Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Oud Nieuws: DRIE EEUWEN GRUTTERS IN LISSE op de GRACHTWEG en ’t VIERKANT

In de Grachtweg en op ’t Vierkant waren in het verleden meerder grutters aanwezig.  De grutters vermaalde het graan.

door Dirk Floorijp en Alfons Verstraeten

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

Uit de archieven komt steeds meer informatie tevoorschijn over hoe de samenleving in ons dorp in het verleden functioneerde. Zaken waar we allang geen weet meer van hebben. Wat is een grutterij, wat zijn grutters?

In een grutterij verwerkte men met name boekweit, wat geen graan is, tot boekweitgort en vervolgens tot boekweitmeel. De zaadkorrels werden in de grutmolen of pelmolen gebroken. Ook haver en gerst werden zo verwerkt. Die pelmolen werd vaak aangedreven door paardenkracht, een rosmolen dus. Koren als rogge en tarwe werd gemalen in een windkorenmolen. In de grutterswinkel, ook grutterij genoemd, werden grutterswaren verkocht: houdbaar en houdbaar gemaakt voedsel. Een grutter, later kwam het woord kruidenier daarvoor in zwang, is dus iemand die grutterswaren verkoopt.

Grutterij in Lisse
Aanvankelijk was de grutterij van Lisse gevestigd aan de Gracht, schuin tegenover de korenmolen. Later vinden we de grutterij terug aan ’t Vierkant. Grutter Andries Verduijn ging daar in de jaren zeventig van de 19de eeuw mee met
de vooruitgang. Hij liet de grutterij toen ombouwen tot een stoomgrutterij. Met deze vooruitgang had men geen paard meer nodig. In het begin van de 20ste eeuw is de grutterij uit Lisse verdwenen. In het pand op ’t Vierkant, Heereweg 230, toen bestaand uit twee panden, begon Albert Heijn, de Zaanse grootgrutter, een filiaal. Zijn naam prijkt nog prominent op de gevel. Hoe de grutterij er heeft uitgezien weten we niet. Er werd meestal met twee man gewerkt, vader met een zoon of een knecht en met een paard. De ambachtsheer had vaak het recht op exploitatie en
verpachtte dat. Van de korenmolen ontving hij het recht van wind: 18 stuijvers. Als we nu op het parkeerterrein bij de Haven staan, merken we niets meer van de grote bedrijvigheid van weleer. Een korenmolen in vol bedrijf ongeveer 20 meter ten oosten van de Molenstraat en een eindje verderop westwaarts de grutterij en daar voorbij de Waag, waar de aangevoerde goederen werden gewogen. Verder de marktschippers op Amsterdam en Leiden en zelfs Rotterdam die hun waren afleverden. Ook tal van hoog opgetaste zeilschepen met vlas van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden voor de vlasverwerking in de vele vlasovens in Lisse. De oudste vermelding die duidt op het bestaan van een grutterij stamt uit 1666. Jan Aelbertsz Heemskerck (Lisse, 1605 – Lisse, 1667), telg uit een molenaarsfamilie, is zelf ook molenaar en eigenaar van de korenmolen in Lisse. Tevens beschikt hij over een eest: een droogplaats voor het drogen van grutterswaren. Zoon Aelbert Jansz Heemskerck (–Lisse, 1680) wordt genoemd als gebruiker van de grutters eest.

Aan de Grachtweg
Vanaf die datum vinden we in de archieven een hele reeks grutters terug. De grutter was een belangrijk persoon in de gemeenschap. De eerst genoemde grutter Heemskerck was later ook schepen en burgemeester van Lisse. We komen onder de grutters ook functies tegen als vrederechter, schout en kroosheemraad. Interessant zijn de verkopen van de grutterij. Zo vinden we dat in 1707 de grutterij met twee huizen voor de somma van 1645 gulden gekocht is door grutter Adriaan Uitermeer, maar zonder “het swarte paard met de chese en een koperen roskam en krowage ”. Een goed idee van wat er bij de grutterij komt kijken krijgen we bij de verkoop van de grutterij in 1716 aan grutter Van Leeuwen:

4800 gulden wordt getaxeerd en er voor betaald, alsmede:
drie paarden 700:0:0
een wage met tuijgen en beslagen wielen 160:0:0
een kar met zijn tuijg 80:0:0
een chese met de tuijgen 100:0:0
een paardeslee met het tuijg 40:0:0
de grutsteenen, stoelkuijp, sifthark met sijn bakken 400:0:0
de meelstenen, stoelkuijp,
kaarnbuul met sijn toebehoren 300:0:0
ruim honderd zakken 100:0:0
drie gortzakken, een melk en hoekbank 120:0:0
(bedragen werden weergegeven in gulden : stuiver : cent)

Eind 1810 eindigt de reeks grutters die hun werkterrein aan de Gracht hadden. De gruttersknecht Hijndrik Cornelis Pijnacker koopt dan alleen de grutmolen en het bedrijf wordt elders voortgezet. De twee huizen die tot dan toe steeds tezamen met de grutmolen werden verkocht, komen nu in handen van niet-grutters. In het begin van de 19de eeuw is er geen grutterij meer aan de Grachtweg.

De grutterij aan ’t Vierkant
De gruttersactiviteiten verplaatsen zich in het begin van de 19de eeuw van de Grachtweg naar het Vierkant. Wellicht dat in deze periode het vervoer over land belangrijker begon te worden dan het transport over water? Op de plek, nu Heereweg 228 – 230, naast De Vier Seizoenen, worden de gruttersactiviteiten voortgezet. Ook daar wordt weer een reeks grutters in de archieven genoemd. In 1869 vinden we Andries Verduijn als grutter en eigenaar. Hij laat de grutterij in 1873 ombouwen tot een stoomgrutterij. In 1896 is de grutterij in eigendom van vader Andries Verduijn en zijn oudste zoon Frederik Martin Verduijn. Vanaf 1900 is er sprake van een uitdijend familiebedrijf, naast vader Verduijn en zijn oudste zoon werkt er ook zoon Johan Verduijn als grutter. Bovendien zijn er nog twee neven van de zijde van zijn vrouw: Adrianus Carsjens en Wouter Carsjens, beiden ook grutter. In 1896 was aan de Ringvaart al een maalderij met pakhuis gebouwd. Daar stond het bedrijf tot 1951 bekend als graanmaalderij. Daarna blijft het tot de jaren tachtig een groothandel in levensmiddelen. De zaken waren al eerder gesplitst. In 1926 is Johan Verduijn (Lisse, 1879 – Lisse, 1936 ), getrouwd met Gerarda Margaretha van Parijs (Lisse, 1881 – Leiden, 1937 ), de enige eigenaar van de grutterij aan het Vierkant. Hij laat het pand in 1930 slopen om plaats te maken voor het huidige dubbele (winkel)pand. In 1931 vestigt “grootgrutter“ Albert Heijn er zijn 115de filiaal.

SPOREN VAN GRUTTERS IN LISSE

Grutters werden kruideniers en kruideniers gingen over tot zelfbedieningszaken die later supermarkten werden. De
meeste zijn eens als grutterij begonnen sommigen zijn uitgegroeid tot grote winkelketens zelfs multinationals.
Wie weet nog van de “Kijkgrijp” van Mijnders of het “Snoepje van de Week” van de Gruyter. Je keek er naar uit! Zegt de naam Wesselo u nog iets? Of het enorme gebouw van Verduijn aan de Ringvaart waar nu een nieuwe wijk wordt neergezet. Een beetje nostalgie kan geen kwaad!

De graanmaalderij in 1938. Het vrachtschip wordt geladen of gelost.
Foto: Oud Lisse

Gevelsteen “De Rosmolen” Gruttersteeg te Monickendam

 

HOBAHO 100 jaar

De geschiedenis van de HOBAO wordt beschreven in 5 pagina’s. Het bedrijf is in 1921 opgericht. De eerste veilingen waren in de Hotelrestaurant de Witte Zwaan, vandaar de twee witte zwanen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat het bloembollenbemiddelingsbedrijf (plus vroegere veiling) Hobaho werd opgericht. Ergens rond Pasen 1970 timmerden de slopershamers er geducht op los en verdween de Witte Zwaan voorgoed en geheel uit beeld. Wat hebben die zaken met elkaar te maken? Welnu: een goede opmerk(st)er zal namelijk in Lisse allang hebben ontdekt dat een groot bedrijf de zwaan jarenlang als beeldmerk voerde. De bloembollenveiling Hobaho en die verwantschap met het etablissement is er niet voor niets, want de wieg van dit veilingbedrijf stond in de Witte Zwaan.

De eerste bloembollenveilingen werden bij de Witte Zwaan gehouden

Om een stukje uit de ontstaansgeschiedenis van het Hollands Bloembollenhuis, ofwel Hobaho (ontstaan uit de samenvoegingen van namen van de oprichters, de heren Homan, Bader en Hogewoning) te belichten, moeten we verder terug in de tijd. Vandaag de dag zijn bloembollen dan weliswaar algemene kost in ons dorp, er was een tijd
dat dit beslist niet zo was. De geschiedenisboekjes leren ons, dat tijdens de kruistochten de eerste exemplaren van tulpenbollen vanuit Turkije Nederland zijn ingevoerd. Doch de eerste feitelijke gegevens over tulpen, hyacinten en narcissen dateren uit de 16de eeuw. Carolus Clusius, hortulanus aan de Hortus Botanicus te Leiden, wordt genoemd als de grote gangmaker van de bloembollenteelt. Spoedig daarop ontstond er op bescheiden schaal ook handel in bloembollen. De bekende windhandel, “de dwaze tulpenmanie”, vormde in 1633 het hoogtepunt van een periode, waarin verzamelaars veel geld aan een enkel exemplaar besteedden. Men had er in die tijd een toer aan om voor fl.3.000,- een enkele tulpen-bol te bemachtigen. (Ter vergelijking: men kocht in die tijd voor fl. 120,- 500 kg kaas of voor fl. 120,- 12 vette). De handel vond voornamelijk plaats in café ’s. In het begin van 1637 volgde hierop een scherpe reactie, waarbij vermogens werden verloren.

Veilen.

F02831 – Aanvoer van bloembollen in 1928. Via een zijkanaal van de Haven liep het water tot in de hal van de Hobaho.

Voor heel veel kwekers, vooral in de verder afgelegen gebieden, was het natuurlijk onmogelijk om regelmatig de beurs te bezoeken. Honderd jaar geschiedenis dus van een vermaard bedrijf. Het voert te ver om alle “ins en outs” uit die periode hier te beschrijven, maar natuurlijk wel over de start en enkele hoogtepunten in de latere jaren. In het begin van de eeuw zwierven de inkopers dan ook door alle teeltgebieden. Zij reisden meestal per openbaar vervoer, zoals met de tram, maar ook per trein waarbij de fiets met hen meereisde; later kwamen er ook, die zich een motorrijwiel of een automobiel aanschaften, maar dat waren uitzonderingen. De inkopers hadden toen zwaar werk, waren veel en vaak meerdere dagen van huis, maar voor hen zat er toch ook wel wat aantrekkelijks en avontuurlijks in. Zij maakten er een sport van om zo goedkoop mogelijk in te kopen en met mooie verhalen de benodigde partijen bij de kweker voor een zacht prijsje in de wacht te slepen. Het feit, dat er geen prijsnoteringen waren, maakte het heel goed mogelijk zo nu en dan wat te “rommelen”. Dit werd echter heel anders toen in het begin van de twintiger jaren de bloembollenveilingen ontstonden. Er kwamen min of meer vaste prijzen, die op de veiling gemaakt waren. De kwekers hadden daardoor wat meer in te brengen bij hun verkoopgesprekken; “Als je ze voor die prijs niet wil hebben, gaan ze naar de veiling….” Zo werd de handel stabieler: een variatie van enkele stuivers was in de plaats gekomen van vage prijsgegevens met verschillen van kwartjes en guldens. Door de veilingen zijn de mogelijkheden om bloembollen in het buitenland te verkopen aanzienlijk uitgebreid. Vroeger kon de kweker zijn partijen BESTEMD VOOR DE EXPORT uitsluitend rechtstreeks aan de exporteur of handelaar verkopen, soms via de beurs. Nu kon hij tot voor kort zijn boembollen laten veilen bij Hobaho of HBG (later CNB) via één van de latere vier In- en Verkoopbureaus verkopen of zelf, dus zonder bemiddeling, een koper voor zijn product zoeken.

De eerste bloembollenveiling
Rond 1880 ontstonden in Nederland de eerste groenteveilingen, waardoor men bekend raakte met het systeem van verkoop “via de klok”. Het veilen van bloembollen bestond toen nog uitsluitend in de vorm van “groene veilingen”. Groen wil zeggen, dat partijen bloembollen – tijdens, of vlak na de bloei – op het veld bij opbod en afslag worden verkocht. Een systeem van verkopen, dat al in de 17de eeuw werd toegepast. In navolging van de groenten werd in 1919 het veilen van “droge” (geoogste en exportklare) bloembollen in West-Friesland het eerst aangepakt. Een groep kwekers stichtte daar de Coöperatieve Veilingvereniging. De eerste veilinghal werd in Bovenkarspel gebouwd. Eerdere veilingen hield men daar op de kolfbaan van “Het Roode Hert”. Het bleef niet bij die ene bloembollenveiling.
In de loop der jaren kwamen er – naast veiling HBG en Hollands Bloembollenhuis in Lisse – bloembollenveilingen in Hillegom, Haarlem, Beverwijk, Broek op Langedijk en ‘s-Gravenzande. Al deze veilingen zijn echter na korte of langere tijd weer verdwenen, gefuseerd, opgeheven of zijn overgegaan op het veilen van andere producten.

Duo.
Tot 1976 waren er lange tijd drie grote bloembollenveilingen, te weten Hollands Bloembollenhuis N.V. te Lisse en de coöperatieve veilingen H.B.G. en West-Friesland, respectievelijk in Lisse en Bovenkarspel. De beide coöperatieve veilingen gingen in 1976 een fusie aan, hetgeen resulteerde in de Coöperatieve Nederlandse Bloembollen Centrale, de CNB, met als hoofdvestiging Lisse en een nevenvestiging in Bovenkarspel. Voor het overige speelt al het veilinggebeuren  zich dus in Lisse af. Weliswaar heeft Hobaho ook een nevenvestiging in Breezand, maar daar worden reeds lang geen bloembollenveilingen meer gehouden.

Het begin van N.V. Hollands Bloembollenhuis
Toen in West-Friesland de eerste bloembollenveiling werd opgericht opereerden de heren Homan, Bader en Hogewoning reeds een aantal jaren als “groene veiling directie”. Er waren in de Bollenstreek in het verleden wel eens enkele veilingen van “droge” bloembollen gehouden, maar dit gebeurde slechts incidenteel. Na enkele jaren succesvol op het gebied van groene veilingen (veilen van de bollen op het land) samengewerkt te hebben, besloot het eerder genoemde driemanschap in 1921 ook “droge veilingen” te gaan houden. In die lange, hete zomer van 1921 hadden ze alle geluk van de wereld, want ze hadden de reactie op hun initiatief ver onderschat. Ze dachten aan het koetshuis en de overige ruimten van hotel “De Witte Zwaan” in Lisse genoeg te hebben om de aanvoer van hun veilingen op te vangen. Er kwamen echter zoveel bollen, dat het grootste gedeelte buiten moest staan. Zonder deze warme, droge zomer zou de N.V. Hollands Bloembollenhuis wellicht in de kiem zijn gesmoord. De zomers van 1920 en 1922 waren namelijk nat…!

Onderschat initiatief

F02837 – Hal 2 van de Hobaho liep tot aan de gracht (1953).

Maar de heren hadden in dat ene seizoen gezien, dat hun initiatief goede perspectieven bood en zij pakten de zaken meteen groot aan. Aan de Haven te Lisse lieten zij een hal neerzetten van 4200 vierkante meter, waarvan 500 vierkante meter sloot, zodat de aanvoer per schip binnengevaren kon worden. Het was een complete hangar en van heinde en verre kwam men (hoofdschuddend) naar dat bouwsel kijken. In 1924 was het bestaan van de veiling verzekerd. In de hal werd een kantoor en een veilingzaal met afmijntoestel (veilingklok) gebouwd. De kopers raakten hun angst en afkeer voor dat toestel kwijt; de kritiek verstomde en veranderde in waardering. Men was aan de groei van Hobaho gewend geraakt en niemand lachte meer, toen de hal in 1928 met 2.000 vierkante meter werd vergroot. In de loop van de jaren werden er nog drie hallen bijgebouwd, land en panden aangekocht, zodat het totale complex 4.36 ha besloeg. De vier hallen omvatten totaal 10.735 vierkante meter; de kantoren van Hobaho met drukkerij en redactie/afgiftekantoor 1308 vierkante meter. Verder beschikt Hobaho nog over twee parkeerterreinen van respectievelijk 2110 en 1540 vierkante meter. Er is niet echt veel meer dat aan het veilingbedrijf van anno 1920 herinnert. De ontwikkelingen gingen in een razend tempo voort en de veilingen gingen daarin mee en nemen zelfs vaak het voortouw. Dat deze bedrijven binnen enige jaren weer vele veranderingen zouden ondergaan stond vast, want men wilde en moest “bij” blijven om op alle fronten in de markt te kunnen blijven. Tot op heden is bewezen dat men op voortreffelijke wijze op de jongste ontwikkelingen inspeelt en niets wijst erop dat dit in de toekomst niet zal worden voortgezet. Wat de veiling Hobaho betreft begonnen de eerste schreden op het veilingpad dus in De Witte Zwaan. De zwaan vormde het beeldmerk van de veiling, ter herinnering aan de plek van geboorte. De Witte Zwaan is niet meer, maar in herinnering leefde dit etablissement voort via het beeldmerk van Hobaho, waarvan u dus de ontstaansgeschiedenis nu kent.

Even nog wat cijfers
Nog enkele snelle cijfers en gegevens…en dan niet perse in chronologische volgorde, maar zoals het in het verhaal past….:In 1924 was er de bouw van een veilingzaal met 250 stoelen en een elektrisch afmijntoestel (veilingklok). In 1925 werd gestart met een eigen weekblad, “de Hobaho” later Vakwerk en in eerste instantie gedrukt bij Drukkerij Imperator, daarna (1975) in eigen beheer bij Hobaho zelf. De vooroorlogse crisis brak uit en veel bedrijven gingen ten onder ook in de bloembollensector. Maar Hobaho overleeft en komt door de crisis heen! En dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en weer komen er magere jaren. In 1941 komt de “Coöperatieve Veilingvereniging Hillegom”, die in 1928 was gestart, te koop. Hobaho is geïnteresseerd maar ook dè grote concurrent, de Coöperatieve Veiling H.B.G te Lisse. De leden van de vereniging Hillegom kozen, via een stemming. In mei 1945 wordt het hele pand van Hobaho voor de festiviteiten van de bevrijding in gebruik genomen. Op het grote parkeerterrein is elke avond een dansfeest. Een band van Canadese militairen zorgt voor nieuwe muziek en de Hokipoki wordt elke avond door heel Lisse gedanst. Er wordt een groot podium in de hal opgericht. Verder werd in overleg met de Gemeente Lisse in de Prinsessestraat een serie nieuwe woningen aangekocht. Deze werden ter beschikking gesteld aan medewerkers die geen woning hadden. Ook wordt het Bloemencorso van de Bollenstreek geïnitieerd! Hobaho zorgt voor bemanning en ruimte en regelt allerlei facilitaire zaken. Bovendien rijdt Hobaho met een eigen praalwagen mee en ook dat zorgt voor een grote binding met de sector. In de loop der jaren werden de hallen trouwens voor talloze evenementen gebruikt, zoals het corso, feestelijkheden van de middenstand (Elfesta feesten,) de beurs Holland’s Glorie, occasionshows, paarden spektakel, sjoelkampioenschappen, de jaarlijkse Mechanisatietentoonstelling waar het nieuwste van het nieuwste op het gebied van de mechanisatie werd geshowd. Verder oldtimershows, beurzen, grote verenigingsgebeurtenissen, rommelmarkten, in de winter het onderkomen van de weekmarkt en noem maar op. In de zestiger jaren deed de computer zijn intrede. Dat waren zware machines en het gehele kantoorgedeelte werd inpandig gesloopt. Er moest geheid worden om een sterke vloer te maken voor de installaties.

De veilingzaal wordt gemoderniseerd.

De klok wordt computergestuurd en de bekende 5 op een rij stoeltjes veranderen in 2 x 2 waardoor iedereen direct in een gangpad kan komen. Inmiddels is het 1971 en bestaat Hobaho 50 jaar. Dat wordt groots gevierd. In Treslong, in Motel Sassenheim, op Kasteel Keukenhof met medewerkers en klanten. In 1975 staat drukkerij Imperator, het pand naast Hobaho te koop. Het verouderde bedrijf wordt gekocht en helemaal opgeknapt en het wordt de huisvesting van de automatiseringsafdeling. De Fustpool wordt in 1979 opgericht. Plastic kratten in plaats van de manden. Er is een bestand van 600.000 kratten opgebouwd en op deze manier is een kostenpost veranderd in een inkomstenbron. In 1986 wordt het idee voor een Testcentrum opgestart dat bij de meest recente verhuizing is mee verhuisd en dus aan de Prof. van Slochterenweg staat. In 1996 wordt Hal II compleet omgebouwd tot Congres en Partycentrum en met alle medewerkers en heel veel relaties werd het 75-jarige bestaan groots gevierd. Een andere wetenswaardigheid is dat in 2003 de veilingklok werd opgeheven. Ook CNB heeft er dan een punt achter gezet. Toen de veilingklok was opgeheven kon er afscheid genomen worden van de vertrouwde locatie aan de Haven. Na een pittige verbouwing neemt Hobaho zijn intrek in een groot pand aan de overkant van het bedrijf aan de Haven. Nu werd het Grachtweg. Hobaho deed in de loop der jaren vele aankopen om zich te versterken, maar werd ook nogal eens overgenomen. Onder andere door de bloemenveiling Aalsmeer. Later hing een samengaan met de CNB in de lucht maar dat werd
afgeblazen en rond de eeuwwisseling nam Dümmen Orange de touwtjes in handen. In die periode kwamen overigens ook de beide zwanen terug die aanvankelijk bovenop het pand aan de Grachtweg waren geplaatst, maar door de vorige directie werden verwijderd. De zwanen werden bewaard en staan sinds oktober 2018 bij het pand van Hobaho aan de Prof. Van Slochterenweg waar de nieuwe locatie van Hobaho en Testcentrum nu zijn gevestigd. De voormalige veilinggebouwen zijn inmiddels ontwikkeld tot een nieuw stukje van het Centrum van Lisse: Het Nieuwe Havenkwartier dat in 2019 een feit werd.

Op de veilingdagen was het een drukte van belang. Het ging goed met de veiling en ook met de bloembollenhandelaar

Bij de hartpagina: luchtfoto bij de Engel

Redactie

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

In het midden één van de fraaiste kerken uit de regio, de H.H. Engelbewaarderskerk. De buitenkant is al heel bijzonder om te zien, maar bent u wel eens binnen wezen kijken? Nee? Kunstig stukje metselwerk! De moeite waard om eens van dichtbij te zien. In 1931 is deze kerk opgeleverd ten tijde van pastoor Sentenie. Hulkenberg maakte in zijn beschrijving een grapje over zijn naam “centen niet”. Blijkbaar was de bouw van de kerk zo duur dat het Bisdom de kerk in de lijst van “armen kerken” bijschreef. Mooi is die zeker! Er is nog veel meer te zien op deze vogelvlucht. Vrijwel alles staat er nog. Alleen het St. Vincentiushuis is er nu niet meer, het vroegere “Huis ter Beek”.Dat heeft plaats moeten maken voor de wijk “Ter Beek”, genoemd naar dat mooie buiten. Kunt u zich voorstellen dat het deel rechtsboven op de foto net over de Ringsloot voor 1624 water was. Het Geestwater of de Poel strekte zich uit van Sassenheim tot Lisse. Het was best een flinke plas onze Poelpolder!

Pareltje met een Surinaamse glans

‘Ik ben ooggetuige geweest van de jammertooneelen door den al vernielende oorlog van 1812 en 1813 veroorzaakt’. Andries van Hasselaar schreef deze regels in zijn huis aan de Lisser Straatweg, nu de Heereweg. Als chirurgijn ging hij mee naar Rusland met het leger van Napoleon, maar wat hij daar aan menselijke ellende zag, was een ‘beuzeling’ bij wat hij aantrof in de leprozenkolonie Batavia in Suriname.

door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Andries van Hasselaar, vroedmeester, chirurgijn en heelmeester in Lisse, werd op 23 december 1782 in Amsterdam geboren als zoon van Jan van Hasselaar en Catharina Sophia Cardoes. Over het beroep van zijn vader tasten we in het duister. Had deze tot de stedelijke elite behoord, dan had Andries aan een universiteit medicijnen gestudeerd. Hij was ‘medisch doctor’ geweest en had de interne geneeskunde beoefend. Nu kreeg hij zijn opleiding van de Amsterdamse stadschirurgijn Hendrik Benraad. Hij was bevoegd breuken te zetten, wonden te verzorgen, operaties uit te voeren en bevallingen te begeleiden. Andries wordt volwassen in de woelige jaren van de Bataafse Republiek. De patriotten hebben de macht en de republiek is een zusterstaat van Frankrijk. In 1804 treedt hij in dienst van de marine als chirurgijn tweede klasse, een baan die hem de officiersrang oplevert. 24 februari 1804 zeilt de 22-jarige weg met de ‘flottielje van Vlissingen’, een konvooi van Bataafse oorlogsschepen dat Napoleon zou helpen bij een invasie van Engeland. (De Fransen zagen later af van dit aanvalsplan en kozen voor een economische blokkade van de Engelsen.)
De flottielje zeilt langs de Franse kust en in Andries’ officiersstamboek staat aangetekend dat hij betrokken was bij
gevechten met de Engelse vloot op 16 mei bij Knokke/Heist en een jaar daarna in juni 1805 bij twee schermutselingen met de Engelse zeemacht. In 1806 maakt hij op de schoener  De Staghouwer een gevecht mee met twee Engelse brikken. In datzelfde jaar kroont Napoleon zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Andries krijgt in 1807 een aanstelling als chirurg derde klasse aan de hospitaal- en velddienst van de Hollandse armee. In 1808 wordt hij bij de kust van Walcheren ingekwartierd.

1805 – E. Hoogerheijden – Flottielje van de Bataafse Republiek in de
haven van Vlissingen – Collectie Scheepvaart Museum, Amsterdam

Hollanders en Fransen verwachten een invasie van de Engelsen bij Walcheren, die via de Scheldemond Antwerpen willen bereiken. De legers van de kleine keizer vechten
tegen de Engelsen in Spanje en Portugal, tegen de Oostenrijkers in Noord-Italië en Oostenrijk. De Engelsen ruiken hun kans de Franse marine in Antwerpen een slag toe te brengen. Ze zetten met een grote vloot meer dan veertigduizend soldaten over op Walcherse bodem. Op 13 augustus 1809 bombarderen de Engelsen Vlissingen. De Fransen slagen erin troepen over te brengen naar de forten langs de Schelde en de Engelsen geven hun plan Antwerpen te bezetten op. Ze trekken zich terug op Walcheren waar 40% van de soldaten wordt getroffen door de Walcherse of Zeeuwse koorts, een soort malaria veroorzaakt door een mug die zich graag in brak water ophoudt. Al verzwakt door de Walcherse koorts sterven vierduizend soldaten aan vlektyfus en dysenterie, terwijl 11.000 mannen na zes maanden nog als ziek te boek staan. Dezelfde ramp treft ook het Hollandse en Franse leger. De zieken worden overgebracht naar de hospitalen in Gent en Brugge en als die de stroom niet meer kunnen verwerken naar andere steden, waaronder Amiens. ‘1809 tegen de Engelschen in Zeeland’ staat er in Andries’ stamboek.
We vinden Andries terug in Amsterdam in 1810. Hij gaat dan in ondertrouw met Maria Roos op 8 juni. De bruid is evenals de bruidegom rooms katholiek. Een paar maanden eerder, op 16 maart 1810, ontbond Napoleon het koninkrijk Holland en lijfde het in bij het eerste Franse keizerrijk.

Daarmee kwam Van Hasselaar door incorporatie als chirurgijn ‘sous aide’ bij het 125ste regiment van de Franse infanterie van linie en was hij overgegaan in dienst van de Fransen. Mogelijk is hij met zijn Maria en hun in 1811 in Leiden geboren dochtertje Maria Catharina naar Amiens vertrokken om daar de vele zieken en gewonden te verzorgen. In Amiens wordt op nieuwjaarsdag 1812 een tweede meisje geboren, Maria Dominique. Op 22 oktober 1812 wordt Andries ingeschreven bij de 31ste divisie 11 corps d’armee als chirurgijn aide majoor en hij zal hier bijna anderhalf jaar dienen. ‘1812 tegen Rusland’ en ‘1813 tegen de geallieerden’ staat in zijn stamboek. De geallieerden zijn de Engelsen, Russen, Pruisen, Zweden en Oostenrijkers die Napoleon bevechten. In hetzelfde jaar 1813 zet de prins van Oranje, de latere koning Willem I, voet op Nederlandse bodem. In januari 1814 wordt in Pruisen de Infanterie van linie nr. 9 opgericht voor Hollandse militairen die in Franse dienst zijn geweest. Uit zijn stamboek weten we dat Andries van Hasselaar een van hen was. Na zijn dienst gedaan te hebben in eerst het Bataafse leger en vervolgens het napoleontische, dient hij vanaf 14 april 1814 Oranje als chirurgijn tweede klasse en is aanwezig bij de blokkade van Delfzijl, de laatste stuiptrekking van het Franse leger in Nederland. Nu staat hij gewonde Nederlandse soldaten bij. 16 december 1814 gaat hij over naar het bataljon West Indische Jagers no. 11. De koloniën in Oost- en West-Indië zijn na jaren aan de Engelsen te zijn geweest, weer aan Nederland toegewezen. Voor de koloniën in de West worden twee bataljons West Indische Jagers opgericht en Andries van Hasselaar meldt zich hiervoor aan. Op 19 februari 1815 bevalt Maria van Hasselaar-Roos in Brielle van een derde dochter, die zeer jong zal zijn overleden, Maria Louisa Henrietta. De vader is dan 31 jaar. Maar voordat het gezin in de West een nieuw leven kan opbouwen, weet Napoleon op 26 februari te ontsnappen van Elba, het eiland waarnaar hij was verbannen.

De ‘Honderd Dagen’ van Napoleon kregen hun apotheose bij de Slag vanWaterloo, waar hij definitief werd verslagen. De militairen van de bataljons West Indische Jagers werden opgeroepen te vechten. Als chirurgijn 2e klasse verzorgt Andries van Hasselaar de gewonden van deze veldslag tussen de geallieerde legers en de Franse Armée. Twee jaar later krijgt hij hiervoor als beloning een geldbedrag uitgekeerd, de Waterloo gratificatie. In zijn geval bedroeg die f 393,95½, de beloning voor subalterne officieren (Stadsarchief Amsterdam, deel 720, periode 1817-1818, nr. 2847).
Tijdens de oorlogen in Europa waren de koloniën in handen gekomen van de Engelsen. Zij voerden van 1799-1802 en van 1804-1816 het bewind over Suriname. In februari 1816 kwam de nieuwe gouverneur-generaal Willem van Panhuys per schip aan in Paramaribo, evenals chirurgijn Andries van Hasselaar. Van Panhuys nam op 26 februari het bestuur over van de Engelsen. Andries’ vrouw Maria Roos geeft op 23 juni 1816 in Paramaribo het leven aan Andries Anthonius van Hasselaar. In Suriname wordt het gezin vervolgens uitgebreid met Wilhelmina Henriëtta (Paramaribo 19-01-1818), kerstkindje Rosalie Ludovica Maria (25-12-1821) en Franciscus Gerardus Wilhelmus (Paramaribo 1-05-1824). Het in Leiden geboren dochtertje, de eerste Maria, overleed in 1823 op twaalfjarige leeftijd.
Het gezin zal zijn intrek hebben genomen in een van de fraaie officierswoningen bij Fort Zeelandia, een voormalig vestingwerk dat toen dienstdeed als kazerne en later als gevangenis. In de ‘Surinaamsche Staatsalmanak van 1816’ staat Van Hasselaar vermeld als een van de twee vroedmeesters in de kolonie en als chirurgijn tweede klasse van het bataljon jagers nr. 11. op het Fort Zeelandia.
(Het is de plek waar de tegenstanders van het regime van Desi Bouterse werden vermoord in december 1982. Nu is in dit oudste gebouw van Paramaribo het Suriname Museum gevestigd.) Gelegen aan de mond van de Suriname Rivier bood het fort de bewoners een panoramisch uitzicht over land en zee.
Op zeker moment zal Van Hasselaar gestopt zijn als chirurgijn bij het bataljon West Indische Jagers, mogelijk naar aanleiding van hevige onlusten tussen de jagers en een burgerwacht van kleurlingen begin november 1820. In de ‘Surinaamsche almanakken’ van 1827 en 1828 staat Van Hasselaar vermeld als Stadschirurgijn en in die van 1828 bovendien nog als lid van het Collegium Medicum, een groep chirurgijns, dokters en apothekers. Het is in deze laatste hoedanigheid dat hij de leprozenkolonie Batavia bezoekt. Tijdens zijn twaalfjarige verblijf in de kolonie had hij in zijn praktijk als ‘visitateur van lepreuzen’ veelvuldig kennis gemaakt met lepra, een toen ongeneeslijke, besmettelijke ziekte die in Europa al eeuwen niet meer voorkwam. Weten we nu dat door de leprabacterie lepra wordt overgebracht door vooral niezen en hoesten, Van Hasselaar legt de oorzaak bij ongeremd seksueel gedrag, ongezonde voeding en erfelijke factoren. Wijdverbreid bijgeloof bij alle bevolkingsgroepen in Suriname verergerde de situatie. Leprozen werden vanaf 1824 gedeporteerd naar de ver van Paramaribo afgelegen plaats Batavia. Een commissie van vier personen, onder wie Andries van Hasselaar, kreeg de opdracht de ongeveer driehonderd bewoners van de afgelegen leprozenkolonie te onderzoeken. Het gerucht ging dat velen van hen gezond waren
en zich zo onttrokken aan hun slavenarbeid. Na de lopende patiënten te hebben onderzocht, werd men gebracht naar de hutten waar de ongelukkige bedlegerigen woonden, ‘voorwerpen van jammer en ellende’. Het is schrijft Van Hasselaar ‘onmogelijk zich een denkbeeld te maken van de monsters die wij daar aantroffen’. Het was ‘de grootste verwoesting in menschelijke lichamen’ die hij ooit zag en de stank was zo afgrijselijk dat commissieleden brakend wegliepen. De mensen die gezond leken, bleken toch aangetast door lepra en de commissie verklaarde tot algemene
opluchting alle bewoners besmet. De terugtocht van Batavia naar Paramaribo werd een helletocht. Na een dag
varen in de brandende zon, miste de commissie het schip dat hen terug zou brengen. ‘Deze nacht werd de angstvolste, die ik in mijn leven heb doorgebragt: ik heb tweemaal schipbreuk geleden, maar niet die aanhoudende angsten en schrikken uitgestaan, die zich hier, als het ware, op elkander hoopten’. Na de verschrikkingen van deze tocht kreeg Van Hasselaar een beroerte, raakte aan zijn rechterzijde verlamd, kon aanvankelijk zitten noch spreken en besloot met zijn gezin naar het moederland terug te keren.

31 januari 1829 koopt hij in Lisse de chirurgijns- en apothekerswinkel van Caspar Hendrik Wolf of Wolff gelegen
aan de Straatweg in het dorp 112, een huis met tuin en boomgaard. Daar wordt op 4 februari 1829 zijn laatste
kind geboren, een dochtertje dat de naam Angelique krijgt. Enigszins bekomen van alle emoties besluit Van
Hasselaar na een paar rustige Lissese jaren de notities over lepra die hij in Suriname had gemaakt, te publiceren. Hij verontschuldigt zich ervoor dat er in zijn boek ‘gevoelige uitdrukkingen’ voorkomen, daarmee doelend op zijn observaties over het intense seksuele leven van de leprozen, de ‘wellustige driften’ en onbegrijpelijke ‘teeldrift’. Hij beroept zich op de vrijheid van drukpers en verklaart dat hij niets heeft te verliezen. Pensioen heeft hij niet en niemand verleent hem bijzondere gunstbewijzen. Hij leeft van de inkomsten uit zijn praktijk.

Deze advertentie leverde naast een praktijkopvolger ook een schoonzoon op.

Andries van Hasselaar overleed in Lisse op 55-jarige leeftijd op 13 maart 1838. 31 maart plaatste zijn weduwe een advertentie in de ‘Opregte Haarlemsche Courant’ voor een opvolger. Thomas Nieuwenhuisen nam de praktijk over en trouwde met de oudste dochter Maria Dominique van Hasselaar. Van Hasselaar dacht destijds dat lepra en elefantiasis verwante ziekten waren. De oorzaak van lepra is echter een bacterie. De ziekteverwekkers van Elefantiasus of olifantsziekte zijn parasitaire wormen, overgebracht door de beet van een mug, die een ontstekingsreactie in de lymfevaten teweeg brengen. Van Hasselaars beschrijving van elefantiasis en lepra in Suriname verscheen in 1835 bij de Amsterdamse uitgever S. de Grebber. Van dit inmiddels zeldzame boekje van 98 pagina’s zijn slechts vier exemplaren aanwezig in Nederlandse bibliotheken. Zijn observaties over de oorzaken van lepra en het verloop van de ziekte werden opgenomen in negentiende-eeuwse geneeskundeboeken .

Dit ‘pareltje’ staat niet in de bibliotheek van de VOL, maar kan digitaal gelezen worden. Klik hier  via de volgende link: https://books.google.nl/books?vid=KBNL:UBA000016884&redir_esc=y.
Mocht u het in uw eigen kast hebben staan, Jos van Bourgondiën voegt het graag toe aan de mooie collectie boeken in de bibliotheek van de VOL.

Google Maps

Oud Nieuws: MET DE VRIJHEID IN ZICHT

Je verheugt je al op de dag die er aan zit te komen. Dan slaat het noodlot toe. Willem Heemskerk werd vermoord door plunderende Wehrmachtsoldaten. Hij stierf een dag voor de afkondiging van de capitulatie. Een grote samenvatting wordt gegeven.  

door de redactie

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Overval op de boerderij van Heemskerk

De oude Hoeve op Heereweg 443 met de ramen van de opkamer zonder luiken. Het inzetje toont het ingelijste portret van Willem met een
foto van het echtpaar Heemskerk en de bewaarde kogel in de lijst

Op de avond van twee mei, tegen half acht gaan twee gedeserteerde Wehrmachtsoldaten, waarschijnlijk ingelijfde soldaten uit Turkmenistan op strooptocht door De Engel. Op de fietsen die ze mogelijk eerder bij de ‘Sophiahoeve’ van Warmendam hebben gestolen. Ze kloppen aan bij de achterdeur van Van der Vlugt het eerste huis aan het laantje naar Heemskerk. Zij kunnen voorkomen dat de twee bij hun binnen komen. Daarna vervolgen de half bezopen mannen het laantje naar de boerderij van Willem Heemskerk. Die had in verband met de verduisteringsvoorschriften alle raamluiken gesloten. De opkamer had geen luiken, daar kon je bij door op het kelderluik te klimmen. Willem en zijn vrouw Jans hoorden gestommel rond de hoeve en Fikkie begon te blaffen. “Ga jij even kijken”, zegt hij tegen haar. “Als het Moffen zijn, laat ze dan maar hun gang gaan want alles zit goed dicht. Ze kunnen toch niet binnenkomen. Als ze wat kippen stelen, is dat het ergste niet”. De twee zijn om het huis gelopen en belanden op een gegeven moment aan de kant waar de opkamer is, waarin de twee ledikanten staan van Corrie en Nel de dochters van Heemskerk. De kleinste klom op de luiken van de kelder en kon toen met een geweerkolf het raam van de opkamer inslaan, waar hij eerst wild op had geklopt. Corrie: “Vlug ging ik mijn bed uit om vader te roepen, terwijl Nel in bed bleef ”. In de slaapkamer van vader en moeder was het glasgerinkel te horen, alsmede ‘t roepen om hulp. De kleine soldaat was door het kapotte raam naar binnengeklommen en stond aan het bed bij Nel met het geweer op haar gericht. Vader was in één sprong uit bed, na het gegil van de meisjes en rende naar hun slaapkamer. Hij brulde: “Weg jij… eruit met jou”. Het geweer werd op hem gericht en een kogel ging dwars door zijn buik en het hout. De kogel sloeg de kalk uit de muur van de kelder en ketste terug in het hout van de opkamertrap en
de bedstee. Deze kogel werd later door zoon Hein terug gevonden en is altijd bewaard gebleven. Vader Willem stortte ter plekke neer. Moeder Jans, die achter hem stond, smeet Fikkie in de bedstee bij de zonen Kees en Piet, deed snel de deuren dicht en ging terug naar de voordeur om hulp te roepen. Bij de deur stond de langere tweede soldaat met
het geweer op moeder gericht. Moeder haalde hem binnen en zei hem: “Kijk nou toch eens wat die andere soldaat heeft aangericht”. Die soldaat werd kwaad op die kleinere omdat hij geschoten had. De dochters Nel en Corrie mochten niet bij hun vader komen en werden met het geweer teruggeduwd. Oudste zoon (Jan) was inmiddels naar beneden gekomen en vluchtte naar buiten om hulp te gaan halen bij de buren. De twee soldaten kwamen achter
hem aan, maar Jan wist zich te verschuilen in de sloot. De mannen vertrouwden het niet en vluchtten weg op de fiets richting Sassenheim. Die tronies van de twee Mongoolse soldaten zouden Nel en Corrie altijd bijblijven. De vlucht van die twee gaf de familie de gelegenheid om zich om hun vader te bekommeren. Piet, Kees en Siem kwamen van
beneden naar boven en zagen hun vader liggen. Nel rende naar de zusters, pastoor De Groot en kapelaan Huibers om hulp te halen. De buren snelden naar Sassenheim en naar Lisse om een huisarts te halen. Leo Berbee kwam terug met dokter Dommisse uit Sassenheim, die meende niets te kunnen doen. Adriaan van der Vlugt kwam wat later
met dokter Haase. De Ortskommandant van Lisse en hoofd politie Minck kwamen op de motor met zijspan. De laatste maakte na een onderzoek van de kalk in de kelder een politierapport op. De kogel kon hij niet vinden. Willem Heemskerk lag bloedend op de vloer, en werd met de komst van de dokters op bed gelegd. Dokter Haase uit Lisse kon alleen maar constateren dat hij levensgevaarlijk gewond was en dat hij bij vervoer naar het ziekenhuis
(in Leiden) al snel onderweg zou overlijden. Er was niets meer wat men voor hem kon doen, de kogel had zijn buik doorzeefd. Willem stierf om kwart over één op 3 mei, de volgende dag werd de capitulatie afgekondigd. Eén
van de laatste zinnen van Willem Heemskerk luidde “Wat toch een tijd”. (Deze uitspraak werd later de titel van het boek dat Ed Olivier schreef ter herdenking aan de oorlogslachtoffers.) Hij riep na het aanroepen van zijn broers ook nog speciaal om Hein, daar maakte hij zich het meest zorgen om. Hij was 55 jaar. De bloemen op zijn graf waren deels dezelfde die gebruikt werden voor hun 25-jarige bruiloft die nog op zondag 29 april was gevierd.

Bronnen:
‘Een Bollendorp bezet’ 1990 van Herman van Amsterdam en Peter van der Voort. ‘Wat toch een tijd’ 2005 van Ed Olivier.

Op aangeven van Piet Heemskerk n.a.v. het verhaal in De Volkskrant.

Lees het hele verhaal op Tragedie in De Bollenstreek aan’ t eind van de 2de wereldoorlog.

 

PARELTJES vol vreugde en verdriet

In de bibliotheek van de VOL worden 3 boeken besproken in verband met 75 jaar bevrijding .Het nieuwe boek van Arie in’t Veld ‘Kroniek van Lisse’ over de jaren 1940-1949, Het boek Herman van Amsterdam en Peter van der Voort’ Een bollendorp bezet ‘en ‘Wat toch een tijd’ van Ed Olivier.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 3, 2020

De bevolking in het westen van Nederland leed honger en kou in de laatste oorlogsmaanden. Vanaf september 1944 waren er geen voedseltransporten meer, de binnenvaart lag stil, de treinen reden niet langer. Gebrek aan voedsel en gebrek aan brandstof en dat met een januariweek met een temperatuur
van -20 graden. Zelfs in een plattelandsgemeente als Lisse was een gaarkeuken. Na deze donkere periode volgde na de Duitse capitulatie ook hier een massale uitbarsting van vreugde

Een bollendorp bezet

In dit jubileumbevrijdingsjaar 2020 verscheen van Nieuwsblad-redacteur Arie in ’t Veld een nieuw boek over de periode 1940-1949, waarin ook de bevrijding en de wederopbouw worden behandeld. Eerder al besteedden Herman van Amsterdam en Peter van der Voort aandacht aan de laatste oorlogsdagen en de
feestvreugde na de capitulatie in ‘Een bollendorp bezet’. Ed Olivier belichtte in ‘Wat toch een tijd’ de schaduwkant van de bevrijding.

Zo luidde het refrein van een lied, dat speciaal geschreven werd voor de schooljeugd van Lisse. Het vers staat in ‘Een bollendorp bezet, Lisse ’40-‘45’, verschenen in 1990, vijftig jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd uitgegeven in eigen beheer. Schrijver Van Amsterdam benadrukt in zijn voorwoord dat hij niet alleen de narigheid beschrijft, maar ook de humoristische kanten wil belichten. De samenstellers ploegden door veel oude fotoalbums van Lissers en slaagden erin onbekend fotomateriaal boven tafel te krijgen. Daaronder zijn vrolijke foto’s van de bevrijdingsfeesten met optochten vol verklede mensen. (Mooie filmopnamen hiervan werden overigens door Simon van Dijk op YouTube gezet.) Dansleraar Koot liet de Lissers zien hoe de hoki-poki gedanst moest worden en een sliert feestvierenden hoste vervolgens in een lange polonaise door het dorp. Van Amsterdam besteedt in het boek veel aandacht aan de rol van dierenarts en verzetsman  J. Kraak in die eerste bevrijdingsdagen. Kraak was in Lisse afdelingshoofd van de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, en slaagde erin de wapens in bezit te krijgen van de zwaarbewapende, in het dorp aanwezige Duitse militairen. Op 6 mei begonnen de zuiveringen. Op een lijst van commandant Kraak stonden 51 foute Lissers. Deze NSB’ers en collaborateurs werden opgepakt en geïnterneerd in de school in de Schoolstraat. Het kaalscheren van meisjes en vrouwen die omgang hadden met een Duitser, vond plaats buiten de verantwoordelijkheid van de BS. In welke mate dit in Lisse voorviel, is niet duidelijk. Ed Olivier heeft het over één geval. Van Amsterdam schrijft over een vrouw die het slachtoffer werd van wraakzuchtige bewoners van de Julianastraat. Hij plaatst een foto van een vrouw die wordt kaalgeknipt op de speelplaats van de gereformeerde school in de Schoolstraat. De begeleidende tekst suggereert dat het om meerdere vrouwen gaat.

Kroniek van Lisse

Uit het dagboek van Henk van Ruiten, waaruit Arie in ’t Veld citeert, is sprake van het kaalknippen van ‘moffenmeiden’ op het plein in de Schoolstraat. De drukinkt van de ‘Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949’ van Arie in ’t Veld is nog maar net droog. Onlangs verscheen zijn in opdracht van de gemeente Lisse geschreven boek. De auteur schrijft in zijn voorwoord dat hij de oorlogsjaren niet overslaat, maar dat de lezer zich daarover voldoende kan informeren via de boeken van Ed Olivier en Herman van Amsterdam. In ’t Veld gaat liever dieper in op de naoorlogse periode van opbouw en nieuwe initiatieven, zoals de aanzet tot de bloemententoonstelling Keukenhof en het eerste
corso. Op de cover van zijn boek prijkt dan ook een van de eerste corsowagens, een walvis. De walvisvaarder Willem Barendsz was tot groot enthousiasme van de bevolking in 1946 op jacht gegaan naar vet en traan, waaraan grote behoefte was. Een grote foto van burgemeester Van Rijckevorsel, die Lisse door de benarde jaren leidde, domineert de bedrukte band. Het verenigingsleven in Lisse zakte volgens de ‘Kleine kroniek’ tijdens de oorlogsjaren in. De muziek- en zangverenigingen worstelden met de eisen van de Kultuurkamer. De leden van de R.K.-muziekvereniging Adolf Kolping gingen in tegen de wens van hun dirigent, die zich wilde aansluiten bij het gehate instituut van de bezetter, en borgen hun muziekinstrumenten op. Na de teloorgang van Adolf Kolping kwam na de bevrijding de wederopstanding als Canite Tuba onder de leiding van tandarts Simonis. Evenals de muzikanten van Adolf Kolping weigerden de musici van de harmonie Trou Moet Blijcken te voldoen aan de eisen van de Kultuurkamer. Voor de bevrijdingsfeesten haalden ze hun instrumenten weer tevoorschijn en daarna oogstten ze met TMB weer successen. De Christelijke Zangvereniging Excelsior staakte om dezelfde reden de opvoeringen en nam na de oorlog de draad weer op.

Wat toch een tijd

Veel aandacht ook voor de buurtverenigingen die na de bevrijding in Lisse werden opgericht en die op één uitzondering na maar kort hebben bestaan. In die eerste bevrijdingsroes werden straten versierd en optochten gehouden door o.a. de buurtverenigingen Lisse Noord, Juliana, Irene, Klein Lisse in De Engel en Wilhelmina. Buurtvereniging Wilhelmina werd officieel opgericht op 27 juli 1945 en bestaat nu nog. Diep verdriet treffen we aan in ‘Wat toch een tijd’, verschenen in 2005, zestig jaar na de bevrijding. Dit boek schreef Ed Olivier ter herinnering aan de Lissese oorlogsslachtoffers. Initiatiefnemer hiervoor was Arno van Doorn. Het boek werd verkocht in de boekhandel en daarnaast geschonken aan leerlingen van de basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in Lisse. Het boek ontleent zijn titel aan de laatste woorden van Willem Heemskerk, drie dagen voor de bevrijding neergeschoten op zijn boerderij in De Engel. Over deze dramatische gebeurtenis verhaalde zijn zoon Piet dit jaar in de Volkskrant. Het is een
boek vol verhalen over geliefden op wie na de bevrijding vergeefs werd gewacht, zoals op de jonge Anton van den Wijngaard die als tewerkgestelde omkwam bij een bombardement op Hamburg. Of op Jan, de zoon van huisarts De Graaf, die clandestien naar de radio luisterde en erop rekende niet verraden te worden omdat geen ‘Lissenaar een andere Lissenaar’ zou verraden. Hij en zijn vriend en ‘mededader’ Henk Wesselo kwamen beiden om in concentratiekamp Neuengamme. Over het lot van Jan kreeg zijn familie op 23 augustus 1945 bericht. De dood van Henk Wesselo werd pas op 13 september bevestigd.
Ambtenaar Jaap Döll, die persoonsbewijzen vervalste en mensen clandes tien inschreef in het bevolkingsregister, was betrokken bij de overval op het gemeentehuis door de verzetsgroep Post op 15 februari 1944. Dölls betrokkenheid kon niet bewezen worden, maar hij werd aangeklaagd vanwege een vervalst persoonsbewijs voor een joods meisje. Al kort na de bevrijding kwamen de berichten dat hij was omgekomen in het concentratiekamp Rathenow, een vrouw en twee peuters achterlatend. De bevestiging van het Rode Kruis liet tot 17 juni 1946 op zich wachten. Een tweede betrokkene bij de overval was wachtmeester Bastiaan Romeijn, evenals Döll een man in de kracht van zijn leven. Hij werd op 12 mei 1944 gearresteerd. Zijn jonge vrouw en baby Bas van acht maanden zou hij nooit meer zien. Hij overleed in een buitenkamp van het concentratiekamp Neuengamme. Na de bevrijding ging het gerucht dat hij nog in leven was. Zijn dood werd pas in augustus 1946 bevestigd. Voor de familieleden van de omgekomen Lissers had de bevrijding een bittere bijsmaak. Op de bedrukte band van ‘Wat toch een tijd’ staat terecht met recht een foto van een herdenking bij het ‘Monument voor de gevallenen’ en een inzet
met daarop het voormalige monument dat stond in een perkje in de Bondstraat.

Lees en herlees deze drie parels over een van de belangrijkste perioden uit de geschiedenis van Lisse. Jos van Bourgondiën haalt ze graag voor u uit de kast van de bibliotheek van de VOL.

Het Volkskrant interview met Piet Heemskerk is te lezen op https://www.volkskrant.nl/kijkverder/mijnbevrijding/v/de-kogel-ging-dwars-door-mijn-vader-heenzo-de-muur-achter-hem-in/

 

Grote vreugde na de bevrijding

BIJ DE HARTPAGINA: luchtfoto van het centrum


Een luchtfoto uit 1945 geeft een overzicht van het centrum van Lisse.

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Redactie

Het is 30 maart 1945, de RAF maakt luchtfoto’s, ook boven Lisse. Nog even en april is voorbij en dan nog een paar dagen in mei. De vlag mag weer wapperen in de vrije wind. Wat een opluchting na vijf jaar bezetting. Dat weten wij nu, maar de mensen daar beneden niet. Het is Goede Vrijdag 30 maart en de schaduwen wijzen op een uurtje of half elf in de morgen. Het is stil in de straten van Lisse. Lisse is kerks, dus zullen de kerkbanken op dit tijdstip vol zitten. Menig voorganger zal nu nog in bedekte termen preken over hoopgevende berichten, die op het einde van de Duitse overheersing wijzen. Net voor de
woorden passen. Zo vlak voor Pasen is er hoop op leven na vijf jaar dooie boel. De bolletjes die voor de winter werden begraven, verrijzen weer uit de donkere aarde en zoeken naar warmte en licht. Nog even
volhouden zegt de luchtfoto van de hartpagina. Even geduld dan fleuren en geuren de velden om ons heen. Vlaggen en wimpels kleuren de straten, uit de huizen klinkt vrolijke muziek. Vrijheid, wat een weelde! Wij zitten nu ook even met de gebakken peren! Met corona en straks misschien ook nog een griepgolf er bij. Sombere gedachte met de donkere winterdagen in het vooruitzicht. Maar we weten dat het licht altijd weer gaat schijnen. Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd gaan. Nog even sterk zijn met z’n allen en dan komt het goed.

hartpagina

Veenenburgbrug wordt gesloopt

De VOL heeft najaar 2020 een gesprek gehad met ambtenaren van de gemeente om karakteristieke historische elementen van de brug te bewaren voor sloop. Helaas zonder resultaat. De brug wordt geheel vervangen. De beschermingspalen worden teruggezet.

Nieuwflitsen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Deze brug ligt in de Loosterweg Noord bij de grens met Hillegom en is in 1928 gebouwd over het Veenenburg-Elsbroekkanaal voor het zandvervoer. Schepen tot ongeveer 120 ton konden de brug passeren. Naast de unieke jaagpaden aan beide kanten, heeft de brug ook een mooie, maar vervallen leuning met een bord met naam en datum. Op de uiteinden van de brugleuning stonden 4 beschermingspalen. Daar zijn er nog 3 van over. De brug is zeker het restaureren waard. De brug is vernoemd naar Landgoed Veenenburg, dat liep van de Heereweg tot de Trekvaart.
De buitenplaats werd in 1913 gesloopt. Door zandafgraving maakten duinen en landgoed plaats voor bloembollenbedrijven. Dit is goed te zien aan de hoge ligging van de Loosterwegen. Vóór het afzanden lagen deze wegen op de laagste delen van het duin. Kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’ begon in 1904 met het naar de fabriek vervoeren van duinzand uit de streek tussen Lisse en Hillegom voor de fabricage van kalkzandsteen. Later
moest men zand halen uit de duinen bij de Ruigenhoek, daarna uit het gebied van het Oosterduinsemeer (ook wel Comomeer). Het zand werd over het Steengrachtkanaal, de Leidsevaart en het Veenenburg-Elsbroekkanaal met kleine sleepbootjes naar de fabriek vervoerd in grote, aan elkaar gebonden sleepbakken. De Veenenburgbrug werd door het eigen fabriekspersoneel gemaakt met als voornaamste materiaal kalkzandsteen. De fabriek was eigenaar
en onderhoudsplichtig. Gemeente Lisse eiste wel een waarborgsom, voor het geval de fabriek het onderhoud zou verzaken. Dit systeem eindigde in 1980. De brug werd toen overgenomen door de gemeente. Het  onderhoud door gemeente Lisse was onvoldoende waardoor de brug nu in slechte staat is en moet worden vervangen. Ver. Oud Lisse heeft najaar 2020 een gesprek gehad met ambtenaren van de gemeente om karakteristieke historische elementen van de brug te bewaren voor sloop maar helaas zonder resultaat. De brug wordt geheel vervangen.

 

Henk Schaap overhandigt de voorpublicatie van Sporen van Six in Lisse aan Burgemeester Lies Spruit.

Boek ‘Sporen van Six in Lisse’ nu beschikbaar

De VOL heeft het onderzoek afgerond naar ‘Sporen van Six in Lisse’. De bevindingen zijn vastgelegd in het boek, dat op maandag 23 november door Henk Schaap namens het onderzoekscomité aan burgemeester Lies Spruit werd aangeboden.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

De Cultuur-Historische Vereniging Oud-Lisse heeft het onderzoek afgerond naar ‘Sporen van Six in Lisse’. De bevindingen zijn vastgelegd in het boek , dat op maandag 23 november door Henk Schaap namens het onderzoekscomité aan burgemeester Lies Spruit werd aangeboden. Het onderzoekscomité bestond uit de auteurs: Jos van Bourgondien, Maarten van Bourgondien , Leo van der Geer, Rob Pex , Brigitte Rink en Henk Schaap. Ook andere leden van de Cultuur-Historische Ver. Oud Lisse verleenden hulp en bijstand. Het boek, uitgegeven door Uitgeverij Verloren, is volgens de burgemeester ‘een prachtig boek dat nieuwe inzichten en hoofdstukken toevoegt aan de rijke geschiedenis van Lisse in de 17de en 18de eeuw’. Het boek bestaat uit 236 pagina’s en bevat ca. 150 veelal kleurrijke afbeeldingen. De Nederlandse familie Six behoorde eeuwenlang tot de elite van de maatschappij. Over de verschillende generaties Jan Six die in Hillegom veel buitenplaatsen en landgoederen bezaten is veel geschreven. De lezing van Geert Mak in 2016, over ‘De levens van Jan Six’ wat zich v.n.l. in Hillegom afspeelde, was
voor de burgemeester de aanleiding tot dit onderzoek naar de ‘Sporen van Six in Lisse’’. Over de drie generaties Pieter Six die in Lisse veel hofstedes en land hadden is weinig bekend. Wie waren zij en welke sporen hebben zij achtergelaten in Lisse? In dit nieuwe boek worden deze vragen gedocumenteerd beantwoord en worden de generaties Pieter Six met hun hofstedes en landgoederen in Lisse prachtig in beeld gebracht. Hun achtergrond, de netwerken, de huwelijkspolitiek en de rijkdom uit de textielnijverheid. Ze maakten deel uit van de vroedschap in Amsterdam en werden advocaat, burgemeester of bewindhebber van de VOC. Pieter Six III (1686-1755) zorgde door middel van zijn testament en een legaat aan de Diaconie van de Grote Kerk, dat er in Lisse een hofje ontstond. Dat het hofje in een dorp gesticht werd en niet in de stad, is uitzonderlijk. Het ontstaan van dit Hofje van Six aan de Kanaalstraat wordt in dit boek beschreven. Het Hofje van Six bestaat nog steeds en is onlangs grotendeels gerestaureerd.

Het boek is nu verkrijgbaar via de website www.oudlisse.nl en in de boekhandel Grimbergen voor €25

Bij de voorplaat: IJspret

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Bij de voorplaat

De winter is amper begonnen en we weten al dat deze winter de elfstedentocht niet doorgaat. Normaal gesproken begint men al bij het eerste nachtvorstje te mijmeren over dit grootse evenement. In 1909 was de eerste editie van de tocht langs de Friese elf steden. Eigenlijk ging een voorloper van die geweldige tocht aan ons Halfweg voorbij, want al in 1888 hadden wij hier een ware “twee stedentocht”. Een internationale afstandsrit op schaatsen voor amateurs tussen Haarlem en Leiden over de Leidsevaart cq. Haarlemmertrekvaart. Op donderdag 1 maart om 10.00 uur begonnen de eerste rijders bij de Prins Hendrikbrug in Haarlem en wie het snelst zijn schaats over de finishlijn bij de Marepoort in Leiden liet glijden kreeg een gouden medaille om zijn nek gehangen. Ook een zilveren en een bronzen
medaille werden uitgereikt. Wanneer gaan we weer zoiets meemaken? Klunen, koek en zoopie, zijn al tot nostalgische woorden verworden. De schaatsers nemen hier een stukje Spoorsloot tot bij Piet Gijs.

ijspret bij Piet Gijs