Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

De posterijen in vroegere dagen

In Ons Weekblad van september 1920 legt van der Meij uit hoe het vanaf 1840 toeging om de post te bezorgen in Lisse.

Arie in ’t Veld naar A. van der Meij

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 1, januari 2011

et lijkt allemaal zo simpel: je schrijft een brief of kaart, voorziet deze van een postzegel, deponeert het ding in de dichtstbijzijnde brievenbus en korte tijd later is het schrijfsel beland op de plek waaraan deze is geadresseerd. Tante Pos heeft dan weer op volle toeren gedraaid en zorgt dat intussen ook miljoenen andere geadresseerde stukken op de bestemde plekken komen. Met dank van de ontvanger, behalve als het rekeningen of die hatelijke blauwe enveloppen betreft.

De postbezorging van vandaag de dag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze is geworden tot wat het nu is. Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen aan het begin van de vorige eeuw onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezer(es) door te stellen dat zijn vader een ‘vleesch houwerij’ had die rond ‘Paschen’ 1837 door hem werd geopend. “In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode ’s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 !/2 cent worden betaald. Buiten de porto. Om een brief van Lisse te verzenden moest men ’s middags de bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse en met bijvoeging van 4 duiten of 2 1/2 cent. Dan nam de bode de brief mee  naarSassenheim ter verdere verzending. Frankeering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”.

Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brievengaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld; “…..Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”. Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toenmalige burgemeester van Lisse E.J. van den Berg. “Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend,” zo vervolgt Van der Meij
zijn verhaal. “In dien tijd bezorgde hij zelfde brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die tweemaal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation ,Veenenburg’ haalde. Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar van Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 Meter boven de grond een houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden en waarin hij ’s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ’s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ’s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ’s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven ofte ontvangen,” aldus Van der Meij in zijn verslag waarvan we de diverse eigenaardigheden in het taalgebruik hebben overgenomen. Hij schetste ook dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent porto moest betalen. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden l0 cent per gewonen brief betaald worden. Postzegels waren dat jaar reeds ingevoerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd. Het publiek greep evenwel zelf in. ledere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoo het overige publiek zijn voorbeeld te volgen. Van dien tijd dateert het nog dagelijks (we spreken nog altijd over 1920…) voorkomende ,Br.fr.’ in de advertenties in de couranten”.

Briefkaarten

Zijn verhaal vervolgend vertelt Van der Meij dat in 1876 de open briefkaarten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7,5 en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd.
Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht,
waarbij voor den oorlog bijna alle staten van de wereld waren toegetreden.
Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van
de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende
nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor
brieven en briefkaarten over de geheele wereld, postpakketdiensten en
verrekenpakketten”. De verteller illustreert verder dat het tarief’voor de
gewoone brieven 12 !/2 cent is en voor briefkaarten 5 cent’. “Gedurende
de oorlog (de eerste wereldoorlog.. ..red.) en ook nog niet daarna heeft
de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van
het binnenlandse tarief de malle verhouding is ontstaan dat een brief
van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 !/2 cent en een briefkaart 5 cent
kost en naar landen der vereeniging         j^üfes.           ‘ “x               V
respectievelijk 12 1/2 en 5 cent.
Het telegramtarief voor het binnenland
was in 1872   30 cent voor 20
woorden, behalve het bestelloon dat

de geadresseerde moest betalen. Voor

den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent

voor 10 woorden en geen bestelloon als

de geadresseerde binnen de bestelkring van het telegraafkantoor woont. Thans (1920 dus) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het telefoonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”. Na het korte o verstapje over de telefonie gaat Van der Meij verder en

vertelt dat het betalen van porto voor een brief tot 1875 naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Het welk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikking kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ’s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de volgende dag ’s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Waarschijnlijk afkomstig uit Sassenheim Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen. Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden.

Postkantoor

Het hulppostkantoor Lisse resorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet wat dat betreft in Lisse 13 duizend gulden per jaar. Toen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar”. Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse.” Volgens Van der Meij een zeer formeel man en niet zeer meegaande voor het publiek. “Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames van Parijs (thans de supermarkt-red). De Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde post-en telegraafkantoor werd geopend met de heer Bondam als directeur. Dat postkantoor was gevestigd in een fiks gebouw op de hoek Heereweg/Stationsweg (de Steeg) en thans de hoek van de Berkhoutlaan, ofwel het pand van ‘De Madelief’. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks

uitbetalen van ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Dat bewuste postkantoor heeft aan de gemeente ongeveer f22.000,– gekost en deze ontving daarvoor van het Rijk een huur van f l .224,– per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascomissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het post- en telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,– zou kosten.

Van der Meij, lid van de Gascommissie zei op die mededeling een beter idee te hebben. “Laat het Rijk het post-en telegraafkantoor kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein”. Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,–,inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgden er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A.van der Meij) gebeurd dat ik ’s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ’s morgens om acht uur het antwoord daarop in huis had.

Naar het Noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer de post naar het noorden reeds verzonden zijn en dus bleef liggen tot de verzending met de middag- of avondpost”.

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het overige land. “Zoodra de Hollandsche Uzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden telegrammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf. In het jaar 1908 werd het net door het Rijk overgenomen. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het gehele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonne’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg (nu Heereweg..red.) door een ondergrondschen kabel vervangen. Op l april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonne’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwiijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer den Braber als chef en bovendien 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en telefoon bestond alzoo uit 25 mannelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de pesterij.

Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde postbestelling ’s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voorzitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer P. Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Pesterij overtuigde van de onbillijkheid dat de bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ’s morgens voor twaalf uur ontvingen en de post te Lisse eerst ’s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der

pesterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ontvangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen.” Aldus Van der Meij die zijn verhaal besloot met uit te spreken te vrezen dat…: “Er in ons land verscheidene zulke toestanden zijn. De brievenposterij is een monopolie en dus niet gebonden aan provinciale of gemeentgrenzen,” aldus Van der Meij die tevens constateert dat het kantoor in Lisse ook werd belast met het overzenden van de loonlijsten en bedragen van de Rijksverzekeringsbank ingeval de Ongevallenwet. Maar ook de ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Door de girodienst alhier is in 1919 alhier 600.000 gulden behandeld en een jaar later was dat al ruim een miljoen gulden….”

De kruising Heereweg
(richting Hillegom) en
Kanaalstraat In het
winkeltje met de luifel
achter het ANWB-
verkeersbord (!) was
geruime tijd grootgrutter
De Gruyter gevestigd.
Het imposante gebouw
links is het Lissese
postkantoor, dat
omstreeks 1965 werd
afgebroken.
Links van postkantoor

VELDHORSTSTRAAT 100 JAAR

De VOL feliciteert de bewoners met het eeuwfeest van de Veldhorststraat

In 1913 is het plan voor de straat van start gegaan, eerst niet meer dan een idee om de Stationsweg te ontlasten.  Honderd jaar geleden werden de eerste huizen gebouwd door bouwbedrijf Gebr. Moolenaar. Het eerste blokje huizen links van de straat; vanuit het dorp komend. De landerijen waren van de familie Veldhorst.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

In 1913 is het plan voor de straat van start gegaan, eerst niet meer dan een idee om de Stationsweg te ontlasten. De enige doorgang van het dorp naar het station was de Stationsweg, in de volksmond ook “De Steeg” genoemd. De weg liep vanaf de Heereweg bij het postkantoor tot aan het station. Van de Von Bönninghausenlaan was nog lang geen sprake. De Veldhorststraat werd met een diepe bocht om de tuinen van landgoed Rosendaal geprojecteerd richting villa Veldhorst.

Ruim 12 jaar was de situatie zoals hierboven vermeld, in 1940 was het huis van dokter Holl klaar en kreeg de punt een heel ander gezicht

Honderd jaar geleden werden de eerste huizen gebouwd door bouwbedrijf Gebr. Moolenaar het blokje huizen links aan de straat; van het dorp komend. De eerste paar huizen werden gebouwd en verkocht en dan was er weer geld voor de volgende huizen, zo kreeg langzaam maar zeker de Veldhorststraat zijn bewoners. Uitschieters: het huis “In de bocht”, het kerkgebouw van de Christelijk Gereformeerd gemeente en huize Panorama waren in het begin zeer
gezichtsbepalend voor deze nieuwe straat. Maar later natuurlijk ook nr. 50 van huisarts Holl op de punt waar de Stationsweg en de Veldhorststraat samen kwamen. Dat was een prachtige entree als je over de drempel Lisse binnen kwam. De andere entree zien we bij “zoek de tien verschillen”.

Zomer 1927. De nog prille straat vanaf de Heereweg met een doorkijkje naar de bollenschuur van Gerrit van der Mey bij zijn villa Veldhorst

Op de foto hiernaast zien we villa “In de bocht”, gebouwd door Leen van Tol, voor directeur Bert van der Nat van H. de Graaff & Zn. Rechts daarvan in de verte de bollenschuur van G. van der Mey & Zn. Links is het huis van Tissing, het kleine gebouwtje naast de drukkerij  van Reeuwijk was een fotoatelier.

De Gebr. Moolenaar hebben flink hun best gedaan bij het tot stand komen van de Veldhorststraat, maar dit was wel hun grootste project.
De vier geweldige houten spanten zijn op hun plek gezet, na negen maanden stevig door timmeren werd de kerk in gebruik genomen. foto 1928

Er werd heel wat afgebouwd in de beginjaren van de Veldhorststraat. Zo werd er door ds. Simon van der Molen de eerste steen gelegd voor de nieuw te bouwen Christelijk Gereformeerde kerk. Die gemeente was uit haar jasje gegroeid en moest wat groter gaan wonen. Het oude kerkje werd garage Eigenbrood aan de Kanaalstraat. Er werden gigantische spanten aangeleverd bij de haven op een schuit van Van Parijs en door

het dorp vervoerd op een mallejan van de firma Van Rossen. Dat vervoer was al een

bezienswaardigheid op zich. In
amper 9 maanden tijd verrees de kerk en op 14 september 1928 werd de kerk in gebruik genomen. Huisarts Holl, die de praktijk van dokter De Graaf overnam en een tijdje in huize Rosendaal trok, had ook bouwplannen en kocht uiteindelijk het nog braakliggend stukje grond op de driesprong. Dat gaf een heel ander beeld bij deze entree.

Op de hartpagina zijn de bouwers nog druk bezig met het bouwen van de ‘bloemenhuizen’. Deze kregen de namen Scilla, Dahlia, Crocus, Tulipa, Narcis en Hyacint, zo een beetje alles wat er op de landerijen van Gerrit van der Mey groeide kwam hier nu uit de grond. Deze bloemetjes verwelken niet, die staan voor eeuwig. Alleen huize Panorama heeft het moeten ontgelden. Nummer 51 deed haar naam eer aan want wat een prachtig uitzicht hebben die mensen gehad over de bollenvelden tot aan het Keukenhofbos. Van het panorama is niet veel meer over, verder dan de geluidswal van de Randweg kun je niet kijken. Er is een mooi huis voor in de plaats gekomen, helaas is het nu nr. 41 Von Bönninghausenlaan geworden. Zou de Prins Bernhardboom nog wel bij de Veldhorststraat horen? Deze linde werd in 1939 geplant ter ere van het huwelijk van prinses Juliana met prins Bernhard.

Huize Veldhorst, de naamgever van deze mooie straat, staat tegenwoordig genoteerd als Von Bönninghausenlaan 56
en stond vroeger nog aan de Stationsweg. In een volgend nummer komen we erop terug en zoomen we in op gebeurtenissen in en rond de oorlogstijd want er gebeurde daar nogal wat.

Veldhorststraat in 1927

Bij de hartfoto

100 jaar Veldhorststraat. Op deze foto gaat ze al weer een paar jaartjes mee. Deze vogelvluchtopname is in het voorjaar van 1927 geschoten. De bollenvelden staan nog net niet helemaal in bloei. Er is nog geen spoor te zien van de christelijk gereformeerde kerk. De bouw van de kerk op de punt begon datzelfde jaar nog. Het stuk land is gekocht van Gerrit van der Mey van villa Veldhorst. Achter de villa zien we de bijbehorende bollenschuur. De burgemeesterswoning ‘In de bocht’ is bijna klaar voor oplevering. Het had weinig gescheeld of daar had de eerder genoemde kerk gestaan, maar die grond was net even te duur. Wie goed kijkt ziet toch een kerk op de hartpagina. De gereformeerde kerk ‘Klisterkerk’ maar hier nog zonder toren en een stuk kleiner. Helemaal links boven zie je de bollenschuur van Beelen in de Nieuwstraat. De dakspanten van de in aanbouw zijnde huizen Julianastraat 176 t/m 182 zijn duidelijk te zien. Op de gevel staat 1927, het jaar dat de huizen zijn opgeleverd en het jaar van deze foto. Op de Heereweg zie je nog net één huisje behorende bij het rijtje huizen bij het zgn. “Poortje van Kleef “. Wel goed kijken hoor, ze waren heel klein, een paar maanden later werden ze gesloopt. De schuur van Guldemond langszij de Heereweg met aan de overkant het grote bollenbedrijf van firma H. de Graaff & zn. die een graaf als embleem hadden op de gevel. Op de foto was hun kantoor nog via het ‘Klisterlaantje’ naast huize Cornoelje (later Maria) te bereiken. Het land van Blokhuis lag tegenover huize Irene waar de familie Blokhuis woonde. Op de plek van dat huis kwam later de ingang van de Nassaustraat. Bij de Bloksloot bond je je schaatsen onder en kon je langs de Keukenhof onder de spoorbrug door naar de Leidsevaart en nog veel verder de wijde wereld in. Het bovenste gedeelte van de hartpagina zit vol verhalen! Naast Kroon is het huis van melkboer Koot waar koningin Juliana een lekker bakkie kwam drinken. Scheepmaker parkeerde zijn auto’s op het veldje waar later de incassobank kwam. En kijk daar staat een echte muziektent op het grasveldje vlakbij het Lisser Automobiel Bedrijf. De Blinkerd, Berkhoutwijk, plan de Graaff en Blokhuis waar benne de bollen gebleven? In de tuin van landgoed Rosendaal stonden fruitbomen, de appeltjes en peertjes vonden gretig aftrek bij kinderen uit de buurt, ja, ook de kinderen van de Veldhorststraat!

Voorplaat

Bij de Voorplaat

In 1922 werden de eerste huizen gebouwd in de net aangelegde Veldhorststraat. Op de voorplaat ziet u het eerste huizenblok. In het midden zien we tussen het bladerdek van de nog jonge bomen villa Veldhorst doorschemeren. Het huis is in opdracht van bloembollenteler Gerrit van der Mey omstreeks 1915 gebouwd, op het perceel waar ook hun bedrijf gevestigd was. Het adres was toen nog Stationsweg 158. De naam Veldhorst is ontleend aan Gerrrit Veldhorst. Hij was herbergier in de “Witte Zwaan” en ook eigenaar van diverse landerijen in Lisse. Naar hem is het huis van de familie Van der Mey genoemd en later ook de Veldhorststraat die nu 100 jaar bestaat

 

Ansichtkaart ca. 1920 met de Stationsweg en Huize Veldhorst. Hier kwam later de aansluiting met de Veldhorststraat

Veldhorststraat met een linde (op de hoek met de Von Bönninghausenlaan)

Boomgegevens en adres

Prins Bernardboom

Boom 419 op Veldhorststraat met een linde (op de hoek met de Von Bönninghausenlaan)
Contactgegevens
Naam eigenaar: Gemeente Lisse
Contactadres: Heereweg 254, 2161 BS Lisse
E-mailadres: bomen@lisse.nl
Telefoonnummer: 140252

Boomgegevens in 2016
Boomsoort: Gewone linde
Wetenschappelijke naam: Tilia x europaea
Stamdiameter: 55 cm
Hoogteklasse: 12 – 18 m
Plantjaar: 1939
Boomtype: Niet vrij uitgroeiende boom

Bevindingen boomveiligheidscontrole in 2016
Kroon: Voldoende
Stam: Voldoende
Stamvoet: Voldoende
Conditie: Voldoende
Gebrek: Geen
Technische levensduur: > 5 jaar
Veiligheidscategorie: Boom zonder noemenswaardige afwijkingen
Maatregel: Geen veiligheidsmaatregel.

Aanwijscriteria in 2016
Beeldbepalend: Ja. Positieve bijdrage aan karakter, herkenbaarheid straat, wijk of dorp. Zichtbaar vanuit openbaar toegankelijk gebied.
Ecologisch waardevol: Nee.
Cultuurhistorisch waardevol: Ja. Herdenkingsboom.
Duurzame groeiplaats: Nee.
Zeldzaam, uniek of dendrologisch waardevol: Nee.

status in 2016
Vastgesteld in: 2005
Huidige status = waardevol
Gewenste status = waardevol

 

Bomenboek Oud Lisse2014

Broekweg 112 bij een Canadese populier (zuidoost hoek)

Boomgegevens en adres

Boom 398 bij Broekweg 112 met een Canadese populier (zuidoosthoek)
Contactgegevens
Naam eigenaar: Gemeente Lisse
Contactadres: Heereweg 254, 2161 BS Lisse
E-mailadres: bomen@lisse.nl
Telefoonnummer: 140252

Boomgegevens in 2016

Boomsoort: Canadese populier
Wetenschappelijke naam: Populus x canadensis
Stamdiameter: circa 180 cm
Hoogteklasse: 18 – 24 m
Plantjaar: 1940
Boomtype: Niet vrij uitgroeiende boom

Bevindingen boomveiligheidscontrole in 2016
Kroon: Onvoldoende
Stam: Matig
Stamvoet: Voldoende
Conditie: Voldoende
Gebrek: Bastnecrose (afgestorven bast). Blikseminslag. Mechanische
overbelasting. Onbalans lengte-/diameterverhouding tak(ken).
Technische levensduur: > 5 jaar
Veiligheidscategorie: Risicoboom
Maatregel: Kroon innemen. Jaarlijkse inspectie.

Aanwijscriteria in 2016
Beeldbepalend: Ja. Positieve bijdrage aan karakter, herkenbaarheid straat, wijk of dorp. Zichtbaar vanuit openbaar toegankelijk gebied. Grote omvang, vanuit 1 windrichting beeldbepalend.
Ecologisch waardevol: Nee.
Cultuurhistorisch waardevol: Nee.
Duurzame groeiplaats: Nee.
Zeldzaam, uniek of dendrologisch waardevol: Ja. Uniek vanwege grootte.

Status in 2016
Vastgesteld in: 2005
Huidige status = waardevol
Gewenste status = waardevol

 

Broekweg 112 boom 398

Bomenboek Oud Lisse 2014

Opening van de Kwakel bij Dever

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Nieuwsflitsen

Het wandelroutenetwerk in Lisse is uitgebreid met een route vanaf de Zemelpoldermolen naar de hoek Achterweg/Prof. Van Slogterenweg. Door de aangelegde Kwakelbrug die vanaf de Vennestraat toegang geeft tot het
terrein van ’t Huys Dever, kan men nu de route vervolgen via de oprijlaan van Dever naar de Prof. Van Slogterenweg via het fietspad van de Heereweg. Ter info, ons VOL-lid Nico Groen, die ook actief is in het wandelnetwerk Bollenstreek, was de initiator van de bouw van deze Kwakelbrug! De Kwakelbrug werd op woensdag 24 juni officieel geopend door wethouder Kees van der Zwet en Ignus Maes, voorzitter Vrienden van ’t Huys Dever. Van der Zwet sprak zijn waardering uit voor de vrijwilligers van het wandelnetwerk Bollenstreek en ’t Huys Dever. Ze dragen bij aan de toegankelijkheid van het erfgoed in de Bollenstreek en in Lisse. Door de Kwakel brug wordt ’t Huys Dever opgenomen in het wandelnetwerk Bollenstreek en ontstaat er een nieuw ommetje voor de inwoners van Lisse. Dit project is tot stand gekomen met bijdragen van de provincie ZuidHolland, de regio Holland Rijnland en de gemeente Lisse. Langs de route is op het terrein van Dever een mooi infobord gerealiseerd over de geschiedenis van ’t Huys Dever en het wandelroutenetwerk Bollenstreek waar Ignus Maes een korte toelichting op gaf.

bruggetjes werden dus kwakels genoemd. Deze bij Dever is wel stevig!!!

Het woord Kwakel is verwant met wankel in de zin van onvast. Wiebelige

Brug vernoemd naar Lissenaar Willem Meijwaard

De Brabantse gemeente Oirschot heeft een nieuwe brug o.a. vernoemd naar de Lissese oorlogsstrijder Willem Meijwaard en daar de naam Stönner-Meijwaardbrug aan gegeven. Hij kwam daar om het leven.

Nieuwsflits

Jaargang 20 nummer 2, 2021

De Brabantse gemeente Oirschot heeft een nieuwe brug o.a. vernoemd naar de Lissese oorlogsstrijder Willem Meijwaard en daar de naam Stönner-Meijwaardbrug aan gegeven. De naam Stönner-Meijwaardbrug herinnert aan twee leden van de legendarische Prinses Irene Brigade: Rinus Stönner en Willem Meijwaard, die in oktober 1944 bij de bevrijding van Oirschot om het leven kwamen door Duitse beschietingen. Willem Meijwaard (1918) groeide op in Lisse aan de Stationsweg, in een armzalig huizenblokje dat toen bekend stond als ‘De Steeg’. Hij was de oudste van de negen kinderen van zijn ouders. Volgens zijn broers en zussen was hij een vrolijke jongen op wie de armoedige omstandigheden in die tijd geen vat leken te hebben. Willem wilde gaan werken bij de politie. In 1938 tekende hij voor zes jaar bij het Korps Mariniers in Rotterdam en een jaar later werd hij uitgezonden naar Curaçao. Door de bezetting was er geen contact met Nederland mogelijk. Alleen het overlijdensbericht van zijn vader bereikte Willem Meijwaard via het Rode Kruis in 1942. Met de Prinses Irene Brigade kwam hij in 1944 weer terug naar Europa om samen met de geallieerden mee te vechten tegen de Duitse bezetter. De jonge marinier rukte met de Prinses Irene Brigade via Frankrijk en België op naar het front dat in Nederland kwam te liggen. Bij gevechten rond Eindhoven ging het mis. Willems moeder dacht toen nog dat haar zoon veilig aanwezig was op Curaçao en hoorde pas na de bevrijding in 1945 dat Willem bij de bevrijding van Oirschot op 26-jarige leeftijd was gesneuveld.De Stönner-Meijwaardbrug is een fiets- en wandelbrug over het Wilhelminakanaal in Oirschot, onderdeel van een groene verbinding van 14 kilometer tussen Eindhoven en Oirschot.

Bron:

Artikel van Ed Olivier in het Leidsch Dagblad

Willem Meijwaard

Lissese cultuurhistorie herzien en opnieuw in kaart gebracht

De cultuurhistorische elementen in het landschap rondom Lisse zijn in het voorjaar van 2021 opnieuw geïnventariseerd.

Nieuwsflits

Jaargang 20 nummer 2, 2021

Dit werd gedaan door een werkgroep bestaande uit 3 leden van het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) en 4 leden van de Vereniging ‘Oud Lisse’. Deze werkgroep heeft de update van dit deel van de Cultuurhistorische Atlas (CA) eind mei 2021 afgerond. De nieuwe omgevingswet schrijft gemeenten sinds 2012 voor om een cultuurhistorische waardenkaart te maken. Op deze kaart worden landschappelijke en cultuurhistorische elementen ingetekend die relevant zijn voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Omdat het (CHG) al veel informatie in zijn digitale atlas heeft staan, wordt met de gemeenten in de Duin- en Bollenstreek samengewerkt bij het vervaardigen van hun waardenkaart. Noordwijk was pilot bij deze samenwerking. Afgelopen jaar heeft overleg plaatsgevonden met Hillegom. Dit jaar worden de gemeenten Lisse en Katwijk ter zijde gestaan met het vervaardigen van hun cultuurhistorische waardenkaart. Voor Lisse is de CHG-Atlas grondig doorgenomen. “Een grote klus”, aldus Sophie Visser, historisch geograaf en voorzitter van de werkgroep Cultuurhistorische Atlas van het CHG. Samen met vrijwilligers van de Vereniging ‘Oud Lisse’ zijn veel gegevens geüpdatet en aangevuld. Honderden landschappelijke elementen en gebouwen zijn in tien weken doorgelopen, nader beschreven, nieuw opgenomen en eventueel ook ter
plekke gecheckt, gefotografeerd en verwerkt. De Atlas is een bron van informatie voor een ieder die daar gebruik van
wil maken. Alles in het landschap dat potentieel relevant of interessant is en waarvan nog iets bestaat, is er in opgekomen. Bij elk element staat informatie over de oorsprong ervan en de eventuele veranderingen die het later onderging. Met oude kaarten en met foto’s en teksten worden de locaties van oude landschappen en het verdwenen erfgoed verder inzichtelijk gemaakt.

Waardenkaart van Lisse 2021

Overhandiging vaandel “Trouw moet Blijken”

Jos van Bourgondiën,

maandag 15 februari 2021

Op 15 februari 2021is in de Vergulde Zwaan door Martin Meulemans en Marco Kleijhorst, vertegenwoordigers van muziekvereniging Da Capo het vaandel van de voormalige Lissese harmonievereniging “Trouw moet Blijken” overhandigd aan Eric Prince, Annette Heus in het bijzijn van Chris Balkenende en Jos van Bourgondiën, vertegenwoordigers van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”. Het spreekt vanzelf dat dit vaandel een prominente plek krijgt in de Vergulde Zwaan.

 

 

 

1

 

BEDLOO’S ERVEN IN LISSE

In de tweede helft van de 19e eeuw zijn er diverse banden met plantage-eigenaren uit Suriname met Lisse. De familie Bedloo wordt genoemd met aangetrouwde mannen met namen als Entink, Roux, Eijma en De Bronovo, die zich kortere of langere tijd in Lisse vestigde.

door Ria Grimbergen

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

Elisabeth Bedloo, een portret door Anthony Andreas de Meijer

Een drukbezochte Suriname tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in 2020; een tentoonstelling in het Rijksmuseum over slavernij in april 2021. De verhalen over ons koloniale verleden kunnen rekenen op veel belangstelling van het publiek. Zijn er sporen van deze gezamenlijke geschiedenis te vinden in Lisse? Jazeker! Dirk Floorijp besteedde eerder al aandacht aan de plantage-eigenaren Kurk en Eijma. Andries van Hasselaar werkte als chirurgijn in Suriname en vond rust in Lisse. Maar in de eerste helft van de negentiende eeuw waren er meer inwoners van Lisse die banden hadden met Suriname.

 

 

 

 

Naar een aquarel van Stedman. Een commando in een moerassig
oerwoud op zoek naar weglopers. De marrons kenden dit gebied
en waren in het voordeel.

Paramaribo 1776.

In het gezin van Willem Bedloo (1734- 1785) en Anna Maria de Nijs (1749-1781) wordt op 16 juli een vijfde kind geboren, een meisje. Bij haar doop twaalf dagen later krijgt zij de namen Sara Maria Andriesa. De ouders zijn gereformeerd en horen tot de witte bovenlaag van de Surinaamse bevolking. Beiden zijn afkomstig uitfamilies die al generaties lang als plantage-eigenaren vooraanstaande posities innemen in de kolonie.

Willem Bedloo zelf is eigenaar van de koffieplantages Wajambo (ook wel Wajamoe) en Hagenbosch en lid van het Hof van Politie. Deze onbetaalde functie geeft hem veel invloed. Na Sara kwam Henriëtte Wilhelmina 20 juni 1778 in Paramaribo ter wereld. Het gezin zal afwisselend in Paramaribo en op de plantage Wajambo hebben gewoond, want daar ziet op 15 september 1781 een meisjestweeling het levenslicht: Carolina Aleta en Elisabeth. Dan slaat het noodlot toe. De moeder overlijdt op 18 september 1781 op de plantage. Twee sterfgevallen volgen. Vader Willem Bedloo op 24 oktober 1784. Grootmoeder Alida Maria Coetzee-Wossink, maar een jaar ouder dan haar schoonzoon, overlijdt op 14 november 1785. Zij bezat de koffieplantage Katwijk. Dat de verweesde kinderen zullen zijn opgevangen door hun overgrootmoeder Maria Anna Wossink-Lemmers, blijkt uit een tekst op haar grafzerk:

Hier rust een Weduwvrouw
Van meer dan veertig jaaren
En meer dan tachtig jaar:
Gesteegd in ouderdom…
’t Was al geen voorspoed, die
Marie is wedervaaren.
Neen wandelaar zij voelde
ook zielsmart van alom
dan zag zij keer op keer
haar lieve panden sterven
zij leefd en stierf tot Heil
van Bedloo’s drie paar Erve

Maria Anna Wossink-Lemmers (1705-1789) was eigena es van de koffieplantage ’s-Gravenhage aan de Pericakreek,
waar ook haar graf was, en de suikerplantages Alida en Karelsberg aan de Cotticarivier. Van de acht kinderen die het
echtpaar Bedloo kreeg, vertrekken er vier eind van de achttiende eeuw naar Nederland: Sara, haar zusjes Henriëtte
en Elisabeth, en broer Everhardus. De andere kinderen zijn vermoedelijk vroegtijdig overleden. De kinderen zijn de erfgenamen van de plantages van hun overgrootmoeder en van hun vaders plantages Wajambo en Hagenbosch. De Surinaamse zaken worden waargenomen door een administrateur, die hiervoor een percentage van de opbrengst ontvangt. Hoewel het economische klimaat in Suriname in het laatste kwart van de achttiende eeuw was verslechterd, brachten de plantages nog veel op. De meisjes Bedloo zullen gewilde en financieel aantrekkelijke huwelijkspartners zijn geweest. Ze trouwen jong en hebben alle drie relaties met Lisse, direct en indirect. De eerste is Sara Maria Andriesa Bedloo (1776-1862). Zij trouwt op 24 oktober 1795 in Leiden met Gerhardus Adrianus Entink of Entinck, die twee jaar daarvoor in Leiden was gepromoveerd in de rechten. De bruidegom werd in 1770 geboren in Beusichem, waar zijn vader gemeentesecretaris was. De jonge jurist krijgt in 1796 een baan als schout en secretaris van de beide Noordwijken, maar verruilt die al eind 1798 voor eenzelfde functie in Lisse. In 1811 wordt hij benoemd tot vrederechter van het kanton Noordwijk, waarook Lisse onder valt. Het echtpaar koopt huis 153 aan de Grachtweg (nu hoek Grachtweg/Kapelstraat).

Sara’s zusje Henriëtte (1778-1820) trouwt in 1796 in Leiden met mr. Jan Diederik Hoeufft, een man die eerder secretaris was van ’s lands vloot. Met zijn bruid vertrekt hij naar Suriname, waar hij in 1801 overlijdt. Met haar tweede man Jacques François Roux, de zoon van een plantage-eigenaar, keert zij terug naar Nederland. Haar dochter Laurencia trouwt met haar neef Pieter Joseph Eijma en bewoont met haar man Keukenhof.

De 19-jarig Elisabeth Bedloo (1781-1838) trouwt in 1800 in Leiden met de 28-jarige koopman Willem Hendrik Eijma. De bruid woont aan de Oude Vest in Leiden in bij haar nicht Maria Elisabeth Lemmers, die ook haar getuige is. Eijma’s moeder is afkomstig uit de uitgebreide en zeer welgestelde Surinaamse Lemmer, waar ook de meisjes Bedloo aan verwant zijn. Handelshuizen als die van Eijma zorgden voor de verkoop van de Surinaamse produkten op de Nederlandse en buitenlandse markt. Vrij snel na hun huwelijk vertrekt het paar naar Suriname en vestigt zich in Paramaribo, waar Eijma in 1802 wordt benoemd tot lid van het Hof van politie. Op 2 september 1803 wordt daar hun zoon Pieter Joseph geboren. Als Eijma in 1815 overlijdt, hertrouwt Elisabeth met de zes jaar jongere Jean-Jacques von Broun de Bronovo, een marineofficier (1787-1861). Het paar vertrekt naar Nederland, waar zij zich in de jaren twintig met Pieter Joseph en hun twee in Rotterdam geboren kinderen Sara Katharina en Jean-Jacques in Lisse vestigen. De Bronovo wordt benoemd tot postmeester en betrekt een pand aan ’t Vierkant, naast herberg de Witte Zwaan, huisnr. 201. De naam Bronovo heeft ook nu nog een bekende klank. Sara Katharina de Bronovo (1817-1887) was oprichtster en directrice van het gelijknamige Haagse ziekenhuis. door een kogel door zijn hoofd te schieten. Een grapje van de jonge mulattin Yettee valt verkeerd en zij wordt door twee bomen van mannen voor de voordeur gegeseld, haar voeten geketend, tot zij geen huid meer op haar dijen heeft. Een tweede geseling volgt na vijf dagen. Stedman was bang dat zij niet meer zou genezen. Stedman besluit om hier nooit meer terug te keren en reist vervolgens naar de plantage Alida van overgrootmoeder Maria Wossink-Lemmers, waar het niet veel beter is. Al tijdens het ontbijt worden zeven mensen gegeseld met koeienhuid, een vreselijke straf. Op de volgende plantage ’s-Gravenhage, ook van Maria Wossink, ziet hij tot zijn ontsteltenis een jonge geketende mulat, de witte vader is overleden en zijn zoon is veroordeeld tot een bitter lot. Na dit deprimerende uitstapje is hij opgelucht terug te kunnen

keren naar Paramaribo. Het boek van Stedman, verschenen in 1796, was wereldwijd een succes en opende velen de ogen voor de wrede kanten van de slavernij. Veel slaven vluchtten weg van de onmenselijke behandeling op de plantages en trokken het oerwoud in om daar als vrij mens te leven. Deze marrons deden uitvallen naar de plantages en probeerden de slaven over te halen zich bij hen aan te sluiten. In het Gouverneursjournaal van Suriname staat opgetekend dat op 20 februari 1771 het nieuws werd ontvangen dat ‘wegloopers’ de gronden van o.a. mevrouw Wossink aan de Cottica ‘afliepen’, waarbij een blanke werd overvallen en vermoord. Volgens opgave waren er wel
200 weglopers. Een commando werd zonder succes ingezet in het onbegaanbare moerassige gebied, waar het water manshoog tussen de bomen van het oerwoud stond.

Hoe verging het de plantages in de negentiende eeuw?

De plantage Wajambo, groot 1146 akkers, staat tot 1827 op naam van de kinderen Bedloo. Dan wordt ze overgenomen door het fonds Deutz. (In 1818 diende De Bronovo nog een verzoek in bij het Surinaamse Hof van Politie voor de vrijlating van ‘mustice’ Jetta. Zij had drie witte grootouders en behoorde tot de plantage Wajambo. Evenals voor het ‘negermeisje’ Jennij, waarvan hij door ruiling met de ‘manneger’ London eigenaar was geworden. De eerste man van zijn vrouw, W. H. Eijma, had testamentair laten vastleggen dat zij de vrijheid zouden krijgen. Hij verplichtte zich hiermee ervoor zorg te dragen dat zij niet tenlaste komen van de samenleving. Bronovo moet dan al in Nederland hebben gewoond). In 1821 bestaat de koffieplantage ’s-Gravenhage aan de Perica uit 196 akkers. De vier kinderen Bedloo bezitten gezamenlijk de helft van de plantage (op naam van Entink, Bronovo, weduwe Roux, weduwe Everhardus Bedloo). De plantage is in 1827 vervallen aan de plantage Alida evenals de plantage Hagenbosch. (Surinaamsche Almanak, 1827). In 1821 zijn de suikerplantages Hagenbosch en Alida in eigendom van de Bedloo’s onder de namen van G. A Entink, J. J. Bronovo, de weduwe Roux, geboren Bedloo, de weduwe van Everhardus Bedloo, en drie administrateurs. (Surinaamsche almanak 1821). Het is de vraag of die de plantage goed beheerden, in 1827 ontvluchtten achttien ontevreden geslaafde arbeidskrachten Alida. De Surinaamsche almanak van 1830 vermeldt dat de suikerplantage Alida 1000 akkers groot is en de daaraan verbonden koffieplantage Karelsburg, 258 akkers groot. De plantages staan op naam van de vier Bedloo’s en het fonds Deutz. In 1845 administreren J. Zaal, H. G. Roux en J. F. Roux, de laatste twee kinderen van Jean Jacques Roux en Henriëtte Bedloo, de onderneming met een directeur aan het hoofd van 117 geslaafden. De plantage behoort voor de
helft aan De Bronovo. Entink, Roux en Mosmans (nazaat van Everhardus Bedloo) bezitten de andere helft. (Surinaamsche almanak, 1845). Bij de afschaffing van de slavernij in 1863, de emancipatie, staat de plantage voor vierzesde deel op naam van de erven van de kinderen Bedloo en voor het overige deel op naam van het handelshuis Marselis. Zij krijgen een ‘tegemoetkoming’ van f 24.600,= en f 600,= voor 86 geslaafden, die zou zijn gebruikt voor het aflossen van de schuldenlast van de plantage.

Bronnen
Lisse Tijd Reis
Nationaal Archief, archieven over Suriname
Stedman, John Gabriel. Narrative of Five Years Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam :
Transcribed for the First Time From the Original 1790
Manuscript, edited by Richard Price, and Sally Price,
Open Road Distribution, 2016. P. 533-534.
Zie voor Stedman ook: Gelder, Roelof van. Dichter in de jungle, John Gabriel Stedman 1744-1797. Amsterdam/
Antwerpen, 2019. In een noot vermeldt Van Gelder het bezoek van Stedman aan de plantages. p. 362.
Philip Dikland https://www.tapatalk.com/groups/surinaamsegenealogie/aleijda-aan-de-cotticarivier-t620.html

Oud Nieuws: DRIE EEUWEN GRUTTERS IN LISSE op de GRACHTWEG en ’t VIERKANT

In de Grachtweg en op ’t Vierkant waren in het verleden meerder grutters aanwezig.  De grutters vermaalde het graan.

door Dirk Floorijp en Alfons Verstraeten

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

Uit de archieven komt steeds meer informatie tevoorschijn over hoe de samenleving in ons dorp in het verleden functioneerde. Zaken waar we allang geen weet meer van hebben. Wat is een grutterij, wat zijn grutters?

In een grutterij verwerkte men met name boekweit, wat geen graan is, tot boekweitgort en vervolgens tot boekweitmeel. De zaadkorrels werden in de grutmolen of pelmolen gebroken. Ook haver en gerst werden zo verwerkt. Die pelmolen werd vaak aangedreven door paardenkracht, een rosmolen dus. Koren als rogge en tarwe werd gemalen in een windkorenmolen. In de grutterswinkel, ook grutterij genoemd, werden grutterswaren verkocht: houdbaar en houdbaar gemaakt voedsel. Een grutter, later kwam het woord kruidenier daarvoor in zwang, is dus iemand die grutterswaren verkoopt.

Grutterij in Lisse
Aanvankelijk was de grutterij van Lisse gevestigd aan de Gracht, schuin tegenover de korenmolen. Later vinden we de grutterij terug aan ’t Vierkant. Grutter Andries Verduijn ging daar in de jaren zeventig van de 19de eeuw mee met
de vooruitgang. Hij liet de grutterij toen ombouwen tot een stoomgrutterij. Met deze vooruitgang had men geen paard meer nodig. In het begin van de 20ste eeuw is de grutterij uit Lisse verdwenen. In het pand op ’t Vierkant, Heereweg 230, toen bestaand uit twee panden, begon Albert Heijn, de Zaanse grootgrutter, een filiaal. Zijn naam prijkt nog prominent op de gevel. Hoe de grutterij er heeft uitgezien weten we niet. Er werd meestal met twee man gewerkt, vader met een zoon of een knecht en met een paard. De ambachtsheer had vaak het recht op exploitatie en
verpachtte dat. Van de korenmolen ontving hij het recht van wind: 18 stuijvers. Als we nu op het parkeerterrein bij de Haven staan, merken we niets meer van de grote bedrijvigheid van weleer. Een korenmolen in vol bedrijf ongeveer 20 meter ten oosten van de Molenstraat en een eindje verderop westwaarts de grutterij en daar voorbij de Waag, waar de aangevoerde goederen werden gewogen. Verder de marktschippers op Amsterdam en Leiden en zelfs Rotterdam die hun waren afleverden. Ook tal van hoog opgetaste zeilschepen met vlas van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden voor de vlasverwerking in de vele vlasovens in Lisse. De oudste vermelding die duidt op het bestaan van een grutterij stamt uit 1666. Jan Aelbertsz Heemskerck (Lisse, 1605 – Lisse, 1667), telg uit een molenaarsfamilie, is zelf ook molenaar en eigenaar van de korenmolen in Lisse. Tevens beschikt hij over een eest: een droogplaats voor het drogen van grutterswaren. Zoon Aelbert Jansz Heemskerck (–Lisse, 1680) wordt genoemd als gebruiker van de grutters eest.

Aan de Grachtweg
Vanaf die datum vinden we in de archieven een hele reeks grutters terug. De grutter was een belangrijk persoon in de gemeenschap. De eerst genoemde grutter Heemskerck was later ook schepen en burgemeester van Lisse. We komen onder de grutters ook functies tegen als vrederechter, schout en kroosheemraad. Interessant zijn de verkopen van de grutterij. Zo vinden we dat in 1707 de grutterij met twee huizen voor de somma van 1645 gulden gekocht is door grutter Adriaan Uitermeer, maar zonder “het swarte paard met de chese en een koperen roskam en krowage ”. Een goed idee van wat er bij de grutterij komt kijken krijgen we bij de verkoop van de grutterij in 1716 aan grutter Van Leeuwen:

4800 gulden wordt getaxeerd en er voor betaald, alsmede:
drie paarden 700:0:0
een wage met tuijgen en beslagen wielen 160:0:0
een kar met zijn tuijg 80:0:0
een chese met de tuijgen 100:0:0
een paardeslee met het tuijg 40:0:0
de grutsteenen, stoelkuijp, sifthark met sijn bakken 400:0:0
de meelstenen, stoelkuijp,
kaarnbuul met sijn toebehoren 300:0:0
ruim honderd zakken 100:0:0
drie gortzakken, een melk en hoekbank 120:0:0
(bedragen werden weergegeven in gulden : stuiver : cent)

Eind 1810 eindigt de reeks grutters die hun werkterrein aan de Gracht hadden. De gruttersknecht Hijndrik Cornelis Pijnacker koopt dan alleen de grutmolen en het bedrijf wordt elders voortgezet. De twee huizen die tot dan toe steeds tezamen met de grutmolen werden verkocht, komen nu in handen van niet-grutters. In het begin van de 19de eeuw is er geen grutterij meer aan de Grachtweg.

De grutterij aan ’t Vierkant
De gruttersactiviteiten verplaatsen zich in het begin van de 19de eeuw van de Grachtweg naar het Vierkant. Wellicht dat in deze periode het vervoer over land belangrijker begon te worden dan het transport over water? Op de plek, nu Heereweg 228 – 230, naast De Vier Seizoenen, worden de gruttersactiviteiten voortgezet. Ook daar wordt weer een reeks grutters in de archieven genoemd. In 1869 vinden we Andries Verduijn als grutter en eigenaar. Hij laat de grutterij in 1873 ombouwen tot een stoomgrutterij. In 1896 is de grutterij in eigendom van vader Andries Verduijn en zijn oudste zoon Frederik Martin Verduijn. Vanaf 1900 is er sprake van een uitdijend familiebedrijf, naast vader Verduijn en zijn oudste zoon werkt er ook zoon Johan Verduijn als grutter. Bovendien zijn er nog twee neven van de zijde van zijn vrouw: Adrianus Carsjens en Wouter Carsjens, beiden ook grutter. In 1896 was aan de Ringvaart al een maalderij met pakhuis gebouwd. Daar stond het bedrijf tot 1951 bekend als graanmaalderij. Daarna blijft het tot de jaren tachtig een groothandel in levensmiddelen. De zaken waren al eerder gesplitst. In 1926 is Johan Verduijn (Lisse, 1879 – Lisse, 1936 ), getrouwd met Gerarda Margaretha van Parijs (Lisse, 1881 – Leiden, 1937 ), de enige eigenaar van de grutterij aan het Vierkant. Hij laat het pand in 1930 slopen om plaats te maken voor het huidige dubbele (winkel)pand. In 1931 vestigt “grootgrutter“ Albert Heijn er zijn 115de filiaal.

SPOREN VAN GRUTTERS IN LISSE

Grutters werden kruideniers en kruideniers gingen over tot zelfbedieningszaken die later supermarkten werden. De
meeste zijn eens als grutterij begonnen sommigen zijn uitgegroeid tot grote winkelketens zelfs multinationals.
Wie weet nog van de “Kijkgrijp” van Mijnders of het “Snoepje van de Week” van de Gruyter. Je keek er naar uit! Zegt de naam Wesselo u nog iets? Of het enorme gebouw van Verduijn aan de Ringvaart waar nu een nieuwe wijk wordt neergezet. Een beetje nostalgie kan geen kwaad!

De graanmaalderij in 1938. Het vrachtschip wordt geladen of gelost.
Foto: Oud Lisse

Gevelsteen “De Rosmolen” Gruttersteeg te Monickendam