Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen Deel 2: de verdere familie- en persoonlijke geschiedenis.

De verdere familie wordt besproken, evenals zijn persoonlijke geschiedenis.

Laura Bemelman

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

het vorige deel van dit verhaal vertelde ik vooral over de oude geschiedenis van de familie Van der Vlugt. Jacob Pieterse van der Vlugt is vermoedelijk rond 1700 in Zoeterwoude geboren. Van zijn vader Pieter Wouterse is weinig bekend. Maar zijn zoon Maarten van der Vlugt werd rond 1820 pachter op de boerderij Middelburg. En zíjn zoon Maarten die in 1837 geboren wordt, trouwt met Cornelia van Ruiten. Een van hun zestien kinderen is Antoon van der Vlugt, geboren in 1869. Hij trouwt met Maria Christina van der Salm en zij starten hun huwelijk op de Achterweg, in de boerderij ‘De Goudmijn’. Uit het gezin van Antoon van der Vlugt en zijn vrouw zijn tien kinderen geboren. De jongste zoon komt in september 1914 op de Heereweg ter wereld.

Heereweg 435 en 435a Solsidan
Al die Van der Vlugten in De Engel

Behalve Antoon (1869), blijven ook zijn broers Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) in Lisse wonen. Deze broers worden allemaal bloembollenkwekers in een klein gebied aan de zuidkant van De Engel. Van de tien kinderen die in het gezin van Antoon en Maria Christina geboren zijn, is er één kindje levenloos ter wereld gekomen en is dochtertje Cornelia Agnes nog geen drie jaar oud geworden. De overige acht kinderen worden volwassen. Eén van de dochters trouwt met een onderwijzer, één met een bloemist uit Noordwijkerhout. Van de zes zoons worden er vier bloemist. Eén van de zoons vertrekt als bloemist naar Voorhout. Drie zoons worden bloembollenkweker in Lisse en werken met hun vader samen. En twee zoons worden tot priester gewijd. Hugo gaat uiteindelijk naar Noorwegen en Hugo’s jongere broer Antoon (Cornelis Anthonius) is als missionaris van Mill Hill naar Kameroen in Afrika gezonden. Moeder Maria Christina van der Salm overlijdt in mei 1918, ze is dan pas vijfenveertig jaar oud en laat haar man Antoon achter met een groot gezin met nog vele jonge kinderen. Het jaar daarop overlijdt Antoons broer Martinus (1875) die indertijd iets eerder in het dubbele woonhuis op de Heereweg is komen wonen. Zijn weduwe blijft daar nog enige tijd wonen om daarna te verhuizen naar een nieuwe woning in de Schoolstraat. Adrianus (1876) is rond dezelfde tijd als zijn beide broers Antoon en Martinus naar het huis Rima verhuisd dat halverwege hun huis en het Laantje aan de Heereweg staat. Als er rond 1930 een nieuw huis gebouwd wordt aan de andere kant van de weg, op de hoek van de Akervoordelaan en de Heereweg, verhuist Adrianus vervolgens daarheen. Hun jongste broer Marcelis blijft nog geruime tijd op het Laantje tot de zoon van Adrianus zijn plek daar overneemt. Marcelis gaat dan aan de weg wonen, aan het begin van het Laantje. In juli 1935 is zeer plotseling Antoon van der Vlugt in Lisse overleden. Als bloemist heeft hij samen met een aantal van zijn zoons een bollen-exportzaak van betekenis opgebouwd. Hij kweekte ook tulpen maar heeft vooral naam gemaakt als hyacintenkweker. Hij ijverde voor verbetering en verdere ontwikkeling van deze bol en was erg trots op zijn nieuwe soorten met grotere bloemen in mooie kleuren. De nieuwe bollen moesten ‘aan hooge eischen’ voldoen om voor de handel geschikt te zijn. Antoon zou kort voor zijn dood nog gezegd hebben dat hij bollen zou kunnen laten zien die vooral voor de vroegbroei heel geschikt zouden zijn. De schrijver van het memoriam in de krant verwachtte die bollen dan zelf ook wel te zullen zien, maar het speet hem dat de meest enthousiaste liefhebber, Antoon, daar niet meer bij kon zijn.
Dan is het de volgende bollengeneratie Van der Vlugt die aan het roer komt te staan. Maarten (1900), de oudste zoon van Antoon, vestigt zich op Rima als zijn oom en tante naar de overkant van de Heereweg verhuizen. Broer Cors (1902) trouwt met de enige dochter van een grote bloembollenkweker in Voorhout en vertrekt uit Lisse. Broer Adrie (1913) trekt, na het vertrek van zijn tante, in het andere deel van het dubbel huis aan de Heereweg dat later Solsidan gaat heten. De jongste broer Wim (1914) trouwt en blijft in het deel van het ouderlijk huis dat later het nummer 435 krijgt.

Priesterwijding van Hugo van der Vlugt

‘Paschen is dit jaar te vroeg gekomen’ meldt in 1929 de krant omdat er nog weinig bloembollen op de velden bloeien in de Bollenstreek. Het is slecht weer maar toch is het feest in Lisse. Een ‘zoon van de parochie’ draagt zijn eerste Heilige mis op in de Agathakerk. Het is de weleerwaarde heer Hugo van der Vlugt. De klokken beieren, geel-witte wimpels zijn overal te zien en ook de nationale vlag. In alle vroegte is Hugo van der Vlugt van het station
in Voorhout gehaald door een aantal auto’s met vooraanstaande personen uit Lisse. Pastoor Thomann van Lisse natuurlijk en de zeereerwaarde heer Sentenie van de nieuwe Engelenkerk van de parochie waartoe de familie behoort en nog een auto met familieleden. Een plechtige mis volgt en woorden, ‘allen zoo treffend van toepassing op de toekomst van den jongen priester, die zijn leven gaat wijden aan de bekeering van Noorwegen’. Na de officiële en plechtige gelegenheid rond de priesterwijding is er ook feest. De bewaard gebleven feestgids getuigt van dankbaarheid maar ook van vreugde. Er is door de familie een levensloop in liedvorm geschreven waar in ‘een combinatie van drama en klucht’ een beeld doorklinkt van Hugo en zijn naaste familie. ‘Waar de blanke rij der duinen, sterk de Bollenstreek behoedt, ligt ons Lisse in kleurige velden, door de Rijnsloot fier begroet.’ De liefde voor de Achterweg wordt erin bezongen, het huis van vader Antoon en zijn gezin dat door de jaren groeit. Hier staat de ooievaar op een morgen met in zijn bek een mandje met baby Hugo, bij ‘de Goudmijn’ en de vruchtbare grond, ‘die van kleuren bloost’. Het vertelt het verhaal van een jongensjeugd uit een prentenboek. Van grote zus die op Huugje moest passen maar haar broertje vergat. Het knaapje ging met de hoepel spelen, maar de hoepel trok zijn eigen plan. Al snel lag ventje Hugo brullend in de sloot naar kroos te happen, tot hij er op tijd werd uit gevist. En van een kleine jongen van zeven jaar die met het gezin een dagje naar het Mallegat en Reigersbos ging, maar daar zoek raakte. ‘Ze speurden overal, maar ze waren broertje kwijt’. De voerman met een koetsje trof de kleine jongen langs de weg aan en wilde hem thuis brengen, maar ‘Huugje wist de weg niet meer, maar snikte met een zuchtje, ’t is over een bruggetje, heel ver weg, voorbij een klein gehuchtje’, zo kwam hij toch weer veilig thuis. Een jongetje dat de school ‘een apenhok’ noemt en bang is voor de meester maar zich toch in het schoolleven leert schikken. Hij vult zijn jaren in Lisse met hoepel, knikkers en tol, met knokken, zwemmen en kattenkwaad, maar vooral van voetballen genoot hij enorm. En dan is de tijd van de ‘korte broek’ alweer voorbij en gaat Hugo in ‘een reuzelange broek’ naar het Seminarie Hageveld, toen nog in Voorhout, aan de Vaart. Hij groeit verder op en anekdotes worden aangehaald over autopech in een Fordje met priesterstudenten op weg naar Freiburg en over zeeziek worden als drie jonge studenten een kennismakingsbezoek in Noorwegen afleggen. Aan het eind van deze prachtige revue wordt ernstig en plechtig stilgestaan bij de ouders van Hugo die hem langs veilige paden hebben willen leiden en trouw over hem waakten op zijn pad tussen kwaad en goed, ‘zijn vader hier op aard, zijn moeder in den hemel’. De gasten op zijn priesterfeest beloven in zang voor hem te zullen bidden, om zegen op zijn heilige werk, voor God en zijn Roomse Kerk. Ten slotte wensen ze hem toe: ‘lang zal hij leven …’ Gelukkig maar dat die avond nog niemand kon vermoeden hoe kort het leven van Hugo uiteindelijk zou zijn.

De Roomse droom in Noorwegen

Al rond 1918 verloopt het missiewerk in Noorwegen niet volgens het plan van het Vaticaan in Rome. Er wordt een nieuwe Nederlandse kardinaal benoemd die de vijf Noorse kerkleiders in Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland vervangt door vijf Nederlanders. Bij de Noren straalt het begrip ‘missie’ teveel katholieke superioriteit uit en dat botst met een streven naar individualisme in Noorwegen. De aanduiding van Noorwegen als ‘missiegebied’ wordt daar als vernederend ervaren en de houding van de nieuwe kardinaal valt er slecht. De geloofsgemeenschap in Noorwegen groeit nauwelijks en het aantal bekeerlingen dat erbij komt is bijna net zo groot als het aantal dat uit de kerk vertrekt. Vanuit Rome en door de kardinaal blijft de aanmoediging aan missionarissen en missiezusters om naar Noorwegen te gaan onverminderd groot, maar de missionarissen ‘in het veld’ zien al snel heel duidelijk dat de kardinaal het onmogelijke wil bereiken. Er is dan ook een behoorlijk verloop onder missionarissen in Noorwegen die daar met hoge verwachtingen heen gingen. Het is niet eenvoudig voor hen om in contact met de Noorse bevolking te komen en nog moeilijker om dat vanuit katholieke intenties tot bekeren te doen. De Noren staan wantrouwend tegenover het katholieke geloof en niet minder tegenover de priesters zelf. Dat ‘mislukken’ van priesters in Noorwegen blijft ook niet onopgemerkt voor de priesterstudenten die bezig zijn met hun opleiding met de bedoeling naar Noorwegen te gaan. In 1928 zijn er vijf studenten met deze intentie: twee in Rome en drie in het Zwitserse Freiburg. Deze laatste drie studeren in 1929 af.

Hugo van der Vlugt, pastoor in Hamar

Als de laatstgenoemde studenten uit Freiburg in 1929 tot priester gewijd worden, aarzelen ze behoorlijk door wat er verteld is over de Noorse missie, maar ze hebben een belofte gedaan die niet gemakkelijk te verbreken is. Hun studie is mogelijk gemaakt door het vicariaat Noorwegen, dus is er een morele verplichting. Ook is het niet eenvoudig een andere plek te vinden als priester omdat ze tot geen enkel bisdom behoren en de andere bisschoppen hen als ‘deserteurs’ beschouwen en niet bereid zullen zijn hen op te nemen. Toch laat één van de studenten weten het Noorse avontuur niet aan te gaan. Hij heeft gezien dat veel priesters de eenzaamheid niet aangekund hebben en Noorwegen lijkt door dat isolement het moeilijkste missieterrein ter wereld. De twee anderen proberen hun vertrek nog wat uit te stellen maar hen wordt gezegd dat er ‘niets is om bang voor te zijn’, ze hebben tenslotte hun roeping. Ze hoeven ook niet bang te zijn voor de eenzaamheid want ze gaan eerst naar Bergen en pas als ze aan een missionarisleven in Noorwegen gewend zijn, krijgen ze een post in hun eentje. Daarom vertrekken deze twee jonge priesters naar Noorwegen. Een van die twee, Eugène Laudy, geboren in Sittard in 1899, heeft jaren in Noorwegen gewerkt en is daar in 1981 ook overleden. De andere is Hugo van der Vlugt uit Lisse. Hij heeft eerst het Kleinseminarie in het Bisdom Haarlem gevolgd en was aanvankelijk van plan zijn studie aan het Grootseminarie te voltooien, maar besloot in 1924 priester te worden in Noorwegen. In 1929 vertrekt hij dan ook als gewijd priester naar Noorwegen en wordt enkele jaren kapelaan in Bergen om daarna pastoor in Stabbek te worden. In 1932 gaat hij naar het kleine Haugesund en wordt in 1939 benoemd tot pastoor in Hamar. De priesters die in het missiegebied in Noorwegen werken hebben veel verschillende nationaliteiten. In de periode van begin dertiger jaren tot half zestiger jaren van de vorige eeuw zijn er gemiddeld vijftien Nederlandse priesters in Noorwegen, ongeveer een derde van het totaal. In 1939 is in tien van de zestien missiestaties in het Noorse gebied een Nederlandse pastoor benoemd. Hugo zou bij zijn komst in Hamar als bouwpastoor in een jonge parochie niet goed geweten hebben hoe hij zijn taak goed kon aanpakken. Daarom zou hij zijn leven ‘in Gods handen’ hebben gelegd. Door zich goed in te leven in de idealen van de beter geschoolde jeugd in Noorwegen trekt hij hen aan en ook wint hij vertrouwen bij de oudere intellectuelen door zijn grote kennis en ruime visie op de problemen van die tijd.

Kamp Sachsenhausen-Oraniënburg

Als de Nazi’s Noorwegen bezetten, heeft Hugo de vlag omlaag gehaald om zijn ongenoegen met deze bezetting te tonen. Hij heeft gezegd niet opnieuw te willen vlaggen voordat de oorlog in Noorwegen voorbij zou zijn. Deze kans heeft hij niet meer gekregen. In juni 1942 zit in Oslo, in het gevangenenkamp Grini, een groep Noorse jongelui opgesloten die deel uitmaakt van een katholieke actiegroep, maar waar de Noorse priesters tevergeefs geprobeerd hebben contact mee te krijgen. Dan wordt Hugo van der Vlugt in Hamar opgepakt door de Duitsers. De aanleiding is niet meer dan wat onnozele uitlatingen in brieven die bij de censuur zijn opgevallen. Hugo heeft zich opzettelijk kritisch uitgelaten in zijn brieven om een arrestatie uit te lokken, in de hoop daarmee toch met de groep jongelui in contact te komen. De behandeling daar in Grini is heel goed geweest, zo vertelt hij later, maar door erg zwaar tuinwerk te moeten verrichten is hij daar waarschijnlijk ook enige tijd behoorlijk ziek geweest. Daarna zou hij eind november 1942 via Hamburg en Berlijn met een groep andere Noren vanuit het kamp Grini terecht gekomen zijn in Sachsenhausen. Dit kamp ten noorden van Berlijn is in eerste instantie een werkkamp maar beschikt wel degelijk ook over een gaskamer, er hebben massa-executies plaatsgevonden en er zijn medische experimenten uitgevoerd. Vele tienduizenden van de gevangenen hebben hier dan ook de dood gevonden.

Slijtageslag

Alle nieuwelingen in het kamp moeten deelnemen aan een soort wetenschappelijk onderzoek naar een nieuw soort militaire schoenen bestemd voor de Wehrmacht. Daarvoor moeten de gevangenen van ’s morgens vroeg tot laat in de middag, zonder noemenswaardige pauze, in een geprepareerde halve cirkel op de appèlplaats van het kamp blijven lopen. De mars van ongeveer 35 kilometer per dag voert onophoudelijk over vakken met verschillende soorten glad, grof of scherp plaveisel om te ontdekken hoe lang het schoeisel hiertegen bestand blijft.

Tekening van Tethard Hettema, het schoenentest traject


Veel van de gevangenen houden die eindeloze mars niet vol en hebben het leven erbij gelaten. Ook Hugo van der Vlugt heeft aan die test meegedaan. Hij heeft hongerig, slecht gekleed en zonder overjas of handschoenen, veertien dagen lang door het gure, mistige novemberweer gesjouwd voor die proef. Die slijtageslag moet hem beslist een sterk verminderde weerstand bezorgd hebben. Vlak voordat hij tewerk gesteld wordt op ‘Klinker’ een beruchte steen bakkerij buiten het kamp, leert Hugo de kapelaan Hennekens en Franciscaner pater Tethard Hettema kennen, de enige twee priesters in het kamp. Zij kunnen er voor zorgen dat Hugo in hun ‘block’ wordt opgenomen, mede doordat er in Sachsenhausen enige privileges bestaan ten behoeve van geestelijken. Vooral met Tethard Hettema heeft Hugo van der Vlugt zijn laatste tijd in het kamp gedeeld, doordat kapelaan Hennekens al snel buiten het ‘block’ in het ziekenverblijf wordt opgenomen. Tethard heeft later in een uitgebreide brief aan de familie, geplaatst in het tijdschrift ‘Uit het land van St. Olav’, uitvoerig geschreven over hun gezamenlijk verblijf in dit kamp in Duitsland. Ze delen hun ‘block’ met medekampbewoners van gevarieerd pluimage, waaronder asocialen en zigeuners (de ‘Brandweer’), oude tuchthuisgasten (van het ‘Krematorium’), enkele Joegoslavische consuls en een stel prominente ‘berufsverbrechrer’, samen dertig man, die de ‘gezelligste Stube van het Lager’ vormen, later aangevuld met nog eens dertig lieden (van het ‘Orkest’). Ze doen bijna alles samen, zoals brandstof en brood halen, eten, boeken inbinden en Kerstmis vieren. En Kerstmis moet een hoogtepunt geweest zijn. Als het februari is krijgt Hugo last van buikloop, wat heel gewoon is in het kamp. De gewone remedie is vasten en houtskool eten en van een medegevangene die verpleger is, krijgt Hugo Tannalbin-tabletten. Maar hij blijft ziek, verliest dan ook bloed en wordt vervolgens in de typhusbarak opgenomen. Het enige contact met hem verloopt nu via berichten van twee lieden van de ‘Brandweer’, de een via zijn vriend die block-oudste van de ziekenbarak is en de ander omdat hij bij de typhusbarak als tuinman werkt. Maar Hugo’s conditie gaat hard achteruit en de situatie wordt kritiek. Gedurende twee weken komt er voortdurend bloed, hij eet niet en drinkt bijna niet en heeft verschrikkelijke pijn, uiteindelijk is er alleen nog slijm. Maar ze geven geen van allen de hoop op en iedereen doet wat mogelijk is omdat ze Hugo erg graag mogen.

Het einde nadert

Tegen het eind van februari krijgt Tethard Hettema het nog voor elkaar zijn vriend te mogen bezoeken. Ze wisselen kampnieuwtjes uit en praten over het geloof en het al dan niet mogen offeren van je leven uit liefde voor God. De volgende dag bezoekt ook kapelaan Hennekens hem nog. In de week daarna krijgt Hugo een leverpreparaat ingespoten als een vorm van kunstmatige voeding en heeft hij minder pijn. Omdat Hugo zo goed en geduldig was geweest doet iedereen zijn uiterste best. Zelfs de SS dokter laat gebeuren wat anderen niet krijgen. Maar bij het volgende bezoek van zijn vriend Tethard herkent Hugo deze bijna niet meer, is versuft en meent dat God het offer van zijn leven zal aanvaarden. Hij weet dat hij sterven zal. Het valt Hugo’s vriend zwaar dat er geen Heilige Communie is en geen Heilige Olie om de laatste katholieke sacramenten te kunnen toedienen. De volgende avond is kapelaan Hennekens nog bij Hugo geweest, samen met de katholieke onderwijzer Olafsen, die, samen met een aantal andere katholieke jongens uit Oslo, enkele dagen eerder in het kamp

Sachsenhausen was aangekomen. Die avond of de vroege ochtend van de volgende dag is Hugo overleden. Het bericht van zijn overlijden maakt op iedereen veel indruk, zelfs op die van de ‘criminele kamergenoten’: ‘O, die bleke, die goede stille Hollandse pastoor’. Zijn crematie vindt plaats, afzonderlijk, als blijk van piëteit van deze groep totaal verruwde kerels. Pater Tethard en kapelaan Hennekens zijn in 1943 vanuit Sachsenhausen op transport gezet naar Dachau. Zij hebben het er beiden levend afgebracht en menen dat ook aan Hugo te danken te hebben. ‘Een echte priester, eenvoudig, goed, beminnelijk en bemind. Een held en iemand, die ook erg veel hield van zijn zusters en broers en steeds zei: ‘Als ik vrij kom, ga ik eerst naar Holland’. ‘Hij was een voorbeeld in alles’, zoals Tethard Hettema in zijn brief van augustus 1945 aan de familie schrijft, gepubliceerd in het genoemde tijdschrift. Hierin bekent hij een heel klein aandenken aan Hugo bewaard te hebben – alleen een klein ‘stop-ei’ – want enkele andere kleinigheden zijn door het voortdurend verhuizen en door plunderingen verloren gegaan. Het vormt een klein maar gekoesterd aandenken aan een groot voorbeeld en een dierbare vriend.

Gedenken

In Noorwegen zijn plannen voor het plaatsen van een herdenkingssteen ter ere van Hugo van der Vlugt bij de St. Torfinn kerk in Hamar, de parochiekerk waar hij zijn taak als bouwpastoor in 1939 begon. De Stichting Oranjecomité Lisse/ werkgroep Nationale Herdenking 4 mei, wil komend voorjaar de aandacht vestigen op pastoor Hugo, die zijn inzet vanuit zijn geloof met de dood heeft moeten bekopen, als een van de vele slachtoffers die de Tweede Wereldoorlog telt.

Bronnen

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, Bevolkingregister Lisse, ProGen data/Lisse, familiestambomen, – gegevens, – drukwerk en foto’s, advertenties regionale kranten. De Roomse Droom, Vefie Poels, dissertatie 2005; tijdschrift ‘Uit het Land van St. Olav’.


De oprichting van Vereniging Oud Lisse en activiteiten in de eerste jaren

De high liths van de afgelopen 25 jaar worden weergegeven.

door Frits Treffers en Wim Bosch

Dit artikel staat gedeeltelijk op de Nieuwsbrief Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

1. Inleiding

Hieronder schrijven we een aantal punten neer die wij nooit vergeten zullen uit de eerste jaren van onze Ver. Oud Lisse. De indeling is als volgt:

  1. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse
  2. Projecten
    1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.
    2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.
    3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming
    4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191
    5. De sloop van villa Rozenheim
    6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”.
    7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen.
    8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004
    9. Hofje van Six blijft bestaan.

a. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse

Het is alweer meer dan 25 jaar geleden dat de vereniging eigenlijk door toeval is opgericht. Het gebeurde dat de overbuurman van Frits Treffers , Matthieu den Boer op een avond een praatje met hem begon en zijn zorg uitsprak over de geruchten die de ronde deden over de sloop van de mooie villa’s tegenover het huis “Somalo” van Frits Treffers Heereweg 28 (Heereweg Noord) .
Hij stelde toen voor om samen met Frits een vereniging op te zetten om waardevolle panden tegen sloop te beschermen.
Onze gedachte was om nieuwbouw op het achterliggende gebied van de villa’s toe te staan met behoud van de villa’s en oude bomen.

De vereniging werd opgericht en bestond uit 6 bestuursleden:
1. Matthieu den Boer (voorzitter)
2. Els Weening (secretaris)
3. Chris Paardekooper (penningmeester)
4. Ir. Frits Treffers (bouwzaken)
5. Loe Buijze (publiciteit)
6. Ir.Wim Bosch (ruimtelijke ordening)
De openingsvergadering werd op 15 december 1990 gehouden in de Gewoonste Zaak.

b. Projecten1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.

24-02-1991 Bewuste vernieling om toewijzing als monument en eventuele bezetting van het pand te voorkomen. Zo stond Merenburgh er nog een paar maanden bij.

Het eerste project was het redden tegen sloop van de villa’s: Merenburgh (nr 25), Magnolia (nr 27) , en Buitendorp (29) gelegen aan de Heereweg Noord. Na diverse pogingen via juridische procedures en ondanks de grote aandacht in de pers, is het uiteindelijk helaas toch niet gelukt en is de villa Merenburgh in 1991 toch onverwacht gesloopt en is er na de sloop van ook de andere villa’s uiteindelijk nieuwbouw neergezet. De beeldbepalende bomen werden wel gespaard.

Merenburgh met protestborden tegen het beleid van Harry Smith, alias “Harry de Sloper” toen Weth. ruimtelijke-ordening. Mede door deze sloop is VOL juist in de steigers gezet.

2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.

Het tweede project was het oude NS station te beschermen tegen de voorgenomen sloop van NS. Ook daarvoor werden diverse gesprekken gevoerd, in dit geval met de Nederlandse Spoorwegen.

Uiteindelijk is daar  overeenstemming bereikt. Maar dat vroeg wel om zeer creatieve oplossingen. Door de Vereniging Oud Lisse werd speciaal voor dit doel in 1994 een beheersstichting opgericht, de Stichting Oud Lisse, die zorg kon dragen voor de restauratie en het onderhoud van het station. Stichting Oud Lisse kwam met de NS overeen om het stationscomplex voor een gering bedrag van NS te huren, met de verplichting het pand op eigen kosten te renoveren en te onderhouden.

Station Lisse monument

Als resultaat van het grote renovatie project van het station, waar in het bijzonder Frits Treffers heel veel aan bijgedragen heeft, werd met medewerking van de Gemeente Lisse het pand aangewezen tot Rijksmonument.

Het restauratieproces

Door Stichting Oud Lisse werd een totale renovatie van het oude NS station toegepast, hoofdzakelijk op de begane grond. De bovenbouw werd bij de restauratie voorzien van nieuwe verwarming, maar werd verder zo gelaten. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven.

Station in ±1905. Detail ingekleurde ansicht . Dit monument is door de inzet van de oprichters van VOL behouden gebleven.

Om inkomsten te verwerven voor de renovatie en onderhoud van het station werd met de gemeente Lgelaten. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven.isse in 1995 overeenstemming bereikt om het geheel een horecabestemming te geven. De beneden verdieping van het station werd verhuurd aan het restaurant De Verloren Koffer. met behoud van de karakteristieke elementen aan het exterieur en in het interieur. John Nederstigt, de eigenaar van de Verloren Koffer, werd de eerste restauranthouder.

Er was een probleem om een gastoevoer aan te leggen voor het restaurant. Die zou volgens de leverancier onder het spoor moeten worden aangelegd, hetgeen extra kosten met zich mee zou brengen. Via het plaatsen van een gastank naast het parkeerterrein werd dit opgelost.

Geschiedenis station

Het oude stations complex was in opdracht van de toenmalige Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij gebouwd aan het traject Leiden-Haarlem. Het bij de spoorwegovergang staande stationsgebouw is gebouwd naar een ontwerp van de architect D.A.N. Margadant, die elders in het land vergelijkbare stationsgebouwen in een aan de Art Nouveau verwante stijl heeft gebouwd en van ca.1870 tot 1909 bij de H.IJ.S.M. als architect en opzichter werkzaam was. Kenmerkend voor het station in Lisse is de ver doorgevoerde asymmetrie en het afwisselende materiaalgebruik (baksteen, natuursteen en houtwerk).

De lijn Haarlem-Leiden werd in 1842 aangelegd. Landgoedeigenaren kregen het voor elkaar om de lijn op een (voor hun) zo gunstig mogelijke plek aan te leggen. De toenmalige eigenaar van het landgoed Venenburg, ten noorden van Lisse, had bij de HIJSM zelfs een eigen stopplaats bedongen. Het zou vervolgens nog tot 1896 duren voordat de HIJSM eindelijk van deze stopplaats verlost was. Er was dus geen halteplaats vlak bij het dorp. Maar in 1891 werd een halte Delfweg aangelegd bij het Halfweg. De naam werd in 1896 gewijzigd in Lisse (code LIS). Pas in 1904-1905 verrees het stationsgebouw iets ten zuiden van de halte Delfweg.

In het jaar 1904 vindt een rigoureuze aanpassing van de situatie op dit gedeelte van het terrein rond de spoorbaan plaats. Van douarière Van Pallandt-Steengracht van Oostcapelle worden door de Spoorwegen gronden verkregen voor de bouw van een station. Er volgt een omlegging van wegen en sloten. Dit verklaart ook het wat merkwaardige traject van de Stationsweg met de bochten vlak voor de spoorwegovergang.

Het gebouw is voorzien van wachtruimtes der eerste, tweede en derde klasse, een plaatskaartenkantoor met loketten en een bovenwoning voor de stationschef. Het aardige is dat er ook nog heel specifieke details te zien zijn die verwijzen naar de bloembollencultuur. Op de bogen in de hal zijn afbeeldingen te zien van narcissen en tulpen. In een bijgebouwtje was vroeger het toilet. In 1905 werd het station in gebruik genomen. Het oude station Delfweg kreeg weer haar oorspronkelijke bestemming van baanwachterswoning.

Einde spoorwegfunctie

In september 1944 ( de grote spoorwegstaking in de 2e wereldoorlog) werd de halteplaats gesloten. De wachtkamer 3e klasse deed in die tijd nog dienst als noodwoning. Na de oorlog werd de halteplaats uit de dienstregeling geschrapt. Door de grote afstand tussen Lisse en het station werd er te weinig gebruik van gemaakt door reizigers. In 1970 was het ook gedaan met de stopplaats voor het goederenvervoer. Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw stopten er in het voorjaar nog treinen voor bezoekers van de Keukenhof. De stopplaats ‘Lisse-Keukenhof’ was gedurende het bollenseizoen druk bezocht. Het noodperron van station Lisse is voor het laatst (90-er jaren) gebruikt door Lovers Rail om reizigers voor de Keukenhof af te zetten.

Einde bemoeienis met station

Omdat de NS het stationsgebouw wilde verkopen en John Nederstigt en de Stichting Oud Lisse niet ingingen op de aangeboden verkoopprijs van €400.000, heeft op 23 mei 2008 de Stichting Kasteel Keukenhof het station Lisse voor €350.000 gekocht van NS.
Na deze aankoop van het station van NS bleek dat de Stichting Kasteel Keukenhof eigen plannen had met het station. Mede gezien ook het feit dat de Stichting Oud Lisse haar doelstelling (renovatie en onderhoud van het station) had bereikt, heeft de Stichting Oud Lisse besloten de onderhuur aan het restaurant en haar verplichting tot onderhoud van het pand per 1 januari 2011 over te dragen aan de nieuwe eigenaar Stichting Kasteel Keukenhof. In het pand is nu restaurant “het Tussenstation” gevestigd. Gelukkig zijn in het interieur de specifieke details, zoals de tulpen en narcissen in de stenen bogen, nog steeds te bewonderen.

3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming

Het bollenbedrijf was nog volop in bedrijf

Het bollenschuur complex van Driehuizen dat aan de Heereweg Noord staat tussen de villa’s Rutsbo en Somalo is door toedoen van de Ver. Oud Lisse een Rijksmonument geworden. Oorspronkelijk was het de bollenkwekerij het ‘Hollandse Bloembollen Huis’, bestaande uit een BOLLENSCHUUR met aangebouwd KANTOOR. Het ensemble is gebouwd in 1922, in opdracht van de firma Gebr. Driehuizen, naar een ontwerp van de in de bollenstreek bekende architect Leen Tol uit Lisse. Het complex is gebouwd in een stijl die verwant is aan de architectuur van de Nieuwe Haagse School, een strakke variant van de Amsterdamse School. De grote schuur is van het type bollenschuur met vide. Van dit type komen nog enkele in de Bollenstreek voor, maar deze hebben niet meer hun oorspronkelijke functie. Dit kwekerijcomplex is sinds 1981 niet meer als zodanig in gebruik.

Het heeft sindsdien gefungeerd als onderkomen voor antiekhandel van Damme. Projectontwikkelaar Hillgate Properties en Bouwbedrijf Huib Bakker maakten in 2008/2009 in de schuur 27 twee-, drie- en vierkamerwoningen, waarbij de karakteristieke kenmerken van het gebouw behouden bleven. De gigantische bollenschuur is een Rijksmonument. Het was dus van belang dat de oorspronkelijke uitstraling zoveel mogelijk intact zou blijven, terwijl de bollenschuur toch moest worden aangepast aan de moderne wooneisen. Daarom vond nauw overleg plaats met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Het schitterend atrium, waar de woningen omheen liggen, is natuurlijk bewaard gebleven. De appartementen konden via een starters subsidie worden gekocht. Het voorste gedeelte van het complex is het voormalige kantoorgedeelte. Ook dit werd omgevormd tot woning. Hier is nog  een glas-in-lood ingevulde lichtkoepel, een vloer met decoratieve betegeling en er zijn nog deels met originele tegels beklede wanden. In april 2013 kreeg het kantoorgedeelte van het complex de erepenning van Vereniging Oud Lisse toegekend. Rondom het complex is nieuwbouw gerealiseerd.

(hierbij illustratie glas-in-lood, tegel, oude ontwerptekening van tol)

4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191

Archeologisch onderzoek 2014. Bij het archeologisch onderzoek na de sloop vond men sporen van prehistorische akkers op dit perceel.

Een andere zaak was het z.g. witte pand op de Heereweg. Onze vereniging heeft in 1999 het vorige college van B&W (in casu wethouder F.W.H.P. Prins destijds verantwoordelijk voor het Monumentenbeleid) er van overtuigd het pand toen beschermwaardigheid te bieden door het op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Het college heeft de beschermwaardigheid van het pand echter weer opgeheven t.b.v. nieuwbouw, door het pand in december 2003 weer van de gemeentelijke monumentenlijst af te voeren, gebruik makend van een zeer summier uitgevoerde verkenning door een ingehuurde bouwhistoricus. Een aanbod voor een gratis en grondig bouwhistorisch onderzoek door onze vereniging werd botweg geweigerd. Dit pand, de oudste woning van Lisse uit de 17e eeuw, is indertijd opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MiP). Het was geen Rijksmonument, maar het was wel een zeer bijzonder pand met oude tongewelven uit de 17e eeuw en inwendig voorzien van diverse oude 18e -eeuwse tegels . Zie schilderij van Carl Daudeij hieronder. De Vereniging Oud Lisse en de Bond Heemschut hebben helaas zonder resultaat diverse juridische procedures ondernomen om te trachten dit object te beschermen tegen een geplande sloop. Nu staan daar nieuwe gebouwen gebouwd in een enigszins “oude klassieke stijl”.

5. De sloop van villa Rozenheim

Rond 1995 stonden er twintig panden in Lisse op de nominatie voor de selectie voor aanwijzing als jong rijksmonument. Door de gemeente werden zij geplaatst op de “concept-Indicatieve Lijst”. Deze lijst was de neerslag van een eerste (landelijke) inventarisatie van panden uit de periode 1850 – 1940 die mogelijk in aanmerking zouden komen voor bescherming als jong monument. Van dit initiatief is niet veel terecht gekomen. De definitieve selectie bleef uit en wie de (mogelijke) monumentenstatus hinderlijk vond voor zijn bezit, had zo alle kans om tot sloop over te gaan. Ook villa Rozenheim stond op de lijst en trof dit lot. Het pand werd na enkele jaren leegstand en verloedering plotseling en onverwacht rond de jaarwisseling van 1996/1997gesloopt.
Villa Rozenheim (Heereweg 276) werd in 1881 gebouwd. In 1887 wordt een nieuwe bollenschuur van 3 verdiepingen gebouwd. In 1906 wordt het geheel gekocht door Frederik Franciscus Bernardus de Meulder van het sinds 1898 bestaande bollenexportbedrijf Fred. De Meulder. Oude catalogi van de firma vermelden als adressering Fred. de Meulder Rozenheim nurseries Lisse. Na zijn overlijden blijft het pand tot 1976 in eigendom van zijn weduwe A.W.A. de Meulder-Takkenberg. Na de sloop van de villa verrees op deze plek het ”glazen huis” van architect Wiel Arets.

6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”

 

T.b.v. de aanleg van een rotonde op de hoek Zwarte Laan/Heereweg/Meer en Duin, wilde de provincie ZH de villa “Wildlust” slopen. Het was een karakteristiek pand en de plek had een heel oude historie (zie hieronder). Hoewel dit pand, zowel door de Monumentencommissie en ook door de VOL bouwkundige werkgroep als Gemeentelijk monument werd gewaardeerd, wilde het College zich om politieke redenen helaas bij de provincie niet inzetten voor het behoud van deze historische villa en werd de villa in 2008 niet in de lijst Gemeentelijke monumenten opgenomen.
De eigenares mevr. De Regt (toen 86 jaar) wilde in 2007 niet weg en daarom is de provincie een onteigeningsprocedure gestart. In eerste instantie werd geprobeerd dit pand op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten te zetten, maar Provincie en ook Gemeente Lisse wilden niet meewerken en ook is uiteindelijk de eigenares met de aanwijzingsprocedure tot Gemeentelijk monument gestopt.

In maart 2009 werd de villa met instemming van de Gemeente Lisse door de Provincie ZH gesloopt i.v.m. de aanleg van de rotonde, ondanks de herhaalde inzet van de Ver. Oud Lisse voor het behoud van dit monumentale pand. Ook het Cuypers genootschap werd door de Gemeente niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar (geen belanghebbende).Deze riet­gedekte Bollenvilla “Wildlust”, gebouwd omstreeks 1923, was gaaf en representatief voor de regio­nale geschiedenis van de bloembollenteelt en karakteristiek vanwege de situ­ering (gelegen aan doorgangsweg en omgeven door tuin met bomen en achter­land).

De provincie had in het kader van het Monumenten Selectie Project ten behoeve van aanwijzing als rijksmonu­ment, de villa bij gebrek aan voldoende waarden niet geselecteerd.
De Provinciale Adviescommissie Monumenten had eerder in 2004 in het kader van de aanleg van de onderhavige rotonde, het cultuurhistorisch belang van de villa met tuin getoetst aan de hand van de toetsings- en selectiecriteria voor aanwijzing als provinciaal monument. Geconcludeerd werd dat het niet aan deze criteria voldeed.

Oorspronkelijk waren er achtereenvolgend 3 verschillende huizen die de naam Wildlust droegen. De gesloopte villa was het derde huis met die naam.

In de 18e eeuw bestond Wildlust nog niet. Toen stond daar een boerderijachtig pand

De buitenplaats “Wildlust” was rond 1800 gebouwd en is op 2 augustus 1814 gekocht door “de Heer Casparus Henricus Wolff , chirurgijn en apothecar” te Lisse. (zie ‘t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg , blz. 61). Op 30 jan. 1819 koopt de heer Jacob Coenraad Temminck, een verdienstelijk dierkundige en later directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, van de eigenaar Casparus Henricus Wolff, de buitenplaats Wildlust voor 1000 Gulden.

De heer Temminck trouwt met de dochter van Marinus Smissaert, die in die tijd eigenaar was van Veenenburg. De heer Temminck overlijdt op 30 januari 1859 op 79 jarige leeftijd, en zijn weduwe blijft op Wildlust wonen tot haar dood in 1865. Haar tweede zoon Marinus Temminck, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd, verhuurt Wildlust aan Baron Snouckaert van Schauburg.

Marinus Temminck heeft het oude Wildlust gesloopt en vervangen door het landhuis Wildlust. Omstreeks 1890 verkoopt Marinus Temminck, het landhuis Wildlust aan de Graaf van Lynden (Meneer Jan), gehuwd met Gravin van Palland die later Keukenhof erft . Zij wonen er tot 1923, dan gaan ze naar Keukenhof. Cornelis Marinus Grullemans woont sinds 1900 tegenover Wildlust op de Heereweg 19, met bollenland erachter. In 1905 huurt Grullemans grote stukken land van de Graaf en in 1923 koopt de heer Grullemans het landhuis Wildlust en breekt het verwaarloosde huis tot de grond toe af. Hij maakt bollenland van het vroegere landgoed Wildlust.

Zijn zoon Karel (Cees) trouwde met Annie Speelman op 12 Mei 1925. Vader Grul laat op de hoek van het land van Grullemans een huis bouwen voor het stel: “Villa Wildlust”.

7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De zemelpoldermolen na de herbouw

Op 4 november 1999 werd door jongeren de Zemelpoldermolen in brand gestoken. Zie foto’s hieronder.

Met de melding van de vermoedelijke namen van deze vandalen heeft de Gemeente Lisse helaas niets gedaan.
Deze molen was oorspronkelijk een Rijksmonument. Een werkgroep o.l.v. buurtbewoner Hans Kok en Piet Balkenende heeft er samen met de Ver.Oud Lisse voor gezorgd dat de molen weer helemaal werd hersteld. De gemeente Lisse heeft een groot deel van deze kosten op zich genomen. Via allerlei inzamelacties heeft de werkgroep een substantieel deel aan de kosten kunnen bijdragen. Toch kreeg de molen door de vele vernieuwingen die in de molen zijn uitgevoerd niet meer de Rijksmonumenten status. De molen is wel een gemeentelijk monument.

8 Uitreiking van de penning

Naast het pogen om waardevolle panden van de sloop te redden werd ook ingezet op het waarderen
van initiatieven om waardevolle panden te behouden en verantwoord de restaureren. Het is een goed gebruik jaarlijks een pand te waarderen met een penning. Eerst hadden we penningen van de vereniging Hendrick de Keyser, de bekende Amsterdamse stadsarchitect , o.a. van de Westerkerk. Sinds 1992 reikt “Oud Lisse” penningen uit en zijn diverse panden door de vereniging geëerd.

De VOL erepenningen worden inmiddels al jaren gemaakt door Frans en Truus van der Veld.

Hoe kwam nu zo’n uitreiking tot stand. In de krant van april 1994 staat een artikel met in de kop Kanaalstraat 117, een sieraad in Lisse. De vereniging heeft dan net afspraken gemaakt voor de restauratie van het station. Dat is niet het enige aandachtspunt. Om de krant de citeren: “Uiteraard kijken de leden regelmatig rond in het dorp. Hun aandacht werd getroffen door een fraai gerestaureerd pand aan de Kanaalstraat 117”. Dat het pand opviel was niet verwonderlijk. Renate de Zwart, haar toenmalige partner en familie hebben maar liefst anderhalf jaar geklust. Een initiatief om met de penning van de vereniging te waarderen. Het pand dateert uit 1902. Bij de verkoop werd gesteld “verkeert nog in de oorspronkelijke staat”. Of dat als aanbeveling bedoeld was blijft de vraag, maar de kopers zagen een uitdagende klus voor zich. Helemaal oorspronkelijk was het huis ook niet, het oorspronkelijke aanzicht was niet helemaal terug te halen. De voorgevel bleef de oude indeling behouden.

Renate de Zwart, hoeveel stenen nog te gaan?

Wanneer je nu naar de woning kijkt heb je geen idee wat een gigantisch project het indertijd was om die voorgevel dat oorspronkelijke uiterlijk te laten behouden. De hele gevel werd eerst afgebroken. De oorspronkelijke stenen werden afgebikt waarna de voorgevel weer opgemetseld kon worden. In de afbraakperiode werd een briefje bezorgd met de vraag: “In de gevel van dit huis is een tegel geplaatst met de tekst ‘de eerste steen is gelegd door Marijtje van Houten….als u geen prijs stelt op de steen zou ik hem graag hebben omdat Marijtje van Houten mijn moeder was ”.

Renate de Zwart op de steiger tegen Kanaalstraat 117

Spijtig voor de dochter, maar de steen zit nog in de gevel. De dochter van Marijtje heeft een briefje gehad dat de steen netjes opgeknapt zou worden. In de hoop dat ze er nog vaak langs zou lopen en de steen dan zou kunnen zien. Dat kunnen we nu nog steeds. De steen zit naast de voordeur. Die gevel was maar een deel van de enorme restauratieklus die heel veel vrije uren en vakantiedagen heeft gekost. Het huis ziet ver perfect uit en is een voorbeeld van een pand dat gelukkig door enthousiaste mensen behouden is gebleven en op die manier onze plaatselijke geschiedenis levend houdt. En heerlijk wonen midden in het dorp. Op onze jaarvergadering zal opnieuw een initiatief voor een stijlvolle restauratie beloond worden met een penning!

8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004

Zie artikel van Guus Maas Geesteranus in die periode secretaris van de Vereniging Oud Lisse.

9. Hofje van Six blijft bestaan

Het hofje in oude tijden

Er is vanaf 2001 al heel wat te doen geweest over het Hofje van Six, genoemd naar de in 1741 door Jonkheer Pieter Six aan de diaconie geschonken fundatie voor de armen.

De panden van het “Hofje van Six”, inclusief het oorspronkelijk bij het hofje behorende sigarenmagazijn “Juliaantje” (Kanaalstraat 44), waren in 2001 aangewezen als gemeentelijk monument. Tegen dit besluit heeft de diaconie zich toen niet verweerd en ook geen beroep ingediend.
Wel heeft de eigenaar van Kanaalstraat 44 zich toen verweerd waarop de rechtbank in 2003 uitsprak dat de monumenten aanwijzingsprocedure door de gemeente niet correct was uitgevoerd , waardoor het pand op verzoek van de projectontwikkelaar in 2006 gesloopt werd en door een hoog pand (winkel met een appartement erboven) werd vervangen. De sloop van de resterende woningen van het hofje om de nieuwbouwplannen van de diaconie te realiseren dreigde toen ook.

 

De Vereniging Oud Lisse protesteerde en Mien Dol, die nog de enige bewoonster is van een van de 5 resterende hofjeswoningen van het Hofje van Six, (Kanaalstraat 34), verzamelde 500 protest handtekeningen! Maar de rechter bepaalde in 2010 dat het hofje door de bouw van het hoge pand er naast, niet meer monumentwaardig was en gesloopt mocht worden. De gemeente Lisse moest toen alsnog een sloopvergunning voor de hofjeswoningen afgeven aan de diaconie. De onderhandelingen van de diaconie met de gegadigden voor het hofje met de sloopvergunning verliepen echter moeizaam doordat door de economische crisis de een na de andere projectontwikkelaar afhaakte. Omdat de biedingen steeds lager werden hakte de diaconie de knoop in 2016 door om de bestaande hofjes woningen met het verkoopbedrag van Mien Dols pand grondig op te knappen omdat er genoeg belangstelling is voor de 4 hofjeswoningen. Mien Dol kon haar geluk niet op: “Ik ben de gelukkigste vrouw van Lisse” . Ook al zou ze na haar aanhoudende strijd tegen de sloop van het hofje niet meer in haar pand mogen wonen, dan nog is ze voor Lisse heel blij dat het karakteristieke Hofje van Six nu blijft behouden. Daar heeft Mien samen met de Ver. Oud Lisse jaren voor geknokt!

Terug naar info Over de VOL

Boek Familie Duineveld

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Het familieverhaal van Duineveld uit de Engel wordt beschreven door Harrie Duineveld uit Weesp.


Op 6 december 2016 kwam Harry Duineveld naar de inloop. Harry is geboren in Lisse, voor aan het Laantje wat beschreven wordt in het stuk over pastoor van der Vlugt. Harry is al in 1968 uit Lisse vertrokken en woont sinds 1977 in Weesp. Daar is hij actief in de Historische Kring Weesp. Het is natuurlijk heel uitdagend om je familieverhaal uit te zoeken, maar zeker ook een immense klus. Gelukkig was er veel materiaal bewaard gebleven en in archieven spitten wordt dan een hobby. Het resultaat mag er dan ook zijn. In september is het boek “150 jaar Duineveld in Lisse, 4 generaties aan de Heereweg” in eigen beheer uitgegeven. Oud Lisse mocht zich gelukkig prijzen om een exemplaar van Harry Duineveld aangeboden te krijgen. Eric Prince nam het boek in ontvangst. Het is een heel fraai uitgegeven, rijk geïllustreerd boek. Er was nog een beperkt aantal exemplaren te koop. Tijdens de inloopochtenden is het boek ook in te zien. Zeker voor de mensen uit de Engel zal het een feest van herkenning zijn.

DE ONDERGANG VAN HET BOLLENLABORATORIUM

Guus Maas Geesteranus,oud bestuurslid, vemeldt alle wetenswaardigheden rondom de sloop van het Laboratorium voor Bloeembollenonderzoek.

Door Guus Maas Geesteranus

Dit artikel staat gedeeltelijk in het Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

 De oude Romeinen hadden er al een gezegde voor: Sic transit gloria mundi.

Zo vergaat ’s werelds roem. Wat was er aan de hand?

Op 2 december 2003 besluit het College van B&W van Lisse het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te schrappen van de gemeentelijke monumentenlijst, waarop het pand sinds 1999 stond. Toen namelijk bekend werd dat de bloembollenveiling CNB Lisse dreigde te verlaten, heeft de gemeente in haar streven om het bedrijf binnen de gemeentegrenzen te behouden, CNB een leeg en vlak terrein aangeboden, terwijl daar genoemd gemeentemonument opstond. Zowel de Monumentencommissie als de Vereniging Oud Lisse maken bezwaar hiertegen en adviseren de gemeenteraad niet in te stemmen met het besluit, het pand op de lijst te laten staan en niet te laten slopen.

Het bezwaar berust op twee argumenten: cultuurhistorisch en bouwhistorisch.

Cultuurhistorie

Egbertus van Slogteren,
(*1888-†1968)

In het begin van de vorige eeuw had de bloembollensector te kampen met ziektes in verschillende bolgewassen. De handel in narcissen naar Amerika stokte, omdat men daar bevreesd was voor import van plantenziektes. De bollenstreek ervoer deze handelsstop als een enorm probleem. In overleg met Ministerie van Landbouw werd besloten in Lisse een laboratorium voor bloembollenonderzoek te bouwen, in te richten en te bemannen, onder leiding van de Wageningse hoogleraar van Slogteren. In dit laboratorium kon worden aangetoond dat de plantenziekte van de narcis geen bedreiging kon zijn voor de Amerikaanse markt. Hierop herleefde de handel met Amerika. Daarnaast ontwikkelde het lab methoden van behandeling en keuring van verschillende bolgewassen waarmee exportkwaliteit kon worden gegarandeerd. Ook de Japanse markt kon aan het eind van de vorige eeuw geopend worden doordat de sector zo’n keuringsdienst bezat. Men kan dus zeggen dat de huidige bloembollensector zijn bestaan heeft te danken aan de ontwikkelingen die in het lab tot stand zijn gekomen.

Bouwhistorie

Laboratorium voor Bloembollenonderzoek

Het ontwerp van het lab is van Rijksbouwmeester C.J. Blaauw en verwant met drie eerder door hem ontworpen laboratoria op het terrein van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Alle vier panden kunnen tot de zgn. Amsterdamse School gerekend worden. De drie laboratoria in Wageningen zijn tot rijksmonument verheven.

Op 18 december 2003 gaat de gemeenteraad akkoord met het schrappen van het lab van de monumentenlijst en de verkoop van het terrein aan CNB. Meteen de volgende dag vraagt de eigenaar van het pand, de Universiteit van Wageningen, een sloopvergunning aan, die enkele dagen later door de gemeente wordt verleend. Publicatie van de aanvraag in de Lisser is op 31 december, een dag waarop de oliebollen meer aandacht krijgen.

Alert reageert de Vereniging Oud Lisse (VOL) begin januari door een bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente tegen sloopvergunning en tegen het schrappen van het lab van de gemeentelijke monumentenlijst als ook een verzoek bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg om het pand aan te wijzen als rijksmonument. Het verzoek wordt in behandeling genomen waardoor de sloopvergunning voorlopig wordt geschorst tot de uitspraak heeft plaatsgevonden.

CNB blijft in Lisse

Het onderwerp heeft nu alle aandacht van de gemeenteraad en het VOL-bestuur krijgt de gelegenheid in de raadsvergadering van 29 januari 2004 zijn bezwaren toe te lichten. Ook VOL vindt het een goede zaak dat CNB als onderdeel van de bloembollenhandel behouden blijft voor de Duin- en Bollenstreek. Dit past binnen de doelstellingen van het Pact van Teylingen, een overeenkomst die ook VOL onderschrijft. Maar niet ten koste van een gemeentelijk monument. Pogingen om CNB te bewegen het gebouw op te nemen in hun bouwplannen zijn door het bedrijf afgewezen en door de gemeenteraad niet serieus besproken.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift wordt het VOL-bestuur uitgenodigd voor een hoorzitting (2 feb.) en een informeel gesprek met burgemeester en wethouder Schuijt (3 feb.). Op 4 feb. verklaart B&W beide bezwaarschriften ongegrond. Wel wordt de sloopvergunning ingetrokken (voorbescherming) omdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) het verzoek van VOL in behandeling heeft genomen. Op grond van de RDMZ-procedure wordt de Lissese gemeenteraad om zijn mening gevraagd. Die heeft zich laten adviseren door een onafhankelijke deskundige, ir. M. Verweij, adviseur op het terrein van gemeentelijk monumentenbeleid. Hij acht het voormalig laboratorium van historisch en architectonisch belang en bepleit het gebouw in enigerlei vorm te behouden.

In verband met de lopende procedures stopt CNB de voorbereidingen voor de nieuwbouw op het aangeboden terrein en geeft de gemeente gelegenheid om uiterlijk 1 september 2004 met een visie te komen als het voormalig bloembollenlaboratorium een rijksmonument wordt. Het bedrijf wil weten hoe de gemeente Lisse denkt zijn verplichtingen, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst, te kunnen voldoen.

Het lot bezegeld

In augustus 2004 wijst RDMZ het VOL-verzoek af, maar benadrukt dat het pand zeker de status van een gemeentemonument waard is. Met deze afwijzing staat de weg voor slopen en CNB-nieuwbouw open als niet een nieuwe partij op het toneel verschijnt. Onafhankelijk van VOL dient het Cuypersgenootschap (Vereniging tot het behoud van negentiende- en twintigste-eeuws cultuurgoed in Nederland) een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van RDMZ en tegen de sloopvergunning van gemeente Lisse. Ook dit bezwaarschrift wordt in februari 2005 afgewezen.

Daarmee is het lot van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek definitief bezegeld en blijkt ook wat eens ’s werelds roem was vergankelijk kan zijn.

 

We ontvingen n.a.v. dit artikel een reactie van de heer Maarten Timmer.
Hij schrijft:

Maas Geesteranus schrijft een boeiend verhaal over de ‘ondergang’ van het LBO en besteedt ook aandacht aan de stichting ervan. De ironie van de geschiedenis wil dat de aanleiding niet was dat het buitenland Nederlandse narcissen wilde weren vanwege de import van plantenziekten maar dat het juist de Nederlandse telers waren die de import van buitenlandse bloembollen wilde belemmeren, althans binden aan een ‘keuring door een officieel deskundige’. Het was een voorstel van de afdeling Sassenheim aan de algemene ledenvergadering van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) die op 19 mei 1916 plaatsvond. Ze kwamen daartoe omdat het aaltjesziek in vooral uit Engeland geïmporteerde narcissen daar vreselijk huishield. Niet alleen daar, de hele Zuidelijke Bollenstreek leed eronder. Voorzitter van de AVB Ernst Krelage was beducht dat als dit voorstel zou worden aangenomen het buitenland tegenmaatregelen zou nemen in de vorm van exportbelemmeringen. Daarom haalde hij de angel uit de motie door voor te stellen eerst maar eens onderzoek te doen naar die ziekte. In die tijd was ir. K. Volkersz de rijkstuinbouwconsulent en directeur van de school en hij vatte in een lezing op 26 juni 1916 voor 150 belangstellenden de stand van zaken samen en kwam tot de conclusie dat het beste was aan de minister van Landbouw te vragen een phytopatholoog in de Bollenstreek aan te stellen voor nader onderzoek. Hij had zo’n constructie al in 1914 besproken met de prof. J. Ritzema Bos, directeur van het Instituut voor Phytopathologisch Onderzoek (IPO), onderdeel van de Wageningse Rijks Hogere Land- Tuinbouw en Boschbouwschool (RHLTBS). Die onderzoeker zou dan ruimte krijgen in de school. Door bezuinigingen op de rijksbegroting ging het toen niet door. Maar nu trokken Krelage en Volkersz samen naar Den Haag en wisten nu wel geld los te krijgen. Omdat Ritzema Bos niet zo gauw een onderzoeker kon vinden schakelde Krelage zijn netwerk in. In die tijd was hij ook secretaris van het bestuur van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten waarvan prof Went voorzitter was (ook wel de ‘paus ‘van de Nederlandse botanie genoemd). Hij gaf Krelage een lijstje met vijf geschikte kandidaten en daaruit pikte in januari 1917 Ritzema Bos E. van Slogteren uit. Na zijn promotie (cum laude) op 29 maart werd hij op 12 april 1917 aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar bij het IPO en gedetacheerd in Lisse. In maart 1918 ‘promoveerde’ de RHLTBS tot Landbouwhogeschool en die LH kreeg in 1920 de benodigde gelden van het ministerie om een Laboratorium voor Van Slogteren in Lisse te bouwen.

Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in vol ornaat, tussen bollenvelden en de proeftuinen naast de net zo vermaarde Rijkstuinbouwschool. Rechts zien we hoe op 17 februari 1928 de brandweermannen hun best doen om de brand te blussen. Twee jaar later was de schade pas hersteld en op 13 februari 1930 was de feestelijke heropening.

 

De Kromme Elleboogsteeg

Lisse had een eeuw geleden een straat die Kromme Elleboog heette.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


In heel veel dorpen en steden komen we ze tegen, de straatnaamborden met erop de Kromme Elleboogsteeg. Mijn vader zei nog wel eens dat hij even naar de Kromme Elleboogsteeg ging als hij bij iemand in de Wagendwarsstraat moest zijn. Om die reden dacht ik tot voor kort dat het een rare bijnaam was voor de Wagendwarsstraat.
Nog niet zo lang geleden kregen we bij de Vereniging Oud Lisse een e-mail van iemand waarin die schreef, zich nog te kunnen herinneren dat het straatnaambordje aan de muur in een doorgangetje schuin tegenover het huis Rosendaal de naam droeg van “Kromme Elleboogsteeg”. Natuurlijk dacht ik dat die meneer abuis was en zich dat zou inbeelden. Toch maar onderzoeken, want ik wil wel het naadje van de kous weten. Nu we het toch over kousen hebben, het volgende: zo kreeg ik te horen dat ze dat steegje ook wel gekscherend de “Sokkensteeg” noemden. Deze bijnaam kreeg het gangetje vanwege het feit dat daar altijd een dame driftig sokken zat de breien. (hierover straks meer) Ook kreeg ik wat krantenknipsels toegestuurd waarin gemeentebesluiten werden vermeld die te maken hadden met onze eigen Lissese Kromme Elleboogsteeg. Dus de beste man had gelijk, Lisse heeft een eeuw geleden een echte officiële Kromme Elleboogsteeg gehad. Geen bijnaam dus, het doorgangetje van de Heereweg naast de aloude bakkerij van Vermeer was de Kromme Elleboogsteeg! Er moeten nog wat huisjes hebben gestaan in het steegje, want het Leids Dagblad meldde op 9 november 1927 dat er machtiging werd verkregen om die huizen te slopen.

Rioolwerkzaamheden in de Kromme Elleboogsteeg

De prachtige foto hier boven laat zien hoe ze met rioolwerkzaamheden bezig zijn in het bewuste steegje. Links de man met de “Ted de Braak snor” is bakker Cornelis Vermeer met naast hem een bakkersknecht, de jongen en het meisje zijn kinderen van Vermeer. De man met de vuist op de heup is de opzichter de hr. Witsenburg, de voorste man in de sleuf is Teun Opdam de tweede man is ene Augustien de achterste werkman is J. Baak. De dame die net om het hoekje meekijkt is Geertruida Balkenende al heel jong weduwe van J.P. Bemelman. Met stellige zekerheid kan ik u meedelen dat zij het “breivrouwtje” is waardoor het gangetje ook wel de “Sokkensteeg” werd genoemd. Het is bekend dat zij altijd aan het breien was en inderdaad lange heren-en jongenssokken van dun zwart garen. Zij woonde in 1923 op Wagendwarsstraat 1. De Nieuwe Leidsche Courant van 6 mei 1922 noemt dat stukje de verlengde Wagendwarsstraat geboren Kromme Elleboogsteeg. De “J.P. Bemelman schilder” (zie naambord op foto) was de zoon van Geertruida en J.P. sr. Deze was getrouwd met Helena van der Weijden die in navolging van haar schoonmoeder de breitraditie in ere hield. Andere benamingen voor dit soort steegjes zijn Kromme Ellepijp en ook wel Kromme Spaakbeen. Krom omdat er een knik of een bocht in zat! Je kon toen nog niet rechtstreeks de Wagendwarsstraat in kijken. De rare naamgeving is ook best logisch te verklaren want als iemand op de Heereweg de weg vroeg naar b.v. de weduwe Bemelman, dan ontkwam je er niet aan om te wijzen met een kromme elleboog. Nog zo een oud krantenberichtje van 9-11-1927 uit het Leidsch Dagblad bericht ons over de Kromme Elleboogsteeg, maar ook over de Kapellenwei, de Stationsweg en de poort van Kleef. Over de poort van Kleef wil ik het een volgende keer hebben. Heeft u nog onbekend materiaal over dit fenomeen? Zou u dat dan met ons willen delen?


Bron vermelding:

Foto van het straatje uit de verzameling van Joke Vermeer

Krantenknipsels geleverd door Jasper van ‘t Wout Naam ‘Sokkensteeg” Anekdote via Ab Moolenaar

Gegevens familie Bemelman en het “breivrouwtje” Laura Bemelman

Bestraten Berkhout tot de Heereweg 1725

In 1723 werd de Heereweg bestraat Twee jaar later werd de weg naar landgoed Berkhout bestraat.

door Dirk Floorijp

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Binnen een paar jaar heeft het dorp Lisse een totale gedaanteverwisseling ondergaan. Werden er daarvoor door de schout nogal eens boetes opgelegd en tal van aanmaningen afgegeven vanwege het vele afval dat op en langs de straat werd gedeponeerd, nu was het aanzien een stuk aantrekkelijker geworden, ook in het belang van de doorgaande route van Den Haag naar Haarlem en Amsterdam. Tevens voor tal van buitenplaatsen in en rondom Lisse.
Het begon in 1723. Toen werd de Heereweg in het dorp bestraat. Voorheen waren het allemaal zandwegen. Iedereen die aan de Heereweg woonde moest daar verplicht aan mee betalen. Twee jaar later, in 1725, werd besloten om twintig roeden in de rijweg op Berkhout te bestraten tot de Kruijsweg hoek Kanaalstraat/Heereweg tot de huijsinge van Claas Jorisse ’s Gravenmade. Claas Jorisse vinden we terug op de lijst in 1723 waar hij meebetaalde aan de straat voor zijn huis aan de Heereweg. Hij zal dus bij de kruising van de Heereweg, Kanaalstraat, Stationsweg nu Berkhoutlaan gewoond hebben.

Hier, in 1725, echter geen verplichting, want de weg werd bestraat vanuit giften: -Bij Claas Jorisse ’s Gravenmade was de Heereweg al bestraat en werd het dus een aansluitend geheel. -In hetzelfde jaar was op Berkhout de eigenaar sijne excellentie den heer luitenant generaal Jan Albregt von Barner overleden. Op speciaal verzoek, zelfs tot aan het Hof van Holland, werd dispensatie verleend om begraven te worden op zijn eigen landgoed Berkhout en niet in of bij de kerk. Uit de boedel werd 60 gulden geschonken. -Verder de Heere van Heemskerck dertig gulden, de heeren Nicolaas ende Pieter Tjark tien guldens ende van andere ingesetenen en ingelanden van Lisse, tesamen 120 guldens en 8 stuivers.

De betalingen

Betaald aan Adriaan Groenevelt, steenkoper tot Koudekerk over leverantie van tot bestraten van de rijweg op Berkhout 89 gulden 12 stuivers. – Aan Benjamin Jochemse Stellingwerve, stratenmaker over arbeijdsloon van het leggen van een steenstraat op Berkhout voorz: lang twintig roede, bedragende volgens quitantie 17 gulden.

  • Betaald aan de navolgende arbeijders, over arbeijdsloon van het uijtgraven, van sand, ende gelijkmaken van de rijweg tot het leggen van een steenstraat op Berkhout:

De inwoners werden ook verplicht de straat voor hun huis schoon te houden. Dat waren ook de uitwerpselen van al het vee, koeien, varkens en paarden die door het dorp trokken. De paarden van de vele ruiters en postkoetsen lieten het nodige achter!

In 1732 verscheen van ABRAHAM RADEMAKER (1660-1735) een uitgave met gravures getiteld:
Rhynlands fraaiste gezichten; vertoonende alle deszelfs Lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen, waar Berkhout uiteraard in voor komt.
Pentekening CORNELIS PRONK (1691-1759)
Pronk werkte wel in opdracht van Andries Schoemaker. Schoemaker maakte een zogenaamde atlas met uitgebreide omschrijvingen en tekeningen van plaatsen uit alle toenmalige provincies.
Bronnen

Huygens, Lodewijck : Spaansch Journaal, 1665; bewerkt door M.Ebben, Utrecht, 2005. Fockema, Andrea : Kastelen, ridderhofsteden en buitenplaatsen in Rijnland, 1974 ; blz. 69 – 70. Hulkenberg A.M. : ’t Roemwaard Lisse, 1971 ; blz. 20 – 21. Haardsteegeld Lisse, 1666. Decreten en Rekesten van het Hof van Holland. Biografisch Woordenboek van Nederland. PRO – GEN \ data \ LISSE. GA Lisse inv.nr.37 Werkgroep genealogie met dank aan Alfons Verstraeten

SMEDEN VAN LISSE

De eerst  vermelde smid in Lisse Jan Dirckzn kocht in 1586 een huis. Deze smid  en de latere smeden van van Lisse komen aan de orde.

Door Arie de Koning

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

Sinds de mensheid metaal is gaan gebruiken voor gebruiksvoorwerpen welke langere tijd mee moesten gaan en daarom sterk moesten zijn, zijn er mensen geweest welke deze metalen voorwerpen vervaardigden. Deze metaalbewerkers namen daarom een heel belangrijke plaats in de vroege samenlevingen in. Ieder dorp had wel een smid, welke met vuur en vonkenspattend metaal zo rechtstreeks uit de hel scheen te komen. Gerespecteerde lieden welke om hun vakkennis beoordeeld werden en niet door geloof of anderszins. Hij was in feite onmisbaar, immers de smid vervaardigde het benodigde gereedschap voor de boeren, schoenmakers, kuipers, molenmakers en timmerlieden. En uiteraard was de smid onmisbaar voor het leger voor het vervaardigen van allerlei wapentuig of belegeringsapparaten. Ook in vroeg Lisse zal er dus een smid aanwezig zijn geweest, meestal was er eerder een smid dan een bakker bij stichting van een dorp en schrijver dezes is benieuwd of we daar sporen van terug kunnen vinden. Om tot een resultaat te kunnen komen moest er eerst behoorlijk wat worden ingelezen en de conclusie was duidelijk; in Lisse heeft inderdaad de smid een zeer prominente rol gespeeld. De vroegste welke gevonden is wordt vermeld in een transportakte gedateerd 15 mei 1586 waar gesproken wordt over de schuld van ene Jan Dirckszn, smid te Lisse welke een huis had gekocht. Op 3 en 27 juli 1586 wordt er in een transportakte ook gesproken over een hoefsmid en wel Jan Dirckszn Vougel in verband met de aankoop van hetzelfde huis. Nou het lijkt mij dat dit één en dezelfde persoon betreft. Jan Dirckszn Vougel heeft zich dus in dat jaar in Lisse gevestigd. Of hij een bestaande smederij kocht of een nieuwe heeft opgezet is niet bekend. Hij kocht het huis en erf van Weyntje Claesdr. weduwe van Cornelis Doedeszn Sonnevelt. Wel wordt vermeld waar het bewuste huis zich in Lisse bevind. …belend NW het Wevers erf, NO Willem Thomaszn, ZO de Graftweg en ZW het Groenevelt van ‘t Dorp…… Nou dat verklaart een boel. Op de plaats van het Groenevelt van ’t Dorp is later de Agatha kerk gebouwd. Lezend door de akten waar onze smid in voorkomt blijkt op zijn erf zich ook een appelboom te bevinden. Op 16-11-1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse dat Jan de smid samen met Cornelis Pouwelszn Schouman, zijn buurman, het huis van weduwe van Adriaen Corsteman heeft gekocht. Het bijzondere hieraan is dat dit huis bekend staat als het “verbrande huis van Lisse”. Het verbrande huis wordt klaarblijkelijk herbouwd want in mei 1590 blijkt Jan Dirckszn Vougel, smid, schuldig aan Cornelis Dirckszn Larum, zes gulden per jaar met hypotheek op een nieuwe “camere” met erf op dezelfde belendingen als zijn eigen huis. En dat klopt want op 23 januari 1591 verkoopt onze, inmiddels van meestertitel voorziene smid, aan Cors Corneliszn Cluft een nieuwe camere met erf gelegen in het Dorp van Lisse. Dat, heel vreemd, wordt volgens afspraak op 23 december van datzelfde jaar weer terug verkocht aan Mr Jan Dirckszn Vougel, hoefsmid te Lisse en wordt hij drie dagen later verkocht aan Reyn Wiggerszn van der Blesch, een kleermaker. We komen Jan de smid nog wat keren tegen in de Rechterlijke Archieven zo ook op 10 oktober 1597 als blijkt dat Mr. Jan Dirckszn Vougel, smid van deze Ambachte schuldig is aan Jacob Floriszn van Heemskerk drie gulden per jaar met hypotheek op een huis en erf waar hij tegenwoordig het smeedambacht gebruikt, belast met drie gulden per jaar tbv Cornelis Dirckszn van Larum. Hieruit blijkt de grote vakkennis van Jan want een titel als “Smid deser Ambachte” betekende dat alle smeedwerk welk van overheidswege werd uitbesteed in het gehele Ambacht Lisse aan hem werd gegund. “Oude” Jan Dirckszn Vougel, meester smid te Lisse trouwde met Maritge Jorisdr en kreeg van haar zes kinderen, Dirck, Cornelis, jonge Jan, Harmen, Maritge en Machtelt. We weten met wie de meisjes trouwden: Maritge trouwde met Cornelis Corstiaenszn Cluft en Machteld trouwde met Reynier Adriaenszn. Toen zijn vrouw Maritge Jorisdr overleed hertrouwde Jan met Pietertje Claesdr. Hij is overleden in 1623 te Lisse.
Op 10 april 1625 vinden we pas weer een smid in Lisse als we lezen in een transportregister dat de erfgenamen van Maritge Dircksdr, weduwe van Jan Jacobszn Doncker, een huis en erf groot 16 roe gelegen op de hoek van de Lageweg en Heereweg verkopen aan Gerrit Hendrickszn. hoefsmid. De genoemde Lageweg werd ook wel oude Veenderslaan genoemd en is tegenwoordig de Stationsweg, zodat wat duidelijker wordt waar deze smid zich vestigde. Lezend door het archiefboek vinden we dat hij op 12 april 1633 nog steeds daar woonde maar op 19-07-1638 blijkt uit de belendingen dat hij een stuk is op geschoven en nu aan de Heereweg woont. De exacte locatie is nog niet in beeld te krijgen maar vast staat dat hij aan de Heereweg woont met aan de westelijke kant het “Berckhouter Duijntje” in de Oostgeest welke nog niet was afgegraven. Dan pas op 6 mei 1659 wordt gewag gemaakt van een nieuwe smid in Lisse als deze van Jan Corneliszn, timmerman, een huis en erf gelegen aan de Broekweg koop voor 366 gulden contant en een schuldbrief van 732 gulden. Zijn naam is Hendrik Corneliszn van Limmen smid te Lisse. Niemand weet waar hij vandaan komt, misschien uit Limmen, maar dat geeft niets, Lisse had weer een smid. Hij trouwde met Maria Jacobsdr Hofbergen en drie dochters en één zoon staan vermeld in het archief van Lisse.
In 1673 waren de Staten van Holland in grote financiële nood vanwege oorlogen met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Er was dringend geld nodig voor het leger en de vloot. Er werd besloten dat iedereen naar draagkracht een belastingheffing zou moeten betalen welke geïnd zou worden door de Schout Hanart van Gorcum c.s. We lezen in het “Generael Quohier van ’t familiegelt over alle de dorpe geleegen onder Rhijnlant” dat ook Hendrik Corneliszn van Limmen, smid te Lisse werd aangeslagen en zien dat hij in de laagste klasse werd ingedeeld en dus één stuyver moest neertellen. Hendrik was dus geen rijk man. Misschien aardig om te weten. “Somma van ’t familiegelth over Lisse bedraecht ‘sdaags 6 guldens en 19 stuyvers”. Het bleek genoeg om de oorlogen af te wenden en Holland haalde weer vrijuit adem. Op 21 juli 1693 overleed Hendrik de smid in Lisse. Niet bekend is welke leeftijd hij bereikte. Van opvolging is geen sprake geweest want zijn enige zoon, Jacob overleed jong en werd op 11 januari in Lisse begraven. Zijn vrouw Maria Jacobsdr Hofbergen werd op 5 april 1715 begraven in Lisse.
Inmiddels had zich een nieuwe smid in Lisse gevestigd, Harmen Janszn Schuerman, smid te Lisse, wordt op 5 mei 1722 vermeld als koper van een huis en erf met croft en boomgaard te Lisse. Hij kocht dit huis van de erfgenamen van Engel Corneliszn Brero en Catharina Cornelisse Westerbeek welk echtpaar het door verervng op 6 juni 1689 had verkregen. Gezien de belendingen welke in het document worden vermeld staat het huis aan de Heereweg, tegenwoordig genummerd met 208. Ook wordt vermeld dat de landen van het Berckhouter duin, welke zich aan de achterzijde van het huis bevinden inmiddels zijn afgezand. Harmen Janszn Schuerman was geboren in Noordwijkerhout en werd gedoopt op 29 maart 1687 in de Rooms Katholieke Kerk aldaar als zoon van Jan Schuerman en Grietgen Robbers van der Meulen. Harmen trouwde (1) met Jannetje Pietersdr Boon en kreeg van haar negen kinderen waarvan er een groot aantal zeer vroeg weer stierf. In 1728 hertrouwde Harmen als weduwnaar in Lisse met Sijmetje de Koning een jonge vrouw uit Delft. Van haar verkreeg hij drie kinderen welke allen vrijwel direct weer overleden. In 1747 hertrouwt hij weer als weduwnaar in Lisse met Maria Gerritsen de Zwart. Ook Maria overleefde hij en Harmen werd op 31-01-1759 in Lisse begraven.
De smederij kwam in het bezit van Abraham Leendertszn Koevoet, want we lezen dat op 20 januari 1781 ’t Lammetje Groen, huis, erf, plantage, opstal en ca 550 roeden grond verkocht wordt voor het bedrag van 1000 gulden. Koper is Abraham Leendertszn Koevoet, hoefsmid te Lisse. Hij kocht ’t Lammetje van de Hoogedele Vrouwe Mevrouw Maria Jacqueline Jeanne Tjark gehuwd met de Graaf D’Oultremont de Wégimont wonende in de Lande van Luijk. Abraham was gedoopt op 18-07-1747 in de Rooms Katholieke Kerk van Bergschenhoek. Op 8 november 1772 trouwde hij voor het Gerecht te Lisse met Maritje Pietersdr van Oerle en dezelfde dag werd het huwelijk ingezegend in de Roomsche schuilkerk te Lisse nabij het Mallegat. Koevoet was dus Rooms Katholiek en toch werd aan hem al het smidswerk van het Ambacht Lisse gegund door het dorpsbestuur. (Arie van der Zaal kreeg het timmerwerk en IJsbrandt van Wateringen het metselwerk). Hij moet dus een degelijk vakman zijn geweest want de gunning werd meestal aan Gereformeerde geloofsgenoten van het Protestantse dorpsbestuur gegund. Dit tekent ook de tolerantie van de bevolking van Lisse in die jaren in geloofsuitingen. Niet alleen werd er zonder mankeren een RK schuilkerk gedoogd maar men had ook respect voor elkaars opvattingen. Toen de Prins van Oranje in zijn functies werd hersteld in 1787 verscherpten de tegenstellingen zich weer, ook in het kleine Lisse.
Naar een reden moeten we gissen, Abraham was nog niet oud, 38-jaar, en zijn oudste zoon Leendert was pas tien jaar en dochter Cornelia negen jaar, maar op 26 mei 1785 verkoopt hij de smederij, omschreven als “eener huijs en erve, sijnde een van ouds zeer vermaerde en nog extra florissante en welbeklante hoefsmederije met eener croft daar achteraan, staande ende geleegen midden in den dorpe op de lange straat aan den Heerweg”. Er staat nog bij dat het totale perceel 98 roe groot is doch verongeldende voor 67 roe. Koper wordt Jan Schenk een jonge hoefsmid geboren op 4 mei 1744 in Valkenburg. De waarde van dit extra florissante pand was nu wel extra florissant omhoog gegaan. Er werd betaald 2975 gulden contant, overname van gereedschap volgens taxatie 156 gulden en 4 schellingen, aan belastingen: 40e Penning en 10e verhoging alles totaal voor 3255 gulden en dat was voor die tijd een boel centen. Jan Schenk was getrouwd op 16-05-1785 voor de wet en RK-Kerk in Warmond met Catharina ofwel Kaatje Lipman. Op 27 april 1787 wordt hun eerste dochter, Maria, geboren en op 14 mei 1789 wordt dochter Apolonia geboren. Beiden zijn gedoopt in de Agatha Kerk in Lisse. Zoons heeft het echtpaar niet gekregen en het is de knecht, Jan Balman, hoefsmid, welke getrouwd was met de oudste dochter Maria die de smederij overnam. Jan Balman was geboren op 09 januari 1788 in Hillegersberg. Jan Balman stierf al op 51-jarige leeftijd op 9 juni 1839 in Lisse. Zijn vrouw Maria Schenk heeft de smederij tot haar dood op 8 augustus 1846 voortgezet. De smederij werd overgenomen door de knecht Roelof Willem Pelle geboren op 30 januari 1824 in Vreeswijk en net als zijn voorganger trouwde hij met een dochter van de vorige baas, Marijtje Balman. Roelof Willem was ook een gedegen vakman en tevens was hij al dan niet gediplomeerd veearts. Hij is overleden op 25 mei 1878 in Lisse en op de 29e aldaar begraven. Zijn zoon Joannes Willem Pelle, geboren op 30 januari 1849 in Lisse, werd zijn opvolger in de reeks van smeden van Lisse. Hij had zijn eerste huwelijk op 25 september 1873 met Clara van der Vlugt een meisje uit Lisse. Ze was pas 34 jaar oud, toen ze op 27 mei 1883 in Lisse overleed. Daarop hertrouwde de jonge smid met Catharina Agnes Vreeburg uit Zoeterwoude. Met haar verkreeg hij vier kinderen waarvan twee volwassen zijn geworden, Rudolphus Wilhelm, geboren op 14 juli 1887 in Lisse en Petronella, geboren op 27 juli 1890 in Lisse.
Helaas liet de gezondheidstoestand van de smid het zware werk niet meer toe zodat hij gedwongen werd te stoppen als smid. In de zomer van 1896 is het gezin Pelle uit Lisse vertrokken en vestigde zich in de Haarlemmerstraat 267b te Leiden en werd slijter in gedistilleerd. Hij is in januari 1922 in Leiden overleden en zijn vrouw was hem vijf jaar eerder voorgegaan.

De smederij werd op 14 september 1896 verkocht aan Pieter Dirk Schouten voor 7800 gulden en de centen moesten volgens zijn zoon Jan “voor de hel vandaan gehaald worden”. Pieter Dirk was geboren op 27 december 1859 in Leiden. Hij was getrouwd met Wouterina van der Zwets uit ’s Hertogenbosch en had een aantal kinderen. Voor het eerst in zijn bekend bestaan was de smederij in Protestantse handen gekomen. Alle eigenaren voordien waren namelijk van Katholieke huize.

’t Vierkant in 1812

Nu nog is herkenbaar waar de smederij zich al die eeuwen heeft bevonden aan de Heereweg. We nemen hiervoor een schets van de situatie zoals deze was in 1812. Het zwart gearceerde vlak is de smederij. Rechts naast de smederij staat een kleiner pand wat teruggetrokken van de Heereweg. Hierin woonde de emeritus predikant ds. Johannes Stoelendraaijer. Toen deze in 1857 overleed, werd er een winkeltje in gevestigd annex woonhuis eigendom van de op 18 maart 1797 in Lisse geboren Maartje Albertsdr de Haan. Het plaatsje ervoor is pas veel later bebouwd en daarin is nu een cateraar gevestigd. Maartjes winkeltje had een groot bord boven de winkeldeur wat vermeldde wat zij zoal verkocht; “sterke drank, kruidenierswaren, koffie, thee, tabak, snuif, zout zeep te koop” met daaronder nog “M. de Haan”. Maartje was de ongehuwde dochter van Albertus de Haan en Neeltje van Duuren en zij is overleden op 14 februari 1869 in Lisse. Zij werd opgevolgd door haar naamgenoot en nichtje Maria Cornelia de Haan, in 1835 in Koudekerk geboren, gehuwd met Johannes Dorrepaal uit Katwijk. Later trok het echtpaar naar de Broekweg en kwam in het oude winkeltje Hugo Scholten, ook een winkelier. Wanneer is niet duidelijk, maar vóór 1893 werd op het plaatsje voor het winkeltje van juffrouw de Haan een huis gebouwd, pal voor het huisje en de winkel van Maria Cornelia de Haan. Het pleintje werd totaal volgebouwd. Het was eigendom van smid Jan Pelle die het voor zijn vertrek uit Lisse verkocht aan Cornelis Caspers, een in Katwijk geboren vleeschhouwer getrouwd met Anna van Paridon. Opeens was er een slagerij. Om bij de slachtplaats te komen hadden de koeien recht van overpad door de smederij. Dit recht was opgenomen in de koopakte. Men kan zich de ravage indenken wanneer een aantal zenuwachtige koeien op weg om geslacht te worden door een werkplaats wordt gejaagd. Volgens een ooggetuige “scheten ze de hele boel onder”. De kalveren gingen gewoon door de gang van de woning. Dit pand is jarenlang Slagerij Caspers gebleven. Nu is er gevestigd Van der Hulst Catering. Het volgende pand naar rechts is de boerderij en bakkerij van Rotteveel. Later was daarin bakkerij Freriks gevestigd, wie kent die niet. Achter dit pand stonden ook nog een aantal kleine arbeidershuisjes in de volksmond genoemd ‘t ”Rottenest” bereikbaar via een lange smalle gang aan de linkerzijde van het pand. Aan de overzijde van de straat was rond 1860 de zadelmakerij van Aart Pieterszn Tibboel. Hij was getrouwd met Kaatje van Garsten en had een groot aantal kinderen.

Aan de linkerzijde van de smederij bevond zich een pand wat al in 1633 eigendom werd van de Hervormde Diaconie. Hier woonde en werkte de in 1847 in Noordwijk geboren groentenwinkelier Wout van Oosten alias Wout Knar. Zijn uitventwagentje werd achter de winkel gestald in de Lindenbuurt ofwel de Snertwerf. Hij was getrouwd met Aagie Warmerdam alias juffrouw van Oosten. Nog meer naar links bevond zich de wagenmakerij van Jacobus Cornelis van Riek.
Terug naar de oude smederij. Ja oud was hij zeker. In 1900 heeft Pieter Dirk Schouten de oude smederij geheel gesloopt en vervangen door een modern pand. In 1913 is er zelfs nog een verdieping op geplaatst. De zaken gingen buitengewoon goed en Schouten was een begrip in de hele regio.

Op 1 januari 1914 namen de twee zoons Dirk en Jan de zaak over onder de naam “Gebroeders Schouten, Herstelplaats voor Stoom en Landbouwwerktuigen”. Vader Schouten, in ruste in zijn geboortestad Leiden, overleed op 2 maart 1950 in Leiden. Na 25 jaar samenwerking zijn de broers in 1939 uit elkaar gegaan. Dirk vestigde zich aan de Kanaalstraat en Jan bleef aan de Heereweg. In 1956 is Jan Schouten wegens gevorderde leeftijd en gebrek aan opvolging gestopt met zijn zaak. Hierna zijn er een kledingwinkel, houthandel, koffieshop en hoorwinkel in gevestigd geweest. De aloude smederij is niet meer.
Bronnen: Rechterlijk Archief Lisse Notarieel Archief Lisse Resolutieboeken van Schout en Burgemeesteren van Lisse Genealogisch Archief V.O.L. Regionaal Erfgoed Leiden

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

DE FAMILIE MARSEILLE

Hendrik Marseille overleed in 1939. De eerste in Nederland wonende Marseille  is rond 1670 geboren in Clermond in Frankrijk en overleden in Amsterdam in 1734.

door Marius Nieuwenhuis

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

 

Hendrik Marseille

Lisse telde in de loop der jaren onder zijn inwoners een groot aantal belangrijke mensen. Mensen die in Lisse, maar ook ver daar buiten, op veel terreinen van grote betekenis zijn geweest. Zoals bv. in de bollenwereld de heer D(irk) W. Lefeber, in de sport Egbert van ’t Oever en in de bouwwereld de architect Paardekoper. Een lijst die mogelijk met nog veel meer namen is uit te breiden. Allemaal mensen die nog jaren na hun acteren bekend bleven en waar nog lang met respect over gesproken werd en wordt. Lisse kent ook een andere categorie mensen die, hoewel ze van grote betekenis zijn geweest, in de vergetelheid verloren dreigen te gaan. Eén van die mannen was mijn grootvader van moeders zijde, Hendrik Marseille. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1939 verscheen er in de krant een artikel, waarin aldus over hem gesproken werd: ‘De heer Marseille, bij alle ingezetenen bekend, was op zijn 74-jarigen leeftijd nog zeer kras te noemen en was nog dagelijks bezig in allerlei zaken waaraan hij zich met veel ambitie wijdde. Hij was ook Notabel der Ned. Hervormde Gemeente en een lange reeks van jaren Voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur en Secretaris van de Gem. Brandweer. In de aannemerswereld had de overledene een klinkenden naam en stond zijn zaak algemeen bekend als een zeer solide’.

U kunt zich voorstellen dat ik met enige trots terugkijk op mijn grootvader, waarover ik helaas alleen heb horen spreken. Hij stierf al in 1939 en ik ben zelf geboren in 1946.

Hugenoot?

Maar waar komen de Marseilles oorspronkelijk vandaan? De eerste in Nederland wonende Marseille die ik in de archieven heb kunnen vinden was Pierre (de) Marseille(y). Hij moet plm. 1670 in Clermont in Frankrijk geboren zijn en is in 1734 in Amsterdam overleden. Hoewel niet zeker is het heel goed mogelijk dat deze Pierre als Hugenoot uit Frankrijk was gevlucht vanwege het feit dat hij als Calvinist (volgeling van Johannes Calvijn) door de Franse regering vogelvrij was verklaard en zijn leven in Frankrijk niet meer veilig was. In de 16e en 17e eeuw hebben honderdduizenden Hugenoten de wijk uit Frankrijk genomen, waarvan er plm. 70.000 in de Nederlanden zijn terecht gekomen.

Familie van huisschilders

Verschillende generaties Marseille hebben het beroep van huisschilder uitgeoefend. De eerste die als zodanig genoemd wordt is Albertus Marselje, in 1805 geboren te Haarlem. Zijn zoon Gerrit Marselje (geboren in 1827, ook huisschilder in Haarlem) is de stamhouder van de Marseilles die in Lisse terecht zijn gekomen. Gerrit had twee zoons: Hendrik en Albertus. Deze Hendrik (1856 – 1939) was mijn grootvader. Hij werd timmerman en had naast een zevental dochters slechts één zoon: Pieter Gerardus (1898). Albertus (1871 – 1939) is de grootvader van de heren Bert en Bram Marseille die nu nog in Lisse woonachtig zijn. Zoals bekend had deze Bert Marseille jarenlang een schildersbedrijf wat hij later overgedaan heeft aan Ype Daudeij.

Timmerman

De 28 jarige Hendrik met zijn eerste knecht Kobus van Biezen. Foto uit 1893

Mijn grootvader Hendrik is waarschijnlijk op het terrein van zijn vader en broer, achter de voormalige bakkerij van Vaneveld, aan de westzijde van de Heereweg, in 1893 aan het timmeren gegaan. In slechts enkele jaren moet dat bedrijf zijn uitgegroeid tot een timmerbedrijf van flinke omvang.

De reden dat ik in de inleiding gezegd heb dat mijn grootvader voor Lisse van grote betekenis is geweest heeft vooral te maken met alles wat hij in Lisse gebouwd heeft.

Bollenvilla’s

Zo werd in 1923 door mijn grootvader het bekende huis ‘In de bocht’ gebouwd in opdracht van de heer Bert van der Nat, toenmalig directeur van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen, destijds gelegen op de hoek Heereweg/ Julianastraat. In die tijd bestond de Von Bönninghausenlaan nog niet en stond dat huis inderdaad in de bocht. Van 1937 tot 1979 was deze villa de ambtswoning van de burgemeester. De architect van dit huis was de heer Leen Tol Sr.

 Huize Rutsbo

In 1925 werd door mijn grootvader de villa Rutsbo gebouwd in opdracht van de bloembollenkweker-exporteur Driehuizen. Het huis is vernoemd naar mevrouw Ruth Driehuizen-Heurgren. Mevrouw Driehuizen kwam van oorsprong uit Zweden. De naam Rutsbo betekent ‘woning van Ruth’. Bo is Zweeds en betekent woning. Ook deze woning, inclusief de achterliggende bedrijfsgebouwen, zijn getekend door architect Leen Tol Sr.

Von Bönninghausenlaan

Omstreeks 1935 is mijn grootvader begonnen met de bouw van de huizen aan de Von Bönninghausenlaan. Ik heb niet kunnen achterhalen of mijn grootvader eerst dat land wat waarschijnlijk tot die tijd in eigendom was van G. van der Mey’s Zonen zelf had gekocht. Er werden steeds blokken van vier huizen gebouwd. Kort voor zijn overlijden in 1939 was de Von Bönninghausenlaan gereed. Nog steeds is de Von Bönninghausenlaan een straat met prachtige degelijke en statige huizen, ook gebouwd onder architectuur van Leen tol Sr. Echt iets om trots op te zijn. Het moet, achteraf bezien, toch een hele onderneming geweest zijn om net na de crisis aan de bouw van deze woningen te beginnen. De enige zoon van mijn grootvader, de heer Piet Marseille, betrok na zijn trouwen in 1928 eerst tot 1935 het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 2 en daarna nr 10. Daar hebben ze gewoond totdat in 1939 mijn grootvader kwam te overlijden. Zijn weduwe, mijn grootmoeder, verruilde toen de ouderlijke woning aan de Heereweg nr. 157 met het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 10, samen met drie ongetrouwde dochters: Gerda, Rika en Rie (mijn moeder).

1927. Von Bönninghausenlaan moet nog ontwikkeld worden. Huis ‘In de bocht’ staat er al. Vooraan huize Veldhorst van G. van der Mey’s Zonen met omringend bollenland.

Grootmoeder Marseille kwam te overlijden in het voorjaar van 1943 en in december van hetzelfde jaar trouwde mijn moeder met Rudolf Nieuwenhuis. Vanwege het gebrek aan woningen in en kort na de oorlog bleven mijn ouders de eerste jaren bij de andere twee zusters op nr. 10 wonen. Zo kon het gebeuren dat dat huis ook het geboortehuis werd van mijn broer Ruud en van mij De twee overgebleven vrijgezelle zusters van mijn moeder Gerda en Rika waren in de hele streek bekend als de dames Marseille. Zij trokken er vanuit Von Bönninghausenlaan 10 per Solex op uit om menig klant van een eksteroog af te helpen.
De Von Bönninghausenlaan is genoemd naar Jhr. Paulus Frederikus Johannes von Bönninghausen tot Herinkhave (1858 – 1919) die van 1888 tot 1919 burgemeester van Lisse was. In die periode is de Agathakerk gebouwd (1902), de Kathedraal van de Bollenstreek.
Behalve het realiseren van bovengenoemde huizen en straat deed mijn grootvader ook het onderhoudswerk aan Kasteel Keukenhof voor de Graaf van Lynden. Of hij nog meer beeldbepalende bouwwerken in Lisse gebouwd heeft is me niet bekend.

Gefuseerd met Horsman

Mijn oom Piet had twee kinderen. Zoon Hein koos voor het ruime sop en dochter Hans vertrok naar Canada. Bij gebrek aan een opvolger besloot oom Piet in 1959 te fuseren met aannemer Horsman, onder de naam Horsman & Co en Marseille. Horsman was aan de Nieuwstraat uit zijn jasje gegroeid en kon zo gebruik maken van de ruimere locatie aan de Heereweg. Nog steeds meldt de firma Horsman op zijn website dat de zaak in 1893 is begonnen. Dat geldt dan alleen voor het deel Marseille. Horsman zelf werd pas kort voor de oorlog actief in de bouwwereld. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de firma Horsman een bouwbedrijf is waar we als Lissers trots op mogen zijn. Net zo trots als ik op mijn grootvader mag zijn. Naast zijn andere sociale activiteiten, zoals genoemd in het krantenartikel, mag ik toch met enige trots zeggen dat mijn grootvader Hendrik Marseille een prachtige bijdrage heeft geleverd aan ons mooie dorp. Dat zijn naam nog tot in lengte van jaren in ere moge blijven.

Stamboom van Marseille

 

De Conscriptie

Napoleon voerde in 1810 de algemene dienstplicht in om tegen de russen te vechten. Alle  jongemannen geboren in 1788 in oa Lisse moesten zich melden. Er waren uitzonderingen. Lisse moest 17 manschappen leveren. Zij moesten zich in de Witte Zwaan inschrijven. Namen en omstandigheden van de Lissese rekruten worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Als in 1810 Napoleon zich, ondanks alle gesloten verdragen, bedreigd voelt door de Russische tsaar Alexander en zijn legers, besluit hij de tsaar voor te zijn en met een enorme legermacht Rusland binnen te trekken en Rusland aan zich te onderwerpen. Hiervoor waren soldaten nodig, heel veel soldaten. In het diepste geheim begon hij troepen en materialen samen te trekken in Oost Pruissen om van daar uit Rusland binnen te trekken. Alle door hem veroverde landen, welke toen deel uit maakten van het Franse Keizerrijk, kregen bij Keizerlijk decreet de order soldaten te leveren. Zo ook in Nederland. Hiervoor werd de “Conscriptie” ingevoerd, wat vertaald betekent “Loteling”.
Hiermee werd de invoering van de algemene dienstplicht een feit, ook in Lisse. Heel Nederland was ingedeeld in Arrondissementen, naar Frans voorbeeld, en deze waren weer opgedeeld in Kantons, kleinere bestuurlijke eenheden. Lisse lag in het Arrondissement ” Département des Bouches de la Meuse”, ofwel Departement van de Monden van de Maas, en was begin 1811 de Hoofdplaats van het 11e Kanton Lisse.
Verplicht dienst nemen in Leger of Marine was altijd een niet te bespreken issue geweest in de Republiek en ook nu verwachtte men massaal verzet hier tegen. Maar buiten enige schermutselingen in met name de Zaanstreek werd de invoering van de dienstplicht gelaten geaccepteerd. Zo verscheen op de voorpagina van de Leydse Courant, ofwel “ Gazette de Leide” van 20 maart 1811, in zowel het Frans als in het Nederlands, de oproep te verschijnen door het navolgende, door de Prefect, Baron de Stassart, geplaatste bericht:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect der Monden van den Maas, heeft door eene Circulaire, geadresseerd aan den Heeren Maires van het Eerste Arrondissement (die van den Haag) de dagen en uuren van de Loting van de Conscriptie bepaald.”

G. de Stassart

De Prefect, Baron G. de Stassart

Voor het 11e Kanton, Lisse, gold dat de opgeroepen jongelieden zich op 22 maart 1811 om acht uur ’s morgens moesten melden in Lisse, om vervolgens in het Rechthuis van Lisse, “Logement de Witte Zwaan”, een lot te trekken uit de grote schaal met nummers. Alle jonge mannen welke in 1788 waren geboren uit de dorpen Warmond, Oegst- en Poelgeest, Rijnsburg, Voorhout, Noordwijkerhout, Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Sassenheim, Lisse en Hillegom, de Lichting 1808, werden met terug werkende kracht aan loting en keuring onderworpen. Om onder de dienstplicht uit te komen waren wat regels opgesteld. Was een Loteling voor februari 1811 gehuwd, werd hij vrijgesteld. Was hij de enige of oudste zoon van een weduwe, werd ook vrijstelling verleend. Ook kon men gebruik maken van een vervanger, de z.g. Remplaçant. Dat was iemand die zich voor veel geld bereid verklaarde om de plaats van de dienstplichtige over te nemen, meestal arme sloebers welke de koopsom heel goed konden gebruiken. Maar ook hier aan waren regels verbonden. Zo lezen we verder in de bovengemelde Courant:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect van het Departement der Monden van de Maas. Vermeend zyne onderhorigen te moeten waarschouwen, dat Myn Heer den Staatsraad, Directeur-Generaal der Conscriptie, beslist hebbende, dat de klassen voor gaande aan die van 1808, vrijgesteld zyn, zullende de opgeschrevenen, die zich willen doen vervangen,hunne plaatsvervangeners moeten nemen , onder de Mannen, die voor 1 January 1788 geboren zyn en het 30e jaar nog niet bereikt hebben. Zy moeten de lengte van 1 meter 649 millimeter ten minste hebben, van een sterke gesteldheid zyn, hoegenaamd geene gebreken hebben, in dit Departement geboren zyn. Zy moeten bovendien niet alleen tot geen schande of straffe ten lyve verwezen geweest zyn,maar nog een goede naam genietenen te dien einde een Certificaat van den Maire van hun verblyf inleveren, bewijzende hun zedelyk gedrag. De slegte keus der Plaatsvervangers,steld de vervangenen bloot dezelven ten hunne kosten van de Regimenten te zien terug gezonden en er anderen te moeten leveren. Zy waarborgen dezelven gedurende twee jaren.

Den Haag den 17 maart 1811.

G. de Stassart”

Een Remplaçant kopen was maar voor zeer weinigen weggelegd gezien de enorme kosten welke dit met zich meebracht. Was het in vroeger tijden een makkie om de pastoor of dominee om te kopen om een vervalst doopbewijs te verkrijgen, met de invoering der Burgerlijke Stand was dit onmogelijk geworden. Verder wordt in dezelfde Courant vermeld dat de Loting op 22 maart 1811 ten 08.00 uure in het Rechthuis te Lisse zal worden bestierd door de onder-Prefect van het 1e Arrondissement. Ook wordt beschreven dat het 1e Arrondissement in totaal 217 mannen zal moeten leveren waarvan het Kanton Lisse er 17 voor zijn rekening neemt. Het moet een drukte van belang zijn geweest die morgen op het lommerrijke Vierkant. Honderden jongemannen, zenuwachtig, misschien prikkelbaar, maar ook hongerig, zodat vermoedelijk de plaatselijke winkeliers en horeca een flink graantje mee pikten van het Loting gebeuren. In de Witte Zwaan was een lange tafel geplaatst waaraan de sous-Prefect zitting had geflankeerd met enige Griffiers. Ook was in en om de Zwaan een groot aantal Franse Gendarmes aanwezig om ieder teken van opstand of weigerachtigheid de kop in te kunnen drukken. De meesten van deze jongens welke voor de Loting kwamen waren nog nooit buiten hun dorp geweest en wisten nog niets van de wereld, al zullen er ook wel zijn geweest welke verlangden naar de veronderstelde vrijheid welke de militaire dienst met zich mee bracht.

De honger naar soldaten was zo enorm groot dat bij Keizerlijk decreet was bepaald dat alle jongens, ongeacht de leeftijd, welke in Arm- of Weeshuizen werden opgevoed ter beschikking van het Keizerrijk zouden worden gesteld en in Versailles een militaire opvoeding zouden krijgen in de Kazerne-scholen van de pupillen van de Keizerlijke Garde. Zo verdwenen uit Nederland in totaal 1039 kinderen. Niet bekend is of zich hierbij ook kinderen uit Lisse bevonden. Voor zo ver mij bekend is hier naar nooit onderzoek gedaan. Wie waren deze 17 jongelingen uit Kanton Lisse welk het ongeluk hadden een nummer te trekken welke je van het ene op het andere moment van landarbeider tot soldaat veranderde. Er zal veel hartverscheurend afscheid zijn genomen, voor de meesten voorgoed. Zo vertrok een trieste colonne jonge mannen, bewaakt door Franse Gendarmes ten einde desertie te voorkomen, uit Lisse richting Frankrijk om daar een korte militaire opleiding te krijgen en vervolgens ingezet te worden aan een van de vele fronten. Een langdurige zoektocht langs allerlei archieven bracht me op een website van het Franse Ministerie van Defensie waar ik de stamboeken vond van enige militaire eenheden uit die tijd en met verbazing vond ik daar honderden Nederlanders welke ingelijfd waren in de Franse Cohorten. Het is het topje van een enorme ijsberg waarin ik enige jongens uit Kanton Lisse terug vond. Daar voor had ik een overlijdakte van een van hen gevonden, in de overlijdregisters van Lisse. Hierin wordt vermeld dat Guillaume Jacques van der Son, inwoner van Lisse, fuselier bij het 124e Regiment Infanterie Linie, 2e bat. 3e Comp. sinds 17 Junij 1811 ingelijfd bij dit regiment in Abbeville, opgenomen was in het Militair Hospitaal in Leiden en aldaar op den 31 Mei 1812 was overleden. (Lisse.1813.folio.9). Jacob was de ochtend van de loting nog optimistisch en vol vertrouwen geweest. Hij had lot nummer 28 getrokken en dacht ruim veilig te zijn. Tot zijn afgrijzen was hij niet veilig genoeg en ook hij werd op mars gezet naar de stad Abbeville, waar zich de kazerne bevond van het 124e Regiment Infanterie Linie. Hij staat vermeld in de Stamboeken als No: 3269.