Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Detail van een kaart van Jan Pietresz. Dou van de Poelpolder, Lisserbroek en Rooversbroek met tekst over 825 jaar Lisse.

Bij de voorplaat

Nieuwsblad 22 nummer 1 2023

In het jaar 1198 is Lisse voor het eerst aantoonbaar beschreven inbeen oorkonde. Dat is dit jaar 825 jaar geleden. Al eerder wordt Lisse genoemd vanwege een groots huwelijksfeest dat mogelijk in Lisse zou zijn gevierd ter ere van het huwelijk van Diederik van Cleve en Margaretha, de dochter van graaf Floris en zijn vrouw Ada. Die locatie is nog steeds discutabel, vandaar dat men voor 1198 kiest wat wel te bewijzen is. Dat Lisse al veel eerder een woonoord bwas is heel zeker. Vondsten uit de Romeinse tijd, de vroege ijzertijd en zelfs uit het stenen tijdperk tonen dat aan. Verschillende beken die ontsprongen in ons duingebied zorgden voor de eerste levensbehoefte: drinkbaar water. In het duingebied liep heel wat wild rond te huppelen. Op de venige gronden waren genoeg grazige weiden voor het vee. Er was wat akkerbouw en fruitteelt. Het plassengebied was goed voor overdadig veel vis. Lisse was eigenlijk een soort paradijselijke omgeving. Letterlijk
en figuurlijk een heerlijkheid om te wonen. Dat is het nog steeds!

OudNieuws: EEN VERVALLEN HUIJSINGE

In 1690 was er een openbare verkoping van een oud huis, dat bij de 2 molens aan de 2e Poellaan stond. De inventaris en de kopers worden besproken.

Redactie

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Volgend jaar is het 400 jaar geleden dat de Poelpolder is drooggelegd. Er wordt door diverse VOL-vrijwilligers hard gewerkt om de bijzondere geschiedenis van dit gebied verder te ontrafelen. Uit de archieven komen allerlei leuke weetjes naar boven. Rob Pex stuitte op het volgende archiefstuk.

Conditien ende Voorwaerden waer naer d’Heeren mr. Joan van den Berg, secrets van de universiteijt der stad Leijden, ende
Jacob Gool als kerkmeesteren van de drie hooftkerken aldaer. Item mrs. Ysbrand de Bije, vroedschap der voorsz stad, ende Pieter
Bol, regerend schepen der stadt ..?.. directeuren van den Bedijkten Lisserpoel (…) van meeninge sijn ten overstaen van Schout
ende Schepenen van Lisse, te verkoopen den opstal van oud huys in de Lisserpoel ende verdere goederen hierna volgende’.

Wat aan zo’n oude akte meteen opvalt is dat de schrijfwijze toch wel flink afwijkt van wat we nu gewend zijn. Hoofdletters, kleine letters, afkortingen lijken willekeurig gebruikt. Maar Dkse is echt hetzelfde als Dirkse, als het maar duidelijk was. Daarom werd het ook vastgelegd bij de schout. Een ander probleem kan de leesbaarheid zijn. In 1690 was er blijkbaar een openbare verkoping van (de
resten van) een oud huis in de Bedijkte Lisserpoel. Dat was de naam die de Poelpolder kreeg na de droogmaking. Aan het einde van de akte blijkt dat het om een vervallen huis bij de noorder Mole ging. Nu waren bij de droogmaking 2 molens gebruikt, die stonden aan wat toen de
Nieuwe weg of Middelweg (2e Poellaan) werd genoemd. Daar was de Bedijkte Lisserpoel het smalst. De bemaling geschiedde door een zgn. tweegang, twee dicht bij elkaar liggende molens waartussen een boezem, zodat het water trapsgewijze opgevoerd en uitgemalen kon worden. Het waren
twee wipmolens met scheprad. Waarschijnlijk zijn deze twee schepradmolens afgedankt en in 1645 vervangen. Dat is niet helemaal precies te reconstrueren, omdat de polderrekeningen niet volledig bewaard zijn gebleven. Die oorspronkelijke molens waren in 1690 dus afgedankt,
maar er stond inmiddels wel een andere molen. Op die plek was de molenstomp waar Ceel van der Vlugt zijn boerenbedrijf had nog ver in de twintigste eeuw te zien. Een eeuw eerder had de molen al afgedaan als molen. Het lijkt erop dat het in 1690 gaat om een huisje van bedijckers. Duidelijk is ook dat Leiden het in 1690 nog voor het zeggen heeft in de polder. Genoemd worden: de secretaris van de universiteit, kerkmeesters van de 3 hoofdkerken in Leiden, bestuurders van de stad Leiden en directeuren van de Bedijkte Poel. De kopers kwamen uit de directe omgeving. Dat er kopers uit de Kaag bij waren is niet zo verwonderlijk. Over water is de afstand naar de Kaag korter dan naar het dorp Lisse. Maar er zijn ook Lissers bij. Dirk Floorijp heeft wat nagezocht en vindt: Koper Jan Dirksz Klinkenberg of Clinckenbergh werd
geboren in 1647 in Lisse en is overleden in Oude Tonge in 1723. Van hem is bekend dat hij schepen was en vanbberoep vlasser. In die tijd kwam jaarlijks een konvooi schepen met vlas aan in de haven van Lisse om hier verder verwerkt te worden. Dat vlas kwam van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden, zoals van Goeree-Overflakkee waar Oude Tonge op ligt. Best een belangrijk persoon in de Lisser gemeenschap. Hij was getrouwd met Annetje Andriesdr. Tijdeman. Zij zal ook een gezien persoon geweest zijn want haar beroep was vroedvrouw. In
1679 koopt het echtpaar een huis aan de Grachtweg (het latere Grachthuisje). Het valt op dat Klinkenberg specifiek geïnteresseerd was in de molenonderdelen: Spil ende borden, Den asch aan de groote mole. De naam Tijdeman van de echtgenote van Klinkenberg vinden we ook bij de kopers terug. Het gaat om Harmen Andriesse Tijdeman geb. 1660, timmerman en welgeborene. Hij is overleden voor 1732. Hij was getrouwd met Clementje Jansdr. Verham (1660-Lisse 1735). Hoe de familierelatie is met mevrouw Klinkenberg is nog niet duidelijk. De man die een bod deed op de pannen aan de zuidzijde komt ook uit Lisse. Van Cornelis Hendriksz Domhof is bekend dat hij voor 1720 is overleden. Van hem weten we dat hij schoenmaker was, maar ook oud schepen en ouderling. Zijn eerste vrouw was Geertruid Pietersdr de Jong. Zij was slijter maar verkocht ook coffie, thee en chocolaat. Ook zijn tweede echtgenote is bekend, Neeltje Jeroens van Steijn. Zij overleed in Lisse
in 1704. Volgend jaar is het dus 400 jaar geleden dat de Poelpolder droog viel. Dan zal ongetwijfeld aandacht besteed worden aan andere wetenswaardigheden over de polder.

Verkopingen in 1690

No. 1. Spil ende borden, dog de ijsere scheijden, reserveren de heeren verkoopers aan haar, gekogt bij Jan Dkse Klinkenberg 5:0:0
No. 2. Brandhout in’t voorhuys, bij herman Andriesse Tijdeman 2:12:0
No. 3. Brandhout in de keuken, bij deselve 1:16:0
No. 4. Brandhout in ’t agterhuys bij Pieter Clementse uyt de Cage 4:8: 0
No. 5. Brandhout in de stalle. Deselve om 2:3:0
No. 6. Pannen aan de noordzijde, gekogt bij Jan Pancrasse uijt de Cage in’t bod 6:12:0
No. 7. De pannen aan de zuijdzijde bij Corns henrikse domhof in ’t bod 4:15:0
No. 8. Voor’t geheele huys, soo hout, steen, glasen, ijserwerk ende voorts alle ’t gene daar aan aart ende nagelvast is Jan Pancrasse in’t bod 24:0:0 Verhoogt bij den selven in’t geheel dese 3 aangekogte Partijen met 6 gls , gemeijnt bij Herman Andriesse op 42:17:0
No. 9. Den asch aan de groote mole, gekogt bij Jan Dirkse Klinkenberg om 11:10:0
No. 10. Oud ijserwerk bij pr. Clementse vs. 5:10:0
No. 11. Dito denselven om 1 0:0:0
Aldus gedaan ende verkogt omtrent de voorsz vervallen huysinge bij de noorder Mole Van de vs. Polder op den 16 augusti 1690 (…).
Betaling zal geschieden op 1 sept. 1690, ‘op welcke tijd, ten langsten met het afbreken sal moeten werden begonnen’.

Bron

ELO, RA Lisse inv.nr. 57 Akte nr. 35.

 

Kaart van de Poelpolder en de Rooversbroek van Jan Pietersz. Dou uit 1624

 

De wilde flora van de Bollenstreek: de kale jonker

De kale jonker wordt besproken. De soort komt voor in Lageveense polder van Keukenhof en Wassergeest.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Mogelijk is de eerste gedachte die opkomt bij kale jonker die van een adellijk persoon. Maar in deze rubriek gaat het over flora, over een plant dus.

De Kale jonker, Cirsium palustre of Carduus Palustris

Distel
Een kale jonker is een distelsoort die in deze streek en praktisch in ons hele land algemeen voorkomt. Dit is echt een inheemse soort. Het is een beetje een stakerige plant, niet zo veel blad, keurig rechtopstaand. Misschien kreeg hij daarom wel de naam van kale jonker. Zijn menselijke naamgenoot is immers van adel, maar de toevoeging kale duidt dan wel weer op verarmde adel. Die wilde wel graag zijn stand ophouden; fier rechtop dus en ondertussen geen duit te besteden. Er is een gezegde: hoe kaler jonker, hoe groter pronker. Ook van deze menselijke soort hebben we er in deze streek wel meerdere gehad. Maar terug naar de plantaardige kale jonker. Deze distel groeit graag op wat vochtig grasland of aan de rand van vochtige bosgebieden. Landbouwers zien in hun weiden en akkers liever geen distels. Een distel wordt niet voor niks een boerenplaag genoemd. In 1887 was er al een distelverspreidingswet waarin iedere eigenaar, huurder of pachter van gronden en bossen verplicht werd de bloei, zaadvorming en uitzaaiing van schadelijke distels te beletten en de planten te bestrijden en te vernietigen. Ook onze kale jonker viel onder die schadelijke distels. In 2011 werd de distelverordening in onze provincie afgeschaft. Er zijn echter ook stemmen die vinden dat er weer opnieuw een soort verordening moet komen. Soms is er een verordening op plaatselijk niveau. Of het weer tot een algemene verordening zal komen valt zeer te betwijfelen. Distels, ook onze kale jonker, zijn een belangrijke voedselbron voor insecten. Juist nu we weten dat het aantal insecten terugloopt moeten we zuinig zijn op onze distels. Onze kale jonker mag best fier zijn op de rol die hij speelt in het leven van diverse vlinders, bijen, hommels en andere insecten.

Streek
Kenmerkend voor onze streek zijn de strandwallen met daartussen de nattere duinvalleien, de strandvlaktes. Die nattere stukken waren ideaal voor de kale jonker. Van de kale jonker hebben we een heel oud bewijs dat hij in onze streek voorkwam. Hij werd al in de vijftiende eeuw op een paneel vereeuwigd. Waarschijnlijk getekend naar de duingebieden van Haarlem die net als het gebied bij Lisse deel uitmaakten
van De Wildernisse van Hollandt. De ruigte van dit strandwallenlandschap strekte zich maar liefs uit van Leiden tot Alkmaar.

Geertgen tot Sint Jans
Erg veel weten we niet over deze schilder. Waarschijnlijk is hij rond 1460 geboren in Leiden, werd schilder en woonde en werkte hij in de Commanderie van Sint Jan in de Jansstraat in Haarlem. Hij was waarschijnlijk lekenbroeder. De toevoeging ‘tot Sint Jans’ aan zijn voornaam is gebaseerd op zijn verblijf in het klooster. Oud werd hij niet. Waarschijnlijk overleed hij voor 1495. Hij heeft een groot altaarstuk voor de Janskerk, de kloosterkerk, geschilderd. Twee delen daarvan zijn in een Weens museum te bewonderen. Het paneeltje wat in dit artikel past is een stuk dat hij voor een van de Jansheren geschilderd zal hebben. Het zal gehangen hebben in een kloostercel voor privé-devotie. Het paneel staat bekend als ‘Johannes de Doper in de wildernis’ en hangt nu in de Gemäldegalerie in Berlijn. Johannes de Doper was de beschermheilige van het St. Jansklooster en van de Jansheren. Het paneel is niet gesigneerd maar is vanwege de overeenkomsten met de altaarstukken toegeschreven aan Geertgen tot Sint Jans.

Het paneel

Johannes de Doper door Geertges tot Sint Jans. 15e eeuws schilderij

Op het paneel staat Johannes de Doper afgebeeld met zijn kenmerkende attribuut: het lam Gods. Naar het evangelie van Mattheüs is Johannes de Doper hier in de wildernis. Ook het bruine kleed van kamelenhaar wordt genoemd in het evangelie. Mogelijk heeft Geertgen tot Sint Jans het Jordaandal trachten uit te beelden waar Johannes bekeerlingen doopte. Nu was een schilder als Geertgen nooit ver van huis geweest dus zijn enige waarheid van een wildernis was de wildernis die hij kende van het duingebied dat vlak bij de Commanderie van St. Jan begon. Je mag aannemen dat hij dat voorbeeld voor ogen had toen hij de peinzende Johannes de Doper uitbeeldde. Daarmee komen we op de plantengroei uit de natte duinvallei. We zien slangenkruid afgebeeld en wilde akelei. En rechts op de voorgrond van het paneel staat fier rechtop de kale jonker.

*Titel ontleend aan het in 2018 verschenen boek Van Aardaker tot Zwanenbloem

Kale Jonker

Brongas

Er wordt uitgelegd wat brongas is. Het is methaangas van eigen erf. Opgevangen onder een gasdichte ronde bak. Zij stonden in de Lisserbroek. Zijn ze ook ergens in Lisse geweest?

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Restanten van een brongasinstallatie Turfspoor Lisserbroek Foto’s Wim Bosch

Het zal rond 1975 zijn geweest dat ik voor het eerst hoorde van gas van eigen erf: brongas. We woonden nog niet zo lang in Hillegom en gingen regelmatig naar familie in het oosten van het land. Route via Alphen, maar voor Alphen passeerden we een boerderij waar ze kaas maakten. Je kwam binnen in een grote keuken en de kazen werden gehaald uit de kaaskelder. Heerlijk, voor herhaling vatbaar. Bij een volgend bezoek haalde de boerin weer kaas uit de kaaskelder terwijl wij zo’n beetje rondkeken in de keuken. Er stond een groot fornuis en alle pitten brandden. Dus toen de boerin terugkwam zei ik maar voorzichtig: “mevrouw, u hebt het gas laten branden”. Tot mijn stomme verbazing was het antwoord: “Ja, lekker, warmt het een beetje bij”. Ze zal gemerkt hebben dat we het in Keulen hoorden donderen, want ze legde uit dat ze hun eigen gasbron hadden. Ik zal wel heel ongelovig hebben staan kijken, want ze begon er over dat ik toch wel eens in de sloot iets omhoog had zien borrelen. Nu, zoiets was het: er kwam met water gas mee omhoog en dat gebruikten ze om te koken, voor verlichting en dus ook om een beetje bij te verwarmen.

Waarnemingen van Friesland tot Amsterdam
Al heel lang is bekend dat er in het westen en noorden van Nederland op geringe diepte gas in de ondergrond voorkomt. De eerste berichten daarover stammen uit het begin van onze jaartelling en komen uit Friesland. Daar zouden in de buurt Staveren een aantal keren spontane branden zijn ontstaan door gas dat uit de aarde kwam. De branden zouden zo groot zijn geweest dat het een paar dagen duurde voor ze
uitdoofden. Pas veel later is weer een vermelding te vinden, nl. uit 1729. Er wordt een put gegraven. Ze zijn al op zo’n tien meter diepte wanneer er iets geks gebeurt. Eerst zien ze een paar keer een kleine vlam. Maar dan ineens horen ze een fiks gedruis, dan een heftige knal als een pistoolschot. Onmiddellijk gevolgd door een grote vlam die enkele minuten lang omhoog schoot. Doodeng natuurlijk, ‘dezen vulcaan’ is een gevaar en de put wordt gedempt. In de jaren erna volgen er steeds vaker dit soort verhalen, men kan niks anders doen dan zo’n gevaarlijke put dicht te gooien. Zo wordt bij het boren van diepe putten tussen 1849 en 1851 te Amsterdam vermeld: ‘Op 42,8 meter -A. P. (44m – N.A.P.) gekomen, bemerkte de opzichter een sterke opborreling in de boorbuis. Een bijgebrachte brandende kaars deed het gas ontvlammen, dat met een helderwitte (als gewoon gaslicht), nagenoeg 2 m hoge, vlam brandde en na drie kwartier werd uitgedoofd.’ Brongas in Amsterdam is dus niks ongewoons. Toen het hoofdpostkantoor in Amsterdam tot Magna Plaza werd verbouwd is ook een soort brongasvoorziening vernield. Egbert Thomas, die werkte op het hoofdpostkantoor en ook lid was van de vrijwillige brandweer, heeft daar een mooi verhaal over. Hij werkte hoger in het gebouw maar leidde soms gasten rond. Hoogtepunt van de bezichtiging werd steevast het diepste punt van het gebouw. Daar brandde dag en nacht zo maar uit de tegelvloer een vlammetje waarop soms een keteltje water stond. “Ze hadden”, zegt Egbert, “het idee dat je het gas maar beter kon verbranden dan dat het zomaar in de kelder kwam of misschien, als je het allemaal zou dichtsmeren, het ergens anders zou opduiken. Het was een soort affakkelen wat daar gebeurde en we waren het er allemaal mee eens.”

Brandbaar water
Dat er “brandbaar water” onder de polders zat, was dus al eeuwenlang bekend. Soms komt het gas spontaan aan de oppervlakte. Het land is daar dan wat moerassig en er is grijsachtig schuim. Dat schuim kan worden aangestoken en blijft dan enkele minuten branden. Ligt de bron in een sloot, dan zie je daar gasbelletjes aan de oppervlakte komen. Het is in de winter een leuk spelletje om daar ‘het ijs aan te steken’. Dit gas kreeg vermoedelijk de naam ’brongas’ omdat het voor het eerst gevonden werd bij bronnen, bij het slaan van een wel of het graven van putten zoals we al zagen. De kunst was hoe je dat gas kon gebruiken. In 1875 wordt door een landbouwer in de Beemster een waterpomp geslagen om het water te gebruiken voor de koeling van de melk. Zo werd wel vaker koelwater verkregen. Zulk aangeboord en spontaan omhoogkomend water heeft een constante temperatuur van ongeveer 9 graden. Er bleek ook gas mee omhoog te komen en daar probeerde de boer slim gebruik van te maken voor verlichting van huis en stal. Hij gebruikte echter een open vlam, wat niet voldeed en de poging werd gestaakt. Wat niet betekende dat er niet verder werd geëxperimenteerd. In 1895 kwam er een echt bruikbare installatie op de markt. En toen ging het hard. Een jaar later waren er al meer dan 20 boerenbedrijven die een installatie hadden en die het gas gebruikten voor verlichting, met een gaskousje. Rond 1900 waren er tientallen installaties in Noord-Holland, maar ook in Friesland en Zuid-Holland kwamen er steeds meer. Het is natuurlijk ook wel erg aantrekkelijk, juist voor die gebieden waar meestal geen waterleiding, gasleiding of elektriciteitsvoorzieningen waren. Je slaat op de goede diepte water aan dat gas bevat. Je schaft een brongasinstallatie aan en je hebt je eigen gas dat je kunt gebruiken voor verlichting en voor koken. Het water kun je in de zomer gebruiken als koelwater voor de melk. Snel terugverdiend. De meeste gasbronnen werden aangelegd in tijden van schaarste, bijvoorbeeld in de eerste wereldoorlog. Zo is bekend dat er in de Haarlemmermeer in 1918 een 200 bronnen waren, allen geslagen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar soms waren brongaseigenaren iets te optimistisch. Een berichtje uit de krant van 1926 meldt dat een inwoner van Bovenkarspel een stofzuiger bestelde. Modern voor die tijd. Maar toen de leverancier vroeg waar het stopcontact was volgde de teleurstelling: “kan ik dien stofzuiger dan niet aansluiten op
het brongas?”

Hoe ontstond het gas?

Schematische voorstelling vvan het winnen van brongas

Brongas ontstaat wanneer bacteriën planten- en algenresten afbreken. Die resten zitten in zanderige lagen opgesloten onder veen- en kleilagen. We beschreven al dat brongas met water naar boven kwam. Op de diepte waarvan het water opgepompt wordt is de druk vaak zo hoog dat het gas bijna volledig in het water is opgelost. De druk kan flink hoog zijn. In 1870 werd bij Delft een waterput geslagen. Opeens kwam daar water naar boven met zo’n kracht, dat het heiblok werd opgetild. Toen dat blok weg was spoot er een schuimende waterkolom tot veertien meter hoog de lucht in en dat bleef urenlang zo hoog spuiten. Brongas bestaat voor het grootste deel uit methaan, met nog wat CO2 en stikstof.

Lisse
Nu we volop met zorgen zitten vanwege de beëindigde gasleveringen uit Rusland komt zo’n verhaal over dat fornuis dat volop brandde natuurlijk weer boven. Zou die installatie op de boerderij nog steeds werken? Zouden dergelijke installaties veel gebruikt zijn? En misschien nog wel? Zouden ze ook in Lisse geweest zijn? Alle reden om eens te gaan praten met de heer Johan Duivenvoorden die opgroeide in de Poelpolder en heel lang in de Roversbroek woonde. Hij blijkt zelf meerdere keren water aangeboord te hebben. Dat water zat op een zandlaag op zo’n 10-12 m diepte. Eerst werd een grote betonnen put gemaakt van een meter diep. Daarin werd geboord. Een meter diep boren, grond eruit en weer een meter dieper graven. Dat herhaalde je tot je op water kwam. In een aantal fases werd een vierkante houten beschoeiing van planken aangebracht van 1,5 cm dikte en een binnendiameter van 8 cm. Het hout verrotte niet omdat er geen zuurstof bij kwam. Alles oorspronkelijk handwerk en je moest eerst door die fikse laag zeeklei. Eenmaal aangeboord bleef dat water omhoog borrelen want dat stond onder druk. Het was goed water en bevroor niet. Maar van een brongasinstallatie in Lisse heeft hij niet gehoord, wel over installaties in de Haarlemmermeer.

In Lisserbroek aan het Turfspoor is nog een mooi voorbeeld te zien. Dus gingen de buren Johan Duivenvoorden en Wim Bosch op bezoek bij de heer Dirk Molenaar aan het Turfspoor. Daar is de installatie nog tot begin zestiger jaren gebruikt voor het koken en voor de verlichting. Je krijgt een goed idee van de installatie. Er zit een welpijp in de grond tot de laag waar het gashoudende water is. Aan de oppervlakte komt het gas vrij en wordt opgevangen in de gasketel. Het ontgaste water kon overlopen naar de sloot.

Einde brongas
Je zou denken ideaal zo’n eigen installatie. Maar zo simpel ligt het niet. Al gauw kwamen er bezwaren. Er werd gewaarschuwd voor bodemdaling en waterproblemen. Bronhouders kregen een eeuw geleden al een aanslag voor het afvoeren van het extra water. Het ontgaste water werd afgevoerd naar de poldersloten. Dat zorgde weer voor andere protesten. Het water bevatte te veel zouten en daar hadden tuinders last van. In bepaalde gebieden kwamen tuinders en veehouders tegenover elkaar te staan. We hebben het dan over de vijftiger jaren. Vaak waren er op de boerderijen nog geen voorzieningen van nutsbedrijven en was het brongas hard nodig. Langzamerhand kwamen die voorzieningen er wel en konden brongasinstallaties gesloten worden. Zonder slag of stoot ging dat niet. Polderbesturen en provincies namen allerlei maatregelen om het gebruik te ontmoedigen. Nieuwe vergunningen voor een brongasinstallatie kwamen er niet meer. Hoogheemraadschap Rijnland heeft veel bronnen opgekocht. Er werden zoutaanslagen opgelegd aan mensen met een brongasinstallatie. In 1992 werd naar aanleiding van alle commotie zelfs de Vereniging tot behoud van gasbronnen in Noord-Holland opgericht. Deels hadden ze succes, maar veel installaties zijn ook daarna verdwenen. Leuk is het dat je nog steeds met eigen ogen in het Agrarisch Museum Westerhem kunt zien hoe zo’n brongasinstallatie werkt.

Waren ze er nooit?

Johan Duivenvoorden met Dirk Molenaar
bij de resten van de brongasinstallatie.

Nog even terug naar Lisse. De heer Duivenvoorden weet dus niet van een brongasinstallatie in Lisse. Maar was de ondergrond in de Poel en de Roversbroek dan zo anders dan in de Lisserbroek? Of is het wel geprobeerd en was de bron snel opgedroogd. In een huis op de Ringdijk zitten gasleidingen aan het plafond en iemand die er als kind woonde weet van de gaskousjes die gebruikt werden voor de verlichting. Maar dat kan voor butagas zijn geweest. Dat werd na de oorlog snel populair. Ook is daar iets in de tuin gevonden dat een restant van een installatie kan zijn geweest. Een andere Lisser denkt er toch wel eens van gehoord te hebben. We worden er niet wijzer van. Mocht iemand zich er nog iets over herinneren, laat het ons weten. Dat brongas kan helpen bij de energiecrisis kunnen we vergeten.

Met dank aan Dirk Molenaar, Johan Duivenvoorden en Wim Bosch.

 

De Kerkbank. Zit het goed zitten?

Grote veranderingen zijn op til voor de Grote Kerk. Naast kerkdiensten moeten er na de verbouwing allerlei culturele activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit keer aandacht voor de geschiedenis van de banken. ‘Op de website van Oudlisse.nl is een nieuw fotobeeldverhaal te vinden van de grote kerk.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

De Grote Kerk wacht grote veranderingen. Het gebouw moet rendabeler worden en krijgt daarom een meer multifunctioneel karakter. Zouden de veranderingen ten koste van de banken kunnen gaan?

Oudste periode
In de beginperiode van onze Grote Kerk stonden er beslist geen rijen kerkbanken. Mensen gingen wel vaak naar de kerk. Iedereen was katholiek. De kerk had een functie als bestuurlijk centrum en had zeker ook een sociale functie. De inrichting van de kerk was totaal anders. Het altaar was het centrale punt. Er zullen knielbanken geweest zijn en voor een hooggeplaatst persoon was er vast een zitplaats. Er waren heiligenbeelden. De mensen vroegen heiligen om hulp en bescherming. Op kerkelijke feestdagen werden processies gehouden. Het geloof was meer een visuele belevenis. Een dorpskerk als in Lisse zal sober zijn geweest, maar weelderige elementen van aanbidding, zoals in steden wel te zien waren, werden ergernissen. Diverse twistpunten op geloofsgebied leidden uiteindelijk tot een scheuring.

Na de reformatie

De meeste inwoners van Lisse bleven katholiek volgens de oude traditie. Vlak na de reformatie, omstreeks 1573, kerkten de volgers van de nieuwe richting in de Oude Pastorie, niet in de Grote Kerk dus. In 1574 werd de kerk verwoest door Spaanse bombardementen en restte een ruïne. Na het herstel kwam de Grote Kerk aan de Nederduits Gereformeerden (later hervormden genoemd). De inrichting van de kerk veranderde. Niet meer was het altaar, dat aan de oostzijde moet zijn geweest, het belangrijkst. De preekstoel voor de predikant werd centraal geplaatst, waarschijnlijk op de plaats waar hij nu ook staat. Alles was gericht op “het woord”. Daar moest je rustig en aandachig naar kunnen luisteren. Op een bank dus.

Status
De zitplaatsen in de kerk weerspiegelden ook je sociale status. Rijken begonnen hun eigen kerkbanken te kopen. De herenbanken stonden dicht bij de preekstoel, de banken voor de minst draagkrachtigen stonden het verst van de preekstoel. In die tijd werd dat als vanzelfsprekend
beschouwd. Vrouwen en mannen zaten niet in dezelfde banken. De meeste banken hadden een soort lessenaar waar de bijbel of het liedboek opgelegd kon worden. Samen zingen was een belangrijk element van de dienst geworden. De meeste mensen hadden wel wat onderwijs
gehad en dankzij de boekdrukkunst konden bijbels en liedboeken wijd verspreid worden.

Koud

Van een verwarmd kerkgebouw was natuurlijk geen sprake. Maar de preken duurden zeker veel langer dan we nu gewend zijn. De synode van Dordrecht van 1574 besloot zelfs dat een preek maximaal een uur mocht duren. Houd dan maar je aandacht bij de preek wanneer je langzamerhand door en door koud wordt. Een speciale zandloper op de kansel hielp de dominee om de tijd in de gaten te houden. Gelukkig werden de banken op houten vlonders geplaatst, maar koud bleef het. Daar werd wel wat op gevonden: de stoof. In een testje deed men een gloeiend kooltje of turf en dat zette men in een stoof. Het leidde tot een beroep dat inmiddels weer helemaal verdwenen is, de stovenzetster. Meestal een bijverdienste voor een armere vrouw. Het was ook wel de taak van de koster. Aanpassingen Door de eeuwen heen zijn er diverse aanpassingen aan gebouw en interieur van de Grote Kerk gepleegd. Sommige daarvan hadden direct gevolgen voor de zitplaatsen. Cornelis van der Zaal (1762-1839), van de bekende timmermansfamilie van het Vierkant, beschrijft begin 19e eeuw zo’n aanpassing: In het jaar 1817 den 10de februari ben ik begonnen de Gereformeerde kerk te veranderen.
Eerst heb ik het koorhek veranderd. Daar was in het midden een doorgang met 2 hekdeuren, waar een grote herenbank voor stond, zoals deze aan het toreneind nog staat. Daar is de hoge achterwand afgenomen en voor de banken geplaatst, die aan het toreneind staan. Dan 2 deurhekken uit het midden genomen en aan iedere zijde ingebracht en het middenvak weer dicht gemaakt. Met hetgeen er voor die
deur uit is gekomen aan de koorzijde en aan de kerkzijde heb ik een 3/4 dm dicht schot gemaakt en daar de preekstoel tegen gezet, die op de zuidzijde tussen het 2de en 3de glasvak stond, zoals het misschien 200 jaar was geweest, maar zeer ongemakkelijk om te spreken en daarom het meeste veranderd en ook voor een betere inrichting en orde in de herenbanken, die toen allemaal tegen de marktzijde aan stonden heb ik verplaatst. De bank die nu bij het koorhek naar de zuidzijde staat, stond toen aan de noordzijde en de herenbank daarnaast heb ik losgemaakt en naar het koorhek verplaatst. Ook de bank die daarop volgt heb ik naar voren verplaatst de vier banken die aan het toreneind tegen de muur stonden heb ik los gemaakt en naar de zuidzijde verplaatst tegen de eerste bank, zoals ze nu staan. Daarna is er een nieuwe bank bijgekomen. De kleine bank heb ik 5 en 6 dm ingekort en naar de noordzijde overgebracht en die aan de zuidzijde ook ingekort in evenredigheid, aan weerszijden even veel, want er waren 11 kleine banken naar het toreneind en de zuidzijde en 6 kleine banken bij het koorhek en het doophek rond de preekstoel. Ik heb dat werk in dier voege verricht: de eerste en tweede week heb ik met een knecht het koorhek veranderd en de herenbank losgemaakt en in de 3de week het doophek afgebroken en in het koor in orde gemaakt met de banken en lessenaars, waar nog twee oude banken stonden. Vervolgens heb ik met 3 knechten in de vierde week de preekstoel en alle banken verzet en in de 5de week verder de boel opgeknapt en in orde gebracht.

In 1822 komt er een nieuw orgel
Van der Zaal krijgt samen met Van Ingen een bouwopdracht. Zijn dagboek vermeldt: Zo kwamen wij beiden overeen om het met een zitplaats voor de organist en de trapper voor de som van f 420 gulden te maken. En zo zijn wij aan het werk gegaan. Later ontstaan problemen en trekt Van der Zaal zich terug. Met een beetje leedvermaak meldt hij nog wel: moest het van de ene zijde tot de andere zijde van de kerk gemaakt worden om plaatsen te verhuren, zoals het nu is en toen is het voorfront ook verlengd en nog beelden er op gekocht, zodat zij toen veel geld te kort kwamen. Uit het dagboek krijgen we een beetje een idee van de inrichting van de kerk en blijkt wel dat er ook in die tijd gezocht werd naar een goede opstelling terwijl de financiën de mogelijkheden beperkten.

Mejuffrouw C.J. van der Beek
In 1858 veranderde er blijkbaar het een en ander aan de Grote Kerk wat ook weer effect had op de zitplaatsen. Of de financiën op orde waren is niet duidelijk maar met dank aan mejuffrouw C.J. van der Beek kon er gigantisch veel gebeuren. De kerkenraadsnotulen van 26 september 1858 vermelden: den 26 september 1858 was voor de gemeente Lisse een heugelijke feestdag. Haar kerkgebouw, hetwelk voor rekening van Mejuffrouw C.J. van der Beek inwendig onder het opzigt en bestuur van onze predikant, smaakvol was vernieuwd en verfraaid geworden, wordt op dezen dag plegtig aan den dienst des Heeren toegewijd. Gedurende 4 maanden werden de godsdienstoefeningen in het koor gehouden. Wat zitplaatsen betreft weten we ook wat er allemaal gedaan werd:
– stoelen in het ruim vervangen door banken met Amerikaansch linnen bekleed
– de predikstoel verhoogd en met beeldhouwwerk versierd geworden
– het zogenaamde doophekje waarin de leden van de kerkeraad en de kerkvoogden tot dusver hunne zitplaatsen hadden was weggenomen en
daar voor in de plaats gesteld een bank die, als balustrade met ijzeren lofwerk versierd, het ruim der kerk van den predikstoel scheidt, en
binnen wier ruim van nu voortaan de Avondmaalstafel zal geplaatst worden.
– De luifels boven de banken ter regter en linkerzijde van den preekstoel, waren weggenomen. Het zal geen verrassing zijn, de uitvoering van dit alles was in handen van een Van der Zaal, nl. kleinzoon van de eerdere en naar hem genoemde Cornelis van der Zaal als meester-timmerman. De kerk heeft nog meer aan mejuffrouw Van der Beek te danken. De kerkenraadsnotulen van begin 1861 melden dat dankzij haar: Het ruim der kerk  voor vrouwen zitplaatsen bestemd, en de kerkeraadsbank voorzien zijn van doorlopende en vaststaande stoven.

Weer een renovatie
Cornelis van der Zaal hield een dagboek bij dat nog steeds in de familie is. Daarin is over de kerk in 1906 een opmerking geplaatst door nazaat Albertus (1853-1937). In 1906 is door mij, Albertus van der Zaal en H. Marseille en J. van Hemert de kerk weder veranderd, omdat er te weinig plaatsen waren. Toen is de preekstoel weder naar zijn vorige plaats verplaatst tussen het 2de en 3de raam……. De banken in de kerk zijn gedeeltelijk vernieuwd en omgedraaid, zoodat de menschen naar de preekstoel kunnen zien, de scheiding tusschen de kerk en het koor is 6,50 meter achteruit gezet en daarboven een galerij gemaakt en zijn door die verandering zoveel plaatsen gewonnen, dat er …menschen meer een gehuurde plaats konden krijgen. Jammer dat hij op de … geen aantal heeft ingevuld. Uitbreiding kerk In 1923 werd de kerk uitgebreid met een zijvleugel aan de noordzijde. Ook dit heeft weer een herschikking van het interieur tot gevolg. Nieuwe banken werden aangeschaft.
Architect J.C. Brand jr. maakte maart 1923 een tekening met daarop aangegeven de nieuwe bankindeling.

Oorlogsjaren

Een verandering in maart 1943 was niet zo vrijwillig

Ook in de oorlogsjaren vonden er wat aanpassingen plaats. Het klankbord, de zijbanken, de katheder en het doophek werden gesloopt. De kerk was in die tijd vaak overvol, wat ook kwam doordat er nogal wat Katwijkers moesten evacueren en hier terecht kwamen. Men spaarde zelfs voor een tweede hervormde kerk. Er zijn uit die tijd plattegronden voor de verhuur van zitplaatsen, met een markering naar prijsklasse. Er waren 8 categorieën variërend van f 6,50 tot f 18,- per jaar. De banken op de begane grond zijn genummerd van 1 t/m 559. Nummers 163 t/m 166 ontbreken en 1 t/m 12 komen 2 keer voor, dus totaal 564 zitplaatsen. Verder zijn er nog 48 niet genummerde stoelen aangegeven in het liturgisch centrum. Op de begane grond zijn dus 612 plaatsen. Op de koorgalerij zijn 45 plaatsen en op de orgelgalerij 7 ongenummerde zitplaatsen. Samen 664 plaatsen en toch waren het er in die tijd soms te weinig.

Restauratie 2002
Een uitgebreide restauratie vond plaats in 2002. Binnen en buiten werd onderhanden genomen. Men kerkte een tijd in zorgcentrum Rustoord. In die tijd werd ook gedacht aan het inwisselen van de banken voor stoelen. Heel comfortabel zit je natuurlijk niet op zo’n kerkbank. Maar dat idee moest worden verlaten omdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg dat afkeurde. De inrichting van de kerk was juist heel bijzonder vanwege het gave interieur uit de jaren twintig. Kerkbanken uit die tijd zijn een zeldzaamheid.

Plan
De tijd van enorme hoeveelheden benodigde zitplaatsen is voorbij. De Protestantse Gemeente Lisse heeft besloten 2 kerkgebouwen te sluiten. De Grote Kerk zal grondig aangepast moeten worden, zodat er in de toekomst naast kerkdiensten ook exposities, concerten en andere culturele activiteiten een plek kunnen krijgen. Een hele opgave om zo’n opzet rendabel te krijgen. Zeker wanneer je denkt aan de huidige energiekosten. Moeten we de stoofjes weer in ere herstellen? Het laatste woord zal er nog niet over gezegd zijn, maar de renovatie zou zo maar ten koste kunnen gaan van de banken. Natuurlijk in zekere zin jammer. Een multifunctioneel gebruik zal zekere offers vragen. maar de kerk kan zo haar sociale functie behouden.

De kerk zoals ze er in 1730 bij stond. Tekening van H. van Leth

 

Kerkzaal in 1955 met het oude Dekker-orgel van 1917

 

De zijvleugel in aanbouw, het betere metselwerk

 

De dorpskerk heeft heel vaak in de steigers gestaan. In 1954 stond de toren in de steigers voor een grote beurt, links voor die tijd, rechts na 1954.
In 2002 werd ook de binnenkant eens flink onder handen genomen en stonden er heel wat steigers binnen.

 

De kerkrenovatie in 1992

 

De kerkrenovatie in 1992

 

Bij de kerkrenovatie in 1992 kwam het jaartal 1592 naar voren

 

 

Bij de hartpagina. Een luchtfoto uit 1926

Het gebied ten noorden van de Oranjelaan laat veel bollenvelden zien, waar nu huizen staan.

Redactie

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

We vliegen met z’n allen over een stukje Heereweg ver terug in de tijd. Om precies te zijn het vroege voorjaar van 1926. Helemaal links zien we de grote bollenschuur van Grullemans nog niet. Er is ook nog net geen sprake van huize Meerenburgh, waarvan de bouw in dit zelfde
jaar zou aanvangen. Huize Somalo is vanaf de Lisserbrug het eerste huis langs de Heereweg. Naast Somalo ligt het toegangspad naar het oude Zandvliet dat verder weg in het bollenland ligt en nu aan de Westelijke Randweg. Bollenland was er nog in overvloed. Meer en Duin, de Blinkerd en Meerenburg was een en al bollencultuur. Van Zanten, Driehuizen, Van der Vlugt en de Nieuwenhuizens hebben hier heel wat bollen uit de grond gerooid. Alleen hun naam vinden we nog terug in de diverse parknamen. Bij het Nieuwenhuispark is men nu nog druk aan het bouwen op de plek waar tot voor kort nog ‘Welbedrogen’ overal boven uitstak. Alleen huize Baka is daar blijven staan. Waar eens bloemenvelden de landerijen kleurden staan nu huizen en aan de overkant van de Zandsloot (Lisserbeek) waar de geweldige schuur van Grullemans ooit stond, is het industrieterrein. We zien nog net waar de Zandsloot in de druk bevaren Ringvaart uitmondt. Heel wat zandschuiten kozen daar bij de “Lisserham” het ruime sop over het Haarlemmermeer wat bij veel wind een gevaarlijke onderneming was. Deze plaat geeft aan hoeveel er in zo’n honderd jaar kan veranderen, “bollen werden stenen” kunnen we zeggen.

Bloemen tot de Ringvaart! Kunt u dit bruggetje vinden op de hartpagina?

Bollen=schuur welbedrogen in volle glorie

Pareltje: over de strijdbare Gerard van der Laan

Gerard van der Laan (1552-1635) woonde op Ter Specke. Zijn belevenissen wordt besproken.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Held in de Tachtigjarige Oorlog, burgemeester van Haarlem, eigenaar van Ter Specke en strijdbaar tot zijn laatste snik, maar in twee pamfletten belasterd door de contrareformisten.

De Spanjaarden worden afgeslacht bij de Boshuizer schans. Op de achtergrond de drijvende schans, die onder bevel stond van Gerard van der Laan. Een afgehakt Spaans hoofd of een deel daarvan leverde een premie op. Anonieme kunstenaar. Lakenhal Leiden.

Held tijdens Leidens ontzet
Gerard van der Laan, ook wel Gerrit van der Laen of Verlaen, vocht in de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog tijdens het beleg van Leiden. Van der Laan werd op 14 februari 1552 in Leiden geboren als zoon van Cornelis van der Laan en Beatrix van Montfoort in een van oorsprong Haarlemse familie van bierbrouwers. Vader Cornelis is al vanaf 1535 eigenaar van de Lissese hofstede Ter Specke. Gerard studeerde in Leuven, destijds na de Sorbonne de belangrijkste universiteit van het Europese vasteland. Hij was pas 22 jaar oud toen hij op 26 april 1574 tijdens het beleg van Leiden als kapitein het bevel voerde over vijfhonderd Engelsen en een grote groep vrijbuiters bij Alphen. Hij verdedigde het versterkte dorp en de sluizen van Gouda tegen de Spanjaarden onder de Spaanse legerleider Valdez. Drie stormlopen weerstonden Van der Laan en zijn mannen, maar bij de vierde leden zij zware verliezen en vluchtten naar Leiden. Valdez, die via een tactiek van uithongeren de stad tot overgave wilde dwingen, bouwde een vesting bij de brug van Boshuizen, die zeer hinderlijk was omdat de stadsmuren van daaruit met vuur konden worden beschoten. De Leidenaars besloten een uitval te wagen en in de vroegte van 29 juli trokken troepen de stad uit richting het verdedigingswerk. Gerard van der Laan kreeg het bevel over een drijvende schans, bemand door musketiers. Het spectaculaire gevaarte, gebouwd op boten, werd naar de krijgshandeling geroeid. De overval slaagde. De zestig overwonnenen werden op een na bruut afgeslacht. De laatste maal dat Van der Laan met zijn mannen in actie zou komen was op 3 oktober. Een dichte mist hing over het land en de groep vrijbuiters stond klaar om uit te vallen naar de schans Lammen. De schans was echter door de Spanjaarden al verlaten en het ontzet van Leiden was een feit.1

De burgemeester belasterd

Familiewapen in blauw met een keper vergezeld van drie liggende vaten met beugel in zilver. Helmteken: een vat tussen vleugels gedeeld van blauw en zilver.
Wapen met helmteken in grafsteen gebeiteld.

Gedeelte van het familiewapen van Van der Laen

Twee jaar later, in 1576, trouwde Van der Laan met Catharina Oem, een moeder van twee kinderen en weduwe van zijn neef Gerrit, overleden tijdens het beleg van Haarlem in 1573. Het paar vestigde zich in Haarlem en Van der Laan behoorde al snel tot de mannen die de dienst uitmaakten in de stad. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1588 werd hij aangesteld als schepen en benoemd in de vroedschap van de stad en later tot een van de vier burgemeesters. Van der Laan verkeerde in kringen van arminianen, de volgelingen van de remonstrant Arminius, en van vrijdenkers als Coornhert. Zijn oom Nicolaas van der Laan was beschermheer en vriend van deze grote humanist en schrijver, die lange tijd in Haarlem woonde. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), de wapenstilstand in de Tachtigjarige Oorlog, braken de Bestandstwisten uit tussen remonstranten en contraremonstranten. Ook in Haarlem barstte de strijd tussen de beide partijen los. De remonstrantse regenten wensten geen inmenging van contraremonstrantse predikanten in het stadsbestuur. De laatsten wilden niet alleen baas zijn in hun kerk, maar ook politieke en maatschappelijke invloed hebben. Het Haarlemse stadsbestuur verlangde daarom inspraak bij het beroepen van predikanten. Een lastercampagne tegen Van der Laan als vertegenwoordiger van dit standpunt volgde. Koopman Abraham de Block verspreidde dus roddels over de burgemeester. Hij was gezien in het gezelschap van twee hoeren in het bordeel ’t Rode huys. Hij zou een geslachtsziekte hebben opgelopen en de vader zijn van een buitenechtelijk kind. Zware beschuldigingen aan het adres van een regent, in een tijd waarin overspel werd bestraft. De Block kreeg als oproerkraaier een veroordeling tot een verbanning van twaalf jaar uit de stad.2

Wulpsche lichtveerdicheyt

Grafsteen van Gerard van der Laan in de Grote kerk aan’t Vierkant

Hoewel de Hoge Raad het vonnis over De Block vernietigde, schreef een woedende anonieme pamflettist in 1618 het schotschrift ‘Den Haerlemschen Harminiaen’, gericht tegen de remonstranten in het stadsbestuur en vooraltegen Van der Laan, de ‘Harminiaen” uit de titel. Zijn geloof is gevoed door Coornhert, Arminius en Socinius  en dergelijke spotters, beweert de pamflettist. Hij wordt vergeleken met de minderbroeder Cornelis Brouwer van Dordrecht, die de reputatie had wraakzuchtig en seksueel pervers te zijn: ‘Broeder Cornelis van Dordrecht schijnt wederom tot Lisse verresen te sijn’. Volgens de schrijver heeft Van der Laan ook in Lisse een kwalijke reputatie: ‘Want ick niet alleen over de 40 jaren kennisse aan u gehadt hebbe / maar ben veeltijdts tot Haerlem ende kome oock dicmaels tot Lisse, daar uwe wulpsche lichtveerdicheyt een ander ten exempel dickwils vermaent worden’.3

Het stadsbestuur loofde op 13 juni 1618 vergeefs een beloning van 300 gulden uit voor het aanbrengen van de schrijver van het pamflet. De Lisser die volgens het pamflet Van der Laans levenswandel publiekelijk afkeurde is mogelijk Johannes van Middelhoven, predikant van de gereformeerde kerk in Lisse. Hij was beroepen in 1612, maar in 1619 vertrok hij naar Haarlem. Hij werd daar aangesteld als rector van de Latijnse school en verving de humanistische schrijver Theodorus Schrevelius, die ontslagen was vanwege zijn remonstrantse sympathieën. Van Middelhoven stond te boek als contraremonstrant. Eveneens in 1618 verscheen het curieuze schotschrift ‘Copye van den lasterlijcken brief van Verlaen’. Het pamflet drukt twee brieven af die in augustus 1615 waren geschreven door Gerard van der Laan, op zijn hofstede in Lisse. De eerste brief is gericht aan predikant Hendrik Geesteranus. Van der Laan beklaagt zich over de Vlaamse nieuwkomers binnen de stad, felle contraremonstranten. Het zijn lieden die het geheugen hebben van vliegen, die vijf, zes keer aan het mes ontsnapt zijn en dan weer op dezelfde plaats gaan zitten om aan stukken te worden geslagen. Zij zijn door de stad vriendelijk ontvangen, maar willen politieke invloed. De stad heeft hiermee als het ware een vijand binnen de poorten gehaald. De brief is omlijst door de woedende commentaren van de pamflettist, die Van der Laan onder meer onder de neus wreef dat de zuiderlingen bijgedragen hadden aan zijn welvaart en aan die van Haarlem. De tweede brief is gericht aan de heren burgemeesters. 4

De calvinistische religie is mij suspect

Oktober 1618 volgde in Haarlem de wetsverzetting van prins Maurits. Hij ontsloeg de burgemeesters, leden van de vroedschap en officieren van de schutterij. Gerard van der Laan verloor op 66-jarige leeftijd zijn bestuursfuncties. De remonstrantse godsdienst werd in 1619 officieel verboden. Van der Laan bleef een dwarse persoonlijkheid. Voor de Haarlemse kerkenraad verklaarde hij in 1620 dat de calvinistische religie
hem altijd ‘suspect’ (verdacht) was. Hij had zich erbij aangesloten uit opportunistische overwegingen. Kerkgang, ach hij ging ter kerke om een goed voorbeeld te geven, maar hemzelf zei het niets. Hij kon ook zelf wel de bijbel lezen. Een redenering die getuigt van die van een libertijn en vrijgeest en niet van een waardig lid van de gereformeerde gemeente, oordeelde de kerkenraad. 5

Later verklaart hij dat hij in het geheel niet meer kerkt, hij zou het alleen doen als dat werd verplicht. Zeven jaar na zijn ontslag als burgemeester schrijft hij een lang betoog waarin hij zich uitspreekt over de staat van het land, de religie en vooral de rol van de gehate predikanten. Zij bouwen een machtspositie op waardoor de regenten geen goed bestuur kunnen uitoefenen. Politie, regering en gouvernement kunnen niet regeren als zij overal hun ‘kloeten’ insteken. Ze draaien en verdraaien alles en bewerken het grauw. Het probleem is dat de predikanten van lage komaf zijn, ‘gesproten uitet schuim ende gespuis van ’t gemeene onbesnoeit ende onwetende volk, die
van naturen alle overheit haten’. Canaille is het. 6

Het noodlot vindt zijn weg
Van der Laan bewoonde met zijn zich steeds uitbreidende gezin, hij was een jaar na de dood van Catharina Oem in 1589 hertrouwd met Magdalena van Beresteijn, een huis in de Jacobijnestraat. Mogelijk heeft hij zich na alle perikelen in 1618 teruggetrokken op Ter Specke. Daar overlijdt in 1620 zijn tweede vrouw. In 1623 woont hij volgens het Hoofdgeld 1623 met twee inwonende dienstmeiden op zijn hofstede in Lisse. Van der Laan steekt nog eenmaal zijn nek uit in de zaak van de gevangengenomen kunstschilder Torrentius, die om zijn opvattingen
en erotisch getinte schilderijen in diskrediet was geraakt en gevangengezet. In oktober 1627 attesteert hij ten gunste van Torrentius en in 628 staat hij ervoor garant dat de schilder niet zal vluchten als hij buiten de gevangenis zijn straf uitzit. Gerard van der Laan overleed op Ter Specke op 16 februari 1635. In de Grote Kerk bij het Vierkant ligt zijn fraaie grafsteen met het wapen van de Van der Laans en als zinspreuk een citaat van Vergilius ‘Fata viam invenient’, Het noodlot vindt zijn weg. 7

Noten

I H. A. van Oerle ‘De rol van schansen bij het beleg van 1572-1574.’ In: Leids jaarboekje 1974. P.34-50
II Gabrielle Dorren ‘Eenheid en verscheidenheid, De burgers van Haarlem in de Gouden Eeuw’. Amsterdam 2001, p.188-189.
III Haerlemschen Harminiaen, p. 14,15. Digitaal te raadplegen via Google Books
IV Lasterlycke brief, p. 12. Digitaal te raadplegen via Google Books.
V A. Th. van Deursen ‘Bavianen en slijkgeuzen’. Franeker 1998. P.224-225.
VI G. Groenhuis ‘De predikanten’ p. 114-115. Geciteerd naar G. Brandts ‘Historie der Reformatie’. Deel 4, P.632-642
VII Zie voor Gerard van der Laan 1. LisseTijdReis, tabel Index van Pex. Onder andere over de vele grondaankopen in Lisse. 2. M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte ‘Het Haarlemse geslacht Van der Laen’. Overdruk De Nederlandsche Leeuw, 1969. P.20-25. Raadpleegbaar in de bibliotheek van de VOL.

 

Frits Treffers penning 2022 voor Von Bönninghausenlaan 1

De familie Sloos, bewoners van villa ‘In de Bocht”,  Von Bönninghausenlaan 1 hebben de Frits Treffers penning 2022 gekregen.

Door Jos van Bourgondiën

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Al wandelend of fietsend door het dorp Lisse kom je veel fraaie panden tegen die ontworpen zijn door architect Leen Tol senior: Rijks Middelbare Tuinbouwschool (1910), kosterij de Grote Kerk (1912), Somalo (1914), Rutsbo (1925), villa “Wassergeest” (1925) en villa “In de Bocht” (1923) om er maar een paar te noemen. En over het als laatst genoemde pand gaat dit artikel. Villa “In de Bocht”, bewoond door Henriëtte en Rob Sloos, is dit jaar in aanmerking gekomen voor de Frits Treffers Penning 2022, uitgereikt op 20 door Jos van Bourgondiën december 2022 tijdens de Algemene Leden Vergadering van de CHVOL. Dit pand aan de Von Bönninghausenlaan 1 is ontworpen door Leen Tol sr. en gebouwd door Hein Marseille. De eerste bewoner was B.J.C. van der Nat, werkzaam bij bollenbedrijf H. de Graaff & Zn. Daarna is het de ambtswoning geweest van de volgende burgemeesters mr. jonkheer Frans J.C.M van Rijckevorsel (1937-1947), mr. Willem Herman J.M. Lambooy (1947-1950), mr. Theodorus M.J. de Graaf (1950-1968) en heeft de huidige vicepresident van de Raad van State van Nederland; Thom de Graaf, hier zijn jeugdjaren doorgebracht. De laatste burgemeester die hier woonde was drs. Antonius J. Berends (1968-1979). In 1979 is het verkocht aan familie B.P.L Ragas, ook niet onbekend, en die heeft het pand in 1997 doorverkocht aan de familie Sloos. Henriëtte en Rob Sloos hebben in de afgelopen jaren het pand en de tuin, rekening houdendmet de oorspronkelijke neo-empirestijl en met aandacht en liefde voor de details, in goede staat weten te houden. De voorgevel heeft een asymmetrische verschijningsvorm door de aanwezigheid van een gebogen erker, boven de ingang is in een spaarveld een festoen in het pleisterwerk aangebracht, verder zijn eenvoudige ornamenten in het pleisterwerk aangebracht, de gevels zijn witgepleisterd. De raamindelingen zijn origineel gebleven met behoud van het glas-in-lood en de omliggende tuin is mooi met oorspronkelijke oude bomen o.a. de zwarte den. Bij het passeren blijft het, in de bocht, een mooi beeldbepalend pand!

Von Bönnighousenlaan 1 In de Bocht

BIJ DE VOORPLAAT

Een mooie foto van de Heemtuin, die dit jaar 50 jaar bestaat.

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 21 nummer 3, 2022

Op verzoek van de Koninklijke Maatschappij Tuinbouw en Plantkunde afdeling Lisse (thans: Groei&Bloei afd. Bollenstreek), stelde de gemeente Lisse op 17 juni 1971 een perceel grond ter beschikking nabij de Zemelpoldermolen, om er een heemtuin op aan te leggen. Op 15 januari 1972 werd daadwerkelijk een begin gemaakt met de aanleg. De eerste jaren werden met succes vele soorten wilde planten gezaaid en aangeplant. Door verschillende oorzaken raakte de heemtuin na een aantal jaren in verval. De succesvolle zadenkwekerij die uit de heemtuin voortkwam en waarvoor zelfs een stuk grond aan de Achterweg werd gehuurd, werd in 1978 verkocht. De zaden vormden het startmateriaal voor ‘de Cruydt-Hoeck’, een nog altijd succesvolle kwekerij voor wilde bloemenzaden. In 1990 kreeg de heemtuin op dezelfde plek, maar met een ander ontwerp, een nieuwe start. De heemtuin werd in opzet meer naar buiten gericht, meer gericht op bezoekers. Natuur-educatieve activiteiten gingen tot het vaste programma behoren. Natuurlessen aan schoolgroepen en andere bezoekers, demonstraties door de imkers, rondleidingen en natuurspeurtochten maakten dat de heemtuin een vaste plaats in de Lisser gemeenschap heeft verworven wanneer het om natuurbeleving gaat.

Heemtuin met zemelpoldermolen
foto Hans Hoes

PARELTJE: de Bataafse republiek

Na de omwenteling roepen de patriotten in het hele land het volk bijeen in de kerkgebouwen. Het oude bestuur van de dorpen en steden dient te worden vervangen door een voorlopige patriotsgezinde gemeenteraad, een municipaliteit. Zo ook in Lisse. De locosecretaris van de Municipaliteit van Lisse Lambertus Bicker reageerde op een klacht.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 2, 2022

Aan het eind van de achttiende eeuw was het politiek onrustig in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Kritische burgers verenigden zich in de patriottenbeweging. Zij waren tegen het bewind van stadhouder Willem V en zijn regenten, die het land in verval hadden gebracht. In 1781 verscheen het pamflet ‘Aan het volk van Nederland’, waarin patriot Joan Derk van der Capellen anoniem het stadhouderschap fel aanviel. Hij wilde een democratische staat en riep de bevolking op tot bewapening. In het hele land werden exercitiegezelschappen opgericht, vrijkorpsen die met gebruik van wapens de macht wilden overnemen. In Lisse was al voor 1786 een patriots ‘Genootschap van Wapenhandel’ actief onder de naam ‘Voor land en dorp’. 1 De Pruisische koning Frederik Willem II schoot zijn zwager Willem V te hulp en zijn leger versloeg in 1787 de patriotten. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk. Eind 1794 keerde een deel van hen terug met de Franse legers, die over de bevroren rivieren de Republiek binnendrongen. In januari was het leger van Willem V en een alliantie van Engelse, Hessische en Hannoveraanse troepen verslagen.
19 januari 1795 stichtten de patriotten de Bataafse Republiek onder het motto ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ en nam een voorlopige regering het landsbestuur over. De dag ervoor was stadhouder Willem V naar Engeland gevlucht.

Hoe zou de omwenteling in Lisse zijn verlopen?

Een Extract uit de Resolutie van de Municipaliteit van Lisse met een rekwest en een bijgevoegde ‘Memorie’ gaat over deze machtswisseling. De locosecretaris van de Municipaliteit van Lisse Lambertus Bicker reageerde op de klacht van de rekwestranten. De zaak werd behandeld in een ‘Vergadering van de provisionele representanten van het volk van Holland op woensdag 18 maart 1795’. De oorspronkelijke en uitgebreidere tekst is te raadplegen via Delpher en Google books (zie ook LisseTijdReis).

Allons, de sleutels van de kerk

Na de omwenteling roepen de patriotten in het hele land het volk bijeen in de kerkgebouwen. Het oude bestuur van
de dorpen en steden dient te worden vervangen door een voorlopige patriotsgezinde gemeenteraad, een municipaliteit. Zo ook in Lisse. De Lissers Albertus de Haan, Gijsbert van Parijs, Gerrit van Klaveren en Jacob Marchant dienen later een rekwest in bij de Municipaliteit van Lisse. Het is een bezwaarschrift over de wijze waarop de bestuursverandering in Lisse is verlopen. Onwettig en gewelddadig volgens rekwestranten. De bijgevoegde ‘Memorie’ is op 23 februari 1795, in het eerste jaar van de Bataafse vrijheid, ondertekend door de eerdergenoemden en door Fuijt van Leeuwen, Engel Smit, Barend van der Bron, Hendrik van Schrama. Op de 27ste januari 1795, zo schrijven zij, is in Lisse een briefje aangeplakt. Het is geschreven in een onduidelijke hand en het is niet ondertekend. De burgers worden opgeroepen om om twee uur bijeen te komen in de kerk. Voor het Rechthuis heeft zich tegen die tijd een grote menigte verzameld. Isaac van Buren, eigenaar van Wassergeest en dan nog schout van Zoeterwoude, vordert op onbeschofte wijze de sleutels van de kerk van Fuijt van Leeuwen, klerk van de secretarie van Lisse met de woorden: ‘Allons, de sleutels van de kerk’. Van Leeuwen aarzelt. De sleutels waren aan hem toevertrouwd door de kerkmeesters. Een ingekwartierde Franse soldaat staat voor Van Leeuwen met ontblote sabel en dreigt ‘Allons donnes les clés tout de suite’. Van Leeuwen overhandigt de sleutels van de kerkdeur en het volk stroomt de kerk in. Isaac van Buren, Lambertus Bicker, Jan Verdegaal, Jan van Zoelen, Jacob Vreeburg en Albert Wundel positioneren zich als de nieuwe machthebbers door plaats te nemen in de bank van de Heer van Lisse. Bickers lijfwacht van zes bewapende Fransen en de dronken lijkende huzaar met de sabel zijn in de kerk. Jan van Zoelen roept na een korte toespraak Isaac van Buren en Lambertus Bicker uit tot hun representanten. Het oude bestuur had het vertrouwen van de burgerij verloren en nu zal men een nieuw bestuur aanstellen. Bicker heeft een lijstje met namen van mannen die mogen kiezen. De kiezers trekken zich terug in de consistorie en roepen Bicker uit tot schout. Nieuwe burgemeesters, schepenen en een secretaris worden aangesteld. Onder de schepenen zijn zelfs enkele van de kiezers zelf. Dit verbaast de burgers in de kerk. Zij hadden ook graag gekozen, maar de huzaar dreigt tegenstanders aan zijn sabel te rijgen: ‘Le premier que le rémue je le foureré le sable dans le ventre ou il n’y a point de Dieu pour moy’. De burgers Fuijt van Leeuwen en Jacob Marchant willen onheil voorkomen en vertalen zijn woorden voor de burgerij. Ondertussen roept de huzaar de vergaderde menigte toe ‘Est il bon’. Daarop antwoordt of Van Buren of Bicker ‘Oui, vive la Nation’. De klacht is dat voor de bijeenkomst in de kerk een groep burgers al was bijeengekomen op Wassergeest in het huis van Van Buren en onder hen was Engel Smit. Smit beweert dat alles al was bekonkeld en dat de posten al waren verdeeld.

Bickers verdediging
Lambertus Bicker verdedigt zich in zijn functie van locosecretaris Ter Ordonnantie van de Municipaliteit van Lisse.
Hij verklaart aan de voorlopige regering dat de vervangen personen aanhangers waren van de Oranjes. Hij refereert aan de gebeurtenissen in 1787, toen militaire troepen door het dorp trokken en woningen en bezittingen beschadigden, waarbij zelfs een persoon het leven liet. Tegen deze gewelddadigheden traden zij destijds niet krachtdadig op. Weldenkende en vooraanstaande burgers kunnen nu gebruik maken van de natuurlijke ‘Vrijheid en Rechten van den Mensch’. Edelmoedige Fransen stelden ten koste van goed en bloed hun nu daartoe in staat.
Deze burgers besloten na herhaalde bijeenkomsten de regering te veranderen (het bestuur te vervangen) en de zittende regenten te bedanken. Zij zouden door de stem des volks andere burgers en regenten doen kiezen, die naar oordeel van het volk nuttig en bekwaam zijn om voorlopig het bestuur over te nemen totdat er een vaste vorm van bestuur zou zijn en voldoende personen om de verschillende bestuursfuncties te vervullen, gekozen en aangesteld door het volk. Veertien personen kwamen daarop bij elkaar op Wassergeest bij Isaac van Buren, toen nog schout van Zoeterwoude. Zij kozen uit hun midden Isaac van Buren en Lambertus Bicker tot hun raden en tot kiezers de
zes burgers Pieter Creemer, Frans Willem Enneker, Jan van den Aardweg, Engel Smit, Jan van Beek en Pieter van Dijk. De kiezers kregen een lijstje met namen van geschikte leden voor het voorlopige bestuur. Tot schout Lambertus Bicker, tot burgemeesters Jacob van der Jagt, Jan van Zoelen, Jan Verdegaal en Cornelis van der Jagt. Tot schepenen Pieter Creemer, Frans Willem Enneker, Jan Stellekes, Hendrik Nieuwenhuizen, Albert Wundel, Jan van Beek en Hendrik Lynslag. Tot scriba Fuijt van Leeuwen. De veertien mannen begaven zich vervolgens naar Teunis van Keulen in de herberg de Witte Zwaan op het Vierkant. Pieter Creemer verzocht de zittende burgemeesters een vergadering te beleggen. Die weigerden en Isaac van Buren vorderde de sleutels van de kerk van de toenmalige klerk van schout Pagenstecher, die ze in zijn zak had. De klerk kreeg een ontvangstbewijs.

Het briefje
Een volgend punt dat Bicker behandelt is de zaak van het ongetekende en onduidelijk geschreven briefje dat was aangeplakt. Op het Vierkant bevond zich een menigte die bij elkaar was gekomen door de zeer duidelijk geschreven briefjes van de veertien voornoemde burgers. De tekst van de briefjes was woordelijk overgenomen van de tekst die in Leiden was gebruikt om het volk bijeen te roepen. Ze waren 26 januari aangeplakt bij de gereformeerde en roomse kerken en aan de aanplakborden binnen en buiten Lisse. De dag erna, de 27ste, bleken ze afgescheurd. Ze zijn weer opnieuw aangeplakt. Ten overvloede is het volk de 27ste bij mondelinge aanzegging opgeroepen om twee uur in de middag in de kerk bijeen te komen. Jan van Zoelen hield daar een korte toespraak. Hij deelde mee dat voornoemde twaalf burgers Isaac van Buren en Lambertus Bicker tot hun raden hadden verkozen. Daarop hield burger Lambertus Bicker een toespraak. De zes kiezers werden voorgesteld en door het volk goedgekeurd. Zij gingen naar de consistorie en nomineerden de mensen die de vorige dag op Wassergeest al waren voorgesteld. Een uitzondering was Fuijt van Leeuwen, die geen scriba wenste te zijn en als secretaris werd benoemd. Van Buren lichtte het volk in. Bicker benadrukt nog eens dat het een voorlopig bestuur betreft. Het volk keurde het goed met groot genoegen, ze namen het zelfs aan met het draaien der hoeden. Zonder wanorde en niemand werd gedwongen.
Volkomen vrijheid werd in acht genomen. De bestuurswijziging is zonder ongeregeldheden en tot genoegen van de vergaderde menigte verlopen. De huzaar met het blanke sabel De huzaar, schrijft Bicker, was aanwezig in de kerk, maar op eigen initiatief. Hij woonde de plechtigheid bij. Bicker nam hem later tegen zijn wil mee naar Leiden. Hij bleek zijn regiment verlaten te hebben en stond bekend als een slecht persoon. Nog diezelfde avond werd hij door generaal Du Mercier gevangengenomen. De ondergetekenden vragen de provisionele representanten in overweging te nemen dat de ondertekenaars van het rekwest bestaan uit de oude bedankte regenten en personen die de Oranjepartij aanhingen en hun medeburgers vervolgden bij de omwenteling van 1787. Bicker wijst nog eens op de rol van Fuijt van Leeuwen, die de ‘Memorie’ ondertekende, maar hiervan berouw had en nu tot secretaris is benoemd. Hij laat het aan de Vergadering van de Provisionele Representanten over te oordelen over Van Leeuwens gedrag en zijn geschiktheid voor de post van secretaris. Bicker wordt in het gelijk gesteld. De Vergadering besluit dat de indieners van het rekwest zich voorlopig tevreden moeten stellen met het nieuwe bestuur.

Katholieken in het bestuur
De ondertekenaars van het rekwest en de memorie waren op Engel Smit na nederduits gereformeerd. Zij waren winkelier, landbouwer of herbergier. Onder de veertien patriotten die op Wassergeest bij elkaar kwamen, bevonden  zich drie eigenaren van buitenplaatsen. De arts en wetenschapper Lambertus Bicker woonde op Meer en Duin, Isaac van Buren op Wassergeest en Albert Wundel op Wildlust. Opvallend is dat van de veertien patriotten er zeker acht katholiek zijn. Ook landelijk bevonden zich veel katholieken onder de patriotten. Zij waren voorheen uitgesloten van bestuursfuncties, kerkten in schuilkerken en zagen nu een kans invloed op het bestuur uit te oefenen. Isaac van Buren werd benoemd tot baljuw van Hillegom, Lisse, Voorhout en Noordwijkerhout. Hij liet de jeugd van de vier ambachten op 15 mei 1795 een vrijheidsboom voor Wassergeest oprichten, waarvan B. H. Thier een mooie aquarel maakte. ■

Gezigt van de groote Beuken en Dennenlaan op de hofstede Wassergeest met de vrijheidsboom.” Anno 1795. (G.A.Leiden)