abraham Jansz Gilles (1612-1689), heer van Minquedorne en telg uit een hugenotengeslacht. Hij was gehuwd met Johanna van Heyenberg van Reyde. Hij bezat ook Lammetje Groen aan de Stationsweg en woonde in 1645 op Ter Spekke. Ook zijn zoon Jan (1642-1721) bewoonde Rosendaal. Deze Jan trouwde in Amsterdam op 17 jan. 1667 met Cornelia Maria de Waal. Het Gillis-familiewapen is een blauw schild met drie gouden eikels. In de tijd van de afbraak van Rosendaal waren er nog raamluiken, geschilderd in blauw en geel. Dit verwees mogelijk naar het wapen van het geslacht Gilles. In 1734 krijgt Rosendaal bij de eerste huisnummering de kwalificatie buitenplaats. In 1743 zien we als eigenaar Jan Jansz van der Plas (1700-1765). Hij heeft een grutterij op de Grachtweg met paard en rosmolen om het graan te malen. Hij is kroosheemraad, getrouwd met Lena van der Fits. Door het belastingcohier van 1748 weten we iets meer over Van der Plas. Bijvoorbeeld dat hij hoorngeld moet betalen voor 6 koeien. Magtilda Jansdr van der Plas, zijn dochter, getrouwd met Jan Langeveld, bezit het buiten in 1765.

Verhuur en tijdelijke bewoning
In 1815 is de eigenaar Aart van der Meij (1768-1827), stalhouder en verhuurder van paarden. Hij is getrouwd met Magdalena Maria Brouwer. Huisbediende was Jan Geerling (1804-1839). Van der Meij bood een deel van buitenplaats Rosendaal ’s zomers wel te huur aan, “met een vrije wandeling  in een groote Bloemrijke Tuin”. In april 1824 staat bijvoorbeeld zo’n advertentie in de Opregte Haarlemsche Courant. De rijke Amsterdamse familie Asser verbleef in 1827 gedurende de zomer voor het eerst in Rosendaal en zou nog 3 zomers een verblijf daar huren. Dit is bekend uit de dagboeken van Eduard Asser, de maker van de vroegste foto’s van Amsterdam en Haarlem.

De volgende medebewoner  is de rentenier Hendrik van Alphen (1767–1841), getrouwd met Georgia Elisabeth Geertruijd Kurk (Paramaribo 1758-Amsterdam 1844). Van Alphen was haar derde echtgenoot. Zij traden in 1801 in Hillegom in het huwelijk. Georgina Kurk was eigenaar van de koffieplantage “Moed en Kommer” in Suriname met de bijbehorende katoengrond aan de Warrapperkreek tussen de plantages ”Anna’s Zorg” en “Badensteijn”. In het Surinaams werd de plantage ook wel Korku genoemd, naar de eigenaresse Kurk.

Einde tijdperk Van der Meij

Portret van kunstschilder Cornelis Kruseman (1797-1857) Collectie Stadsarchief Amsterdam: tekeningen en prenten

In 1832 verkoopt weduwe Van der Meij Rosendaal aan burgemeester Ernest Joseph van den Bergh (1775-1844), een weduwnaar die er in 1832 intrekt met zijn zuster Gezina Maria, haar man Hermanus Scherpenzeel, brievendistribuant, en twee dienstboden. Bij het overlijden van de burgemeester erft zijn zuster het huis. Rosendaal wordt in 1844, door Hermanus Scherpenzeel als gemachtigde, publiek geveild: “een wel ingericht zomer en winterverblijf met 5 beneden en 3 bovenkamers waarvan 6 behangen en van 5 stookplaatsen voorzien, zeer ruime keuken en kelder, zolders, stalling voor 5 paarden en 6 koebeesten, verder een aangename tuin met fijne weldragende vruchtbomen, wandelbosje, goudvissenvijver, grote moestuin en verdere bepoting en beplanting.” Het werd verkocht voor ƒ4.700 aan Henri Joseph Huysmans (1794–1863), gepensioneerd ambtenaar van het Koninklijk Huis, die er met zijn gezin gaat wonen. Na tien jaar vertrok hij naar Haarlem en verhuurde het huis aan de in zijn tijd gevierde kunstschilder Cornelis Kruseman (1797-1857), getrouwd met Hendrika Angelica Meyer. Met hem kwam ook Hendrik Lambert de Bauterlé, verversknecht, met vrouw en dochter mee en zij gingen wonen in één der bijgebouwen. Na het overlijden van Kruseman vertrokken zij weer naar Den Haag. En gaat Huysmans er weer enige jaren wonen. Pastoor Fick, pastoor van Berkel en Rodenrijs Huysmans verkoopt zijn buiten in 1862 voor ƒ8.500 aan Johann Frederick Fick (1802 -1889), rk priester en pastoor te Berkel. De pastoor in ruste gaat met zijn zuster Catharina en dienstbode Florentina Schellings op Rosendaal wonen. Hij verkocht zijn buiten voor ƒ5000 aan het kerk- en armbestuur van Berkel en Rodenrijs onder voorwaarde dat hij er zijn leven lang mag blijven wonen. Hij zorgde voor veel ophef daar hij de roomskatholieke parochie van Lisse ƒ100.000 beloofde om een kerk te bouwen. Iets wat hij later weer introk, hij schonk wel ƒ1000 aan de kerk voor HH. missen. De pastoor overleed in 1889, zijn zuster verhuisde dat jaar naar Haarlem. Het buiten werd daarna verhuurd  aan verschillende rijksontvangers.
In 1900 nam dokter Cäto Metzlar (1863-1939), getrouwd met Henrietta Kok, het in gebruik. Die vertrok in 1902 naar Apeldoorn en deed de praktijk en huur over aan de arts Martinus de Graaf (1872-1949), getrouwd met Adriana van Vliet. Een deel van de tuin werd verhuurd voor bloembollenteelt aan Juriaan Pijnacker. In 1912 koopt dokter De Graaf Rosendaal.

Versnippering
In 1920 is er een versnippering van de ommuurde tuin voor de aanleg van de Veldhorststraat. In 1945 was Rosendaal tijdelijk een doorgangshuis voor dakloze gezinnen. De laatste bewoner van wat men noemde het koetshuis was Aage Peter Ehrhard Geerdes (1893-1970), drogist, getrouwd met Ploontje Maria Warner en later met Petronella Johanna van Aalst. Hij had een drogisterij op Heereweg 173. In 1962 wordt Rosendaal gesloopt. Op het terrein komt het Lisser Automobielbedrijf. De leeuwtjes op de pilaren verdwenen na de sloop. We zien ze (zoals bij de intro) nog in Bennebroek aan de Grote Sparrenlaan.

Geraadpleegde bronnen
-Graaf, ir. A.F. de – “Rosendaal en zijn bewoners (1641 – 1962)” – Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en Omstreken 1963
-Ria Grimbergen, Pareltje Over de strijdbare Gerard van der Laan, Nieuwsblad 2022 4
-Menno Dijkstra & Sebastiaan Ostkamp, Vondsten uit een beerput van huis Rosendaal te Lisse (ca.1590-1630). Een kijkje in de keuken van een VOC-beambte.
-Aad van der Tang familiegeschiedenis (11). Nieuwsblad okt.2012