Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

LANDSCHAPSVERANDERING: Van Wildernisse naar kleurenorgie

In de 17e en 18e eeuw onstonden buitenplaasen, die beschreven zijn door Ds. Craandijk. Grootschalige bollenteelt ontstond aan het begin van de 19e eeuw. In 1904 werd de Kunstzansteenfabriek Arnoud opgericht. De duinen werden afgegraven ten behoeve van de uitbreidende bollenteelt. Daar werden stenen van gemaakt. Later heette het bedrijf Van Herwaarden.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Wat een bijzonder dorp hebben we toch. Lisse en De Bollenstreek zijn wereldberoemd dankzij de Keukenhof. Hoeveel foto’s zouden er gemaakt zijn met de fraai aangeklede Jacoba’s van het bloemenpark? Dat er in de tijd van Jacoba in heel Nederland nog geen tulp te bekennen was past wel in het met mythes omgeven leven van Jacoba van Beieren.

Terug in de tijd
Het is uniek dat een landstreek is vernoemd naar het product dat er geteeld wordt. De naam “Bollenstreek” kan nog niet zo oud zijn. Grootschalige bollenteelt ontstond in de tweede helft van de 19e eeuw. Ten noorden van Lisse in het begin van de 20e eeuw. Bewoond werd deze streek al lang. Ons dorp ontstond in de vroege Middeleeuwen op de meest oostelijke duinenrij (strandwal). In de Middeleeuwen waren de graven van Holland hier de baas. Het beheer lieten zij over aan houtvesters, die hun zetel hadden in Teylingen. Meestal woonden zij er niet. Een houtvester moest toezicht houden op de jacht in het grafelijk gebied en er voor zorgen dat de graaf en zijn hof beschikten over voldoende brandstof en wild voor op de grafelijke tafel. Het was een immens jachtgebied, die grafelijke Wildernisse. Er is een verhaal dat een eekhoorn van het  haagsche Bosch naar de Haarlemmerhout,  allemaal bij het domein horend, kon reizen zonder ooit de grond te raken. Jacoba van Beieren (1401- 1436) is wel de bekendste houtvester. Zij woonde de laatste jaren van haar leven op slot  Teylingen. Daar komt het verhaal over haar kruidentuin de Keukenhof vandaan. In haar jachtgebied, in de Wildernisse, vinden we de oorsprong van de naam Keukenhof. Op een kaart van 1589 staat ‘Cookenduin’ . Op een latere kaart staat ‘de Koecken Duyn’. Verschillende  schrijfwijzen, ook Cochenduin, wat allemaal te herleiden zou zijn tot Rode Duinen. Het zou duiden op duinen begroeid met heide. Minder prozaïsch dan de hof voor de keuken (de kruidentuin) van Jacoba van Beieren op Teylingen. Laten we beide verklaringen maar in ere houden.

Gouden Eeuw
In de 17e en 18e eeuw veranderde het aanzicht van onze streek aanzienlijk. De streek werd geroemd om zijn aantrekkelijke duinen, bossen en veenweiden. Dat trok bezoekers aan die in de zomer maar al te graag de benauwde steden wilden ontvluchten en geld hadden. Langs de Heereweg en in de buurt van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden werden vele buitenplaatsen aangelegd. Natuurlijk met prachtige tuinen waarin men vast ook gepronkt heeft met de tulp die eind 16e eeuw in Nederland was gekomen. Keukenhof was een van die buitenplaatsen, het werd in 1641 gebouwd. Iets noordelijker was Zandvliet, ook met een zeer fraaie tuin, maar vooral beroemd om de exotische dieren die er gehouden werden. Omgeven door een woest oud duinlandschap lagen de buitens met hun gecultiveerde tuinen te pronken.

De 19e eeuw
In 1803 werden de landgoederen Keukenhof en Zandvliet samengevoegd. De hoogtijdagen van de landgoederen waren voorbij. Veel eigenaren konden het financieel nauwelijks bolwerken. Keukenhof had het geluk in 1809 een vermogende nieuwe eigenaar te krijgen. Buitenhuis Keukenhof werd in de tweede helft van deze eeuw zelfs verbouwd tot “kasteel” en op het voormalige Zandvlietterrein konden de bekende tuinarchitecten vader en zoon Zocher een prachtige Engelse landschapstuin aanleggen. Die tuin wordt in het voorjaar bezocht door al die toeristen. Er is sinds de tijd van de Zochers wel wat veranderd, maar het oorspronkelijke tuinontwerp is nog heel duidelijk te herkennen. Benoorden Keukenhof vinden we nog de landgoederen Veenenburg, Lapinenburg en Elsbroek, waarover later meer. Voor veel eigenaren van landgoederen werd het een steeds groter probleem om de pracht en praal op hun goed in ere te houden. Verkopen of een andere bestemming zoeken was een lucratieve oplossing. Buitens werden gesloopt. Tuinderijen kwamen er voor in de plaats. In het duingebied werd zand afgegraven dat prima verkocht kon worden voor de aanleg van wegen, spoorlijnen en stadsuitbreidingen. Bovendien kwam er steeds meer vraag naar bloembollen en laat die afgegraven gronden nu prima geschikt zijn voor de bollenteelt. De uitdrukking bestond nog niet, maar nu zouden we spreken
van een win-win situatie.

Ds. Craandijk
Nederland, en zeker onze streek, veranderde in de 19e eeuw, totaal van karakter. Dat zien we fraai omschreven in het werk “Wandelingen door Nederland” van ds. Craandijk. In de periode van 1875 tot 1888 verschijnen 8 boeken waarin hij wandelingen in heel Nederland beschrijft. We laten hem even zelf aan het woord, uit zijn voorwoord, gedateerd 1874:
“Reizen is nu even gewoon, als ’t vroeger zeldzaam was. De afgelegen provinciën en hunne ‘achterhoeken’ komen in aanraking met de buitenwereld. Zij worden bezocht en hunne inwoners bezoeken steden en gewesten, vroeger voor hen aan ’t einde der aarde gelegen. Landbouw en nijverheid ontwikkelen zich, bij den goedkoopen en geregelden afvoer der producten en aanvoer der grondstoffen. ’t Onvermijdelijk gevolg is, dat het karakter van landschap en volk allengs verandert. Het eigenaardige gaat verloren, ’t eenvormige komt”.
De wandelende dominee was een goed waarnemer en zei:
Tijd is geld, zegt de bezige zoon der 19de eeuw. Tijd is genot, zegt de wandelaar van alle eeuwen”.
In deel 6 van zijn wandelingen was “Bij Leiden” aan de beurt. Hij beschrijft zeer uitgebreid wat hij onderweg ziet. Voor ons is zijn voorjaarswandeling van station Piet–Gijzenbrug naar station Vogelenzang van belang. Zijn sfeertekening:
Hoe verachtelijk zijn die liefelijke kinderen van Flora weggeworpen en hoe balsemen zij niettemin de lucht met hun geuren! Wij hebben de prachtigste witte, rozenroode, paarsche bloemen voor het oprapen, en wat voor honderden een vriendelijk sieraad hunner armelijke kamertjes zou zijn, dat ligt hier te vergaan. ’t Is den kweeker alleen om de bol te doen; de bloem heeft geen waarde voor hem, zelfs voor den mesthoop schijnt zij niet begeerd”.
Vol lof spreekt hij over het landschap. Zo zegt hij:
“Ruw en wild is het boschrijk duin van Keukenhof. Hoogten en dalkommen wisselen elkander af en telkens verandert het voorkomen van het landschap, maar bij iedere schrede vertoonen zich nieuwe schoonheden”.
Dan wordt de “binnenweg” naar Hillegom genomen die leidt naar de heerenhofstede Veenenburg. Daarover schrijft hij:
“Zandige heuvels, met dennen begroeid, wilde struiken langs hellingen en in valleijen, witte berken, hooge sparren, wier toppen boven ruige duinglooijingen uitsteken, geven nog altijd aan het landschap een woest en indrukwekkend karakter. Een zanderij bewijst, dat het werk der ontginning nog altijd wordt voortgezet. De scheiding tusschen de landgoederen Veenenburg en Lapinenburg is aangewezen door een hollen weg tusschen twee hoog begroeide wallen. ’t Moet hier een wildrijke jagt zijn en van ouds waren de ‘lapinen’, waaraan dit goed zijn naam ontleent, in den omtrek van Hillegom veel overvloediger, dan den geburen lief was”.
Die lapinen (konijnen), daar had men in het verleden wat mee te stellen gehad. In de Wildernisse liepen er genoeg rond, prachtig voor de jacht van de elite. Voor de eenvoudige bewoners van onze streek waren die konijnen een ramp. Ze vernielden de groentetuintjes, de bewoners mochten er niks tegen ondernemen. De belangen van de jagers werden beschermd. Honden in de duinstreek moesten worden ‘geblokt’ (een blok hout rond de nek gebonden) of zelfs gepoot (pootje gebroken). Er ontstond zo’n konijnenplaag (voor het gewone volk dan) dat zelfs de helmbeplanting van de duinen aangetast werd en er zandverstuivingen voorkwamen. In de tijd van de grafelijke Wildernisse was het recht van de edele om te jagen nog heel groot. Het karakter van het landschap zoals Craandijk het beschrijft sluit prachtig aan bij het schilderij van A. J. Eymer (1803-1863) op de hartpagina.

Veenenburg

Landhuis Veenenburg

Veenenburg (ten zuidwesten van de hoek Veenenburgerlaan/ Loosterweg en Frederikslaan) werd in de periode die Craandijk beschrijft bewoond door de familie Leembruggen. De familie was rijk geworden van de textiel (sajetspinnerij) in Leiden. Willem Leembruggen (1851-1899) had al een spoorzanderij net ten noordwesten van de grens tussen Hillegom en Lisse. Daar werden in 1897 bronzen voorwerpen gevonden die in 1930 aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden werden geschonken. Toen Leembruggen overleed was de oudste dochter net getrouwd met Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek tot Ammerstol. Het jonge echtpaar werd eigenaar van het landgoed. Daarmee werd het einde van het landgoed ingeluid. Duinen leverden geen geld op, afgraven en omzetten naar bollengrond wel. Er was veel vraag naar goede bollengrond en vraag naar zand voor de aanleg van wegen, dijken en voor bouwlocaties. Tel uit je winst. Afgraven dus! Baron van Hardenbroek gaat in overleg met de buren van landgoed Elsbroek (met Rustenburg en Lapinenburg). Met de andere buur, Keukenhof, wordt ook getracht tot een opzet  oor afgraven te komen, maar die had er weinig oren naar. Deze rijke adellijke familie had geen boodschap aan argumenten als financieel gewin, goed voor het algemeen belang, behoefte aan bollengrond enz. Zelfs de burgemeester van Lisse trachtte argumenten voor afzanden naar voren te brengen, maar zonder succes. Met de Hillegomse buren leidt het tot overeenstemming. In oktober 1901 volgt de aanbesteding voor een vaarweg naar de Ringvaart en de aanleg van een brug in de Leidschestraat. De plek is strategisch gekozen, waar de Leidschestraat de Ringvaart het dichts nadert. Januari 1902 is er een verzoek van de Maatschappij Veenenburg-Elsbroek  voor het aanleggen van een hulpspoor langs de Frederikslaan. De kranten uit 1901 en 1902 vermelden diverse houtverkopingen. 1 januari 1903 wordt een Vennootschap opgericht, de Maatschappij tot exploitatie van Gronden Veenenburg-Elsbroek, met als doel verhuren of verpanden, afzanden, exploiteren en vervreemden van onroerende goederen en het verrichten van alles wat daarmede in verband staat of daaraan in de ruimste zin bevorderlijk kan zijn. Men kan dus beginnen, de voorbereidingen zijn rond.

Eerst nog kruiwagens en een schep in je knuisten, zo werden de boten gevuld. Met de graafmachine en de stoomlocomotieven op smalspoor en de kiepwagons ging het allemaal met een sneltreinvaart. Hier zijn echt bergen verzet, dat kunnen we wel stellen. Er is veel kleur op die ondergrond voor terug gekomen!

Kunstzandsteenfabriek De Arnoud
De ambitieuze baron had meer plannen. Er was een nieuwe techniek om stenen te produceren. In 1881 werd in Berlijn patent verleend “op een werkwijze ter vervaardiging van kalkzandsteen door inwerking van hogedruk stoom op een mengsel van kalkhydraat en zand….”. Zand in overvloed, kalk kon uit België aangevoerd worden. Er moest nog wel een fabriek ontwikkeld worden. Men liet er geen gras over groeien: Op 24 sept. 1903 werd bij de kamer van Koophandel ingeschreven ‘Kunstzandsteenfabriek Arnoud’. De fabriek komt bij het af te graven gebied tussen Hillegom en Lisse, dicht bij de Ringvaart. Het Veenenburg-Elsbroekkanaal wordt gegraven. Zand kon nu afgevoerd worden. In die tijd is praktisch alle transport over water. Transport met vrachtwagens kwam pas veel later. Dus materiaal voor de fabriek, kolen, kalk uit België, olie enz. werd aangevoerd met zeilschepen. De productie van stenen begint in augustus 1904. De geproduceerde stenen werden ook per schip afgevoerd. We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar toen De Arnoud begon was er geen waterleidingnet of elektriciteitsnet. Voor de fabricage van de stenen was stoom nodig en dus was er een eigen stoommachine en werd een generator aangedreven die voor verlichting en kracht zorgde. De productie van stenen was meteen een succes en kwam in 1904 al op 7 ½ miljoen uit. Wat zal het een bedrijvigheid geweest zijn bij de afgravingen, in en om de fabriek en bij de fabriekshaven. Veel handwerk, dus inderdaad was het goed voor de werkgelegenheid. Bedenk dat de holle wegen waar ds. Craandijk over rept nu meters boven het niveau van de bollenvelden liggen (Loosterweg, Veenenburgerlaan). We kunnen ons dan voorstellen hoeveel zand met het handje is afgegraven en afgevoerd. De graaf Van Lynden op Keukenhof bleef onvermurwbaar. Zijn goed wordt niet afgezand. Denkelijk was de sfeer tussen de beide adellijke heren er niet beter op geworden. Baron van Hardenbroek wordt in 1904 benoemd tot voorzitter van de harddraverijvereniging in Lisse, maar hij bedankt voor de eer. Hij schrijft: ‘dat hem gebleken is dat er in deze gemeente een partij bestaat zoo kortzichtig en ondankbaar betreffende algemeene diensten verricht in het belang der inwoners dat ik mij niet geroepen voel in andere opzichten het publiek aangenaam te zijn’. Bovendien bedankt hij voor de vereniging.

De afgravingen
De productie van stenen stijgt in 1914 naar 22 ½ miljoen. De afgravingen vorderen gestaag richting landgoed Veenenburg. De familie Van Hardenbroek laat zich uitschrijven uit Lisse. Het gezin vertrekt naar de nieuwgebouwde villa “Uyt den Bosch” aan de rand van de Haarlemmerhout (later werd dit de kraamkliniek). De afgravingen hebben dan Veenenburg bereikt en de villa wordt gesloopt. De afgravingen gingen blijkbaar vanaf het fabrieksterrein in noordelijke en zuidelijke richting. Omstreeks 1927 is het hele bos- en duingebied tussen Hillegom en Lisse afgegraven en omgevormd tot bollenland. Bollengrond was nog steeds schaars en de kopers en pachters waren er als de kippen bij. In 1924 was aan de Loosterweg grond voor ƒ11.000 per ha verkocht en aan de Leidschestraat voor ƒ12.000 per ha. Wat namen van bedrijven die er gronden gingen bewerken: Veldhuijzen van Zanten, Nieuwenhuis, Driehuizen, De Graaff. Niet alles werd verkocht als bollengrond. Aannemer Janssen kocht in 1927 voor ƒ3975,- een stuk grond in de punt van de Veenenburgerlaan en de Leidsestraat van ruim 13 are. Het bedrijf is er nog. Tussen Lisse en Hillegom is de afgraving compleet. De fabriek gaat door met afgraven en witte stenen produceren, het zand komt nu van Noordwijkerhout. Dat had weer gevolgen voor het landschap, grotere vaarten moesten gegraven tussen afgravingsgebied en fabriek. Vaarten en bruggen werden bekostigd door de fabriek. Namen (bijv. Veenenburgbrug, Baron van Hardenbroekbrug, Veenenburg- Elsbroekkanaal) verwijzen nog naar deze afgravingstijd. Twee brugnamen verwijzen naar vroegere bewoners van de Wildernisse, nl. de Rammelaars (mannetjeskonijn) brug en de Hippelaars (vrouwtjeskonijn) brug.

Het ontstane landschap
Hoe keek men in die tijd tegen de fabriek en de activiteiten aan? In 1916 verscheen het boek Beschrijving en kleine Kroniek van Hillegom van J.B. van Loenen. Hij maakt, net als ds. Craandijk indertijd, een wandeling. Hij loopt van Lisse naar Hillegom over de Heereweg en passeert de steenfabriek. Hij meldt:
“Het natuurschoon wint niet bij dit bedrijf! Het is inderdaad bedroevend om aan te zien, hoe die schoone  wildernisbosschen met hun hoog en laag – zulk een aangename afwisseling in het vlakke land – verdwijnen. Edoch, mooie wildernissen leveren geen practisch nut voor de samenleving op en de buitenplaatsen niet veel meer dan genoegen voor de bezitters, terwijl de intensieve bloembollencultuur, waarvoor de tot het vereischte peil afgegraven landen gereed gemaakt worden, en de zandsteenfabriek aan zeer velen blijvend werk verzekeren en bovendien het afzanden zelf weer velen anderen tijdelijk werk verschaft”.
In de maanden april en mei waren de bollenvelden natuurlijk prachtig en trokken veel toeristen. In de andere maanden was het maar een troosteloze, vlakke, kale toestand. Velen zullen vol heimwee gedacht hebben aan de tijd van de Wildernissen.

De naoorlogse tijd

Als je goed luistert kan je de stoomfluit nog horen

Nederland moet weer opgebouwd worden. Landgoed Keukenhof is eigendom van Jan Carel Elias van Lynden (1912 – 2003), maar hij woont niet meer op het terrein. Kasteel en landgoed  ebben zwaar te lijden gehad in de oorlogsperiode. Bollenkwekers moesen hun bedrijven weer opbouwen en zochten een terrein om hun producten te tonen. Het is begin 1949 wanneer burgemeester Lambooy de suggestie van een tentoonstelling op voormalig Zandvliet oppert. Graaf Van Lynden vond het een prachtige bestemming. Met de inkomsten van de verhuur voor de tentoonstelling kan hij deels de restauratiekosten van het kasteel betalen. In 1949 wordt de stichting Nationale Bloemententoonstelling Keukenhof opgericht. In het najaar gaan de eerste bollen de grond in. Het blijkt een ongekend succes. In het voorjaar naar de bollen, de velden tussen Hillegom en Lisse zijn onvoorstelbaar mooi. Een bolbloemexpositie op een oud landgoed bezoeken is onvergetelijk. Bloemententoonstelling Keukenhof blijkt al snel een blijvertje. Na het overlijden van de laatste graaf komt de verantwoordelijkheid van het landgoed bij een stichting te liggen. In 2015 speelt burgemeester Spruit van Lisse nog een bemiddelende rol om tot een betere afstemming tussen landgoed en bloemententoonstelling te komen. De Stichting Graaf Carel van Lynden wordt opgericht. Ruim 100 jaar eerder was er weinig waardering, ook vanuit het Lisser  gemeentebestuur, voor de halsstarrigheid van de eigenaren van Keukenhof. Maar wat mogen we de Van Lyndens dankbaar zijn. De herinnering aan een oud duinlandschap is op het landgoed Keukenhof nog steeds te zien. Benoorden het park is dat landschap verdwenen en vervangen door bollenvelden. Maar bij een uitbreiding aan de noordoost kant van het bloemenpark werd toch een link gelegd naar het oude landschap door het terrein af te sluiten met nieuw aangelegde duinen. Daarvandaan en ook vanaf de Keukenhof-molen (uit Groningen) heb je een pracht uitzicht over de bloemenvelden die er kwamen dankzij de afgravingen door de maatschappij Veenenburg-Elsbroek. De fabriek die zo een groot aandeel had in het ontstaan van dit landschap is te zien. Jammer dat die schoorstenen verdwenen zijn. Dan had het verhaal kunnen luiden dat die schoorstenen lager waren dan de hoogste afgegraven duinen. En graag nog een keer, (oudere Lissers herinneren het zich nog) die stoomfluit laten horen. Dat zou het sprookje van dit door vele handen geschapen landschap compleet maken.

 

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller van achter het IJzeren gordijn (deel 1)

Dietmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

In de serie VAN VER GEKOMEN voeren we dit keer een gesprek met een man die jarenlang het gezicht was van een bekende fotohandel in Lisse. Een van de winkels op het Vierkant die klanten uit de wijde omgeving trekt. De heer Müller ontvangt ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we via vijf grote ramen, aangebracht over de breedte van het pand, het Vierkant. Voorwaar het mooiste uitzicht dat je je bedenken kunt. En, zo verzekert hij, een belevenis om van hieruit het corso te bekijken. Voor de plaats van het interview kiezen we voor de ronde tafel in de gezellige keuken. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal vertellen.

Dietmar Georg Müller werd geboren op 7 juli 1938 in Hilbersdorf, een voorstadje van Chemnitz in het oosten van Duitsland, aan de voet van het Ertsgebergte. In een gezin met drie jongens was hij de middelste. De familie woonde op de tweede verdieping van een driehoge flat. Twee jaar voor de geboorte van Dietmar had vader Paul meegedaan op het onderdeel tienkamp tijdens de fameuze Olympische Spelen in Berlijn, overschaduwd door het nationaalsocialisme. Speerwerpen was het onderdeel waarop hij uitblonk. De heer Müller laat een beeldje zien van een speerwerper dat zijn vader kreeg uitgereikt: “Veel dingen zijn in de oorlog verloren gegaan, deze trofee heb ik nog”. Moeder zorgde thuis voor de kinderen en vader werkte bij de spoorwegen. Hij maakte brandkasten met speciale vergrendelingen, enorme kasten waren dat. Vader was niet veel thuis. Hij werkte als vrijwilliger bij een sportschool als instructeur van een groep van rond de 25 jonge meisjes die gymden met een nieuw apparaat: een Rhönrad. Een groot rad met dubbele hoepels waarin je met gespreide armen en benen alle kanten kunt opdraaien en kunstjes kunt uitvoeren. Een ware hype en een spectaculair gezicht. De meisjes demonstreerden hun kunnen tijdens bedrijfsfeestjes en voor de aanvang van voetbalwedstrijden. En moeder mocht na de voorstelling de kleding van de jongedames wassen. Het gezin was evangelisch-luthers, de kinderen werden gedoopt, de christelijke feestdagen gevierd. Een doorsnee Duitse familie, die geen gebrek kende, totdat het noodlot toesloeg.

Noodlot

Het gezin Müller vlak voor der dood van vader

Chemnitz was en is een belangrijk knooppunt in het Duitse spoorwegnet en Dietmars vader was als instructeur werkzaam bij de spoorwegen bij het RAW, Reichsausbesseringswerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zwoegden hier vooral Franse krijgsgevangenen uit het “Arbeitslager” ‘Stammlager IV F’, een kamp vlakbij de werkplek van vader Müller. De resten uit de ketels van de bedrijfsgaarkeuken werden tussen de rails van de spoorbaan gedumpt, waar hongerende Fransen wat eetbaar was van de grond schraapten. Paul Müller kon deze mensonterende toestanden niet aanzien. “En wat deed mijn vader. Hij gaf ze een grote pot en zei, hier, eten jullie hier maar uit”. Deze humane daad kostte hem het leven. “Iemand heeft het gezien en hij werd direct naar het front gestuurd in de laatste week van de oorlog. Voor straf stuurden ze hem naar het OderNeisse-front ten oosten van Berlijn. Mijn vader kreeg geen militaire opleiding. Hij sneuvelde al na een week.” Twee dagen voor zijn vertrek werd een foto van het gezin gemaakt, een soldaat, zijn vrouw, twee opgroeiende jongens, een kleine in een kinderwagen…

Kinderjaren

Dietmar Müller als kind

Op moeder Gertrude rustte de zware taak de kost voor haar en haar drie jongens te verdienen. Ook zij ging werken bij de spoorwegen. De Russen bezetten na afloop van de Tweede Wereldoorlog het oosten van Duitsland. In de ogen van de communisten was zij de weduwe van een “Kriegsverbrecher” en had zij geen recht op ondersteuning. “Mijn grootmoeder ving mij op, mijn oudste broer zorgde voor mijn kleine broertje”. Chemnitz lag inmiddels niet meer in Duitsland, maar in de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, de communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie, waar de kinderen op school Russisch leerden. De stad zelf werd in 1953 omgedoopt tot Karl-Marx-Stadt, vernoemd naar de grondlegger van het communisme.

De jonge Dietmar Müller ging naar de Grundschule in een nabijgelegen plaats. In de wintermaanden bond hij de skis onder en met zijn rugzakje om skiede hij naar school. Zijn leven lang heeft hij de skisport beoefend, tot twee jaar geleden knieproblemen dat verhinderden. Na de lagere school ging hij naar de Berufsschule voor een theoretisch-praktische opleiding voor machinebankwerker.

Weltfestspielen der Jugend

In 1951 werden in Oost-Berlijn de Weltfestspielen der Jugend gehouden. Doel van de massabijeenkomst van veertien dagen was onderling begrip te kweken tussen jongeren van alle volkeren en zo de wereldvrede te bevorderen. Een ideale propagandagelegenheid voor de piepjonge DDR om internationaal indruk te maken. 26.000 deelnemers uit 104 landen verbleven in tentenkampen en namen deel aan discussies, massale parades, muziek- en dansdemonstraties. De jongeren werden met goederenwagons naar Berlijn getransporteerd. Dietmar Müller was een van hen. Dietmar werd ondergebracht in een tentenkamp aan de Müggelsee, een Berlijns binnenmeer. “Ik had een tante wonen in Charlottenburg, in de Britse sector van Berlijn. Ik wou mijn tante in het Westen bezoeken en ben stiekem met de U-Bahn naar Charlottenburg gegaan. ’s Avonds kwam ik terug in het tentenkamp en iemand had mij gezien. Toen moest ik mijn rugzak inpakken en terug naar Karl-Marx-Stadt. Ik mocht daar niet meer blijven. Ik leerde het vak van machinebankwerker bij een bedrijf met 2500 mensen in dienst. Die werden bijeengeroepen voor een ‘Betriebsversammlung’ speciaal voor mij, omdat ik naar West-Duitsland was gegaan op kosten van de Oost-Duitse staat. Ik was fout geweest. Ik zat op een stoeltje op het podium. En toen trokken ze van leer. Ik moest alles terugbetalen. De reis in de goederenwagon naar Berlijn, de reis terug. Dat geld had ik niet. Dus moest ik de gevangenis in voor drie dagen. Ik was bijna klaar met mijn opleiding, die liep nu een half jaar vertraging op.” Na deze traumatische gebeurtenissen trad Dietmar vervolgens als machinebankwerker in dienst van het laatste bedrijf in Karl-Marx-Stadt dat niet onteigend was. Ook zijn oudere broer werkte daar. Tijdens de lunchpauze sprak hij wel met een jonge collega, een jehova’s getuige. “Zeugen Jehovas” werden vervolgd in de communistische heilstaat en de jongen wilde naar het vrije Westen. Na zijn ervaringen met het DDR-systeem wilde ook Dietmar graag weg en hij vroeg of hij mee mocht.

Gevlucht

Dietmar Müller op de fiets

De tweede dag na zijn 18de verjaardag gingen ze samen op de fiets door heuvelachtig land naar het Oost-Duitse grensstadje Plauen, in het Vogtland. In de rugzak een korte en een lange broek en twee of drie hemdjes. Bij Plauen werden ze opgevangen door hulpjes van de jehova’s. Via sluiproutes werden ze midden in de nacht naar de grensgovergang gegidst. Een gevaarlijke tocht, het gebied lag vol mijnen. Over de grens namen de twee jongens
afscheid en Dietmar meldde zich bij de politie in het plaatsje Hof in West-Duitsland, waar hij vouchers kreeg voor voedsel en overnachtingen in jeugdherbergen. Hij fietste alleen verder, naar Frankfurt am Main – 500 kilometer – en meldde zich ook daar bij de politie, werd verhoord en naar een luxe hotel in Bad Nauheim gebracht. Daar werd hij een week lang verhoord door de bezettende machten van West-Duitsland: de Fransen, Canadezen, Amerikanen en Engelsen. “In het voorstadje van Karl-MarxStadt waar ik woonde, was een Russische kazerne. De Amerikanen projecteerden een kaart op de muur en wezen aan, dáár is uw huis, en dáár is de kazerne. Ze wisten dat ik elke ochtend met de tram naar mijn werk was gegaan. Op een dag was op een kruispunt een Russische vrachtwagen omgekieperd, de straat lag vol munitie. Ik moest beschrijven wat ik allemaal gezien had.” Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord-Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje. ►

volgend nummer deel 2

Bestemmingsplan Stationsweg 1-3 en aanvraag monumentenstatus

Het CHG en de VOL hebben een zienswijze ingediend om de bollenschuur van De Wolff uit 1906 te behouden. Het CHG heeft op 11 februari 1919 een aanvraag ingediend om de bollenschuur van de Wolff aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nieuwsflitsen

Betreft zienswijze op Voorontwerp bestemmingsplan Stationsweg 1-3 te Lisse. Het Cultuur-Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) heeft mede namens onze vereniging haar zienswijze ingediend op het voorontwerp van het bestemmingsplan bij “Hoeve De Wolff”. De gemeente Lisse heeft het voornemen het vigerende bestemmingsplan van de locatie Stationsweg 1-3 te wijzigen om een nieuwe woning te realiseren op en nabij de plaats waar nu een bollenschuur staat. Dit impliceert dat deze schuur zal moeten worden afgebroken. Het CHG en VOL gaan niet akkoord met de voorgenomen bestemmingplanwijziging waarin de aan de “Hoeve de Wolff” aangebouwde historische bollenschuur uit 1908 wordt gesloopt om een nieuwe woning te realiseren. De voorgestelde bestemmingsplan wijziging doet geen recht aan de hoge landschappelijke en cultuurhistorische en toeristische waarden van dit gebied dat pal naast het historisch landgoed en bloemententoonstelling Keukenhof ligt. Ook de beeldkwaliteit van de voorgestelde nieuwe woning levert geen bijdrage aan verbetering en verrijking van deze locatie of het landschap. Daarnaast ontbreekt het aan onderzoek of de historische bollenschuur die in 1908 gebouwd is, niet monumentwaardig is. Dit is in 2007 bij het vaststellen van de gemeentelijke monumentenlijst niet goed onderzocht door Dorp, Stad en Land (DSL). Ook niet in 2011 toen men voornemens was om de bollenschuur te slopen. Het CHG heeft de gemeente toen schriftelijk aangeboden om onderzoek te doen naar de cultuurhistorische waarde van de schuur, om te beoordelen of deze waard is om tot gemeentelijk monument aangewezen te worden. De gemeente ging hier niet op in omdat er nog geen concrete plannen waren met de schuur. Daarom stelt het CHG in zijn zienswijze voor om te onderzoeken of de bollenschuur in aanmerking komt voor de status van gemeentelijk monument.

Aanvraag Monumentenstatus

Het CHG heeft op 11 februari 2019 bij de gemeente Lisse de aanvraag ingediend om de karakteristieke bollenschuur “Hoeve De Wolff”, Stationsweg 1-3 te Lisse aan te wijzen als gemeentelijk monument en daarvoor de benodigde onderzoeken te laten verrichten naar de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur, omdat het dan ook door de Erfgoedcommissie beoordeeld kan worden. Er is nooit onderzoek verricht naar: 1. architectuur, ligging, bouwhistorie en karakteristieke kenmerken van de bollenschuur als bollenerfgoed; 2. de cultuurhistorische waarden van de bollenschuur, zowel lokaal als regionaal, representativiteit, ontwikkelingen door de tijd heen, ensemblewaarde, zichtbaarheid en toeristische waarde; 3. de bouwkundige staat van de verschillende gedeelten van het gebouw, de mogelijkheid tot partiële sloop (bijvoorbeeld van de aangebouwde loods), alsmede advisering naar welke periode de schuur het best kan worden gerestaureerd; 4. de mogelijkheden voor passende herbestemming van de bollenschuur. Gelet op de cultuurhistorische waarde van de schuur, de unieke locatie, midden in het open bollenlandschap vlak bij Keukenhof, en de unieke samenhang met de Hoeve De Wolff, die reeds de status van gemeentelijk monument heeft, is onderzoek naar de cultuurhistorische waarde van de bollenschuur gewenst, waarna een verantwoorde afweging kan plaatsvinden over plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. De Werkgroep Bollenerfgoed van het CHG heeft het college aangeboden een dergelijk onderzoek graag te willen verrichten. De gemeente Lisse heeft op 22 februari 2019 gereageerd op de inspraakreactie van het CHG en deelde mee dat de gemeente Lisse voornemens is om nader onderzoek uit te voeren naar de bouwtechnische staat van de desbetreffende bollenschuur. Tevens wil de gemeente de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur nader onderzoeken. De uitkomsten van deze onderzoeken gaat de gemeente verwerken in de beantwoording van de inspraakreactie. Dat betekent dat de beantwoording van de inspraakreacties wat langer op zich zal laten wachten. De beantwoording volgt nadat duidelijk is wat de onderzoeken hebben opgebracht en wat dit betekent voor het bestemmingsplan. Wordt vervolgd!

landgoed boerderij

Boerderij “De Wolff” bij Landgoed Keukenhof

Tulpomania

John Rabou  maakte de tekening, die op de voorpagina staat. De plaat symboliseert de tulpomania, de windhandel in tulpen in de 17e eeuw.

BIJ DE VOORPLAAT

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Illustrator John Rabou was ooit de ontwerper voor “Het Land van Ooit” waar hij de titel van “Opperhoftekenmeester”droeg. Hij maakte deze prachtige schoolplaat in de trant van J. H. Isings over de “Tulpomania”. In 1636–1637 raakte Holland in de ban van de handel in tulpenbollen. Een van de belangrijkste centra van deze handel was Haarlem, de stad die we op de achtergrond herkennen, met de Sint-Bavo en de Amsterdamse Poort. De prijzen stijgen tot fabelachtige hoogten en de handel ontaardt in een heuse windhandel; in deze plaat gesymboliseerd door de zeil- of windwagen, hier verbeeld als zege- of praalwagen van de godin Flora, wier hoorn des overvloeds letterlijk overloopt van de tulpenbollen. De handelaren of floristen, die met haar meerijden, verenigden zich in zgn. Comparities en kwamen bijeen in kroegen, waarvan de namen op de schilden aan de zijkant van de wagen te zien zijn. De floristen noemden hun handel “de kap”. Wie zich met tulpenhandel bezighield was “in de kap”. Vandaar de narren- of zotskap op de vlag achter Flora.

Andere verwijzingen naar de gekte zijn de wereld(bol)op zijn kop op het vaandel aan de mast, de verbeelding van de bloemisten als apen, die in de Renaissance als satirische verzinnebeelding golden van de menselijke hebzucht en domheid. Ze dragen allemaal veelbetekenende namen, zoals “Hope near Winst”, “Gragryck” en “Liegwagen”. Hun samenkomsten in de kroegen ontaardden veelal in eet- en drankgelagen. Het bellenblazen verwijst uiteraard naar het “uiteenspatten van de bubbel”. De wagen stevent onvermijdelijk af op een “schipbreuk” in de rivier van de onderwereld, de Lethe (“Laetus Vloet”), ofwel de Stroom der Vergetelheid. Ondertussen verdwijnen ook de contracten en wisselbrieven langzaam maar zeker in deze vloed. “Ydel Hope” probeert nog het tij te keren door een anker uit te gooien.
Dat mag helaas niet baten, want het anker zit niet aan de wagen vast. Achter de wagen lopen Haarlemse burgers, veelal wevers, onder het uitroepen van “wij willen me´vaeren” en aangelokt door “Gragryck” met een volle geldbuidel. Op het zeil zien we een afbeelding van de allerduurste tulp, de “Semper Augustus”, naar een aquarel uit het Tulpenboek van Judith Leyster uit 1643. Flora draagt als attribuut de meest gewilde tulpen, “Generael Bol”, “Purper Wit Poulenborg” en de “Admirael van Horn”, terwijl andere variëteiten die het meest in prijs gedaald waren, verspreid onder en rondom de wagen
liggen. Rechtsachter worden twee kooplustigen rondgeleid in de kwekerij van een van de bekendste kwekers van Haarlem, “Pottebackers Hoff”. Rechtsvoor staat een totaal berooide Haarlemse wever in opperste verbazing het hele tafereel gade te slaan: “Wie hat dit gemeent”.

Bron

Voor deze illustratie heb ik gebruikt gemaakt van contemporaine schilderijen en spotprenten: Getekend op Fabriano aquarelpapier. Techniek: tekening, aquarel, gouache. Conditie: uitstekend. Beukenhouten lijst: breed: 1,8 cm. Diep: 3,5 cm. Ingelijst achter glas, 104 x 74 cm. “Ready to hang”. Gesigneerd (onder de zwarte tulp links) John Rabou 1998.

Deen Boogerd

Illustrator John Rabou maakte deze prachtige schoolplaat.

PARELTJE van 30 cent uit de VOL verzameling

Arie Raaphorst heeft in 1922 een boekje gemaakt met de titel Gids voor een wandeling langs de bloembollenvelden in Lisse. In dit 32 pagina’s dikke boekje gaat hij in op alle historisch belangrijke gebouwen, al of niet meer bestaan in die tijd. Het boekje is in bezit van de VOL.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Onze bibliothecaris Jos van Bourgondiën liet mij een boekje zien uit de verzameling van de vereniging. Een Gids voor een wandeling langs de bloemenvelden in Lisse uit 1922, geschreven door A. R. Hz. Achter deze initialen gaat Arie Raaphorst schuil. Het zeldzame en kwetsbare gidsje is uitgegeven en gedrukt door de Lissese boekhandelaar P. de Vries. In dit exemplaar zijn in handschrift verbeteringen en aanvullingen aangebracht. Voorin staan de namen Arie Raaphorst en P. H. Raaphorst. Het is duidelijk uit de familie afkomstig, maar niet zeker is van welke hand de wijzigingen zijn.

Piet de Vries

Piet de Vries, geboren 27 juni 1880 in Lisse, was bij zijn huwelijk op 2 september 1908 boekhandelaar in Lisse. Bij zijn overlijden op 5 maart 1951 op 71-jarige leeftijd woont hij nog steeds in Lisse, maar is zijn beroep boekdrukker. Daarnaast had De Vries een advertentiebureau. Mensen konden bij hem advertenties opgeven die in de locale en landelijke pers werden geplaatst. Ten tijde van de uitgave van het gidsje was zijn zaak gevestigd aan de Grachtweg 33. Deze moderne ondernemer beschikte over telefoon.

Raaphorst

Arie Raaphorst Hz of Hzn (1880-1948), de schrijver van het gidsje, werkte als journalist bij de Leidsche Courant. Van 1928-1938 was hij penningmeester-secretaris bij de HBG.
Eerder pende hij de geschiedenis van Lisse neer en gaf die de titel “Aanteekeningen op het Dorp en de Gemeente Lisse”. Deze belangrijke bron voor de historie van Lisse is gedeeltelijk gepubliceerd in afleveringen van het VOLNieuwsblad en is in handschrift in het bezit van de VOL.

Toerisme, vervoer en gidsjes

In het eerste kwart van de twintigste eeuw groeide het toerisme. Vervoersmogelijkheden waren sterk verbeterd, de  mensen beschikten over meer vrije tijd en geld. Ondernemers in plaatsen met aantrekkingskracht op vakantievierders en dagjesmensen brachten toeristische gidsjes uit met informatie over hun streek, veelal voorzien van plattegronden. Zo ook Piet de Vries. De bloeiende bollenvelden immers zorgden in het voorjaar voor topdrukte op de Lissese wegen. De tram tussen Haarlem en Leiden, de Bollenlijn, reed op zondagen extra ritten met een lange sleep rijtuigen. De Vries gaf journalist Arie Raaphorst Hzn opdracht een gidsje te schrijven dat de dagjesmensen te voet langs de mooiste bollenvelden van Lisse zou voeren. In zijn inleiding bij het gidsje schrijft Raaphorst dat hij wil wijzen op wat er nog is, maar ook “met een enkel woord” terug wil gaan “tot de geschiedenis van vroeger tijden”. Mochten er lezers zijn die in het boekje gebreken vinden, dan staat hij open voor “zakelijke critiek”. Dat enkele woord is wel een understatement.
In dit 32 pagina’s tellende gidsje gaat hij in op de historie van Lisse en zijn bezienswaardigheden.
Of ze er nog zijn of niet.

Wandeling door de historie van Lisse

Pagina uit het boek

Zo beschrijft hij de geschiedenis van de buitenplaats Berkhout, waarvan alleen de tuin rest, en die van het landgoed Meerenburg, al begin 19de eeuw gesloopt. Dever ligt er in 1922 rampzalig bij, maar Raaphorst wijdt vijf pagina’s aan de bouwkundige aspecten van wat er ooit was.
Het fraaie interieur van de Sint-Agathakerk krijgt een uitgebreidebeschrijving, evenals dat van hetraadhuis. De schrijver beseft wel de economische noodzaak van de afgraving van duin en bos, maar betreurt toch de “verdelging van al dit natuurschoon”, de afbraak van een buitenplaats als Veenenburg en de afzanding van de gronden daarvan. “Heeft men dan nooit genoeg? Moet alle pracht, die de natuur ons schenkt, dan daarvoor verdwijnen”. Deze en andere opmerkingen geven het gidsje een persoonlijk tintje. Dankbaar is hij de familie Van Lynden, waarbij hij hoopt dat het landgoed Keukenhof “voor ons en voor ons nageslacht gespaard mag blijven voor de schendende hand onzer hedendaagsche cultuur”. Veel van wat de wandelaar anno 1922 nog zag is afgebroken, bloembollencomplexen, bollenvilla’s, maar Dever is gerestaureerd en Keukenhof behouden. Raaphorst laat de tramreiziger uitstappen bij de halte “in het Vierkant” en een verfrissing in hotel “De Witte Zwaan” gebruiken. Dan volgt een wandeling die ook nu nog gemaakt zou kunnen worden.

Raaphorst de verteller

Het gidsje voert de wandelaar zuidwaarts richting Sassenheim, langs de eeuwenoude kerk van de Ned. Herv. Gemeente met de toren van tufsteen. In het portaal van de kerk vindt men de grafsteen van de gouverneur van de Kaapkolonie Willem Adriaen van der Stel. Raaphorst prijst de verbeteringen die door het kerkbestuur zijn aangebracht: de kerkhofmuur en de nieuwe kosterswoning in oudhollandse stijl. Dan in dezelfde stijl het raadhuis uit 1907. Het
katholieke bolwerk – Agathakerk, huize Pius, Agatha gesticht voor meisjes en de RK jongensschool – bespreekt de schrijver tot in detail. Zo noemt hij vol trots de bouwers van de jongensschool de gebroeders Barnhoorn. Volgt het bloembollencomplex van de Gebroeders Segers aan de Heereweg. Voor de Jannetjesbrug over de Vennesloot staat het prachtige landhuis van A.Verduin jr (De Venne) en heeft men zicht op de “Rijkstuinbouwwinterschool voor de Bloembollenstreek”.

Een wandeling door Lisse door A. Raaphorst.

Raaphorst vraagt de wandelaar plaats te nemen in het gras tegenover de ingang van Dever. Hij wil graag wat vertellen over het verleden van de ridderhofstede en zijn bewoners. Met pijn in het hart kijkt hij naar de ruïne. De hoge walmuren gesloopt, de grachten gedempt, het geboomte gekapt en gerooid. Ontdaan van alles is het “een blijvende bespotting, naakt en kaal tusschen de producten onzer hedendaagsche culturen in, door niemand geëerd, ook niet door hen die daarvan de eigenaars zijn”. Dan rechtsaf naar de Catharijnelaan, waar de schrijver wijst op de oude boerenhofstede “Bloemenhof” waarbij ooit de oude RK kerk stond (niet meer aanwezig). Rechtsaf naar de Achterweg langs “Grootenhof” en de overblijfselen van Huis ter Spekke. Linksaf de Spekkelaan op langs de bloemenvelden richting Loosterweg. Raaphorst geeft de wandelaar de mogelijkheid linksaf te slaan de Loosterweg op naar het Reigersbos en de bossen van Wassergeest, maar zijn wandeling voert nu rechtsaf weer de Loosterweg op dwars door de bossen van Keukenhof, over het erf van het kasteel en dan rechtsaf, door de ‘Rasters” terug naar het dorp. Aan de linkerhand ziet men Zandvliet, met de mooie vijver en brug (nu bloemenpark Keukenhof), dan weer volop uitzicht op de bloemenvelden in vakken gedeeld door heggen, in de kromming van de weg de villa Veldhorst met de bollenschuren van G. van der Mey’s Zonen (de laatste afgebroken). Rechts de tuin Berkhout en aan het einde van de weg het postkantoor (afgebroken). Linksafslaand komt men bij Roosendaal  gesloopt), dan passeren we de mooie witte villa “Maria”, een ontwerp van de Haarlemse architect J. London. Voortgaande het bollencomplex “Welbedrogen”, waar ooit het landgoed Meerenburg lag, de villa’s  Buitendorp en Magnolia (waarvan de sloop in 1991 leidde tot de oprichting van de VOL). Aan de linkerhand ligt de villa Somalo, een ontwerp van architect Leen Tol, en Becorsa (gesloopt) en het verdwenen buiten Wildlust. Na een blik op het buitentje Bloemoord, staande op een duintje, en de Steenfabriek, is het tijd voor een verfrissing in de Nachtegaal.

De entree van het buiten “Veenenburg” vanaf de Loosterweg

Bij de Nachtegaal slaan we de Zwartelaan in, jaar het bollencomplex van de Gebroeders Veldhuyzen van Zanten staat (verdwenen). Op de brug een magnifiek uitzicht op de bloemenvelden, waar 25 jaar daarvoor nog dicht bebost duin was. Aan het eind van de Zwartelaan lag het ook toen al verdwenen buiten Veenenburg, waarvan Raaphorst een foto van de ingang plaatst, met rechts zicht op het van hout opgetrokken Duinlust. We slaan linksaf de Loosterweg in, passeren “De Looster”, komen weer bij de Stationsweg en slaan weer linksaf naar het dorp

.

OUD NIEUWS: Kwaadaardige honden op Dever

Heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699) had veel problemen met zijn windhonden. Zij vielen schapen en zelfs een bezoeker aan, die ernstig aan zijn been verwond werd.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

De heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699), gehuwd met Agatha Adriaansdr. Bijl (1634-1694), heeft heel wat te stellen met zijn liefhebberij, het houden van windhonden. Er lopen er zeker al vier los op zijn erf, van aanlijnen wetenv ze nog niet. Hij gebruikt zijn honden waarschijnlijk voor de jacht en bewaking.
Of er daarvoor ook al problemen zijn geweest weten we niet, maar in 1682 verschijnen er een aantal dorpsgenoten voor schout en schepenen met ernstige klachten. ‘Voor schout mr. Adriaan van Gorcum en de schepenen Jacobus Dirkse van ’t Hoog en Jacob Ottense Cranenburg verschijnen Jacob Dirkse Uijtermeer, oud omtrent 36 jaren (geb. ca 1646 en gehuwd met Marijtje Cors Langevelt), en Cornelis Pieterse desselfs bouwknecht, oud omtrent 20 jaren, beide onze inwoners, en Sijmon Cornelisse Oostdam, (ca 1632-) gehuwd met Jannetje Pietersdr Van der Plas, wonende in Noordwijkerhout, oud omtrent 50 jaren’. Cornelis Pieterse verklaart, op verzoek van de hoogedele heere Willem Benting, houtvester van Holland, dat hij, komend op maandag 8 juni 1682 van de Delftse paardenmarkt, heeft gezien dat twee windhonden waarvan hij later vernam dat zij toebehoorden aan jhr. Willem de Wael van Vronesteijn, heer van Dever, door de wei van zijn baas Jacob Uijtermeer de beesten achterna zaten. Hij heeft gezien dat een schaap in de sloot lag en een lammetje zeer verwond was. Cornelis vertelt dit aan zijn baas Jacob Uijtermeer, die zich naar Dever spoedt en jhr. Willem verzoekt de heer de geleden schade door zijn honden aangedaan te vergoeden. De zaak wordt in der minne geschikt voor vijf gulden en twee stuivers.
De derde getuige Simon Oostdam doet zijn verhaal voor schout en schepenen. Afgelopen september ging hij naar de wei van Willem Ariense in Noordwijkerhout, waar zijn ram liep, die hij naar zijn eigen weide wilde overbrengen. Het dier was echter zo ernstig gebeten dat het moest worden afgemaakt. Ene Cornelis Jacobse uit Noordwijkerhout wist hem te vertellen, dat de windhonden van de heer van Dever de ram zo hadden toegetakeld. Ook hij vervoegt zich bij jhr. Willem, heer van Dever, die prompt de schade voldoet van vier gulden en tien stuivers. Het wordt nog erger. Claas Joosten van Diest, 64 jaar, tuinman van beroep (getrouwd met Grietje Hermans Cuijper), legt een verklaring af. Schout en schepenen moeten ervoor naar het huis van Claas, omdat hij zwaar gewond op bed ligt. Onder ede verklaart Claas het volgende (en mocht hij niet de waarheid spreken, dat God hem dan van deze wereld wegneemt): zijn neef, Mathijs van Bambergen, wijnkoper te Amsterdam, was op 9 augustus j.l. naar jhr. Willem gekomen om een rekening te innen voor geleverde wijn en azijn. Hij trof echter de heer van Dever niet thuis. Daarom was hij naar Claas gegaan en had hem gevraagd voor hem nog een keer naar Dever te gaan met de rekening, omdat Mathijs weer terug naar Amsterdam moest. Claas was zijn neef

Huys Dever door Roeland Roghman (1627-1692.
De windhonden zijn ingezet.

graag ter wille en begaf zich op vrijdag 16 oktober met de rekening naar Huis Dever. Wij laten het opgetekende verslag letterlijk volgen: ‘Ende komende op desselfs werf de vier winthonden van den voornoemde heere van Deveren die los over de werf liepen aanstonts seer furieus op hem sijn aangevallen, ende dat een van de swarte honden hem op drie bijsondere plaatsen in sijn slinkerbeen seer ellendig heeft gebeten, ende de laatste reys een groot stuk vleesch daar uytgerukt, soo dat de kuyt uit sijn been liep ende hij onder de voet viel.’ Waarop hij, om hulp schreeuwende, door Jochem de knecht en twee dienstmaagden van de heer van Dever werd ontzet. Ondanks zijn zware verwondingen heeft Claas het nog een poosje op aarde uitgezongen. In 1688 wordt hij nog in het hoofdgeld aangeslagen.

Bron

ORA nr. 30 scan 55.

“TULPOMANIA” DE WINDHANDEL IN TULPEN EEN “GOUDEN TIJD”

In de 17e eeuw werden de meest waanzinnige prijzen voor tulpenbollen betaald. Het schilderij De Floaes Gecks-kap , dat op de hartpagina staat, wordt beschreven. Het beeld van de windhandel wordt op een fantastische manier weergeven. De windhandel wordt uitgebreid beschreven.

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nog even dan gaan de bloembollen in volle glorie bloeien. Daarna breekt de tijd aan dat de handel er flink op los gaat. Uiteraard om veel bollen te verkopen maar meer nog om daar zelf of de klant financieel beter van te worden. Er zijn ook nu nogal eens partijtjes die voor fikse prijzen van de hand gaan omdat de handelaar daar zeer beslist zijn zinnen op heeft gezet en dus voor een hoge prijs gaat. Niet goed voor de prijsstatistiek natuurlijk, maar wel goed voor de kweker van die bollen. Wordt die prijs ondanks alles redelijk goed in de gaten gehouden en worden voor de bloembollen wisselende prijzen betaald die veelal op een redelijk niveau liggen; er is een periode geweest waarin de meest uitzinnige bedragen voor een enkele bloembol op tafel werden gelegd.

Dat was in de 17e eeuw. De periode die de geschiedenis zou ingaan als de periode van de Windhandel in bloembollen, ofwel “Tulpomania”. Mensen die perse een bepaalde bol (eentje dus) wilden hebben boden daar hun gehele bezit voor. Soms gingen er zelfs complete grachtenhuizen van de hand, maar ook veestapels, inboedels en noem maar op. En dat alleen om die enkele bol in bezit te krijgen. Een ding dat goud waard was en voor een nog grotere opbrengst zou kunnen zorgen dan de aankoopwaarde. Handelsgeest ten top dus, maar in werkelijkheid was het pure hebzucht die met een doffe dreun de grond werd ingeboord toen er plotsklaps meer dan voldoende bollen te koop bleken en niemand
meer oog had voor een enkele bol die vele honderden guldens zou moeten kosten. Velen raakten
dan ook aan de bedelstaf en hadden inplaats van een gouden bollenhandeltje, helemaal niets meer (dan alleen die bol) waarop ze in financieel opzicht konden steunen. En de droeve constatering was weggelegd, in zeer korte tijd gemeen goed was geworden, want iedereen die bollen wilde hebben kon die tegen een redelijke prijs kopen…

De grote gekte breekt los

e Semper Augustus, de duurste tulp ooit, had een virusinfectie die de DNA expressie verandert.

En dat ging allemaal om de tulp, die aanvankelijk nog maar spaarzaam in Nederland voorhanden was. Door dat unieke ervan waren het dan ook alleen de allerrijksten, met klinkende namen en nog luider klinkende munten die dit product konden bemachtigen. Zoals Doctor Adriaen Pauw, Ridder, Heer
van Heemstede, Bennebroek, Nieuwerkerk enzovoorts, Pensionaris der Stadt Amsterdam,  Bewindhebber der Oostindische Compagnie,Presiderend raad en Rekenmeester der Domeinene enzovoorts, enzovoorts. Hij had zich ontfermd over onder andere de tulp Semper Augustus, die aanvankelijk in zijn schitterende tuin onder de rook van Haarlem bloeide, maar uiteindelijk verkocht voor vele duizenden guldens. En nog was hij bekocht, want de goede man ontdekte te laat dat hij van die ene bol enkele jonge bollen had kunnen verwachten die hem nog enkele duizenden guldens zouden hebben opgebracht. Voor tien van deze bollen werden in die tijd maar liefst twaalfduizend keiharde guldens neergeteld en enkele jaren later was de prijs zelfs opgelopen tot 1200 gulden per stuk en nog wat later werden er biedingen van tweeduizend en zelfs drieduizend gulden afgeslagen. In de (bollen)geschiedenisboeken staat het verhaal geschreven van de verkoop van een enkele tulpenbol van een langzaam groeiende soort. Deze bol werd verkocht voor twee vrachten tarwe, vier vrachten rogge, vier vette ossen, vijf varkens, twaalf schapen, twee okshoofden wijn, vier tonnen bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een bed met toebehoren, een pak kleren en een zilveren beker en een schip waarin alles vervoerd zou kunnen worden. Het betrof dan ook een kostbaar product. Zo kostbaar dat het tegen goud werd afgewogen. Het bezit van een tulpenbol gaf de bezitter aanzien en dat was hem (als hij het geld in de knip had tenminste) heel wat waard. Menigeen deed in de jacht op grote winsten zijn bedrijf op slot, stuurde het personeel naar huis en toog met zijn geld naar plaatsen waar de floristen, de handelaars, bij elkaar kwamen. Als het allemaal een beetje wilde meezitten, kon je zomaar zestigduizend gulden per maand verdienen. Ook nu en in Euro’s verschrikkelijke bom duiten en dat was in de 17e eeuw nog vele malen meer. En ja hoor, daar ging er weer eentje van de hand. Vijf pons Gheele Kroonen voor 1875 Gulden en betaald met een pert met zijn cales ende honderdvijftich Gulden. Het liep uiteindelijk finaal uit de hand. Begin 1637 roken de floristen kennelijk onraad, want ze gingen ertoe over om de producten per veiling aan te bieden. Aanvankelijk was de prijs nog riant, maar spoedig zakte deze als een baksteen en binnen de kortste keren lag de handel in tulpen totaal in de goot. Met voor menigeen desastreuze gevolgen, want aan een bankroet viel niet meer te ontkomen.

Spotternij
En aan spotternij was natuurlijk geen gebrek. Zo ontstond er de “Saemenspraeck tussen Warmondt ende Gaergoedt” over de opkomst en ondergang van Flora. In 1637 verscheen de eerste druk van dit geestige werkje, in 1643 leverde de drukker opnieuw een serie af en in 1734 was dat nog een keer het geval op het moment dat eenzelfde soort windhandel in hyacinten de kop dreigde op te steken.
Crispijn van de Passe (1594-1670) maakte in 1636 een gravure die als titel kreeg “De Mallewagen”, het
falen der Bloemisten. In deze gravure zijn praktisch alle elementen uit de periode van de windhandel in
beeld gebracht. Het geheel bestaat uit een zeilwagen (zie rechtsboven en cover) die door de wind wordt voortgedreven. Op de wagen zit de bloemengodin Flora met in haar hand de tulpen Semper Augustus, Generaal Bol en Admirael van Hoorn. De drie mannen op de wagen dragen Flora’s zotskap en hebben de namen Leegwagen, Graegerick en Leckerbaerd. In hun gezelschap ziet men de twee dames Vergaeral en Ydel Hope, waarvan laatstgenoemde een vogel aan een draad in haar hand had, doch de vogel is gevlogen. En de kunstenaar liet aan duidelijkheid niets te wensen over, want hij graveerde erbij: “Ydel hope ontflogen”. De wagen waarop het gezelschap zich bevindt lijkt zwaar gesponsord te worden, doch de borden die aan de zijkanten zijn aangebracht bevatten de namen van een aantal herbergen waar de
Floristen hun bijeenkomsten hielden. Inclusief een vlag met drie tulpen en een aap die in de mast klimt en zijn behoefte laat schieten, daarmee klaarblijkelijk uiting gevend aan zijn mening over de bollenhandel. Achter de wagen lopen mannen en vrouwen die roepen ‘mee te willen vaeren’. Aan
hun voeten liggen allerlei weversgereedschappen, waaruit blijkt dat velen uit het weversgilde meer in de tulpenhandel zagen dan in de weverij en op de grond naast de wagen liggen tulpen die stuk voor stuk van een naam zijn voorzien. Op de hoeken van de prent is nog iets te zien van het interieur van de herbergen waarin zich de handel afspeelde en als onderschrift wordt meegegeven: “Als is geschiet een sotte daet, zoo wordt gesocht een wijsser raet”. En ook Piete  Nolpe kon er wat van. Die maakte een tekening van een enorme zotskap en zette daaronder een samenspraak tussen twee passanten. Het lezen van die samenspraak vergt de nodige concentratie, maar is desalniettemin alleen in de oude stijl het meest aansprekend. Floraes Gecks-Kap (zie hartpagina) of Afbeeldinge van ’t wonderlijcke Iaer van 1637
doen d’eene Geck d’ander uytbroyde, de Luy Rijck zonder goet, en wijs zonder verstant waeren.

Aenden Nieus-gierigen

Lezer Onlangs met zekeren vrint tot Haarlem zynde vonden wy in ’t voorbygaen
voor een Schilderswinckel een frommeltien volckx staen die aent uytwendighe gebaer het vrij drock mette praet schenen te hebben, twelck ons beweeghe uyt nieusgiericheyt (die de Amsterdammers gelyk aangeboren is) wat naeder bij te comen alwaer wy hoorden dat eenen die daar inde wandeling Fop Huysecooper hiet, tegen een ander Cryn Duyvenmelker genoempt hoogewoort voerden en de omstanders met wyze oogen en open monden staende hielt doort hobollige snackie datze over een schildery op den geckelyken handel van de Floristen gemaeckt samen hadden, welcke afbeeldinge als chlugtigen praat van deze twee ick de Liefhebbers als waardich om in eewige geheughenis te blyven hier voor oogen stellen en naer onthoudt soo wat dat Fop met deze woorden eerst begon: Fop Huysecooper “Wat is dit voor coddery? ay Cryn maet kyck een reys.” Crijn Duyvemelker: “Wel zie je dat niet Fop, ’t is ee schilderij van de ryke Coopluy van ’t Iaer 1637 doeder mier dysenden in een maent verhandelt wierden alser nu is zes iaeren ‘tAmsterdam opde beurs.” Fop: “Waer zittenze daer aen een taeffelken met een goutschaeltien en weegert? Crijn: “In een groote Geckskap maer alser al in souwen die aen die Coeuel gereet hebben ick mien daer vrij grooter als half Haarlem sou moeten wesen.” Fop:“Wel dits kluchtich zitmen nu met heele gezelschappen ineen Cap van outs plechtmense opt hooft op de mantel en heel cleyntjes opde Tabberts te draegen maer daer steeckt den vaendel uyt. ister kermis?” Crijn:”Neen of iaa. ’t is ’t uythangbort daer twee domme gehersenlooze malkaer stoten willen en zie je dat er onder slaet in de 2 zottebollen. ”Fop:“Iaak weerentich maer wie zit daer op een Ezel die van een deel fatsoenlyk volckje egieselt wort?” Crijn: “Dat is Flora zehier die Floristen eerst schier te kacken droegen en nu uyt
spyt om haer hoerachtige lichtvaerdigheyt van haer uytgeboent wort.” Fop: “Die daer zyn hooft staet en
klauwt wat is dat voor een?” Crijn:“Deen of dander Cales die Flora al mee op hoop ryk gemaeckt hadt en nu slecht staet en ziet dat zyn spullen in d’as leggen en zyn goetyen inde Lommert staet om opde  omparitje te comen en armen bloet nu weer aent wercken moet.” Fop: “Wel dats zo een beusenhandel nu hou ick noch mier Crijn altemiets in de Execusi te gaen om een plockjen.” Crijn: “Jaa Fop Huysecooper daer cant mee wel slecht afloopen want daer worden de menschen licht in schaepen verandert en naer een koy geleyt.” Fop: “Dat het nou gin prykel dehuysen zijn te te zeer aent rijsen maer daer staeter jen en lacht dat lyckt wel jen kluchtigen haen te wesen. ”Crijn: “Dats een waert die heeft vetpot byde bloemisten gespeelt want niemant isser beter bij gevaren als dat volckje en die daer inde andre hoeck staen praeten en zien datmen dat hoflycke goet als dreck opden vullishoop brenght, dat lijcken wel Tuynlui en hoverniers te weezen die haer vast verwonderen over dezen wonderlijken handel en vruchtbare tyden van Gecken, want ick loof dater in dat wonderlycke jaer meer Gecken uytgebroeyt zijn alser in duisend jaer van Vrouwen geboren worden.” Fop: “Maer nae ick sie zoo is Heyntjeman daer mee in ’t spul geraeckt dat is een quaet Geck daer hou ‘k niet of.” Crijn: “t Is maer in Schildery, die lyckt we dat al de briefjes aen een snoer heeft die de Floristen malkander gaeven en een Nachtglas in d’ander hant
als of hy seggen wilde de tyt is om.” Fop: “Hoe waeren die briefjens daer soo veel luy ryck mee waren doch als gestelt dat lusten my wel te weten.” Crijn: “Daer weet ickje mee te helpen. Ick hebber een deel nageschreven wilje die lezen hier heb ikze.” Fop: “Jazeker, uyt niewicheyt.” Verkocht aen N.N. een vierendeel Witte Kroonen voor de somma van 525. Guldens als de leverantie geschiet ende vier koeyen ghereet die men dadelyck van de stal zal mogen halen ende tot deze Verkopers huyse leyden.  Overgenomen van N.N. twee pont Swifters welck hy gekocht hadde 1200 Guldens die ick tot mynen last nemende daerenboven een Quartel Pruymen die ick hem daadelyck leveren ende noch binnen veertien daghen 1400 Guldens tetellen ofte in Backe af te schryven. Gekocht van N.N. een pont Centen voor 1800 Guldens mits haer ghevende myn beste Weerschyne Rock een oude Risenmobel ende een Pennicken met een silvere Kettingtje om aen een kints hals te hanghen. Overghenomen van N.N. een Verbeterde  spinnekop van 400 Azen (20 azen was ongeveer 1 gram-red.) gheplant dien hy voor zeven hondert Guldens ghekocht hadde mits hem vereerende hondert Schippont Edamse kaes…

Moraal van het verhaal
…Hiermee ontstond onder de toehoorders zulck gelach dat Fop niet voort kon lezen hoewel hy noch een lange rol hadt waar door elck zijns weeghs liep en wy naar Schuytjes om sinds te vaeren. Vaert wel lezer en denckter op….. hebberigheid zou wel eens kunnen leyden tot een diepe val in de afgrond.. ■

Bronvermelding
De Mallewagen alias het valete de Bloemisten, gravure, (toegeschreven aan) Crispijn van de Passe (II), 1637.
Rijksmuseum. Florae’s Gecks-kap, kopergravure van Cornelis Danckerts naar Pieter Nolpe, 1637.

Flora’s Mallewagen, schilderij van Hendrik Gerritz. Pot, ca. 1640. Frans Hals Museum.
Allegorie der Tulpomanie, schilderij van Jan Breughel de Jonge, ± 1640.

Privébezit. Satire op de Tulpomania, anoniem schilderij, Frans Hals museum.
Beeldmateriaal – Publiek Domein.

ERNST HEINRICH KRELAGE (1869-1956) EN ZIJN BETEKENIS VOOR LISSE

Op 20 februari 2018 hield Maarten Timmer bij de VOL een lezing over Krtelage. Hij had intensieve contacten met Lisse, dat zich eerst bescheiden presenteerde als ‘bij Haarlem’, maar zich later afficheerde als ‘Centre of the Bulb-district’. Timmer heeft zijn lezing speciaal voor Oud Lisse verwerkt tot een uitgebreid verhaal. In dit Nieuwsblad staan enkele wederwaardigheden hieruit. Voor het vhele verhaal klikt u op:

Krelage oudlisse

Door Maarten Timmer, bewerkt door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Ernst Krelage

Een voorbeeld uit 1910 Ernst Krelage was een druk bezet man. Hij was eigenaar van de Tuinbouwinrichting Bloemhof, de firma E.H. Krelage en Zoon, die door zijn opa was gesticht. De
hoofdvestiging van het bedrijf lag aan de Kleine Houtweg in Haarlem. Ernst was bezig met het schrijven van een Gedenkboek want in 1911 zou het bedrijf 100 jaar bestaan. Op 23 maart opende prins Hendrik in Haarlem de door de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) ter gelegenheid van haar 50
jarig bestaan georganiseerde Nationale Bloemententoonstelling, een initiatief van Ernst, sinds 1907 voorzitter van de AVB. Op 1 mei leidde Ernst de oud-president van de VS Theodoor Roosevelt rond op de tentoonstelling. Ernst zond zelf ook in op die tentoonstelling. Met verscheidenheden die afkomstig
waren van het kruisingsprogramma dat hij in 1902 samen met zijn medewerker J. Dix was begonnen.

In de catalogus van de tentoonstelling stond een bijzondere advertentie: ’Speciaal cultuur van vroeg broeiende Hyacinthen. Bij goede behandeling gegarandeerde Kerstmisbroei, ook in de slechtste jaren, mits besteld voor einde mei, bij N. Dames te Lisse’. Op 27 december zat Ernst de 101ste algemene ledenvergadering van de AVB voor. In de rondvraag vroeg H. van Zanten uit Hillegom, lid van het hoofdbestuur, aandacht voor de methode Dames. Het laatste woord in die vergadering was voor Dames: ‘Kom maar kijken ik heb ongeveer 1000 hyacinten in bloei staan’. Na die vergadering werd Ernst gehuldigd voor zijn werk voor de tentoonstelling.

Bloembollen in Lisse, ‘Lissers’

Het is een bekend feit dat hyacintentelers hun eigen teeltgebied als het beste beschouwen. Het was
vroeger niet anders. Toen de teelt van hyacinten in Lisse opkwam noemden telers uit Haarlem en omgeving Lisse het ‘kerkhof der hyacinten’. ‘Men ging zelfs zoover, dat wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die tengevolge van den sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten…. deze de naam te geven van Lissers’. Nu nog worden dergelijke hyacinten aangeduid als ‘Lissers’, maar weten we nu ook dat het een ziekte is die overgebracht wordt d.m.v. cicaden (insecten).

Dames versus Jacob en later Ernst Krelage

Mede op initiatief van Dames kwamen eind 1896 vertegenwoordigers van 20 exportbedrijven op Amerika in Lisse bij elkaar om: ‘te bespreken of het wenschelijk en noodzakelijk was om later op reis te gaan, en door het aanleggen van een Zwartboek het aanknoopen van onsolide relaties met onsolide huizen in Amerika te voorkomen’. Het initiatief sloeg aan en januari 1897 werd de Verzendersbond opgericht. Ze konden meteen aan de bak want in maart 1897 kwam het bericht dat de Amerikaanse regering van plan was het invoerrecht te verhogen naar 30 procent.
Namens de AVB kwam voorzitter Jacob Krelage (de vader van) in actie via de minister van Buitenlandse Zaken. De Verzendersbond huurde in Amerika een lobbyist in. Daar wist de AVB dan weer niks van. Zoon Ernst schreef hier in 1946 over: : ‘Het hoofdbestuur, waarvan geen enkel lid Amerika uit eigen aanschouwing kende en dat vreemd stond tegenover de Amerikaansche toestanden, verwierp elke actie buiten den officieelen weg’. 10 jaar na de oprichting van de Verzendersbond nam Nicolaas Dames het weer op tegen een Krelage. Aanleiding was de strijd om de plaats voor de Rijkstuinbouwwinterschool. Men opteerde voor Haarlem. Op 17 december 1907 begon Dames zijn strijd voor Lisse met het schrijven van een brief in het Weekblad voor Bloembollencultuur. Daarin bestreed hij alle argumenten van het hoofdbestuur voor vestiging in Haarlem en was de strijd tussen Dames en Krelage begonnen. Krelage reageerde met een weerwoord en zo ging het door. Tot minister Talma koos voor de argumenten van Dames en in augustus 1910 bepaalde dat de school in Lisse moest komen. Ernst vond het ‘pijnlijk’ zei hij in de algemene ledenvergadering eind 1910 dat het advies van de AVB niet was gevolgd. Hij schreef hierover in het Gedenkboek ’ het bleek…dat de meeningen in den boezem der vereeniging (de AVB) ten aanzien van de plaats van vestiging eener eventueele school niet onverdeeld waren’.

Proeftuin, Proefstation

Schooldirecteur Volkersz wilde een proeftuin bij zijn school. Onderzoek naar allerlei vakproblemen, zoals het aaltjesziek in narcissen, was noodzakelijk. Volkersz en Krelage zorgden er voor dat bioloog E.
van Slogteren aan de slag ging in Lisse. Volkersz kreeg echter zijn proefstation niet. Van Slogteren, gesteund door Krelage wilde een eigen laboratorium, niet inwonen bij een ander. In 1922 verrees het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek met Van Slogteren als directeur. Het was waarschijnlijk om iets goed te maken dat Ernst zich op 4 oktober 1939 liet benoemen tot lid van de Commissie van Toezicht bij de school. Een jaar later werd hij voorzitter. Hij zou het blijven tot half april 1949.

Een Ernstig Woord

Januari 1922 stelde Krelage een informeel overleg in tussen de AVB, de Bond van  Boembollenhandelaren en het Hollandsch Bloembollenkweekers Genootschap, HBG. Dat werd het Centraal Bloembollen Comité, CBC. Uiteraard was Ernst voorzitter. Dat CBC werd, na het verschijnen van het manifest ‘Een Ernstig Woord’ verder uitgebouwd. Dat manifest, geschreven door Van Slogteren samen met vooraanstaande vakgenoten (onder leiding van C. Grullemans uit Lisse) was een pleidooi voor meer geld voor het wetenschappelijk onderzoek. Men pleitte voor het instellen van een fonds waarin per roe geteelde bollen twee cent zou worden gestort, het twee-cent-per-roe-fonds. Het kreeg brede ondersteuning. Het fonds werd niet alleen bestemd voor wetenschappelijk onderzoek maar ook voor onpersoonlijke reclame. 1971 was het laatste jaar dat het CBC als zodanig functioneerde. Toen ging ruim 2,5 miljoen gulden naar het wetenschappelijk onderzoek en ruim 8 miljoen naar de onpersoonlijke reclame. Na 1971 erodeerde de succesvolle samenwerking. Had men maar van de geschiedenis geleerd, weer ‘Een Ernstig Woord’ geschreven, een CBC nieuwe stijl opgetuigd. Dan was er misschien meer geld voor onderzoek gebleven. Een samenhangende overkoepeling en een gedeelde visie op de toekomst van de bloembollensector worden gemist. Door deze gemiste kansen is helaas de toekomst van het vak op het spel gezet, en lijkt er zich niemand druk om te maken…■

Maarten Timmer

Het boek Ernst Kralage van Maarten Timmer

Van jongs af aan is Maarten Timmer bekend met de bollenteelt. Na zijn studie werkte hij als onderzoeker bij het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek. Sinds zijn pensionering is hij intensief bezig met historisch onderzoek naar de tuinbouw, in het bijzonder naar de bloembollenteelt. Daar publiceert hij ook over. Zo verscheen over Ernst Heinrich Krelage (1869-1956) een werk in 2 delen. Krelage was een bekende Haarlemmer en een van de grondleggers van de moderne bloembollensector in Nederland.

Maarten Timmer

EEN OUDER D’EVER?

Op een luchtfoto in een van de vorige Nieuwsbladen waren  op zo’n 400 m. ten zuidoosten van Dever plekken in het gras te zien, die mogelijk duiden op bebouwing in vroegere tijden. Archeologische amtenaren  van de HLT-samen  zijn enthousiast om nader onderzoek te faciliteren. Het terrein is van STEK en de dijk van het Hoogheemraadschap Rijnland. Overleg volgt.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Gebeurt er nog wat met die vondst van dat verdorde lijnenspel in die nog groene weide? Of raakt het in de vergetelheid? Na die vraag werd ik uitgenodigd om eens kennis te maken met de mensen die voor HLT-samen de dingen op archeologisch gebied in goede banen proberen te leiden.
Folckert van de Veen hoofdbeheerder van D’Ever en tevens afgestudeerd archeoloog had ik gevraagd om mee te gaan. Dat deed hij natuurlijk. Zo waren de twee beheerders van het “Nieuwe D’Ever” bezig om dat “Oudere D’Ever” onder de aandacht en boven het maaiveld te krijgen. Men vertelde ons dat er wel degelijk veel enthousiasme was om te komen tot een verkennend onderzoek bij de archeologische vindplaats. Met zo een vooronderzoek wordt geen schade aangebracht in de vindplek. Wij hopen dat de gesprekken die men wil voeren met het STEK-bestuur positief zullen verlopen. Het gebied D’Ever-Zuid en Geestwater waar bouwplannen voor zijn is
in eigendom van STEK. Het dijklichaam van de Poelpolder valt onder Hoogheemraadschap. Voordat we daar ook maar iets kunnen doen willen we op een goede manier met beide partijen samenwerken. Één van de planologische voorstellen laat op de archeologische vindplek een parkachtige situatie zien. Wat zou het mooi zijn als we in dat park kunnen zien wat er heel vroeger kan hebben gestaan. Wij hopen dan ook dat we bij de volgende meeting in juni een positief geluid mogen horen.

Wordt vervolgd.