Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

De waterwolf eindelijk getemd

In de Nieuwsbladen van de VOL nummer 4 van 2019 en nummer 1 van 2020 staan 2 delen over de Waterwolf, die het Haarlemermeers was. Deze artikelen van A. de Koning zijn danig veranderd en ingekort ten opzichte van het originele artikel. Het originele artikel is hier vermeld.

Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg.

 door Arie de Koning.

30 april 2020

Wat voor wereldbeeld had de laat middeleeuwse inwoner van Lisse en zijn kinderen in het steeds veranderende landschap om hem heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uit maakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, incluis zijn fuik. Ter illustratie: het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531  groot 5600 Ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10570 Ha.

KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is de Meer zelfs 16600 Ha groot geworden terwijl er toen daarvoor toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.

In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”.”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14450 Ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.””Ook de Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden  zijn dan nagenoeg verdwenen.”  Evenals de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp.

De bodem van de Meren bestond uit veen  met daaronder een vette kleilaag en de losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trok een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken alleen bedroeg van 1771 tot 1845 al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, bracht bij de drooglegging van de meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op.

In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we op bladzijde 104 een verhandeling van ene Symon van Leeuwen* welke de situatie zoals deze in ca 1500 was beschrijft.

“Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde** droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.”

*   Symon van Leeuwen stierf in 1682 en zijn werk werd na zijn dood uitgegeven. Hij praat dus over het jaar 1500

** Een kodde is een oude benaming voor een polsstok, ook wel verrejager genoemd

De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de meer  steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsaterwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was en dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Geografische blik

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name die dorpen welke aan het Meer lagen en waar hoogst waarschijnlijk  zich regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur  van Lisse in het noorden is eeuwen lang het Ambacht Vennep geweest. Weggedrukt tussen Hillegom en het Meer kreeg het al eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep? Het bestaat al eeuwenlang want in een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer Noord-Zuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout. Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door  Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we de zelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt dat ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel verandert. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig was dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want zij grensden niet eens aan elkaar. In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burggravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp ge-noemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouwe Ambocht van Voorn.”

In het charter van 30 maart 1339 wordt gesproken dat de Vrouwe van Voorn in leen gekregen had van graaf Willem III, Hillighem ende Vennep (dus Burggravenveen). Maar deze graaf stierf op 7 juni 1337  en de Heerlijkheid Voorne, met het bij behorende Burggravenschap van Zeeland, werd pas op 30 september 1337 aan Machteld van Voorne, echtgenote van Dirck heer van Montjoie en Valkenburg in leen gegeven, terwijl het voor die tijd in mannelijke handen was. Machteld van Voorne kan dus niet de eigenaresse zijn geweest. Het was dus Katharina van Durbuy, de weduwe van de in het jaar 1287 overleden Albrecht van Voorne. Katharina treedt op als Voogdes Vrouwe van Voorne. Zij kreeg tussen 1287 en 1291 van graaf Floris V de leengoederen van Teijlingen, die toen door het uitsterven van de rechte lijn van dat huis aan graaf Floris V waren terug vervallen.

Katharina van Durbuy, dochter van Gerard van Luxemburg en Machteld van Kleef, stierf op 26 september 1328, hertrouwde in 1297 als weduwe van Albrecht van Voorne, met Wolfert I van Borselen, heer van Veere. Wolfert is niet lang met haar getrouwd geweest, in 1299 werd hij in Delft na een conflict met het stadsbestuur gelyncht. Wolfert had zich naar de zin van de Hoge Adel te veel macht toegeëigend als regent voor de jonge zoon van Graaf Floris V, Jan I van Holland. Het schijnt dat Gerard Dever, de vader van Reinier Dever, heer van Lisse, betrokken was bij de moord op Wolfert.

Haar beide echtgenoten waren burggraaf van Zeeland, twee belangrijke edellieden in Holland en Zeeland. Als Vrouwe van Voorne, Vrouwe van Teijlingen en burggravin van Zeeland was zij een zeer prominente vrouw in Holland en Zeeland. Zij wordt genoemd als mogelijke minnares van graaf Floris V, volgens de bekende historicus Fruin, maar dit wordt niet door bronnen ondersteund, privé zaken werden meestal niet opgeschreven, er bestond ook nog geen tijdschrift als Privé. Na haar dood verviel Teijlingen weer aan de graaf van Holland.

Op 30 maart 1339 werd “Hillighem met dat Vennep, welk er toe behoorde,” door graaf Willem IV weer in leen uitgegeven aan Arnout van Haemstede en op 31 maart 1339 het huis Teijlingen en de ambachten Voorhout en Lisse aan heer Simon van Benthem en zijn vrouw Agnes van Bokel. Na hun overlijden vervielen deze lenen weer aan de graaf. Lisse had na de Benthems nog vele andere heren.

Er was dus van alles te doen over het ambacht Vennep. Er hebben zich in de loop der tijd geen of maar enkele mensen op de eilanden gevestigd, zoals blijkt uit de lentebeden. In het jaar 1345 werd er nog 20 schellingen af gedragen maar daarna niet meer: “daer wonen geen huysluyden.” Vanaf het vaste land van Hillegom liep de Venniperlaan naar het schiereiland Vennep waar een veer zorgde voor overtocht over het stroompje Fennepa naar de oever van de overkant genaamd ’T Veer. Dit veer was eigendom van de heer van Teilingen. Vandaar kon men via de landtong over droog land oversteken naar de Ruijgenhoek en zo via Aalsmeer naar Amsterdam en Utrecht of via Leimuiden Amstelland in rijden. Ook bestond er een droge route vanaf Haarlem en Vijfhuizen naar ’T Veer.

Het derde eiland, Beijnsdorp genaamd, was het grootste. Het bestond hoofdzakelijk uit hooiland en werd verder niet bewoond. De enige bebouwing was een ruïne van een molen en een provisorische schuilhut. De eilanden werden door het water langzaam verzwolgen en zijn uiteindelijk geheel verdwenen in het water, Beijnsdorp het laatst.

Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok  ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en  Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgestelt door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van  het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het accoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse.

Opvallend was dat Burgemeester Adriaan Geel en Ambachtsbewaarder Henrik Hoogkamer, beiden van Lisse, niet konden schrijven, maar zij ondertekenden met een merkteken. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel:

“Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is nog maar de helft van de titel van de kaart, die ik u verder besparen zal, die  op wat spellingfouten na, zeer nauwkeurig is vervaardigd.

Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. De groene lijnen op de ingekleurde kaart is de grens van 1746 en daarop wordt duidelijk welke enorme hoeveelheid land door het water is verzwolgen. Amsterdam begon zich nu serieus zorgen te maken over die enorme vijver in zijn achtertuin. Het was inmiddels 1746 en eigenlijk waren zij met die zorgen een eeuw te laat.

Kaart van Bolstra uit 1739 waarop de Haarlemmermeer staat aan gevenenen.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg, loopt vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde; van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruige Hoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven.

In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten  naar de Vijfhuizerhoek en Zuid Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart  Haarlem – Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem – Leiden.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond

Het eiland in de oude Haarlemmermeer, Beinsdorp genaamd, behoorde tot de Banne van Leimuiden. Waarschijnlijk was dit historisch gegroeid toen Beinsdorp nog aan het vaste land vast zat. Het was onbewoond, slechts 78 Hectare groot en werd verpacht als Hooiland. Er stonden volgens beschrijvingen twee vervallen watermolens en een schuilhok. Dit was in 1543. In 1582 vinden we dat het eiland geminderd is en dan nog maar 62 Hectare groot is bevonden. In rap tempo was het meer bezig Beinsdorp te slopen. Toch is het eiland als laatste overgebleven samen met Abbenes in het verenigde meer.

Het volgende dorp is Hillegom en daar is genoeg over gezegd.

Dan gaande in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit kleine dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Het gebied viel grotendeels onder de belening van de Heer van Heemstede, de steenrijke Heer Jan Scheven van Bennebroek. Deze Edelman bouwde zich een kasteel op de hoek van de tegenwoordige Gedempte Oude Gracht en het Spaarne, net buiten de kersverse muren van de eveneens kersverse Stad Haarlem waarvan de mortel nog niet was uitgehard. De Haarlemmers konden de grap niet waarderen, het benauwde ze want zo konden zij niet uitbreiden. Daarom werd de familie Scheven weggekocht waarna zij in Leiderdorp verder meanderden. Het gebied wat bedoeld wordt met Bennebroek  krimpt in de volgende eeuwen drastisch ineen. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). Tot die datum behoord Bennebroek bij de Ambachts Heerlijkheid  van Heemstede van de bekende Adriaan Pouw. Pouw blijkt zijn gigantische  nalatenschap goed geregeld te hebben . Bennebroek werd toegewezen aan zijn zoon Adriaan Pouw en Heemstede aan de andere de oudste zoon,  Gerard Pouw . Dat gebeurde in 1653. Bennebroek bouwde zich een Kerk waardoor questie ontstond met de Kerk van Heemstede welke ruzie jarenlang het dorp lam legde. We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp, handelende als notaris te Bennebroek,  hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772) En het bestuur van het dorp Bennebroek vergaderden in “de Zwarte Hond” die  als Regthuijs dienst deed. Veel inwoners van Bennebroek  vonden werk in de Blekerijen, vanwege het zuivere duinwater daar gevestigd. Via Heemstede komen we bij de ingang van de rivier het Spaarne “de Voorburgh” met zijn Tonne of lichtbaken. In het Haarlemmermeer lag ter hoogte  van Heemstede het Eiland Myent welke de oevers van Heemstede in zekere zin beschermden.  Aan de overkant ligt Zuid Schalkwijk. Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan de Drecht. Sedert het begin van de 16e eeuw was de oever van Nieuwerkerk niet meer met de overzijde verbonden. De woningen in dit gebied stonden verspreid, de grootste concentratie werd (in de 17e eeuw) aangetroffen langs het Zuider Buiten Spaarne. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer; de huizen in Nieuwerkerk aan den Drecht stonden verspreid over dit schiereiland. In dit gebied woonden overwegend veehouders ofschoon er ook vissers woonden. Want voor 1610 was de visvangst op het Lutkemeer vrij. Na 1610 werd deze gepacht door de stad Haarlem. De ambachtsheerlijkheden Zuid Schalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk hebben tot in de 16e eeuw een eenheid gevormd met Rietwijk en Rietwijkeroord. Het dorp Nieuwerkerk aan de Drecht is in de loop der eeuwen door het Haarlemmermeer verzwolgen.

Daarvoor was de Kerk in 1467 al in oostelijk richting zover verplaatst als men een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de Kerk hier veilig zou zijn.  Hiermede werd ook de parochiegrens verplaatst  waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk wegens de gevaarlijke weg naar Nieuwerkerk aan den Drecht in Haarlem ter kerke konden gaan. Ook waren er geen vaste in het dorp wonende geestelijken meer in de steeds kleiner wordende dorpen. In 1690 spoelde Kerk incluis Kerkhof weg en was alle moeite voor niets gebleken.

Toen Nieuwerkerk aan den Drecht na 1680 bijna geheel verdwenen was, werd Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beiden zijden van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. Deze weg is voor 1505 goed begaanbaar volgens getuigenverklaringen uit die tijd, met kon met paard en wagen gebruik maken van de Herenweg. Na 1510 is er geen directe oeververbinding meer. Op 24-09-1509 vond er een dijk doorbraak plaats in de dijk langs het IJ bij Halfweg. Een gevaarlijke situatie was ontstaan. Dit gat bleef tot de zomer van 1510 open, er was geen geld voor reparatie! Inwoners van Nieuwerkerk aan de Drecht en Rietwijk hebben in de winter 1509-1510 nog pogingen gedaan het gat in de Herenweg te dichten, het gat bij Halfweg bleef echter open tot de zomer zodat de dichting in de Herenweg, die uit puin en rijshout bestond, door de eerste echte storm van 26 mei 1510 weer werd weggeslagen. Het was om moedeloos van te worden. Het gat bij Halfweg werd hierop gedicht. Men had een Kogschip gekocht en deze het gat in laten varen en dat pakte goed uit. De Herenweg besloot men niet meer te herstellen. De andere oever, de westelijke, minder te lijden van de afkavelingen. De meest westelijke oever van Zuid-Schalkwijk  werd pas na 1640 aangevallen nadat het onder Heemstede  ressorterende eiland Myent compleet was weggespoeld. Ter illustratie: Nieuwerkerk aan den Drecht had anno 1838 nog maar één huis over en lag op 48 Hectare grond. We gaan verder naar het noorden.

De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen, binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland die de zorg voor de dijk overnam. Op 5 maart 1578 voor Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanen en op 28 mei 1593 kwamen Sloten en Sloterdijk  onder het Waterschap. Dit bleek een goede zet te zijn. De ambtenaren en bestuurders  van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten. Zo’n Hoogheemraadschap ontstond uit een zg “Eening een vrijwillige aaneensluiting van belanghebbende grondeigenaren. Rechtspraak en Bestuur bij bovenlokale water aangelegenheden waren in handen van het Hoogheemraadschap. De voorzitter trad op in naam van de Landsheer de Graaf en werd de Dijkgraaf genoemd. Dat het Hoogheemraadschap  macht bezat wordt duidelijk  wanneer men een bezoek brengt aan het museum in Leiden. Daar bevinden zich een galg en meerdere soorten brandmerken als verlengstuk van hun macht. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet.

Nieuwerkerk aan den Drecht, Vijfhuizen en Schalkwijk behoorden tot de eerste Ambachten die tot het Hoogheemraadschap van Rijnland werden gerekend.

Lisse

Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Ook Lisse ?, ja ook Lisse.  Het gehele Ambacht Lisse was in 1583 groot 1321 Hectare. Nu bleek in dat jaar dat er in de Lisserbroek en de Roversbroek in totaal 10 Hectare land te zijn weggeslagen. In 1615 leverden Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse, een Request in bij het bestuur van Rijnland om remissie over morgengelden voor 42 morgen en 129 roeden. Het is niet vanwege de nagemeten verloren landen, maar door de verschillen in de totaalsom tussen de landmeters Balthasar en van Edam dat het bestuur van Lisse de vermindering afleidt. Het is dus nog geen bewijs dat tussen 1588 en 1613 dat werkelijk heeft bedragen en bovendien is het ongeveer zes keer zoveel als de normaal geleden afslag van land. Niet bekend is of het bestuur van Lisse remissie heeft gekregen. De afslag van Lisse tussen 1544 en 1613 is niet 42 morgen, maar zij moet evenredig zijn geweest aan die van 1544 tot 1587 en die bedroeg 10 Hectare, dus komt het geheel op zo’n 16 Hectare. Zeg maar ‘ietsje’ minder dan de ruim 37 Hectare welke Lisse in het Request zegt te zijn verloren. Hierin is begrepen de afslag van de Roversbroek, dat toen een eiland was, aan beide zijden. Dit kan nooit veel zijn geweest aangezien de Poel, welke aan de westzijde van de Roversbroek lag, een tamelijk smal water was, en het Kagermeer en Langerak, aan de oostzijde gelegen, hoewel veel breder, door hun ligging niet veel schade konden aanrichten aan de Roversbroek. We kunnen voor het gedeelte van Lisse vanaf de Greveling tot de grens met het ambacht Vennep, dat is een goede 2500 meter, met een gerust hart 15 Hectare afslag aannemen, met die verstande dat de afslag in het noorden bij de grens met Vennep groter zal zijn geweest dan bij de relatief beschutte Greveling.

Lisse had dus niet zoveel last van afslag van land, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd overgezet door het veer en zo naar de Ruigehoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk al eeuwen lang aangewezen op Leiden waar zij ook goede contanten mee onderhield. De drie Hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, welke werd uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord welke getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen welke plaats vonden in de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.”

Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen  (verleden tijd van gewassen) alsoo de Schippers getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.”

Ook een inwoner van Lisse komt voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok!

Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaat over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T Veer. Een geroeide boot kon er niet tussen door, de spanen kwamen dan op het land, en passeren was helemaal niet mogelijk.

Er is ook nog sprake in de morgenboeken van Rijnland, van een eiland “Myent” dat onder Heemstede lag. Dat eiland was in 1544 nog 6 Hectare groot en was in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes op de kaart, die tesamen niet meer dan een tiende Hectare waren. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kreeg door het verdwijnen van Myent nu de volle kracht van het meer en de afslag van die oever nam zienderogen toe. Noordooster stormen teisterden de eindeloze watermassa welke met lange aanlopen hun verwoestende krachten lieten botvieren op de oeverversterkingen die het niet konden winnen van de kracht van de vlottende watermassa. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan en werd in feite alleen nog beschermd door de Voorburgh, een schiereiland bij de uitmonding van het Spaarne in het Haarlemmermeer. Ook het iets zuidelijker gelegen Bennebroek, toen nog Benningbrouck genaamd, had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van het Haarlemmer Hout in het westen waar vandaan regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen met de westenwinden en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor zij steeds meer land. Met name ter hoogte van het Man Pad, waar Bennebroek op zijn smalst is, was een gevaarlijke situatie ontstaan. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek dan ook diverse keren de waterkeringen hersteld evenals bij Vijfhuizen. Dit laatste dorp, welke voor het eerst werd vermeld in 1531, is in zijn geheel verdwenen behalve als eerder vermeld de Kerk, die is gespaard gebleven.

Door de mens is het Meer wel geholpen om zijn vraatzucht te bevredigen. Het ontgraven van turf in de nabijheid van de oevers was niet bevorderlijk voor het behoud van die zelfde oevers. Natuurlijk wist men dat het fout was met de ontvening door te gaan, maar er speelden te veel belangen. In 1392 is er al een poging gedaan om het te verbieden en in het archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland  vind men tal van keuren en ordonnantiën daar over.

Met name de stad Leiden was gebaat bij zoveel mogelijk uitvenen en het liefst zo dicht mogelijk bij de oevers. De kans op vereniging van de meren was dan het grootst. Leiden torpedeerde iedere poging tot verbod op het turfsteken en had als reden daarvoor dat de arme huijsluyden dan geen werk en turf meer hadden. Dit was niet helemaal de waarheid. Leiden had forse inkomsten uit de visrechten én de veenrechten, welke het bezat voor de zuidelijke meren en wilde deze niet zomaar prijsgeven. Het was eigenlijk dagelijks bagger gooien tussen de Vroede Heren van Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Natuurlijk waren er zoals altijd vindingrijke figuren welke probeerden onder de verbods bepalingen uit te  komen.

Zo lezen we in een Keure van 18 september 1638 van het Hoogheemraadschap van Rijnland;

“Also tot kennisse van Dyckgrave ende Hooge Heemraden van Rhynlandt was ghekomen, hoe dat eenighe personen hun onderstaen, om een kleyne prijs, eenighe veenackers in de veenambachten op te koopen, ende deselve ackers inde lenghte van sestich, vijfftich, veertich ende meerder roeden onderwater weten los te sagen, ende met een bequame wint, achter hare scheepen vast te maken ende in andre quartieren ende Jurisdictiën te vervoeren ’t zy de selve Ackers aende Meeren of binnens ’s landts ghelegen syn, maakende so groote plassen van water tot merckelijcke prejuditie van alle de landen in ’t gemeen, ende contrarie den Placcate. Soo ist.”

 Door deze Keure werd een boete in het vooruitzicht gesteld van 140 ponden en dat was een boel geld in die tijd. Het bleek dat de inwoners van Lisse ditmaal niets met deze fraude van doen hadden, maar de boosdoeners werden gezocht en gevonden in Leimuiden.

De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gespreksstof. Toen in 1840 Jonkheer van der Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het Meer, trok dat ook internationale belangstelling.

In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel  wat genaamd was;

“Vergrabene und Versunkene Schätze” door R. Zander;

“Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse Armada  voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

 De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch wel ontzettend onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer.

Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het Meer een Eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig tot veertig duizend zielen.

Op het meer is menig schipbreuk geleden en menig gevecht uit gevochten, waarbij vele Hollandse en Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden met sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel zwaar tegen.

De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden bestond uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van vis.

Sight aan de haarlimmer Meer genaamt Lis, Pieter Idserts (1698-1781), Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

Sight aan de haarlimmer Meer genaamt Lis, Pieter Idserts (1698-1781), Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

 

Bronnen: Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643

Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892

Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.

Archief Hoogheemraadschap van Rijnland

A.A. Beekman: strijd om het bestaan

  1. Ramaer: Haarlemmermeer

©2019 Arie de Koning

 

 

 

 

 

 

 

75 JAAR VRIJHEID: Yad Vashem – Familie Potman-Hageman, Lisserdijk

De familie Potman-Hageman van de Lisserdijk heeft tijdens de Tweede Wereldoolog veel Joodse onderduikers in huis genomen en verder geholpen. Daarvoor kregen zij in 2019 postuuum de YadVashm onderscheiding.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 1, 2020

Met het vieren van onze 75 jaar vrijheid gedenken we ook de jaren van onvrijheid die daaraan vooraf gingen. De opvang van Joodse medeburgers was een riskante zaak maar toch maakten de heer en mevrouw Potman-Hageman deze keuze. Vorig jaar werden zij daarvoor postuum geëerd met de Yad Vashem onderscheiding.

Auschwitzherdenking

Nieuw Levenslicht in museum de Zwarte Tulp

Op 27 januari 1945 werd vernietigingskamp Auschwitz door het Rode leger ontzet. In Polen was er dit jaar een indrukwekkende herdenking. Ieder jaar wordt ook in Nederland stilgestaan bij de Holocaustslachtoffers. Omdat het dit jaar 75 jaar geleden was is er op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een tijdelijk lichtmonument ontworpen door kunstenaar Daan Roosegaarde: LEVENSLICHT. Lisse was een van de gemeentes die het lichtmonument toonden om daarmee extra aandacht te creëren voor dit dramatische deel van onze geschiedenis. De generatie die de oorlogstijd bewust heeft meegemaakt is inmiddels hoogbejaard. Het is daarom heel belangrijk om de herinnering aan die donkere periode, waarin grote offers zijn gebracht om ons de vrijheid terug te geven, levend te houden. Bij het kunstwerk was een speciale kinderherdenking.

Jodenvervolging
In de oorlog werd langzamerhand duidelijk hoe penibel de situatie van de Joden was. Joden kregen een J in hun papieren en vanaf april 1942 moest de davidster gedragen worden. In hetzelfde jaar moesten Joden uit de kleinere plaatsen naar Amsterdam verhuizen. Spoedig daarna volgden de oproepen om in Duitsland “te gaan werken”. Wij weten nu wat de opzet van de nazi’s was, maar toen was dat nog niet duidelijk. Veel Joodse families besloten echter om niet langer te wachten op nog meer repressie en besloten onder te duiken. Het vinden van onderduikadressen was problematisch. Gelukkig ontstonden allerlei netwerken van mensen die Joodse families wilden helpen. Daarbij liepen de helpers ook een groot risico.

Louise Stein
In het Rotterdamse gezin Stein werd in 1929 een tweede dochter geboren, Louise. Haar Joodse vader had Wenen verlaten vanwege de beroerde economische omstandigheden. Haar moeder kwam uit een Joodse familie die al ruim 2 eeuwen in Nederland woonde. In Rotterdam had vader Stein een bontmantelfabriek, die in 1936 naar Amsterdam werd verplaatst. De familie ging toen in Naarden wonen. Het dreigende gevaar van de nazi’s was duidelijk. Een visumaanvraag voor de VS werd echter in 1939 afgewezen waarna het plan ontstond om naar Curaçao te gaan. Er waren meer Joodse families die de ontsnappingsroute naar Curaçao volgden. Ze wilden vertrekken met het schip de Simon Bolivar, maar het schip was vol. Met de Simon Bolivar liep het slecht af, het liep op mijnen en zonk voor de Engelse kust. Ruim 80 opvarenden verdronken. Nederland was nog neutraal, maar daarmee waren er toch al oorlogsslachtoffers. Het vertrekplan werd een tijdje uitgesteld omdat de Rotterdamse oma terminale kanker kreeg. Zij overleed begin 1940. Het vertrek uit Nederland werd daarop gepland voor 25 mei. Helaas werd dat onmogelijk omdat de Duitser op 10 mei Nederland binnenvielen. De familie kreeg te maken met de steeds strengere repressiemaatregelen; niet meer naar de bibliotheek of zwembad mogen, niet meer naar de school, de gedwongen verhuizing naar Amsterdam. Er werd naarstig gezocht naar de mogelijkheid om onder te duiken.

Het gezin Potman
Johan Potman werd in 1873 in Leiden geboren, maar hij groeide op in de Haarlemmermeer. Zijn vader was aannemer. Ze lieten een huis bouwen aan de Lisserdijk (nr. 263). De bewoners van de Lisserdijk waren op Lisse georiënteerd. Johan ging er naar school en naar de hervormde kerk. Hij werd actief in de
kerk als kerkvoogd en was bijvoorbeeld ook betrokken bij het beheer van begraafplaats Duinhof. Johan
trouwde, maar het huwelijk bleef kinderloos. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Helena
(Lena) Hageman (geb. 1905). Zij was de dochter van de loodgieter uit de Kanaalstraat in Lisse. Het gezin Hageman hoorde kerkelijk tot de christelijk gereformeerde kerk, maar vanwege haar huwelijk ging Lena
over naar de hervormde kerk. In dit huwelijk werd een dochter geboren, Riet. Zij was zo vriendelijk om haar herinneringen met ons te delen. Natuurlijk was het leeftijdsverschil bijzonder, maar verder was het een heel gewoon gezin. Met de buren gingen ze goed om. Aan de ene kant woonde de familie Bras. Ze hadden een klein boerenbedrijf. Mogelik herinneren oudere Lissers zich nog dat zoon Cor Bras en soms ook vader Leen met paard en wagen in Lisse de schillen kwamen ophalen. Aan de andere kant woonde het gezin van boer Roos. Gewoon mensen die hun werk deden. In Lisse werden de boodschappen gedaan en ging Riet Potman naar de christelijke kleuterschool. Bij het begin van de oorlog was niet te voorzien dat al deze mensen helden zouden zijn. Maar dat werden ze wel.

Onderduikers
Het werd steeds duidelijker dat de Joden bedreigd werden. Onderduiken bood een mogelijke ontsnapping. Er ontstonden allerlei groepen die probeerden onderdakadressen voor Joodse families te krijgen. In Lisse zette ook ds. Ponstein van de christelijk gereformeerde kerk zich actief in. Via deze dominee kregen veel onderduikers een adres. Hij was duidelijk een spil in een goed lopende organisatie. Zo kon ook een tijdelijk adres worden gevonden voor Loes (Louise) Stein. De familie Hageman uit de
Kanaalstraat kerkte bij ds. Ponstein. Lena kerkte daar voor haar huwelijk ook, dus de dominee kende ook de familie Potman van de Lisserdijk. Zo kwam Loes Stein een periode naar de Haarlemmermeer. Ze was een angstig meisje, zich er zeer van bewust dat ze haar werkelijke achtergrond geheim moest houden. Ze was maar al te goed op de hoogte van de kwade bedoelingen van de nazi’s. Ze hield zich echt schuil. Riet Potman herinnert zich alleen een tochtje met de roeiboot met een van haar neven. Zelf schrijft Loes zich te herinneren dat er tarwe geoogst was en ze muizenkeutels uit de tarweoogst
moest halen. Ze vond het prima, had ze wat te doen. Heel lang is ze niet bij de familie Potman geweest. Ze ging weer naar een volgend onderduikadres. Zelf schrijft ze “de eerste 6 maanden werd ik van adres naar adres gestuurd”. Dan krijgt ze een onderkomen in de buurt van Apeldoorn waar ze kan blijven. Dankzij weer iemand van de christelijk gereformeerde ondergrondse. Ook haar vader en moeder kwamen naar dit onderduikadres. In totaal waren ze bijna twee en een half jaar ondergedoken. Het hele gezin Stein overleefde de Holocaust dankzij de mensen die hen onderdak gaven of die voor de contacten zorgden. Veel van hun familieleden overleefden de oorlog niet.

Lisserdijk
De gezinnen op de Lisserdijk boden daadwerkelijke hulp. Bij de familie Bras woonde Elly Engelsman (geb. 1941). Het meisje leek op de dochter van de familie. Elly was doof, maar de meisjes gingen als zusjes met elkaar om. Bij boer Roos waren ook Joodse onderduikers. Bij de familie Potman kwamen, nadat Loes Stein naar een volgend onderduikadres was gegaan, andere Joodse onderduikers, de familie Bormann (Adolf Bormann, Betsie Spanjer met zoon Loutje). Zij waren eerder uit Duitsland gevluchte Joden en zijn waarschijnlijk ook weer via dominee Ponstein gekomen. Het gezin kreeg een slaapkamer op de begane grond als “hun huis”. Loutje scheelde ongeveer een jaar in leeftijd met Riet Potman. Eigenlijk verbleven alleen moeder en zoon Bormann aan de Lisserdijk en verbleef vader door de week nog in Amsterdam. Mogelijk was het in het weekend te gevaarlijk om in Amsterdam te blijven, het kan zijn dat hij een vrijstelling had, in ieder geval kwam hij in de Lisserdijk. Gewoon met de tram vanaf Haarlem naar het Vierkant en dan lopend naar de Roversbroek. Op de Lisserdijk zagen ze hen al van ver
aankomen en haalden hen met de roeiboot op. De keuken was het gezamenlijke terrein van mevrouw Potman en mevrouw Bormann. Zij werd door Riet Potman gewoon tante genoemd.

Gastvrijheid en de risico’s

Ds. Aalt Ponstein

Over de Jodenhaat waren ook voor de oorlog al discussies. Ds. Ponstein stelde het in 1937 al heel duidelijk in een enquête, zoals blijkt uit het daarover gemaakte verslag “Stemmen van Christenen over Joden en Jodendom”, o.a. met: De ware belijders van den Christus kennen geen Jodenhaat.
De Jood, die objectief deze zaken wil zien moet dit erkennen. Doch ook ieder Christen moet inzien dat Jodenhaat in den diepsten grond Christushaat is. De Gekruisigde is daarom niet de scheiding, maar de vereeniging van Jood en Christen.”
Wat er allemaal dreigde kon men niet voorzien. Ds. Ponstein was zeer actief in het zoeken naar onderdak voor Joodse medemensen en bood zelf een Joods gezin onderdak. Zijn contacten binnen de christelijk gereformeerde kerk waren heel belangrijk. Of men steeds de reikwijdte en het gevaar overzag valt te betwijfelen. We zagen al het reizen met de tram van de heer Bormann en zijn zuster. Nu zouden we zeggen waaghalzerij, maar zo lagen de zaken duidelijk niet. Toen het zoontje van de familie Bormann last van zijn gebit kreeg ging mevrouw Potman met hem naar tandarts Simonis aan de Grachtweg. Het jongetje had “een typisch Joods uiterlijk” zoals men toen zei, wat tandarts Simonis deed besluiten om mevrouw Potman op het hart te drukken vooral niet nog een keer gewoon over straat met de jongen door
Lisse te lopen. Je wist maar nooit. Ze zijn zich vast niet echt bewust geweest van het gevaar dat ze met hun gastvrijheid liepen. Er werd een beroep op ze gedaan en daar werd naar gehandeld. Ze deden hun christenplicht. Het wordt steeds gevaarlijker De sfeer in Nederland werd steeds grimmiger. Behalve Joodse onderduikers waren er steeds meer mannen die onderdoken omdat zij zich moesten melden voor tewerkstelling in Duitsland. De Duitsers organiseerden razzia’s. Gelukkig was dat nooit tegelijk in Noord- en Zuid-Holland. Werd in de Haarlemmermeer een razzia verwacht dan kreeg boer Roos, die ook actief was in het verzet, een waarschuwing. Tijd voor actie: de Joodse onderduikers van de buren Roos en Potman werden overgevaren met de roeiboot en ondergebracht in een schuur op bollenland in de Roversbroek (naar Zuid-Holland dus). De schuur was weer van een neef van de fam. Potman, die aan de Hillegommerdijk woonde. Ook de grote radio ging dan mee naar de overkant. Een oude radio was ingeleverd. Radio Oranje hoorde men op dit exemplaar. De uitzendingen begonnen met het Wilhelmus en mevrouw Potman zette dan soms expres de ramen open. Wilde ze benadrukken waar ze voor
stond? Bewoners aan de overkant in de Roversbroek hoorden dat ook, en waarschuwden haar, zodat zij dat niet meer deed. Vader Potman raakte ook meer bij het verzet betrokken. Op een gegeven moment kwam zelfs de drukpers waarop het illegale blaadje van de Haarlemmermeer gedrukt werd naar
het huis van de familie Potman. Neef Potman zorgde weer voor de verspreiding. Voor de onderduikers werd het uiteindelijk toch te gevaarlijk aan de Lisserdijk. Op de hele dijk waren prikkeldraadversperringen. Regelmatig zag je er Duitse militairen. Om te ontspannen gingen de soldaten ’s nachts vissen. Ze gooiden dan handgranaten in de Ringvaart. Eigenlijk werd het onhoudbaar voor de onderduikers en zij gingen door naar andere adressen. Alleen Elly Engelsman bleef de gehele
oorlogsperiode bij de familie Bras.

Overleefd
Na de oorlog werd pas volledig duidelijk wat het voor de Joden betekend had om te worden weggevoerd. De moeder en het eveneens dove zusje van Elly Engelsman waren vermoord. Haar vader had het kamp wonder boven wonder overleefd. Elly Muller-Engelsman (1941-2019) zette zich in voor het uit de vergetelheid halen van het lot van de dove Joodse slachtoffers van de nazi’s. Zij richtte mede de Stichting DovenShoah op. Het gezin Borman overleefde de oorlog. De zoon is na de oorlog nog een keer aan de
Lisserdijk geweest. Hij had toen met een vriend een boot gehuurd. Ze vertelden dat ze in opleiding waren voor diamantbewerker. Verder is er geen contact meer geweest met deze familie. Ook de familie Stein overleefde. Bij het eerste bezoek na de oorlog aan de familie Potman bracht Loes het boek Jelle van Sipke Froukjes van schrijfster Nienke van Hichtum voor Riet mee. Loes Stein trouwde en verhuisde naar
Canada, maar de familie bleef contact houden.

Yad Vashem

De penningen van Yad Vashem

Dit is het officiële monument van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers uit de Holocaust.
Yad Vashem betekent letterlijk ‘hand en naam’. Mensen die zich ingezet hebben om Joden te redden kunnen een Yad Vashem onderscheiding krijgen. Zij horen dan bij de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’. Vanaf begin zestiger jaren van de vorige eeuw worden deze onderscheidingen toegekend. In die beginjaren werd ook een boom geplant in de Laan der Rechtvaardigen in Jeruzalem. Natuurlijk gaat aan een toekenning voor een onderscheiding een grondig onderzoek vooraf. Iemand moet natuurlijk de onderscheiding aanvragen. De familie Bras kreeg de onderscheiding al veel eerder. In hun huis hing een foto van de boomplant aan de muur. Voor de familie Potman is pas veel later een onderscheiding aangevraagd. Een jaar of vijf geleden was mevr. Loes Sorensen-Stein nog een keer op bezoek in Nederland, bij haar zuster. Riet Lanser-Potman heeft haar toen opgezocht en Loes vertelde toen dat zij bezig was de onderscheiding voor haar ouders aan te vragen. In 2018 werd officieel besloten om de
onderscheiding postuum aan haar ouders toe te kennen. Bomen worden er al lang niet meer geplant, maar de namen worden vermeld in de Tuin der Rechtvaardigen. De ambassadeur van Israël, Naor Gilon, reikte in oktober 2019 de Yad Vashem-onderscheiding, postuum toegekend aan haar ouders, uit aan mevrouw Riet Lanser-Potman. Zij ontving toen de oorkonde en de medaille die bij de toekenning horen. Dat gebeurde tijdens een indrukwekkende bijeenkomst in de Liberaal Joodse Synagoge in
Den Haag. De hoogbejaarde zuster van mevr. Louise Sorensen-Stein woonde de plechtigheid, samen
met haar dochter, bij. Jammer natuurlijk dat vader en moeder Potman deze erkenning niet meer hebben
mogen meemaken. Waarschijnlijk zouden ze wat zij in die oorlogsperiode deden heel vanzelfsprekend
gevonden hebben. Maar het was natuurlijk helemaal niet vanzelfsprekend. Mensen zoals het echtpaar Potman hebben hun eigen leven gewaagd om dat van anderen te redden. Zij handelden tegen
onvrijheid. Die vrijheid koesteren we nu al 75 jaar.

Bij de voorplaat: herdenking bevrijding

De voorplaat laat net even wat meer vlagvertoon zien dan anders vanwege het feit dat we dit hele jaar 75  jaar bevrijding vieren en herdenken. Oranje bovenaan, dat is logisch, dan onze nationale driekleur, vonder onze Lissese kleuren.
De vier nummers van 2020 zullen deze feestelijke kleuren dragen. Het wordt een jaargang met een vrijheidstintje. In elk nummer komt een verhaal dat iets vertelt over die nare vijf jaar bezetting in ons dorp. Gelukkig ging dit ook voorbij. Wat een vreugde gaf dat in de harten van onze dorpsgenoten van toen. Sommigen van onze lezers hebben nog meegemaakt dat bijna alle inwoners van Lisse langs de Heereweg uitgelaten stonden te zwaaien naar de bevrijders. Vlaggen kwamen weer te voorschijn uit de mottenballen en wapperden weer vrij en vrolijk in een lentebriesje. Eindelijk weer luchtigheid, vrijheid om te zeggen wat je denkt. Ook de stilte van herdenken hoort hierbij.

Bevrijding

Galerie de Zwarte Tulp

Nieuwsflitsen

Jaargang 19 nummer 1, 2020

Op maandag 16 december 2019 werd door burgemeester Lies Spruit in het monumentale pand ‘De Zon’ (Kanaalstraat 33) officieel de Galerie de Zwarte Tulp geopend. Hierin worden 80 kleurrijke reuzentulpenbollen van 185 cm hoog gemaakt door diverse kunstenaars.

Opening tentoonstelling grote bollen. Foto Jan van Rooijen

In de hele Bollenstreek zullen de bollen geplaatst worden om zo toeristen langs de mooiste plekken in de streek te leiden. Dit initiatief werd genomen door de stichting Gildemeesters Bollenstreek opgericht in 2018, die zich inzet om de Bollenstreek jaarrond aantrekkelijk te maken. De eerste 10 bollen zijn inmiddels gereed en te bewonderen in de galerie. Vanaf nu worden de bollen door kunstenaars in het galerie-atelier tot kunstwerk veredeld. Ook de kunstenaars Iet Langeveld en Wout Ruigrok van De Oude School, hebben 4 reuzentulpenbollen prachtig beschilderd. Naast de reuzenbollen is er ook een breed aanbod van (bol-)bloemenkunst. Jan van Vliet, voorzitter van de Gildemeesters Bollenstreek bedankte in zijn openingswoorden de vele vrijwilligers die deze ruimte hebben omgetoverd tot deze galerie. De heer Harry van der Mark bedankte hij voor het beschikbaar stellen van de ruimte, zelfs de elektrarekening hoefde niet betaald te worden. Hij dankte ook de Gildemeesters die dit project financieel ondersteunen. Deze bollen zouden in 2020 in het bloemencorso meerijden, maar dat ging niet door, omdat het corso
door de corona crisis gecanceld is. Burgemeester Spruit was bereid gevonden de officiële opening te verrichten en was verheugd dat deze zwarte hoek er weer toonbaar uit komt te zien. Na de opening ontving de burgemeester uit handen de heer Van Vliet een glazen zwarte tulp. Onder de aanwezigen waren o.a. Herman Hollander voorzitter van Museum de Zwarte Tulp en ook secretaris van de Gildemeesters Bollenstreek, oud wethouder Adri de Roon. nu secretaris van Museum de Zwarte Tulp, Eric Prince, Ben Ragas, Truus en Frans van der Veld, de heer en mevrouw Van der Mark etc. De galerie zal regelmatig open zijn. De galerie zal worden gerund door vrijwilligers. De opbrengst komt ten goede aan de activiteiten van de gildemeesters en Museum de Zwarte Tulp.

Bollen bij de Zon’
Foto; Aad Wannet

BIJ DE HARTPAGINA: 4 landkaarten uit de 17e eeuw

Op 4 landkaarten is de invloed van het Haarlemmermeer bij Lisse te zien.

Redactie

Jaargang 19 nummer 2020
Jan Pietersz. Dou tekende de bovenste kaart rond de droogmaking van de Lisser Poel ca. 1623. Bij het ‘Eylandt van Roversbrouck’ laat hij al een nieuw stukje dijk zien. De oude dijk om het ‘Eylandt’ heeft er voor gezorgd dat de Roversbroekpolder nooit water is geworden. Datzelfde geldt ook voor de Lisserbroek. Ook daar was men al heel vroeg bezig met de bescherming van de oevers. Het in stand houden van de zgn. sudden (rietkragen) was daar een belangrijk onderdeel van. Deze zorgden ervoor dat de golfslag gebroken werd. Die oevers behoorden tot het buitendijkse gebied, het dijklichaam lag wat verder binnenwaards met er achter een barmsloot. Onze dijken werden vooral onderhouden en opgehoogd met Leids afval. In de Roversbroekdijk kwamen we materiaal tegen dat gedetermineerd werd naar het jaar 1350. Zo vroeg werd er al onderhoud aan onze dijken gedaan. Dat heeft eraan bijgedragen dat men hier nog droge voeten hield terwijl elders het land onder de voeten wegspoelde. In het kaartje linksonder kun je ook belangrijke namen zien in de aangegeven kavels. Hierdoor mag je aannemen dat ook in die tijd geld en macht een belangrijke rol speelden. In de andere kaarten zie je hoe het hoogheemraadschap van Rijnland ingenieus te werk ging. Maar ja, ook al waren we uiteindelijk van die Waterwolf verlost in 1852, het polderschap heeft ons mooie stukje Lisserbroek opgeslokt. Nu gaan we sinds 1843 over de brug naar veelal onze families in Noord-Holland. Doet nog steeds een beetje pijn!

4 kaarten van het Haarlemmermeer

VAN VER GEKOMEN: TSJECHISCHE TULP-VERTELLER

Helena Vink komt uit het Tsjechische Bohemen. Een verslag vanaf de Eerste Wereldoorlog is opgenomen. Verteld wordt hoe en waarom Helana in Lisse terecht is gekomen. Zij is nu vrijwilliger bij Museum De Zwarte Tulp.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 2020

Tegenwoordig is Helena Vink één van de gezichten bij Museum de Zwarte Tulp. De Bollenstreek promoot zij daar aan mensen uit allerlei landen. Heel soms komt er iemand uit haar geboorteland. Helena werd geboren in het Tsjechische Zuid-Bohemen. Het gebied ligt vlak bij de Oostenrijkse en Duitse grens en kent een bewogen geschiedenis.

Om iets van de geschiedenis van het land te begrijpen gaan we terug naar de 1e wereldoorlog. Nederland
bleef toen neutraal, maar bijna heel Europa, de VS en Canada waren in oorlog. Bohemen hoorde eeuwenlang bij de OostenrijksHongaarse monarchie. De opa van Helena, een Tsjech dus, werd opgeroepen voor het leger van deze dubbelmonarchie en vocht in Servië en Albanië. Deze dubbelmonarchie was eigenlijk een samenraapsel van allerlei volkeren. In 1918 werd vrede gesloten, wat inhield dat de geallieerden aan de verliezers ook allerlei grenscorrecties oplegden en het voormalige, immense keizerrijk in diverse staten werd opgedeeld. Tsjechoslowakije ontstond.

Geen eenheid
De nieuwe staat was bepaald geen eenheid. In het land waren veel Duitstalige inwoners die hier vaak al generaties woonden. Waarschijnlijk voelden zij zich meer verwant met de Oostenrijkers en de bevolking van Beieren. De maatregelen die het Tsjechoslowaakse regime trof werkten de tegenstellingen tussen de Duitstaligen en Tsjechen alleen maar in de hand. Er ontstond een vijandige sfeer. Velen van de Duitstaligen werden aanhangers van Hitler. In 1938 gingen
Frankrijk en Engeland akkoord met aansluiting van “Sudetenland” bij Duitsland. Een heel groot grensgebied van het toenmalige Tsjechoslowakije viel onder deze regeling. De meeste Duitstalige Tsjechen juichten. Van de kleinere groep van Tsjechische en Joodse inwoners waren er velen die verhuisden naar achter de nieuwe grens. Helena stamt uit een Tsjechisch geslacht. Haar vaders naam was Fatka, een typisch Tsjechische naam. Vrouwen krijgen in het Tsjechisch een achtervoegsel achter hun naam, Helena’s achternaam was Fatkova. Haar moeders achternaam luidde Krebsova. Opa’s naam dus Krebs en dat is niet een echt Tsjechische achternaam. Ergens in de voorouderlijn zal dus wel een niet-Tsjech zijn geweest, wat in een land met zo’n etnische diversiteit niet verwonderlijk is. Ze spraken thuis Tsjechisch, maar de ouders van Helena (klemtoon op de eerste lettergreep, zoals dat voor alle woorden in het Tsjechisch geldt) hadden op school wel Duits geleerd. Ze woonden in het Bohemen van het oorspronkelijk Tsjechische deel, maar kwamen door de nieuwe indeling vlak bij de grens te wonen. De oude grens was wel 75 km. verder. Andere afsplitsingen van Tsjechoslowakije volgden en eind 1939 werd het restant van Tsjechië bezet door de nazi’s.

Boswachterijcomplex met vooraan de woning van het gezin Fatka en achterhuis voor de grenswachters.

Na 1945
Na de overwinning van de geallieerden werden de oorspronkelijk grenzen hersteld. Er ontstond een democratische staat. De vader van Helena werd in het grensgebied gestationeerd als houtvester. Zij woonden in het voorste gedeelte van het boswachterijcomplex als enige Tsjechische inwoners van het dorp Fürstenhut met alleen Duitstalige bewoners in de omgeving. Het achterste gedeelte van het huis was in gebruik voor de grenswachters. Dat waren jonge jongens, uiteraard met een Tsjechoslowaakse achtergrond. In het algemeen zat de haat tegen de Sudeten-Duitsers er bij de Tsjechen diep in en die werd ook nog eens aangewakkerd door de uit Londen teruggekeerde regering. Dat leidde in sommige delen van het land tot een soort volksgerichten, pure wraakacties die heel wat slachtoffers maakten. Het is een periode die nog steeds heel gevoelig ligt. De  gedwongen het land te verlaten en in 1946 werd daar
een legaal tintje aan gegeven. Duitsers moesten de grens over. Om een idee te geven: in die eerste periode arriveerden 2400 personen per dag in de Amerikaanse bezettingszone van Duitsland. De bezittingen van de Duitstaligen werden geconfisqueerd. Het is moeilijk aantallen verdrevenen te noemen, maar de schattingen spreken toch van meer dan 2.5 miljoen uit Tsjechië verdreven Duitsers. Aan het probleem Sudeten-Duitsers, of breder nog, de etnische zuiveringen met gevolgen voor tientallen miljoenen mensen, de Heimatsvertriebene, zijn hele boeken gewijd. Maar dit verhaal gaat over Helena en haar familie. Zij waren komen wonen in een agrarisch gebied waar de Duitstaligen al generaties
woonden en er hun bezittingen hadden. Ook deze Duitstaligen moesten weg. Helena’s vader heeft nog geholpen om ’s nachts koeien over de grens te werken voor de boeren. Kleine bedrijven hadden ze, van vader op zoon in de familie, ze moesten alles achterlaten. De paar koetjes meenemen was natuurlijk niet toegestaan. De norm was 20 kg. meenemen, de rest werd verbeurd verklaard.

1945-1948
Dit was de periode van de naoorlogse coalitie. Voor de familie van Helena was dit, ondanks de tragiek van de gedwongen verhuizing van de Duitstaligen, een gelukkige periode. Helena werd in die periode geboren. Ze woonden prachtig, bij de bossen, maar ook dicht bij de Moldau. Misschien wat eenzaam, maar de aanwezigheid van de grenswachters in het achterhuis bracht veel gezelligheid met zich mee. De tuin, met groente en fruit voor eigen gebruik, het varken en de ene koe moesten natuurlijk verzorgd worden. Ze konden een heel eind in eigen behoeften voorzien. Helena’s moeder, oorspronkelijk een stadsmeisje, heeft nooit kunnen wennen aan het twee maal daags terugkerende melken van de koe. De overheid trachtte de lege huizen van de uitgewezen Duitstaligen aan andere gezinnen toe te wijzen. Dat was geen succes, de mensen waren toch bang dat de Duitsers hun gebied weer op zouden eisen. Degenen die er kwamen wonen waren toch een beetje mensen van de randen van de samenleving. Het gevolg was dat veel van de bezittingen verwaarloosd werden.

Communistische machtsovername
In 1946 waren er verkiezingen en de invloed van de communistische partij groeide en daarmee ook de invloed van de Sovjet-Unie. Het aanbod voor Marshall-hulp werd afgeslagen. In 1948 grepen de communisten de macht en kwam een einde aan de periode van democratie. Tsjechoslowakije kwam daarmee totaal onder de vleugels van de Sovjet-Unie. En weer kwam er een vluchtelingenstroom op gang. Dit keer vooral van de intelligentsia en vermogende Tsjechen. Want bezit en communisme past niet bij elkaar. Dus vluchten naar het Westen. Ook nu weer het probleem, wat kun je meenemen. Het mag niet opvallen dat je van plan bent het land te verlaten. De moeder van Helena heeft vrouwen met vluchtplannen wel geholpen met het maken van geheime opbergplekken in hun kleding. Geld en juwelen in een extra zoom verstoppen bijvoorbeeld. En wie vluchtten er ook direct? De grenswachters die in het achterste gedeelte van het boswachterijcomplex woonden. De communistische dictatuur zagen ze niet zitten en het vrije Westen lokte. Al hun spullen konden ze niet meenemen, dus werd een en ander bij de ouders van Helena gestald. Dat het zo lang zou duren voordat er weer normaler tijden zouden aanbreken konden ze niet voorzien. De onderdrukking van het communistische regime werd echter steeds meer voelbaar en nam tot de dood van Stalin in 1953 alleen maar toe.

Na de communistische overname
De communistische coup zette de verhoudingen tussen het Oosten en het Westen op scherp. Voor de familie Fatka had dat directe gevolgen. Het gebied rond Fürstenhut werd ontruimd en werd spergebied. Alleen dus gebruikt voor militaire doeleinden. De familie moest huis en haard verlaten en vader werd overgeplaatst naar een houtvesterij vlak bij het stadje Netolice, een heel charmante stad met een deels middeleeuws karakter waar veel aandacht was voor cultuur. Vooral voor Helena’s moeder, afkomstig van een stad, was het heerlijk daar naar het theater te gaan. Helena heeft er ook heel wat cultuur opgesnoven en bezoekt nog steeds bijna jaarlijks dit stadje. Ze woonden wel een heel eind buiten het stadje. Vader Fatka was geen partijlid. Bovendien was hij gelovig. Dat paste niet in het communistische plaatje en had waarschijnlijk consequenties voor zijn werk. Hij werd maar liefst drie keer plotseling overgeplaatst. Steeds wel in de omgeving van Netolice, maar ze moesten steeds verhuizen. Helena herinnert zich ’s morgens vanuit het ene huis naar school te lopen en ’s middags naar het nieuwe huis te moeten. Dat waren geen kleine eindjes. Meer dan een half uur lopen, soms de berg op. Door weer en wind liep ze dan met haar oudere zus. Daar hebben we nu onze goede conditie aan te danken, zeggen ze. De Koude Oorlog was voelbaar. Helena herinnert zich dat haar vader de radiozenders af zocht om Westerse zenders te kunnen luisteren, maar die werden allemaal verstoord. Het Westen liet zich ook niet onbetuigd in acties tegen het communistische blok. Zo hoorden ze vliegtuigen overkomen die parachuutjes uitwierpen. Met propagandapamfletten natuurlijk. De bevolking zal naast de informatie ook wel geïnteresseerd zijn geweest in de parachutestof. Helena, haar oudere zus en haar jongere broer gingen dus in Netolice naar
school. Ondanks de verhuizingen bleven ze wel op dezelfde school. Het onderwijs was in het Tsjechisch met vanaf 10 jaar als vreemde taal het Russisch. Het onderwijs kreeg natuurlijk een pro-Russisch tintje. Het volgende verhaal leerden schoolkinderen in Pilzen over de bevrijding van Pilzen. De stad was bevrijd door Russische militairen in Amerikaanse uniformen. Dat de Amerikanen een groot deel van West-Bohemen bevrijdden kon niet waar zijn. Fake nieuws zeggen we nu. Privé leerden ze nog een beetje Duits. In 1961 rondde Helena haar schooltijd in Netolice af.

Praag en Pilzen
Helena ging verder met haar studie, ze koos voor een opleiding voedingsleer, in Praag. Ze woonde er op een soort campus. Prachtig vond ze het in Praag. In Netolice woonden ze zo afgelegen dat vriendinnen alleen op school gezien werden. Hier ontstonden vriendschappen waarvan er enkele nog steeds bestaan. Praag is een stad van cultuur en iedere week werd wel een bezoek gebracht aan de schouwburg. Thuis was ver weg, 3 uur met de trein. Op zaterdag was er nog school. Dus een weekend naar huis begon zaterdagmiddag met de treinreis en zondag weer terug. Eenmaal per maand werd die reis ondernomen. De was werd opgestuurd naar moeder en de post bracht het schone goed weer terug, altijd met wat lekkers erbij. Na afronding van de studie, in 1966, ging Helena werken in het ziekenhuis in Pilzen. Ze zat daar op kamers. Pilzen is een leuke, levendige stad, waar ook de Skodafabrieken gevestigd zijn. Weer genoeg vriendinnen, veel cultuur, kortom ze heeft haar leventje aardig op de rit en de druk van het communisme leek ook wat af te nemen.

Noordwijk
In Noordwijk is Wim Vink ook klaar met zijn studie aan de kweekschool (later PABO). Hij gaat werken in IJmuiden. Wim heeft een vriend die Slavistiek studeert bij de destijds bekende essayist professor Karel van het Reve. Karel en zijn broer schrijver Gerard van het Reve kwamen uit een communistisch gezin, maar ontwikkelden zich beiden tot felle tegenstanders van het totalitaire Sovjetsysteem. Tsjechisch is een West-Slavische taal dus een reis naar Tsjechoslowakije was een soort studiereis. In 1968 wilde Wims vriend, net als het jaar ervoor, weer naar dat land afreizen en aangezien Wim toch vakantie had kon hij wel mee. Door de verbeterde verhoudingen was reizen naar Tsjechoslowakije goed mogelijk. De vriend was in 1967 al een periode in Praag geweest. Hij had toen een lift gegeven aan een meisje uit Pilzen en had haar adres onthouden. Dus togen ze eerst naar Pilzen, boekten een hotel en belden aan bij het adres van het meisje. Ze bleek thuis, schrok zich rot want wat moet je nu ineens met
twee Hollandse jongens. Helena woonde om de hoek, dus die moest maar helpen. Maar daar had Helena geen zin in, zij had andere plannen, ze wilde gaan zwemmen. Dat deed ze ook, maar de vriendin zag er geen been in om haar daar toch op te zoeken met in haar kielzog de twee Nederlanders. De vonk sprong blijkbaar meteen over, want de rest van de week trokken Helena en Wim hele dagen met elkaar op. De vriend moest door naar Praag dus dat kwam goed uit. Je begrijpt elkaar prima met gebrekkig Duits,
met handen en voeten. Dit speelde in mei. Wim vertrok met de belofte elkaar te schrijven en in de zomer
terug te komen. Er zijn nog brieven bewaard en het is heel komisch om dat steenkolen Duits te herlezen.

Zomer 1968
1968 was de tijd van de Praagse Lente. Alexander Dubček was aan de macht gekomen en streefde naar een socialisme met een menselijk gezicht. Er heerste een zeer ontspannen sfeer. De bewoners konden zelfs weer naar het westen reizen. In die sfeer kwam Wim weer naar Tsjechië. Dit keer zonder vriend en hij maakte ook kennis met de familie van Helena. Het was dik aan en er werden plannen gemaakt dat Helena een keer naar Nederland zou komen om kennis te maken met de familie van Wim. Maar helaas, aan de Praagse Lente maakten tanks op 20 aug. een einde. Helena was bij haar ouders en werd rond 4 uur door haar vader wakker gemaakt.

Tranen in de ogen.

Formaties vliegtuigen vlogen over. Het was duidelijk dat de Russen de Tsjechen met geweld weer in
hun machtsblok zouden brengen. De eenheid in het Oostblok was hiermee weer hersteld. Men had het over “tijd voor normalisatie”. Wim kwam nog steeds alle vakanties naar Tsjechië, maar voor Helena was het niet meer mogelijk om het land te verlaten.

Huwelijk

Zwaar verliefd en verwend met
tulpen uit de Bollenstreek

Het werd er niet makkelijker op. Enige oplossing was om te trouwen. Dat deden ze in mei 1970. Veel Nederlanders vonden het inmiddels wel link om naar een land achter het IJzeren Gordijn te gaan en het gaf ook een boel rompslomp met visa e.d.. Dat was de reden dat van de familie Vink alleen Wims
vader het huwelijk bijwoonde. Uiteraard was er het burgerlijk huwelijk. Met een tolk er bij. In Tsjechië, onder het communistisch regime, was een kerkelijk huwelijk ongebruikelijk, maar ze trouwden toch ook in de kerk. Wims vader had een heel lief cadeau voor Helena, een kruisje. Voor de ouders was het de eerste kennismaking met de Nederlandse schoonfamilie maar dat klikte goed. Wim en Helena gingen op huwelijksreis naar Slowakije terwijl Wims vader nog een week bij de ouders van Helena logeerde. Achteraf lijkt het er op dat Helena’s huwelijk met een Nederlander ook gevolgen had voor Helena’s vader. Hij werd al heel vlot hierna met vervroegd pensioen gestuurd.

Lisse
Wim had inmiddels een baan aan de St. Josephschool in Lisse gekregen. Daar hoorde ook woonruimte bij, een flat in de Poelpolder. Inburgeren is natuurlijk lastig wanneer je de taal niet spreekt, geen baan hebt, een beetje opgesloten zit in een flat en er geen cursussen zijn. Het is een enorme overgang van een land uit Midden-Europa naar ons kikkerlandje aan de zee. Er zijn ook zoveel andere gewoontes. Voor haar is het vreemd dat jongens en meisjes niet bij elkaar in de klas zitten en Wim werkt op een jongensschool. Ze kreeg wel al vlot een Nederlands paspoort, werd goed opgevangen door de familie Vink en ontmoette al snel leuke mensen. Ze houdt van lezen. In die eerste periode in Lisse zijn de Tsjechische boeken een mooie tijdvulling. Dan probeert ze Nederlandse kranten te lezen. De plaatselijke sufferdjes worden gespeld en warempel, het gaat steeds beter, ze is toe aan een eerste boek in het Nederlands. Boeken van Jan Wolkers worden verslonden. Volgende stap is om over je gêne om fouten te maken heen te komen. Wanneer de Nederlandse woordenschat groeit gaat inburgeren ook beter. Na de geboorte van de kinderen Peter en Mirka ging het inburgeren weer makkelijker en toen ze in 1976 verhuisden naar de Govert Flinckstraat werd het alleen maar leuker. Daar woonden veel mensen van Estec. Er woonden zelfs 13 nationaliteiten in die straat. Met elkaar maakten ze een bloemenmozaïek waarin ze de landen uitbeeldden. Naar Tsjechië gingen ze wel tweemaal per jaar. Zoon Peter hield op school een keer een spreekbeurt over het IJzeren Gordijn. Hij vertelde dat hij het al heel vaak gepasseerd was, maar het nog nooit had gezien. Ook de Tsjechische familie kwam naar Nederland. De zee maakte diepe indruk. Voor haar ouders had het vervroegde pensioen een groot voordeel. Gepensioneerden mochten vrij naar het buitenland. Wilde haar zus komen, dan waren daar wel restricties aan verbonden. Wanneer zus en zwager samen wilden komen dan moest een kind in Tsjechië blijven. Ook kwamen zus en broer wel samen, maar moesten de echtgenoten thuis blijven.

Werken

Helena de Tjechische tulp-verteller

Ingeburgerd was Helena inmiddels wel. Het was de tijd van het feminisme en ook dat maakte dat Helena weer andere contacten opdeed. En ze ging werken. In 1985 begon ze in de zorg, in de Weeligenberg in Hillegom. Heel dankbaar werk waar ze ook nog wat aan haar studie voedingsleer had. Aan de Koude Oorlog kwam gelukkig een eind. In 1990 waren er de eerste vrije verkiezingen. Helena’s vader had nog graag het houtvestershuis teruggezien, maar hij overleed in 1988 en toen was het grensgebied nog spergebied. De familie is later nog wel terug geweest, maar het huis is verdwenen. Natuurlijk trekt Tsjechië nog steeds, maar Nederland is nu ook haar vaderland en met de Bollenstreek is ze zo vergroeid dat ze in Museum de Zwarte Tulp al weer jaren een waardig gastvrouw en pleitbezorger van onze nationale trots, de tulp, is. ■

DE WATERWOLF KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

De oeverafslag aan de westkant van het Haarlemmer wordt uitgebreid beschreven. Deel 2

door Arie de Koning

Inhoud jaargang 19 nummer 1 2020

Haarlemmermeer waterschudding

Het merengebied van het Oude Haarlemmermeer, het Leidse meer, het Spieringmeer en de Oude Meer, onderging enorme veranderingen. Inwoners van de plaatsen rond die meren, ook de inwoners van Lisse, hadden te maken met de voortdurende dreiging van die enorme watermassa. In deel 1 lazen we over onze noorderbuur: Vennep.

Dit vervolg is een ingekorte versie. Voor een compleet verhaal klik hier.

Grenzen tussen Vennep en Lisse
Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgesteld door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het akkoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In noordelijke richting

Over Hillegom, onze volgende noorderbuur, is eerder wat gezegd. Verder in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en werd belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Bennebroek had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van de Haarlemmer Hout in het westen waarvandaan met westenwinden regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor het steeds meer land. Met name ter hoogte van het Manpad, waar Bennebroek op zijn smalst is, ontstond een gevaarlijke situatie. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek diverse keren de waterkeringen hersteld. Het gebied van Bennebroek krimpt in de volgende eeuwen drastisch. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp handelde als notaris te Bennebroek, hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772). Het eiland “Myent”, onder Heemstede, was in 1544 nog 6 hectare groot, maar in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes, samen niet meer dan een tiende hectare. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kregen nu de volle laag, de afslag van die oever nam zienderogen toe. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan.

Over het Spaarne

Het kon gigantisch spoken op het steeds groter wordende Haarlemmermeer.
Hierboven een afbeelding van de doorbraak van de Spaarndammerdijk bij Halfweg tussen A’dam en Haarlem in de nacht van 4 op 5 november 1675.

Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan den Drecht. Vijfhuizen wordt voor het eerst vermeld in 1531. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer. Het Hoogheemraadschap heeft bij Vijfhuizen diverse keren de waterkeringen hersteld. Vergeefs, Vijfhuizen was voor 1591 al geheel verzwolgen. Op de kerk
na zoals in deel 1 te lezen was. Het dorp Nieuwerkerk aan den Drech is in de loop der eeuwen door het
Haarlemmermeer verzwolgen. De kerk was al in 1467 in oostelijk richting zover verplaatst als men
een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de kerk hier veilig zou zijn. Hiermede
werd ook de parochiegrens verplaatst waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk in Haarlem ter kerke konden gaan. Toen Nieuwerkerk aan den Drecht bijna geheel verdwenen was, werd
Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beide zijden
van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. We gaan noordelijker langs het Spieringmeer. De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen. Binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een
bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland, die de zorg voor de dijk overnam. In
1578 kwamen Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanenonder het Waterschap, in 1593 Sloten en Sloterdijk. Een goede zet, de ambtenaren en bestuurders van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten.

Verdronken land en wegen

De rode lijnen geven de verdwenen wegen weer, de contourlijnen het verzwolgen land.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel: “Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is maar de helft van de titel, die ik u verder besparen zal. De kaart is zeer nauwkeurig. Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. In het Gemeentearchief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra, waarop ook de wegen
(in rood) zijn weergegeven welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg loop vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruigenhoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven. In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten naar de Vijfhuizerhoek en Zuid-Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart Haarlem–Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem–Leiden.

De oeverafslag in Lisse
Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Lisse had niet
zoveel last van afslag, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote
steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd
overgezet door het veer en zo naar de Ruigenhoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk
al eeuwen aangewezen op Leiden waar zij ook goede contacten mee onderhield. De drie hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren, al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

Haerlemmermeer Boeck

Op deze schoolplaat wordt het veenbedrijf uitgebeeld. Veentrappen, turfsteken, baggeren en drogen. Door het ontvenen ontstonden veenplassen waardoor golfslag voor de snelle afkalving zorgde. Hierdoor is het meer steeds meer en meer meer geworden.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord die getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen in
de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.” Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar
ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen, alsoo de Schippers
getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.” Ook een inwoner van Lisse komt
voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach
te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van
Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok! Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaan over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T
Veer. Een geroeide boot kon er niet tussendoor, de spanen kwamen dan op het land en passeren
was helemaal niet mogelijk.

Internationale belangstelling
De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gesprekstof. Toen in 1840 Jonkheer van der
Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het
Meer, trok dat ook internationale belangstelling. In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel, genaamd: “Vergrabene und Versunkene Schätze” geschreven door R. Zander,: “Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse
Armada voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het
schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

Vondsten
De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch totaal onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer. Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het meer een eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig- tot veertigduizend zielen. Menig schip leed op het meer schipbreuk en er is menig gevecht uitgevochten, waarbij vele Hollandse ven Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden metb sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel waar tegen. De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden
bestonden uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en
enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz. van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van zijn visvangst. ■

Bronnen:
Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643
Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892
Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.
Archief Hoogheemraadschap van Rijnland
A.A. Beekman: De strijd om het bestaan
A. Ramaer: Haarlemmermeer Copyright: Arie de Koning.

Detail uit een kaart van Zuid-Holland (1573) gemaakt door Christiaan Sgrooten  inopdracht van de Hertog van Alva.
Bij de intro een gravure van een waterschudding die het gevolg was van een aardbeving 200 km uit de kust van Portugal. Een tsunami met golven van 20 meter hoog verwoestte Lissabon en kostte aan tienduizenden mensen het leven. Die zeebeving daar zorgde op het Haarlemmermeer voor deze angstaanjagende taferelen.

 

Zeeslag bij het Spaarne 1573. Pas 50 jaar erna, in 1621 gschilderd door Hendrick Cornelsz. Vroom, in opdracht van het stadsbestuur van Haarlem. De Spaanse vloot had 63 schepen op het meer onder leiding van Bossu, tegen meer dan honderd schepen onder admiraal Marinus Brandt. Zijn vloot was slecht uitgerust en de wind stond gunstig voor de Spanjaard. De Geuzen werden verslagen het restant van de vloot vluchtte richting Kaag en Oude Wetering en werd daar opgewacht door luitenant Francois van Boshuizen, die nog eens 21 schepen veroverde. Na zoveel geweld zou je wel wat meer scheepswrakken kunnen verwachten.

 

BIJ DE HARTPAGINA: Kaart van Bolstra

Melchior Bolstra maakte voor het Hoogheemraadschap van Rijnland een kaart met groeilijnen van het Haarlemmermeer.

door de redactie.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Melchior Bolstra ‘landmeter’ maakte in opdracht van de Dijkgraaf en Hoogheemraaden van Rhynland deze kaart van de grote Haarlemmermeer en/of Leydsemeer. Hierin staan de groeilijnen weergegeven van de steeds groter wordende “Waterwolf” vanaf 1531. Bij iedere storm werden er weer broeklanden weggescheurd en verzwolgen, boerderijen, zelfs hele dorpen zijn door de golven overspoeld en verdwenen. Naarmate het meer steeds groter groeide, werd ze bij iedere storm nog onstuimiger. Het water kwam steeds dichter bij de grote steden, daarom werd het hoog tijd dat er wat ging gebeuren. Eerdere plannen om de steeds grotere watermassa in te polderen werden te duur geacht. Leeghwater had 160 molens nodig in zijn plan, Cruquius kon volstaan met 112 stuks. Ir. Van Lijnden kon met 3
stoomgemalen die enorme plas leeg trekken. Op 5 mei 1840 is men bij Hillegom begonnen met het graven van de Ringvaart. Polderwerkers uit heel Nederland kwamen hier werken en vonden hier een nieuw bestaan. Veel families in onze omgeving zijn hier terecht gekomen door de behoefte aan mankracht in de strijd tegen “De Waterwolf”.

Kaart van de Haarlemmermeer door Bolstra.

Streepje en JAS

Over kunstenaar JAS (Johan Ariaan Smit) worden zijn schilderijen en gedichten belicht.

door K. Noordermeer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Een jongen was ik nog, toen de inmiddels 100-jarige Marius Montagne mij accepteerde als bediende. In de lente van 1959 stapte ik de wereld van Hollands Bloembollen Genootschap binnen. Stoere Paardekooper architectuur, uit baksteen en gietijzer, maakte direct grote indruk. Aan de Tulpenstraat te Lisse beleefde ik vele harmonieuze uren. Ca. 1965 mocht ik op de afdeling reclame een 6-tal Lisser jong volwassenen in toom houden. Het venster waarachter ik opereerde keek uit op de Crocussenstraat. Beschenen door een milde zomerzon liep een slank meisje op dat venster toe. Gekleed in een gestreepte jurk. Elke keer wanneer ik haar op mij toe zag lopen zei ik: “Kijk lui, daar komt STREEPIE”! In mijn herinnering was het altijd zomer wanneer Janny Goossens vanuit de Crocussenstraat de Tulpenstraat naderde. Ineens was zij niet meer alleen. Aan de arm van een blonde Adonis sloeg zij, voor mijn vensterruit, linksaf richting Grachtweg. 1985 maakte ik kennis met kunstenaar JAS. Bij Galerie Catharina in Hillegom stelde JAS zijn schilderijen ten toon. Mij viel de eer te beurt de expositie met een speech te openen. Later nodigde galeriehouder Piet Blokker mij uit om in België op atelierbezoek te gaan bij JAS. We belden aan, de deur werd opengedaan en het eerste wat ik tot onze gastvrouw zei was: “Barst, jij bent STREEPIE”. Janny Goossens was opgebloeid tot een allerhartelijkste mevrouw Smit-Goossens.

JAS (Johan Adriaan Smit) verraste 29-11-1992 de Hillegomse Fanfare Crescendo met het drieluik: “Une visite imaginaire de F Léger – à la région des fleurs”. Dit bloemrijke werk is een eerbetoon van JAS aan de Franse schilder Fernand Léger. Twee jaar later nodigde JAS mij uit om de monografie: ”EMOTIONS” op schrift te stellen. Op verzoek van de kunstenaar sprak ik dat jaar de kunstliefhebbers toe bij de onthulling van de GRANDE ARCHE MU. Met de uit witte en blauwe hyacinten opgebouwde stijlvolle triomfboog creëerde JAS een doorkijk op de Lisser Donjon “’t Huys Dever”.

19-06-2002 kwam er een einde aan de kunstenaars carrière van JAS. Enige dagen later werd in België afscheid genomen van JAS onder de pianoklanken van de componist Erik Satie. JAS liefde voor muziek en schilderkunst leeft echter voort met een visite aan zijn

Fanfare drieluik J A. Smit (JAS)

op de buitenmuur van de Mijnzaal van voorheen Hollands Bloembollen Genootschap nu cultuurhuis Floralis. Dit jaar betrad “STREEPIE” deze florale wereld, om het creatieve vermogen van haar echtgenoot JAS voort te laten leven.

Wie kleuren zaait zal schilders oogsten.

Kees Noordermeer

CRIMINEEL DINGBOEK: VOL droeg financieel bij aan de aanschaf van achttiende-eeuws Crimineel Dingboek

Baljuw Gerard II Bicker van Swieten

VOL droeg financieel bij aan de aanschaf van het achttiende eeuwse Crimineel dingboek. Enkele voorbeelden worden gegeven.

door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Jannetje Jans van der Wilde uit Lisse baarde op woensdag 17 maart 1723 een dochter. vHet begin van een klein drama, want Jannetje was ongetrouwd. Als vader wees zij aan AdriaanvJacobs de Goede, eveneens uit Lisse, een getrouwd man. Jannetje bekende dat zij overspel hadv gepleegd en “vleeselijke conversatie“ met De Goede had gehad.vBaljuw Gerard II Bicker vancSwieten oordeelde dat volgens de
landswetten en goddelijke wetten overspel ten hoogste strafbaar is en veroordeelde Jannetje tot 14 dagen gevangenis op waterc en brood en betaling van de proceskosten. Adriaan bleef ongestraft. Dit is een van de zaken uitchet Crimineel Dingboek van de Hooge Vierschare van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse ende Voorhout over de jaren 1698-1726.

De historische verenigingen van Lisse, Noordwijkerhout, Voorhout en Leiden kochten onlangs
gezamenlijk van het Lissese antiquariaat Goltzius dit achttiendeeeuws manuscript. Donderdag 21 november vond de overdrachtvcplaats aan Erfgoed Leiden en Omstreken. Helmi Beijsens en Henk Schaap vertegenwoordigden bij deze plechtigheid Oud Lisse. Als secretaris had Helmi de eer voor de vereniging de overdrachtsacte te tekenen. In het Nationaal Archief berustten voorheen de Criminele en Civiele Dingboeken van de Hooge Vierschaar van onze streek, maar deze zijn onlangs overgedragen aan Erfgoed Leiden. De verzameling vertoont leemtes, jaren waarin de baljuw zijn zaakjes niet netjes overdroeg. Een Dingboek bleef dan eeuwen familiebezit. De mensen van Erfgoed Leiden zijn enthousiast dat met dit manuscript nu een van die gaten is opgevuld en wij met hen, want het Dingboek bevat een schat aan verhalen.

Wat is zo’n crimineel dingboek nu precies?

Daarop gaf archivaris  André van Noort van Erfgoed Leiden op deze 21ste november toelichting. Het baljuwschap werd gevormd door een baljuw en zijn schepenen, de welgeborenen, de mannen met aanzien. Zij spraken recht in civiele zaken, zoals onderlinge ruzies, die werden vastgelegd in de Civiele
Dingboeken. Die werden vaak afgedaan met boetes. Misdaden en overtredingen van de wet berechtten zij in de criminele of hogere rechtspraak, die de bevoegdheid had lijfstraffen en zelfs de doodstraf op te leggen. Prostitutie, bedelarij, overspel, messentrekkerij, moord, dat waren de zaken waarover de criminele rechtspraak oordeelde. Jannetje hoorde haar vonnis aan van mr. Gerard II Bicker van
Swieten. Bicker van Swieten was vanaf 1714 baljuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout en een lid van een van de zeer rijke families die de dienst uitmaakten in de Republiek. Voor hem was mr. Pieter Dierquens (tot 1713) baljuw van het rechtsgebied. In de achtentwintig jaren die het Dingboek beslaat worden rond de 75 personen door het baljuwschap berecht. Erfgoed Leiden heeft het manuscript gedigitaliseerd. Het toegangsnummer is 0755.

Dingboek