Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Pareltje: over ‘Spranken uit het leven van Cornelis Kruseman’

Cornelis Kruseman, de Rafaël van het Noorden, was een zeer befaamd schilder. Hij woonde en werkte in Lisse op het mooie Rosendaal aan de Heereweg. Koningen en andere hooggeplaatsten behoorden tot zijn klantenkring.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De rouwadvertentie van Krusemans weduwe in de Opregte Haarlemsche Courant laat goed zien dat Krusemans voorliefde uitging naar historische onderwerpen. Henriette, haar zus Anna Maria en schoonzus Geertruida vertrekken na Krusemans overlijden naar Den Haag.

In de ochtend van 14 november 1857 staan de 29-jarige Johannes Diederick Kruseman, zonder beroep, en de 46-jarige arts Thomas Nieuwenhuisen bij de secretarie van de burgerlijke stand in Lisse, waar burgemeester J.C. van Rosse ook als ambtenaar fungeert. Zij geven bij hem het overlijden aan van kunstschilder Cornelis Kruseman, die om drie uur die nacht is overleden. De aangifte heeft een Haags tintje. Cornelis Kruseman woonde en werkte jarenlang in Den Haag, zijn neef Johannes Diederick woont er nog en Thomas Nieuwenhuisen is geboren in de Hofstad.

Een kunstenaarsfamilie
De overledene komt uit een zeer kunstzinnige familie, die in de negentiende eeuw alleen al zes kunstschilders telde. Cornelis en zijn achterneef Jan Adam Kruseman zijn daarvan de belangrijksten en beiden gevierde kunstenaars.

Zijn oomzegger Johannes Diederick, de man die de aangifte doet, is een zeer verdienstelijk amateurschilder en steenrijk.  Zijn vader heeft een suikerfabriek in de Oost, het huidige Indonesië. Hij hoeft niet te werken voor de kost en hanteert de verfkwast voor zijn genoegen. Hij is vooral bekend geworden door zijn stadsgezichten. In 1846-1847 voegt hij zich bij Cornelis Kruseman en diens vrouw Henriette tijdens hun laatste Italiaanse kunstreis en hij zal zich later bezighouden met het inventariseren van het omvangrijke schildersoeuvre van zijn oom.

Rafaël van het Noorden
Cornelis, Kees in het dagelijks leven, wordt geboren in het gezin van een Amsterdamse apotheker op 25 september 1797. Het schoolleven kan hem niet bekoren. Hij is pas 14 jaar oud als hij lessen volgt aan de Amsterdamse Stadstekenacademie en al snel bekroont men zijn werk met prijzen en medailles. Koning Willem I koopt in 1819 van de tweeëntwintigjarige een ‘kaarslichtschilderij’ van een oude blinde man en een jong meisje, een cadeau voor zijn vrouw Wilhelmina. Een populair genre in de negentiende eeuw, maar Kruseman wijst opdrachten voor meer ‘kaarslichten’ af. Hij is ambitieus en wil zich bekwamen in historiestukken. Hij verlaat Amsterdam en reist in1821 naar Italië, waar hij in Rome de Italiaanse kunst bestudeert. Zijn afbeeldingen van het Italiaanse landleven bezorgen hem later de bijnamen de Italiaanse Kruseman en Rafaël van het Noorden. Hij heeft een neus voor zelfpromotie. Hij organiseert een solotentoonstelling van zijn Italiaanse schilderijen en stuurt ze daarnaast op naar openbare kunsttentoonstellingen. Het dagboek dat hij tijdens zijn Italiaanse reis bijhield, publiceert hij in 1826.(1

Gevierd portretschilder
Weer terug in Nederland vestigt hij zich in 1825 als portretschilder in Amsterdam, maar hij krijgt weinig opdrachten.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831, lithografie van Adolf Carel Nunnink naar het schilderij van Cornelis Kruseman. Rijksmuseum Amsterdam.

Nog in hetzelfde jaar besluit hij zich in Den Haag te vestigen. Een gouden greep: ambtenaren, officieren en diplomaten laten zich graag portretteren. In zestien jaar tijd schildert hij honderdtien portretten en portretgroepen en hij kan daar ruim van leven. Voor extra inkomsten zorgen de vele leerlingen die hij opleidt. Toch ligt zijn hart bij grote historiestukken, die financieel ook nog eens heel lonend kunnen zijn. Maar daarvoor heeft hij wel een opdrachtgever nodig. De materiaalkosten van de enorme doeken zijn hoog en het vergt veel tijd ze te schilderen. Koning Willem I verleent hem toestemming een ‘Graflegging van Christus’ te schilderen voor een bedrag van 3500 gulden, inclusief de lijst. Het kost Kruseman drie jaar het doek te voltooien. Hij wordt hiervoor in 1831 koninklijk onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Haagse stadsbestuur geeft hem vervolgens de opdracht de monarch ten voeten uit te portretteren.

De slag bij Bautersem
In 1831 vechten Nederlandse troepen tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen bij de slag bij Bautersem. Tijdens de slag treft een kanonskogel het paard van de prins van Oranje, maar de dappere kroonprins zet de strijd voort op een ander strijdros.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Zijn populariteit stijgt na deze heldendaad en meerdere schilders beelden de veldslag uit. De gebeurtenis inspireert Kruseman tot het gigantische schilderwerk ‘De slag bij Bautersem’, een doek van vijf bij zeven meter, waar hij vijf jaar aan werkt. Kroonprins Willem, de latere koning Willem II, heeft een centrale rol op het schilderij. Dankzij zijn inkomsten uit de portretten kan Kruseman zich de investering in tijd en materiaal veroorloven. Maar Willem I staat lauw tegenover het in 1838 voltooide werk, tot teleurstelling van Kruseman. De koning wil liever niet geconfronteerd worden met het verlies van België en weigert in te gaan op de uitnodiging van Kruseman het werk te bekijken. De held op het doek, de kroonprins, is al na een kwartier op het schilderij uitgekeken. Een tentoonstellingsreis door het land, de opbrengst van de toegangskaartjes is voor de armen, wordt goed bezocht. Daarna komt het werk in de koninklijke collectie.

Een monumentale Johannes de Doper
In 1832 trouwt de schilder met de drie jaar jongere Henriette Angelique Meijer (1800-1868), een vrouw die vaardig is in het aquarelleren van bloem- en vruchtstillevens. Een goed huwelijk, volgens tijdgenoten. Zij is voorzien van de ‘edelste zielshoedanigheden’, begrijpt hem en steunt hem in lief en leed. De kersverse koning Willem II, een gepassioneerd kunstverzamelaar, bezoekt Krusemans atelier in 1841 en Kruseman toont hem tekeningen van een predikende Johannes de Doper, waarna hij de opdracht krijgt een historiestuk over dit onderwerp te maken.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Dat is voor Kruseman de aanleiding met zijn vrouw naar zijn geliefde Italië te reizen om de fenomenale religieuze kunst aldaar diepgaand te bestuderen. Als zij na een verblijf van zeven jaar terugkomen in Den Haag kan de kunstenaar een monumentaal olieverfschilderij presenteren: ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’. Na onderhandelingen komt het voor het enorme bedrag van 30.000 gulden in de Koninklijke Verzamelingen. Maar eerst krijgt het publiek de kans het werk te zien en reist het een jaar lang door het land, waarna het een plaats krijgt in het Paleis Noordeinde. Koning Willem II benoemt Kruseman tot Commandeur der Orde der Eikenkroon. Eén grote opdracht voor historiestukken volgt nog. Jan Elias Huydecoper bestelt in 1848 voor zijn slot Zeist vier monumentale schilderijen met onderwerpen uit het Nieuwe Testament. Kruseman voltooit de werken in januari 1854. De schilderijen zijn tegen betaling te bezichtigen tijdens een tour door het land voor ze in Zeist bij hun eigenaar komen te hangen.

Rosendaal in het vriendelijke Lisse
Cornelis Kruseman verlangt naar een leven ver buiten de grote stad. Het is een wens die hij al lang koestert en hij is blij als hij een woning vindt in het vriendelijke Lisse, waar hij wil schilderen aan zijn geliefde onderwerpen, historische en bijbelse gebeurtenissen.(2 Hij en zijn vrouw Henriette vertrekken eind augustus 1854
van Den Haag naar Lisse en betrekken daar huis nr. 87, aan de Rijks- of Heereweg, het buitenplaatsje dat vele Lissers nog kennen als Rosendaal. Zijn schoonzus Anna Maria en zijn zus Geertruida, die evenals Anna Maria ongetrouwd is, wonen bij het echtpaar in. Dat de keuze op Lisse is gevallen, zal te maken hebben met de relatief gunstige verbindingswegen met Amsterdam en Den Haag. Meegewogen kan ook hebben dat er familieleden in de buurt wonen. Raimond Christiaan Affourtit (1776-1858) en zijn dochters Elisabeth Maria (1819-1893) en Dorothea (1821-1876) wonen in Lisse op Grotenhof. Affourtit, een van de eerste bollenhandelaren, is de weduwnaar van Cornelis’ oudtante Maria Margaretha Kruseman (1785-1837). Suzanna Kruseman (1830-1906), getrouwd met Stephanus de Clercq (1826-1886), woont in 1855 in Hillegom en later in Lisse.

In zijn atelier op Rosendaal stelt Kruseman zijn laatste werk ‘De maagd Maria met het Kind’ tegen betaling tentoon.

Suzanna is de dochter van de bekende kunstschilder Jan Adam Kruseman, achterneef van Cornelis. Jan Adam was een van zijn leerlingen. Stephanus is de zoon van een van Cornelis’ beste vrienden, de dan al overleden dichter, koopman en bankier Willem de Clercq.(3

Overgelukkig op Rosendaal
Kruseman heeft het naar zijn zin in zijn nieuwe woonplaats  Aan Johannes Willem Holtrop, de vermaarde directeur van de Koninklijke Bibliotheek, schrijft hij:
‘Roozendaal te Lisse 27 sept 1854 Weled: Heer en vriend! Bij mijn vertrek uit s’ Hage stapelde zich zoodanig de droktens op welk bij een volledige verplaatzing onvermijdelijk zijn. Reeds een maand verstreek in de meeste voldoening over de gedaane keuze en met elken dag vermeerderde de genoegens welke die plaatsverwisseling kon opleveren en gevoel mij overgelukkig. Uwed. dw.dr.C: Kruseman’.

In een van de bijgebouwen van Rosendaal is de verversknecht Hendrik Lambert de Bauterlé met zijn gezin gaan wonen. De Bauterlé zal zijn ingehuurd om olieverf te maken. Het wrijven van de verfpigmenten is een zwaar werk en het vermengen met lijnolie en vulmiddel een precies karweitje.(4 Voor Kruseman is het zeer belangrijk een vakman hiervoor in huis te hebben. De verf van zijn grote schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ is gaan druipen, waarschijnlijk door de gebruikte pigmenten en herhaaldelijk overschilderen. Hij trachtte zelf het werk te herstellen en was daar eind januari 1854 mee klaar. Geen wonder dat hij bitter teleurgesteld naar Lisse verhuist en daar naar rust zoekt.

Liefdegift voor Lissese armen
Kruseman schildert in zijn Lissese atelier zijn laatste grote werk: ‘De maagd Maria met het Kind’, dat hij in 1855 voltooit. Het doek heeft met een afmeting van 124.0 x 111.0 cm, bij lange na niet de grootte van zijn schilderij ‘Johannes de Doper’ dat 382.0 x 479.0 cm mat.

Rosendaal waar Cornelis Kruseman en zijn vrouw Henriette vanaf eind augustus 1854 met veel genoegen hebben gewoond

In een brief van 5 maart 1855 schrijft hij aan zijn achterneef Arie Cornelis Kruseman dat hij zijn schilderij over de maagd Maria en het kind Jezus in zijn atelier op Rosendaal tentoonstelt om een ‘liefdegift in te zamelen om aan armen en kranken in de gemeente uit te reiken’. Predikant en priester kondigden dit aan ‘aan den kanzel en aan het altaar. En rijk en arm stroomden in menigte toe, en zilveren stukken en koperen penningen klonken welwillend in den blikken bus welke bij de schilderij geplaatst was. Origineele, ernstige en boertige situaties leverden die dáár verzamelde menigte op’. Hij nodigt zijn achterneef uit naar Lisse te komen om het schilderij te bezichtigen. Kruseman schrijft in de komende drie jaar vanuit Rosendaal veel brieven aan Arie Cornelis Kruseman. Deze Kruseman is een jonge Haarlemse uitgever, die de belangrijkste van zijn generatie zal worden. ‘Uncle Tom’s cabin’ van Harriet Beecher Stowe geeft hij in 1853 uit als ‘De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika’. Een volgend spraakmakend boek is Darwins ‘Het ontstaan der soorten’, dat verschijnt in 1860. Een man om te vriend te houden, dit ambitieuze familielid. De uitgever plaatst op verzoek van Kruseman een prent naar ‘De maagd Maria met het kind Jezus’ in het ‘Christelijk album’ van 1857, waarmee het werk landelijk bekend wordt.

Cornelis Krusemans schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ uit 1847 in deplorabele staat gefotografeerd rond 1971. Vlak daarna werd het vernietigd.

Zeewater naar Rosendaal
Krusemans gezondheid neemt af. Op 15 februari 1856 klaagt hij over koorts. Hij kan niet werken en heeft moeite met schrijven. Juli 1856 vertrekt hij naar Den Haag om in Scheveningen een badkuur te ondergaan, voorgeschreven door de artsen. Op Rosendaal wordt als onderdeel van de kuur al eerder zeewater aangevoerd. Inspanning is verboden en volkomen rust en kalmte worden voorgeschreven. Eind september is hij weer in Lisse en de kuur heeft effect gehad. ‘Thans de goede god zij er voor gedankt loop ik weder met fiksche stappen door het huis, bezoek de tuin en ben zelfs heden weder op de straat geweest. Hoe opgeruimd zoudt gij mij thans zien’, schrijft hij op 8 oktober 1856 aan zijn achterneef.(5 Hij heeft weer zin om te tekenen en is opgeruimd. Lichamelijk en geestelijk nemen de krachten toe en hij wandelt door het dorp.

Lissese dorpsjeugd
Zijn vriend de schrijver Arnold Ising schrijft over Krusemans liefde voor de natuur, die hem troost en inspireert: ‘Dat kunt ook gij getuigen, lieflijke omstreken van het nederige Lisse waar de kunstenaar zijn laatste dagen sleet. Hoe menigen voetstap zette hij in uw bosschen, op uw heuvelklingen; wat was hem spoedig de weg naar de schoonste plekjes bekend; met wat ingenomenheid toonde hij die aan vrienden, die hem kwamen bezoeken, terwijl hij er zelf nog altijd nieuwe schoonheid ontdekte! En gij ook zoudt het kunnen getuigen, knapen en meisjes, die in de dorpstraat te spelen pleegt.

 

Tekening uit 1892 door A. Brouwer Grote Kerk in Lisse. Zie ook: Beeldverhaal LisseTijdReis Grote Kerk.

Hoe menigwerf bleef de vriendelijke grijze schilder staan en wenkte u met een glimlach om uw kinderlijk spel niet te staken, daar hij dan juist de natuur het best in u betrappen kon. Wat sprak hij u menigmaal aan om uw oogjes te zien schitteren, of uw mond zich tot lagchen te zien plooijen; wat verzette hij soms grappig uw mutsje, om meer leven en uitdrukking aan het kopje te geven! En uw kinderlijke vreugde, uw juichen en joelen deed niet alleen de kunstenaar, maar ook den mensch goed den mensch die het tot in zijn laatste dagen betreurde, dat God hem nooit vadervreugde geschonken had; maar wiens hart veel te mild was, dan dat het zich daarom ooit bij het zien van kinderen pijnlijk had kunnen sluiten’.(6

Krusemans herstel blijkt tijdelijk. Zijn gezondheid verslechtert. Portretopdrachten zegt hij af en er komt minder geld binnen. 18 oktober 1857 schrijft hij: ‘Behalve ontstaane financieele ongelegenheid door mijn u bekende langdurige ongesteldheid zoo is weder eene stremming gekomen in mijn nauwelijks weder op gevatte schilder arbeid daar dien de koortsen mij hevig hebben aangetast’.(7 In het grote atelier op Rosendaal mag hij van de artsen niet langer werken.

Portret van Cornelis Kruseman in zijn laatste levensjaren aar een tekening van Johann  Kachel.

De tuinkamer wordt ingericht als atelier en hij hoopt weer te kunnen werken.(8 Kruseman overlijdt op 14 november 1857. Vijf dagen daarna schrijft de Middelburgsche Courant: ‘De naam van Kruseman zal zeker eene eervolle plaats blijven innemen in de geschiedenis van onze kunst, gedurende de laatste dertig jaren, en het dorpje, waar hij zijn veel bewogen leven eindigde, mag er gewis fier op wezen, als de asch van den eenmaal zoo gevierden schilder in zijn nederig kerkhof rusten zal!’

Een goede rustplaats
Arnold Ising bezoekt 26 december 1857 in Lisse het graf van zijn vriend (9 en geeft daarvan de volgende beschrijving: ’t Was een Decemberdag zoo als er zelden zijn, de hemel was blaauw en toch vroor het niet. De blaaderlooze boomen zwiepten niet heen en weder, kraakten niet onder den magtigen adem van den storm. Hier en daar zat nog een vogel in de haag te fluiten, en, ware de zon niet zoo spoedig weêr aan ’t dalen gegaan, men zou zich in October hebben gewaand. Ik naderde het dorpje, en reeds van verre zag ik den dikken toren van de kleine kerk, in wier schaduw de dooden slapen. Het hek van ’t kleine kerkhof stond open. Ik ging er binnen en keek naar de namen, op de weinige zerken gegrift. Plotseling, toen ik regts van de kerk was gekomen, trad de zon, die achter den toren met een enkele groote wolk scheen te spelen, tevoorschijn; een helder schuin licht viel over een nieuwe grafzerk, een der zwarte paaltjes, ter zijde in de zode gestoken, wierp een breede slagschaduw over den zonnigen steen en deed den daarin gebeitelden naam nog meer in ’t oog springen, doordien als ’t ware te onderstrepen…Ik las: CORNELIS KRUSEMAN. Op dat oogenblik voelde ik, nog levendiger dan vroeger, dat de vriend gestorven was. Ik stond bij zijn graf… Langs den muur van ’t kerkhof loopt een landweg heen en daarnevens breidt zich een grasveld uit, op den achtergrond begrensd door de rijk met hout bewassen duinen van Keukenhof. ’t Is een fraai Hollandsch landschap, waarvan het ruime, het helder verlichte, het zonnige groen der weide afstekend tegen het blinkend wit der zandige duinplekken in ’t verschiet, zelfs op dien laten, tweede Kerstdag het oog trof en boeide. De zon scheen op het landschap, even als op de zerk en ’t was of ik den kunstenaar, die daar aan mijne voeten sluimerde, tot mij zeggen hoorde, zoo als hij mij zoo dikwijls op onze wandelingen had toegevoegd: “Kijk, hoe schoon!” En ik dacht: “Vriend en kunstenaar, wat hebt ge daar een goede rustplaats. Sluimer zacht te midden dier omstreken, wier eenvoudig schoon gij zoo zeer op prijs steldet”.(10

Wenende schilderijen
Krusemans’ grootste werken, ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ en ‘De slag bij Bautersem’, waarin hij zijn ziel en zaligheid had gelegd, vernietigen zichzelf in de loop van de jaren. Van zijn ‘Johannes de Doper’ begint de verf al tijdens zijn leven te druipen. ‘De slag bij Bautersem’ treft eenzelfde tragisch lot.

Portret van ‘artiste’ Cornelis Kruseman, gemaakt tijdens zijn tweede verblijf in Rome door Louis Joseph Brüls.

De afdruipende verf werkt door het vernis heen en dreigt de figuur van Willem II aan te tasten. Het publiek mag het schilderij niet meer zien en het wordt weggehaald uit het museum voor moderne kunst in Paviljoen Welgelegen in Haarlem en krijgt een plek in een zaal in Paleis Noordeinde. De beide werken hangen daar dan bij elkaar. ‘Het is een treurige aanblik’, schrijft Ising in 1870 vol deernis, ‘ t is alsof die beide groote stukken daar in die verlaten Gothische zaal te weenen staan over den verstoorden roem van hun maker’.(11 ‘De slag bij Bautersem’ wordt rond 1950 vernietigd. In 1971 volgt ‘Johannes de Doper’.

Voetnoten:
1 Aanteekeningen van C. Kruseman, betrekkelijk deszelfs kunstreis en verblijf in Italië. (1826)
2 T. van Westhreene: ‘C. Kruseman, zijn leven en werken’. In: Kunstkronijk 20 (1859), p. 16
3 Stephanus de Clercq was landeconoom en kocht in 1854 grond in de Haarlemmermeerpolder bij de Lisserweg. Hij maakte een mooie bestuurlijke carrière. Hij was o.a  hoofdingeland en heemraad van de Haarlemmermeerpolder en dijkgraaf van Rijnland. Nazaten van De Clercq beheren onder de welbekende naam de Olmenhorst het land dat hij ooit kocht. Stephanus de Clercq vestigde zich in 1857 in Lisse en vertrok in 1866 naar Haarlem. Bevolkingsregisters Lisse 1850-1860 en 1860-1870. Zijn vader Willem de Clercq (1795-1844) was een van de voormannen van de Réveilbeweging, een richting binnen het protestantisme. Hij hield tussen 1810 en 1844 een dagboek bij, een belangrijk egodocument dat in 2022 gedigitaliseerd en getranscribeerd is.
4 A. F. de Graaff: ‘Rosendaal en zijn bewoners (1641-1962)’. In: Leids jaarboekje 1963, p.153-161. Bauterlé vertrekt na het overlijden van Kruseman naar Den Haag.
5 Brief aan Arie Cornelis Kruseman
6 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.  In: De Tijdstroom 1 (1858), pp. 91-107.
7 Brief aan Arie Cornelis Kruseman.
8 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.
9 De grafzerk van Kruseman kreeg nummer 75 (informatie Dirk Floorijp). In 2003 zijn grafzerken die buiten de kerk stonden hergebruikt voor de vloer van de kerk. Stenen die minder mooi waren werden op een andere manier verwerkt (informatie Jan Wesseling). Wat er gebeurd is met de steen van Kruseman is niet bekend.
10 Ising: Spranken, Tijdstroom pp. 91-107.
11 A. Ising, ‘1831. Uit de nagelaten papieren van een kunstenaar’. In: Kunstkronijk 11 (nieuwe serie), 1870, p.60

Bronnen:

  • Eva Geudeker: Cornelis Kruseman (1797-1857): Aardse roem en hemelse ambitie.
  • https://cornelis- kruseman-1797-1857.rkdstudies.nl. Proefschrift, ( 2024). Uitsluitend gedigitaliseerd verschenen.
  • Brieven van Cornelis Kruseman aan Arie Cornelis Kruseman bevinden zich in de UB Leiden.
  • Transcripties zijn online geplaats door RKD https://rkd.nl/excerpts/.
  • De Cornelis Kruseman Stichting in Den Haag spant zich in het werk van Cornelis Kruseman en zijn schilderende familieleden grotere bekendheid te geven. Op afspraak is de collectie van de stichting te bezichtigen.

 

 

 

Kijk nou eens: Achter Sint Aagten 15

Enig idee welke richting we nu opgaan? Een volgende keer vertellen we erover. Mocht u een pand weten waar wel eens aandacht aan mag worden besteed, meld dat dan via redactie@oudlisse.nl of bij een bezoek op dinsdagochtend aan de 1e Havendwarsstraat 4.

Die walvis op de schoorsteen. Kon u de plek bedenken waar die thuishoort? Het is geen plek waar iedere Lisser alle dagen voorbijkomt. Liesbeth Brouwer gaat het helemaal uit de doeken doen.
Natuurlijk ook weer een nieuwe plekje!

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Wist u hoe de wind stond bij deze opgave? Achter Sint Aagten 15, hethuis met de walvis als windvaan, was het antwoord. Het huis met de walvis Daar wonen Theo en Tineke Bosman. Ze zijn Amsterdammers van geboorte en zoeken in de zestiger jaren zoals velen woonruimte. Theo werkt bij de IBM (International Business Machines) en is voor zijn werk zowel in Amsterdam als in Den Haag actief. Gezocht wordt een huis waarvandaan deze plaatsen goed bereikbaar zijn. Bij de ontwikkeling van de Poelpolder zien zij hun kans schoon om een huiste kopen. Verschillende IBM-collega’s volgen dezelfde weg naar de Poelpolder. Daar wonen valt in die beginperiode met overal bouwactiviteiten die zorgen voor de nodige overlast en ver van allerlei voorzieningenniet mee. Langzamerhand wordt dat beter en blijkt wonen in Lisse aantrekkelijk. Wanneer zich eind zeventiger jaren de kans voordoet om iets te kopen in het toen net ontwikkelde Agathapark wordt die omarmd. Nog een tiental jaar later wordt weer verhuisd, nu naar Achter Sint Aagten 15, naar een stukje van Lisse dat dan al min of meer tot het centrum van Lisse wordt gerekend, maar kort daarvoor nog een agrarische bestemming had.

Piusland
Begin twintigste eeuw was er behoefte om een tehuis te bouwen waar “ouden van dagen verpleegd kunnen worden”. Het Armbestuur van de Agathaparochie gaat voortvarend tewerk en krijgt het voor elkaar om deze plannen te realiseren. Van de weduwe Vreeburg wordt een flink stuk grond gekocht. Aan de Heereweg verrijst het Piusgesticht dat voor die tijd een prachtig complex is. Het terrein dat bij het gesticht hoort is enorm. In 1909 staat in een krantenbericht over het te bouwen Piusgesticht: “Het bleek ons dat het Armbestuur voor haar doel een kolossaal terrein heeft gekocht. Het terrein loopt, de plaats van het gebouw niet meegerekend, van den tuin af achter de R.K. Kerk langs de Kerksloot tot aan den Waterweg, welke loopt naar de Ringvaart enz. en heeft een breedte van naar schatting 10 á 12 R.R”. Het Piusgesticht moet min of meer zelfvoorzienend worden; met een boomgaard en een moestuin “terwijl het achtergedeelte in wei zal blijven om een paar koeien te grazen”. Huize Pius functioneert jarenlang naar wens, maar in de jaren zestig blijkt een huis als de Pius niet meer te voldoen. Er volgen plannen voor een nieuw bejaardenhuis: het plan Berkhout. Dat betekent afbraak van de Pius, maar ook verkoop van het enorme terrein. Zo gebeurt het dat het bestuur van de Stichting Pius om een gesprek met de directie van de Hobaho vraagt.

Hobaho
Joop Zwetsloot is dan net een paar jaar directeur en één van de oprichters van de Hobaho is ook nog in functie: Daan Hogewoning. Samen ontvangen ze het Piusbestuur dat meedeelt het weiland achter de Pius te willen verkopen en of er interesse is. Hogewoning had in zijn tijd bijna permanent noodzakelijke uitbreidingen van de veiling accommodatie meegemaakt; hal 1 was in 2 fases gebouwd, hal 2 volgde met daarna de derde, de Glazenhal zoals die werd genoemd. En daarachter lag nog ruimte voor verdere groei. Hogewoning laat de keuze aan Joop Zwetsloot, maar merkt wel op “buurmans land is maar één keer te koop…”. Voor verdere uitbreiding van het veilingbedrijf is het Piusterrein niet nodig. Er zijn wel ideeën voor andere functies binnen het bedrijf en je weet maar nooit, misschien is het land daarvoor te gebruiken. Dus wordt het land gekocht. Nieuwe succesvolle ideeën worden in de jaren erna ontwikkeld, maar niet in relatie met het Piusland. Oudere Lissers zullen nog weten dat het land ook nog gebruikt is als kermisterrein, maar dat is natuurlijk maar een tijdelijk gebruik.

Makelaardij
Inmiddels belanden we in de jaren tachtig. Voor het Piusterrein is nog steeds geen redelijke functie naar voren gekomen. De behoefte aan bedrijfsgebouwen voor de Hobaho is inmiddels steeds minder geworden. Wel heeft de Hobaho intussen een afdeling Makelaardij en Onroerend goed. Meerdere makelaarskantoren zijn aan het werk onder de naam Heemborgh. Er liggen mogelijk kansen om het vroegere land van de Pius te ontwikkelen voor woningbouw. Dus eerst naar het gemeentehuis met het idee: kans van slagen, woningbouw op die locatie?? Het antwoord luidt: In principe zou dat kunnen, kom maar met een plan. Dan komt er een hele beweging met architecten en wat al niet op gang en dat leidt tot een opzet voor een plan: het terrein wordt ontwikkeld met een circuit van een weg en daaromheen kavels…..

Dan komt Rijnland erbij en die zegt: nee, zo kan het niet. “Wij willen meer water! Er loopt nu een brede sloot door het terrein en erlangs, er is een vijver tegen het kerkhof…er moet minstens zoveel water ook terugkomen in dit plan… .” Dat heeft geleid tot de huidige structuur van Achter Sint Aagten. De makelaardij van de Hobaho zet de kavels te koop en binnen niet al te lange tijd is alles verkocht en heeft het land van de Pius een bestemming gekregen. Bij de familie Zwetsloot  aan de eetkamertafel komt deze ontwikkeling natuurlijk ook aan de orde. “Zullen we aan de gemeente vragen of wij een naam aan dit plan mogen geven?” Antwoord: “Ja, kom maar met een voorstel”. Zo wordt het “Achter Sint Aagten”. Binnen de familie is men het niet eens over wie nu de bedenker was.

De kavel
Het plangebied is 1,5 ha groot. Op het terrein worden twee-onder-eenkapwoningen gepland en is ruimte voor 13 kavels waarop een huis naar eigen ontwerp kan komen. De familie Bosman wil een kavel kopen aan de kant van de sloot die het terrein achter de kerk scheidt van het bouwplan. De koop was bijna niet doorgegaan omdat er nogal wat geluidsoverlast was van het transformatorstation aan de Zwanendreef. Dat werd gelukkig opgelost. Architect voor hun woning is Dick van Manen sr. uit Noordwijk, die meerdere andere vrijstaande en de twee-onder-een kapwoningen uit het wijkje ontwerpt. Sinds 1988 wonen zij in dit huis. Oorspronkelijk loopt hun tuin af naar de sloot. Het gedeelte om de kerk is daar dan nog geen kerkhof, maar al vlot nadat ze er wonen wordt dat gedeelte tot grote ergernis van de omwonenden toch bij het kerkhof getrokken. Met de aanleg van het kerkhof komen ze tegen een wal aan te kijken en daarom wordt besloten de tuin op te hogen. Van een walvis als windvaan is dan nog geen sprake.

Studie

Theo Bosman loopt hier achter zijn iets jongere studiegenoten

Theo werkt bij IBM. Dit bedrijf is lange tijd een van de grootste IT-bedrijven, maar komt begin negentiger jaren in de problemen waardoor drastische maatregelen moeten worden genomen. Personeel krijgt een aanbieding om het bedrijf te verlaten en daar maken ook veel IBM’ers uit Lisse gebruik van. Zo ook Theo Bosman. Hij is dan 56 jaar. Te jong om van zijn pensioen te gaan genieten. Net als meerdere oud-collega’s grijpt hij de kans om een totaal andere richting op te gaan. Hij kiest
ervoor om in Leiden geschiedenis te gaan studeren. Als dagstudent dus tussen de 18-jarige schoolverlaters. Het eerste jaar volgt hij ook colleges bij Jaap Bruijn, hoogleraar zeegeschiedenis. Hierna kiest hij voor een summer school in Mystic Seaport (Connecticut, USA). Dit is een gigantisch openluchtmuseum op nautisch gebied. Een van de hoogtepunten daar is de jaarlijks terugkerende 24-uursvertelling, gebaseerd op de klassieker Moby Dick (1851) van de schrijver Melville. Dit is het verhaal over een witte potvis, Moby Dick, die zich maar niet laat vangen en rampen veroorzaakt voor de walvisvaarders. Later volgt Theo een stage bij het Kendall Whaling Museum (USA, Massachusetts). De kennis van walvisvaart van de meesten van ons beperkt zich tot het naoorlogse walvisfabrieksschip de Willem Barendsz, die rond Antarctica actief was. Die manier van vissen en visverwerking, die mede ingegeven was door de naoorlogse behoefte aan oliën en vetten (margarine), is totaal niet te vergelijken met de eerdere 17e en 18e eeuwse walvisvaart. Houten schepen voeren in die tijd in het voorjaar naar het Noordpoolgebied en keerden in de herfst terug. In Nederland waren het vooral Noord-Hollandse reders die actief waren als walvisvaarder. In Noord-Amerika ontwikkelde de walvisvaart zich vanuit
New England. De keuze voor de masterscriptie was voor Theo, na de boeiende ervaringen, niet zo moeilijk; de 18e eeuwse walvisvaart.

De windvaan
Bij de verkoopshop van het museum in Mystic Seaport zijn ook windvanen met een voorstelling van een walvis te koop. Met aan de onderkant wijzers die de windrichtingen aangeven. Het idee om zoiets mee te nemen voor thuis wordt omarmd. In Lisse moet de walvis natuurlijk de schoorsteen op, maar dan zonder de aanwijzingen voor de windrichtingen. Theo en Tineke willen graag dat de walvis boven een golf uitspringt. Dat alles wordt gerealiseerd door Van der Zwart Hekwerken, Noordwijkerhout. Theo studeert in 1997 af en heeft daarna nog diverse interessante contacten die te maken hebben met zijn studie naar de walvisvaart. De walvis geeft nog steeds de windrichting aan, maar verwijst ook naar een mooie tijd in de Verenigde Staten en een interessante studie!

Dank aan: Tineke en Theo Bosman – Joop Zwetsloot

Bij de hartpagina. Rond Rustoord een halve eeuw geleden

Nog een stukje Lisse van een halve eeuw terug waar wel het één en ander veranderd is en nog gaat veranderen. In Lisse wordt gebouwd. We gaan gewoon lekker door met bouwen want dat is hard nodig in deze tijd van woningschaarste!

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Je moet even terug in de tijd, maar voor Rustoord was het meer een bloemoord.

De drie aanleunwoningen aan de Achterweg zijn in 1962 gelijk met het grote gebouw opgeleverd

Stukje Achterweg, omgeving Rustoord, rond 1975 Rustoord werd op 30 november 1962 officieel in gebruik genomen. Aan de kant van de Heereweg kon je de mooi
aangelegde tuinen bewonderen. Rechts de MVO school door architectenbureau Paardekooper & Barnhoorn ontworpen volgens de principes van de Bossche School.

 

 

“De Binnentuin”, het gebouw met het glazen atrium werd in 1984 geopend

We zien de bollenschuur van Jack Th. de Vroomen pal naast de aanleunwoningen van Rustoord en de schuur van Jan Jaco Bos In 1975 staan daar al geen bollen meer in de schappen. De kartonvoorraad van Marbus ligt klaar voor de verpakkingsfabricage. Het bollenveld om Dubbelhoven is niet meer. Achter de Vuursteeglaan en de Spekkelaan zitten nog wat bollen in de grond. De uitbreiding van het sportpark en de Randweg zijn nog niet te zien op de foto. Achter de Vuursteeglaan en naast Rustoord wordt de grond nu bouwrijp gemaakt. Eens stonden hier volop bonte voorjaarsbloemen! Doet het u ook niet denken aan dat mooie lied met de titel, “Waar zijn al de bloemen toch, van heel lang geleden………”?

 

Oud Nieuws: Het Mallegat bij De Engel en booerderij de Burgh

Dirk Floorijp heeft weer wat opgedoken uit het verleden. Het gaat over de waterlozing het Mallegat die onder de Engelenbrug door stroomt.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Argeloos rijden we over de brug in De Engel zonder te weten hoe belangrijk deze was in vroeger eeuwen. De watering was lange tijd de enige vaart waardoor de ingezetenen hun vruchten en gewassen naar de naastgelegen steden van Haarlem en Leiden konden vervoeren. Van de Hillegommerbeek tot Leiden is geen vaart die in de Meer en trekvaart uitkomt als het voorschreven Mallegat, dat langs het voors: water sijn gestelt blekerije, vlasserije, bierstal, lustplaatsen en boomgaarden etc. en ook schippers met hun huizinge die door hetzelfde water wekelijks naar de markten in de steden hun producten brengen. Aan het Mallegat in De Engel was ook een kleine scheepswerf. In maart 1594 was er een eerste verkenning om een waterlozing aan te leggen door Noordwijkerhout, kosten 975 gulden voor de afwatering van 650 morgen, door Voorhout, kosten 582:17:8 door 388 morgen 350 roeden en door Lisse kosten 360:12:8 door 240 morgen 250 roeden, opgesteld door de dijkgraaf en de hoogheemraden van Rijnland.

“Het Keukenduin van Huize van Teijlingen tot de Lisserpoel met vier stenen bruggen. Een brug in de Vaart, een brug in Het Keukenduin, een brug in de Lijdweg en een brug in de Heereweg bij De Engel. Dat de stenen brugge en de houten quackel bij de hofstede van de erfgenamen van Pieter Pijnsen door Jan Ewouts bewoond, ten eeuwigen dage te worden onderhouden door Lisse en de brug aan de Lijdweg door die van Voorhout.

Ondertekend door de ambachtbewaarders en de ingelanden, voor Lisse was dat Claes Cornelisz Corsteman”.

In 1604 verklaarden zij tevreden te zijn na inspectie van de waterlozinge vanaf de wegh genoemd de vaert tot in de poel toe. Wie was die Claes Cornelis Corsteman (1541-1616)? Hij was kerkmeester en ambachtsbewaarder, woonde op de ridderhofstede De Burgh1, was eigenaar van de boerderij De Wolff en getrouwd met Maartje Vranckendr van den Burgh. Ruim een eeuw later, in 1730, is, door nalatigheid en geen toezicht op het schouwen, de vaart ondiep geworden voor de scheepvaart en gelastte het hoogheemraadschap dit op diepte en wijdte te brengen. De waterlozinge het Mallegat, beginnende in de duinen en uitlopende in de ringsloot van de bedijkte Lisserpoel, was volgens het hoogheemraadschap van Rijnland jaren niet geschouwd en op diepte gehouden zodat de scheepvaart er niet meer doorkwam. Het jaarlijks schouwen werd verplicht. De onkosten en arbeidsloon van 550 gl. moest Lisse betalen. Jacob Bartse van der Son was schipper aan het Mallegat, zou deze met zijn schip onder de Heereweg door kunnen varen? Ik neem aan van wel want de schepen van de scheepswerf moesten ook onder de Heereweg door.

Vuurwerkverbod.

Vuurwerk geeft altijd gedonder. Lees ook samengesteld artikel in het herfstnummer 2017 vanaf de hartpagina.

Men zegt wel eens dat er niets nieuws onder de zon is. De discussie over een vuurwerkverbod met oud en nieuw is in volle gang met voor- en tegenstanders. Wie nu denkt dat dit alleen tegenwoordig speelt heeft het mis; ik kom dat al in een akte van het gemeentearchief tegen in 1773. Alleen was het toen eenander soort vuurwerk dan nu en was het verbod gemakkelijker te handhaven op een bevolking van nog geen 1000 inwoners. Een verordening voor oud en nieuw 1773/1774
Schout en Burgemeesteren van Lisse.

“Vernieuwende de voorgaande verbooden, interdeceeren ende verbieden, alsnog het schieten op heeden zijnde oude jaarsavond, ofte morgen zijnde nieuwe jaarsavond ofte nagt, nog met roerspistoolen, oft ander schietgeweer, onder aller misbruijk van Buskruijt hoe ook genaamt, insonderheijd ook aan de bruggen omtrent den huijse van Meerenburg, (dat was de hangplek voor jongeren, D. F.) op een boete van twee en  veertig stuijvers, ten behoeve van den schout van Lisse, daarvan den aanbrenger zal genieten een derde part, onvermindert het regt van den Hoog Ed.Heer Houtvester van Holland ende van den Heere Bailluw zullende de ouders voor haare kinderen, ende de voogden voor haare weesen moeten instaan ende betaalen. Aldus gedaan ende gearresteert int regthuijs van Lisse, bij de Heeren Willem Jacobus Sennepart schout, IJsbrand van Wateringen, Maarten van der Jagt ende Goverd van Parijs burgemeesteren van Lisse, op den 31e december 1773”.

De schout ontving 2/3 en de aangever 1/3 van de bekeuring.

Voetnoot
1 De Burgh wordt ridderhofstad genoemd. In 1500 is het in bezit van Jacob van Almonde en ligt in het verlengde van wat nu de Zwanendreef heet. De familie Vrancken woonde er. Een zoon was castelein op kasteel Dever. Castelein had toen een andere betekenis dan die we nu kennen, nl. rentmeester of plaatsvervanger van de kasteelheer. Later woonde de familie Corsteman er.

Bij de voorplaat: Willibrordusschoolreisje

De vierde klas van de r.k. St Willibrordschool gaat op 12 mei van het jaar 1960 op schoolreis naar Schiphol. De geijkte plek voor een groepsfoto is natuurlijk het vliegtuig met de legendarische naam “DE VLIEGENDE HOLLANDER”.

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De vierde klas van de r.k. St Willibrordschool gaat op 12 mei van het jaar 1960 op schoolreis naar Schiphol. De geijkte plek voor een groepsfoto is natuurlijk het vliegtuig met de legendarische naam “DE VLIEGENDE HOLLANDER”. Het type 2-motorig vliegtuig is een DC-3 van de Douglas Aircraft Company uit de VS. Er zijn er vanaf 1935 ruim 10.500 van gebouwd. De RAF noemde het toestel Dakota; de Amerikanen spraken van Gooney Bird. Heel veel verenigingen en scholen gebruikten vliegtuigen als groepsfoto. Deze is al van 65 jaar geleden. De kinderen op de foto waren toen rond de tien jaar jong en nu allemaal om en nabij de 75 jaar oud. Misschien herkent u zichzelf en uw vriendje of vriendinnetje van toen. Laat het ons weten! Misschien kunnen we in de toekomst er bij Vereniging Oud Lisse eens wat mee gaan doen. Groepsfoto’s daar raak je immers nooit over uitgepraat.

Vondst van de Week: Criminaliteit in Lisse in de jaren 1852-1863

VVDW is een rubriek van de erfgoedexperts van Erfgoed Leiden en Omstreken. Zij doen daarin verslag van opmerkelijke vondsten en ervaringen. Via de website, Facebook en Instagram houden zij je op de hoogte. Op 12 juni was het politierapport van de gemeente Lisse aan de beurt.

Hieronder volgt deze vondst:

Criminaliteit in Lisse in de jaren 1852-1863

In het gemeentearchief van Lisse bevindt zich een bijzonder overzicht, dat een interessant beeld schetst van de criminaliteit in Lisse in de periode 1852–1863 en van de afhandeling ervan. Genoteerd zijn de processen-verbaal, de aanklagers, de verdachten, de getuigen en de wijze waarop de zaken zijn afgehandeld. Uit het overzicht blijkt dat niet alle Lissenaren lieverdjes waren.

Er zijn in genoemde periode 47 voorvallen geweest. De meeste betroffen diefstallen/vermissing (26 keer) zoals de diefstal van een kalf uit de weide van boer Dirk Prins aan de Loosterweg in de nacht van 20/21 mei 1854 door P. van Kesteren, arbeider uit Lisse. Het is helaas niet bekend wat er met de dader is gebeurd, maar met het kalf wel. Dit was geslacht.

Diefstal van vee en andere goederen
Dieren werden in Lisse wel vaker gestolen. Zo lezen we over de diefstal van 17 eenden bij de woning van J. Langeveld Jczn. in de nacht van 30/31 oktober 1854 en van 7 ganzen van P. Scholten in de nacht van 7/8 januari 1855. De dader was onbekend. Er werden ook andere goederen ontvreemd zoals aardappelen, geld en een paar schoenen.

“Drol en smeerlap”
Mishandeling en belediging kwamen in Lisse ook veel voor (12 keer). Zo kreeg op 10 juni 1854 de 23-jarige H. Oudshoorn van Symon Beijk, arbeider uit Lisse, een slag in het gezicht en verwensingen als “drol” en “smeerlap” en werd de Hillegomse timmermansknecht J. Barnhoorn op 15 augustus 1856 in de tapperij van J. van Zanten door Bastiaan Langelaan, arbeider uit Lisse, verwond en mishandeld. Langelaan kreeg daarvoor een maand gevangenisstraf.

Verboden verkoop van urbanuspillen
Daarnaast waren er bijzondere gevallen zoals verzet tegen een veldwachter in functie, door Hendrik van Opzeeland, arbeider uit Lisse. Of de verboden verkoop van zogenaamde urbanuspillen door B.R. de Graaff, winkelier uit Lisse. Volgens een advertentie uit De Tijd van 2 september 1867 waren deze pillen zeer nuttig in ongesteldheden der Maag en werken heilzaam op de Spijsverteering; zij zijn uitmuntend tegen de Gal, scherpte in het Bloed en uitslag der huid; zij zijn zacht laxerend en Slijmverdrijvend. Volgens de overlevering was het recept door Paus Urbanus VIII (1568–1644) bedacht. Ik weet niet waarom die pillen niet zomaar verkocht mochten worden.

Vertrapte tulpen
De meest opmerkelijke overtreding in het overzicht vind ik die van het vertrappen van de op het veld staande bloembollen van de kwekers P. van Waveren en B.R. de Graaff in oktober 1859. Lisse was toen al een belangrijke plaats voor de bloembollenteelt. De schade was 45 gulden, een hoog bedrag voor die tijd. De verdachte was Hendrik van Leeuwen, veehandelaar uit Voorschoten. Ik vermoed dat de schade door zijn vee is veroorzaakt. Uit ervaring weet ik hoe schadelijk dat kan zijn.

André van Noort
12 juni 2026

 

 

De lagere school R.K. St. WILLIBRORD en het schoolhoofd

Cock van Wickeren beschrijft het ontstaan van de r.k. St.Willibrord lagere school aan de Oranjelaan. Over de sloopkogel en wethouder Brekelmans. Heel wat jongens en meisjes kregen hier hun  eerste taal- en rekenlessen.

Cock van Wickeren

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

Uitleg bij de introfoto uit 1951: Op 1 april 1956 werd de St. Willibrord lagere school gesticht en nam dit gebouw in gebruik. Daarvoor was dit vier lokalen tellende gebouw de St. Dominicus Savio mulo. Zij waren uit hun jasje gegroeid. Op de foto wordt de Mariakerk gebouwd die in 1952 klaar zou zijn.

Het ontstaan van de R. K. lagere school St. Willibrord aan de Oranjelaan in Lisse in de jaren 50 van de vorige eeuw. In 2012 werd de school gesloopt. Er zou een nieuwe “Brede school” gebouwd gaan worden, waar twee scholen in werden ondergebracht, de “St.Willibrord” en de “Tweemaster”.

Sloop van de r.k. St. Willibrord lagere school
“Daar ging mijn oude school. Met geweld werd de naam verwijderden daarna de rest van mijn jeugdherinneringen”. (Jan van Rooyen) Bas Brekelmans, de wethouder onderwijs, luidde de sloop in als een feestelijke gebeurtenis. De sloop van een gebouw dat niet meer voldeed aan de eisen die het basisonderwijs stelde. Een gebouw dat volgens hem 40 jaar oud was. Een feest voor iedereen, maar ook voor het schoolbestuur. Alleen al de vergissing van de wethouder, over de ouderdom van het gebouw en het ontstaan van de school met toch een waarschijnlijk onbedoelde miskenning van haar geschiedenis, is de reden waarom ik uit ben gaan zoeken wanneer het echte begin van de Willibrordschool was en wat er ongeveer het eerste decennium van het bestaan zoal gebeurd is.

Heereweg 7 is het eerste huis in Lisse waar ons gezin voorlopig haar intrek mocht nemen.

De eerste lichting kinderen, die hier hun volledige lagere schooltijd hebben doorgebracht, had bij die sloop inmiddels de leeftijd van ± 62 jaar bereikt. In de zoektocht naar informatie over de beginjaren van de Willibrord stuitte,

In 2012 ging de sloopkogel tekeer. De St. Willibrord basisschool moest eraan geloven. Illustratie is een  beeldje uit een film van oud leerling Jan van Rooyen.

ik op het boekje de “Kleine kroniek van Lisse” 1950 tot en met 1959 van Arie in ’t Veld. Je krijgt daarin een beeld van het dorp Lisse met de mensen die er woonden, werkten en zich ontspanden. Je waant je, het boek lezend, weer terug in deze vijftiger jaren, de eerste tien jaar van mijn leven. Kortom een rijke bron van informatie uit de tijd dat de St. Willibrord lagere school werd gesticht. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een groot gebrek aan woonruimte in Nederland. Bevolkingsgroei was de oorzaak van die woningnood (komt bekend voor in de huidige tijd).

Julianastraat 176 onze tweede woning in Lisse. Het huis waar ik geboren ben.
Pentekening Henri van den Berg 1999

Mijn ouders zagen geen kans om in het oosten van ons land woonruimte te vinden voor een zich uitbreidend gezin. Dus dan maar in het westen van het land een plek zoeken, waar werk en woonruimte was. Dat werd Lisse.

 

Woningbouw in Lisse

 

 

 

 

 

Aan de St. Josephschool was een vacature met tijdelijke woonruimte aan de Heereweg 7 villa “Buitenlust”. Daar ging ons gezin wonen samen met een ander gezin.

 

Het overgrote deel van wat we op deze twee vogelvluchten aan woningen
en gebouwen zien is in de jaren 50 gebouwd. Ons gezin woonde op de
hoek van de Prinsessestraat, op Oranjelaan 120. In deze omgeving groeide
ik op, ging ik naar school. Eerst de kleuterschool “Mariënburcht”, daarna
naar de Willibrordschool waar mijn vader hoofdonderwijzer was

Daarna naar een vaste woning in de Julianastraat 176, waar ik in 1950 geboren ben.  Die bevolkingsgroei was dus ook in Lisse te merken. Er moesten ook hier meer woningen komen, natuurlijk niet aan de westkant van het dorp. Daar lagen immers de bollenvelden op de zandgrond, maar in het oosten van het dorp, richting de Ringvaart. Grootse plannen waren er voor de bouw van nieuwe huizen. Veel sociale bouwactiviteit in deze jaren in de Oranjebuurt. Nieuwe woningen verschenen in de Koningstraat, Oranjelaan, Wilhelminastraat, Willemskade, Irenestraat, Emmastraat en de Prinsessestraat, de straat waaraan wij op de hoek bij de Oranjelaan zijn gaan wonen. Ook waren er veel bouwactiviteiten in de Bloemenbuurt. In de periode 1953 tot 1957 ging woningbouwvereniging  Volksbelang verder met woningwetwoningen voor gezinnen in de Geraniumstraat, de Broekweg, de Anemonenstraat, de Montbretiastraat en de Gasstraat. In al deze nieuw gebouwde huizen kwamen gezinnen met kinderen wonen. Die moesten natuurlijk ook naar school. Vóór de jaren vijftig in de vorige eeuw waren er wel een aantal lagere scholen in Lisse. Katholieke scholen, protestantse scholen en de openbare gemeenteschool. De St. Josephschool (gebouwd 1868/1909), de St. Agathaschool 1902, en de gemeentelijke openbare school 1885, stonden alle drie aan de Heereweg. De Gereformeerde school in de Schoolstraat is in 1905 gebouwd en werd later “De Akker” genoemd. De Nederlands Hervormde school uit 1922 in de Lisbloemstraat. De katholieke Wilhelmusschool en Annaschool werden op 1 mei 1930 ingewijd. Die scholen staan aan de Heereweg bij buurtschap De Engel, later bekend als de Beekbrugschool.

Scholen en kerken

In 1952 toen de Mariakerk gebouwd werd stond de mulo Dominicus Savio van 1951 aan de rand van Lisse. Links langs de populieren van de ijsbaan achter de Nieuwsloot was er zicht op de bollenvelden tot aan de Heereweg en op de voorgrond weidegebied net als rechts waar je uitkeek op de huizen van de Hillegommerdijk

De “Mariakerk” bouw 1952 en de ”Mariënburcht” bouw 1954.

Er moesten nieuwe scholen komen voor kinderen in de buurt van de nieuwbouw en de Lisserbroek, waar wel een openbare maar geen katholieke school was. In de “Kleine kroniek van Lisse 1950-1959” wordt de oplevering van een nieuwe katholieke kerk in augustus 1952 aangestipt, “Onbevlekt Hart van Maria”, bekend als de Mariakerk, met de nieuwe kleuterschool (bewaarschool, Fröbelschool) en buurthuis, de “Mariënburcht” (1954), aan de Oranjelaan naar een ontwerp van architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn. “Maria” was de link met de nabijgelegen kerk, “burcht” als toevluchtsoord voor jong en oud want er kwam ook een ruimte als buurthuis. Achter die kerk, aan de noordzijde, kwam al in 1951 tijdelijk de r.k. Mulo school, ook door dezelfde architect ontworpen. De “Dominicus Savio”, die daarvoor in de St. Josephschool was gevestigd. We komen daar verderop in dit artikel nog op terug. Opvallend is de bouwstijl. De Romeinse invloed is duidelijk zichtbaar bij de kerk (Delftse school met invloeden van de Bossche school). Het is een driebeukige basilicale kerk met halfronde apsis en een voorportaal. Het interieur wordt gedekt door een cassetteplafond. Als je goed kijkt kun je dat nu nog zien in het gezondheidscentrum, wat nu de bestemming is van het gebouw. Heel apart zijn ook de ramen in “de Mariënburcht”; veel licht kwam er daardoor naar binnen. Vier kleuterklassen en linksboven de gemeenschapsruimte van de parochie waar o.a. toneelvoorstellingen konden worden gehouden. De Mariakerk is nu een gezondheidscentrum. De “Mariënburcht” is gesloopt in 1988. Er was dus een logische behoefte aan een nieuwe katholieke lagere school voor kinderen uit de Oranjebuurt of Wilhelminabuurt, de Lisserbroek en de nieuwe Zeeheldenbuurt. Dat werd destijds “parochieschool” genoemd. De katholieke ouders gingen naar de nieuwe Mariakerk. Katholieke kleuters uit dit deel van het dorp gingen al naar de “Mariënburcht” en moesten toch ook naar een katholieke lagere school in de buurt. De St. Josephschool en St. Agathaschool waren, gezien de bevolkingsgroei, geen optie. Er moest dus een nieuwe katholieke school komen. Dat ging ook gebeuren en wel in 1956.

Kleuteronderwijs

Een gedicht voorgedragen tijdens de eerste steenlegging bij Mariënburcht

Boven vlnr: zr Regis, mevr. Lefeber-Kooiman, zr Sebastiana, beneden vlnr: Coby Tulen, Agnes Teeuwen, Els Kroon, Riet van Bruggen-van Deursen

 

 

 

Een kippeneindje van af de hoek Prinsessestraat naar de Mariënburcht

We beginnen met het katholieke kleuteronderwijs. Dat was in Lisse vertegenwoordigd door twee scholen. De “St. Lucia”, horende bij de St. Agatha en St. Joseph en de “Engelenbak” bij de Anna- en Wilhelmusschool. De “Mariënburcht” was de nieuwe kleuterschool aan de Oranjelaan. Die werd geopend in december 1954 in dat nieuwe gebouw, kruising Nassaustraat-Oranjelaan. Daarvoor was de kleuterschool begonnen in de sacristie van de Mariakerk in 1952. Dat was even behelpen voor het team o.l.v. zuster Timothea tot de opening van “Mariënburcht”. Zr. Timothea kwam van de ”St. Lucia” kleuterschool en woonde in het klooster bij de Agathaschool.

Halte Vreewijk. Op de Oranjelaan lagen nog klinkers. Er was opvallend weinig verkeer maar er reed wel een NZH bus. Schuin tegenover ons huis was er zo eenzelfde bushalte. In die tijd reed de NZH lijndienst met bussen van het merk Crossley. Foto archief NZH Vervoer Museum

Ze startte met een groep kleuters uit Lisserbroek. De meeste van die kinderen bleven tussen de middag over. Toen ze verhuisden naar de “Mariënburcht” kwamen er ook kinderen uit de Oranjebuurt en later ook uit de Zeeheldenbuurt. Zo groeiden de klassen tot soms wel 50 kinderen. In die tijd was het kleuteronderwijs niet gesubsidieerd; men moest per kind 10 cent schoolgeld betalen. Zuster Thimothea, werd in 1956 opgevolgd door zuster Regis. Ik hoorde bij de eerste groep kleuters die introk in het nieuwe gebouw. Ik kan me weinig herinneren van die kleutertijd. Wel weet ik nog dat ik de eerste dag door mijn moeder werd gebracht en dat ik de volgende dag alleen naar school moest. Geen probleem, want het was maar een klein stukje lopen vanaf de hoek Prinsessestraat naar de kleuterschool. Voordat de pastorie gereed was woonde pastoor Stadegaard op ons latere adres Oranjelaan 120. Je ziet twee blokken huizen. In het laatste huis van het tweede blok woonde de dierenarts Gerrit Costermans en daarnaast de gymleraar Osephius, die lesgaf op de huishoudschool. De woningen waren net opgeleverd. Dat is duidelijk te zien; tuinen zijn nog niet aangelegd en er staan standaard hekjes. Aan de overkant van de Oranjelaan was weiland, maar dat zou snel veranderen. Sinds januari 1949 was de bollentramlijn opgeheven en kwam er een buslijn Leiden – Haarlem en omgekeerd, die vanaf begin jaren 50 via de Oranjelaan reed. Schuin tegenover ons woonhuis was een halte en is daar nog steeds. Er was wel meer verkeer, zeker in de bollentijd, want naast de Heereweg door het dorp, was de Oranjelaan (Laan van Rijckevorsel, Gladiolenstraat) de doorgangsweg van het dorp.

Even een uitstapje naar de St. Josephschool

Kleuterklas in Mariënburcht uit 1954. Nummer 9 ben ik, wie ben jij?

De meeste namen zijn mij jammer genoeg ontschoten, maar sommige weet ik nog. Je zult deze kinderen ook wel tegenkomen op klassenfoto’s bij het volgende deel. 1: Aad Verkerk, 2: Arie Slot, 3: Ton Hogenes, 4: Theo Wassenaar?, 5: Gerard Wassenaar?, 6 : Tonnie Tulen?, 7: Ferry Vaneveld, 8: Kees Boot?, 9: Cock van Wickeren.

Er waren in 1956 dus al aardig wat kleuters beschikbaar om naar de lagere school te gaan. Deze kinderen gingen als eerste volledige lichting naar die lagere school en daar zat ik ook bij. Zij woonden dus vooral in de Oranjebuurt, Kanaalstraat, Lisserbroek en later de startende Zeeheldenbuurt. In de Witte de Withstraat waren al de eerste woningen in 1958 gereedgekomen. Er was zicht op de weilanden van Meer en Duin tegenover het vierklassige gebouw (1951), waar de Mulo toen was ondergebracht. In de verte “het Kanaal” met de Hillegommerdijk. Hier komt later de sporthal, het Fioretti College, het zwembad, de brandweer en de uitbreiding van de Zeeheldenbuurt. Tegenover de latere Dominicus Savio Mulo (uitvaartcentrum) was de ijsbaan.

De voorbereiding

Het kerkbestuur van de Mariakerk: v.l.n.r. de heren J. P.  Clemens,A. C. Paardekooper (niet de architect), J. Staadegaard (de bouwpastoor), J. Jonkman en J. van der Reep.

Dominicus Savio van 1956 één van de pronkjuwelen zoals Mariënburcht en de Mariakerk van architect Ir. A. H. J. Paardekooper (1918-1991)

Een actiegroep, het St. Willibrord Comité, was al een paar jaar eerder opgericht (1951). Er kwam een folder voor alle katholieken in Lisse en de Lisserbroek, waarin plannen werden bekend gemaakt voor de eerder besproken Fröbelschool (kleuterschool) en een lagere school. Daarin was ook een uitnodiging om na de hoogmis verder geïnformeerd te worden in het K.A.B. gebouw, het latere Trefpunt. Met het kerkbestuur van de Mariakerk werd op 23 april 1951 een vergadering belegd op Oranjelaan 120, de voorlopige woning van de pastoor, ons latere woonhuis. Fe financiering en vergunningen moesten geregeld worden. Burgemeester De Graaf wist, ondanks de bestaande bouwstop in die tijd, toch te zorgen dat de vergunningen er kwamen. (een bouwstop en woningnood; deze tegenstrijdigheid komt niet geheel onbekend voor). De start van de nieuwe lagere school begon dus in het gebouw ten noorden van de Mariakerk waarin de Dominicus Savio Mulo was gevestigd tot 1956. Het kerkbestuur van de Mariakerk werd, zoals in die tijd gebruikelijk, ook schoolbestuur van deze nieuwe school. De Mulo kreeg in april 1956 de nieuwe eigen huisvesting wat verderop aan de Oranjelaan nr. 76, het huidige uitvaartcentrum.

Elst 1940-1956, meester K. Kager 1946-1953, meester T. van Wickeren1 947-1956, daarna hoofd van de Willibrordschool, juffrouw B. Lamboo 1937-1979, juffrouw G. Schoorl 1927-1973, meester H. Brouwer 1944-1956, meester T. Kapel 1922- 1968, meester H. Turkenburg 1925-1929 en 1947-1960 en in het midden het hoofd van de school meester C. Strik 1917- 1961.

Dit zijn de leerkrachten van de St. Josephschool eind jaren 40, mijn vader kwam nog maar net uit het oosten. Het aardige van de foto uit 1947 is dat een aantal leerkrachten elders in het onderwijs ging werken. Ik herinner me nog een leuk versje over de bijnamen van leerkrachten van de St. Josephschool: Op de  wijs van Valencia; Dikke Proppie, Kale Keesie, Pikkie Noga, Stale Mozes, Papoea….en over mijn vader: meneer van Wickeren zat te piekeren over een som die hij niet kon.

Rooms-katholieke St.Willibrord school
Dat werd de officiële naam van de nieuwe school. Als hoofd van de school werd mijn vader A. J. M. van Wickeren, aangesteld. Hierboven de benoeming van het eerste hoofd van de nieuwe school per 1 april 1956 in Lisse. Je ziet de ondertekeningen door de pastoor, voorzitter schoolbestuur, A. Paardekooper, secretaris en ook door de bisschoppelijk inspecteur, die zijn goedkeuring gaf. Op 1 april 1956 startte de school met een 5e en 6e klas. De kinderen kwamen voornamelijk van de St. Josephschool (jongens) en de St.Agathaschool (meisjes). Het werd deels een gemengde school; bijzonder in Lisse, maar ook in deze tijd. Sinds het begin van de vorige eeuw werden jongens en meisjes in katholieke scholen gescheiden. De jongens en meisjes uit de 6e klassen van april 1956 waren in juli vertrokken naar het vervolgonderwijs. In september 1956 werd klas 5, klas 6 en kwamen er twee 1e klassen bij. De meeste kinderen vanuit de “Mariënburcht”. De vier lokalen waren
dus weer snel gevuld.

Van de St. Josephschool en de St. Agathaschool kwamen heel wat kinderen de nieuwe klassen van de St. Willibrordschool vullen. Er gingen ook leerkrachten mee naar de nieuw gestichte school bij de Mariakerk.

Wordt vervolgd…….

Van de St. Josephschool en de St. Agathaschool kwamen heel wat kinderen
de nieuwe klassen van de St. Willibrordschool vullen. Er gingen ook
leerkrachten mee naar de nieuw gestichte school bij de Mariakerk.

De eerste vier klassen van de St. Willibrordschool april 1956. Twee nog gescheiden jongens en meisjes 6e klassen en twee gemengde 5e klassen. Leerkrachten: meneer G. van Dijk, juffrouw A. Buyck, juffrouw A. van der Elst, meneer A. J. M. van Wickeren (hoofdmeester).

 

SCHOOLREIS

Men organiseerde al veel eerder schoolreisjes dan dat menigeen van ons zou denken. Al in 1884 trok men eropuit naar Artis vanuit de Lisserbroek. Hoe zij helemaal in Amsterdam kwamen? Dat laat Liesbeth Brouwer u weten.

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De schoolreisjes zijn weer volop aan de gang. Het schooljaar zit er bijna op en dan is het leuk om met de hele groep een schoolreis te maken. Spanning bij de leerlingen en bij de leerkrachten niet minder.

In de 19e eeuw

In de 19e eeuw was er nog geen leerplichtwet en dus gingen lang niet alle kinderen naar school. Ook een schooljaar zoals wij dat nu kennen, zeg maar van september tot en met juli, kenden ze niet. Vaak waren er twee momenten waarop je kon beginnen. Bij ’t Parochiaal school, de eerste RK school die in 1867 startte, was dat na Pasen en na Kerkwijding, 25 oktober. Er was een zomervakantie en ook met de Kerst en Pasen waren er vrije dagen. Een leerplichtwet was er dus nog niet, maar ook wanneer kinderen wel op school zaten, waren er diverse redenen waarom er verzuimd werd zoals helpen in huis en op het land. Ouders werden op allerlei manieren gestimuleerd om hun kinderen wel naar school te laten gaan. Dat het organiseren van een reisje voor de leerlingen ook een stimulans was om leerlingen naar school te laten gaan zien we in een krantenbericht van 2 augustus 1886. Het bericht begint met: Ter bevordering van getrouw schoolbezoek hadden de kinderen van de openbare school te Lisse, Donderdag en Vrijdag, weder feest. De kleintjes hadden feest op school, maar de hoogere klassen maakten een pleziertocht met de stoomboot “Lisse” naar Amsterdam en omstreken. Blijkbaar was zo’n feest voor de zomervakantie een gewoonte, want in het bericht staat: Dank zij de bemoeiingen van het hoofd der school, den heer W. Visser, werd de jeugd reeds meermalen dergelijke uitspanning verschaft, wat gunstig terugwerkt zoowel op het schoolbezoek als op den leerlust der kinderen, getuige ook de bereidwilligheid van ouders en belangstellenden om door ruime bijdragen den onderwijzer in staat te stellen dit jaarlijks te herhalen. Ook in andere jaren verschijnen berichtjes in de krant over deze uitstapjes. In Amsterdam worden in 1886 Artis, het Aquarium en het Panopticum (wassenbeeldententoonstelling) bezocht. In 1884 stond hier ook al iets over in de krant. Toen werd het uitje samen georganiseerd met de school in Lisserbroek waar L. Kieviet hoofd van de school was. Hij was de broer van de schrijver van Dik Trom, J. C. Kieviet, die enkele jaren als hulponderwijzer in Lisse les gaf. Ook toen was Amsterdam het doel. Uit dat bericht weten we dat er gegeten werd in een volksgaarkeuken en dat voor het vervoer in Amsterdam gebruik gemaakt werd van de noodige tramwagens van den Omnibus-maatschappij. In 1885 is er een reisje samen met Lisserbroek naar IJmuiden. Een bedankje voor de onderwijzers verschijnt ook in de krant, Moge die beide Heeren (de schoolhoofden Kieviet en Visser) de hun vertrouwde taak blijven waarnemen, ondertekend door enkele notabelen uit Lisse en Lisserbroek. Het onderwerp schoolreisjes zal sinds het oprichten van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap, opgericht in 1842, zeker dikwijls besproken zijn. In 1889 wordt bijvoorbeeld door het genootschap contact gezocht met de Nederlandsche Spoorwegbestuurders om voor schoolreisjes per
trein kortingen te bedingen. Ook zijn er aanbevelingen voor de kosten daarvan per kind.

1900
Vanaf 1900 wordt de leerplichtwet van kracht. Kinderen van 6 tot 12 jaar moeten naar school. Om schoolbezoek te stimuleren zijn schoolreisjes dan niet meer nodig. Zo’n schoolreisje is ook langzamerhand gemeengoed geworden. Het vervoer met de stoomboot raakt uit de tijd. Bussen nemen dat vervoer over. Er is een heel fraaie foto van een schoolreisje van leerlingen van de school aan de gracht, genomen rond 1923. De school aan de gracht heet nu De Akker, een naam die de school pas in 1984 kreeg. De reis ging naar Katwijk. Dat zou natuurlijk nog per boot geweest kunnen zijn, maar dat weten we helaas niet. In 1935 gaat de hervormde school van de Lisbloemstraat per touringcar op stap. De 1e en 2e klas gaan eerst naar een nieuwe naar de eischen des tijds ingerichte speeltuin te Velserend, daarna naar het Bloemendaalse strand. Op de terugweg wordt Groenendaal nog aangedaan. Er wordt nog gemeld dat ze bij thuiskomst worden begroet door vele moeders. Tegenwoordig zullen toch ook wel veel vaders aanwezig zijn om de kinderen, die dan natuurlijk wegduiken zodat een “lege” bus arriveert, te begroeten. Onze Bollenstreek leent zich ook internationaal als doel voor schoolreisjes. In 1936 meldt de krant dat de Belgische minister van Openbaar Onderwijs een circulaire heeft verstuurd naar middelbare scholen met de mededeling dat er van 25 tot 28 April wederom een schoolreis naar Nederland zal plaatshebben. In de Bollenstreek zullen bedrijven voor vertrek de vriendelijkheid hebben een tuiltje bloemen aan te bieden. Ook staat nog in het bericht dat door de Belgische regering meer dan 100 reisbeurzen beschikbaar zijn gesteld. Voor een schoolreis werd ook hier een bedragje gevraagd van de leerlingen. Soms was een bus huren toch te duur. In de crisistijd was het echt sappelen in veel gezinnen. Het kon zo maar gebeuren dat wanneer je aan een kind vroeg ‘wat doet je vader?’ als antwoord kwam ‘die stempelt’. De werkloosheid was groot. Gelukkig waren leerkrachten inventief. Een schoolreisje, fietsend of lopend om het doel te bereiken, kon minstens zo leuk zijn. De
leerlingen van de Annaschool gingen zo zien we op een foto in 1939 lopend naar De Kaag.

Jaren veertig en erna
Het Leidsch Dagblad had jarenlang een soort kinderkrant. Daarin gaat het in de correspondentierubriek vaak over schoolreisjes. Kinderen schreven over reisjes die ze gehad  hadden, waar het naartoe zou gaan, hoe leuk het was geweest. Ook begin mei 1940 staan er nog berichtjes over verwachte schoolreisjes in. Dan wordt het oorlog. Of de schoolreisjes doorgingen is niet meer in de rubriek te lezen. Op 15 mei, de dag van de capitulatie, staat het schoolalphabet in de rubriek  van de kinderkrant. Daarin staat bij de S: S is de Schoolreis, die we maken elk jaar. Men kon natuurlijk niet vermoeden hoe het verder zou lopen. Na de oorlog werd het schoolreisje weer jaarlijks opgepakt. Met een eigen bijdrage van soms wel een dubbeltje per week. Maar was dat een probleem dan kwam er een oplossing, maar die was zeer vernederend voor de kinderen die geen dubbeltje mee konden nemen. De rest van de klas wist precies wiens ouders geen geld hadden voor het schoolreisje.
Groenendaal bleef populair. Ook het enkele dagen op kamp gaan werd een gebruik. De Beekbrug had enkele jaren een uitwisseling met Enschede, waarbij kinderen bij gastgezinnen verbleven. Juffen en meesters zijn onuitputtelijk in hun ideeën. En mochten ze tegenwoordig nog hulp daarvoor willen hebben, dan is er Schoolreis.nl of het Nationaal Schoolreis Magazine. Ons vertrouwde Keukenhof, maar ook het LAM museum worden graag bezocht bij een schoolreis. Heerlijk zo’n
schoolreisje! Ik zou er bijna heimwee naar krijgen.

Rond 1923 gingen kinderen van de school aan de Gracht (nu De Akker) helemaal naar Katwijk. Hoe? Misschien met de “Bello” de stoomtram? Op de achtergrond de robuuste vuurtoren  “De Vuurbaak”. Er ging van alles mee om er een leuke dag van te maken. Manden en tassen vol proviand, schepjes en ballen. Voor een goede foto moest je gezicht strak in de plooi en vooral niet bewegen. Deze foto is supergoed gelukt!

 

TOCH NOG EEN VERLOSKUNDIGE!

Na het verschijnen van het laatste artikel over de medische geschiedenis van Lisse ben er op gewezen, dat mevrouw G.E. Moolenaar-van der Zaal al in de jaren vijftig als verloskundige actief is geweest in Lisse.

door Paul Stelder

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Na het verschijnen van het laatste artikel over de medische geschiedenis van Lisse ben ik via twee kinderen van mevrouw G.E. Moolenaar-van der Zaal (geboren op 11 augustus 1926 te Lisse, overleden op 11 november 2011 te Lisse), Jan Albert en Geri, beiden al jaren lid van de VOL, erop gewezen dat hun moeder al in de jaren vijftig als verloskundige actief is geweest in Lisse.

Wie was deze vrouw?
Zij is als oudste dochter met roepnaam Truus geboren in het gezin van een Lissese bollenkweker en is opgegroeid aan de Heereweg 64. Toen ze drie jaar oud was, overleed haar moeder aan de complicaties van de derde bevalling. Vader hertrouwde enkele jaren later. In dat huwelijk werden geen kinderen geboren. Truus is dus grotendeels opgegroeid in een gezin met een pleegmoeder. Ze kon goed leren en heeft na de lagere school haar mulodiploma gehaald en daarna nog een jaar nijverheidsonderwijs en een jaar kinderverzorging gedaan. Na deze opleidingen heeft ze een jaar in Engeland als kinderverzorgster gewerkt. In april 1949 begint ze aan de Amsterdamse Vroedvrouwenschool met de opleiding tot vroedvrouw. In juni 1950 legt ze met goed gevolg het theoretisch examen af en op 18 april 1951 slaagt ze ook voor het praktische deel en mag zij zich als zelfstandig vroedvrouw vestigen. Daarna volgt een periode van waarnemingen verspreid door het land. Ze bewaart veel verslagen van de bevallingen van kinderen die met haar hulp ter wereld zijn gekomen en dat helpt later haar dochter Geri daarvan een prachtig overzicht te maken. In het Nieuwsblad 2024-3 heb ik geschreven dat de eerste verloskundige in de 20e eeuw in Lisse mw. C.A.G. Hiddink-Morsink was. Naar nu blijkt is deze verloskundige, Rini Morsink, een klasgenote en waarschijnlijk goede vriendin van Truus van der Zaal geweest: in maart 1951 staan zij trots en blij samen in hun uniform op de foto. In april 1952 vestigt ze zich in Lisse, aanvankelijk in haar ouderlijk huis op de Heereweg 64. Drie jaar later vindt op 7 juli 1955 haar huwelijk plaats met dr. A.J. (Bram) Moolenaar, klinisch chemicus in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, en verhuist ze naar de Oranjelaan 10, waar ze de praktijk voortzet.

 

De stopt, hoogzwanger van haar eerste kind, in december 1955 met haar beroepswerkzaamheden. Eén van de eerste bewijsstukken van haar werk in Lisse Wanneer Truus in verwachting raakt, is er kennelijk nog steeds contact met vriendin Rini. Ze komen een overnamesom voor de praktijk overeen: Rini mag dit bedrag in drie jaar in delen betalen; Truus blijft beschikbaar voor noodgevallen, wanneer zich bijvoorbeeld twee bevallingen tegelijk aandienen. Uit de gegevens van mw. G.E. Moolenaar-van der Zaal blijkt dus dat Rini Morsink al vanaf december 1955 werkzaam in Lisse is geweest: ze helpt namelijk op 19 januari 1956 bij de bevalling van het eerste kind van haar vriendin Truus: Jan Albert. Rini Morsink blijft vanaf haar adres aan de Kapelstraat als verloskundige in Lisse actief tot 1966.

 

 

 

 

 

Oud Nieuws: Tolbrieven voor de vlassers

Schipper mag ik over varen, ja of nee? Moet ik dan nog tol betalen…. Ach wie kent het niet? Wist u dat, als je Lisse binnenkwam er tol betaald moest worden? Daar werd ook wel eens de hand mee gelicht. Werd je betrapt dan moest je op het matje komen bij de schout.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Niet alleen op het land maar ook op het water moest tol worden betaald. Die heffingen werden op het ’regthuijs’ betaald. Het huis De Tol op de Heereweg nummer 44 dankt zijn naam aan de tol waar eens de toegang tot Lisse was en waar doortrekkende reizigers tol betaalden. Tolgaarder was vroeger een beroep. De onderstaande akte gaat over tolheffing op het water. In mijn jeugd deden we een spelletje met een liedje over dit gebruik. Dat was het kinderliedje: schipper mag ik overvaren, ja of nee, moet ik dan ook tol betalen, ja of nee, en dan moesten we iets aangeven. Ieder in de kring was beurtelings de schipper. Het is een volksliedje en het is niet bekend wanneer het is ontstaan. In 1930 verscheen het voor het eerst in druk. In de 16e en 17e eeuw is er een bloeiende vlasindustrie in Lisse geweest met grote vlasboeren zoals op Seevenhof en tientallen vlasovens. De afgewerkte producten gingen naar Twente. In die jaren gingen de schippers met zeilschepen hoog opgetast met vlas vanuit Goeree en Overflakkee en Schouwen-Duiveland richting Lisse waar het bewerkt werd. Zo ontstonden er ook relaties en menig Lisser heeft nog verre Zeeuwse voorouders. Bij Gouda aangekomenmoesten de schippers hun tolbrieven laten zien, anders mocht men niet doorvaren. In 1689 verscheen een aantal vlassers in het ‘regthuijs’ op uitnodiging van de vier burgemeesters van Lisse om over de tolgelden te praten die men in Gouda moest betalen. De burgemeesters kozen de kant van de schippers, dit tot ongenoegen van de schout. Getuigen waren Susanna van ’t Hoog, weduwe van Pieter Arentse van Wateringen, omtrent 55 jaren, Sijmen Hoogkamer oud omtrent 35 jaren, Cornelia Jansz van der Kluft oud omtrent 33 jaren, Klaas van Rode omtrent 40 jaren, dan nog Andries Willemse Rietveld, Symon Jacobse Wassenaar, Lenard Gerritse Brero en Reijnier Janse Schenaart, alle vier van competente ouderdom en allen onze inwoners. Susanna kwam op 29 juli ten huize van de schout om haar bede te betalen (dorpslasten) en de schoutin had haar gevraagd of haar zoon al naar Zeeland was omdat hij geen tolbrief had opgehaald. Susanna zei daarop dat Dammes dat had opgehaald en dat het voor zijn vieren was. Doch de schout vliegt met grote boosheid op met verschrikkelijke vloeken dat Dammes een valse verklaring gaf. De vrouw van de schout wordt steeds aangeduid als de schoutin. Het gaat om Syberig Evertsdochter van der Horst, die met de schout Adriaan van Gorcum was getrouwd. Zij woonden op de buitenplaats Mossenhof tegenover de kerk. De schout overleed in datzelfde jaar 1689. Eerder koopt hij een dubbele grafstede in de kerk aan de zuidmuur, bij de toren, beneden het glas waar het wapen van Adriaan van Gorcum, schout tot Lisse, ingeschilderd
is. Hieruit zien we dat hij bij leven het gebrandschilderde raam al aan de kerk heeft geschonken. De schout was een rijk man. Zijn nalatenschap is beschreven in wel 40 bladzijden, waarin ook een haringbuis1 genaamd de Windhond wordt genoemd. Waar zou dat gebrandschilderde raam zijn gebleven? We weten dat de Grote of St.-Bavokerk in Haarlem ramen van Lisse heeft gekocht en dat die ook in de kerk zijn geplaatst. Van Gorcums graf is later weer verkocht aan Cornelis Adriaanse Molin, die belooft het graf 10 jaar te laten rusten. De schout bleef maar volhouden dat ieder een tolbrief moest hebben en zei dat hij de vlassers in Gouda zou aangeven.  “Gij sijt maar sacramentse dieven en mijnedige schelmen”. Ook de burgemeesters wilde hij aangeven. De burgemeesters stelden dat tot het overlijden van de schout er maar twee tolbrieven nodig waren voor de hele compagnie. Één voor heen en één voor terug. Van het plan van de schout kwam niet veel terecht; hij was al oud en kort daarop overleed hij.

Volgens A. M. Hulkenberg zou rond 1900 de tol zijn opgeheven. De slagboom staat hier omhoog tegen het tolhuisje daar waar de dame met het witte schort in de deuropening staat. In de verte rechts van de hoge paal zien we de oude bollenschuur van Grullemans