Pareltje: over ‘Spranken uit het leven van Cornelis Kruseman’
Cornelis Kruseman, de Rafaël van het Noorden, was een zeer befaamd schilder. Hij woonde en werkte in Lisse op het mooie Rosendaal aan de Heereweg. Koningen en andere hooggeplaatsten behoorden tot zijn klantenkring.
Ria Grimbergen
Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De rouwadvertentie van Krusemans weduwe in de Opregte Haarlemsche Courant laat goed zien dat Krusemans voorliefde uitging naar historische onderwerpen. Henriette, haar zus Anna Maria en schoonzus Geertruida vertrekken na Krusemans overlijden naar Den Haag.
In de ochtend van 14 november 1857 staan de 29-jarige Johannes Diederick Kruseman, zonder beroep, en de 46-jarige arts Thomas Nieuwenhuisen bij de secretarie van de burgerlijke stand in Lisse, waar burgemeester J.C. van Rosse ook als ambtenaar fungeert. Zij geven bij hem het overlijden aan van kunstschilder Cornelis Kruseman, die om drie uur die nacht is overleden. De aangifte heeft een Haags tintje. Cornelis Kruseman woonde en werkte jarenlang in Den Haag, zijn neef Johannes Diederick woont er nog en Thomas Nieuwenhuisen is geboren in de Hofstad.
Een kunstenaarsfamilie
De overledene komt uit een zeer kunstzinnige familie, die in de negentiende eeuw alleen al zes kunstschilders telde. Cornelis en zijn achterneef Jan Adam Kruseman zijn daarvan de belangrijksten en beiden gevierde kunstenaars.
Zijn oomzegger Johannes Diederick, de man die de aangifte doet, is een zeer verdienstelijk amateurschilder en steenrijk. Zijn vader heeft een suikerfabriek in de Oost, het huidige Indonesië. Hij hoeft niet te werken voor de kost en hanteert de verfkwast voor zijn genoegen. Hij is vooral bekend geworden door zijn stadsgezichten. In 1846-1847 voegt hij zich bij Cornelis Kruseman en diens vrouw Henriette tijdens hun laatste Italiaanse kunstreis en hij zal zich later bezighouden met het inventariseren van het omvangrijke schildersoeuvre van zijn oom.
Rafaël van het Noorden
Cornelis, Kees in het dagelijks leven, wordt geboren in het gezin van een Amsterdamse apotheker op 25 september 1797. Het schoolleven kan hem niet bekoren. Hij is pas 14 jaar oud als hij lessen volgt aan de Amsterdamse Stadstekenacademie en al snel bekroont men zijn werk met prijzen en medailles. Koning Willem I koopt in 1819 van de tweeëntwintigjarige een ‘kaarslichtschilderij’ van een oude blinde man en een jong meisje, een cadeau voor zijn vrouw Wilhelmina. Een populair genre in de negentiende eeuw, maar Kruseman wijst opdrachten voor meer ‘kaarslichten’ af. Hij is ambitieus en wil zich bekwamen in historiestukken. Hij verlaat Amsterdam en reist in1821 naar Italië, waar hij in Rome de Italiaanse kunst bestudeert. Zijn afbeeldingen van het Italiaanse landleven bezorgen hem later de bijnamen de Italiaanse Kruseman en Rafaël van het Noorden. Hij heeft een neus voor zelfpromotie. Hij organiseert een solotentoonstelling van zijn Italiaanse schilderijen en stuurt ze daarnaast op naar openbare kunsttentoonstellingen. Het dagboek dat hij tijdens zijn Italiaanse reis bijhield, publiceert hij in 1826.(1
Gevierd portretschilder
Weer terug in Nederland vestigt hij zich in 1825 als portretschilder in Amsterdam, maar hij krijgt weinig opdrachten.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831, lithografie van Adolf Carel Nunnink naar het schilderij van Cornelis Kruseman. Rijksmuseum Amsterdam.
Nog in hetzelfde jaar besluit hij zich in Den Haag te vestigen. Een gouden greep: ambtenaren, officieren en diplomaten laten zich graag portretteren. In zestien jaar tijd schildert hij honderdtien portretten en portretgroepen en hij kan daar ruim van leven. Voor extra inkomsten zorgen de vele leerlingen die hij opleidt. Toch ligt zijn hart bij grote historiestukken, die financieel ook nog eens heel lonend kunnen zijn. Maar daarvoor heeft hij wel een opdrachtgever nodig. De materiaalkosten van de enorme doeken zijn hoog en het vergt veel tijd ze te schilderen. Koning Willem I verleent hem toestemming een ‘Graflegging van Christus’ te schilderen voor een bedrag van 3500 gulden, inclusief de lijst. Het kost Kruseman drie jaar het doek te voltooien. Hij wordt hiervoor in 1831 koninklijk onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Haagse stadsbestuur geeft hem vervolgens de opdracht de monarch ten voeten uit te portretteren.
De slag bij Bautersem
In 1831 vechten Nederlandse troepen tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen bij de slag bij Bautersem. Tijdens de slag treft een kanonskogel het paard van de prins van Oranje, maar de dappere kroonprins zet de strijd voort op een ander strijdros.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.
Zijn populariteit stijgt na deze heldendaad en meerdere schilders beelden de veldslag uit. De gebeurtenis inspireert Kruseman tot het gigantische schilderwerk ‘De slag bij Bautersem’, een doek van vijf bij zeven meter, waar hij vijf jaar aan werkt. Kroonprins Willem, de latere koning Willem II, heeft een centrale rol op het schilderij. Dankzij zijn inkomsten uit de portretten kan Kruseman zich de investering in tijd en materiaal veroorloven. Maar Willem I staat lauw tegenover het in 1838 voltooide werk, tot teleurstelling van Kruseman. De koning wil liever niet geconfronteerd worden met het verlies van België en weigert in te gaan op de uitnodiging van Kruseman het werk te bekijken. De held op het doek, de kroonprins, is al na een kwartier op het schilderij uitgekeken. Een tentoonstellingsreis door het land, de opbrengst van de toegangskaartjes is voor de armen, wordt goed bezocht. Daarna komt het werk in de koninklijke collectie.
Een monumentale Johannes de Doper
In 1832 trouwt de schilder met de drie jaar jongere Henriette Angelique Meijer (1800-1868), een vrouw die vaardig is in het aquarelleren van bloem- en vruchtstillevens. Een goed huwelijk, volgens tijdgenoten. Zij is voorzien van de ‘edelste zielshoedanigheden’, begrijpt hem en steunt hem in lief en leed. De kersverse koning Willem II, een gepassioneerd kunstverzamelaar, bezoekt Krusemans atelier in 1841 en Kruseman toont hem tekeningen van een predikende Johannes de Doper, waarna hij de opdracht krijgt een historiestuk over dit onderwerp te maken.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.
Dat is voor Kruseman de aanleiding met zijn vrouw naar zijn geliefde Italië te reizen om de fenomenale religieuze kunst aldaar diepgaand te bestuderen. Als zij na een verblijf van zeven jaar terugkomen in Den Haag kan de kunstenaar een monumentaal olieverfschilderij presenteren: ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’. Na onderhandelingen komt het voor het enorme bedrag van 30.000 gulden in de Koninklijke Verzamelingen. Maar eerst krijgt het publiek de kans het werk te zien en reist het een jaar lang door het land, waarna het een plaats krijgt in het Paleis Noordeinde. Koning Willem II benoemt Kruseman tot Commandeur der Orde der Eikenkroon. Eén grote opdracht voor historiestukken volgt nog. Jan Elias Huydecoper bestelt in 1848 voor zijn slot Zeist vier monumentale schilderijen met onderwerpen uit het Nieuwe Testament. Kruseman voltooit de werken in januari 1854. De schilderijen zijn tegen betaling te bezichtigen tijdens een tour door het land voor ze in Zeist bij hun eigenaar komen te hangen.
Rosendaal in het vriendelijke Lisse
Cornelis Kruseman verlangt naar een leven ver buiten de grote stad. Het is een wens die hij al lang koestert en hij is blij als hij een woning vindt in het vriendelijke Lisse, waar hij wil schilderen aan zijn geliefde onderwerpen, historische en bijbelse gebeurtenissen.(2 Hij en zijn vrouw Henriette vertrekken eind augustus 1854
van Den Haag naar Lisse en betrekken daar huis nr. 87, aan de Rijks- of Heereweg, het buitenplaatsje dat vele Lissers nog kennen als Rosendaal. Zijn schoonzus Anna Maria en zijn zus Geertruida, die evenals Anna Maria ongetrouwd is, wonen bij het echtpaar in. Dat de keuze op Lisse is gevallen, zal te maken hebben met de relatief gunstige verbindingswegen met Amsterdam en Den Haag. Meegewogen kan ook hebben dat er familieleden in de buurt wonen. Raimond Christiaan Affourtit (1776-1858) en zijn dochters Elisabeth Maria (1819-1893) en Dorothea (1821-1876) wonen in Lisse op Grotenhof. Affourtit, een van de eerste bollenhandelaren, is de weduwnaar van Cornelis’ oudtante Maria Margaretha Kruseman (1785-1837). Suzanna Kruseman (1830-1906), getrouwd met Stephanus de Clercq (1826-1886), woont in 1855 in Hillegom en later in Lisse.

In zijn atelier op Rosendaal stelt Kruseman zijn laatste werk ‘De maagd Maria met het Kind’ tegen betaling tentoon.
Suzanna is de dochter van de bekende kunstschilder Jan Adam Kruseman, achterneef van Cornelis. Jan Adam was een van zijn leerlingen. Stephanus is de zoon van een van Cornelis’ beste vrienden, de dan al overleden dichter, koopman en bankier Willem de Clercq.(3
Overgelukkig op Rosendaal
Kruseman heeft het naar zijn zin in zijn nieuwe woonplaats Aan Johannes Willem Holtrop, de vermaarde directeur van de Koninklijke Bibliotheek, schrijft hij:
‘Roozendaal te Lisse 27 sept 1854 Weled: Heer en vriend! Bij mijn vertrek uit s’ Hage stapelde zich zoodanig de droktens op welk bij een volledige verplaatzing onvermijdelijk zijn. Reeds een maand verstreek in de meeste voldoening over de gedaane keuze en met elken dag vermeerderde de genoegens welke die plaatsverwisseling kon opleveren en gevoel mij overgelukkig. Uwed. dw.dr.C: Kruseman’.
In een van de bijgebouwen van Rosendaal is de verversknecht Hendrik Lambert de Bauterlé met zijn gezin gaan wonen. De Bauterlé zal zijn ingehuurd om olieverf te maken. Het wrijven van de verfpigmenten is een zwaar werk en het vermengen met lijnolie en vulmiddel een precies karweitje.(4 Voor Kruseman is het zeer belangrijk een vakman hiervoor in huis te hebben. De verf van zijn grote schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ is gaan druipen, waarschijnlijk door de gebruikte pigmenten en herhaaldelijk overschilderen. Hij trachtte zelf het werk te herstellen en was daar eind januari 1854 mee klaar. Geen wonder dat hij bitter teleurgesteld naar Lisse verhuist en daar naar rust zoekt.
Liefdegift voor Lissese armen
Kruseman schildert in zijn Lissese atelier zijn laatste grote werk: ‘De maagd Maria met het Kind’, dat hij in 1855 voltooit. Het doek heeft met een afmeting van 124.0 x 111.0 cm, bij lange na niet de grootte van zijn schilderij ‘Johannes de Doper’ dat 382.0 x 479.0 cm mat.

Rosendaal waar Cornelis Kruseman en zijn vrouw Henriette vanaf eind augustus 1854 met veel genoegen hebben gewoond
In een brief van 5 maart 1855 schrijft hij aan zijn achterneef Arie Cornelis Kruseman dat hij zijn schilderij over de maagd Maria en het kind Jezus in zijn atelier op Rosendaal tentoonstelt om een ‘liefdegift in te zamelen om aan armen en kranken in de gemeente uit te reiken’. Predikant en priester kondigden dit aan ‘aan den kanzel en aan het altaar. En rijk en arm stroomden in menigte toe, en zilveren stukken en koperen penningen klonken welwillend in den blikken bus welke bij de schilderij geplaatst was. Origineele, ernstige en boertige situaties leverden die dáár verzamelde menigte op’. Hij nodigt zijn achterneef uit naar Lisse te komen om het schilderij te bezichtigen. Kruseman schrijft in de komende drie jaar vanuit Rosendaal veel brieven aan Arie Cornelis Kruseman. Deze Kruseman is een jonge Haarlemse uitgever, die de belangrijkste van zijn generatie zal worden. ‘Uncle Tom’s cabin’ van Harriet Beecher Stowe geeft hij in 1853 uit als ‘De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika’. Een volgend spraakmakend boek is Darwins ‘Het ontstaan der soorten’, dat verschijnt in 1860. Een man om te vriend te houden, dit ambitieuze familielid. De uitgever plaatst op verzoek van Kruseman een prent naar ‘De maagd Maria met het kind Jezus’ in het ‘Christelijk album’ van 1857, waarmee het werk landelijk bekend wordt.

Cornelis Krusemans schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ uit 1847 in deplorabele staat gefotografeerd rond 1971. Vlak daarna werd het vernietigd.
Zeewater naar Rosendaal
Krusemans gezondheid neemt af. Op 15 februari 1856 klaagt hij over koorts. Hij kan niet werken en heeft moeite met schrijven. Juli 1856 vertrekt hij naar Den Haag om in Scheveningen een badkuur te ondergaan, voorgeschreven door de artsen. Op Rosendaal wordt als onderdeel van de kuur al eerder zeewater aangevoerd. Inspanning is verboden en volkomen rust en kalmte worden voorgeschreven. Eind september is hij weer in Lisse en de kuur heeft effect gehad. ‘Thans de goede god zij er voor gedankt loop ik weder met fiksche stappen door het huis, bezoek de tuin en ben zelfs heden weder op de straat geweest. Hoe opgeruimd zoudt gij mij thans zien’, schrijft hij op 8 oktober 1856 aan zijn achterneef.(5 Hij heeft weer zin om te tekenen en is opgeruimd. Lichamelijk en geestelijk nemen de krachten toe en hij wandelt door het dorp.
Lissese dorpsjeugd
Zijn vriend de schrijver Arnold Ising schrijft over Krusemans liefde voor de natuur, die hem troost en inspireert: ‘Dat kunt ook gij getuigen, lieflijke omstreken van het nederige Lisse waar de kunstenaar zijn laatste dagen sleet. Hoe menigen voetstap zette hij in uw bosschen, op uw heuvelklingen; wat was hem spoedig de weg naar de schoonste plekjes bekend; met wat ingenomenheid toonde hij die aan vrienden, die hem kwamen bezoeken, terwijl hij er zelf nog altijd nieuwe schoonheid ontdekte! En gij ook zoudt het kunnen getuigen, knapen en meisjes, die in de dorpstraat te spelen pleegt.

Tekening uit 1892 door A. Brouwer Grote Kerk in Lisse. Zie ook: Beeldverhaal LisseTijdReis Grote Kerk.
Hoe menigwerf bleef de vriendelijke grijze schilder staan en wenkte u met een glimlach om uw kinderlijk spel niet te staken, daar hij dan juist de natuur het best in u betrappen kon. Wat sprak hij u menigmaal aan om uw oogjes te zien schitteren, of uw mond zich tot lagchen te zien plooijen; wat verzette hij soms grappig uw mutsje, om meer leven en uitdrukking aan het kopje te geven! En uw kinderlijke vreugde, uw juichen en joelen deed niet alleen de kunstenaar, maar ook den mensch goed den mensch die het tot in zijn laatste dagen betreurde, dat God hem nooit vadervreugde geschonken had; maar wiens hart veel te mild was, dan dat het zich daarom ooit bij het zien van kinderen pijnlijk had kunnen sluiten’.(6
Krusemans herstel blijkt tijdelijk. Zijn gezondheid verslechtert. Portretopdrachten zegt hij af en er komt minder geld binnen. 18 oktober 1857 schrijft hij: ‘Behalve ontstaane financieele ongelegenheid door mijn u bekende langdurige ongesteldheid zoo is weder eene stremming gekomen in mijn nauwelijks weder op gevatte schilder arbeid daar dien de koortsen mij hevig hebben aangetast’.(7 In het grote atelier op Rosendaal mag hij van de artsen niet langer werken.
De tuinkamer wordt ingericht als atelier en hij hoopt weer te kunnen werken.(8 Kruseman overlijdt op 14 november 1857. Vijf dagen daarna schrijft de Middelburgsche Courant: ‘De naam van Kruseman zal zeker eene eervolle plaats blijven innemen in de geschiedenis van onze kunst, gedurende de laatste dertig jaren, en het dorpje, waar hij zijn veel bewogen leven eindigde, mag er gewis fier op wezen, als de asch van den eenmaal zoo gevierden schilder in zijn nederig kerkhof rusten zal!’
Een goede rustplaats
Arnold Ising bezoekt 26 december 1857 in Lisse het graf van zijn vriend (9 en geeft daarvan de volgende beschrijving: ’t Was een Decemberdag zoo als er zelden zijn, de hemel was blaauw en toch vroor het niet. De blaaderlooze boomen zwiepten niet heen en weder, kraakten niet onder den magtigen adem van den storm. Hier en daar zat nog een vogel in de haag te fluiten, en, ware de zon niet zoo spoedig weêr aan ’t dalen gegaan, men zou zich in October hebben gewaand. Ik naderde het dorpje, en reeds van verre zag ik den dikken toren van de kleine kerk, in wier schaduw de dooden slapen. Het hek van ’t kleine kerkhof stond open. Ik ging er binnen en keek naar de namen, op de weinige zerken gegrift. Plotseling, toen ik regts van de kerk was gekomen, trad de zon, die achter den toren met een enkele groote wolk scheen te spelen, tevoorschijn; een helder schuin licht viel over een nieuwe grafzerk, een der zwarte paaltjes, ter zijde in de zode gestoken, wierp een breede slagschaduw over den zonnigen steen en deed den daarin gebeitelden naam nog meer in ’t oog springen, doordien als ’t ware te onderstrepen…Ik las: CORNELIS KRUSEMAN. Op dat oogenblik voelde ik, nog levendiger dan vroeger, dat de vriend gestorven was. Ik stond bij zijn graf… Langs den muur van ’t kerkhof loopt een landweg heen en daarnevens breidt zich een grasveld uit, op den achtergrond begrensd door de rijk met hout bewassen duinen van Keukenhof. ’t Is een fraai Hollandsch landschap, waarvan het ruime, het helder verlichte, het zonnige groen der weide afstekend tegen het blinkend wit der zandige duinplekken in ’t verschiet, zelfs op dien laten, tweede Kerstdag het oog trof en boeide. De zon scheen op het landschap, even als op de zerk en ’t was of ik den kunstenaar, die daar aan mijne voeten sluimerde, tot mij zeggen hoorde, zoo als hij mij zoo dikwijls op onze wandelingen had toegevoegd: “Kijk, hoe schoon!” En ik dacht: “Vriend en kunstenaar, wat hebt ge daar een goede rustplaats. Sluimer zacht te midden dier omstreken, wier eenvoudig schoon gij zoo zeer op prijs steldet”.(10
Wenende schilderijen
Krusemans’ grootste werken, ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ en ‘De slag bij Bautersem’, waarin hij zijn ziel en zaligheid had gelegd, vernietigen zichzelf in de loop van de jaren. Van zijn ‘Johannes de Doper’ begint de verf al tijdens zijn leven te druipen. ‘De slag bij Bautersem’ treft eenzelfde tragisch lot.

Portret van ‘artiste’ Cornelis Kruseman, gemaakt tijdens zijn tweede verblijf in Rome door Louis Joseph Brüls.
De afdruipende verf werkt door het vernis heen en dreigt de figuur van Willem II aan te tasten. Het publiek mag het schilderij niet meer zien en het wordt weggehaald uit het museum voor moderne kunst in Paviljoen Welgelegen in Haarlem en krijgt een plek in een zaal in Paleis Noordeinde. De beide werken hangen daar dan bij elkaar. ‘Het is een treurige aanblik’, schrijft Ising in 1870 vol deernis, ‘ t is alsof die beide groote stukken daar in die verlaten Gothische zaal te weenen staan over den verstoorden roem van hun maker’.(11 ‘De slag bij Bautersem’ wordt rond 1950 vernietigd. In 1971 volgt ‘Johannes de Doper’.
Voetnoten:
1 Aanteekeningen van C. Kruseman, betrekkelijk deszelfs kunstreis en verblijf in Italië. (1826)
2 T. van Westhreene: ‘C. Kruseman, zijn leven en werken’. In: Kunstkronijk 20 (1859), p. 16
3 Stephanus de Clercq was landeconoom en kocht in 1854 grond in de Haarlemmermeerpolder bij de Lisserweg. Hij maakte een mooie bestuurlijke carrière. Hij was o.a hoofdingeland en heemraad van de Haarlemmermeerpolder en dijkgraaf van Rijnland. Nazaten van De Clercq beheren onder de welbekende naam de Olmenhorst het land dat hij ooit kocht. Stephanus de Clercq vestigde zich in 1857 in Lisse en vertrok in 1866 naar Haarlem. Bevolkingsregisters Lisse 1850-1860 en 1860-1870. Zijn vader Willem de Clercq (1795-1844) was een van de voormannen van de Réveilbeweging, een richting binnen het protestantisme. Hij hield tussen 1810 en 1844 een dagboek bij, een belangrijk egodocument dat in 2022 gedigitaliseerd en getranscribeerd is.
4 A. F. de Graaff: ‘Rosendaal en zijn bewoners (1641-1962)’. In: Leids jaarboekje 1963, p.153-161. Bauterlé vertrekt na het overlijden van Kruseman naar Den Haag.
5 Brief aan Arie Cornelis Kruseman
6 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’. In: De Tijdstroom 1 (1858), pp. 91-107.
7 Brief aan Arie Cornelis Kruseman.
8 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.
9 De grafzerk van Kruseman kreeg nummer 75 (informatie Dirk Floorijp). In 2003 zijn grafzerken die buiten de kerk stonden hergebruikt voor de vloer van de kerk. Stenen die minder mooi waren werden op een andere manier verwerkt (informatie Jan Wesseling). Wat er gebeurd is met de steen van Kruseman is niet bekend.
10 Ising: Spranken, Tijdstroom pp. 91-107.
11 A. Ising, ‘1831. Uit de nagelaten papieren van een kunstenaar’. In: Kunstkronijk 11 (nieuwe serie), 1870, p.60
- Eva Geudeker: Cornelis Kruseman (1797-1857): Aardse roem en hemelse ambitie.
- https://cornelis- kruseman-1797-1857.rkdstudies.nl. Proefschrift, ( 2024). Uitsluitend gedigitaliseerd verschenen.
- Brieven van Cornelis Kruseman aan Arie Cornelis Kruseman bevinden zich in de UB Leiden.
- Transcripties zijn online geplaats door RKD https://rkd.nl/excerpts/.
- De Cornelis Kruseman Stichting in Den Haag spant zich in het werk van Cornelis Kruseman en zijn schilderende familieleden grotere bekendheid te geven. Op afspraak is de collectie van de stichting te bezichtigen.
























































