Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

TOCH NOG EEN VERLOSKUNDIGE!

Na het verschijnen van het laatste artikel over de medische geschiedenis van Lisse ben er op gewezen, dat mevrouw G.E. Moolenaar-van der Zaal al in de jaren vijftig als verloskundige actief is geweest in Lisse.

door Paul Stelder

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Na het verschijnen van het laatste artikel over de medische geschiedenis van Lisse ben ik via twee kinderen van mevrouw G.E. Moolenaar-van der Zaal (geboren op 11 augustus 1926 te Lisse, overleden op 11 november 2011 te Lisse), Jan Albert en Geri, beiden al jaren lid van de VOL, erop gewezen dat hun moeder al in de jaren vijftig als verloskundige actief is geweest in Lisse.

Wie was deze vrouw?
Zij is als oudste dochter met roepnaam Truus geboren in het gezin van een Lissese bollenkweker en is opgegroeid aan de Heereweg 64. Toen ze drie jaar oud was, overleed haar moeder aan de complicaties van de derde bevalling. Vader hertrouwde enkele jaren later. In dat huwelijk werden geen kinderen geboren. Truus is dus grotendeels opgegroeid in een gezin met een pleegmoeder. Ze kon goed leren en heeft na de lagere school haar mulodiploma gehaald en daarna nog een jaar nijverheidsonderwijs en een jaar kinderverzorging gedaan. Na deze opleidingen heeft ze een jaar in Engeland als kinderverzorgster gewerkt. In april 1949 begint ze aan de Amsterdamse Vroedvrouwenschool met de opleiding tot vroedvrouw. In juni 1950 legt ze met goed gevolg het theoretisch examen af en op 18 april 1951 slaagt ze ook voor het praktische deel en mag zij zich als zelfstandig vroedvrouw vestigen. Daarna volgt een periode van waarnemingen verspreid door het land. Ze bewaart veel verslagen van de bevallingen van kinderen die met haar hulp ter wereld zijn gekomen en dat helpt later haar dochter Geri daarvan een prachtig overzicht te maken. In het Nieuwsblad 2024-3 heb ik geschreven dat de eerste verloskundige in de 20e eeuw in Lisse mw. C.A.G. Hiddink-Morsink was. Naar nu blijkt is deze verloskundige, Rini Morsink, een klasgenote en waarschijnlijk goede vriendin van Truus van der Zaal geweest: in maart 1951 staan zij trots en blij samen in hun uniform op de foto. In april 1952 vestigt ze zich in Lisse, aanvankelijk in haar ouderlijk huis op de Heereweg 64. Drie jaar later vindt op 7 juli 1955 haar huwelijk plaats met dr. A.J. (Bram) Moolenaar, klinisch chemicus in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, en verhuist ze naar de Oranjelaan 10, waar ze de praktijk voortzet.

 

De stopt, hoogzwanger van haar eerste kind, in december 1955 met haar beroepswerkzaamheden. Eén van de eerste bewijsstukken van haar werk in Lisse Wanneer Truus in verwachting raakt, is er kennelijk nog steeds contact met vriendin Rini. Ze komen een overnamesom voor de praktijk overeen: Rini mag dit bedrag in drie jaar in delen betalen; Truus blijft beschikbaar voor noodgevallen, wanneer zich bijvoorbeeld twee bevallingen tegelijk aandienen. Uit de gegevens van mw. G.E. Moolenaar-van der Zaal blijkt dus dat Rini Morsink al vanaf december 1955 werkzaam in Lisse is geweest: ze helpt namelijk op 19 januari 1956 bij de bevalling van het eerste kind van haar vriendin Truus: Jan Albert. Rini Morsink blijft vanaf haar adres aan de Kapelstraat als verloskundige in Lisse actief tot 1966.

 

 

 

 

 

Oud Nieuws: Tolbrieven voor de vlassers

Schipper mag ik over varen, ja of nee? Moet ik dan nog tol betalen…. Ach wie kent het niet? Wist u dat, als je Lisse binnenkwam er tol betaald moest worden? Daar werd ook wel eens de hand mee gelicht. Werd je betrapt dan moest je op het matje komen bij de schout.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Niet alleen op het land maar ook op het water moest tol worden betaald. Die heffingen werden op het ’regthuijs’ betaald. Het huis De Tol op de Heereweg nummer 44 dankt zijn naam aan de tol waar eens de toegang tot Lisse was en waar doortrekkende reizigers tol betaalden. Tolgaarder was vroeger een beroep. De onderstaande akte gaat over tolheffing op het water. In mijn jeugd deden we een spelletje met een liedje over dit gebruik. Dat was het kinderliedje: schipper mag ik overvaren, ja of nee, moet ik dan ook tol betalen, ja of nee, en dan moesten we iets aangeven. Ieder in de kring was beurtelings de schipper. Het is een volksliedje en het is niet bekend wanneer het is ontstaan. In 1930 verscheen het voor het eerst in druk. In de 16e en 17e eeuw is er een bloeiende vlasindustrie in Lisse geweest met grote vlasboeren zoals op Seevenhof en tientallen vlasovens. De afgewerkte producten gingen naar Twente. In die jaren gingen de schippers met zeilschepen hoog opgetast met vlas vanuit Goeree en Overflakkee en Schouwen-Duiveland richting Lisse waar het bewerkt werd. Zo ontstonden er ook relaties en menig Lisser heeft nog verre Zeeuwse voorouders. Bij Gouda aangekomenmoesten de schippers hun tolbrieven laten zien, anders mocht men niet doorvaren. In 1689 verscheen een aantal vlassers in het ‘regthuijs’ op uitnodiging van de vier burgemeesters van Lisse om over de tolgelden te praten die men in Gouda moest betalen. De burgemeesters kozen de kant van de schippers, dit tot ongenoegen van de schout. Getuigen waren Susanna van ’t Hoog, weduwe van Pieter Arentse van Wateringen, omtrent 55 jaren, Sijmen Hoogkamer oud omtrent 35 jaren, Cornelia Jansz van der Kluft oud omtrent 33 jaren, Klaas van Rode omtrent 40 jaren, dan nog Andries Willemse Rietveld, Symon Jacobse Wassenaar, Lenard Gerritse Brero en Reijnier Janse Schenaart, alle vier van competente ouderdom en allen onze inwoners. Susanna kwam op 29 juli ten huize van de schout om haar bede te betalen (dorpslasten) en de schoutin had haar gevraagd of haar zoon al naar Zeeland was omdat hij geen tolbrief had opgehaald. Susanna zei daarop dat Dammes dat had opgehaald en dat het voor zijn vieren was. Doch de schout vliegt met grote boosheid op met verschrikkelijke vloeken dat Dammes een valse verklaring gaf. De vrouw van de schout wordt steeds aangeduid als de schoutin. Het gaat om Syberig Evertsdochter van der Horst, die met de schout Adriaan van Gorcum was getrouwd. Zij woonden op de buitenplaats Mossenhof tegenover de kerk. De schout overleed in datzelfde jaar 1689. Eerder koopt hij een dubbele grafstede in de kerk aan de zuidmuur, bij de toren, beneden het glas waar het wapen van Adriaan van Gorcum, schout tot Lisse, ingeschilderd
is. Hieruit zien we dat hij bij leven het gebrandschilderde raam al aan de kerk heeft geschonken. De schout was een rijk man. Zijn nalatenschap is beschreven in wel 40 bladzijden, waarin ook een haringbuis1 genaamd de Windhond wordt genoemd. Waar zou dat gebrandschilderde raam zijn gebleven? We weten dat de Grote of St.-Bavokerk in Haarlem ramen van Lisse heeft gekocht en dat die ook in de kerk zijn geplaatst. Van Gorcums graf is later weer verkocht aan Cornelis Adriaanse Molin, die belooft het graf 10 jaar te laten rusten. De schout bleef maar volhouden dat ieder een tolbrief moest hebben en zei dat hij de vlassers in Gouda zou aangeven.  “Gij sijt maar sacramentse dieven en mijnedige schelmen”. Ook de burgemeesters wilde hij aangeven. De burgemeesters stelden dat tot het overlijden van de schout er maar twee tolbrieven nodig waren voor de hele compagnie. Één voor heen en één voor terug. Van het plan van de schout kwam niet veel terecht; hij was al oud en kort daarop overleed hij.

Volgens A. M. Hulkenberg zou rond 1900 de tol zijn opgeheven. De slagboom staat hier omhoog tegen het tolhuisje daar waar de dame met het witte schort in de deuropening staat. In de verte rechts van de hoge paal zien we de oude bollenschuur van Grullemans

HET BRUINE CAFÉ: Cafe Rijker. Café Amicitia later bekend als Rijkers, Lisserhoek, De Smoes en ’t Pretcafé 1905-1997 (4)

Dit keer stappen we eens binnen bij Annie en Dorus Rijkers. Nee, niet de  die ene met die pijp en die zuidwester! Die van de hoek op de Kanaalstraat en de Tulpenstraat, van dat café met die mooie veranda ervoor, Amicitia.

Louise Kerkvliet

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Het Pretcafé zullen velen zich nog voor de geest kunnen halen,

Café Amicitia (Latijn voor ‘vriendschap’) was een klein dorpscafé dat oorspronkelijk een huiskamercafé was. Dit bruine café stond nabij de kruising van de Kanaalstraat en de Tulpenstraat. In 1905 zijn pand, schuur en erf eigendom van Gerardus Petrus Warmerdam(1866- 1947) en Catharina Adriana Langeveld (1868-1919). Gerardus is bouwman en veehouder en hij heeft hier een dorpsboerderij. De grond die achter het pand ligt, is gezamenlijk eigendom van hem en van de Hervormde Gemeente van Lisse en wordt de Broekerpolder genoemd. Het gezin telt veertien kinderen en het onderkomen is in de loop der jaren waarschijnlijk te klein geworden. De familie besluit het geheel te verkopen. Het wordt in 1905 aangekocht door Wilhelmus (Willem) Annaert (1855-1947) en Geertruida (Geertje)
van Deursen (1859-1920). Willem en Geertje zijn in 1890 in Haarlem getrouwd en hebben twee kinderen als ze na de koop naar Lisse komen. Willem verandert het huis in een huiskamercafé. Het naastgelegen pand wordt ook aangekocht en bewoond door het gezin. Willem is ondernemend, naast caféhouder is hij ook vrachtrijder, en hij begint al snel een bierbottelarij en limonadefabriekje achter het huis. Het is een succesvol bedrijf dat zich snel uitbreidt. Hij neemt zelfs mensen in dienst.

Het Pretcafé zullen velen zich nog voor de geest kunnen halen, op de foto hieronder staat nog W. Annaert onder het woord BIEREN

De huizen links en rechts ernaast worden gekocht; zoon Jacobus (Jaap) Eduard (1897-1960) gaat er na zijn huwelijk in 1922 wonen. Later wordt een kantoorgebouwtje achter het pand gebouwd dat ook als winkel zal fungeren. Als moeder Geertje komt te overlijden zet Willem het bedrijf alleen voort. Zoon Jaap wordt opgeleid om het bedrijf over te nemen. Dochter Margaretha (Gré) Maria (1901-1979) werkt mee in het bedrijf nadat ze de lagere school heeft afgerond. Als zij trouwt in 1926 verlaat zij het bedrijf. In 1930 koopt zoon Jaap het bedrijf van zijn vader. Dan volgt in 1932 een kadastrale splitsing van de gronden inclusief panden en opstallen. Als Willem komt te overlijden in 1947 wordt het huis rechts van het café verhuurd. Het huis aan de Kanaalstraat 130 is gesloopt in 1975. Het huis links wordt gebruikt als opslag en achter het huis ligt de loods. In het poortje is een gezamenlijke opslag van het café en van Annaert. Het is een bloeiend bedrijf en binnen korte tijd levert Jaap Annaert aan veel cafés en hotels in de regio. Er is bewaking nodig en er wordt gebruik gemaakt van honden, die snel aanslaan als een onbekende zich bevindt op het terrein. ie bewaking was wel nodig omdat het een en ander verdween van het terrein. Plaatselijke jeugd kwam via het trapveldje van de achtergelegen speeltuin op het erf, jatte er lege flessen en incasseerde in het winkeltje het statiegeld.

Op de foto staat W. Annaert onder het woord BIEREN

Dat kleine winkeltje was een aanbouw aan de achterzijde van het café; je kon er drank kopen en het werd ook gebruikt als kantoorruimte. De man die de administratie deed, heette Bas. Hij was nogal klein van stuk en had een misvorming aan zijn rug. Soms zat er een aapje in de etalage. Dat was het huisdier van Klasina Annaert-van Heusden (de tweede vrouw van Jaap). Een leuke anekdote over de bierhandel wordt verteld op sociale media: “Annaert had aan de Kanaalstraat ook nog een of twee huisjes links naast het café die bij het bedrijf hoorden. De levering werd door de ramen via een rollenband gelost in de achterliggende loods. De aanhanger van de vrachtauto stond met een zijde op de stoep en de andere zijde op de weg. Eerst werd de ene kant van de wagen gelost met als gevolg dat toen die vrijwel leeg was, de wagen kantelde en de rest van de vracht op straat lag, het hele dorp stonk naar de pils.” In 1960 overleed Jaap Annaert en is het bedrijf gesaneerd. Terug naar café Amicitia. In 1926 wordt Theodorus (Dorus) Adrianus Rijkers (1890-1948) exploitant, samen met zijn vrouw Anna Petronella Leuven (1890-1955). De buitenkant (straatzijde) van het café is niet veel veranderd in de jaren.

Als Dorus het café gaat exploiteren staat er een veranda aan de voorzijde. De gevel is die van een klassiek huiskamercafé. Toegangsdeur in het midden en
aan elke zijde een raam. Er is een kleine bar rechts bij binnenkomst waar een of twee personen de dranken kunnen bereiden en uitserveren, een paar stoelen staan om de bar heen. Ook staat er het klassieke meubilair dat populair is in een bruin café. Rechts staat een biljart waarop vaak een partijtje wordt gespeeld. Bij de achterwand is een deur naar de kelder waar de opslag is van de drank en waar de bierinstallatie staat waarop de vaten worden aangesloten. Daarnaast is een deur naar de achterliggende woning. In de loop der jaren wordt er niet meer direct boven het café gewoond, de ruimte wordt meer als opslag gebruikt. Rijkers doet mee aan de regionale biljartcompetitie zoals veel kleine cafés in Lisse.

Anna en Dorus net in het huwelijksbootje gestapt

Het café is niet groot, maar het is wel een gezellige ontmoetingsplaats waar buurtgenoten een drankje komen nuttigen. Menig vader en opa moest gehaald worden om de warme maaltijd thuis te nuttigen. Klanten kwamen er ook een paar maatjes jenever halen voor thuis. Dorus is zeer bekend in Lisse; hij is uitzonderlijk groot, Anna is daarentegen een kleine vrouw. Het gezin Rijkers was lange tijd verbonden aan het café. Dorus en Anna krijgen drie kinderen, waarvan er twee volwassen zijn geworden. Anna (Annie) (1930-1971) en Jan (1931-1994) groeien op in een warm gezin. Als Dorus komt te overlijden  is het café in de volksmond bekend als café Rijkers. Moeder Anna en dochter Annie zetten het bedrijf voort. In 1950 volgt een verbouwing aan het café. Links achterin worden een dames- en herentoilet gebouwd. Mogelijk eerder al is de veranda verwijderd. Aan de voorzijde is een terras ontstaan waar een muurtje omheen gemetseld is. Er is een soort windbreker gemaakt aan de linker- en rechterzijkanten van het terras. Klanten kunnen hun fiets stallen binnen de terrasmuurtjes. Als ook moeder overlijdt, blijft Annie exploitant van het café. Om het bedrijf draaiende te houden neemt ze mensen in dienst, onder wie Jo Reitsma-Broekhuizen uit de Lisbloemstraat. In 1965 trouwt Annie met Petrus (Piet) Cornelis van Stein (later bekend als “Bolle Piet”); de bruiloft wordt gevierd in de Taveerne.

Anna en Dorus voor Amicitia. Dorus was zo groot dat er twee personen in zijn broek pasten, in iedere pijp één

e gaan wonen in het achterste gedeelte van het gebouw. Alleen de voorzijde is bedrijfsruimte. Het huwelijk blijft kinderloos. Piet zijn grote hobby is muziek maken en hij speelt graag op zijn saxofoon. Tijdens feestavonden of de kermis wordt een klein hoekje ingericht voor muzikanten. Er werd sowieso vaak muziek gemaakt, als iemand zijn instrument meenam, dan speelde Piet graag een deuntje mee. Als Annie in 1971 vroegtijdig komt te overlijden, zet Piet het bedrijf voort. In 1972 staat hij geregistreerd als exploitant van café Rijkers. Er volgt een verbouwing met nieuwe inrichting in 1973. De Leidsche Courant van 12 september 1973 bericht dat het café weer heropent na een grondige renovatie. In de jaren 80 volgden in snel tempo nieuwe exploitanten c.q. eigenaren. In 1985 is de naam Lisserhoek en in 1988 werd het café de Smoes. In 1992 is het jongerencafé ’t Pretcafé en in 1997 wisselde het nog een laatste keer van exploitant. Toch blijft het in de volksmond café Rijkers heten. Als café Rijkers op sociale media verschijnt, worden er veel opmerkingen gemaakt waarbij veel nostalgische gevoelens naar boven komen. Toch jammer dat het bruine café verdwijnt uit het dorpsbeeld. In 1998 is het pand gesloopt ten behoeve van appartementencomplex ‘t Bolwerk.

 

 

Anna en Dorus voor Amicitia. Dorus was zo groot dat er twee personen in zijn broek pasten, in iedere pijp één

 

Stand van zake bij opgravingen achter Dever

De voorpagina laat zien hoe beide elkaar ontmoeten, als kinderen het gevonden bijltje betasten. Peter Vink vertelt over de stand van zaken en over de vondsten aldaar. Ons plekje Lisse blijkt nu al duizenden jaren erg in trek te zijn geweest.

Peter Vink

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Bij de locatie krijgen de kinderen uitleg hoe de opgraving wordt gedaan

De laatste maanden is er in Lisse veel aandacht geweest voor  een opgraving in het gebied Dever-Zuid en Geestwater waar een nieuwe woonwijk moet worden gerealiseerd. Omdat bij de bouw van deze nieuwe woonwijk archeologische resten in de bodem kunnen worden verstoord moet vooraf de archeologische waarde van het terrein worden vastgesteld. Dat is uitgevoerd door RAAP, het grootste specialistisch onderzoeksenadviesbureau voor archeologie, cultuurhistorie en erfgoed in Nederland. Daarbij wordt altijd volgens een vast protocol gewerkt. Men begint met een verkennend booronderzoek waarbij de bodemopbouw wordt vastgesteld. Hierin is vastgesteld dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een pakket overstoven of opgebracht zand met daaronder een veenlaag op oude duinafzettingen en daaronder wad-/kwelderafzettingen. Er is daarbij een hoge archeologische verwachting opgesteld voor resten uit de late steentijd en bronstijd in de top van de oude duinafzettingen. Ook voor de late middeleeuwen tot in de nieuwe tijd waren de verwachtingen hoog vanwege ‘t Huys Dever dat in de directe omgeving van het plangebied ligt. Daarom is in november 2024 een proefsleuvenonderzoek gedaan om meer inzicht te krijgen in de eventueel behoudenswaardige archeologische resten.

Bij dit proefsleuvenonderzoek op 13 verschillende plekken zijn een aantal unieke vondsten gedaan uit de steentijd oftewel het Neolithicum (3800-2000 voor Christus). Het ging om aardewerk, natuursteen en botjes. Deze vondsten zijn gedaan in de toplaag van de oude duinafzettingen onder de veenlaag.
Over deze vondsten is in alle regionale kranten geschreven.
Door deze vondsten moest een veel uitgebreidere opgraving worden gedaan. Dat is in februari 2025 uitgevoerd waarbij op een veel grotere schaal zogenaamde werkputten zijn gegraven en systematisch bodemonderzoek in de top van de oude duinafzettingen is gedaan. Daarbij zijn heel veel verschillende vondsten gedaan die op dit moment worden geanalyseerd en geïnterpreteerd. Ook zijn veel grondmonsters verzameld en gespoeld die ook verder worden onderzocht. Vanwege de bijzondere opgraving en vondsten is een publieksdag georganiseerd. Veel kinderen van diverse scholen zijn toen bij de opgraving wezen kijken.

Opgravingskuil met archeologen die bewoningssporen onderzoeken

Door de aanwezige archeologen werd uitleg geven over de opgraving en de bijzondere vondsten. De kinderen mochten zelfs de stenen bijl die was gevonden aanraken en ervaren hoe scherp die was.  De leerlingen van het Fioretti mochten zelfs een werkput in en meehelpen om een bodemprofiel te maken. Ook de vrijwilligers van VOL en diverse andere belangstellenden uit de regio zijn rondgeleid. Al met al was deze publieksdag een groot succes en zeker voor herhaling vatbaar. Een voorlopige conclusie bij deze belangwekkende opgraving is dat er al heel vroeg sprake is geweest van bewoning en menselijke activiteit rond Lisse. De foto’s op deze pagina’s geven een mooie indruk van de opgraving,
vd.

Bronnen

RAAP: Regionaal Archeologisch Archiverings Project
Beeld: Peter Vink – Deen Boogerd – Google maps

Op zoek naar bewerkingssporen van een zgn. eergetouw (ploegsporen)

Archeologen doen onderzoek in een van de opgravingskuilen. Daarbij zijn paalresten gevonden van vroege bewoning

 

 

Opgegraven schedel van een varken

Voetafdruk uit het Neolithicum ca. 30 cm groot

De spoelinstallatie van november 2024

Het analyseren van gedroogde bodemmonsters is minutieus werk

Kijk nou eens: Heereweg 34 Rutsbo

In het volgende Nieuwsblad zal iets verteld worden over het complex met deze brievenbus. Natuurlijk zijn we weer zeer geïnteresseerd in uw aanvullende verhalen.
Laat ons maar weten, persoonlijk, via de brievenbus van 1e Havendwarsstraat 4 of per mail:  redactie@oudlisse.nl.

Die hardstenen brievenbus van de  vorige keer? Waar hoort die nu toch thuis? Het was best een pittige opgave. De geschiedenis van Rutsbo wordt weergegeven.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

De brievenbus
Waarschijnlijk kon u niet raden bij welk pand deze fraaie brievenbus hoort. In de bouwtijd van dit pand was zo’n hardstenen brievenbus gebruikelijk, zeker bij een pand met de allure van Heereweg 34. Huize Rutsbo, want daar hebben we het over, is gebouwd in 1925 voor de familie Driehuizen- Heurgren. Zoon Alf, 7 jaar oud, legde op 4 februari 1925 de eerste steen. Leen Tol sr. was de architect waarbij de ideeën van mevrouw Ruth Aurora Driehuizen-Heurgren (1890-1980), van geboorte een Zweedse, meewogen. Dat blijkt ook uit de naam van het huis: Rutsbo. Bo, vertaald uit het Zweeds, betekent wonen, Rutsbo dus het huis van Ruth. Door deze brievenbus zijn vele poststukken uit Zweden gegleden. Kaarten vanuit de Bollenstreek gingen naar Zweden. De vader van Ruth was predikant. Oud Lisse werd in 2013 benaderd door een Zweedse. Haar moeder had gediend op de pastorie en vanuit die tijd ansichten uit Lisse bewaard. De dochter had via onze site, met daarop foto’s van Rutsbo, ontdekt waar de kaarten vandaan kwamen. Natuurlijk waren er van hieruit kaarten met daarop Rutsbo naar Zweden gestuurd, vanzelfsprekend ook vele met de bollenvelden. Er was er zelfs een uit 1928, geschreven door de dan 10-jarige Alf die, met spelfouten, in het Zweeds wat zinnetjes schrijft. Post was in die tijd nog heel belangrijk. Met de bouw van Rutsbo was er aan de Heereweg een geheel aan panden ontstaan met een relatie tot bloembollenfirma Driehuizen. Eerst was er het woonhuis aan wat toen de Rijksweg heette van Cornelis en Wilhelmina Driehuizen-den Hartog. In 1914 werd aan de noordkant hiervan huis Somalo gebouwd voor de oudste zoon Willem (1889-1963) en in 1925 volgde Rutsbo voor zoon Marinus Cornelis (1891-1965). Overigens werd de naam Rutsbo al voor de bouw van het huidige Rutsbo gebruikt. In de Naamlijst voor den telefoondienst uit 1920 en uit 1921 staat met telefoonnummer 153 vermeld M.C. Driehuizen, Rutsbo, Heereweg 32. Zou de familie toen in het oude woonhuis gewoond hebben? Er waren diverse bedrijfspanden. Achter het oude pand werd in 1930 een nieuw bedrijfspand opgetrokken. Het oude woonhuis met naastgelegen bedrijfspand werd daarvoor afgebroken. De woonhuizen Somalo en Rutsbo belandden rond 2010 op de gemeentelijke monumentenlijst, het bedrijfscomplex werd verbouwd tot appartementencomplex “Driehuizenpark” en kreeg de status van rijksmonument.

Het huis Rutsbo

Het karakteristieke aan huis Rutsbo is de symmetrie. In het midden het portaal waar Dorische zuilen op een hardstenen basement rusten die het fronton ondersteunen. Op het fries staat de naam RUTSBO. Het huis heeft nog veel originele glas-in-loodramen. Enkele jaren geleden kwam bij een reparatie nog een houtblokje met namen tevoorschijn dat timmerlieden er in 1925 hadden achtergelaten. Een gewoonte van timmerlieden die we al bij meerdere panden in Lisse hebben teruggezien. Helaas is het blokje slecht te ontcijferen, maar het moet wel van werknemers van aannemer Hendrik Marseille geweest zijn. Deze aannemer, die meerdere panden in Lisse bouwde, werd door architect Leen Tol sr. ingeschakeld voor de bouw van Rutsbo. Het bedrijf van de gebr. Driehuizen was een gerenommeerd bollenbedrijf. Natuurlijk had ook dit bollenbedrijf last van de economische problemen in de crisistijd en viel in de oorlog de handel stil. Maar na de oorlog stonden er binnen de kortste keren twee grote Amerikaanse sleeën. De familie had connecties en handel met de VS. Daarom kregen zij waarschijnlijk van het bureau van toewijzing toestemming om auto’s aan te schaffen. Het rijk wilde de export stimuleren, want dat bracht deviezen binnen. De bewoners van Rutsbo hoorden tot de elite onder de bollenkwekers. Achter de villa was een tennishal wat vrij uniek was voor die tijd en menig Lisser heeft daar een balletje geslagen. Toen zij ouder werden droegen Willem en Marinus de leiding van het bollenbedrijf over aan hun zonen. Aan het eind van de jaren zestig kwam er een eind aan de functie van dit bollencomplex en werden plannen beraamd voor een andere invulling van dit gedeelte van Lisse.

Gezinsvervangend tehuis

De eerste gezinsvervangende tehuizen ontstonden midden jaren vijftig als tegenhanger van de grote intramurale instituten. De initiatieven daarvoor kwamen vaak van ouderverenigingen. Deze tehuizen wilden de sfeer van een gezin uitstralen, met een gezellige huiskamer en individuele slaapkamers. In 1969 wist de ‘Stichting huisvesting gehandicapten Bollenstreek’ de hand te leggen op de villa’s Somalo en Rutsbo. Volgens een krantenbericht uit oktober 1970 kwamen voor deze woonvorm alleen gehandicapten in aanmerking die nog in staat waren dagelijkse arbeid te verrichten.

Voor hen zou dit hun thuis kunnen worden. Als zodanig is villa Somalo in september 1970 in gebruik genomen, maar het ideaal kon pas verwezenlijkt worden met de verbouwing van Rutsbo. In Rutsbo wil men maximaal 40
bewoners hebben, want de sfeer moet gezellig en intiem zijn. De plannen voor Rutsbo worden concreter en resulteren in een verbouwplan voor Rutsbo met aan de achterzijde een aanbouw van 2 vleugels met kamers voor de bewoners. Dat betekende huisvesting van 23 mannelijke en vrouwelijke gehandicapten en verder huisvesting voor de directie en 3 vrouwelijke krachten. In de villa komt de eetzaal en is gelegenheid tot recreatie. Uit een krantenbericht van september 1971 lezen we dat naar verwachting in april ‘72 gezinsvervangend huis Rutsbo zal worden geopend voor geestelijk gehandicapten die in staat zijn te werken en dus bij kunnen dragen aan de kosten. Overheidssubsidie moet de verdere exploitatie mogelijk maken. Fa. J. Dijkstra uit Sassenheim verzorgt de bouw en later ook het onderhoud van het complex. In augustus 1972 is het dan zover. De bewoners hebben hun kamers, die verspringend aan de gangen liggen, betrokken. Tevredenheid alom, de sfeer in de gezellige huiskamer is goed, de bewoners hebben zo hun eigen taken, zoals brieven posten, boodschapje doen en ook het praatje met de buurman hoort erbij. Somalo blijft nog een tijd in gebruik als gezinsvervangend tehuis. Het blijkt echter naar de maatstaven van 1976 niet meer geschikt voor dit soort bewoning.

Somalo komt in de verkoop.
De bewoners verhuizen naar Rutsbo. Zij hebben het in Rutsbo best naar de zin. Ze worden ook betrokken bij allerlei activiteiten. Zo hielpen ze in 1989 met de praktijklessen voor zwembegeleider van geestelijk gehandicapten die werden gehouden in zwembad De Lis en waren ze in 1999 actief bij een initiatief van leerlingen van het NOVA-college. Kunst, gemaakt door bewoners van Rutsbo, werd op placemats verkocht. Toch wordt er dan al gepraat over een andere opzet voor de bewoners. Het idee ontstaat dat gehandicapten ook zelfstandig kunnen wonen met begeleiding. Bovendien zijn, naar de maatstaven van rond de eeuwwisseling, de kamers/woningen van Rutsbo te klein. Aan het Rembrandtplein komen na een renovatie 12 appartementen voor dit doel beschikbaar. Zo vertrekken de bewoners naar een eigen appartement of naar een ander gezinsvervangend tehuis en kan voor Rutsbo een andere invulling gevonden worden.

Weer woonhuis
Er volgen diverse plannen. Toen het ruim 2 ha grote terrein met het voormalige kantoorpand annex bollenschuur van gebr. Driehuizen te koop kwam kon een fraai totaalplan worden gerealiseerd. In het kantoorpand met bollenschuur was jarenlang antiekhandel Chr. Van Damme gevestigd. Nu kon een nieuwe wijk opgezet worden met 18 twee-onder-één-kapwoningen, 4 vrijstaande woningen, en 12 eengezinswoningen. Het voormalige bedrijfspand van Driehuizen werd gerenoveerd en verbouwd. Er ontstonden 24 appartementen. In 2006 werd de aanbouw voor het gezinsvervangend tehuis uit 1972 gesloopt. Rutsbo werd verkocht en daarna kon het weer geschikt gemaakt worden voor particuliere bewoning. Er volgde nog een fiks traject van verbouwen, want het gebruik als gezinsvervangend huis had wel de nodige sporen achtergelaten. Sinds 2007 wordt er weer met veel genoegen gewoond. Gelukkig is er met respect voor de historie van het pand gerenoveerd en blijft een stukje bollengeschiedenis hiermee behouden.

Bij de voorplaat: Opgraving achter Dever

Vrijdagmorgen 7 februari 2025. Er komt al vroeg een klasje op excursie naar de archeologische vindplek bij Dever-Zuid.

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Vrijdagmorgen 7 februari 2025. Er komt al vroeg een klasje op excursie naar de archeologische vindplek bij Dever-Zuid. Een smerig koud windje en koude tenen weerhield ze niet om dit stukje geschiedenisles mee te maken. Na enig uitleg over wat de mensen van RAAP hier aan het doen zijn en over wat ze tot nu al hadden gevonden, konden de schoolkinderen het gevonden voorwerp dat zo’n 5000 jaar geleden is verloren even betasten. Het stenen tijdperk ontmoet hier het digitaletijdperk. Best wel wonderlijk als je er over nadenkt. In 2023 vierden we het 825- jarig bestaan van Lisse omdat in 1198 de naam Lisse voor het eerst in een akte geschreven was. Nu blijkt uit al die sporen dat deze plek bij Dever-Zuid al veel eerder werd bewoond. Werd Lisse toen misschien anders genoemd? Uit oude overleveringen weten we van een “Vloedorpelaene”, mischien is hier mogelijk veen verband te leggen. Als het vloed werd zocht je het hogerop. Een duintop is ideaal om de schaapjes op het droge te hebben. We wachten met spanning het rapport van RAAP af.

Jaap Kooy is nog steeds een begrip in Lisse en omstreken

Kent u hem nog? De man die het eerste grote tuincentrum van Nederland opende. Vanuit alle windhoeken kwamen mensen zich vergapen naar de glitter van de kerstshows. Na Keukenhof was het tuincentrum van Jaap Kooy een toeristische attractie van jewelste!

Door Gerard van der Zwan

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Rijdend uit Lisse naar De Engel zie je aan de Heereweg op nummer 350 het tuincentrum Intratuin liggen. Velen zullen niet bevroeden dat op deze locatie reeds in de jaren zeventig een eerste tuincentrum officieel werd geopend, hetgeen toen een noviteit was. De stichter was Jaap Kooy, die zijn tuincentrum Westergeest, later Jaap Kooy’s Tuincentrum, uitbouwde en die bekend werd met zijn ‘Kerstshows’. Deze shows werden wereldberoemd in de Bollenstreek en ver daarbuiten.

Verbrand verleden
Vanaf het prille begin van het tuincentrum zijn plakboeken gemaakt met foto’s, persberichten, advertenties en dergelijke. De complete geschiedenis van het tuincentrum. Deze plakboeken werden steeds in het tuincentrum bewaard. Echter, met de grote brand bij Intratuin in februari 2021 is alles verloren gegaan. Daarom sprak ik met de goed ingevoerde Cees van der Tang, een oud-medewerker van Jaap Kooy, die sinds 1968 voor hem werkte en in de bloeijaren van het centrum Jaap Kooy’s rechterhand was. Dat Jaap Kooy emplooi zou vinden in de wereld van de bloembollen was duidelijk toen hij na zijn middelbare school koos voor een opleiding op de Rijks Middelbare Tuinbouwschool (RMTS). Hij studeerde met goed gevolg af en begon een loopbaan bij het destijds grote bloembollenbedrijf H. de Graaff & Zonen. Hij begon er als bloembollenreiziger, aanvankelijk in Engeland en later in de Verenigde Staten. Zijn werkterrein strekte zich uit tot de gehele VS, van Florida in het zuidoosten tot Seattle in het noordwesten. In de VS deed hij, zo zou later blijken, vele ideeën op die van doorslaggevend belang zouden zijn voor zijn latere activiteiten. Nadat hij enige jaren voor De Graaff had gewerkt, begon Jaap Kooy zijn eigen bedrijf. Hij startte een bloembollenkwekerij en -export onder de naam Kooy & Co. Die ‘Co’ was zijn schoonvader, die een bollenschuur had op het terrein dat nu parkeerterrein is tussen de Irissenstraat en de Kanaalstraat. Omdat de zaken voorspoedig gingen werd het complex te klein. Daarom werd het bollenland met schuur en woonhuis van Gijs van Parijs Jr. aan de Heereweg 350 in 1971 aangekocht. Zo rond 1969 waren de kwekerij en export  twee gescheiden ondernemingen geworden. De export ging verder onder de naam Kooy & Blanken B.V. met Andries Blanken als medevennoot. Blanken kende Jaap Kooy reeds als collega uit zijn baan bij De Graaff, waar ook Blanken als medewerker werkzaam was. De samenwerking eindigde overigens in 1973, waarna Andries Blanken verder ging als Blanken Export. Start van het tuincentrum In de loop van de jaren zeventig kreeg Jaap Kooy het idee om een tuincentrum voor vaste planten en heesters te starten op een klein stuk van het bollenland met de naam Westergeest. Later werd de naam gewijzigd in Jaap Kooy’s Tuincentrum. Vanaf het begin van het tuincentrum werd Jaap terzijde gestaan door zijn vrouw Adriana (Aad) Wijnhout. Het zou het begin blijken te zijn van een grote ontwikkeling. Bij zijn reizen door de Verenigde Staten had hij in de loop der jaren gezien hoe de ontwikkelingen van tuincentra daar verliepen. Veel ideeën had hij daar opgedaan om die vervolgens in zijn tuincentrum in de praktijk te brengen. En het ging goed, al na één jaar werd een eerste kleine kas gebouwd en begon ook de verkoop van kamerplanten en rond de kersttijd kerstbomen. In diezelfde tijd was Jaap één van de aanstichters van de ‘Nationale Bloembollenmarkt’. Dit begon met de verkoop van bloembollen in de schuur aan particulieren. Een initiatief mede van Frans Pijnacker, Piet van Dijk, Frans van der Vlugt en Kees van Rijn. Dit initiatief ontwikkelde zich in de loop van de tijd tot een groots landelijk evenement in de hallen van de handelsmaatschappij CNB.

Steeds meer kassen op het terrein van het tuincentrum

In de loop van de jaren zeventig ging het goed met de tuincentra in Nederland, dus ook met het tuincentrum Westergeest. In Lisse verrezen nieuwe woonwijken, de welvaart nam toe, mensen kregen meer vrije tijd en het tuinieren was in opkomst. Kortom, er werd meer geld geïnvesteerd in tuinen. Op het perceel van Jaap Kooy werden steeds meer kassen gebouwd. In 1975 verkocht Jaap Kooy zijn exporthandel aan M. van Waveren & Zonen in Hillegom. Op die manier kwam er geld vrij voor uitbreiding van het tuincentrum. Jaap Kooy kon daarna honderd procent van zijn energie steken in verdere ontwikkeling van het tuincentrum. De bollenschuur, die niet langer nodig was voor het opslaan van  bollen, werd voorlopig gebruikt als magazijnruimte voor hettuincentrum.

Een creatief mens

Bij Jaap Kooy’s tuincentrum was altijd wat te doen, van gourgettekampioen tot concerten van ’Trouw moet Blijken’ en de grote landelijke fuchsiashow van Herman de Graaff niet te vergeten (zie nr. 4-2019 van VOLnieuwsblad) Voor de kerstshow werden zelfs pendelbusdiensten ingezet vanaf het parkeerterrein bij De Keukenhof. Bij Jaap Kooy zat men niet stil.

Jaap Kooy was een creatief mens en hij zat bomvol ideeën hoe het tuincentrum een bredere bekendheid te geven. Zo werd in de beginjaren van het tuincentrum een bloemenboetiek in gebruik genomen in het winkelcentrum Autorama aan de N44 in Wassenaar. Ook op Westergeest veranderde er veel. Er kwamen meer kassen, die ruimte gaven voor een groter assortiment en allerhande activiteiten. Zo werd er enige jaren een grote bruidsshow georganiseerd. Ook werd er twee jaar in samenwerking met Hans Sicking van ‘Muziek Sicking’ een orgelshow gegeven, waarbij tientallen occasions van Hammondorgels waren betrokken. Op het tuincentrum werden zeer uiteenlopende activiteiten georganiseerd. Voor de kinderen werd er verschillende jaren een wedstrijd georganiseerd: ‘wie kweekt de grootste pompoen’ en ‘wie kweekt de grootste courgette’. Met de plaatselijk zeer actieve Fuchsiavereniging onder leiding van Herman de Graaff was tweemaal een zeer grote landelijke fuchsiashow georganiseerd, onder de naam ‘Fuchsiade’. Op Tuincentrum Westergeest was altijd wel wat te doen, van Paasjubel tot uitvoeringen van harmonie, fanfares en zangverenigingen. Op vrijdag 21 juni 1985 werd op grootse wijze de beeldentuin geopend bij tuincentrum ‘Westergeest’.

Kerstshows
Tijdens zijn reizen door de Verenigde Staten maakte Jaap Kooy niet alleen kennis met het fenomeen tuincentrum, maar ook met de zogeheten ‘kerstshows’, waarop allerhande zaken rond de kerst tentoon werden gesteld. Hij introduceerde het in Nederland in de weken voor de kerst en was er heel succesvol mee. Deze kerstshows
werden een steeds belangrijker element in het tuincentrum. Naast het wereldberoemde Keukenhof met de voorjaarsbloemententoonstelling, was het tuincentrum van Jaap Kooy een goede tweede grote toeristische attractie in Lisse, maar dan in het najaar. Dit kwam ook doordat er het nodige spektakel omheen werd gecreëerd.
Catherine Keyl, een bekende presentatrice van talkshows, opende in de jaren tachtig een keer de kerstshow. Een andere keer wist Jaap Kooy een aantal ministersvrouwen zo ver te krijgen dat ze een kerstboom in het tuincentrum naar eigen inzicht kwamen decoreren. De bomen werden na afloop bij opbod verkocht. De opbrengst ging vervolgens naar een goed doel.

Het werd in de weken voor de kerst steeds drukker op het tuincentrum. Vrouwenverenigingen uit het gehele land werden uitgenodigd voor een dagje ‘Jaap Kooy’s Kerstdorp’. Opgehaald met een bus, onder de middag een lunch in Noordwijk en ’s middags een demonstratie kerststukken maken door de destijds beroemde arrangeur Cock Veldhuis uit Hillegom. In de drukste jaren van de kerstshow werd zelfs een parkeerterrein van Keukenhof gehuurd en werden de klanten met pendelbussen heen en weer gereden. Het bedrijf groeide en groeide in de loop van de jaren. Een aantal jaren was er aan de achterzijde bij de in- en uitgang aan de Achterweg naast de kassen een zeer groot aangelegd beeldenpark met beelden voor de verkoop. In later jaren heeft dit plaats moeten maken voor verkoopruimte van onder andere hout, tegels en blokhutten, waarvan een groot aantal showmodellen stond opgebouwd. Ook buiten het terrein van het tuincentrum werden activiteiten ondernomen. Zo werd aan de Noorderkade in Alkmaar een complete verdieping van een meubelbedrijf gehuurd voor de verkoop van tuinmeubelen, kerstartikelen en blokhutten.

Veel herinneringen zijn in deze vlammenzee verloren gegaan

In Aalsmeer werd het tuincentrum Wijs & Zn. overgenomen, met hieraan gekoppeld een groothandel in bamboestokken. Bij de laatste grote verbouwing en uitbreiding in 1989 werd de bollenschuur omgebouwd tot een luxe lifestyle winkel op de begane grond en een mooi appartement voor Jaap en Aad Kooy op de verbouwde eerste verdieping.

Tuincentrum Overvecht
Zoals gezegd was Jaap Kooy een zeer creatief mens en een innoverende ondernemer. Hij trad daarbij ook vaak buiten de gebaande wegen, wat hem op kritiek kwam te staan van andere ondernemers in Lisse. Immers in de loop van de tijd werden op het tuincentrum artikelen verkocht, die volgens de regels van de bestemming niet in het buitengebied van Lisse verkocht mochten worden,

Op 30-11-2022 werd de 2e fase (het restaurant) officieel geopend door directeur Jaco Griffioen en de landelijk bekende chefkok Herman den Blijker.

maar voorbehouden waren aan de ondernemers in het dorp zelf. Zijn grote gedrevenheid had ook als nadeel dat hij niet altijd goed oog hield op de winstgevendheid van zijn activiteiten. In 1992 vond de bank het niet langer verantwoord om het bedrijf van Jaap Kooy verder te financieren en werd het faillissement aangevraagd en uitgesproken. Het bedrijf werd toen overgenomen door de gebroeders Ad en Wim Scherrenberg van het tuincentrum Overvecht uit Utrecht. Onder de naam Tuincentrum Overvecht werd de zaak voortgezet. Vrijwel het gehele personeel kon daar aan het werk blijven. Vele jaren functioneerde Overvecht op een goede wijze, maar na ruim twintig jaar kwam de klad in de activiteiten van het tuincentrum. Het leidde tot een overname door Intratuin. Omdat Intratuin Voorschoten plaats moest maken voor woningbouw kwam dit bedrijf naar deze locatie in Lisse. Er zou weer wat groots komen op diezelfde plek, maar net voor de opening van het complex zou plaatsvinden, sloeg het noodlot toe. Een fout zorgde ervoor dat binnen een mum van tijd vrijwel het hele gebouw in brand stond. Een grote vuurzee, ontploffingen en een grote zwarte rookpluim die tot ver in de omtrek te zien was. Het tuincentrum was geheel verwoest. Intratuin ging niet bij de pakken neerzitten en bouwde in korte tijd een nieuw tuincentrum.

Sociaal bewogen persoonlijkheid

Op de foto staat Jaap Kooy links van de medewerkers van het tuincentrum. Zijn vrouw is de vierde van links. Geheel rechts staat Cees van der Tang, die
informatie voor dit artikel leverde, derde vanaf rechts is Focke Segers die directeur werd toen Overvecht de zaak overnam. Focke weet nog vrijwel alle namen.
Vraag aan alle lezers, weet u nog door wie u geholpen werd? Laat u het ons weten? Ook als u nog fotomateriaal heeft uit de tijd van Jaap Kooy en Overvecht
houdt VOL zich aanbevolen. Het archief van het tuincentrum is met de grote brand verloren gegaan, met uw hulp kunnen we werken aan een nieuwe collectie.

Jaap Kooy was hard en streng voor zijn personeel, maar vooral inspirerend; hij gaf mensen ook alle ruimte om zaken te verwezenlijken. In de privésfeer was Jaap Kooy een zeer sociaal bewogen persoonlijkheid. Jaap en Aad Kooy waren zeer actief betrokken bij de Hervormde Gemeente van Lisse. Aad als diaken en actief voor
de kerkenveiling en Jaap jarenlang als kerkvoogd. In die functie heeft hij zich eind jaren 60 onder andere beziggehouden met een grootscheepse renovatie van Rustoord. Aad en Jaap Kooy zijn, na het faillissement in 1993, nog enige tijd blijven wonen in het appartement op het complex aan de Heereweg 350 in Lisse. Later zijn ze verhuisd naar het appartementencomplex aan de Marconilaan. Na een aantal jaren werd de wereld voor Jaap Kooy steeds kleiner en werd Jaap Kooy opgenomen in Mariënhaven in Warmond, waar hij op 2 februari 2003 overleed. Zijn vrouw verhuisde in 2016 naar Rustoord, alwaar zij 16 juni 2020 overleed.

Familie Kooy

Jacob Kooy (Jaap Kooy) Geboren: 3 april 1929 te Koedijk (bij Alkmaar)
Overleden te Warmond op 2 februari 2003
Zoon van bollenkweker J. Kooy en echtgenote H.A.J. Eenkhoorn.
Op 21 juli 1954 gehuwd met: Adriana Wijnhout (Aad)
Geboren 14 januari 1928
Dochter van bollenkweker Arie Wijnhout Wzn en echtgenote A. Schaap
Overleden te Lisse op 16 juni 2020.
Na hun trouwen zijn zij gaan wonen in het nieuwe huis; Nassaupark 3.
Op een later tijdstip Heereweg 350.
Jaap en Aad Kooy bleven kinderloos.

Bronnen:
Cees van der Tang. Werkzaam als rechterhand van Jaap Kooy en tot zijn pensioen werkzaam bij het tuincentrum.
Focke Segers. Jong begonnen bij Jaap Kooy, latere directeur van Overvecht nu eigenaar van drie tuincentra met de naam Groenrijk in het vaandel.
R.J. Pex: auteur “Wassergeest” te Lisse, 2004.
Foto’s met dank aan Teuntje van Delft van Verhagen Pers en Bob van der Lans van Foto Lans Hillegom.

Stukje Jaap Kooy extra

De sauna van Jaap Kooy
Zelf (Gerard van der Zwan) heb ik Jaap Kooy een paar maal ontmoet. Aanleiding voor onze ontmoeting was een bezoek aan Westergeest in de zomer van 1984. Het was mijn bedoeling om enige tuinplanten te kopen, toen ik in een hoek van het centrum een blokhut zag staan. Ik herkende het bouwwerk onmiddellijk als een Finse sauna, die ik de zomer ervoor tijdens een vakantie in dat land al vaker had gezien. Op het moment dat ik de blokhut nader bekeek, bleek het inderdaad om een Finse sauna te gaan. Nu wilde het geval dat wij een paar jaar ervoor een huis langs de ringdijk van de Haarlemmermeer hadden gekocht met een grote tuin. Een Finse sauna zou in onze grote tuin niet misstaan. De blokhut bleek een showmodel waarvan Jaap Kooy hoopte er exemplaren van te verkopen. Maar de verkoop liep niet goed.

Het tuincentrum  groeide en groeide zodat het showmodel op een bepaald moment gewoon in de weg stond, omdat de plek plaats moest maken voor een parkeerruimte. Zo kwam ik in contact met Jaap Kooy en daarna was de zaak al snel beklonken. Hij wilde van de sauna af en wij wilden hem graag hebben. Zo werd de koop gesloten voor 5000 gulden. Maar daarmee was nog niet alles geregeld. De grote vraag bleef: ‘hoe komt de blokhut van de Heereweg in Lisse naar de Hillegommerdijk in Beinsdorp?’ Uit elkaar halen zou voor de hand liggen, maar was geen optie. Zo deze al uit elkaar te halen zou zijn (elke balk was gezaagd uit een aparte boom) dan nog zou het opnieuw in elkaar zetten een onmogelijke klus worden. Omdat de blokhut al enige jaren als showmodel had dienstgedaan, zou deze waarschijnlijk niet makkelijk meer in elkaar passen.

Het enige alternatief was daarom om de blokhut in zijn geheel te verplaatsen. Maar ja, hoe verplaats je een bouwwerk dat circa zeven meter lang is, vijf meter hoog en ook nog eens vijf meter breed. Met name dat laatste was problematisch, want een zo breed gevaarte kon niet zomaar over de weg worden vervoerd; het zou namelijk bijna twee rijbanen in beslag nemen, en dat over een tweebaansweg. Het vervoer zou niet alleen in technische zin problematisch zijn, maar ook procedureel. Het vervoeren van een zo breed object kon niet zonder toestemming van autoriteiten als politie en gemeente. In dit geval waren het ook nog eens drie gemeenten, namelijk Lisse, Hillegom en de Haarlemmermeer, die toestemming zouden moeten verlenen. Echter dergelijke vergunningen zouden ook nog eens met de nodige rompslomp gepaard gaan en dat zou ook de nodige tijd in beslag nemen. Tijd die er niet was, immers, Jaap Kooy wilde van de blokhut af om zijn parkeerruimte te realiseren.

Maarten Verschoor
In het overleg dat we met Jaap Kooy voerden over het vervoer kwam hij met een nuttige suggestie: “Bel met Maarten Verschoor in Sassenheim, hij heeft een kraanwagenbedrijf en moet in staat zijn ondanks dat de sauna zo breed is deze te vervoeren. Wanneer je tegen hem zegt: Wanneer het u niet lukt ga ik wel naar een ander, dan zal hij alles uit de kast halen om het mogelijk te maken, immers Maarten Verschoor wil niet dat er in de Bollenstreek wordt gezegd dat hij iets niet heeft kunnen vervoeren.” En zo geschiedde. Ik belde Maarten Verschoor en legde uit dat we een sauna in de vorm van een blokhut van de Heereweg in Lisse wilden verplaatsen naar de Hillegommerdijk in Beinsdorp. Echter, wanneer ik de maten noem die het object groot is hoor ik een tijdje niets. Blijkbaar dacht hij na hoe een zo breed – want dat is vooral het probleem –bouwwerk over de weg vervoerd kon worden. Ik hoor hem twijfelen en speel dan de kaart die Jaap Kooy me had toegespeeld, wanneer ik zeg: “wanneer u het niet kan klaren, ga ik op zoek naar iemand die het hopelijk wel kan fixen.” Het werkte. Maarten Verschoor zegde me toe dat hij het ging regelen. En hij hield zijn woord. Een dag later meldde hij dat hij de zaterdag erop heel vroeg in de morgen, vlak na zonsopgang, wanneer er nog niemand op de weg zou zijn – ook de politie niet – de klus zou klaren. De vrijdagavond voor de zaterdag dronken we met Jaap Kooy een glaasje wijn op zijn terras op de goede afloop. De dag erna begon vroeg. Om even over vier kwam Maarten Verschoor met een kraanwagen en een oplegger bij het tuincentrum. In de schemer werd de sauna opgetakeld en op de oplegger geladen. En daarna ging het gebeuren. De tocht was niet meer dan tien kilometer en het was gelukkig nog heel stil op de weg. De enige obstakels waren de paar stoplichten die er op de route stonden. De sauna was zo hoog dat deze niet onder de stoplichten door kon en dus moest de oplegger over de linker kant de stoplichten vermijden. Eenmaal aangekomen op de Hillegommerdijk was het ergste achter de rug. De ook gearriveerde kraan tilde de blokhut van de oplegger en tilde deze over de bomen in de tuin en plaatste deze op de plek die we er voor hadden bestemd. De ruim 25 jaar die we daarna nog op de Hillegommerdijk woonden, hebben we bijna wekelijks gebruik gemaakt van de sauna, met dank aan Jaap Kooy die hem leverde en Maarten Verschoor die hem verplaatste.

 

Reactie

In het vorige Nieuwsblad stond deze foto van Jaap Kooy en de medewerkers. Inmiddels zijn veel namen van het personeel bekend. Van de drie rood omcirkelde
mensen zijn de namen niet of maar half bekend. Kunt u daar een naam invullen ? Laat het ons dan weten.

Bij de hartpagina: Luchtfoto vanaf het westen

We gaan ongeveer 50 jaar terug in de tijd. Kijk mee en je ziet eigenlijk een vrijwel totaal ander dorp dan waar we nu in rondwandelen. Neem de tijd om even te zwerven door ons Lisse van een halve eeuw terug. Beetje anders? Zeker wel!

Redactie

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

We kijken uit over het Lisse van 1969
Veranderingen komen soms in een stroomversnelling. Dat laat deze hartpagina zien. In de Blinkerd en de omgeving van Berkhout was het nog een en al bollenland. Op een paar woningen na is op de foto alles platgewalst aan de Stationsweg (nu Berkhoutlaan). Rechtsboven zie je hoe de delen van de in aanleg zijnde Ruishornlaan naar elkaar toe groeien. Links van het midden zien we een kersverse Nassaustraat. Op de foto linksonder zijn ze nog druk bezig bij de Nassaustraat in aanleg. De sporthal bij de Ringvaart is nog maar net een jaartje in gebruik. Bij de Grevelingstraat is de grond voor de latere Sierex net bouwrijp gemaakt. Aan het eind van 1969 staat daar al een bijna compleet gebouw. Lisse dorp verandert snel, maar ook in de Lisserbroek weet men van aanpakken. Daar liggen al wat bouwstraten klaar om het bouwverkeer te verwelkomen. Het vorige Fioretti is men nog aan het bouwen. Dat schoolgebouw is al lang weer weg, net als de sporthal en het oude zwembad. Langs vrijwel de hele Ringvaart is alles veranderd, alleen dat stukje tussen de Tasmanstraat en de Barenszstraat lijkt nog redelijk hetzelfde. De gashouders, Verduyn, Jonker Beton, de scheepswerf van Akerboom en Verhaar Metaal, alles is verdwenen. Vaar op de “Greveling” (eigenlijk Havenkanaal) wat verder, dan zie je nog delen van boerderij “De Poeleway”. Kistenfabriek de ELKA en de oude brandweerkazerne, ze staan nog op de hartpagina. Zie de brug over de Gracht die net bezig is om viaduct te worden. Lisse wat ben je toch veranderd in de jaren. Er ging veel weg en er kwam natuurlijk ook weer veel voor in de plaats, zo verandert er elk jaar wel wat en dat heb je niet zo in de gaten. Als je, zoals op de hartpagina een sprong maakt van 55 jaar, dan kijk je naar een heel ander dorp dat toch echt ook Lisse is!

Deen.

DE TOEPASSING VAN DE LANDARBEIDERSWET. In de Zuidhoek van Lisse

Jan Hageman vertel in dit artikel over de connectie van de landarbeiderswet en de woningbouw in de bocht van de Julianastraat. Vorig jaar vierde dat stukje Lisse haar 100 jarig bestaan. Dat levert natuurlijk ook weer een mooi verhaal op.

Jan Hageman

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Vooraf
“Kijk”, met haar ene hand steunend op de rollator wijst ze met haar andere hand naar de overkant, “daar heb ik mijn hele jeugd gewoond”. Verbaasd kijk ik haar aan. Meer dan 40 jaar heb ik nu in deze straat gewoond, maar ik heb nooit geweten dat haar familie hier vandaan kwam. Voor mij komen allemaal andere namen van oude straatbewoners uit mijn jeugd in herinnering. Eenmaal binnen aan de koffie begint ze enthousiast te vertellen over haar vader, Leen Kapiteijn. Hoe hij zich had opgewerkt van eenvoudige landarbeider tot bedrijfsleider van Bloembollenbedrijf Fred de Meulder. “Hij was apetrots op zijn huis dat hij als landarbeider zelf had kunnen laten bouwen”. Ze neemt nog een slok koffie. “En dat was allemaal mogelijk door de Landarbeiderswet.” Het is begin jaren 90 en voor het eerst hoor ik iemand vertellen over het begrip de Landarbeiderswet. Natuurlijk was ik de term wel eens tegengekomen, maar ik had er nooit bij stilgestaan. Ze vertelt dat dit een wet was die landarbeiders in de gelegenheid stelde geld te kunnen lenen om een stukje grond te kopen waarop men een huis kon laten bouwen en daarnaast nog een moestuintje kon onderhouden. Als ze weer vertrokken is, zoek ik de doos op met de stukken over het huis die mijn vader heeft achtergelaten en die zijn vader (mijn opa) ook aan hem heeft overgedragen. Al snel stuit ik op een brief van de gemeente Lisse, gedateerd 2 februari 1925, met als onderwerp ‘Grondverkoop en voorschot Landarbeiderswet’. Ook ons huis is dus gebouwd in het kader van de Landarbeiderswet. De brief vermeldt de goedkeuring en besluit van de raad om ‘voor de stichting van een woning ingevolge de Landarbeiderswet tegen den prijs van f. 1.- per m2 ongeveer 500 m2 grond te verkoopen van het perceel gelegen langs de Julianastraat’.

Op de bijbehorende blauwdruktekening staat nog iets opvallends. ‘Plan tot het bouwen van twee arbeiderswoningen op een terrein van de z.g. Zuidhoek te Lisse’. De Zuidhoek, ik had er nog nooit van gehoord. Het is begin jaren 90 en internet staat nog in de kinderschoenen. Zoeken naar de sporen van de Landarbeiderswet wordt een tijdrovende klus. Zo’n 30 jaar later is dat anders. Maar laten we bij het begin beginnen….

Armoede in de 19de eeuw
De 19de eeuw staat bekend als de eeuw van de armoede. Arbeiders maakten lange dagen voor weinig loon. Daarbij liet de industriële revolutie ook zijn sporen na. Fabrieken en werkplaatsen trokken de arbeiders van het platteland naar de steden. Er was meer aanbod van arbeidskrachten dan werk. Gevolg achterblijvende lonen en vooral slechte huisvesting. Op het platteland was het niet anders. In de zomer was er werk genoeg, maar ’s winters viel de natuur en ook het werk stil. Landarbeiders zaten vaak zonder werk in de wintermaanden. Met de huisvesting (én de voeding) van de arbeiders was het zo droevig gesteld, dat zelfs koning Willem
III er zich mee ging bemoeien. Al in 1853 vroeg hij aan het Koninklijk Instituut van Ingenieurs wat de eisen moesten zijn waaraan een goede arbeiderswoning zou moeten voldoen. Een jaar later bracht het Instituut rapport uit waarin een verband werd gelegd tussen gezondheid en volkshuisvesting en werden er aanbevelingen gedaan die de basis voor de latere Woningwet zouden worden.

Vooral in de steden kreeg  de roep voor betere huisvesting in de tweede helft van de eeuw meer gehoor. In diverse steden ontstonden ‘Vereenigingen tot het verschaffen van geschikte woningen aan de arbeidende klasse’. De voorlopers van de woningcorporaties. Wat een geschikte woning was, daarover werd zeer verschillend gedacht. Er waren geen normen voor oppervlakte en voorzieningen. De eerste Woningwet dateert van 1901. Voor het eerst was overheidsbemoeienis bij volkshuisvesting in een wet vastgelegd. Vanaf nu mochten woningbouwverenigingen rekenen op financiële steun van de overheid en werden gemeenten verplicht verordeningen en voorschriften op te stellen waaraan woningen moeten voldoen. De naleving van de Woningwet lag bij het Staatstoezicht op Volksgezondheid en werd gedelegeerd aan de gemeenten. Een Ministerie voor Volkshuisvesting bestond nog niet.

De eerste woningbouwverenigingen in Lisse
In navolging van de ontwikkelingen in de steden wordt in Lisse de Christelijke Coöperatieve Bouwvereniging ‘Vaderlijk Erfdeel’ opgericht (rond 1905). In december 1906 wordt de naam veranderd in ‘Helpt elkander’. Deze vereniging laat door aannemer J. Witzenburg 19 woningen bouwen op het terrein van M. van der Veld. De oplevering is eind 1910. De nieuwe straat krijgt ook gelijk zijn naam, de Van der Veldstraat. In 1907 wordt Woningbouwvereniging Volksbelang opgericht. Een vereniging op katholieke grondslag die echter op aandringen van het gemeentebestuur wordt omgezet naar een neutrale vereniging. Volksbelang wil gebruik maken van de faciliteiten van de Woningwet uit 1901. Daar heeft het gemeentebestuur eigenlijk geen oren naar. Woningbouw is iets voor particulieren. De strijd duurt 7 jaar. In 1915 kunnen eindelijk de eerste stukken grond (o.a. het gedeelte Julianastraat vanaf Koningstraat naar Wilhelminastraat) worden aangekocht. Er zullen 59 woningen worden gebouwd.

Begin bocht bij Julianastraat-Nassaustraat 1930

Het worden er uiteindelijk maar 25, omdat de eerste wereldoorlog materiaalschaarste veroorzaakt. Het stuk Julianastraat vanaf de Kanaalstraat heet dan nog Meeren Duinstraat en is in 1904 door aannemer Gebrs. Moolenaar aan de westzijde bebouwd met kleine arbeiderswoningen. De straat is smal en in eigendom van Moolenaar. Aan de oostzijde kijkt men over de weilanden uit naar de ringvaart van de Haarlemmermeer. Het perceel tussen de grond van Volksbelang en dat van Gebrs. Moolenaar blijkt volgens oude papieren al de naam Zuidhoek te dragen. Tegelijk met de grond voor Volksbelang koopt de gemeente, op dringend advies van de inspecteur van Volksgezondheid, dit perceel ter grootte van 16.490 m2 van eigenaar de Gereformeerde Kerk van Lisse. De gedachte hierachter was dat dan ooit een verbinding kon worden gemaakt tussen de nieuwe Julianastraat en de Meer- en Duinstraat. Het perceel is tot rond de eeuwwisseling in gebruik als weiland. Op een kadastrale hulpkaart uit 1905 staat als bestemming bouwland.

Het is dan dus omgezet voor de tuinbouw. Als de grond eenmaal in handen is van de gemeente, wordt het hele perceel verdeeld in kleine perceeltjes die verhuurd worden als volkstuintjes. Blijkbaar was er vraag naar volkstuintjes.

Eind bocht bij Julianastraat-Koningstraat kantoor Volksbelang 1930

Niet zo vreemd als je bedenkt dat het overgrote deel van de werkende bevolking in Lisse in die tijd werkzaam is in de landbouw. De vraag naar landarbeiders is –vooral in het hoogseizoen- wel groot, maar het aanbod is ook hoog. Grote gezinnen zijn gewoon in die tijd. En iedere meewerkende hand, die geld verdient, verlicht de zorgen om het levensonderhoud. En een extra aanvulling vanuit de eigen volkstuin helpt daar natuurlijk bij. In de bloembollensector worden de meeste werkzaamheden nog met de hand uitgevoerd. De echte mechanisatie moet nog op gang komen. Maar ’s winters is het rustig en worden veel landarbeiders naar huis gestuurd. En zo ontstaat de situatie dat landarbeiders door hun los werknemersbestaan nooit de gelegenheid krijgen om zelf een woning te kopen of zelfs maar te laten bouwen. De landarbeider  zit hierdoor gevangen in een laagwaardig sociaaleconomische situatie, waar hij nooit zelfstandig bovenuit zal komen. Een breed landelijk probleem dat langzaamaan ook de nodige  aandacht krijgt van de beleidsbepalers in Den Haag. Het besef begint door te dringen dat ‘verstrekking van grond aan landarbeiders een publiek belang is’.

De Landarbeiderswet 1918
Op 20 april 1918 wordt na een lange aanloop de Landarbeiderswet officieel van kracht. ‘Een wet tot verkrijging door landarbeiders van land met woning in eigendom of van los land in pacht’,aldus de bij de wet behorende toelichting.

De gegadigden hebben dus twee mogelijkheden:
a. het verwerven van een stukje grond voor eigen (groente-)teelt en tot het bouwen van een eigen woning
b. het pachten van een stukje grond voor eigen (groente-)teelt

Voor beide mogelijkheden kunnen kredieten worden aangevraagd bij het Rijk. De wetgever spreekt daarbij de voorkeur uit dat kandidaten, die uitsluitend gebruik willen maken van de pachtmogelijkheden, zich verenigen in een vereniging of stichting.

Natuurlijk worden er voorwaarden gesteld aan de deelnemers:

a. de landarbeider moet naast het bezitten van het Nederlanderschap ook Rijksingezetene zijn
b. gedurende twee jaar al in de betreffende gemeente wonen

Voor het verwerven van grond met oprichting van een woning  gelden daarnaast de volgende extra voorwaarden:
c. de aanvrager mag niet ouder dan 50 jaar zijn (i.v.m. de aflossingstermijn van 30 jaar)
d. de totale kosten van de grond en de woning mag niet meer dan Fl. 4.000,- bedragen
e. de aanvrager moet tenminste 10% van de totale investering uit eigen middelen kunnen betalen
d. de eerste drie jaar wordt alleen rente betaald (4%) en daarna volgen 30 annuïteiten met een rente van 5,8%

De totstandkoming van deze wet ging niet zonder slag of stoot. Voorstanders brachten in dat landarbeiders hiermee een sterkere economische positie konden verwerven. De staatscommissie, belast met het opstellen van de wet, onderstreepte dit en stelde ook dat arbeiders hiermee in staat worden gesteld hun inkomsten
uit loondienst aan te vullen. Tegenstanders waren er natuurlijk ook. Argumenten als: lasten worden te zwaar bij neergaande conjunctuur, er komt schade aan de grond door ondeskundig gebruik en roofbouw, arbeiders gaan dan ook op zondag werken en arbeiders maken dan te lange dagen kwamen allemaal naar voren. Over dit laatste argument maakte een kamerlid (in het dagelijks leven zelf boer) nog de volgende opmerking: de arbeider werkt op z’n eigen stukje grond en komt bij ons uitrusten… Het mocht allemaal niet baten. De wet werd met grote meerderheid aangenomen en luidde een nieuw tijdperk in van het particulier woningbezit.
Toepassing Landarbeiderswet in Lisse Deze hele ontwikkeling van een bezit voor landarbeiders is in Lisse niet onopgemerkt gebleven. Op 3 augustus 1923 komt de gemeenteraad bijeen. Het voorstel van de Grondcommissie (=een raadscommissie) ‘om den Zuidhoek beschikbaar te stellen voor het verkrijgen van plaatsjes ingevolge de Landarbeiderswet’ staat dan hoog op de agenda. Het blijkt een breed gedragen voorstel en wordt snel aangenomen. Hier zien we voor het eerst het gebruik van de naam Zuidhoek in officiële stukken. De naam staat er zonder enige toelichting over de locatie. Het zal in die tijd dus voor iedereen duidelijk geweest zijn welk perceel hiermee bedoeld wordt. Het perceel van 6.008 m2 wordt verdeeld in perceeltjes van circa 500 m2. De eerste reacties zijn positief. B&W constateren dan ook dat er ook in deze gemeente verschillende arbeiders zijn, die het bezit van een plaatsje, als bedoeld in de Landarbeiderswet, op prijs stellen. Hierdoor wordt toch liefde voor eigen haard gekweekt en worden spaarzaamheid en vlijt aangemoedigd. Besloten werd dat de deelnemers Fl. 500,- contant moesten betalen bij de overdracht van de grond. Daarmee werd voldaan aan de plicht minimaal 10% van het maximale investeringsbedrag zelf bij te dragen. Op het hele perceel werden uiteindelijk 22 locaties voor een huis met (moes-)tuin gerealiseerd. De stukken grond op de noord- en zuidoosthoeken waren veel groter dan de geplande 500 m2 en werden respectievelijk aan een beerboer en een transport- en loonbedrijf verkocht. Van de 22 locaties werden er uiteindelijk 16 verkocht in het kader van de Landarbeiderswet. De hoge eigen bijdrage zal ongetwijfeld mee hebben gespeeld in de toch wat beperkte deelname. Het zelf in te leggen bedrag was ongeveer gelijk aan circa veertien weeklonen en moest dus opgespaard worden. Op zichzelf was dat al een geweldige opgave voor landarbeiders. De levensstandaard lag al laag en enige luxe kon men zich niet veroorloven. Aan geld sparen kwam men dan vaak helemaal niet toe. Het hele plan kon dan ook wel op sympathie van de lokale landarbeiders rekenen, maar als het er op aan kwam werd de drempel toch vaak te hoog bevonden.

Iets over de deelnemers
Een vrijstaand huis (laten) bouwen voor fl. 3.500,- was eigenlijk niet te doen. Voorafgaand aan de vaststelling van het maximale investeringsbedrag van fl. 4.000,- was al een lange discussie gevoerd. In het eerste wetsontwerp was dit bedrag veel lager, maar nog voordat de wet bekrachtigd werd vonden al de eerste aanpassingen plaats. De Tweede Kamer vond in z’n algemeenheid dat ‘iedere grens iets willekeurigs heeft’. In het besluit  werd dan ook vastgelegd dat in voorkomende gevallen middels een Koninklijk Besluit kon worden afgeweken van dit bedrag. In Lisse hield men vast aan de fl. 4.000,- In de praktijk bleek het dan ook handiger geen vrijstaande (arbeiders-)woning te bouwen, maar ‘twee-onder- één-kap’. Daarvoor moesten deelnemers dus paren vormen. Naast twee deelnemende broers vinden we ook twee neven die gezamenlijk huizen lieten bouwen. Ongetwijfeld was de bekendmaking van de start van dit project een veelbesproken onderwerp in de schaftruimten van menig bloembollenbedrijf. We vinden dan ook collega’s bij zowel H. de Graaff en Zn. en N.V. Leo van Grieken op de deelnemerslijst. Opvallend was de aanmelding van twee landarbeiders, waarvan één kandidaat-deelnemer de 40-jarige leeftijd reeds was gepasseerd. Hoewel de leeftijdsgrens om nog deel te mogen nemen wettelijk was vastgesteld op 50 jaar, vond er n.a.v. deze aanvraag toch een uitgebreide discussie plaats in de raadsvergadering van juni 1924. Het gemeentebestuur stelde dat al zou men bij deze startleeftijd de annuïteitstermijn bij leven kunnen afmaken, ‘dan is daarin toch zeker een belangrijk deel begrepen, dat hun werkkracht niet meer zoo groot is, waardoor zij minder loon verdienen en meer bezwaar bij de aflossing zullen ondervinden.’ Het gemeentebestuur stelde dan ook voor in dit geval de deelnemer de helft (fl. 2.000,-) zelf in te laten brengen. Uiteindelijk kwam men overeen ieder geval apart te beoordelen en voor deze kandidaat-deelnemer de eigen inbreng op fl. 1.500,- vast te stellen. Van deze twee deelnemers zijn geen percelen in eigendom teruggevonden, zodat we mogen aannemen dat deze eigen bijdrage een te groot obstakel voor deelname was. Zeker was dat het allemaal landarbeiders waren. De grote tuin werd in veel gevallen als moestuin ingezet. ‘Om in aanvullende levensbehoefte te voorzien’, zoals de wetgever ook voor ogen had. Maar een aantal (6) eigenaren zagen in de grote tuin de mogelijkheid van springplank naar een eigen bloembollenbedrijfje. Dat was niet vreemd voor die tijd, want in de streek waren misschien wel honderd kleine bloembollenbedrijfjes van dezelfde omvang en met een gelijkwaardige thuisbasis gehuisvest.

Het einde van de Landarbeiderswet
Bij de uitvoering van de Landarbeiderswet bleken veel gemeenten een afwachtende houding aan te nemen. In de plattelandsgemeenten waren veelal de confessionelen aan de macht en die waren in die tijd principieel tegen overheidsbemoeienis bij woningbouw. Maar veel hing ook af van de ondernemingszin en durf van de landarbeiders zelf. De mensen, die het waagden om met geleend geld zelf een huisje te bouwen, namen een groot financieel risico in een tijd dat een lang en gezond leven beslist niet vanzelfsprekend was. Een helder overzicht van het aantal gerealiseerde ‘plaatsjes’ is nooit opgemaakt. Wel verscheen in 1964 van het Ministerie van Landbouw en Visserij een overzicht op provinciaal niveau. Groningen en Drenthe voerden de boventoon met rond de duizend plaatsjes per provincie. Dit had ongetwijfeld ook te maken met de slechte woonomstandigheden in de veengebieden aan het begin van die eeuw. Daar viel een hoop te verbeteren. Eind 1925 waren in Zuid Holland 103 plaatsjes uitgegeven.

Drukte tijdens de opening van het tankstation bij garage Broekhuizen 1968

Uiteindelijk bleef voor Zuid Holland in 1964 de teller steken op 373 plaatsjes. Aan uitgifte van percelen volgens de Landarbeiderswet lagen, vanwege de kredietverstrekking, altijd raadsbesluiten ten grondslag en die werden dienovereenkomstig daarna in de krant vermeld. Hierdoor is het aantal uitgegeven plaatsjes in Lisse redelijk betrouwbaar vast te stellen en mogen we er van uitgaan dat het bij de eerder aangegeven 16 plaatsjes is gebleven. In 1964 vindt een evaluatie van de wet plaats. In de toelichting schrijft de minister dat na de Tweede Wereldoorlog de economische positie van de landarbeider sterk is verbeterd en dat de noodzaak om te voorzien in eigen teelt sterk is afgenomen. Ook was het maximaal te investeren bedrag (fl. 4.000,-) zeker na de oorlog, door de gestegen bouwkosten, een belangrijke hindernis geworden. Kortom, de grondslag voor de wet was verdwenen met als gevolg dat de wet feitelijk niet meer werkte. In mei 1965 is de wet daarom officieel ingetrokken.

100 jaar later
‘Kijk, ons huis had ook een erker opzij.’ Met een trots gezicht vouwt ze een kleine blauwdruktekening van de erker open. ‘Die is later aangebouwd en mijn vader had er een bord op laten plaatsen met de naam van z’n jongste dochter, ik dus, Jeanne. Hij had ook een eigen stoel in de erker. Dan kon hij makkelijk over de straat kijken’, vertelt mevrouw Kapiteijn bij een later bezoek.

Hier gaan ze al 100 jaar door de bocht van de “Zuidhoek” 1975

Inmiddels zijn we een eeuw verder nadat de eerste woning in de nieuwe straat verscheen. De erker is al enkele decennia verdwenen om plaats te maken voor de toegang naar een autospuiterij die verscheen op de plaats van de ruime moestuin. En dat lot hadden meerdere moestuinen in de loop van de 100-jarige geschiedenis ondergaan. De grote tuinen waren goed toegankelijk en wekten interesse bij opkomende bedrijven. Zo verschenen er in de jaren 60 een garagebedrijf, een autospuiterij en een handelsbedrijf in dumpartikelen. Later voegde zich daar nog een loonploegersbedrijf aan toe. Bij het garagebedrijf verscheen in 1968 zelfs een klein benzinestation (Gulf) voor de deur. ‘Een gezellige drukte’, vonden de oudere bewoners van de straat. Die mening veranderde in de jaren erna. De toeleveranciers kwamen met steeds grotere vrachtwagens en inmiddels verschenen ook de eerste auto’s van de bewoners. Daar bleek door de bedrijvigheid weinig plek voor. Begin jaren 80 verdwenen zowel het garagebedrijf als de autospuiterij en keerde de rust voor een groot gedeelte weer terug. De kleine bloembollenbedrijfjes hadden de schaalvergroting met bijbehorende automatisering van de concurrenten al jaren eerder niet overleefd. Van de plaatsjes, zoals ooit bedoeld in de Landarbeiderswet, is niet veel meer te herkennen. De oorspronkelijk kleine huizen zijn veelal uitgebouwd op een deel van de bijbehorende grond. Enkele huizen zijn geheel vervangen door nieuwbouw en op een paar percelen was het zelfs mogelijk om naast het oude huis ook nieuwbouw te plegen. Straten blijven nooit zoals ze ooit waren. Iedere tijd heeft z’n eigen wensen. Ook de huizen in dit stukje Julianastraat zijn veranderd: verbouwd, uitgebouwd, aangepast aan de huidige wooneisen. Er zijn warmtepompen geplaatst, zonnepanelen geïnstalleerd om zuinig met energie om te gaan. Honderd jaar geleden werd daar nog geen rekening mee gehouden. Verandering hoort bij het bestaan. Dat geldt voor huizen, hun bewoners en de straat.

Het stukje Julianastraat ‘in de bocht’ bestaat nu 100 jaar. Dit eeuwfeest is door de bewoners in de zomer van 2024 uitgebreid gevierd. Over de geschiedenis, de eerste bewoners en de verdere ontwikkeling van de straat is een boekje samengesteld. Het boekje is nog beperkt verkrijgbaar (€15,-). Interesse? Stuur een mailtje naar dezuidhoek100jaar@gmail.com.

 

 

NIEUWJAARSTRADITIE: THOMASVAER EN PIETERNEL

Het wordt tijd dat we de gemeenteraad weer eens flink op de hak nemen. Even de dingen niet zo serieus nemen. Thomasvaer en Pieternel was gewoon op kleurlijke wijze met oudjaar de boel eens satirisch op de korrel nam.

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

6 januari 2024, de dag van de nieuwjaarsbijeenkomst, sloot burgemeester Lies Spruit de viering van Lisse 825 af met de onthulling van een blijvend aandenken aan het jubileumjaar: een bankje, of eigenlijk bankjes, rond de boom op het Meer- en Houtplein. Op de bankjes staan woorden: Lisse, 825, jaar, doen, feesten, sporten, delen, leren, vieren, geloven, bloeien, voeden…. Maar wist u dat in de aanloop naar de viering van Lisse 800 een evenement voor de nieuwjaarsviering ontstond dat bijna een traditie werd?

1996
Er wordt al druk gebrainstormd over plannen om 800 jaar Lisse te gaan herdenken. De Harddraverijvereniging zal een trekkersrol vervullen en gaat veel evenementen organiseren. Bovendien is 1997 voor de Harddraverij een bijzonder jaar omdat ze dan 125 jaar bestaat. Op het gemeentehuis is daarover divers overleg en bij een van die gelegenheden laat burgemeester Van der Kroft zich ontvallen dat hij het leuk zou vinden om bij de nieuwjaarsbijeenkomst Thomasvaer en Pieternel te introduceren. Dat viel bij het bestuur van de Harddraverij meteen in goede aarde. Voorzitter Theo van der Lans zag in zijn vrouw Ria meteen een Pieternel die met medebestuurslid Ton Bon als Thomasvaer de “Nieuwjaarswensch”  zou kunnen uitspreken. Een tekstschrijver was gauw gevonden: Aad Lagerberg, ook betrokken bij de Harddraverij, beschikte als ambtenaar van de gemeente Lisse over veel inside informatie.

Oude traditie
In de Amsterdamse Stadsschouwburg was het jarenlang de gewoonte de Gijsbreght van Aemstel van Joost van den Vondel op te voeren. Nogal een zwaar stuk, maar daarna volgde dan een luchtig stuk: De bruiloft van Kloris en Roosje, met echtpaar Thomasvaer en Pieternel. Zij sloten af met de Nieuwjaarswensch, een cabareteske tweespraak waarin het voorgaande jaar met grappen en grollen, met spotternijen en steken onder water, op de hak werd genomen. Op meerdere plaatsen werd zo’n Nieuwjaarwensch uitgesproken en zo kende Van der Kroft het ook. In Lisse gebeurde ook van alles wat op zo’n kluchtige manier begin januari eens aangehaald kon worden. Het viertal van de Harddraverij ging aan de slag. Onderwerpen werden aangedragen. Teksten gemaakt en besproken. Was een tekst niet te honend of misschien kwetsend? Daar werd scherp op gelet, want het mocht dan wel spottend en gevat zijn, maar mensen moesten zich niet beledigd voelen. Er werd geoefend met Theo als kritisch toehoorder. Kleding werd gehuurd bij Hoppezak in Leiden. Tot het laatste moment werd er door Aad nog gesleuteld aan de teksten en dan is het 8 januari 1997 en kondigt de burgemeester na het uitreiken van de vrijwilligersprijs het paar aan.

Thomasvaer en Pieternel
Het werd een prachtig optreden. Er wordt wat afgelachen. Weet u nog dat indertijd het plein voor het gemeentehuis anders was ingericht? Nu domineert de toren “growing up” in de Lisser kleuren het plein. Maar in 1996 was er nog een fontein. Daar werd flink de draak mee gestoken. Het plein wordt door Thomasvaer en Pieternel de grootste knikkerput van het land genoemd en “met een heel petieterig straaltje als van een man met prostaatproblemen”.

Ton Bon en Ria van der Lans kropen heel wat jaren in de rol
van Thomasvaer en Pieternel. De introfoto is van 1997 en deze
is van 2003 bij de heropening van de Zemelpoldermolen

Op de Nieuwjaarsbijeenkomst 1998 waren Thomasvaer en Pieternel weer present met een humoristische terugblik op 1997. Sommigen twijfelden destijds of Lisse wel echt 800 jaar bestond, maar daar was volgens het duo geen twijfel over mogelijk: Den Haag bestond 750 jaar, Beverwijk 850 jaar. Lisse ligt er precies tussenin dus 800 klopt. Bij de start van de viering van Lisse 800 werden Thomasvaer en Pieternel zelfs in de schandpaal geslagen. Ze werden bevrijd nadat ze de belofte deden om bij de nieuwjaarsbijeenkomst in januari 1999 weer op te treden. Die bijeenkomst lijkt nog drukker dan anders. De samenspraak van het hilarische duo speelt daar vast een rol in. Men werd op zijn wenken bediend: er wordt gespot met een nieuw fenomeen, de vierde wethouder, gegrapt om het feit dat ambtenaren op schrijverstraining moeten, veel personen en situaties worden op de korrel genomen. Kortom, een succesvol concept om tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst op een goedmoedige – maar wel met wat stekeligheden – manier terug te kijken op het voorbije jaar.

Maar toch…
Het leek een jarenlange traditie te gaan worden. Maar na het optreden werden er toch over de voordracht wat vragen in de gemeenteraad gesteld. Eerst werd gedacht dat het wel over zou waaien. De meest gewaagde tekst die tot dan gebruikt was luidde:

Wij schuilden in het Keukenhofbos
onder droppelend lover
Ik op mijn buik
En zij achterover

Met recht een oudje uit 1655

Moest allemaal toch kunnen. Maar toch? Lange tenen? Milde spot ervaren als bijtend? Humor niet gezien? Tot teleurstelling van velen kwam er aan deze leuke traditie na 2002 een eind. Burgemeester Langelaar hield nu een nieuwjaarsrede en zij kwam nog wel terug op het gebruik. Zijeindigde op de manier van Thomasvaer en Pieternel op rijm met

Mijn rede is dus de raad zijn schuld
Toch wens ik u allen veel goeds in het nieuwe jaar’
En wie weet staat hier de volgende keer weer
Pieternel en Thomasvaer

Helaas, dat gebeurde niet. Wel zagen we ze terug bij een actie van de Rotaryclub Lisse-Bollenstreek. Daar werden uitzonderlijke diners geveild waarvan de opbrengst bestemd was voor het te stichten hospice Duin- en Bollenstreek. Voor het hospice kwam maar liefs 65000 euro beschikbaar! Ook toen de zemelpoldermolen weer officieel in gebruik werd genomenverschenen Thomasvaer en Pieternel weer even op het toneel. Daar klonk het: …….

Thomasvaer en Pieternel zijn uit hun as verrezen
Zoals Phoenix ooit al had gedaan
Zou er nog meer gelijkenis wezen
Met de molen hier op de Poellaan? 

Maar op de nieuwjaarsbijeenkomsten werden ze node gemist. Stel dat de traditie er nog zou zijn, nu er door het bestuur van Oud Lisse naarstig naar een onderkomen wordt gezocht. Dan zou hier rechts een schets van de zoektocht in de stijl van Thomasvaer en Pieternel zijn.

Met dank aan Ria van der Lans, Ton Bon en Aad Lagerberg voor het delen van hun herinneringen.

 

 

Thomasvaer en Pieternel worden in deze spotprent van rond de jaarwisseling van 1934 opgevoerd bij een diner. De leden van het kabinet Colijn worden verbeeld door de obers. Het volk laat zich bedienen.