Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Archeologiedag bij Dever

Aan de hand van wat eerdere vondsten nabij de Tweede Poellaan aan de Rijnsloot werden proefsleuven gemaakt om te onderzoeken wat er in de ondergrond te vinden is aan oudheidsresten.

Deen Boogerd

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Kort verslag van een mooie dag
Al heel vroeg waren de mensen van RAAP begonnen met het graven van een eerste proefsleuf (zie foto linksboven). Ewan Mol, archeoloog bij RAAP en projectleider, stuitte al snel op harde delen in de vorm van een put en een plavuizen vloer op zo’n 50 cm diep.

Dat was goed uitgekiend want hier konden leerlingen van het Fioretti college uit Lisse aan de slag. De jongelui werden verwelkomd in ’t Huys Dever met een korte introductie over hetgeen die dag de bedoeling zou zijn. Zelf hoopte ik dat er sporen gevonden zouden worden van een eerder Dever. Daarop zal ik later, na goed beraad, zeker op terugkomen. Voor de leerlingen en hun begeleiders lagen er helmen, werkschoenen en gele hesjes klaar. Op de fiets ging het naar de 2e Poellaan alwaar we ter velde werden ontvangen door Roosje de Leeuwe, ook een RAAP medewerkster. (zie foto links).

Aan de hand van wat eerdere vondsten vertelde zij wat je zoal in de grond zou kunnen aantreffen. Daarna liepen we over de ringdijk richting de proefsleuven.

Na nog wat korte aanwijzingen van Peter Vink op het gebied van veiligheid mochten de zeer gemotiveerde leerlingen aan de slag. Gewapend met metaaldetectoren, schepjes, zeven en stoffers gingen ze op onderzoek uit. Ze zijn zeker een paar uur flink bezig geweest en er zijn best wel dingen gevonden die keurig opgetekend zijn in het RAAP-rapport. Overigens, het rapport is per vergissing als Dever-Zuid betiteld. We gingen toch echt graven in het gedeelte wat men in de bouwplannen de naam Geestwater had meegegeven. Deze 7e juni was werkelijk een uitzonderlijk mooie dag om bezig te zijn met archeologie, voor de jonge gasten zeker een bijzondere ervaring. Wij hopen hun
interesse te hebben gewekt voor dit bijzondere vakgebied. In ieder geval waren de reacties van de Fioretti leerlingen zeer positief. Ook door de leerkrachten werd dit initiatief heel erg gewaardeerd en men zei dat het zeker voor herhaling vatbaar is.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Donatie ‘Onderhoud grafmonument van Teunis Kulk’

Het grafmonument van Teunis Kulk, gesneuveld voor zijn vaderland mei 1940, behoeft onderhoud.

Wilt u ook doneren voor de restauratie?

Initiatiefnemers: Arie Dubbelaar & Thomas van ’t Wout

Stort uw bijdrage op NL36 ABNA 0822 9624 62 t.n.v. A. Dubbelaar.
Gaarne bij donatie vermelden: ‘grafmonument’.

Teunis Kulk

Teunis Kulk

Op 22 juni 1915 wordt Teunis Kulk geboren in Lisse, in een hervormd gezin met zeven kinderen. In 1935 komt Teunis als dienstplichtige voor het eerst op voor zijn nummer. Hij werkt voor de firma G. van Parijs en Zonen, een bollenkwekerij in Lisse, tot aan de mobilisatie in 1939. Teunis heeft een relatie met Bep Boon. Telkens wanneer hij op oproep is, schrijft hij postkaarten aan zijn familie en vriendin. Teunis en Bep hebben plannen om in de zomer van 1940 te trouwen. Op donderdag 9 mei heeft Teunis zijn laatste verlof, een dag voor de oorlog. Gezien de geringe afstand tussen Valkenburg en Lisse kan hij gemakkelijk op de fiets langs bij zijn familie. Zij zien hem die dag voor het laatst in leven. Hij vertelt hen dat hij de volgende nacht moet wachtlopen en pas zaterdag weer langs zal komen. Teunis loopt in de vroege ochtend van 10 mei wacht op vliegveld Valkenburg. Zijn eenheid, het 3-III-4RI, wordt overvallen door de Duitse overmacht. Na het verlies van het vliegveld die ochtend wordt Teunis als krijgsgevangene meegenomen naar het dorp Valkenburg. Aldaar belandt hij in de Hervormde Kerk van Valkenburg, waar hij op 11 mei door Nederlandse artilleriebeschietingen om het leven komt. Het duurt tot 6 juni voordat de familie van zijn overlijden op de hoogte is. Teunis wordt in eerste instantie begraven in Valkenburg. Zijn lichaam wordt uiteindelijk geïdentificeerd aan de hand van zijn portemonnee en sigarettenkoker die is voorzien van zijn initialen. In plaats van een herbegrafenis op de militaire begraafplaats in Katwijk, wordt Teunis op verzoek van de familie op18 juli 1940 herbegraven op Duinhof in Lisse. Zijn jongste zus Gré heeft tot haar dood bezittingen van Teunis bewaard en zijn graf onderhouden.

 

SCHRAMA, GROSSIER IN LEVENSMIDDELEN HEEREWEG 191

Ooit was Heereweg 191 een aantrekkelijk huis. Nu is het erg vervallen. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. De bewoners worden besproken. Antonius Schrama is in 1876 naar Lisse gekomen. In 1919 koopt zijn zoon Cornelis de woning op Heereweg 191. Hij begint daar een grossierderij in levensmiddelen.

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Ooit was dit een mooi en aantrekkelijk huis in het hart van het dorp, maar jammer genoeg is het tot een bouwval verworden, dichtgetimmerd, wit gekalkt, rotte kozijnen en een gebladderde gevel. Alle allure voorgoed verdwenen. Er is van alles geprobeerd om het huis voor sloop te behoeden, maar helaas heeft het nu plaats moeten maken voor nieuwbouw. (zie afb. omslag) Er wordt gezegd en geschreven dat dit wellicht het oudste huis van Lisse is geweest. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. Onderzoek aan het huis en de oudste onderdelen ervan, door de heren Pex en Plantenberg vanuit de Vereniging Oud Lisse, ondersteunen deze datering. Rond 1635 zou er een bakker gewoond en gewerkt hebben en rond de Franse Tijd zijn er enkele generaties zadelmakers in het huis geweest, maar hiervan zijn bij het onderzoek geen sporen meer gevonden. Oorspronkelijk zou het huis slechts een enkele woonlaag hoog geweest zijn. De tweede bouwlaag is veel later aangebracht, mogelijk al rond 1830 maar misschien pas kort voor de Eerste Wereldoorlog. Toen zou ook de bepleistering aan de voorzijde van de woning zijn aangebracht. De oudste foto’s van het huis tonen in elk geval steeds een witgepleisterde woning met twee woonlagen. Het pand is door de werkgroep Bouwkundige Zaken van de Vereniging Oud Lisse beschreven in het boek ‘Registratie Waardevolle Panden in Lisse. Deze werkgroep heeft ‘deze mooie woning’ in 1995 gewaardeerd als gemeentelijk monument, c.q. ‘karakteristiek om zijn unieke beeld in de straat’.

Bij de presentatie in 2008, van zijn tiende en laatste kalender met aquarellen van oude panden en monumenten in Lisse en omgeving, overhandigt Carl Daudeij een originele aquarel van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191(zie omslag), aan de voorzitter van de Vereniging Oud Lisse, die zich sterk gemaakt heeft om het voormalig gemeentelijk monument van de slopershamer te redden. Maar helaas is dan de sloopvergunning al een maand eerder afgegeven, in afwachting van de daadwerkelijke sloop. Het was toen nog niet duidelijk dat het nog zó lang zou aanlopen. In januari 2014 is het oude huis echt gesloopt en verdwenen.

Hannes van Berkel en ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen

Vóór de oprichting van het Kadaster bestaat het huis Heereweg 191 al. Op een heel oude minuutplan is het perceel met huis ingetekend en in de lijst van oorspronkelijke tenaamstellingen voor de invoering van de grondbelasting in 1832 staat Johannes van Berkel, bouwman in Lisse, genoteerd. In het Bevolkingsregister van 1830-1840 staat deze man geregistreerd als Hannes van Berkel, geboren in Hazerswoude en vierenzestig jaar oud. Hij woont aan de ‘Heereweg in ’t dorp’, op nummer 171, samen met zijn vrouw Antonia de Vries. Schuin aan de overkant woont het gezin van geneesheer Van Hasselaar. Het gezin bestaat uit de arts zelf, zijn vrouw en zeven kinderen. Het oudste kind is de dan zeventienjarige dochter Maria. Verder wonen daar nog een dienstbode en de nog jonge en ongehuwde ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen. De oude geneesheer overlijdt in 1838 en zijn weduwe vertrekt met de kinderen naar Leiden. Alleen Maria blijft in Lisse achter, zij trouwt met de jonge dokter. Hannes van Berkel woont nog steeds op nummer 171 als zijn vrouw komt te overlijden. Dokter Nieuwenhuizen en zijn vrouw Maria wonen dan naast hem, op nummer 172, in het huis waar later Jan van der Geest zijn winkel ‘in galanterieën’ begonnen is. Als Hannes zelf in augustus 1852 overlijdt, wordt zijn woning verkocht aan dokter Thomas Nieuwenhuizen en zijn vrouw. Het jonge doktersgezin verhuist naar het huis naast hen, naar Dorpsstraat 171.

Antonius Schrama, van boerenknecht tot vrachtrijder

In 1876 komt Antonius Schrama als boerenknecht vanuit de Haarlemmermeer naar de boerderij van zijn oom op de Achterweg. Oom Carolus overlijdt in hetzelfde jaar en Antonius verhuist naar een adres op het Oosteinde in Lisse, het noordelijk deel van de huidige Heereweg. Hij is getrouwd met de Lissese Cornelia van der Reep. In 1878 wordt hun zoon Cornelis geboren. Het gezin vertrekt naar de Dorpsstraat en gaat wonen in het rechterdeel van de grote dubbele woning, net voorbij de hoek met Het Vierkant. Naast hen woont Clara Schrama, de nicht van Antonius, die met koperslager Antonie van Engelen getrouwd is. Antonius is nu vrachtrijder en woont met zijn gezin in huis nummer 311, nicht Clara woont met haar man op 312 en enkele huizen verder woont nog steeds het doktersgezin Nieuwenhuizen, in het oude witte huis dat nu adres Dorpsstraat 318 draagt. Er worden uiteindelijk vijftien kinderen in het gezin van Antonius Schrama en Cornelia van der Reep geboren, maar de meeste ervan worden niet volwassen. Twee dochters worden levenloos geboren, tweemaal wordt een tweeling geboren maar deze kinderen overlijden kort na hun geboorte. En nog eens vier andere kinderen sterven tussen twee en tien maanden. Van de jongens zet alleen de oudste zoon, de eerder genoemde Cornelis, het geslacht voort. Antonius Schrama overlijdt in 1917.

Cornelis Schrama van vrachtrijder tot grossier

Cornelis is de oudste zoon van Antonius Schrama. Hij trouwt in 1906 met Petronella Brouwer uit Hillegom. Cornelis is vrachtrijder, net als zijn vader. De bevolking van Lisse groeit, er zijn meer woningen nodig en een school. Op een groot stuk weiland achter het Vierkant wordt de christelijke lagere school gebouwd en een huis voor de hoofdonderwijzer. Dat wordt de Schoolstraat. Ook Cornelis koopt daar grond en bouwt er een huis op, schuin tegenover de nieuwe school. Daar gaat hij met zijn gezin wonen en daar worden de meeste van de kinderen uit het gezin geboren. Het zesde kind in het gezin is dochter Johanna, ze wordt Jo genoemd. In 1919 wordt het huis aan de Schoolstraat verkocht. Op de Heereweg overlijdt dokter Thomas Nieuwenhuizen en anderhalf jaar later ook zijn vrouw. Hun zoon en zijn inwonende tante vertrekken uit Lisse en het huis wordt verkocht. Veehouder Theodorus van Leeuwen en zijn vrouw zijn de nieuwe bewoners. Dan overlijdt ook veehouder Van Leeuwen en het huis wordt verkocht aan Jan Hendrik Elisa de Brero, een nog jonge kapelaan die in de pastorie bij de Sint Agathakerk woont. Hij heeft het huis aan zijn Lissese collegakapelaan Van den Berg verhuurd, voor diens vereniging die zich inzet voor de bevordering van het Katholieke Geloof. Maar als de jonge kapelaan De Brero in 1919 alweer naar Haarlem vertrekt, verkoopt hij het huis op de Heereweg aan Cornelis Schrama. Cornelis verhuist met zijn gezin van de Schoolstraat naar de Heereweg. Daar worden nog twee zoons geboren, de op één na jongste zoon wordt slechts drie maanden oud. Cornelis wordt grossier in levensmiddelen. De zaken gaan goed en het bedrijf breidt zich in de loop der jaren verder uit, er wordt een pakhuis gebouwd en een garage.

Grossierderij Schrama op Heereweg 191

De vijf zoons zetten het bedrijf voort als oprichter en vader Cornelis Schrama in 1932 overlijdt. De oudste zoon Piet wordt directeur. De grossierderij ligt dan nog steeds achter het woonhuis en is zowel via een heel smalle poort vanuit de Heereweg als via een bredere poort vanuit de Kanaalstraat te bereiken. Door het steeds groter en breder worden van de vrachtwagens, blijkt de poort toch echt te smal. Op de muren aan beide zijden van de poort ontstaan slijtsporen. Het wordt tijd voor meer geschikte huisvesting van het bedrijf en iin 1964 wordt een nieuw bedrijfspand aan de Eerste Poellaan betrokken. Als Piet Schrama in 1982 overlijdt, is hij vijftig jaar directeur van het grossiersbedrijf geweest. Jo(hanna) Schrama, de zus van de broers van de grossierderij, blijft ongehuwd en is de laatste Schrama die in het huis op de Heereweg gewoond heeft. Als haar jongste broer Jan kort na de Tweede Wereldoorlog trouwt, wordt de woning in twee wooneenheden gesplitst en verhuist Johanna met haar moeder naar Heereweg 191a, bereikbaar via de smalle poort links naast het huis aan de weg. Volgens een adresboekje van Lisse uit 1994 woont Jo Schrama dan nog op 191a, terwijl op nummer 191 Jan de Kooker als bewoner staat genoteerd. Johanna Schrama is enkele jaren voor haar dood naar een aanleunwoning bij Berkhout gegaan. In 2007 is zij in Sassenheim overleden. Jan de Kooker is de allerlaatste bewoner geweest van het oudste huis aan de Heereweg.

Bronnen

o.a.: Onderzoeksresultaten R. Pex en E.J. Plantenberg; Informatie Arie in’t Veld; Registratie Waardevolle Panden, Vereniging Oud Lisse; MIP-rapport; Minuutplan Lisse 1811-1832; OAT 1832; Lisse in oude ansichten en plattegronden, Eric Vergunst; Bevolkingsregisters 1830 – 1920 Lisse; Wassergeest, R.J. Pex; De Aagtenkerk van Lisse, A.M. Hulkenberg; Stamboom en website Schrama-Gravenmade-Bollenstreek; Informatie Gerard Schrama; GenealogieOnline v. Breevaart – v. Nierop; Adresboekjes Lisse.

Vervolg

Laura Bemelman tekende n.a.v. een gesprek met mevrouw Walenkamp-Schrama over ‘Wie Weet Raad’ (april 2014) het volgende op: Mevrouw is geboren in Lisse, in 1942, als dochter van Cornelis (Kees) Schrama, een van de zoons van de grossier Cornelis Schrama waarover ik in het 2e kwartaalblad van dit jaar schreef. Zij is vernoemd naar zijn vrouw, en haar oma, Petronella Maria Schrama-Brouwer. Haar peettante, Cornelia Adriana Helena (Corrie) Hulsebosch, is de vrouw van de oudste zoon en opvolgend directeur van de grossierderij Petrus (Piet) Schrama. Haar vader was samen met zijn broers eigenaar van de grossierderij. En heel erg toevallig, is ze ook nog geboren in het huis, afgebeeld in de rubriek “Wie weet raad?”. Op de foto staat het huis, tegenwoordig adres Heereweg 90 in Lisse. In dat huis is zij in 1942 geboren, dus ze weet precies waarover ze het heeft, ze heeft er lange tijd met haar ouders gewoond.

De op de foto witte aanbouw is volgens mevrouw al voor haar geboorte gesloopt ten behoeve van de bouw van het huis op nummer 92. Om de lelijk geworden muur na deze sloop te verbergen, is de muur gestuct en de deur naar het balkon is vervangen door een raam. De mooie teakhouten dubbele voordeur aan de Heereweg, van het merk Norhtgo, is er nog steeds en een blijvende herinnering aan de fabriek van de broers van haar moeder. Deze gelijknamige fabriek Norhtgo, middeleeuws voor de oorspronkelijke vestigingsplaats, stond toen nog in Noordwijk. Een andere bijzondere herinnering, vertelt ze, is dat als je indertijd bij haar thuis op je tenen op een keukenstoel ging staan en naar het westen keek, je in het voorjaar de bezoekers door de Keukenhof kon zien lopen. Via de achtertuin was daar nog vrij uitzicht op. Volkomen onvoorstelbaar, nu met de hele wijk De Blinkerd ertussen en de Westelijke Randweg.

Heereweg 86, 88 en 90

Het perceel waarop nu de nummers 86,88 en 90 staan, is indertijd in 1898 gekocht door Jacobus Matthijs van Til. De twee oude huizen die op het perceel stonden zijn gesloopt en hij liet het blok van de huidige drie huizen nieuw bouwen. In 1906 komen alle drie de woningen in eigendom van Jacob Groet, die ze in de loop der tijd weer verkoopt.

Heereweg 90

Voordat de familie Schrama in de woning van de foto kwam wonen hebben daar volgens het Bevolkingsregister eerst Jacob Louis Veldhuizen van Zanten gewoond, daarna Hendrikus en Gerrit Blokhuis en vervolgens nog Jacob Groet. Deze laatste verhuisde naar het nieuw te bouwen huis op nr 92.

Heereweg 92

Hier heeft aanvankelijk naast de bollenschuur het huis van Jan Jacob Guldemond gestaan. In 1943 zou dat huis gesloopt zijn en uiteindelijk vervangen door het huidige pand. Jacob Groet is in 1951 overleden, zijn zoon Hendrik, woonde volgens de telefoonlijst van 1950 toen in dit huis. Hier was lange tijd het Arbeidsbureau gevestigd en later het Algemeen Maatschappelijk Werk.

Heereweg 94

Links naast het huis op nummer 92 heeft een klein huis, vlak aan de straat, gestaan. Het komt tot 1921 niet voor in de bevolkingsregisters of het belastingkohier van Lisse. Maar mevrouw herinnert zich dat hier de familie Tromp woonde, een gezin met zes kinderen, vijf dochters en een zoon. Ze kwam daar met haar zusje regelmatig thuis. Het gezin verhuisde later naar de Von Bönninghausenlaan. Dit adres komt niet voor in de telefoonlijst van 1950 maar dat bewijst alleen dat de bewoner geen telefoonaansluiting had in die periode. Vóór 1972/1973 is het mogelijk gesloopt of in elk geval niet bewoond, want het komt dan niet (meer) in die adreslij st voor. Op een oude foto is nog wel het huisnummer ’94’ te lezen. In dit huis moet na het vertrek van de familie Tromp het kantoor van Joh. Roozen gevestigd geweest zijn. Naast het huis stond de bollenschuur van de firma Roozen. Nu is daar de kleinschalige wijk ‘De Rozentuin’.

OokR.C.J. Boot ontrafelde het raadsel van het huis op de Heereweg/
Hij stuurde deze foto mee.

 

Bij de voorplaat: een turfschip

Een foto van een zeilschip met turf voor de stomp van de molen van Beelen om de stoomturbine te kunnen laten draaien.

Redactie

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Breda had een turfschip maar zo u ziet in Lisse hadden we ook beurtschippers die turf vervoerden. Goed afgedekt want turfblokken moeten wel droog blijven anders gaat het moeilijk branden. De afgeknotte molen kon de maalderij van Beelen niet meer aandrijven, daarvoor in de plaats was een stoomturbine gekomen. Dat was een veelvraat van turfblokken en ander goed brandbaar materiaal als hout en kolen, om de manometer op de juiste stand te houden. Onze trouwe schrijver van de rubriek OUD NIEUWS Dirk Floorijp haalt in dit nummer ook de beurtvaart even aan. Hierbij wordt een bepaald type beurtschip genoemd en wel de Damschuit. Dit soort binnenvaartschepen, ook wel maatschepen genoemd, zijn heel lang in gebruik geweest. Iedere werf maakte dit soort schuiten voor een bepaald vaargebied. Zo had je o.a. de Roosendaalse, de Friese, de Zevenbergse en de Westlandse maatschepen.

Bij de hartpagina

Altijd leuk zo’n plaat waarin van alles is te ontdekken. Grote drukte op de Heereweg langs de bloembollenvelden. We vliegen over de Bollenstreek in 1950, het jaar van de eerste voorjaarsbloemen tentoonstelling in de Keukenhof.

Redactie

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Het is half april 1950 de rails van de tram zijn al weggehaald. De voorjaarsbloemententoonstelling in de Keukenhof is nog maar net voor de eerste editie officieel geopend. Nog meer reden om naar de bollen te komen kijken. Hoewel je die net niet kon zien, wel de bloemen die de velden kleuren. De bollen zijn voor de winter ter aarde besteld en als het licht komt rijzen ze op uit hun graf en laten ze zich van de mooiste kant zien en ruiken. Toeristen uit de hele wereld willen dit wonder ieder jaar weer aanschouwen! Niet door vertellen hoor, maar de Bollenstreek is eigenlijk een pelgrimsoord en de Keukenhof is het centrum van al dat moois al bijna 75 jaar. Al die bollenboeren met hun vakmensen en hun grote schuren zorgen er voor dat we ieder jaar weer van die weelde mogen genieten. Op de foto rechts van de Heereweg kom je nu nog maar weinig tegen van wat met de bloembollencultuur heeft te maken. Aan de linkerkant laten de velden gelukkig ieder jaar weer de meest bonte kleuren zien. Lisse is en blijft de parel van de Randstad. “Tulpen uit Amsterdam”, hoe krijgen ze het uit die Mokumse keeltjes? Daar hebben ze in de Jordaan alleen maar een lepel in die armoedige brijpot staan! Over eten gesproken, weet u nog dat de “fluit” van de steenfabriek over de velden klonk om de tijd aan te geven voor werk en schafttijden? Als je goed kijkt dan hoor je hem nog fluiten! Als u dan toch kijkt, kijk maar eens goed naar dat prachtige Becorsa, Wildlust en Nieuw Veenenburg maar ook naar de grote bollenschuren van Grullemans, Veldhuyzen van Zanten de Nieuwenhuizens en van Van der Veld. In de verte zien we de witte huisjes die een muur vormden om de kalkzandsteenfabriek, dan gluren we al bij onze Hillegomse buren. Daar woonden ook best heel wat Lissese gezinnen die hun brood verdienden onder de schoorstenen van Van Herwaarden. Wist u dat de grens van Lisse dwars door het perceel van Rob Schols loopt. Aan de overkant stond huize “Demarcatie”. ■

 

De bakker in de beklaagdenbank

Dirk Floorijp heeft weer wat nieuws uit de oudheid opgedoken. Dat levert altijd wel wat leuke anekdotes op. Nu gaat het over een beurtschipper die de belasting probeerde te flessen en een bakker die zijn broodjes wat lichter maakte dan dat ze moesten zijn.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Voor schout Jacob van Dorp en schepenen Jacob Ottense Cranenburg en Sijmon Janse de Graaf in Lisse, Cornelis Jans van der Jagt, diaken, oud omtrent 39 jaren, Maria Lenards van Leeuwen desselfs huisvrouw oud omtrent 36 jaren, en Wijve Jans van der Schaaf, vroedvrouw oud omtrent 40 jaren, huisvrouw van Jochem Dirksz Stellingwerve, alle wonende te Lisse en verklaarde onder eede wettelijk door de schout afgenomenvten verzoeke van Pieter Lenardse van der Bijl, oud bschepen en tegenwoordig ouderling in de gereformeerde gemeente Jesu Cristi tot Lisse, dat zij getuigen het brood halen bij bakker Pieter Lenardse van der Bijl die tegenwoordig het brood levert aan de armen. Hij had voor 15 juli 1709 nooit gehoord dat zijn brood te licht was. Doch eerste getuige Maria Lenards verklaarde dat op vrijdag den 12e juli 1709 des savonds omtrent agt uuren ten haren huize gekomen was een dochtertje van Cornelia Claes van Cleef, die van de armen werd ondersteund en laatst weduwe was van wijlen Henrik Pieterse Tetrode, die voor haar moeder ontvangen had na gewoonte twee roggebroden en één tarwebrood, moetende wegen het eene roggebrood agt ponden en het andere vier ponden, het tarwebrood anderhalf pond, voor de armen aan huis geleverd. Wijve van der Schaaf verklaarde, dat op maandag 15 juli 1709 des savonds omtrent 8 of 9 uuren naar haar huis was gekomen Cornelia Claes en haar wekelijks geld van de armen bedragende 10 stuivers had ontvangen en een roggebrood bij haar hebbende van vier pond, vroeg of ze geen 12 pond most hebben van de armen en of zij het wilde wegen en een beroep doen op haar man omdat het brood duur is.( zie tabel) Cornelia had geseijt, dat dan Pieter Lenardse meer trok van de armen dan zij. Cornelia heeft een gewicht gehaald en het brood woog 3 en een half pond en had geseijt ”siet gij nu wel dat Pieter Lenardse een dief is, ja meer is een armendief dat hij mij nu ontsteelt, dat hij meer van de armen steelt als ik “. De bakker heeft het brood terug genomen en een ander weer gegeven en verklaarde dat een vierendeel zwaarder was als vier ponden. Hij wilde niet toegeven dat hij fout zat. Wijve van der Schaaf verklaarde verder dat op 18 juli gekomen was naar het huis van Cornelia, dat zij een half brood gehad heeft van Cornelis van der Jagt dat een half pond te licht was, dat Pieter Lenardse een dief ja een armendief was, dat zij niet langer kon zwijgen dat het brood telkens te licht was voor de armen. Cornelia zei dat de dominee gelijk moest doen gelijk bij Anna Pieters gedaan hadde, dat men Pieter Lenardse moest zetten in de kerk in t hokje van den doctor met een sulpe mantel en goude kanten, ende als gevraagt wierd, wie dat was, dat men dan most antwoorden dat is een armendief. Soo waarlijk most haar deposanten God almachtig helpen. Actum in t regthuijs van Lisse 28 augusti 1709. ■

Met klare wijn het schip ingaan 1688

Dirk Floorijp heeft weer wat nieuws uit de oudheid opgedoken. Dat levert altijd wel wat leuke anekdotes op. Nu gaat het over een beurtschipper die de belasting probeerde te flessen en een bakker die zijn broodjes wat lichter maakte dan dat ze moesten zijn.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Damschuiten waren nog erg lang in gebruik als beurtschepen

Iets buiten de belasting houden is van alle tijden. Cornelis Lenardse Casteleijn woonde op het Vierkant, was schipper op Amsterdam en hield een paar vaatjes Franse wijn onder een dekzeil verborgen. Cornelis was met zijn damschuit aangemeerd aan de Gracht op zijn vaste plaats ten noordwesten van de dorpswaag, toen er twee controleurs op zijn schip kwamen. Ook de collecteur Bartolomees de Haan, pachter van de impost op wijnen. Het leek alles in orde tot ze, onder de mast in het ruim, onder een paar dekzeilen vier tonnetjes, twee ankers en twee steekkannen, half zo groot als de ankers, vonden. Nadat ze met nog twee anderen uit de swikgaten hadden geproeft ende gesmaakt kwamen ze tot de ontdekking dat het goede Franse wijn was. Een anker of vaatje was 35 liter. De collecteurs kwamen naar het huis van Cornelis op het Vierkant en vroegen hem: ”Is alles wel?” En hij antwoordde: “Alles is wel”. Die bevestiging bleek dus niet te kloppen. Daarna kwamen onder ede getuigen Jochem Dirkse Stellingwerve, dienaar van justitie van de heer baljuw van Lisse, en Simon vGerritse Brero, gezworen klapwaker, dat zij op zaterdag den 13e november 1688 des morgens de klokke tussen tien en twaalf uren hadden gezien dat er een tonnetje uit het schip werd gedragen. Alles werd in het rechthuis gebracht. Wat daar verder mee gebeurde wordt niet vermeld. Vanaf 1689 zien we Beatrix, de vrouw van Cornelis Lenardse Casteleijn, als schipperes en mag hij waarschijnlijk niet meer varen. Misschien wel assisteren, het lijkt me niet mogelijk om alleen zo’n zeilschip te besturen. Er stonden strenge straffen op fraude of ontduiken van belasting, je kon je vergunning zelfs kwijtraken. Cornelis overleed voor 1698. Zijn weduwe Beatrix Sijmons van der Codde werd schipperes op Amsterdam en leverde diverse partijen aalbessen uit de streek naar Amsterdam aan de Oude Schans, “in t groote wijnvat”. Beatrix verkoopt de damschuit in 1708 aan Jan Adriaanse Sprokkelenburg, schipper en biersteker. ■

Kaartje Lis met haven uit ca. 1615 door Jan Pietersz Dou

 

 

Een geheimzinnige kist

Vorig jaar was de heer Johan van Stijn in De Vergulde Zwaan en vermeldde terloops dat hij nog een kist had met een mooi verhaal. Reden om eens een praatje te gaan maken.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Verteller
Nu is de heer Van Stijn Lisser van geboorte. Hij had hier een bloeiend bedrijf en is een echte verteller. Voor je het weet zijn er al diverse verhalen over Lisse langsgekomen die stuk voor stuk wel een verhaaltje in het Nieuwsblad waard zouden zijn. Maar het ging om een geheimzinnige kist.

Bij vader aan het werk
De overgrootvader van Johan was de uitvinder van de eerste bollensorteermachine, De Vlinder’. Een enorme vooruitgang voor het vak. De nazaten bleven in dezelfde richting werkzaam. Het bedrijf van de familie Van Stijn kreeg later ook ‘De Vlinder’ als naam. Johan werkte, toen hij nog op school zat, ook al in het bedrijf. Daar werden o.a. wanmolens en sorteermachines (‘de Ideaal’) gemaakt. Het schudmechaniek in de sorteermachines zorgt ervoor dat de bollen op maat verdeeld kunnen worden. Ziftmaten bepalen de maat van de bollen, bijv. bolmaat 5 heeft gaten van 15,9 mm diameter. Zo maakte Johan in zijn schooltijd tussen de middag wel de gaten in de ziftplaten voor de sorteermachine. Na de verplichte diensttijd startte Johan zijn eigen onderneming, natuurlijk ook in de (elektro)techniek.

Klus in Patronaatsgebouw
Zo had Johan als jonge ondernemer een klus in het Patronaatsgebouw (Bondstraat 11-13, gebouwd in 1918). Eigenlijk was het op dat moment het parochiehuis, maar iedereen noemde het nog het Patronaatsgebouw. Rond 1960, toen Johan van Stijn daar aan het werk moest, was het
gebouw nog in eigendom van de Agathaparochie. De gemeente, die sinds 1973 eigenaar is van dit gemeentelijke monument, heeft het gebouw onlangs gegund aan ErgoZorg, dat zal moeten zorgen
voor een maatschappelijke invulling.

Kist
Johan doet er zijn werk na de tentoonstelling over 500 jaar St. Agatha. Hij ziet dat in het parochiehuis een oude ijzeren kist is blijven staan. Misschien wel handig zo’n kist om je gereedschap in op te bergen. Maar eens aan de koster vragen wat de plannen zijn met die kist. Ja,
ze wilden wel van die kist af. Ze hadden hem al als oud ijzer aangeboden, maar geen belangstelling. Had waarschijnlijk niet geholpen dat de kist iets verzwaard was met water. Daar trapten ze bij firma Oldenhage niet in. Maar in het parochiehuis was hij ook niet op zijn plaats. Van Lammeren, de nieuwe koster, woonde in het Patronaatsgebouw. Zijn voorganger, koster Van Kesteren, woonde in de kosterswoning ernaast. Advies van de kosters: Praat eens met de pastoor.

Geruild
Dus toog Johan naar pastoor Van Zuylen. Ze kenden elkaar, Johan kwam uit een goed rooms-katholiek nest. Bovendien had hij al vaker in de kerk gewerkt, bijv. om lampen in de armaturen te vervangen. En om te zorgen voor de geluidsinstallatie. Voor de kist was bij de kerk geen belangstelling en Johan wilde hem graag hebben. Daar moesten ze dus uit zien te komen. Als Johan nu eens kon zorgen voor twee luidsprekerboxen voor op het koor. Zo gezegd, zo gedaan. Er werden twee mooie boxen opgehangen, meneer pastoor kreeg nog een kistje sigaren en Johan nam de oude ijzeren kist mee naar huis.

Waar kwam de kist vandaan
Eigenlijk had Johan voor de herkomst en de geschiedenis van de kist toen nog niet zo’n belangstelling. Hij begon tenslotte net zijn eigen zaak op te bouwen. Later bleek hem wel, wanneer amateurhistoricus Fons Hulkenberg bij hem in de winkel kwam, dat hij een heel bijzonder object had verkregen. Er werd verteld dat de kist naar het Patronaatsgebouw was verhuisd vanaf de kelder van boerderij Bloemhof aan de Achterweg. Hij zou afkomstig zijn geweest van de r.k. schuilkerk aan het Mallegat. Aan de Achterweg zouden ze de kist niet open hebben kunnen krijgen. Het hengsel schijnt toen ook gebroken te zijn en het slot beschadigd.

Hoe ziet de kist er uit
Tot we op dit punt van het verhaal waren gekomen had ik de kist nog niet gezien en had nog geen idee hoe hij eruit zou zien. Ja, hij was oud en van ijzer en had een relatie met de kerk. Johan van Stijn veronderstelde dat de monstrans en de kelken erin hadden gezeten. Meer wist ik niet en ik was dan ook diep onder de indruk toen we de kist gingen bekijken. Een flink formaat kist. Alleen al de sleutel die er bovenop lag zag er zeer indrukwekkend uit. Daarmee zou toch iets meer informatie over de kist te ontsleutelen moeten zijn? Over die poging in het volgend Nieuwsblad meer. ■

Parels van boekbindkunst

Ria Grimbergen vertelt graag over de inhoud van boeken. Dit keer gaat het ook om de omslag. Boekbinden is in vroeger jaren tot een ware kunst verheven. Deze boeken laten op dat gebied een geweldig stuk vakmanschap zien.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

De AVB vierde haar vijftigjarig bestaan in 1910 met een publiekstrekker en zette het jubileum luister bij met twee boeken: een fotoboek en een gedenkboek, beide graag voor u uit de bibliotheekkast gehaald door Jos van Bourgondiën en Peter Vink. Een kolossaal gastenboek bevindt zich in de kluis van een bibliotheek in Hillegom, waar Arie Dwarswaard de scepter zwaait.

Machtige mannen op bezoek

Mevrouw Peng Liyun doopte met een glas champagne de tulp Cathay

Een van de machtigste mannen van de wereld bracht op 23 maart 2014 een bezoek aan Keukenhof. De president van de Volksrepubliek China Xi Jinping en zijn vrouw Peng Liyuan bezochten met het koninklijk paar het bloemenpark. Mevrouw Peng Liyun doopte met een glas champagne de tulp Cathay, de naam die ontdekkingsreiziger Marco Polo voor China gebruikte. Even spectaculair was het bezoek van Theodore Roosevelt aan de nationale bloemententoonstelling in Haarlem op 1 mei 1910. De immens populaire ex-president van de Verenigde Staten bracht een bliksembezoek aan Nederland en sloeg Haarlem met de bloemententoonstelling en het Frans Hals Museum niet over. Teddy, zoals hij liefkozend door zijn schare bewonderaars werd genoemd (en waaraan een knuffelbeertje zijn naam dankt), werd overal waar hij kwam enthousiast toegejuicht. Hieronder een foto van zijn wandeling over het tentoonstellingsterrein.

Theodore Roosevelt op de nationale bloemententoonstelling in Haarlem op 1 mei 1910.

Koffietafelboek met lichtdrukken

Het bestuur van De Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur, de AVB, besloot in 1910 het jubileumjaar groots te vieren met een vollegrondstentoonstelling tijdens de bloeiperiode van de bollen. Van de tentoonstelling in de Haarlemmerhout bestaat een schitterend koffietafelboek, uitgegeven in royaal formaat met vijfenzeventig lichtdrukken, waarin de lof van de bloembollencultuur wordt gezongen. In zijn voorwoord schrijft Ernst H. Krelage dat het een gewaagde onderneming is van uitgever Emrik & Binger, die nog maar moet afwachten of zijn investering tot winst zal leiden. De prijs van de uitgave was voor leden f. 12,50. Het gedistingeerde boek in het bezit van de VOL is gebonden in donkerrood linnen, met in gouden letters de opdruk ‘De nationale bloemententoonstelling Haarlem 1910 in woord en beeld’. Op het voorplaat is een langwerpige foto geplakt met op de achtergrond Paviljoen Welgelegen, nu het Provinciehuis van
Noord-Holland.

Boekband in Jugendstil

Het hoofdbestuur van de AVB hield toezicht op de uitgave. Voor velen bleek de verkoopprijs van f. 12.50 te hoog. De uitgever besloot na een jaar een goedkopere, ingenaaide versie op de markt te brengen voor f. 5,00. Peter Vink, naast Jos van Bourgondiën werkzaam
in de bibliotheek van de VOL, wijst mij op een van de platen in het boek: een foto van de Kunstzaal in een tentoonstellingspaviljoen. In een sfeervol interieur hangen werken van de bekende bloembollenschilder Anton L. Koster. De lichtdrukken, een grafische techniek die destijds werd gebruikt om foto’s af te drukken, zijn van een indrukwekkende kwaliteit.

Een tweede boek in de bibliotheek van de VOL dat aandacht besteedt aan het jubileum heeft als titel ‘Gedenkboek ter herinnering aan het vijftigjarig bestaan der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur te Haarlem 1860-1910’. André Vlaanderen tekende voor het bandontwerp en maakte er een ware parel van Jugendstil-kunst van. Een smaakvolle combinatie van een op de voor- en achterzijde doorlopende jute linnen rug en cremekleurige linnen platen met een gouden belettering. De bandtekening, eveneens in goud, toont het wapen van Haarlem met de spreuk
Vicit Vim Virtus (De moed heeft het geweld overwonnen), waarnaast twee tulpen oprijzen. Vier gouden vignetten met gestileerde bollen sieren voor- en achterplat. Het boek werd gebonden door de befaamde boekbinder Elias P. van Bommel uit Amsterdam en zijn naam staat in blinddruk op de achterzijde. De uitgave kwam niet in de handel en was bedoeld voor relaties en leden. In het boek vinden we de namen van bestuursleden van de AVB, toen nog zonder het predicaat Koninklijke, onder wie uit Lisse de mannen C. Blokhuis, J. L. Veldhuyzen van Zanten en George van der Veld. De afdeling Lisse werd opgericht in 1879 en ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste afdelingen van de vereniging. Succesvol waren de tentoonstellingen die Lisse hield aan het eind van de negentiende eeuw. In 1892 was het lokaal in de Witte Zwaan omgetoverd in een lustoord. Tulpen waren schaars, narcissen en crocussen ontbraken, maar dat werd gecompenseerd door de hyacinten. ‘Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere
bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen’ citeert Krelage het Weekblad voor de bloembollencultuur.

Een gastenboek van vijftien kilo

Een gastenboek van vijftien kilo

Een derde boek dat verband houdt met de bloemententoonstelling in Haarlem is een gastenboek. Dit ‘Gulden Boek’ is een indrukwekkend staaltje boekbindkunst van eveneens Elias P. van Bommel, maar voor dit boek moeten we naar Hillegom, waar Arie Dwarswaard de bijzondere
collectie boeken van het bollenvak beheert. In de kluis van de bibliotheek van de KAVB ligt een lijvige foliant, uniek want er bestaat maar één exemplaar van. De gekartonneerde bladzijden zijn versierd met een Jugendstil-rand in kleur, mogelijk ook een ontwerp van André Vlaanderen. De band heeft een leren rug met decoratieve blindstempeling en perkamenten platten. Twee metalen sluitingen voorkomen dat het boek onbedoeld opengaat. In het vijftien kilo zware gastenboek staan de handtekeningen van prominente bezoekers aan de tentoonstelling, onder wie de beschermheer van de AVB prins Hendrik, koningin Wilhelmina, koningin-moeder Emma en Theodore Roosevelt en zijn vrouw Edith. Onder de handtekeningen treffen we ook die van een Lisser aan, J. L. Veldhuyzen van Zanten. En passant laat Arie een fotoalbum zien uit 1885 in een rijk versierde band. J.H. Krelage was in dat jaar 25 jaar voorzitter van de AVB. De leden lieten zich fotograferen en het album met foto’s kreeg Krelage als geschenk. Mocht iemand op zoek zijn naar een foto van een Lissese bollenkweker uit die tijd, dan is de kans groot dat die in het
album zit. ■

 

De wilde flora van de Bollenstreek:  Kornoelje

De Kornoelje is een veelzijdige struik of zo u wilt boom met bijzondere eigenschappen. Op medicinaal gebied, maar ook de hardheid van het hout heeft zo zijn voordelen voor werktuigen. Huize Kornoelje komt ook nog ter sprake.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

Inheems

Van het geslacht kornoelje zijn drie soorten hier inheems. De rode kornoelje (Cornus sanguinea) en de gele kornoelje (Cornus mas) zijn struiken die je in de Bollenstreek wel verwilderd kunt tegenkomen. De Zweedse kornoelje is een zeldzame kruidachtige plant die in ons land alleen in Drenthe gevonden wordt. De kornoeljefamilie is zeer groot en inmiddels zijn er door veredeling heel wat fraaie cultivars gekweekt.

Vondsten
De oudste vondsten van rode kornoelje dateren uit 7.500 v.Chr. In de steentijd werden twijgen verwerkt tot manden en visfuiken. In 1991 vonden bergwandelaars in het Italiaanse Ötzerdal een ijsmummie uit de kopertijd. Meer dan 5000 jaar geleden had deze mummie, die Ötzi de ijsman werd genoemd, geleefd. Doordat de mummie zo goed bewaard is gebleven kon er veel onderzoek gedaan worden naar hoe de man geleefd had. Zelfs wat hij vlak voor zijn dood gegeten had kon worden vastgesteld. Voor ons verhaal is het aardig dat Ötzi pijlen had, gemaakt van kornoeljehout.

Rode kornoelje

Rode kornoelje Cornus sanguinea

De rode kornoelje dankt zijn naam aan de in de herfst en winter roodgekleurde twijgen. De struik groeit in heggen en loofbossen, met graag wat vochtigheid en een wat voedselrijke bodem. De struik kan wel drie meter hoog worden. De witte bloemen van de rode kornoelje staan in een soort schermpje of tuil. De bloeitijd is mei-juni. Rode kornoelje geeft zwarte besachtige steenvruchten. Gekookt zijn die bittere bessen te eten, maar lekker is anders. Het taaie witte hout is goed bruikbaar, bijvoorbeeld voor het maken van stelen. In vroeger eeuwen werden de afgevallen herfstbladeren van deze kornoelje wel door landbouwers gebruikt om als bemesting over de akkers te strooien. Nog een aardig weetje: in de buurt van molens stonden vaak meerdere rode kornoeljes. Van het hout werden vroeger molenonderdelen vervaardigd.

Gele kornoelje

Gele kornoelje Cornus mas

De gele kornoelje is de vroegst bloeiende van de inheemse struiken. Hij wordt hoger dan de rode kornoelje. In plantsoenen komen ze veel voor, maar in de natuur is hij wat zeldzamer. Daarom staat hij in Nederland ook op de rode lijst. Wanneer je in februari een geelbloeiende struik ziet, dan is de kans groot dat het de gele kornoelje is. Hij komt in bloei in een zachte periode van de winter en bloeit door, ook al vriest het en valt er sneeuw. Hij werd vroeger ook wel ‘bloeiend hout’ genoemd. De gele kornoelje is erg geliefd bij bijen, maar niet alleen bij bijen.

Zweedse kornoelje Cornus suecica

Vele andere insecten gebruiken in het vroege voorjaar de nectar. De plant geeft namelijk een rijke nectardracht. De hoofdbloei is meestal in maart en april. De bessen van de gele kornoelje zijn eetbaar en worden wel gebruikt om jam, siroop of een alcoholisch drankje van te maken. Van oudsher werden er ook medicinale eigenschappen aan toegekend. De bekende middeleeuwse abdis Hildegard Von Bingen
(1098 – 1179) beschreef in haar boeken ‘Causae et curae’ en ‘Fysica’ meerdere geneeskrachtige recepten. Zo schrijft zij: ‘De gele kornoelje reinigt en versterkt de zwakke en ook de gezonde maag en bevordert de gezondheid.’ In de middeleeuwen werd de gele kornoelje in kloostertuinen gecultiveerd.

Huis Kornoelje

Huize Maria, Heereweg 107

Deze villa (Heereweg 107) is in 1907 ontworpen door de Haarlemse architect J. London (1872-1953), voor J. M. van Til, lid van de firma H. de Graaff en Zonen. In 1978 kwam er een einde aan dit gerenommeerde bedrijf dat in 1793 zelfs al een internationale prijscourant uitgaf. H. de Graaff en Zonen was een bollenbedrijf, maar de kwekerij had een veel breder assortiment, ook bomen en struiken werden er gekweekt en veredeld. De iepenbomen die later geplant werden rond het kerkhof bij de Grote Kerk kwamen van deze kwekerij. Zou de kornoelje, die naar men zei aan de achterzijde van het huis stond, veredeld zijn bij deze firma? We weten het niet, net zo min als we weten welk type kornoelje er gestaan heeft. ■