Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

VEREDELING VAN BOLLEN EN BELLEN

Inhoud-jaargang-18-nummer-3-oktober-2019

door Liesbeth Brouwer

Herman de Graaff, een nazaat van Herman de Graaff van de firma H. De Graaff en zonen vertelt over zijn familie en het bedrijf. Ook over zijn hobby, het veredelen van Fuchsia, vertelt hij graag.

In het vorige Nieuwsblad vertelde Arie in ’t Veld het verhaal over de firma H. de Graaff en zonen. Daarin lazen we al dat Herman de Graaff in 1908 uit het bedrijf stapte. Dit verhaal gaat over deze Herman tot aan de tijd van zijn kleinzoon Herman Jan. Een verhaal van veredeling van bolgewassen tot veredeling van fuchsia’s (bellenplanten).

Dit is huize Kweeklust, destijds Heereweg 93. Na afbraak
was hier een perk met daarachter het kantoorpand en
bedrijfsgebouw van H. de Graaff en Zonen. Sophie de
Ridder, de vrouw van Herman de Graaff, maakte dit olieverfschilderij. Zij trouwden in 1895. Sophie was een zeer
verdienstelijk schilderes

Herman de Graaff (geb.1860) werd als oudste zoon na de dood van zijn vader Adrianus in 1886 verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de firma H. De Graaff en zonen. Zijn jongere broer Simon (geb. 1861), al sinds 1883 bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, stond aan het begin van zijn succesvolle carrière en werd in 1919 minister van Koloniën. Adrianus liet ook vrouw en dochter na. Zijn
weduwe Gerharda van Dingstee was de tweede vrouw van Adrianus. Hij trouwde met haar na het overlijden van zijn eerste vrouw Wilhelmina, de moeder van Herman en Simon. Wilhelmina en Gerharda waren zussen. Op villa Kweeklust woonden in 1886 dus moeder/tante Gerharda, (stief)zoon Herman en dochter/halfzus Wilhelmina Maria (geb.1864). Als roepnaam gebruikte zij haar tweede voornaam. Maria was pianolerares. Zo snappen we hoe de familie in elkaar zat.

Herman trouwt
Op Kweeklust was Herman druk met het op orde houden van de kwekerij die hij na de dood van zijn vader in goede banen moest zien te houden. Het bedrijf gedijt goed, de aanspreektitel voor hem was in die tijd patroon De Graaff. Hij bekleedt net als zijn voorvaders talrijke bestuursfuncties. In 1895 trouwt hij in Den Haag met kunstenares Sophie de Ridder (geb. 1863). Zij is een verdienstelijk schilderes van bloemen en bloemstillevens. (In 1897 exposeert zij in Den Haag ). Zij komt ook op Kweeklust wonen en het wordt er druk want al gauw worden er kinderen geboren. Voor stiefmoeder Gerharda en haar dochter Maria is het tijd om een ander huis te betrekken. Zij gaan op Heereweg 270 wonen, samen met een oudere zus van Gerharda, Lucina. Villa Gerharda wordt gebouwd In 1902 krijgen de dames De Graaff een villa aan de Heereweg aan de zuidkant van Lisse. Het zal niet altijd koek en ei geweest zijn tussen het jonge gezin van Herman en Sophie en de dames De Graaff. Dat illustreert het verhaal over de bezoeken van Simon uit Indië. Eens in de zes jaar had een bestuursambtenaar recht op een half jaar verlof in Nederland. Mogelijk kwam Simon vanwege zijn functie ook wel vaker. Hij verbleef dan afwisselend vele weken bij de beide families. Bij aankomst op station Lisse was het dan een merkwaardige vertoning. De families meden elkaar, stonden ver van elkaar. Degene waar Simon het eerst kwam logeren hield zich afzijdig wanneer de trein arriveerde. De andere familie kon dan Simon begroeten. Wanneer deze familie weer vertrokken was kon de andere familie Simon begroeten en meenemen voor de logeerpartij. Ja, zo krijg je praatjes in de wereld.

Drama op Kweeklust
In 1897 wordt zoon Adriaan Frederik geboren en in 1900 zoon Johan Gerard. In de archieven van Oud Lisse is te vinden dat er zelfs zes kinderen geboren zijn. De kindersterfte was in die periode nog hoog maar het gezin werd wel heel erg getroffen. Het zusje Hubertine Simonette blijft in leven maar in 1904 slaat het noodlot helemaal toe. Op 1 oktober bevalt Sophie van een levenloos kind. Vijf dagen later bezwijkt zij zelf. Herman is ten einde raad, trekt zich terug uit allerlei functies en besluit dat hij ook de zaak niet meer wil en kan leiden. Hij kan niet meer wonen en werken op Kweeklust.

Leiden Witte Singel
Herman en de 3 kinderen wonen waarschijnlijk tijdelijk nog op Heereweg 115 en 82. Herman verkoopt de zaak in 1908 en gaat met zijn zoons in Leiden aan de Witte Singel wonen. Zoon Adriaan heeft dan zijn lagereschooltijd aan de openbare school in Lisse er net opzitten. Hij gaat in Leiden naar de HBS, gaat daarna in Delft studeren en rondt zijn studie in recordtempo af. Hij is 21 jaar oud wanneer hij zich civiel ingenieur mag noemen. Broer Johan krijgt zijn opleiding ook in Leiden. De tijd haalt ook bij Herman de Graaff de scherpe kantjes van het verdriet af. Hij heeft dan wel afscheid genomen van de zaak, maar het kwekersbloed begint na verloop van tijd toch weer te kriebelen. De ontwikkelingen op het gebied van de bloembollenteelt worden gevolgd en hij raakt bevriend met de latere hoogleraar Van Slogteren. Deze doet sinds 1917 onderzoek in Lisse in dienst van het Instituut voor Phytopathologie te Wageningen. Samen met Van Slogteren investeert Herman in een partij narcissen, waarschijnlijk de trompetnarcis
King Alfred, uit Engeland. Daar wordt mee verder gekweekt. Herman is weer toe aan een eigen
bollenbedrijf.

De Graaff Gerharda
Intussen zijn er in Lisse ook wat veranderingen geweest. Halfzus Maria had Villa Gerharda al ingeruild voor Amsterdam en komt daar in 1919 te overlijden. Haar tante Lucina overleed in 1906. In 1922 overleed tante/stiefmoeder Gerharda. Herman de Graaff besluit naar Lisse terug te gaan en gaat met zijn zoons Adriaan en Johan wonen in villa Gerharda. Begonnen met een eerste partij narcissen, misschien niet eens zo zeer om een nieuw bedrijf op te zetten, is inmiddels een nieuwe firma ontstaan, De Graaff Gerharda, een kweek- en exportbedrijf van bolgewassen waarbij de nadruk toch wel op de narcissen lag. Zoon Adriaan was dan wel zeer succesvol afgestudeerd als civiel ingenieur, maar daarmee ckwam hij zo net na de Eerste Wereldoorlog nogcniet aan een baan in zijn vak. Het bedrijf van zijn vader had bepaald niet zijn belangstelling, maar zicht om iets in zijn vakgebied te bereiken was er niet, dus min of meer noodgedwongen gaat hij in 1925 toch maar aan het werk bij firma De Graaff Gerharda. Ook broer Johan gaat in de zaak. De gezondheid van vader Herman gaat achteruit en in 1927 komt hij te overlijden. Adriaan en Johan zijn nu samen firmant van De Graaff Gerharda. Tot de Tweede Wereldoorlog is het bedrijf redelijk succesvol. Er werd actief veredeld met narcissen. Dat leidde in 1934 tot een fraaie dubbelbloemige narcis, White Lion, die ook nu nog veel aangeplant wordt. Dubbele narcissen waren in die tijd nog vrij zeldzaam. Soms had je wel eens een verloping (mutant) die dubbelbloemig was. Het veredelen was in die tijd overigens ook nog weinig wetenschappelijk. Mendels Wetten van Erfelijkheid waren bekend, maar wat moest men er mee. Het veredelen was veeleer gebaseerd op de intuïtie van de kweker. Wat die dubbele narcissen betreft was de intuïtie prima. De nakomelingen van gekookte (ter voorkoming van ziektes) dubbele narcissen en enkele narcissen leverden verhoudingsgewijs veel dubbelbloemige cultivars op. De meeste bedrijven hadden toentertijd wel een stuk land in gebruik voor hun zaailingen, maar het veredelen was toch min of meer liefhebberij. Export is er vooral naar Engeland. Voor de teelt werd grond gehuurd aan de Achterweg en in de Rooversbroekpolder. Eigen grond hadden ze aan de Broekweg. Die grond wordt in de oorlog onteigend omdat er voor dat gebied plannen waren voor een haven. Een plan dat nooit gerealiseerd is. In de oorlog viel natuurlijk ook de export stil.

Adriaan de Graaff
Adriaan trouwt in 1927 met Jannetje van Wingen en samen wonen ze in Villa Gerharda. Johan woont er ook. In 1934 wordt een zoon geboren die naar grootvader Herman wordt vernoemd. In tegenstelling tot zijn broer Johan wordt Adriaan nooit een echte bollenman. Wel nam hij, net als zijn voorvaderen, zitting in allerlei besturen. Eigenlijk ligt Adriaan’s belangstelling meer bij archeologie en de geschiedenis, met name van buitenplaatsen. In enkele Leidse jaarboekjes vind je artikelen van zijn hand. In 1963 schreef hij “Rosendaal en zijn bewoners (1641 – 1962)” n.a.v. de afbraak van het huis Roosendaal. Met zijn vriend Jaap Renaud was hij dikwijls te vinden bij de ruïne van Dever. Deze Jaap Renaud was de eerste bijzonder hoogleraar kastelenkunde. Het belang en behoud van Dever was voor hen duidelijk en beiden waren zij als een van de eersten actief voor het behoud van de donjon. In 1973 overlijdt Adriaan de Graaff, zijn broer Johan is al in 1967 overleden.

De jonge Herman
Waar vader Adriaan en zijn broer Johan deels in een stadse omgeving opgroeiden werd Herman groot in het dorp Lisse dat in die tijd nog een echte bollengemeente was. Hij ging dan wel naar de HBS in Leiden, maar als scholier en later als student hielp hij wel mee op het land. Ze hadden een goede baasknecht die hem meteen de handige kneepjes van het vak leerde. Hij volgde zelfs een cursus bollenteelt bij de heer Gehrels van de PD (plantenziektekundigedienst). Het zal wel niet met het idee geweest zijn om ooit de zaak over te nemen, maar belangstelling was er zeker. Zijn studiekeuze lag ook wel in die sfeer: biologie.
En dan, ook weer niet zo verwonderlijk in een familie van veredelaars, met een specialisatie genetica. Hij wordt in 1961 leraar op de meisjes HBS in Den Haag. Later werd dat een veel grotere Dalton scholengemeenschap. In 1960 trouwt Herman met Louise van Eerde (Loeky) en vanaf die tijd wonen ze in Villa Gerharda. Feitelijk trekken ze in bij vader Adriaan en oom Johan. Inwonen was vrij normaal in die tijd, het huis was groot genoeg en ze kregen de eerste etage tot hun beschikking.

Een hobby wordt geboren
In het begin van hun huwelijk zullen bolbloemen wel de boventoon gevoerd hebben in Villa Gerharda. Maar die krijgen al snel concurrentie van de fuchsia. In die tijd was de bellenplant, zoals ze toen nog vaak genoemd werd, zeker nog geen algemene plant. Je had in tuinen wel de winterharde tuinfuchsia’s, maar het fenomeen kuipplanten kende men nauwelijks. Dat was iets voor landgoederen en de tijd van de landgoederen met hun fraaie tuinen was in de Bollenstreek, maar eigenlijk in heel Nederland, al wel heel erg lang verleden tijd. Toch waren er een aantal hobbyisten die zo gecharmeerd waren van fuchsia’s dat ze ook in Nederland een vereniging van fuchsialiefhebbers wilden opzetten. Het duurde niet lang of ook Loeky en Herman de Graaff vielen als een blok voor deze charmante plant met zijn vele verschijningsvormen. Dat laatste gegeven was natuurlijk een kolfje naar de hand van de in genetica opgeleide Herman.

Wordt vervolgd

Dit is huize “Villa Gerharda”, aan de Heereweg 315, later ook wel het
Fuchsiahuis genoemd, want fuchsia’s groeiden en hingen overal.

Testbericht over de Waterwolf

BIERSTEKER BETRAPT IN DE ENGEL

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Door D. Floorijp

In 1689 werd de biersteker Willem Klaverweijde betrapt op het ontduiken van belasting (impost) op boter. De deurwaarders werden ingeschakeld, maar de boter was ondertussen verdwenen. Daardoor kon de boter niet in beslag worden genomen.

Willem Jansz. Klaverweijde, biersteker en herbergier in de Engel, ca 1660-1701, was weduwnaar van Geertje Gerrits Erffort en sinds een jaar getrouwd met Geertje Dammes van der Beek. Hij kreeg plotseling bezoek van Dammes Dammisse Raaphorst, schepen, op verzoek van Maarten Dirkse van “t Hoog, burgemeester en pachter van den impost (belasting) op boter over Lisse en Sassenheim.
Op dinsdag 23 augustus 1689 omstreeks de klokke van drie á vier uuren stonden ze voor de deur, met het voornemen om in van Klaverweijdes bierstekers kelder te peilen of de hoeveelheid bier aanwezig was zoals die op de formulieren was aangegeven. De belasting moest kloppen op de verschillende soorten bier. Er bestond bier in verschillende smaken en prijzen. Het water was niet altijd te drinken daarom werd er veel bier gedronken. Het hopmengsel werd met heet water overgoten, daarna nogmaals, wat een lichter en goedkoper bier opleverde. Wat overbleef was niet meer dan een slap aftreksel dat men dunbier of scharrebier noemde, met een laag alcohol percentage, dat ging naar de armen.
In de Engel aangekomen vonden zij de kelder op slot en men verzocht de herbergier de sleutel te gaan halen. De genoemde Klaverweijde kwam met de sleutel die hij uit huis moest halen en ontsloot de deur. In gedachten zag hij de bui al hangen. In de kelder gekomen zagen Dammes Raaphorst en Maarten van ’t Hoog tijdens het peilen van de vaten, uit hun ooghoeken achter in de kelder een vierendeel vol boter, hiervoor werd Klaverweijde bekeurd omdat de boter buiten de impost gehouden werd. Het bier werd met de peilstok gemeten en bleek in orde te zijn. De heren vertrokken er met een bode werden de deurwaarders in Leiden ingelicht, deze kwamen spoorslag naar Lisse. En omstreeks de klokke over negen uren stonden Raaphorst en van ’t Hoog opnieuw voor de herberg in de Engel, maar nu met de deurwaarders Jacob Dirkse van Spieringshoek en Barend van der Heijden. Om na de bekeuring
ook beslag te leggen op de boter. Zij gelastten opnieuw de kelder te ontsluiten. Nadat de kaarsen waren aangestoken en naar binnen was gegaan om de boter te controleren, werd de hele kelder doorzocht maar nergens boter te vinden. Willem Klaverweijde had die bui al zien hangen en de boter vlug afgevoerd. Op het ontduiken van de impost stonden flinke straffen en kon het gebeuren dat je je vergunning kwijtraakte. Willem had dus voorzorgsmaatregelen getroffen voor als het fout ging. Op de vraag: waar is de boter gebleven? antwoordde van Klaverweijde dat de boter naar Haarlem was. Daarna werden er getuigen opgeroepen, Jan Jorisse ’s Gravenmade oud omtrent 30 jaren en door de geregtsbode gedaagd om getuigenisse der waarheid te geven. Hij had op versoek van de heer Klaverweijde zondag 21 deser des avonds de boter met een schuitje gebracht voor de kinderen van Jan Janse van de Fits een achtste deel boter en voor Maarten Hubertse Koning een vierde deel, het schuitje aan de wal bij Klaverweijde gebracht en de voornoemde Klaverweijde gevraagt: is alles wel? En was toen heengegaan. Nu kwam Geertje Cornelisdr. Heemstede oud omtrent 30 jaar voor dochter van wijlen Jan Janse Fits en Geertje Dammes Rode oud omtrent 37 jaar huisvrouw vanMaarten Hubertse Koning, waar de boter eerst was
gebracht, en verklaarde dat het achtste deel boter naar de doctor in de Jansstraat tot Haarlem moest en het vierendeel naar Lijsbetje Hugaart in de grote Houtstraat. Zo werd de boter van hot naar her verplaatst totdat niemand meer wist waar de boter gebleven was. Laat staan dat er nog boter in beslag kon worden genomen. De afloop wordt niet vermeld.

Bron: ORA nr.30

Overhandiging vaandel “Trouw moet Blijken”

Jos van Bourgondiën,

maandag 15 februari 2021

Op 15 februari 2021is in de Vergulde Zwaan door Martin Meulemans en Marco Kleijhorst, vertegenwoordigers van muziekvereniging Da Capo het vaandel van de voormalige Lissese harmonievereniging “Trouw moet Blijken” overhandigd aan Eric Prince, Annette Heus in het bijzijn van Chris Balkenende en Jos van Bourgondiën, vertegenwoordigers van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”. Het spreekt vanzelf dat dit vaandel een prominente plek krijgt in de Vergulde Zwaan.

 

 

 

1

 

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller kwam van achter het IJzeren Gordijn (deel 2)

Ditmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

De heer Müller ontving ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we het Vierkant. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal verder vertellen.

Hier waren we gebleven

Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord- Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje.cDe nachten bracht hij door in een katholiek Jugendheim, geleid door nonnen. Zestig jongens – Oost-Duitsers, Polen, Russen – sliepen in driehoge stapelbedden. De nonnen maakten de lunchpakketjes klaar, waar de jongens overigens wél voor betaalden, evenals voor het onderdak. Dietmar Müller: “Op een dag ging ik naar buiten met mijn lunchpakketje en daar lag een non op de grond, met haar gezicht naar beneden, met een mes in haar rug, dat mes stak er nog uit, allemaal bloed. Dat vergeet je je hele leven niet. Ze heeft misschien iets tegen een van die jongens gezegd.” De dader werd niet gevonden. Dietmar wilde nu weg uit het Jugendheim. De sfeer was dreigend. De Russische jongens sliepen met pistolen onder hun kussens.

Rüdesheim en Rüsselsheim.
Zijn werk beviel hem niet en hij verdiende te weinig naar zijn zin. Via een krantenadvertentie kreeg hij werk in Rüsselsheim. Als machinebankwerker kon hij aan de slag bij een bedrijf dat ontluchtingssystemen plaatste in de hallen van de Opel-fabriek.Hij liep door Rüsselsheim, een baan had hij, maar nog geen slaapplek. Bij een willekeurig huis belde hij aan met de vraag of de bewoners kamers verhuurden. Daar kreeg hij het adres van een vriendin des huizes. “Zij kwam uit mijn geboortestreek, had medelijden met mij en gaf mij onderdak. Daar heb ik een paar jaar gewoond, ook nog met mijn vrouw en mijn zoon Paul”. De ontluchtingssystemenfabrikant verplaatste zijn activiteiten vervolgens van Rüsselsheim naar Rüdesheim op het terrein van Asbach Uralt, de wijndistillateur. Hier zou hij nog een aantal jaren blijven werken. Hij bleef wonen in het veertig kilometer verderop gelegen Rüsselsheim.

Bloemendaal
Een bevriende collega, een Duitser uit Erfurt, vroeg hem in 1960 of hij met hun beider vriendinnen mee wilde naar Bloemendaal, naar zijn jarige zus. In twee aparte wagens reisden de paartjes naar de Hollandse kust, de jonge machinebankwerker in een Karmann Ghia, een blitse sportwagen uit de Volkswagenfabriek. In de kamer vol visite flirtte hij met een leuk meisje, een vriendin van de zus van zijn collega. Zijn Duitse vriendin, een bakkersdochter, was daarover zo boos, dat zij de volgende dag zonder een woord te zeggen uit nijd een brandende sigaret op zijn arm uitdrukte. Daarop kon zij haar spullen pakken en reed hij terug naar Rüsselsheim – de stemming in de auto beneden vriespunt – en nadat hij haar bij de bakkerij had afgezet, keerde hij direct om richting Bloemendaal, naar Villa Mignon aan de Duinlustparkweg, naar de familie Engel en vooral naar de aantrekkelijke dochter Cocke.

Dietmar trouwt met een Engel

Dieter Müller en Cocke Engel

Het gezin Engel, vader en moeder Engel, twee zoons en twee dochters, woonde in een van die mooie, grote Bloemendaalse villa’s. De heer Müller laat een foto zien van een kleine Cocke Engel en haar moeder in een besneeuwde tuin voor Villa Mignon. Vader Simon Engel was fotograaf. In 1929 opende hij fotohuis “De Camera’” aan de Spaarnwouderstraat in Haarlem. Later volgden zaken aan de Kleverparkweg, Anegang en Cronjéstraat in Haarlem, en in Santpoort- Zuid, Heemstede en Baarn. Na een verloving van een jaar trouwden Cocke Engel en Dietmar Müller in 1962 in Bloemendaal. Twee dagen later vertrokken ze naar Rüsselsheim. Ze woonden op Dietmars zolderkamer, die inmiddels was verbouwd. Zoon Paul, de man die nu Fotovak Engel runt, werd hier in 1963 geboren. Mevrouw Müller had heimwee naar haar familie en ging met haar zoontje weer bij haar ouders in Bloemendaal wonen. Haar man bleef in Duitsland en bezocht haar elk weekend. In maart 1964 werd zoon Frank geboren. Zijn schoonvader belde hem op zijn werk in Duitsland dat hij er een zoon bij had. Aan deze ongewenste situatie – zijn vrouw en kinderen in Nederland, hij in Duitsland – kwam een einde toen hij van een relatie vernam dat een Duitse firma bij de Hoogovens in IJmuiden plaats had voor een machinebankwerker. Het bedrijf maakte reusachtige walsen, zo groot als een huis, voor de Hoogovens. Müller trok in bij zijn schoonouders in Bloemendaal. Hij werkte in een vierploegendienst en had nu tijd om Nederlands en Engels te leren.

Fotovak Engel
We komen te spreken over de reacties van Nederlanders op zijn Duitserschap. In de jaren zestig sluimerden in Nederland anti-Duitse sentimenten, die bijvoorbeeld bij het huwelijk van Claus en Beatrix in 1966 sterk de kop opstaken.
Voor zijn schoonfamilie was zijn Duitse afkomst geen probleem. Zij begrepen hem, maar zijn schoonvader werd er door familie wel op aangesproken. “Siem, hoe kun je een Duitser in huis halen”, luidde het dan. Dat wij in Lisse een Fotovak Engel hebben in plaats van een Fotovak Müller, heeft te maken met de weerstand die een Duitse naam begin jaren zeventig nog op zou roepen. Inmiddels woonde het gezin boven een klein filiaal van Fotovak Engel in Santpoort-Zuid. Bij de schoonfamilie draaide alles om fotografie. Müller werd meegenomen in hun enthousiasme en haalde in de jaren zestig zijn vakdiploma’s fotohandel en fotografie. Daarnaast volgde hij uit interesse een avondopleiding aan de Zeevaartschool. Hiervan heeft hij later veel plezier gehad en samen met zijnvrouw heeft hij met een eigen schip veel gevaren op de Duitse rivieren.

Op het Vierkant

In 1970 hoorde zijn schoonvader van een vertegenwoordiger dat op het Vierkant in Lisse de zaak van Foto Koning te koop was en het echtpaar Müller waagde de stap naar Lisse. “De beginperiode was erg zwaar. Ik moest toch het vertrouwen van de bevolking zien te krijgen. Er hingen gordijnen voor de ramen, want in het weekend deed de heer Koning alles dicht voor de gereformeerde klanten. De gordijnen verdwenen en de etalage was dus ook in het weekend te bekijken. Daar was niet iedereen even blij mee. De gereformeerde klanten vertrokken massaal naar Foto Mieloo. Er was zware concurrentie!”
Ondanks de concurrentie deed Müller goede zaken in Lisse. In 1970 kreeg hij een perskaart en was hij een paar jaar persfotograaf voor het Witte Weekblad. Lucratief waren de vijf zaken die Fotovak Engel acht jaar lang in Keukenhof
exploiteerde. In samenwerking met Henk Koster, de toenmalige directeur en tuinarchitect van Keukenhof, maakte Müller een film van Keukenhof in vele talen, waarvan er duizenden werden verkocht. Films van het jaarlijkse Corso vonden hun weg naar Frankrijk en Duitsland. Na de introductie van de euro stopte hij met de Keukenhof-zaken. Door de vele aanpassingen die daarvoor gedaan moesten worden, was dat niet meer haalbaar. Veel heeft Müller gefotografeerd voor de gemeente Lisse. Voor bekende Lissese bedrijven als Sierex, Hobaho en CNB maakte hij bedrijfsreportages.

Ramkraak
Fotovak Engel kreeg drie keer te maken met een overval. De schokkendste ervaring was een ramkraak in de vroege ochtend van 10 december 1990. Een bestelbusje ramde de pui en de inbrekers sloegen de vitrines kapot. In een vluchtauto verdwenen ze met een buit van 60.000 gulden aan camera’s. De winkel was een ravage en dat net voor de start van de kerstverkopen. Een zware tegenslag in het persoonlijke vlak in 2009. Samen met haar bouwde hij de zaak uit tot een
bloeiende onderneming.

Dietmar Müller heeft Lisse in een halve eeuw zien veranderen. De landelijke Poelpolder werd volgebouwd. Het kleine dorp werd een grote gemeente die met winkelcentrum Blokhuis een streekfunctie kreeg. De Oost-Duitse tiener die tijdens de Koude Oorlog een tante in West-Berlijn bezocht, in ongenade viel bij de machthebbers en een onmenselijk systeem ontvluchtte, bouwde energiek een nieuw leven op aan het karakteristieke Vierkant. Daar woont hij nog steeds
met veel plezier boven de zaak waar zoveel Lissers zijn lens inkeken. ■

Leven en laten leven in Lisse:  Een onderzoek naar de zorg voor armen (1587 – 1729)

Op 17 november 1587 vergaderen in de Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone,  Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak. De armoede in Lisse wordt beschreven.

door Arie de Koning

2020

Hoe kwetsbaar was de bevolking van het Hollandse platteland aan het einde van de late Middeleeuwen tot het begin van de vroegmoderne tijd bij voedselcrises en hoe was de situatie in Lisse in het bijzonder?

Met deze vraag aan mijzelf zadelde ik me op met een megapuzzel. Terugvallen op eerder onderzoek was niet mogelijk omdat er altijd onderzoek is gedaan in de grote steden, wat ook wel logisch is, want men kan gerust veronderstellen dat de grootste problemen bij voedseltekorten zich afspeelden in die zelfde grote steden.

Waar in perioden van sterk gestegen voedselprijzen de mensen, die zich normaliter het hoofd maar net boven water konden houden, in ernstige problemen kwamen. Meestal reageerden de steden hierop met een regulatie van de broodprijzen en werden er export- verboden ingesteld voor granen. Dit alles om de rust te bewaren binnen de stad. Dit kostte de stad veel geld, maar werd nodig geacht om volksoproeren te vermijden. Maar hoe ging dat dan in de dorpen en gehuchten op het Hollandse platteland?

De 16e en 17e eeuwse Republiek der Vereenigde Nederlanden kende in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk of het Duitse Rijk geen ernstige hongersnood met grote sterfte onder mens en dier. Hier is althans in de archieven niets van te vinden, maar extreme prijsstijgingen en voedseltekorten deden zich wel degelijk voor.

Hoe Lisse zich in de eeuwen achter ons heeft staande weten te houden gaan we proberen duidelijk te maken

We moeten ons realiseren dat het verbouwen van tarwe en rogge, de hoofdbestanddelen van brood, maar op een paar plaatsen in Holland mogelijk was en die opbrengst was zeker niet voldoende om de groeiende bevolking te voeden. Ook in het Ambacht Lisse groeide graan zeer slecht, er werd beweerd dat er meer zaad de grond inging dan er geoogst werd. Dat is bewijsbaar in de archieven. Daar ontbreken namelijk de handel in de tienden van de graanopbrengst. Gras en koeien daar en tegen, groeiden opperbest in Lisse, maar daar kon je geen brood van bakken. Juist in Holland was de plattelandsbevolking al sinds de Middeleeuwen aangewezen op de stadsmarkten als het ging om voedselvoorziening en dan met name voor brood. Marktschippers brachten rurale producten naar de stadsmarkten en kwamen terug met koopwaar welke niet in de dorpen voorhanden was. Zo ook in Lisse waar  vier marktschippers diensten onderhielden op respectievelijk Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Leiden, waar men uit Lisse zuivel, aardbeien en ander fruit, groenten en peulvruchten bracht en uit Amsterdam tarwe en Rogge meenam naar Lisse voor de plaatselijke bakkers die ook bleken te bakken voor enige buurdorpen. Dit had alles te maken met de aanwezigheid van een molen in Lisse welke de “windrechten” bezat van het district. Maar dat is weer een ander verhaal.

De keuze voor Amsterdam als graanleverancier voor Lisse was een juiste keuze gebleken. Gedurende de 16e eeuw groeide Amsterdam uit tot het centrum van de graanhandel in Europa die met speciaal ontworpen en gebouwde Fluitschepen op zeer efficiënte manier graan kocht in de Baltische landen en met minimale kosten het graan vervoerde naar Amsterdam. Lisse was al sinds mensenheugenis opgenomen in het handelsnetwerk van Amsterdam en zo’n netwerk was in schaarsteperioden moeilijk af te sluiten door de autoriteiten. Daarbij kwam dat Amsterdam zijn rurale partners niet in de kou liet staan. Zo gebeurde dat Lisse meestal voldoende graan had om haar inwoners te kunnen voeden, ook al om te voorkomen dat Amsterdam overspoelt zou worden door massa’s hongerige plattelanders. Dat vergde enige organisatie waarbij twee mechanismen een rol speelden.

Ten eerste was dat de regulering van de handel in graan en vooral brood, onder andere door exportverboden, broodprijszetting en, misschien wel de belangrijkste, de aanleg van publieke graanvoorraden. In het gewest Holland was hiermee in de donkere 15e eeuw een begin gemaakt. In de moeilijke 16e eeuw werd dit soort beleid alom toegepast en ook in de 17e eeuw greep men er regelmatig op terug. Het tweede relevante mechanisme was de armenzorg, welke vrijwel geheel een lokale aangelegenheid was  en daar gaat het ons in eerste instantie om in dit onderzoek.

De Hollandse stedelijke en gewestelijke autoriteiten hadden al in de 15e eeuw, tijdens de ernstige voedselcrises van 1437-39, 1481-82 en 1490-91 tot ingrijpen besloten, maar de maatregelen behelsden maar twee dingen:  het standaard repertoire, exportverbod op graan. Dit ging zeer  ver en zelfs een stad als Amsterdam, welke toch alle belang had bij een vrije graanhandel, verbood de uitvoer van graan uit de stad in de duurtejaren 1623-24 en 1629-30. Een tweede pakket aan maatregelen  betrof de beheersing van de broodprijzen. Het belangrijkste instrument hiertoe was de broodprijszetting, een systeem waarbij de prijs van brood door de lokale autoriteiten werd vastgesteld op basis van de marktprijs van graan met een zekere demping van de graanprijsfluctuaties. Dit zou je subsidiëring kunnen noemen. Op het platteland was hier niet veel van te merken geweest, maar altijd bleef er een groep mensen die tussen de wal en het schip dreigden te geraken, de armen.

Armenzorg op het platteland

Het groeiend aantal armen noodzaakte tot een gecoördineerd stelsel onder regie van de autoriteiten en beperking tot bedeling van de zogeheten ‘eerlijke’ of ‘regte’ armen, zij die door oorzaken buiten hun schuld, zoals ziekte, handicap of ouderdom, niet in staat waren om te werken en een streng optreden tegen bedelaars en klaplopers die Europa overspoelden uit gebieden waar oorlog heerste. Deze rondtrekkende armen werden in vergelijking met de “eigen” armen gezien als oneerlijke armen. Ze waren gezond van lijf en leden en konden dus wel werken. Deze bedelfraude bereikte zijn hoogtepunt bij de uitgave van het boek “Liber Vagatorum” (het boek van de zwervers). Hierin werden alle trucs en allerlei soorten bedelmanieren, van stomme spelen tot het verstoppen van ledematen, uitgebreid uit de doeken gedaan. Het resultaat was een verbod op de bedelarij.

Op het platteland, dus ook in Lisse, had men ook te maken met rondtrekkende groepen armen, eerlijke en oneerlijke, groepen soldaten en groepen deserteurs. Het was de autoriteiten van Lisse er alles aan gelegen dat dit soort bezoekers zo snel mogelijk weer op weg te helpen om problemen te voorkomen, een brooduitdeling was meestal toereikend.

Op de smalle corridor in de duinen, begrensd door het Leidse meer in het oosten en de Wildernis in het westen, op de weg tussen  Haarlem en ’s Gravenhage, lag het Ambacht Lisse zeer strategisch en allerlei gelukzoekers, bedelaars, allerhande troepen en deserteurs, kwam door Lisse op weg naar de grote steden. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat de versterking Dever op deze plaats is gebouwd; militaire controle over de doorgaande route.

We weten uit de oude archieven van Lisse wanneer de armenzorg is opgericht.

Personificatie van een 16e eeuwse arme bedelaar uit de Liber Vagatorum

Op 17 november 1587 vergaderen in de ” costerije huijsinge  staende aent Kerchof”, Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone, tegenwoordig residerende op Sijne Hoffstadt genaamd Dever alhier te Lisse ten eenre, en een groot aantal lieden ten sijde. Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Deze lieden, van wie er een aantal worden genoemd, zijn de zogenaamde “opsyenders ende ondervinders” van het Onse Lieven Vrouwe Gilde. Genoemde personen zijn onder andere: Dirc Barthoutssoen van Betanyen, van beroep snyder (kleermaker), Jan Jacobssoen Wassenaar alias Doncker, Pauwels Reynoutszoen van Broeckhuijsen, Jan Hendricxsoon van Egmondt alias Mol, Willem Adryaenssoon Schenaert, Pieter Aelbertssoen backer, Pieter Willemsen van Moerkercken alias vouger (metselaar) en Jan Dirk Jacobssoen van der Son, “mit meer andere gebuijren”.

De voornoemde Gilde-broeders hebben beloofd en gegeven de jaarlijkse inkomsten van pacht en rente die toebehoren aan de Gilde, te samen de somma van 17 gulden en 10 stuivers. Het geschatte kapitaal aan land en obligaties wordt geschat op 300 guldens. Hieruit blijkt dat er in Lisse niet een absolute noodzaak was te veranderen van armenzorg wat voorheen door het bovengenoemde gilde werd verzorgd.

De Heilige Geest Armen

De oprichting van de Heijligen Geest Armen  zal een gevolg zijn geweest van een andere koers die gevaren werd door de leiding van de Roomse Kerk op het gebied van armenzorg onder druk van het gemor van de burgerij op het voorgaande beleid van dezelfde Kerk. Anders dan de naam zou vermoeden is de Heiligen Geest Armen geen parochiale instelling geweest, maar stond onder toezicht van het dorps bestuur  die de Armmeesteren aanwees die volgens een rouleersysteem twee jaar in functie bleven.

Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak.

De Kerk had natuurlijk het allerbeste overzicht over het wel en wee van haar parochianen waardoor de Armmeesteren maatwerk konden leveren. Met het groeien van het dorp zal er meer maatwerk geleverd zijn maar dit was van korte duur. Vijf jaar na de oprichting van de Heiligen Geest Armen raasde de Reformatie ook over Holland. Zelfs Lisse onderging het ten volle en toen het weer tot rust kwam was het Roomsche geloof verboden en was de Kerk overgegaan in handen van de Gereformeerden. Het was voor veel mensen zeer verwarrend. Wat bleef waren de Heiligen Geest Armmeesters. Deze organisatie welke in haar korte bestaan zo slagvaardig had gehandeld was te kostbaar om op te heffen.

Zoveel ervaring hadden de protestanten niet opgedaan in hun verbanningsoorden dat zij het zich konden permitteren deze organisatie op te heffen. De Protestante Diaconie werd naadloos overgenomen en men ging op de oude manier en met gebruik van de oude kapitalen en beleggingen verder. Alleen om Armmeester te worden moest men Protestant zijn. Armoede was in de vroeg moderne tijd overigens een vrij relatief begrip. Wie onvoldoende kon beschikken over de noodzakelijkheden voor het dagelijks bestaan, zoals men aan zijn stand verplicht was, kon men arm noemen. Hieronder viel de armoede van een jonge weduwe met kleine kinderen die onvoldoende inkomen had om haar gezin onderdak, gevoed, gekleed en ’s winters warm te houden. Maar ook de koopman of ambachtsman, die door ziekte of economische tegenslag verarmde zodat hij beneden zijn stand moest leven kon men arm noemen. Het blijkt uit de Rekeningen van den Heiligen Geest Armen dat de grootste groep armen te bestaan uit gewone gezinnen waarin én de ouders én de kinderen werken, maar er niet in slagen voldoende inkomen te genereren. Opvallend is dat de hele groep bestaat uit mensen welke geen toegang hadden tot land, pachtland dan wel te verstaan. De investering was blijkbaar niet op te brengen voor deze mensen. Mensen die in normale tijden er net in slaagden rond te komen maar bij tegenslag direct afhankelijk werden van de armenzorg. Bijvoorbeeld door ziekte. Wie voor langere tijd op één plek woonde had doorgaans de beschikking over een netwerk van buren, familie, geloofsgenoten, vrienden of werkgever waarbinnen met elkaar over en weer hielp. Was de tegenslag echter voor langere tijd, dan was een meer structurele ondersteuning nodig. Overigens was arm zijn absoluut geen schande. De arme mens was immers het evenbeeld van Jezus die ook niets bezat. Door de arme te helpen kwam dat weer ten goede van je eigen zielenheil en dat was in die tijd heel belangrijk. Dat verkortte namelijk de tijd welke de overleden goede gever in het vagevuur door moest brengen alvorens opgenomen te worden in de hemel. Het was dan ook vanzelfsprekend dat de ontvanger van de gulle gaven, de arme, zou bidden voor de gever, ook dat was goed voor zijn zielenheil.

Vaak wordt verondersteld dat de armoede op het platteland wel meeviel en onder het percentage van de grote steden moet hebben gelegen, maar is dat altijd waar?

Lezend in de Kohieren van het Zout en Zeep van de jaren 1680 en 1685 berekende ik dat in Lisse 3% van de huishoudens bedeling ontving. Ter vergelijking in Noordwijk lag dit percentage op 8%, in Berkel op 11%, ’s Gravendeel 4% en het Noord-Hollandse Graft zelfs op 14%. Hier steekt Lisse zeer gunstig af maar voor een verklaring voor deze verschillen is meer onderzoek nodig. Bedenk dat in deze tijd het percentage in de stad Delft op 15% lag.

Om te zien of deze 3% de normale standaard was in Lisse hebben we de Rekeningen van de Heilige Geestarmen nodig. In het Gemeente Archief van Lisse zijn deze aanwezig voor de periode 1587 tot en met 1729, een goede 140 jaar. Hierin moeten we meer kunnen vinden. Probleem was de kwaliteit waarin deze Kohieren zich bevonden. Veel van de boeken waren uitgehold door de muizen en het gebruikte handschrift toonde veelal overeenkomsten met het Assyrische spijkerschrift. Zo ben ik begonnen de kohieren te transcriberen om meer duidelijkheid te verkrijgen samen met leden van de Genealogiegroep van de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse, Dirk Floorijp en Leo van der Geer. De eerste resultaten kwamen binnen en na een vluchtige analyse viel op dat het aantal mensen wat bijstand ontving of “gealimenteerd werd” ongeveer gelijk bleef maar ook viel me op dat de namen van de gealimenteerden nauwelijks veranderden. Blijkbaar waren er een aantal vaste klanten van de Armenzorg niet uit hun armoede te halen met de geboden bijstand. Helaas werd in de Kohieren niet vermeld de reden van hun armoede, wel dat zij meestal een groot aantal kinderen bezaten. Zo bezaten de Heilige Geest Armen een huijsje aan het Kerkhof die aan daklozen ter beschikking kon worden gesteld. Een enorme luxe voor een plattelands dorp. In dit huijsje konden twee gezinnen gehuisvest worden en de bedoeling was dat er enige bijdrage in huur zou worden betaald. Ik vond dat sedert mei 1695 ene Pieter Pieterse Berendregt met zijn grote kinderschare daar woonde en dat hij daar nog steeds woonde in mei 1729 en dat hij geen huur kon betalen wegens onvermogendheid. In 35 jaar had hij geen kans gezien zijn positie te verbeteren! Waarschijnlijk was deze Pieter zwaar gehandicapt anders was dit nooit toegelaten.

Uit de kohieren blijkt dat er een systeem bestond van bijstand in natura, zoals schoeisel en kleding, voeding als brood, en geld. Helaas wordt niet per persoon gespecificeerd wat de behoeftigen kregen alleen een totaal bedrag. Alleen in 1695 wordt vermeld dat er aan de armen was geleverd 102 Roggebroden en 51 Tarwebollen a 30 gulden 5 stuivers en 10 penningen. Ook boter ter waarde van 10 gulden 16 stuivers en 12 penningen stond op de lijst evenals loon voor de Chirurgijn voor zijn heelkunsten. Aan geld werd in 1695 gemiddeld 20 gulden uitgekeerd voor 8 personen per maand.

In de leesbare gedeelten van de Kohieren is de Rekening zeer transparant, uitgebreid wordt verklaard hoe de kas werd gevuld en ook hoe de kas werd benut. De Heilige Geest kas werd gevuld voor een groot deel door renteopbrengsten uit Losrente brieven en Obligaties uitstaande bij de overheid. Solide beleggingen. Verder uit inkomsten van landbezit in de vorm van Erfpachten, collectes bij de uitgang van de Kerk (niet in de Kerk) of langs de deuren verkregen. Uniek waren de extra leges welke werden geheven bij handelstransacties aangegaan voor het Gerecht van Lisse ten behoeve van de armen, boetes opgelegd door de Schout kwamen geheel ten goede aan de Armen en een percentage van de openbare veilingen of Boelhuizen die werden bedongen voor de armen. Er was zelfs in de loop der jaren een heus Armenbos ontstaan waarvan de houtopbrengst voor de armenkas was bestemd. Als in oktober de kramen voor de Lisser Kermis arriveerden kregen zij allemaal een bezoek van de Schout welke om ” Recognitie” kwam. Met andere woorden betalen of wegwezen van de Kermis. Het was verrassend wat de Schout  zoal bij elkaar bedelde.

Zoals iedere armeninstelling was de Heiligen Geest Armen afhankelijk van de goedgeefsheid van de burgers, Collectebussen, zoals dit 17e eeuws  exemplaar, moesten daarom een wervend karakter hebben en werden daartoe opgesierd met tot de verbeelding sprekende afbeeldingen.

Er zitten wel behoorlijke verschillen van jaar tot jaar in de boekhouding. Dit zou te maken gehad kunnen hebben met de strengheid van de winters want de Armmeesteren verstrekten ook brandhout of turf aan de behoeftigen. We zoeken verder. Lisse is een van de weinige dorpen in Zuidholland waarvan de Rekeningen van de Heilige Geest, belastingregisters en doop, trouw en begraafboeken van de Hervormde Kerk voor deze vroege periode beschikbaar zijn. Data van de Hervormde Diaconie ontbreken helaas maar de Hervormde Kerk groeide in Lisse maar heel langzaam dus aangenomen mag worden dat de Heiligen Geest in Lisse het grootste deel van de armenzorg voor het dorp bediende, maar nogmaals, de Heilige Geest en de Diaconie waren feitelijk één “bedrijf”.

Vooral in het begin van zijn bestaan kreeg de Heiligen Geest Armen een vuurdoop. Eind jaren  1590 was er sprake van een langdurige periode  van zeer hoge voedselprijzen. Er waren hiervoor meerdere omstandigheden verantwoordelijk. Zowel in 1595 als in 1597 was er sprake van misoogsten in grote delen van Noordwest Europa.  Holland zelf kreeg in die jaren te maken met omvangrijke overstromingen, terwijl het gebied in het tussenliggende jaar 1596 ook nog een muizenplaag te verwerken kreeg. De gevolgen waren dat jarenlang de prijs van rogge, het belangrijkste broodgraan, ver boven zijn normale niveau uitstak zoals in grafiek 1 duidelijk wordt aangegeven. Ook weten we uit andere studies dat in de jaren 1597 en 1598 bij de armenzorg in de steden in Holland het water aan de lippen stond.

 

Grafiek 1. Roggeprijzen  in  Amsterdam  en  Utrecht in gram  zilver  per  hectoliter Rogge. Bron: N.W. Posthumus, Nederlandse prijsgeschiedenis 2 (Utrecht 1964)

Er werden grote hervormingen in de steden doorgevoerd om de problemen het hoofd te kunnen bieden. In de dorpen was hervorming niet nodig maar de Rekeningen laten ons zien dat er ook in Lisse problemen waren ontstaan. Dit waren bekende jaren van tekorten aan het einde van de 16e eeuw. Hoe was dat in andere jaren? Laten we het einde van de 17e eeuw eens nemen, de eeuw die volgens onze schoolboekjes een “Gouden Eeuw” moet zijn geweest. We zullen een tijdsbestek van 10 jaar nemen voor een ruim gemiddelde. We beginnen met het jaar 1696 en gaan tot 1705. Wat blijkt: in de 10 jaar tussen 1697 en 1705 werden in totaal zeventien huishoudens regelmatig bedeeld door de Heilige Geest. Opvallend was het relatief grote aantal weduwen en alleenstaande vrouwen welke bedeeld werden. Ook waren er twee gezinnen welke de gehele periode bedeling ontvingen inclusief woonruimte. Ook zien we in het duurtejaar 1699 het totaal aantal bedeelde huishoudens bijna verdubbelen van 9 naar 15 gezinnen. Dit bewijst dat de hoogte van de graanprijs wel degelijk invloed had op het aantal behoeftige huishoudens in Lisse. Nemen we de gehele tijdsduur van 1587 tot 1729 is het gemiddelde aantal bedeelde huishoudens in Lisse 12.

Bij voorbeeld in 1680 waren er negen huishoudens die bedeling ontvingen. Verdeeld  over zes weduwen met kleine kinderen, één weduwe zonder kinderen, één vrouw alleen en één compleet gezin met vader, moeder en drie kinderen boven de tien jaren waar van er één in de oorlog was. Lisse had toen in 1680 een bevolking van 290 inwoners. Er waren 48 zg Capitalisten, 233 arbeiders of ambachtslieden en 9 armlastigen.  Hierbij komen we uit op een percentage van ruim 3% en dat ligt ongeveer gelijk met de gemiddelden welke we vinden in de andere jaren en komt overeen met het  reeds gevonden percentage in 1680. Hierbij steekt Lisse goed af bij andere dorpen. Door hoge graan- en voedselprijzen en de strengheid van de winter waren er tekorten op de balans in 1679, 1698, 1699, 1700 en 1701. En vanaf 1702 waren de uitgaven torenhoog maar werd de balans sluitend afgesloten en later werden zelf bescheiden overschotten in de Rekeningen gemeld zoals in het jaar 1729 toen het boekjaar werd afgesloten met een overschot op de balans  van twee honderd twee guldens en elf stuivers. Het jaar ervoor had men nog een tekort van 149 gulden. Het systeem had gewerkt in Lisse.

Anders was de situatie in de steden.

Door de enorme toeloop van mensen die niets  meer bezaten , werd de situatie dikwijls onbeheersbaar. Zo ook in de stad Leiden waar de Armmeesteren constateerden dat de  geschonken goederen of gelden niet altijd goed werden  besteed. Vaak vond men een bedeelde  laveloos in de kroeg waar hij zijn geschonken  geld voor nieuwe schoenen  belegde in alcoholische versnaperingen. Er zou een enorm controle systeem moeten worden opgezet. Men ging daarom over op het verstrekken van een muntje, gemaakt van lood. Een “loodje” genaamd in de volksmond waarmee men bijvoorbeeld bij de bakker brood kon kopen. Als de bakker voldoende muntjes had kon hij deze bij de Armmeesteren in leveren voor geld. Kroegbazen konden dat niet. Men zegt dat hier het gezegde “zijn laatste loodje leggen” van af zou stammen, ofwel hij is overleden. Het zou zo maar kunnen.

Conclusie

In perioden van voedselschaarste en hoge prijzen heeft het dorp Lisse ook alle zeilen moeten bijzetten maar de schade bleef desondanks te overzien. Er was geen sprake  van massale trek naar de steden van hongerende inwoners van Lisse. Dat is mijns inziens te danken aan het feit dat Lisse in normale tijden via de stedelijke markten hun graan inkochten. Daarmee was in duurdere tijden een kant en klaar netwerk voorhanden maar had Lisse ook een zekere morele aanspraak op een deel van de in de steden aanwezige graanvoorraad. De Heilige Geest Armmeesteren van Lisse reageerden daadwerkelijk op prijsstijgingen door én hogere uitkeringen te verstrekken én meerdere bedeelden toe te laten. Let wel dat de uitkeringen uiterst sober gebeurden, men werd er niet beter van maar men bleef wel in leven en ook niet onbelangrijk, werd men bedeeld, hoorde daar bij wel  een begrafenis van de Armen in een graf van de Armen.

Bronvermelding:

J.A. Faber,                           Dure tijden en hongersnoden in pré-industrieel Nederland

Remi van Schaik,               Prijs- en levensmiddelen politiek in de Noordelijke Nederlanden van de 14e tot de 17e eeuw: bronnen en problemen

Gemeente Archief Lisse   Inv.nr.229,289,290,291,293,294,295 (Transcripties)

www.oud.noordwijk.nl    H. Schelvis: Zout zeep heere en redemptiegeld 1680

Peter van der Krogt;         Berkel: familiegeld 1680

Ingrid van der Vlis:           Leven in armoede. Delftse bedeelden in de 17e eeuw.

Dekker:                                Holland in beroering

Cult.Hist. Ver. Oud Lisse Arie de Koning: Resolutieboek van Schout en burgemeesteren van Lisse 1681-1795

Jessica Dijkman:               Het dagelijks brood

Dirk Floorijp:                     Fotografie en controle transcripties

Leo van der Geer :              Transcripties

Vaak werd men van de armen begraven

 Het vergiftigingsdrama in 1920 te Lisse

Op 12 december 1920 vermoorde mevrouw van den B. samen met haar commensaal C. van der L. haar man J. van den B. door vergiftiging met arsenicum. Zij stonden terecht voor de Haarlemse Gerecht. De beschuldiging, de veroordeling e.d. worden weergegeven.

door Arie de Koning

2020

Weer stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Alle nieuwsgierigen konden niet naar binnen, toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Uren stonden zij daar geduldig te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet.

Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen en ook de gereserveerde tribune was geheel bezet.

Als beklaagden kwamen in dit drama, Gerarda Hendrica van der M., weduwe J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op

Op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met van der L., nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden.

Aan van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk.

Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden.

Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard.

Als verdedigers traden op voor van der L. Mr. Pliester en voor vrouw van den B. Mr. C. van Sprang.

Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats.

De vrouw vertelde dat van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat van den B. teveel in het gezin was. Met van der L. had zij er meermalen over gesproken dat van den B. in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden.

In april of mei had van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven.

President: Terwijl u wist dat van der L. er arsenicum in had gedaan?…….

Beklaagde: Ja !……

President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met van der L. trouwen?

Beklaagde: Dat niet, ik wist dat van der L. getrouwd was….

 

President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw.

Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had.

Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man……..

Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan.

Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die Zondag 12 September niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die Zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’.

Vrouw van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben.

Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was.

Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was van den B. dezelfde dag al gestorven.

Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje.

President: Niet veel minder?

Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen.

De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het zieken huis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden.

De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had.

De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H.S.A van Beek, vertelde dat van den B. op die bewuste Zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en Dinsdag was hij ziek geweest. Op Woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kon van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde.

Dokter F.G.M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft van den B. op Woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe,”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”.

Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek.

Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging?

Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen.

Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig.

Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met van der L. Op een zekere dag was van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man.

Verder verklaarde deze getuige dat van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige heeft van der L. na 12 September eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat van der L., nadat er twist was geweest in het huis van den B. bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat van der L. meestal even overwipte voor van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van v.d. B. hetgeen aan de moeder bekent was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van v.d. B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum.

Mr. Pliester vroeg aan getuige J.P.L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum tijd de dood na het innemen van een dosis arsenicum kan volgen en hoe groot de maximum tijd kan zijn

Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicuminvloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arseni-cum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een sub – acuut vergiftigingsgeval moet denken.

Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.

Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren.

Heden zou de rechtbank vonnis geven.

De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde.

Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven.

Een zeer luidruchtig volkje die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleidt, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadkamer en namen plaats. Nu zou men het horen…….

15 jaar cel

De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 45-jarige weduwe van den B. en haar 35-jarige gewezen commensaal van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man´ op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.

Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 60 jaar zijn als zij vrijkomt, de man 50 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel……..

Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting.

Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid.

Een verwoest gezin….

Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis.

De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Resumé:

Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden deze aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen.

Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekent. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de Apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten.

Zo ook bovenbeschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M.  Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden…….

Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B. een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920.

Niet bekend is waar Gerarda Hendrica v.d. M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd.

Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:

Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem

Haarlems Dagblad 21-02-1921 blz.2/3

Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1

Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse

Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

 

De Stationsweg door  A. Raaphorst Hz

In 1910 werd de hele Stationsweg vanaf het station bestraat, voorheen was het een bestraat karrenspoor. Het gedeelte in de bebouwde kom, de Steeg genaamd, was erg smal. Daarom werd bij de verkoping van het naastgelegen  landgoed Roozendaal, bepaald dat daar 2 straten vanaf de Heereweg moesten komen als omleidingswegen.

opgetekend door door A. de Koning

1 juni 2020

De Stationsweg heeft in het jaar 1910 deze naam gekregen, want voorheen noemde men deze straat tot het einde van het bebouwde gedeelte de Steeg en verder Delfweg. De oorspronkelijke naam is dan ook de Delfweg, waarschijnlijk genoemd naar het delven van turf vroeger daar ter plaatse. Tot het einde van het bebouwde gedeelte is deze weg bestraat omstreeks 1880. In het jaar 1905 werd vanaf het bebouwde gedeelte tot het station der H.IJ.S.M een paardenspoor van klinkerbestrating aangelegd van 80 cm breedte, dat schoot niet veel op en in het jaar 1909 besloot de Raad echter om de Stationsweg over zijn gehele lengte te bestraten. Bijzonder was dat dit werk niet werd aanbesteed maar door de Gemeente Lisse zelf uitgevoerd. Met de uitvoering daarvan werd in het voorjaar van 1910 begonnen en was in de zomer van 1911 gereed. Omdat het verkeer van en naar het station in de afgelopen jaren enorm was toegenomen en de Stationsweg aan beide zijden met hout was beplant, dus vooral in voor- en najaar moeilijk te begaan was, was deze bestrating een grote verbetering. Het Gemeente Bestuur, met zijn bestemmingsplan, ziet al lang uit naar een andere, betere en mooiere verbindingsweg van de Stationsweg met de Heereweg in de plaats van het zeer smalle en met minder mooie arbeidershuizen volgepropte gedeelte, wat men al van ouds de Steeg noemde. Dus besloot de Raad dan ook in verband met de publieke verkoping  van het Huis Roozendaal in het jaar 1913 om op twee in het uitbreidingsplan geprojecteerde en vanaf de Heereweg in noordoostelijke richting lopende straten, te weten aan beide kanten van het terrein van het Huis Roozendaal, een zodanig bouwverbod op te leggen, dat daar ter plaatse bij een eventuele bebouwing van dit terrein, twee straten moeten worden aangelegd ter breedte van 12 meters die een zodanige richting hebben dat deze later eventueel  met de Stationsweg  in verbinding kunnen worden gebracht. Met de bouw van de villa van de heer Leen Tol aan de noordoostzijde van de stationsweg op het land van de firma G. van der Meij, ook reeds rekening is gehouden met bovengenoemde verbindingsweg. Aan de zuidwestzijde van de Stationsweg, strekkende langs de tuin Berkhout, bevond zich een ordeloze houtwal met hoog opgaand geboomte. Deze houtwal werd in het jaar 1905 gerooid en in de plaats daarvan een haag geplant.

Bron: Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

De Stationsweg, in de bebouwde kom de Steeg genoemd, was te smal

 

Groenten-drogerij en -inmakerij  “CODRO” en die van Leo van Grieken door  A. Raaphorst Hz

Tijdens de eerste wereldoorlog waren de bollen niets waard. Daarom werd er massaal overgegaan op het telen van groente. Daartoe had Leo van Grieken een groentedrogerij en groente-inmakerij aan de Leidsche Trekvaart. Een grote coöperatieve drogerij was Cordo, die een drogerij bij Piet Gijzenbrug had. De leden verhandelden het meeste.

Opgetekend door Arie de Koning

1 juni 2020

De Grote Europese Oorlog 1914 – 1918 heeft zeer vele wantoestanden geschapen, maar ook eveneens vele andere, betere en nieuwere dingen tot stand gebracht.  De grote tegenslag in de Bloembollencultuur heeft de kwekers er noodgedwongen toe gebracht om zich te gaan toeleggen op het telen van allerlei soorten van groenten. Het gevolg hiervan was dat vooral in het jaar 1917 bij alle kwekers alle beschikbare grond en paden met allerlei soorten groenten was beplant. Dat voor de reeds in 1916 verbazende grote hoeveelheden groenten een afzetgebied moest worden gevonden behoeft geen betoog, En dat werd dan ook gevonden, deels in het uitvoeren in versche staat naar Duitschland en deels door drogen en verduurzamen en dan uitvoeren naar alle streken der wereld. Hiervoor werden op vele plaatsen inmakerijen en drogerijen opgericht. Lisse had ook zijne eerste groente drogerij en inmakerij, die gebouwd werd aan de Leidsche Trekvaart en voor rekening van de Bloembollen Exporteur Leo van Grieken die in 1917 zelfs niet eens reizigers heeft uitgezonden om bloembollen te verkopen omdat in de groenten grote kapitalen werden verdient en doordat de bloembollenhandel nu eenmaal aan  allerlei omstandigheden  onderhevig  was.

Wegens  de door de oorlogstoestand geschapen abnormale omstandigheden voor de Bloembollen cultuur, en het feit dat door alle kwekers het telen van groenten op grote schaal in toepassing werd gebracht, werd in het voorjaar van 1917, op initiatief van eenige kwekers opgericht: De Eerste Coöperatieve Groenten – drogerij –  Inmakerij en Handel  voor de Bloembollenstreek: “CODRO”  Deze Vereniging stelde zich ten doel om de door de bonafide bloembollenkwekers  geteelde groenten  langs Coöperatieve weg te drogen, in te maken  of in versche staat te verhandelen. Van deze Vereniging konden alleen diegene lid worden die het bloembollen kwekersbedrijf als hoofdbedrijf uitoefenden. Het bestuur van deze Vereniging met de Heer Krelage aan het hoofd verkreeg van de Minister van Landbouw het voorrecht, dat voor de leden van Codro, inzake de uitvoer der groenten zeer gunstige bepalingen werden gesteld. De Minister stelde zijnerzijds de bepaling dat Codro zich ten doel stelde de instandhouding van het bloembollen bedrijf. Alleen op deze voorwaarde beloofde de Minister gunstige bepalingen omdat hij zich alleen dan kon verantwoorden tegenover andere groentetelers die geen lid konden worden van Codro. Tegenover de kritiek die deze bevoorrechting heeft ondervonden van de zijde der andere groentetelers, is het goed dat dit geschreven wordt, anders zouden niet ingewijden ook tot de conclusie komen dat de Minister werkelijk de een bevoorrechtte boven de ander. Deze bevoorrechting bestond hieruit dat de Leden van Codro van elke soort groente een groter percentage voor de export mochten verkopen dan de niet leden. Bij voorbeeld de groene uien mochten voor 100% door Codro uitgevoerd worden en door niet leden maar 60%. Men zou algemeen verwachten dat alle bollenkwekers direct lid van Codro zouden worden, maar dit was lang niet het geval.  Doordat de oprichting van Codro voor de particuliere handelaars en exporteurs in groenten een strop was behoeft geen betoog en door dezen zoveel mogelijk werd afgetakeld. Het gevolg was dat vele kwekers zich lieten ompraten en geen lid werden, voor al niet omdat er nogal enig financieel bezwaar aan was verbonden, want de leden van Codro moesten voor elke hectare die zij in cultuur hadden een aandeel nemen van ƒ100,- en voor elke hectare bovendien een contributie betalen van ƒ5,- en voor elke hectare ƒ1,50 voor registratie. Op de aandelen behoefde echter voorlopig maar ƒ25,- per aandeel gestort te worden waarvoor een rente vergoed werd van 5%. Toen men echter zag welke voordelen het lidmaatschap van Codro direct afwierp, werd de toeloop groter zodat wij op het ogenblik (1917) gerust durven veronderstellen dat minstens 95% van de kwekers als leden zijn toegetreden. Door Codro werd ene eigen groenten-drogerij en inmakerij gesticht aan de Piet Gijzenbrug, terwijl zij tal van andere drogerijen heeft gecontracteerd voor het drogen van de groenten van de leden. Behalve voor verschillende soorten van groenten hebben de leden van Codro zich ook verplicht om de Bloembollen voor abnormaal gebruik, bijvoorbeeld voor veevoeder alleen te verkopen door middel van Codro, om te voorkomen dat deze bollen als veevoeder in het buitenland verkocht niet als normaal gebruik worden gebezigd en zo een hogere prijs af te kunnen bedingen. Van de handel in bloembollen voor abnormaal gebruik is intussen niet veel terecht gekomen, omdat de Minister van Landbouw de uitvoer van Hyacinten, Tulpen en Krokussen voor abnormaal gebruik niet heeft toegestaan en deze bestemd moesten blijven als veevoeder voor het binnenland. Dit was voor de bollenkwekers een grote tegenvaller omdat de prijzen in het binnenland minstens 50% lager waren als de prijzen die in het buitenland konden worden bedongen. Alleen Narcissen konden worden uitgevoerd maar hiervoor kon weer geen vervoer worden gesteld. Door een bloembollenfirma in Lisse, de Gebr. Rijnveld, werden de Narcissen opgekocht voor 4ct per kilo waarna deze firma deze bollen verwerkte in stijfsel en lijm. Maar ook deze handel moest worden stopgezet omdat het Rijks Kolen bureau voor dit bedrijf geen brandstof ter beschikkeng kon stellen. De Heinrich Riesen die door de kwekers in grote hoeveelheden voor zaad werden geteeld en in het buitenland konden worden verkocht voor ƒ200,- per 100 kilogram, moesten echter aan de regering worden afgestaan voor ƒ50,- per 100 kilogram.  Het heeft lang geduurd voor de teelt en verkoop van bloembollen zich had hersteld.

Bron:

Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

         Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

Bevolking van Lisse van 1795 tot en met 1913 door  A. Raaphorst Hz

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913.

Opgetekend door Arie de Koning

 1 juni 2020

 

De bevolking der Gemeente Lisse bedroeg in 1795  1062 personen.

 

Jaar                       Personen

1854                          1826

1860                          1732

1870                          1994

1880                          2648

1890                          2775

1896                          3489

1897                          3643

1898                          3776

1899                          3891

1900                          4009

1901                          4184

1902                          4426

1903                          4574

1904                          4614

1905                          4769

1906                          4915

1907                          5057

1908                          5245

1909                          5483

1910                          5759

1911                          5977

1912                          6102

1913                          6309

Bron:  A. Raaphorst Hzn,  Dagblad  Correspondent te Lisse

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913