Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

De Nederlandsche stad- en dorpsbeschrijver in 1799: PARELTJES uit de VOL bibliotheek

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

door Ria Grimbergen

In de bibliotheek bevindt zich een geprinte versie van het dorp Lisse uit 1799 uit de serie “De Nederlandse stad- en dorpsbeschrijving”. Rs. Bakker schreef deel 7 over Lisse. Nieuwsgierig naar de volledige tekst van de beschrijving? Jos van Bourgondiën, de beheerder van de bibliotheek, helpt u graag verder.

In de bibliotheek van de Vereniging Oud Lisse bevindt zich een geprinte versie van een beschrijving van het dorp Lisse uit 1799. Het komt uit deel zeven van de achtdelige serie “De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver”, uitgegeven door H. A. Banse in Amsterdam van 1793 tot 1801.

Lieve van Ollefen schreef de eerste delen, zijn collega Rs. Bakker nam het na deel vijf van hem over. Het deel “Rhijnland”, waarin Lisse staat, is van de hand van Bakker, over wie bekend is dat hij boekhandelaar was in Delft en een patriot. Hij zette het werk van Van Ollefen voort “in hoogst revolutionairen geest”. Bakker geeft in zijn algemene inleiding de lezer de hint zorgvuldig te lezen: de staatsveranderingen en politieke gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar zijn in zijn beschrijving
verwerkt. Bakker doelt op de Bataafse Omwenteling, de fluwelen revolutie die een eind maakte aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarna de Bataafse Repuliek werd uitgeroepen.

Het wapen van Lisse zoals Bakker het beschrijft, een halve klimmende rode leeuw, blauw getongd en genageld op een gouden vlak. Van ouds het wapen van de heren van D’Ever, die ook de heren van Lisse waren. Het huidige wapen van Lisse is pas op 20 februari 1816 bij Koninklijk besluit vastgelegd als zijnde op een gouden vlak een klimmende halve leeuw van lazuur (Blauw). Had Bakker meer historisch besef dan de Raad van Adel

De formule van de beschrijvingen is steeds dezelfde: een ovale gravure met het wapen van de plaats, een gedichtje, gevolgd door een katern van meestal 16 pagina’s met een beschrijving van het dorp. Elk
katerntje begint opnieuw de pagina’s te nummeren. Intekenaren op de serie kregen de afleveringen in “vellen letterdruks” geleverd, als bij een tijdschrift. Zij konden dan besluiten die in te binden of zo te laten. Als zij in het voetspoor van de schrijver tochtjes wilden gaan maken was een stapeltje velletjes beter te hanteren dan een zwaar boek.

De begaafde Amsterdamse kunstenares Anna Catharina Brouwer graveerde de stads- en dorpsgezichten. Soms is het haar eigen werk en staat alleen haar naam eronder. Soms gebruikte ze een bestaande gravure als voorbeeld en dan vermeldde ze altijd de naam van de eerste graveur. Voor het ovaaltje van Lisse zal zij zelf naar het dorp zijn gereisd: Anna C. Brouwer staat er onder het prentje. We zien de kerk van Lisse met op de toren een fier wapperende vlag, huizen
en een molentje. Op de voorgrond varkens, drie mannen, een vrouw met een kind aan de hand. Bakker beschrijft het wapen onder de afbeelding als een goud schild met halve rood klimmende leeuw. Het is het wapen van de heer van Dever, de ambachtsheer van Lisse. Het speelse element in de gravures van
Anna Brouwer spreekt mensen aan. De prentjes zijn gezocht en worden vaak los verhandeld. Complete exemplaren van delen uit “De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver”, zijn daardoor kostbaar en zeldzaam.
Van Ollefen en Bakker gingen ervan uit dat men geen vreemdeling in eigen land moest zijn en kennis diende te hebben van geschiedenis en aardrijkskunde. Hoe kun je een huis bewonen dat je niet kent, stelden ze. Nu, na meer dan tweehonderd jaar, lijken de geschiedkundige verhandelingen achterhaald, maar Bakker geeft wel een aardig beeld van Lisse aan het eind van de achttiende eeuw. Het is aangenaam en uiterst bevallig gelegen, met mooie buitenplaatsen. De schrijver betreurt de afbraak daarvan, die al in volle gang is: “Men gaat continueel door met het vernietigen en sloopen der schoonste buitenplaatsen, gelijk thans met het oude vermaarde Veenenburg af te breken”. Twee jaar daarna onderging Meerenburg hetzelfde lot. De schrijver geeft een lijstje van de buitenplaatsen die er
nog wel zijn met de namen van de eigenaars/bewoners, de niet-adellijken naar de geest van de tijd burgers genoemd. Zo bewoonde burger Van Buuren (vaker gespeld Buren) Wassergeest en burger L. Bicker Meer en Duin. Van Buren was een belangrijk man in Lisse. Als baljuw van het baljuwschap Noordwijkerhout, waar ook Voorhout, Lisse en Hillegom onder vielen, behandelde Izaak van Buren civiele en criminele rechtszaken. Uit patriotse sympathieën plaatste hij in 1795 de vrijheidsboom
voor zijn buitenplaats. Volgens de Volkstelling van 1795 op last van het Uitvoerend Bewind
der Bataafsche Republiek telde Lisse 1062 “zielen”. De teelt van kruiden, bloemen, groenten, vlas en hennep was de voornaamste bron van inkomsten. Schuiten vertrekken dagelijks vanuit Lisse via het Haarlemmermeer naar Amsterdam en weer terug. De trekschuit vaart tussen Leiden en Haarlem. De postkoets deed Lisse aan op zijn tocht van Amsterdam naar Den Haag. Bakker beschrijft de kerken
en hun geestelijk leiders. Het dorpsbestuur is naar Frans voorbeeld een municipaliteit van drie leden met een schout en secretaris, die ook schepenen en brandmeesters zijn en zich daar naast bekommeren om de armen en de wezen. Zij komen bijeen in een vertrek in een gewone herberg. De schrijver noemt er twee, de Witte Zwaan, dat ook het Rechthuis is, en de Stad Rotterdam.
Nieuwsgierig naar de volledige tekst van deze beschrijving? Jos van Bourgondiën, de beheerder van de bibliotheek van de VOL, helpt u graag verder.

Het vrijheidbeeld op Wassergeest

BIJ DE HARTPAGINA

Was getekend Arnoldus Johannes Eymer 1830, een aquarel met zichtop Lisse vanaf een duin bij Veenenburg. Eymer was een verdienstelijk schilder. Hij was in 1803 geboren te Amsterdam, zijn laatste rustplaats was in Haarlem in 1863. Eymer was aanvankelijk makelaar totdat hij zich in 1834 geheel aan de schilderkunst wijdde. Na een kunstreis door Duitsland in 1835-1836 vestigde hij zich in Haarlem waar hij naam maakte als schilder van romantische landschappen. Zo hebben we een prachtig beeld van Lisse in nog ongerepte toestand. Met links het wijde Haarlemmermeer en de wipmolen bij de Lisserham en de dorpsmolen “de Korenbloem” die tot ver in de omtrek te zien was. Rechts ervan zien we waarschijnlijk Groot Zandvliet tussen jong en groot geboompte en uitgestrekte weidegrond. Hier vandaan achter de Blinkerd en het Berkhouterduin het dak en de toren van de Dorpskerk op ‘t Vierkant die toen nog overal bovenuit torende. In de vroege morgen een duinmeijer met zijn roer en hond die misschien wel een lapine probeert te verschalken. Nu zouden we in de lente kijken naar de bollenvelden en heel veel auto’s en touringcars op het terrein achter Zandvliet. Links zouden we geen water zien maar de behuizing van de Heereweg met er achter het “Meer en Duin” bedrijventerrein. Op het schilderij kunnen we wel goed zien waar die naam vandaan komt.

Eymer Wildernis 1803

Don’t forget to remember them…..Waarom? Hierom!

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Carole Ann Phipps Wilson

Op 7 september wordt herdacht dat een bommewerper 75 jaar geleden neerstortte bij de Engel. Er is een herdenking in de Engelbewaarderskerk en bij het herdenkingsmonument, dat in 2012 onthuld is. Carole Ann Phipps, dochter van een van de bemanningsleden, bedankt de inwoners van Lisse. Speciaal Erwin de Mooij.

Namens de familie van Lt. Rupert Lee Phipps

(Met diepe dankbaarheid aan Erwin de Mooij, voor zijn onvermoeibare inzet en eindeloos geduld om deze gebeurtenis mogelijk te maken.)

Inwoners van Lisse, Zuid Holland en Nederland, ik groet U.

Uw dappere landgenoten hebben het leven van mijn vader gered. Woorden schieten te kort om mijn dankbaarheid en bewondering uit te drukken aan hen die zo moedig handelden toen op 26 september 1944 de Jayhawk waarin mijn vader vloog neerstortte. Het was niet de bedoeling dat Lt. Rupert Lee Phipps zou vliegen met de B-17 bemanning die dag. Tijdens de briefing voorafgaand aan de missie, werd aangekondigd dat zowel de schutter als ook de navigator om medische redenen niet inzetbaar waren. Omdat hij voor beide taken gekwalificeerd was, bood mijn vader zich vrijwillig aan om hen te vervangen. Hij had al ervaring opgedaan bij 12 eerdere bombardementsmissies. Op die noodlottige dag, stond hij op het punt om zijn 13e missie te voltooien. Zijn missie was onderdeel van de succesvolle missie van de 457th Bomb Group om het Nazi spoorwegemplacement in Osnabrück, Duitsland te bombarderen. De flak1 van de Nazi’s raakte zijn vliegtuig toen het de grens met Nederland overvloog op weg terug
naar de thuisbasis in Glatton, Engeland. Lt. Phipps was slechts 20 jaar oud en pas getrouwd toen hij neerstortte in het op dat moment rustige Lisse. Hij landde op zacht terrein vlakbij Roelofarendsveen, waar hij onmiddellijk omringd werd door een groepje mensen die een vreemde taal spraken. Aanvankelijk wist hij niet of dit vrienden of vijanden waren, maar al gauw realiseerde hij zich hoeveel geluk hij had gehad. Nadat Lt. Phipps zijn parachute had afgedaan, drong men bij hem aan zich zo snel mogelijk te verschuilen, en toen hij achter zich keek, zag hij hoe anderen de parachute snel begroeven. Mijn vader was gered door dappere Nederlanders! De volgende 5½ maanden riskeerden een tandarts, een boer en zijn vrouw, een leider van de ondergrondse en zijn gehele familie, een dominee, een bestuurslid van een jenever stokerij, een voormalige gezagvoerder van de Holland America Lijn en anderen hun leven om mijn vader verborgen te houden voor de Nazi’s. U moet weten dat mijn vader op 12 februari 1945, in het gezelschap van drie van zijn beschermers naar Lisse fietste, en dat hij twee
dagen in uw plaats doorbracht. Uiteindelijk werd hij uit Nederland gesmokkeld en keerde hij terug achter de geallieerde linies op 17 maart 1945.
De gebeurtenissen rondom mijn vader’s onderduik en ontsnapping illustreren het heldendom van gewone Nederlanders tijdens de hongerwinter van 1944-1945. De ontdekking van mijn vader door de Duitse autoriteiten zou zeker de dood hebben betekend voor zowel mijn vader als ook de mensen die hem verborgen hielden. Tijdens een periode van 4½ maanden, wisten slechts 15 familieleden en buren, waaronder een 12-jarige jongen, het geheim van het schuilplaatsadres van mijn vader.

Dit zijn de woorden van een dankbare Amerikaanse dochter gericht aan de dappere mannen en vrouwen van Nederland. Ik dank U voor het prachtige voorbeeld van verzet tegen het Nazi kwaad. Ik dank U voor het medeleven met de strijders van mijn land tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik dank U voor het redden van het leven van mijn vader. En tenslotte dank ik U voor de levens van mijn broer, mijn neef, mijn dochter en mijzelf, omdat niemand van ons zou zijn geboren als mijn vader was omgekomen.

Nogmaals groet ik U! Carole Ann Phipps Wilson

Herdenkingsmonument van Bommenwerper de Engel

H. De Graaff en Zonen; Opkomst en ondergang van een bollenbedrijf

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

door A. in ‘t Veld

In 1978 werd het bollenbedrijf van H. de Graaff en zonen gesloopt voor woningbouw. Het was allemaal begonnen in 1742. Claas symonsz. de Graaff kocht de grond en begon in een bollenteeltbedrijf. De geschiedenis wordt beschreven.

Herman de Graaff 1860-1927

Met het slopen van de bedrijfsgebouwen van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen te Lisse, op de hoek Heereweg/Julianastraat werd in 1978 een dikke punt gezet achter een niet onbelangrijk stuk geschiedenis van Lisse. Op deze plaats immers werd voor Lisse de grondslag gelegd van de bloembollenteelt en nog heden ten dage worden we geconfronteerd met de niet onbelangrijke invloeden die de agrarische sector en met name de bloembollenteelt ten toon spreidt. Het is op deze plek inmiddels behoorlijk veranderd, want waar ooit de landarbeiders de ruggen kromden om het product te bewerken, zijn eensgezind woningen en appartementen verrezen. Spelende kinderen namen het gebied in bezit in plaats van de vele duizenden kleurige bloemen en de vele miljoenen bloembollen.

Op zoek naar woonruimte ontkomt de mens er niet aan plekjes in bezit te nemen, die we eigenlijk liever in oorspronkelijke staat zouden laten. De historie van dit stukje grond begint bij de eerste (ontdekte) bloembollencultuur in Lisse en die gaat tot het moment dat de slopershamers het allesvernietigende werk verrichtten en het gebied Planc de Graaff werd gereed gemaakt voor bewoning. Het is een lang verhaal dat nu volgt, opgetekend uit de stukken van A. M. Hulkenberg en de heer Tom Lodewijk, die indertijd het boekje “De Gouden Graaff” schreef.

Dat boek begint met het volgende gedicht van Constantyn Huygens:
,,Die ‘t Ambacht wel vestaet,
waer van hij leven moet,
En die ‘t niet – wel – alleen,
maer – wel en geerne doet,
Beleeft het grootst geluck dat ijemand kan begeeren.”

Dominee Joanis van Blommestein moet een welgesteld man zijn geweest gezien zijn buiten. Natuurlijk was er voor hem in Lisse een pastorie, maar hij verkoos een royaler huis met een grote tuin, welk bezit in de belastingregisters van 1734 als ,,buitenplaats” staat aangemerkt. Te betalen drie gulden en vier stuivers per jaar en dan mocht het ook wel wat wezen!! Daar, iets buiten het dorp, genoot dominee van de kleine vreugden die het buitenleven een ernstig man te bieden hebben; de bloemen en de vogels, de “hortzenijgewassen”, aan de overzijde de duinen met stromende beekjes, af en toe het vertier van een voorbijrollende postkoets en boven alles; de weldadige rust. Toch werden hem de verdrietelijkheden des levens ook niet bespaard. Al de vijf kinderen stierven jong; toen Saartje tenslotte op zevenjarige leeftijd overleed was het echtpaar Van Blommenstein-De Roos weer alleen….misschien is dit de reden dat men toch naar de pastorie bij het Vierkant is getrokken, naar het dorp, tussen de mensen.

De Graaff, Tuynier
In 1742 kwamen zijn huis en tuin in handen van Claas Symonsz de Graaff, “tuynier”, schepen en ambachtsbewaarder van Lisse en dus ook wel een aanzienlijk man. Zijn toen bejaarde vader werd reeds bloemist genoemd en was bovendien een aantal jaren diaken geweest. Claas- of fraaier: Nicolaas de Graaff kan met zijn neef beschouwd worden als de grondlegger van de bloembollenteelt in Lisse. Anders gezegd: op het huidige plan “De Graaff” is de bloembollencultuur geboren!! Op 15 april 1735 werd door Nicolaas de Graaff reeds een zogenaamde Groene Veiling gehouden, waarop hij ten overstaan van Schout en Schepenen “Volgens de gewoonte in de Liefhebberij van Flora van meeninge is te verkoopen een partij hyachinthen”, 238 bollen in een veertigtal soorten, die ƒ139,90 opbrachten. Het jaar daarop wordt een Groene Veiling gehouden op “Pruimenhof”, thans Heereweg 113/115 bij de Nassaustraat. Die van 1739 was voorlopig de laatste. De belangstelling was sterk gedaald; 224 bollen voor 68 gulden. Pas op 15 april 1762 vindt in Lisse weer een grote veiling plaats. Volgens de advertentie in de Opregte Haarlemsche Courant zouden ten verkoop worden gehouden: “De alom Vermaarde, Overheerlijke en considerabele partijen enkelde en dubbelde Hyachinthen en Tulpianen die door een groot Liefhebber bijeen verzameld zijn zedert den jare 1728 en verders alle soorten van nieuwe zaaylingen, roode, witte
en blauwe, welke nog bij niemand in handen en die verwonderlijk fraai en groot zijn. Verders zal ook verkocht worden alle noodige gereetschappen als Tenten, Capjes, Staakjes, Opneembak, Casjes (muysedigt gevlogten) om fijne bollen en zaad te bewaren en verder alles wat tot een volmaakte Bloemenliefhebberij behoort. De koopers zullen niet vermogen voor of na de verkoping een enige bloem af te snijden of te plokken, op verbeurte van drie guldens van iedre bloem”. Op deze veiling kocht onder andere de Oostenrijkse Graaf Locatelli een plant van de, Dubbelde roode Hyacinth ,,Rasse Royaal
Constantinopel” voor 151 gulden. Natuurlijk is Symon Claasz de Graaff, zoon van Nicolaas, onder de kopers. Bollenkweker en later ook Schepen, regerend burgemeester en ambachtsbewaarder van Lisse en verder nog Welgeboren Man van het baljuwschap van Noordwijkerhout. Een wel zeer belangrijke persoonlijkheid. In het jaar 1793 zond de firma De Graaff te Lisse voor het eerst een prijscourant van bloembollen naar liefhebbers in het buitenland. Dat staat er simpel. Ogenschijnlijk een gebeurtenis van weinig importantie. Zeker in verhouding tot andere zaken die zich in die periode afspeelden. Dit laatste decennium van de achttiende eeuw was zowel het oude Europa als het nieuwe Amerika in een staat van heftige beroering. In Parijs bestegen de al te goedige Lodewijk XVI en de schone Marie Antoinette het schavot; in Zweden doodde Anckarström op een gemaskerd bal zijn vorst, de despotische Gustavus III; in het pas vrijgevochten Amerika aanvaardde George Washington zijn tweede ambtstermijn als president en moest zowel de binnenlandse moeilijkheden het hoofd bieden als zijn houding bepalen in een Frans-Engelse oorlog en in Holland nam in 1795 de Prins van Oranje op een vissersboot de wijk naar Engeland voor zijn republikeinsgezinde landgenoten….In die fel bewogen strijd sturen De Graaff en Zn., kwekers van bloembollen te Lisse, een internationale prijscourant het koortsige Europa in…..

Nooit gedacht

Nu zijn kinderen het tuindersvak vaarwel hebben gezegd, heeft Symon Klaasz. de Graaff een paar jaar voor zijn dood in 1802, huis en kwekerij verkocht aan zijn neef Cornelis de Graaff, een zoon van Symon Cornelissen de Graaff, eveneens tuynier, die op de Pruimenhof woonde. Behalve de bloemisterij bedreef hij de kruidenteelt, vlasserij, groenteteelt en drogerij en kweekte hij ook nog bomen en struiken, allemaal op het huidige “Plan de Graaff” en de omliggende landerijen, waaronder het latere “Land van Blokhuis”. Zo vestigde zich nu deze tak van de familie De Graaff op de “buitenplaats”, die “Nooit
Gedacht” werd genoemd. Een laag, breed, witgepleisterd huis met hoge ramen, uitziende naar het verkeer op de Heereweg naar Haarlem. Jan de Graaff raakt in zijn “Lisser Arkadia” over al die schoonheid van zijn “Roem waard dorp” niet uitgezongen:
“Mijne lust, in uwe welvaart verheugd, streeft verder voort, tot ‘d aangename vreugd, der kruiden, die in der beminnaars boven zijn geplant, terwijl de zon van boven zijn stralen zendt en maakt het als bezield. Met geur en kracht, zodat de hof steeds krielt met allerlei gedaantes, geur en smaken, zodat het
oog, de neus en mond kan raken tot haren wens, hier is deez’ hortzenij. De bloemgodin praalt aan d’andre zij met roos, hyachint of violieren, met tulipan of wat haar tuin maar kan versieren, zodat hier is hetgeen dat aangenaam vertoont wordt en voor’t mensdom zeer bekwaam!!”
Het bedrijf van De Graaff heeft een grote vlucht genomen. Aan de noordzijde van de kwekerij stond er ter beschutting tegen de koude wind een stenen muur en daar was een orangerie tegenaan gebouwd, die nog tot 1908 als pakplaats voor het bloembollenbedrijf diende.
In de orangerie stonden ‘s winters de “oranjeboompjes”, sinaasappelboompjes, vandaar de naam, maar ook veel oosterse en vooral veel Kaapse gewassen, die door een kachel voor de vorst werden behoed. Als de plaatsruimte het toeliet werden ook van elders, zelfs uit Amsterdam, potplanten ter overwintering in bewaring genomen, à raison van drie stuivers per pot. Zomers stond alles buiten. Waar nu huizen zijn gebouwd (Constantijnstraat e.a.), zag men jonge eiken en honderden sierheesters. Ook de “10 iepebomen voor het kerkhof” rond de oude dorpskerk vindt men hier vermeldt. Er groeiden tulpen, anemonen, ranonkels en irissen. Wat er nog meer werd gekweekt en verhandeld? Aardappelen, asperges, camelia’s, perebomen, dahlia’s, graszoden, geraniums, mos- en provencerozen met hun heerlijke geur en heel fijne narcissen. Het belangrijkste waren echter toch wel de “nageltakken”, De Graaff’s beroemde hyacinten, die op “parabedden” te pronken stonden en op de uitgestrekte tuinen om “Nooit Gedacht” met veel zorg werden gekweekt. Een Engelsman die enige dagen in Holland doorbracht formuleerde zijn bevindingen als volgt: “Op de welgeslaagde teelt van de Hyacint laten de Nederlandse bloemisten zich meer voorstaan dan op die van enig andere bloem, de Tulp zelfs niet uitgezonderd. Het schouwspel is waarlijk groots en prachtig de regelmaat en rangschikking zijn bewonderenswaardig en de geur is zeer doordringend. Rijen van geel en rood, purper en wit van verschillende schakeringen volgen elkaar op en gehele velden zijn bedekt met een onmetelijke hoeveelheid bloemen. Geen woorden zijn in staat de zelfingenomenheid en voldoening te beschrijven, die een Hollandse bloemist vermeldt op een mooie zon nige aprildag, wanneer hij aan een bloemist of reiziger zijn uitgestrekte bedden van deze sterk geurende bloemen toont, die voor hem tegelijk een bron van verdienste en van genoegen zijn. Zij natuurlijke flegma en onverschilligheid schijnen verdwenen en het koele, het teruggetrokkene van zijn volksaard terzijde gezet. Zijn ogen glinsteren van genoegen, dat ongetwijfeld nog toeneemt door het vooruitzicht om vijftig of honderd van uw guldens te zullen innen…..”. De uitvoer van al deze kleurige en geurige gewassen ging naar vrijwel alle landen.

Naar Duitsland, Amerika en later ook naar Rusland.
Sinds 1840 was de firma De Graaff lid van de “Société Royale d’Horticulture de Paris” en de Franse handel ging een bloeitijd tegemoet. De vertegenwoordiger was de heer Rijfkogel, in 1871 reeds hoogbejaard en stokdoof. Over hem gaat een aardige historische anekdote. Hij verbleef in Parijs juist toen de stad door de Pruisen hevig werd gebombardeerd. Hij bemerkte er echter niets van, totdat het huis van de buurman door granaten werd getroffen en instortte. Toen pas kreeg hij in de gaten dat er iets niet helemaal in orde was… Hoe deze gerenommeerde vertegenwoordiger zijn zaken deed wordt niet
vermeld… Maar dergelijke lieden verdienen een standbeeld zoals onlangs in Lisse is geplaatst. Nu echter terug naar omstreeks 1800. Op “Nooit Gedacht” woonde dus sinds 1802 Cornelis de Graaff. Zijn broer Jan was in 1795 op tragische wijze gestorven. Nog in 1793 hadden “Cornelis en Jan de Graaff” de eerder genoemde prijscourant in drie talen de wereld ingezonden, iets unieks!! Twee jaar later trokken de Franse troepen over de bevroren rivieren ons land binnen. Jan de Graaff had altijd rustig en tevreden in zijn dorp gewerkt. Al zijn liefde voor zijn geboorteplaats had hij verwoord in zijn “Lisser Arkadia”
die omstreeks 1771 in druk verscheen. Werkzaam, tevreden en gelukkig, zo was Jan de Graaff. Nu moet hij met verbittering toezien hoe die Fransen in zijn vaderland jubelend worden binnengehaald en dan nog wel onder aanvoering van een Hollandse generaal. Zo’n verrader mag zijn straf niet ontgaan heeft Jan gedacht… Maar de aanslag mislukt… Jan de Graaff boet voor zijn vaderlandsliefde in de kerker en stierf in 1795 in de gevangenis van Leyden. De wijde ruimten, de bloeiende velden rond zijn geliefde Lisse heeft hij nimmer weergezien. En het heeft zijn vrouw zeshonderd florijnen gekost om hem een eerlijke begrafenis te kunnen bezorgen op het stille kerkhof naast de oude (Ned. Herv.) kerk. Cornelis
de Graaff staat nu alleen voor de zaak. Zijn oudste zoon Simon sterft al vroeg als hij voor zijn vader in Duitsland op reis is en Herman is nog jong. Zo komt dan zijn oudste schoonzoon, Gijsbert Blokhuis uit Barneveld, naar Lisse, omstreeks 1820. Hij gaat wonen op de Pruimenhof. Tot 1 januari 1840 is hij als deelgenoot met de firma De Graaff verbonden gebleven. Toen gingen beiden hun weg. Gijsbert Blokhuis bleef op de Pruimenhof en verwierf het aangrenzende land ter hoogte van de huidige Nassaustraat en het plan Blokhuis, inclusief het winkelcentrum. Zijn jongere zwager Herman stichtte de zaak “H. de Graaff en Zonen” en bleef op “Nooit Gedacht”.
Geleidelijk aan werd het oude huis toch wel erg ouderwets en gebrekkig. Aldus werd het in 1870 gesloopt en vervangen door een moderner en comfortabeler woning, de villa Kweeklust. Intussen steeg de ster der firma De Graaff steeds hoger. H. de Graaff en Zonen exceleerde op iedere tentoonstelling en de naam van De Graaff compareerde in het bestuur van iedere vereniging of commissie. En toch… Heeft de reeds eerder genoemde Mr. G. Kruyff toch weer gelijk gehad, toen hij stelde dat een bloembollenfamilie na enige generaties aan hogere levensvormen gewend geraakt ‘Het Vak’ weer gaat verlaten? Misschien wel. In 1886 stond Herman de Graaff na de dood van vader alleen voor de zaak, 26 jaar oud. Ook hij bezette in “Het Vak” de hoogste posten.

En toch…
n 1908 deed zich het onbegrijpelijke voor. Herman de Graaff treedt op 48-jarige leeftijd terug uit de zaak, bedankt de een na de ander voor al zijn functies en vestigt zich als particulier in de stad Leiden. Men heeft in deze wel eens naar zijn eveneens op Kweeklust geboren broer Simon gewezen. Deze had carrière gemaakt in Indië en werd later tot tweemaal toe Minister van Koloniën. Hij voerde het zeer hoog in het wapen en was zich van de belangrijkheid en waardigheid van zijn persoon altijd volkomen bewust. Hij vond het duidelijk onprettig familie-relaties te hebben met mensen die met werken in schuren en tuinderijen hun brood moesten verdienen en liet niet na dit herhaaldelijk op te merken. Zou dit de
laatste stoot zijn die zijn broer Herman nodig had om het aloude familiebedrijf vaarwel te zeggen? Het heeft er alle schijn van. Wel bleef de naam De Graaff behouden maar de leiding kwam in handen van de heren N. van Til, G. Mastenbroek en B. van der Nat. De oude Simon Cornelisse de Graaff die het fundament legde voor dit bedrijf, zou hij niet menen verdwaald te zijn wanneer hij weer eens een kijkje in Lisse zou kunnen nemen? Het oude kerkje van Lisse met zijn vierkante toren, het ontbreken van het vermaarde etablissement ,,de Witte Zwaan,”……? Niet veel herinnert meer aan de tijd dat hij in de ,Opregte Haarlemse Courant’ het beursnieuws spelde en zijn bloembollenboek volschreef met secure aantekeningen. Hij zou zien hoe inplaats van de smalle postweg door de duinen, thans een brede moderne verkeersbaan een streep dwars door het bollenland trekt….

De Gouden Graaff
De zaak groeide door en bleef een der grootste van het bloembollenvak. In 1927 ging het huis “Kweeklust” waar toen dokter Muller, een dierenarts, woonde tegen de grond en verrees ter plaatse het grote kantoorgebouw, dat de “Graaff” een spade, hoog in de gevel voerde. De zaak leek niet te stuiten in haar vaart. In 1953 vierde men met het talrijke personeel het feit dat 160 jaren eerder de eerste prijscourant de deur uitging. Het 150-jarig bestaan kon wegens de oorlogsomstandigheden niet gevierd worden. Bij gelegenheid van de feestviering benoemde Koning Gustaaf van Zweden H. de Graaff en Zonen tot Hofleverancier en Koningin Juliana verleende haar het recht om het predicaat “Koninklijke” te voeren.: De Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen. Hoger kon het toch niet. 14 personeelsleden die 25 jaar of langer bij het bedrijf werkzaam waren kregen “de Gouden Graaff” op de revers gespeld en de dragers van dit ereteken pose voor het kantoorgebouw. En toch…

Van Kweeklust tot plan De Graaff
De laatste decennia waren voor het bloembollenvak helaas niet gunstig geweest. De prijzen der gewassen wisten zich nauwelijks te handhaven, terwijl de arbeidskosten en de noodzakelijke investeringen sterk stegen. Zo werd het moeilijk. Daar kwam nog bij, dat de gebouwen met hun verdiepingen ouderwets waren en het gebruik zeer arbeidsintensief. Bovendien lagen ze ver van de tuinen. Wat deed het er vroeger toe als een jongen met een handwagen vol manden met bollen tussen vijf uur in de morgen en ‘s avonds zeven uur tien keer naar de kwekerijen heen en weer liep?
Dat kostte een paar stuivers, maar dat was nu wel anders geworden. Ook de stuiver diende in moderner banen geleid te worden. Uiteindelijk werd de handel van de firma overgenomen door De Vroomen Export te Sassenheim en de gebouwen der Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen in Lisse gingen in juli 1977 tegen de grond. ■

Luchtfoto bedrijf De Graaff

 

Bij de voorplaat: wandtapijt van Jacob (Jaap) Bouhuys (1902-1983)

Dit prachtige wandtapijt van Jacob Bouwhuys werd ontworpen voor kalkzandsteenfabriek van Herwaarden in 1954. Het is nu in het bezit van Museum De Zwarte Tulp. 

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Dit prachtige wandtapijt werd ontworpen door Jacob (Jaap) Bouhuys (1902-1983). Het kleed werd in 1954 door het personeel van kalkzandsteenfabriek van Herwaarden (eerder Arnoud) aangeboden aan de directie ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de fabriek. Het stelt Mercurius voor, de god van de handel. Mercurius is herkenbaar aan zijn gevleugelde helm en zijn met slangen omkronkelde, eveneens gevleugelde staf. Hij kijkt vanuit de duinen naar de fabriek met de karakteristieke schoorstenen. Voor de fabriek zien we de fraaie bollenvelden. Een prachtig beeld van het door mensen veranderde landschap. Het interieur van het directiekantoor en dit wandkleed kwamen naar Museum de Zwarte Tulp. In 2005 werd het kleed gerestaureerd. Het kunstwerk is nu niet opgenomen in de expositie, maar op een later tijdstip zal het zeker weer te bewonderen zijn.

Een wandkleed van Jacob (Jaap) Bouhuys (1902-1983)

LANDSCHAPSVERANDERING: Van Wildernisse naar kleurenorgie

In de 17e en 18e eeuw onstonden buitenplaasen, die beschreven zijn door Ds. Craandijk. Grootschalige bollenteelt ontstond aan het begin van de 19e eeuw. In 1904 werd de Kunstzansteenfabriek Arnoud opgericht. De duinen werden afgegraven ten behoeve van de uitbreidende bollenteelt. Daar werden stenen van gemaakt. Later heette het bedrijf Van Herwaarden.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Wat een bijzonder dorp hebben we toch. Lisse en De Bollenstreek zijn wereldberoemd dankzij de Keukenhof. Hoeveel foto’s zouden er gemaakt zijn met de fraai aangeklede Jacoba’s van het bloemenpark? Dat er in de tijd van Jacoba in heel Nederland nog geen tulp te bekennen was past wel in het met mythes omgeven leven van Jacoba van Beieren.

Terug in de tijd
Het is uniek dat een landstreek is vernoemd naar het product dat er geteeld wordt. De naam “Bollenstreek” kan nog niet zo oud zijn. Grootschalige bollenteelt ontstond in de tweede helft van de 19e eeuw. Ten noorden van Lisse in het begin van de 20e eeuw. Bewoond werd deze streek al lang. Ons dorp ontstond in de vroege Middeleeuwen op de meest oostelijke duinenrij (strandwal). In de Middeleeuwen waren de graven van Holland hier de baas. Het beheer lieten zij over aan houtvesters, die hun zetel hadden in Teylingen. Meestal woonden zij er niet. Een houtvester moest toezicht houden op de jacht in het grafelijk gebied en er voor zorgen dat de graaf en zijn hof beschikten over voldoende brandstof en wild voor op de grafelijke tafel. Het was een immens jachtgebied, die grafelijke Wildernisse. Er is een verhaal dat een eekhoorn van het  haagsche Bosch naar de Haarlemmerhout,  allemaal bij het domein horend, kon reizen zonder ooit de grond te raken. Jacoba van Beieren (1401- 1436) is wel de bekendste houtvester. Zij woonde de laatste jaren van haar leven op slot  Teylingen. Daar komt het verhaal over haar kruidentuin de Keukenhof vandaan. In haar jachtgebied, in de Wildernisse, vinden we de oorsprong van de naam Keukenhof. Op een kaart van 1589 staat ‘Cookenduin’ . Op een latere kaart staat ‘de Koecken Duyn’. Verschillende  schrijfwijzen, ook Cochenduin, wat allemaal te herleiden zou zijn tot Rode Duinen. Het zou duiden op duinen begroeid met heide. Minder prozaïsch dan de hof voor de keuken (de kruidentuin) van Jacoba van Beieren op Teylingen. Laten we beide verklaringen maar in ere houden.

Gouden Eeuw
In de 17e en 18e eeuw veranderde het aanzicht van onze streek aanzienlijk. De streek werd geroemd om zijn aantrekkelijke duinen, bossen en veenweiden. Dat trok bezoekers aan die in de zomer maar al te graag de benauwde steden wilden ontvluchten en geld hadden. Langs de Heereweg en in de buurt van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden werden vele buitenplaatsen aangelegd. Natuurlijk met prachtige tuinen waarin men vast ook gepronkt heeft met de tulp die eind 16e eeuw in Nederland was gekomen. Keukenhof was een van die buitenplaatsen, het werd in 1641 gebouwd. Iets noordelijker was Zandvliet, ook met een zeer fraaie tuin, maar vooral beroemd om de exotische dieren die er gehouden werden. Omgeven door een woest oud duinlandschap lagen de buitens met hun gecultiveerde tuinen te pronken.

De 19e eeuw
In 1803 werden de landgoederen Keukenhof en Zandvliet samengevoegd. De hoogtijdagen van de landgoederen waren voorbij. Veel eigenaren konden het financieel nauwelijks bolwerken. Keukenhof had het geluk in 1809 een vermogende nieuwe eigenaar te krijgen. Buitenhuis Keukenhof werd in de tweede helft van deze eeuw zelfs verbouwd tot “kasteel” en op het voormalige Zandvlietterrein konden de bekende tuinarchitecten vader en zoon Zocher een prachtige Engelse landschapstuin aanleggen. Die tuin wordt in het voorjaar bezocht door al die toeristen. Er is sinds de tijd van de Zochers wel wat veranderd, maar het oorspronkelijke tuinontwerp is nog heel duidelijk te herkennen. Benoorden Keukenhof vinden we nog de landgoederen Veenenburg, Lapinenburg en Elsbroek, waarover later meer. Voor veel eigenaren van landgoederen werd het een steeds groter probleem om de pracht en praal op hun goed in ere te houden. Verkopen of een andere bestemming zoeken was een lucratieve oplossing. Buitens werden gesloopt. Tuinderijen kwamen er voor in de plaats. In het duingebied werd zand afgegraven dat prima verkocht kon worden voor de aanleg van wegen, spoorlijnen en stadsuitbreidingen. Bovendien kwam er steeds meer vraag naar bloembollen en laat die afgegraven gronden nu prima geschikt zijn voor de bollenteelt. De uitdrukking bestond nog niet, maar nu zouden we spreken
van een win-win situatie.

Ds. Craandijk
Nederland, en zeker onze streek, veranderde in de 19e eeuw, totaal van karakter. Dat zien we fraai omschreven in het werk “Wandelingen door Nederland” van ds. Craandijk. In de periode van 1875 tot 1888 verschijnen 8 boeken waarin hij wandelingen in heel Nederland beschrijft. We laten hem even zelf aan het woord, uit zijn voorwoord, gedateerd 1874:
“Reizen is nu even gewoon, als ‘t vroeger zeldzaam was. De afgelegen provinciën en hunne ‘achterhoeken’ komen in aanraking met de buitenwereld. Zij worden bezocht en hunne inwoners bezoeken steden en gewesten, vroeger voor hen aan ‘t einde der aarde gelegen. Landbouw en nijverheid ontwikkelen zich, bij den goedkoopen en geregelden afvoer der producten en aanvoer der grondstoffen. ‘t Onvermijdelijk gevolg is, dat het karakter van landschap en volk allengs verandert. Het eigenaardige gaat verloren, ‘t eenvormige komt”.
De wandelende dominee was een goed waarnemer en zei:
Tijd is geld, zegt de bezige zoon der 19de eeuw. Tijd is genot, zegt de wandelaar van alle eeuwen”.
In deel 6 van zijn wandelingen was “Bij Leiden” aan de beurt. Hij beschrijft zeer uitgebreid wat hij onderweg ziet. Voor ons is zijn voorjaarswandeling van station Piet–Gijzenbrug naar station Vogelenzang van belang. Zijn sfeertekening:
Hoe verachtelijk zijn die liefelijke kinderen van Flora weggeworpen en hoe balsemen zij niettemin de lucht met hun geuren! Wij hebben de prachtigste witte, rozenroode, paarsche bloemen voor het oprapen, en wat voor honderden een vriendelijk sieraad hunner armelijke kamertjes zou zijn, dat ligt hier te vergaan. ‘t Is den kweeker alleen om de bol te doen; de bloem heeft geen waarde voor hem, zelfs voor den mesthoop schijnt zij niet begeerd”.
Vol lof spreekt hij over het landschap. Zo zegt hij:
“Ruw en wild is het boschrijk duin van Keukenhof. Hoogten en dalkommen wisselen elkander af en telkens verandert het voorkomen van het landschap, maar bij iedere schrede vertoonen zich nieuwe schoonheden”.
Dan wordt de “binnenweg” naar Hillegom genomen die leidt naar de heerenhofstede Veenenburg. Daarover schrijft hij:
“Zandige heuvels, met dennen begroeid, wilde struiken langs hellingen en in valleijen, witte berken, hooge sparren, wier toppen boven ruige duinglooijingen uitsteken, geven nog altijd aan het landschap een woest en indrukwekkend karakter. Een zanderij bewijst, dat het werk der ontginning nog altijd wordt voortgezet. De scheiding tusschen de landgoederen Veenenburg en Lapinenburg is aangewezen door een hollen weg tusschen twee hoog begroeide wallen. ‘t Moet hier een wildrijke jagt zijn en van ouds waren de ‘lapinen’, waaraan dit goed zijn naam ontleent, in den omtrek van Hillegom veel overvloediger, dan den geburen lief was”.
Die lapinen (konijnen), daar had men in het verleden wat mee te stellen gehad. In de Wildernisse liepen er genoeg rond, prachtig voor de jacht van de elite. Voor de eenvoudige bewoners van onze streek waren die konijnen een ramp. Ze vernielden de groentetuintjes, de bewoners mochten er niks tegen ondernemen. De belangen van de jagers werden beschermd. Honden in de duinstreek moesten worden ‘geblokt’ (een blok hout rond de nek gebonden) of zelfs gepoot (pootje gebroken). Er ontstond zo’n konijnenplaag (voor het gewone volk dan) dat zelfs de helmbeplanting van de duinen aangetast werd en er zandverstuivingen voorkwamen. In de tijd van de grafelijke Wildernisse was het recht van de edele om te jagen nog heel groot. Het karakter van het landschap zoals Craandijk het beschrijft sluit prachtig aan bij het schilderij van A. J. Eymer (1803-1863) op de hartpagina.

Veenenburg

Landhuis Veenenburg

Veenenburg (ten zuidwesten van de hoek Veenenburgerlaan/ Loosterweg en Frederikslaan) werd in de periode die Craandijk beschrijft bewoond door de familie Leembruggen. De familie was rijk geworden van de textiel (sajetspinnerij) in Leiden. Willem Leembruggen (1851-1899) had al een spoorzanderij net ten noordwesten van de grens tussen Hillegom en Lisse. Daar werden in 1897 bronzen voorwerpen gevonden die in 1930 aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden werden geschonken. Toen Leembruggen overleed was de oudste dochter net getrouwd met Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek tot Ammerstol. Het jonge echtpaar werd eigenaar van het landgoed. Daarmee werd het einde van het landgoed ingeluid. Duinen leverden geen geld op, afgraven en omzetten naar bollengrond wel. Er was veel vraag naar goede bollengrond en vraag naar zand voor de aanleg van wegen, dijken en voor bouwlocaties. Tel uit je winst. Afgraven dus! Baron van Hardenbroek gaat in overleg met de buren van landgoed Elsbroek (met Rustenburg en Lapinenburg). Met de andere buur, Keukenhof, wordt ook getracht tot een opzet  oor afgraven te komen, maar die had er weinig oren naar. Deze rijke adellijke familie had geen boodschap aan argumenten als financieel gewin, goed voor het algemeen belang, behoefte aan bollengrond enz. Zelfs de burgemeester van Lisse trachtte argumenten voor afzanden naar voren te brengen, maar zonder succes. Met de Hillegomse buren leidt het tot overeenstemming. In oktober 1901 volgt de aanbesteding voor een vaarweg naar de Ringvaart en de aanleg van een brug in de Leidschestraat. De plek is strategisch gekozen, waar de Leidschestraat de Ringvaart het dichts nadert. Januari 1902 is er een verzoek van de Maatschappij Veenenburg-Elsbroek  voor het aanleggen van een hulpspoor langs de Frederikslaan. De kranten uit 1901 en 1902 vermelden diverse houtverkopingen. 1 januari 1903 wordt een Vennootschap opgericht, de Maatschappij tot exploitatie van Gronden Veenenburg-Elsbroek, met als doel verhuren of verpanden, afzanden, exploiteren en vervreemden van onroerende goederen en het verrichten van alles wat daarmede in verband staat of daaraan in de ruimste zin bevorderlijk kan zijn. Men kan dus beginnen, de voorbereidingen zijn rond.

Eerst nog kruiwagens en een schep in je knuisten, zo werden de boten gevuld. Met de graafmachine en de stoomlocomotieven op smalspoor en de kiepwagons ging het allemaal met een sneltreinvaart. Hier zijn echt bergen verzet, dat kunnen we wel stellen. Er is veel kleur op die ondergrond voor terug gekomen!

Kunstzandsteenfabriek De Arnoud
De ambitieuze baron had meer plannen. Er was een nieuwe techniek om stenen te produceren. In 1881 werd in Berlijn patent verleend “op een werkwijze ter vervaardiging van kalkzandsteen door inwerking van hogedruk stoom op een mengsel van kalkhydraat en zand….”. Zand in overvloed, kalk kon uit België aangevoerd worden. Er moest nog wel een fabriek ontwikkeld worden. Men liet er geen gras over groeien: Op 24 sept. 1903 werd bij de kamer van Koophandel ingeschreven ‘Kunstzandsteenfabriek Arnoud’. De fabriek komt bij het af te graven gebied tussen Hillegom en Lisse, dicht bij de Ringvaart. Het Veenenburg-Elsbroekkanaal wordt gegraven. Zand kon nu afgevoerd worden. In die tijd is praktisch alle transport over water. Transport met vrachtwagens kwam pas veel later. Dus materiaal voor de fabriek, kolen, kalk uit België, olie enz. werd aangevoerd met zeilschepen. De productie van stenen begint in augustus 1904. De geproduceerde stenen werden ook per schip afgevoerd. We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar toen De Arnoud begon was er geen waterleidingnet of elektriciteitsnet. Voor de fabricage van de stenen was stoom nodig en dus was er een eigen stoommachine en werd een generator aangedreven die voor verlichting en kracht zorgde. De productie van stenen was meteen een succes en kwam in 1904 al op 7 ½ miljoen uit. Wat zal het een bedrijvigheid geweest zijn bij de afgravingen, in en om de fabriek en bij de fabriekshaven. Veel handwerk, dus inderdaad was het goed voor de werkgelegenheid. Bedenk dat de holle wegen waar ds. Craandijk over rept nu meters boven het niveau van de bollenvelden liggen (Loosterweg, Veenenburgerlaan). We kunnen ons dan voorstellen hoeveel zand met het handje is afgegraven en afgevoerd. De graaf Van Lynden op Keukenhof bleef onvermurwbaar. Zijn goed wordt niet afgezand. Denkelijk was de sfeer tussen de beide adellijke heren er niet beter op geworden. Baron van Hardenbroek wordt in 1904 benoemd tot voorzitter van de harddraverijvereniging in Lisse, maar hij bedankt voor de eer. Hij schrijft: ‘dat hem gebleken is dat er in deze gemeente een partij bestaat zoo kortzichtig en ondankbaar betreffende algemeene diensten verricht in het belang der inwoners dat ik mij niet geroepen voel in andere opzichten het publiek aangenaam te zijn’. Bovendien bedankt hij voor de vereniging.

De afgravingen
De productie van stenen stijgt in 1914 naar 22 ½ miljoen. De afgravingen vorderen gestaag richting landgoed Veenenburg. De familie Van Hardenbroek laat zich uitschrijven uit Lisse. Het gezin vertrekt naar de nieuwgebouwde villa “Uyt den Bosch” aan de rand van de Haarlemmerhout (later werd dit de kraamkliniek). De afgravingen hebben dan Veenenburg bereikt en de villa wordt gesloopt. De afgravingen gingen blijkbaar vanaf het fabrieksterrein in noordelijke en zuidelijke richting. Omstreeks 1927 is het hele bos- en duingebied tussen Hillegom en Lisse afgegraven en omgevormd tot bollenland. Bollengrond was nog steeds schaars en de kopers en pachters waren er als de kippen bij. In 1924 was aan de Loosterweg grond voor ƒ11.000 per ha verkocht en aan de Leidschestraat voor ƒ12.000 per ha. Wat namen van bedrijven die er gronden gingen bewerken: Veldhuijzen van Zanten, Nieuwenhuis, Driehuizen, De Graaff. Niet alles werd verkocht als bollengrond. Aannemer Janssen kocht in 1927 voor ƒ3975,- een stuk grond in de punt van de Veenenburgerlaan en de Leidsestraat van ruim 13 are. Het bedrijf is er nog. Tussen Lisse en Hillegom is de afgraving compleet. De fabriek gaat door met afgraven en witte stenen produceren, het zand komt nu van Noordwijkerhout. Dat had weer gevolgen voor het landschap, grotere vaarten moesten gegraven tussen afgravingsgebied en fabriek. Vaarten en bruggen werden bekostigd door de fabriek. Namen (bijv. Veenenburgbrug, Baron van Hardenbroekbrug, Veenenburg- Elsbroekkanaal) verwijzen nog naar deze afgravingstijd. Twee brugnamen verwijzen naar vroegere bewoners van de Wildernisse, nl. de Rammelaars (mannetjeskonijn) brug en de Hippelaars (vrouwtjeskonijn) brug.

Het ontstane landschap
Hoe keek men in die tijd tegen de fabriek en de activiteiten aan? In 1916 verscheen het boek Beschrijving en kleine Kroniek van Hillegom van J.B. van Loenen. Hij maakt, net als ds. Craandijk indertijd, een wandeling. Hij loopt van Lisse naar Hillegom over de Heereweg en passeert de steenfabriek. Hij meldt:
“Het natuurschoon wint niet bij dit bedrijf! Het is inderdaad bedroevend om aan te zien, hoe die schoone  wildernisbosschen met hun hoog en laag – zulk een aangename afwisseling in het vlakke land – verdwijnen. Edoch, mooie wildernissen leveren geen practisch nut voor de samenleving op en de buitenplaatsen niet veel meer dan genoegen voor de bezitters, terwijl de intensieve bloembollencultuur, waarvoor de tot het vereischte peil afgegraven landen gereed gemaakt worden, en de zandsteenfabriek aan zeer velen blijvend werk verzekeren en bovendien het afzanden zelf weer velen anderen tijdelijk werk verschaft”.
In de maanden april en mei waren de bollenvelden natuurlijk prachtig en trokken veel toeristen. In de andere maanden was het maar een troosteloze, vlakke, kale toestand. Velen zullen vol heimwee gedacht hebben aan de tijd van de Wildernissen.

De naoorlogse tijd

Als je goed luistert kan je de stoomfluit nog horen

Nederland moet weer opgebouwd worden. Landgoed Keukenhof is eigendom van Jan Carel Elias van Lynden (1912 – 2003), maar hij woont niet meer op het terrein. Kasteel en landgoed  ebben zwaar te lijden gehad in de oorlogsperiode. Bollenkwekers moesen hun bedrijven weer opbouwen en zochten een terrein om hun producten te tonen. Het is begin 1949 wanneer burgemeester Lambooy de suggestie van een tentoonstelling op voormalig Zandvliet oppert. Graaf Van Lynden vond het een prachtige bestemming. Met de inkomsten van de verhuur voor de tentoonstelling kan hij deels de restauratiekosten van het kasteel betalen. In 1949 wordt de stichting Nationale Bloemententoonstelling Keukenhof opgericht. In het najaar gaan de eerste bollen de grond in. Het blijkt een ongekend succes. In het voorjaar naar de bollen, de velden tussen Hillegom en Lisse zijn onvoorstelbaar mooi. Een bolbloemexpositie op een oud landgoed bezoeken is onvergetelijk. Bloemententoonstelling Keukenhof blijkt al snel een blijvertje. Na het overlijden van de laatste graaf komt de verantwoordelijkheid van het landgoed bij een stichting te liggen. In 2015 speelt burgemeester Spruit van Lisse nog een bemiddelende rol om tot een betere afstemming tussen landgoed en bloemententoonstelling te komen. De Stichting Graaf Carel van Lynden wordt opgericht. Ruim 100 jaar eerder was er weinig waardering, ook vanuit het Lisser  gemeentebestuur, voor de halsstarrigheid van de eigenaren van Keukenhof. Maar wat mogen we de Van Lyndens dankbaar zijn. De herinnering aan een oud duinlandschap is op het landgoed Keukenhof nog steeds te zien. Benoorden het park is dat landschap verdwenen en vervangen door bollenvelden. Maar bij een uitbreiding aan de noordoost kant van het bloemenpark werd toch een link gelegd naar het oude landschap door het terrein af te sluiten met nieuw aangelegde duinen. Daarvandaan en ook vanaf de Keukenhof-molen (uit Groningen) heb je een pracht uitzicht over de bloemenvelden die er kwamen dankzij de afgravingen door de maatschappij Veenenburg-Elsbroek. De fabriek die zo een groot aandeel had in het ontstaan van dit landschap is te zien. Jammer dat die schoorstenen verdwenen zijn. Dan had het verhaal kunnen luiden dat die schoorstenen lager waren dan de hoogste afgegraven duinen. En graag nog een keer, (oudere Lissers herinneren het zich nog) die stoomfluit laten horen. Dat zou het sprookje van dit door vele handen geschapen landschap compleet maken.

 

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller van achter het IJzeren gordijn (deel 1)

Dietmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

In de serie VAN VER GEKOMEN voeren we dit keer een gesprek met een man die jarenlang het gezicht was van een bekende fotohandel in Lisse. Een van de winkels op het Vierkant die klanten uit de wijde omgeving trekt. De heer Müller ontvangt ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we via vijf grote ramen, aangebracht over de breedte van het pand, het Vierkant. Voorwaar het mooiste uitzicht dat je je bedenken kunt. En, zo verzekert hij, een belevenis om van hieruit het corso te bekijken. Voor de plaats van het interview kiezen we voor de ronde tafel in de gezellige keuken. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal vertellen.

Dietmar Georg Müller werd geboren op 7 juli 1938 in Hilbersdorf, een voorstadje van Chemnitz in het oosten van Duitsland, aan de voet van het Ertsgebergte. In een gezin met drie jongens was hij de middelste. De familie woonde op de tweede verdieping van een driehoge flat. Twee jaar voor de geboorte van Dietmar had vader Paul meegedaan op het onderdeel tienkamp tijdens de fameuze Olympische Spelen in Berlijn, overschaduwd door het nationaalsocialisme. Speerwerpen was het onderdeel waarop hij uitblonk. De heer Müller laat een beeldje zien van een speerwerper dat zijn vader kreeg uitgereikt: “Veel dingen zijn in de oorlog verloren gegaan, deze trofee heb ik nog”. Moeder zorgde thuis voor de kinderen en vader werkte bij de spoorwegen. Hij maakte brandkasten met speciale vergrendelingen, enorme kasten waren dat. Vader was niet veel thuis. Hij werkte als vrijwilliger bij een sportschool als instructeur van een groep van rond de 25 jonge meisjes die gymden met een nieuw apparaat: een Rhönrad. Een groot rad met dubbele hoepels waarin je met gespreide armen en benen alle kanten kunt opdraaien en kunstjes kunt uitvoeren. Een ware hype en een spectaculair gezicht. De meisjes demonstreerden hun kunnen tijdens bedrijfsfeestjes en voor de aanvang van voetbalwedstrijden. En moeder mocht na de voorstelling de kleding van de jongedames wassen. Het gezin was evangelisch-luthers, de kinderen werden gedoopt, de christelijke feestdagen gevierd. Een doorsnee Duitse familie, die geen gebrek kende, totdat het noodlot toesloeg.

Noodlot

Het gezin Müller vlak voor der dood van vader

Chemnitz was en is een belangrijk knooppunt in het Duitse spoorwegnet en Dietmars vader was als instructeur werkzaam bij de spoorwegen bij het RAW, Reichsausbesseringswerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zwoegden hier vooral Franse krijgsgevangenen uit het “Arbeitslager” ‘Stammlager IV F’, een kamp vlakbij de werkplek van vader Müller. De resten uit de ketels van de bedrijfsgaarkeuken werden tussen de rails van de spoorbaan gedumpt, waar hongerende Fransen wat eetbaar was van de grond schraapten. Paul Müller kon deze mensonterende toestanden niet aanzien. “En wat deed mijn vader. Hij gaf ze een grote pot en zei, hier, eten jullie hier maar uit”. Deze humane daad kostte hem het leven. “Iemand heeft het gezien en hij werd direct naar het front gestuurd in de laatste week van de oorlog. Voor straf stuurden ze hem naar het OderNeisse-front ten oosten van Berlijn. Mijn vader kreeg geen militaire opleiding. Hij sneuvelde al na een week.” Twee dagen voor zijn vertrek werd een foto van het gezin gemaakt, een soldaat, zijn vrouw, twee opgroeiende jongens, een kleine in een kinderwagen…

Kinderjaren

Dietmar Müller als kind

Op moeder Gertrude rustte de zware taak de kost voor haar en haar drie jongens te verdienen. Ook zij ging werken bij de spoorwegen. De Russen bezetten na afloop van de Tweede Wereldoorlog het oosten van Duitsland. In de ogen van de communisten was zij de weduwe van een “Kriegsverbrecher” en had zij geen recht op ondersteuning. “Mijn grootmoeder ving mij op, mijn oudste broer zorgde voor mijn kleine broertje”. Chemnitz lag inmiddels niet meer in Duitsland, maar in de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, de communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie, waar de kinderen op school Russisch leerden. De stad zelf werd in 1953 omgedoopt tot Karl-Marx-Stadt, vernoemd naar de grondlegger van het communisme.

De jonge Dietmar Müller ging naar de Grundschule in een nabijgelegen plaats. In de wintermaanden bond hij de skis onder en met zijn rugzakje om skiede hij naar school. Zijn leven lang heeft hij de skisport beoefend, tot twee jaar geleden knieproblemen dat verhinderden. Na de lagere school ging hij naar de Berufsschule voor een theoretisch-praktische opleiding voor machinebankwerker.

Weltfestspielen der Jugend

In 1951 werden in Oost-Berlijn de Weltfestspielen der Jugend gehouden. Doel van de massabijeenkomst van veertien dagen was onderling begrip te kweken tussen jongeren van alle volkeren en zo de wereldvrede te bevorderen. Een ideale propagandagelegenheid voor de piepjonge DDR om internationaal indruk te maken. 26.000 deelnemers uit 104 landen verbleven in tentenkampen en namen deel aan discussies, massale parades, muziek- en dansdemonstraties. De jongeren werden met goederenwagons naar Berlijn getransporteerd. Dietmar Müller was een van hen. Dietmar werd ondergebracht in een tentenkamp aan de Müggelsee, een Berlijns binnenmeer. “Ik had een tante wonen in Charlottenburg, in de Britse sector van Berlijn. Ik wou mijn tante in het Westen bezoeken en ben stiekem met de U-Bahn naar Charlottenburg gegaan. ’s Avonds kwam ik terug in het tentenkamp en iemand had mij gezien. Toen moest ik mijn rugzak inpakken en terug naar Karl-Marx-Stadt. Ik mocht daar niet meer blijven. Ik leerde het vak van machinebankwerker bij een bedrijf met 2500 mensen in dienst. Die werden bijeengeroepen voor een ‘Betriebsversammlung’ speciaal voor mij, omdat ik naar West-Duitsland was gegaan op kosten van de Oost-Duitse staat. Ik was fout geweest. Ik zat op een stoeltje op het podium. En toen trokken ze van leer. Ik moest alles terugbetalen. De reis in de goederenwagon naar Berlijn, de reis terug. Dat geld had ik niet. Dus moest ik de gevangenis in voor drie dagen. Ik was bijna klaar met mijn opleiding, die liep nu een half jaar vertraging op.” Na deze traumatische gebeurtenissen trad Dietmar vervolgens als machinebankwerker in dienst van het laatste bedrijf in Karl-Marx-Stadt dat niet onteigend was. Ook zijn oudere broer werkte daar. Tijdens de lunchpauze sprak hij wel met een jonge collega, een jehova’s getuige. “Zeugen Jehovas” werden vervolgd in de communistische heilstaat en de jongen wilde naar het vrije Westen. Na zijn ervaringen met het DDR-systeem wilde ook Dietmar graag weg en hij vroeg of hij mee mocht.

Gevlucht

Dietmar Müller op de fiets

De tweede dag na zijn 18de verjaardag gingen ze samen op de fiets door heuvelachtig land naar het Oost-Duitse grensstadje Plauen, in het Vogtland. In de rugzak een korte en een lange broek en twee of drie hemdjes. Bij Plauen werden ze opgevangen door hulpjes van de jehova’s. Via sluiproutes werden ze midden in de nacht naar de grensgovergang gegidst. Een gevaarlijke tocht, het gebied lag vol mijnen. Over de grens namen de twee jongens
afscheid en Dietmar meldde zich bij de politie in het plaatsje Hof in West-Duitsland, waar hij vouchers kreeg voor voedsel en overnachtingen in jeugdherbergen. Hij fietste alleen verder, naar Frankfurt am Main – 500 kilometer – en meldde zich ook daar bij de politie, werd verhoord en naar een luxe hotel in Bad Nauheim gebracht. Daar werd hij een week lang verhoord door de bezettende machten van West-Duitsland: de Fransen, Canadezen, Amerikanen en Engelsen. “In het voorstadje van Karl-MarxStadt waar ik woonde, was een Russische kazerne. De Amerikanen projecteerden een kaart op de muur en wezen aan, dáár is uw huis, en dáár is de kazerne. Ze wisten dat ik elke ochtend met de tram naar mijn werk was gegaan. Op een dag was op een kruispunt een Russische vrachtwagen omgekieperd, de straat lag vol munitie. Ik moest beschrijven wat ik allemaal gezien had.” Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord-Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje. ►

volgend nummer deel 2

Bestemmingsplan Stationsweg 1-3 en aanvraag monumentenstatus

Het CHG en de VOL hebben een zienswijze ingediend om de bollenschuur van De Wolff uit 1906 te behouden. Het CHG heeft op 11 februari 1919 een aanvraag ingediend om de bollenschuur van de Wolff aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nieuwsflitsen

Betreft zienswijze op Voorontwerp bestemmingsplan Stationsweg 1-3 te Lisse. Het Cultuur-Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) heeft mede namens onze vereniging haar zienswijze ingediend op het voorontwerp van het bestemmingsplan bij “Hoeve De Wolff”. De gemeente Lisse heeft het voornemen het vigerende bestemmingsplan van de locatie Stationsweg 1-3 te wijzigen om een nieuwe woning te realiseren op en nabij de plaats waar nu een bollenschuur staat. Dit impliceert dat deze schuur zal moeten worden afgebroken. Het CHG en VOL gaan niet akkoord met de voorgenomen bestemmingplanwijziging waarin de aan de “Hoeve de Wolff” aangebouwde historische bollenschuur uit 1908 wordt gesloopt om een nieuwe woning te realiseren. De voorgestelde bestemmingsplan wijziging doet geen recht aan de hoge landschappelijke en cultuurhistorische en toeristische waarden van dit gebied dat pal naast het historisch landgoed en bloemententoonstelling Keukenhof ligt. Ook de beeldkwaliteit van de voorgestelde nieuwe woning levert geen bijdrage aan verbetering en verrijking van deze locatie of het landschap. Daarnaast ontbreekt het aan onderzoek of de historische bollenschuur die in 1908 gebouwd is, niet monumentwaardig is. Dit is in 2007 bij het vaststellen van de gemeentelijke monumentenlijst niet goed onderzocht door Dorp, Stad en Land (DSL). Ook niet in 2011 toen men voornemens was om de bollenschuur te slopen. Het CHG heeft de gemeente toen schriftelijk aangeboden om onderzoek te doen naar de cultuurhistorische waarde van de schuur, om te beoordelen of deze waard is om tot gemeentelijk monument aangewezen te worden. De gemeente ging hier niet op in omdat er nog geen concrete plannen waren met de schuur. Daarom stelt het CHG in zijn zienswijze voor om te onderzoeken of de bollenschuur in aanmerking komt voor de status van gemeentelijk monument.

Aanvraag Monumentenstatus

Het CHG heeft op 11 februari 2019 bij de gemeente Lisse de aanvraag ingediend om de karakteristieke bollenschuur “Hoeve De Wolff”, Stationsweg 1-3 te Lisse aan te wijzen als gemeentelijk monument en daarvoor de benodigde onderzoeken te laten verrichten naar de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur, omdat het dan ook door de Erfgoedcommissie beoordeeld kan worden. Er is nooit onderzoek verricht naar: 1. architectuur, ligging, bouwhistorie en karakteristieke kenmerken van de bollenschuur als bollenerfgoed; 2. de cultuurhistorische waarden van de bollenschuur, zowel lokaal als regionaal, representativiteit, ontwikkelingen door de tijd heen, ensemblewaarde, zichtbaarheid en toeristische waarde; 3. de bouwkundige staat van de verschillende gedeelten van het gebouw, de mogelijkheid tot partiële sloop (bijvoorbeeld van de aangebouwde loods), alsmede advisering naar welke periode de schuur het best kan worden gerestaureerd; 4. de mogelijkheden voor passende herbestemming van de bollenschuur. Gelet op de cultuurhistorische waarde van de schuur, de unieke locatie, midden in het open bollenlandschap vlak bij Keukenhof, en de unieke samenhang met de Hoeve De Wolff, die reeds de status van gemeentelijk monument heeft, is onderzoek naar de cultuurhistorische waarde van de bollenschuur gewenst, waarna een verantwoorde afweging kan plaatsvinden over plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. De Werkgroep Bollenerfgoed van het CHG heeft het college aangeboden een dergelijk onderzoek graag te willen verrichten. De gemeente Lisse heeft op 22 februari 2019 gereageerd op de inspraakreactie van het CHG en deelde mee dat de gemeente Lisse voornemens is om nader onderzoek uit te voeren naar de bouwtechnische staat van de desbetreffende bollenschuur. Tevens wil de gemeente de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur nader onderzoeken. De uitkomsten van deze onderzoeken gaat de gemeente verwerken in de beantwoording van de inspraakreactie. Dat betekent dat de beantwoording van de inspraakreacties wat langer op zich zal laten wachten. De beantwoording volgt nadat duidelijk is wat de onderzoeken hebben opgebracht en wat dit betekent voor het bestemmingsplan. Wordt vervolgd!

landgoed boerderij

Boerderij “De Wolff” bij Landgoed Keukenhof

Tulpomania

John Rabou  maakte de tekening, die op de voorpagina staat. De plaat symboliseert de tulpomania, de windhandel in tulpen in de 17e eeuw.

BIJ DE VOORPLAAT

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Illustrator John Rabou was ooit de ontwerper voor “Het Land van Ooit” waar hij de titel van “Opperhoftekenmeester”droeg. Hij maakte deze prachtige schoolplaat in de trant van J. H. Isings over de “Tulpomania”. In 1636–1637 raakte Holland in de ban van de handel in tulpenbollen. Een van de belangrijkste centra van deze handel was Haarlem, de stad die we op de achtergrond herkennen, met de Sint-Bavo en de Amsterdamse Poort. De prijzen stijgen tot fabelachtige hoogten en de handel ontaardt in een heuse windhandel; in deze plaat gesymboliseerd door de zeil- of windwagen, hier verbeeld als zege- of praalwagen van de godin Flora, wier hoorn des overvloeds letterlijk overloopt van de tulpenbollen. De handelaren of floristen, die met haar meerijden, verenigden zich in zgn. Comparities en kwamen bijeen in kroegen, waarvan de namen op de schilden aan de zijkant van de wagen te zien zijn. De floristen noemden hun handel “de kap”. Wie zich met tulpenhandel bezighield was “in de kap”. Vandaar de narren- of zotskap op de vlag achter Flora.

Andere verwijzingen naar de gekte zijn de wereld(bol)op zijn kop op het vaandel aan de mast, de verbeelding van de bloemisten als apen, die in de Renaissance als satirische verzinnebeelding golden van de menselijke hebzucht en domheid. Ze dragen allemaal veelbetekenende namen, zoals “Hope near Winst”, “Gragryck” en “Liegwagen”. Hun samenkomsten in de kroegen ontaardden veelal in eet- en drankgelagen. Het bellenblazen verwijst uiteraard naar het “uiteenspatten van de bubbel”. De wagen stevent onvermijdelijk af op een “schipbreuk” in de rivier van de onderwereld, de Lethe (“Laetus Vloet”), ofwel de Stroom der Vergetelheid. Ondertussen verdwijnen ook de contracten en wisselbrieven langzaam maar zeker in deze vloed. “Ydel Hope” probeert nog het tij te keren door een anker uit te gooien.
Dat mag helaas niet baten, want het anker zit niet aan de wagen vast. Achter de wagen lopen Haarlemse burgers, veelal wevers, onder het uitroepen van “wij willen me´vaeren” en aangelokt door “Gragryck” met een volle geldbuidel. Op het zeil zien we een afbeelding van de allerduurste tulp, de “Semper Augustus”, naar een aquarel uit het Tulpenboek van Judith Leyster uit 1643. Flora draagt als attribuut de meest gewilde tulpen, “Generael Bol”, “Purper Wit Poulenborg” en de “Admirael van Horn”, terwijl andere variëteiten die het meest in prijs gedaald waren, verspreid onder en rondom de wagen
liggen. Rechtsachter worden twee kooplustigen rondgeleid in de kwekerij van een van de bekendste kwekers van Haarlem, “Pottebackers Hoff”. Rechtsvoor staat een totaal berooide Haarlemse wever in opperste verbazing het hele tafereel gade te slaan: “Wie hat dit gemeent”.

Bron

Voor deze illustratie heb ik gebruikt gemaakt van contemporaine schilderijen en spotprenten: Getekend op Fabriano aquarelpapier. Techniek: tekening, aquarel, gouache. Conditie: uitstekend. Beukenhouten lijst: breed: 1,8 cm. Diep: 3,5 cm. Ingelijst achter glas, 104 x 74 cm. “Ready to hang”. Gesigneerd (onder de zwarte tulp links) John Rabou 1998.

Deen Boogerd

Illustrator John Rabou maakte deze prachtige schoolplaat.