Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Boek Familie Duineveld

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Het familieverhaal van Duineveld uit de Engel wordt beschreven door Harrie Duineveld uit Weesp.


Op 6 december 2016 kwam Harry Duineveld naar de inloop. Harry is geboren in Lisse, voor aan het Laantje wat beschreven wordt in het stuk over pastoor van der Vlugt. Harry is al in 1968 uit Lisse vertrokken en woont sinds 1977 in Weesp. Daar is hij actief in de Historische Kring Weesp. Het is natuurlijk heel uitdagend om je familieverhaal uit te zoeken, maar zeker ook een immense klus. Gelukkig was er veel materiaal bewaard gebleven en in archieven spitten wordt dan een hobby. Het resultaat mag er dan ook zijn. In september is het boek “150 jaar Duineveld in Lisse, 4 generaties aan de Heereweg” in eigen beheer uitgegeven. Oud Lisse mocht zich gelukkig prijzen om een exemplaar van Harry Duineveld aangeboden te krijgen. Eric Prince nam het boek in ontvangst. Het is een heel fraai uitgegeven, rijk geïllustreerd boek. Er was nog een beperkt aantal exemplaren te koop. Tijdens de inloopochtenden is het boek ook in te zien. Zeker voor de mensen uit de Engel zal het een feest van herkenning zijn.

DE ONDERGANG VAN HET BOLLENLABORATORIUM

Guus Maas Geesteranus,oud bestuurslid, vemeldt alle wetenswaardigheden rondom de sloop van het Laboratorium voor Bloeembollenonderzoek.

Door Guus Maas Geesteranus

Dit artikel staat gedeeltelijk in het Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

 De oude Romeinen hadden er al een gezegde voor: Sic transit gloria mundi.

Zo vergaat ’s werelds roem. Wat was er aan de hand?

Op 2 december 2003 besluit het College van B&W van Lisse het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te schrappen van de gemeentelijke monumentenlijst, waarop het pand sinds 1999 stond. Toen namelijk bekend werd dat de bloembollenveiling CNB Lisse dreigde te verlaten, heeft de gemeente in haar streven om het bedrijf binnen de gemeentegrenzen te behouden, CNB een leeg en vlak terrein aangeboden, terwijl daar genoemd gemeentemonument opstond. Zowel de Monumentencommissie als de Vereniging Oud Lisse maken bezwaar hiertegen en adviseren de gemeenteraad niet in te stemmen met het besluit, het pand op de lijst te laten staan en niet te laten slopen.

Het bezwaar berust op twee argumenten: cultuurhistorisch en bouwhistorisch.

Cultuurhistorie

Egbertus van Slogteren,
(*1888-†1968)

In het begin van de vorige eeuw had de bloembollensector te kampen met ziektes in verschillende bolgewassen. De handel in narcissen naar Amerika stokte, omdat men daar bevreesd was voor import van plantenziektes. De bollenstreek ervoer deze handelsstop als een enorm probleem. In overleg met Ministerie van Landbouw werd besloten in Lisse een laboratorium voor bloembollenonderzoek te bouwen, in te richten en te bemannen, onder leiding van de Wageningse hoogleraar van Slogteren. In dit laboratorium kon worden aangetoond dat de plantenziekte van de narcis geen bedreiging kon zijn voor de Amerikaanse markt. Hierop herleefde de handel met Amerika. Daarnaast ontwikkelde het lab methoden van behandeling en keuring van verschillende bolgewassen waarmee exportkwaliteit kon worden gegarandeerd. Ook de Japanse markt kon aan het eind van de vorige eeuw geopend worden doordat de sector zo’n keuringsdienst bezat. Men kan dus zeggen dat de huidige bloembollensector zijn bestaan heeft te danken aan de ontwikkelingen die in het lab tot stand zijn gekomen.

Bouwhistorie

Laboratorium voor Bloembollenonderzoek

Het ontwerp van het lab is van Rijksbouwmeester C.J. Blaauw en verwant met drie eerder door hem ontworpen laboratoria op het terrein van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Alle vier panden kunnen tot de zgn. Amsterdamse School gerekend worden. De drie laboratoria in Wageningen zijn tot rijksmonument verheven.

Op 18 december 2003 gaat de gemeenteraad akkoord met het schrappen van het lab van de monumentenlijst en de verkoop van het terrein aan CNB. Meteen de volgende dag vraagt de eigenaar van het pand, de Universiteit van Wageningen, een sloopvergunning aan, die enkele dagen later door de gemeente wordt verleend. Publicatie van de aanvraag in de Lisser is op 31 december, een dag waarop de oliebollen meer aandacht krijgen.

Alert reageert de Vereniging Oud Lisse (VOL) begin januari door een bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente tegen sloopvergunning en tegen het schrappen van het lab van de gemeentelijke monumentenlijst als ook een verzoek bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg om het pand aan te wijzen als rijksmonument. Het verzoek wordt in behandeling genomen waardoor de sloopvergunning voorlopig wordt geschorst tot de uitspraak heeft plaatsgevonden.

CNB blijft in Lisse

Het onderwerp heeft nu alle aandacht van de gemeenteraad en het VOL-bestuur krijgt de gelegenheid in de raadsvergadering van 29 januari 2004 zijn bezwaren toe te lichten. Ook VOL vindt het een goede zaak dat CNB als onderdeel van de bloembollenhandel behouden blijft voor de Duin- en Bollenstreek. Dit past binnen de doelstellingen van het Pact van Teylingen, een overeenkomst die ook VOL onderschrijft. Maar niet ten koste van een gemeentelijk monument. Pogingen om CNB te bewegen het gebouw op te nemen in hun bouwplannen zijn door het bedrijf afgewezen en door de gemeenteraad niet serieus besproken.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift wordt het VOL-bestuur uitgenodigd voor een hoorzitting (2 feb.) en een informeel gesprek met burgemeester en wethouder Schuijt (3 feb.). Op 4 feb. verklaart B&W beide bezwaarschriften ongegrond. Wel wordt de sloopvergunning ingetrokken (voorbescherming) omdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) het verzoek van VOL in behandeling heeft genomen. Op grond van de RDMZ-procedure wordt de Lissese gemeenteraad om zijn mening gevraagd. Die heeft zich laten adviseren door een onafhankelijke deskundige, ir. M. Verweij, adviseur op het terrein van gemeentelijk monumentenbeleid. Hij acht het voormalig laboratorium van historisch en architectonisch belang en bepleit het gebouw in enigerlei vorm te behouden.

In verband met de lopende procedures stopt CNB de voorbereidingen voor de nieuwbouw op het aangeboden terrein en geeft de gemeente gelegenheid om uiterlijk 1 september 2004 met een visie te komen als het voormalig bloembollenlaboratorium een rijksmonument wordt. Het bedrijf wil weten hoe de gemeente Lisse denkt zijn verplichtingen, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst, te kunnen voldoen.

Het lot bezegeld

In augustus 2004 wijst RDMZ het VOL-verzoek af, maar benadrukt dat het pand zeker de status van een gemeentemonument waard is. Met deze afwijzing staat de weg voor slopen en CNB-nieuwbouw open als niet een nieuwe partij op het toneel verschijnt. Onafhankelijk van VOL dient het Cuypersgenootschap (Vereniging tot het behoud van negentiende- en twintigste-eeuws cultuurgoed in Nederland) een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van RDMZ en tegen de sloopvergunning van gemeente Lisse. Ook dit bezwaarschrift wordt in februari 2005 afgewezen.

Daarmee is het lot van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek definitief bezegeld en blijkt ook wat eens ’s werelds roem was vergankelijk kan zijn.

 

We ontvingen n.a.v. dit artikel een reactie van de heer Maarten Timmer.
Hij schrijft:

Maas Geesteranus schrijft een boeiend verhaal over de ‘ondergang’ van het LBO en besteedt ook aandacht aan de stichting ervan. De ironie van de geschiedenis wil dat de aanleiding niet was dat het buitenland Nederlandse narcissen wilde weren vanwege de import van plantenziekten maar dat het juist de Nederlandse telers waren die de import van buitenlandse bloembollen wilde belemmeren, althans binden aan een ‘keuring door een officieel deskundige’. Het was een voorstel van de afdeling Sassenheim aan de algemene ledenvergadering van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) die op 19 mei 1916 plaatsvond. Ze kwamen daartoe omdat het aaltjesziek in vooral uit Engeland geïmporteerde narcissen daar vreselijk huishield. Niet alleen daar, de hele Zuidelijke Bollenstreek leed eronder. Voorzitter van de AVB Ernst Krelage was beducht dat als dit voorstel zou worden aangenomen het buitenland tegenmaatregelen zou nemen in de vorm van exportbelemmeringen. Daarom haalde hij de angel uit de motie door voor te stellen eerst maar eens onderzoek te doen naar die ziekte. In die tijd was ir. K. Volkersz de rijkstuinbouwconsulent en directeur van de school en hij vatte in een lezing op 26 juni 1916 voor 150 belangstellenden de stand van zaken samen en kwam tot de conclusie dat het beste was aan de minister van Landbouw te vragen een phytopatholoog in de Bollenstreek aan te stellen voor nader onderzoek. Hij had zo’n constructie al in 1914 besproken met de prof. J. Ritzema Bos, directeur van het Instituut voor Phytopathologisch Onderzoek (IPO), onderdeel van de Wageningse Rijks Hogere Land- Tuinbouw en Boschbouwschool (RHLTBS). Die onderzoeker zou dan ruimte krijgen in de school. Door bezuinigingen op de rijksbegroting ging het toen niet door. Maar nu trokken Krelage en Volkersz samen naar Den Haag en wisten nu wel geld los te krijgen. Omdat Ritzema Bos niet zo gauw een onderzoeker kon vinden schakelde Krelage zijn netwerk in. In die tijd was hij ook secretaris van het bestuur van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten waarvan prof Went voorzitter was (ook wel de ‘paus ‘van de Nederlandse botanie genoemd). Hij gaf Krelage een lijstje met vijf geschikte kandidaten en daaruit pikte in januari 1917 Ritzema Bos E. van Slogteren uit. Na zijn promotie (cum laude) op 29 maart werd hij op 12 april 1917 aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar bij het IPO en gedetacheerd in Lisse. In maart 1918 ‘promoveerde’ de RHLTBS tot Landbouwhogeschool en die LH kreeg in 1920 de benodigde gelden van het ministerie om een Laboratorium voor Van Slogteren in Lisse te bouwen.

Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in vol ornaat, tussen bollenvelden en de proeftuinen naast de net zo vermaarde Rijkstuinbouwschool. Rechts zien we hoe op 17 februari 1928 de brandweermannen hun best doen om de brand te blussen. Twee jaar later was de schade pas hersteld en op 13 februari 1930 was de feestelijke heropening.

 

De Kromme Elleboogsteeg

Lisse had een eeuw geleden een straat die Kromme Elleboog heette.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


In heel veel dorpen en steden komen we ze tegen, de straatnaamborden met erop de Kromme Elleboogsteeg. Mijn vader zei nog wel eens dat hij even naar de Kromme Elleboogsteeg ging als hij bij iemand in de Wagendwarsstraat moest zijn. Om die reden dacht ik tot voor kort dat het een rare bijnaam was voor de Wagendwarsstraat.
Nog niet zo lang geleden kregen we bij de Vereniging Oud Lisse een e-mail van iemand waarin die schreef, zich nog te kunnen herinneren dat het straatnaambordje aan de muur in een doorgangetje schuin tegenover het huis Rosendaal de naam droeg van “Kromme Elleboogsteeg”. Natuurlijk dacht ik dat die meneer abuis was en zich dat zou inbeelden. Toch maar onderzoeken, want ik wil wel het naadje van de kous weten. Nu we het toch over kousen hebben, het volgende: zo kreeg ik te horen dat ze dat steegje ook wel gekscherend de “Sokkensteeg” noemden. Deze bijnaam kreeg het gangetje vanwege het feit dat daar altijd een dame driftig sokken zat de breien. (hierover straks meer) Ook kreeg ik wat krantenknipsels toegestuurd waarin gemeentebesluiten werden vermeld die te maken hadden met onze eigen Lissese Kromme Elleboogsteeg. Dus de beste man had gelijk, Lisse heeft een eeuw geleden een echte officiële Kromme Elleboogsteeg gehad. Geen bijnaam dus, het doorgangetje van de Heereweg naast de aloude bakkerij van Vermeer was de Kromme Elleboogsteeg! Er moeten nog wat huisjes hebben gestaan in het steegje, want het Leids Dagblad meldde op 9 november 1927 dat er machtiging werd verkregen om die huizen te slopen.

Rioolwerkzaamheden in de Kromme Elleboogsteeg

De prachtige foto hier boven laat zien hoe ze met rioolwerkzaamheden bezig zijn in het bewuste steegje. Links de man met de “Ted de Braak snor” is bakker Cornelis Vermeer met naast hem een bakkersknecht, de jongen en het meisje zijn kinderen van Vermeer. De man met de vuist op de heup is de opzichter de hr. Witsenburg, de voorste man in de sleuf is Teun Opdam de tweede man is ene Augustien de achterste werkman is J. Baak. De dame die net om het hoekje meekijkt is Geertruida Balkenende al heel jong weduwe van J.P. Bemelman. Met stellige zekerheid kan ik u meedelen dat zij het “breivrouwtje” is waardoor het gangetje ook wel de “Sokkensteeg” werd genoemd. Het is bekend dat zij altijd aan het breien was en inderdaad lange heren-en jongenssokken van dun zwart garen. Zij woonde in 1923 op Wagendwarsstraat 1. De Nieuwe Leidsche Courant van 6 mei 1922 noemt dat stukje de verlengde Wagendwarsstraat geboren Kromme Elleboogsteeg. De “J.P. Bemelman schilder” (zie naambord op foto) was de zoon van Geertruida en J.P. sr. Deze was getrouwd met Helena van der Weijden die in navolging van haar schoonmoeder de breitraditie in ere hield. Andere benamingen voor dit soort steegjes zijn Kromme Ellepijp en ook wel Kromme Spaakbeen. Krom omdat er een knik of een bocht in zat! Je kon toen nog niet rechtstreeks de Wagendwarsstraat in kijken. De rare naamgeving is ook best logisch te verklaren want als iemand op de Heereweg de weg vroeg naar b.v. de weduwe Bemelman, dan ontkwam je er niet aan om te wijzen met een kromme elleboog. Nog zo een oud krantenberichtje van 9-11-1927 uit het Leidsch Dagblad bericht ons over de Kromme Elleboogsteeg, maar ook over de Kapellenwei, de Stationsweg en de poort van Kleef. Over de poort van Kleef wil ik het een volgende keer hebben. Heeft u nog onbekend materiaal over dit fenomeen? Zou u dat dan met ons willen delen?


Bron vermelding:

Foto van het straatje uit de verzameling van Joke Vermeer

Krantenknipsels geleverd door Jasper van ‘t Wout Naam ‘Sokkensteeg” Anekdote via Ab Moolenaar

Gegevens familie Bemelman en het “breivrouwtje” Laura Bemelman

Bestraten Berkhout tot de Heereweg 1725

In 1723 werd de Heereweg bestraat Twee jaar later werd de weg naar landgoed Berkhout bestraat.

door Dirk Floorijp

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Binnen een paar jaar heeft het dorp Lisse een totale gedaanteverwisseling ondergaan. Werden er daarvoor door de schout nogal eens boetes opgelegd en tal van aanmaningen afgegeven vanwege het vele afval dat op en langs de straat werd gedeponeerd, nu was het aanzien een stuk aantrekkelijker geworden, ook in het belang van de doorgaande route van Den Haag naar Haarlem en Amsterdam. Tevens voor tal van buitenplaatsen in en rondom Lisse.
Het begon in 1723. Toen werd de Heereweg in het dorp bestraat. Voorheen waren het allemaal zandwegen. Iedereen die aan de Heereweg woonde moest daar verplicht aan mee betalen. Twee jaar later, in 1725, werd besloten om twintig roeden in de rijweg op Berkhout te bestraten tot de Kruijsweg hoek Kanaalstraat/Heereweg tot de huijsinge van Claas Jorisse ’s Gravenmade. Claas Jorisse vinden we terug op de lijst in 1723 waar hij meebetaalde aan de straat voor zijn huis aan de Heereweg. Hij zal dus bij de kruising van de Heereweg, Kanaalstraat, Stationsweg nu Berkhoutlaan gewoond hebben.

Hier, in 1725, echter geen verplichting, want de weg werd bestraat vanuit giften: -Bij Claas Jorisse ’s Gravenmade was de Heereweg al bestraat en werd het dus een aansluitend geheel. -In hetzelfde jaar was op Berkhout de eigenaar sijne excellentie den heer luitenant generaal Jan Albregt von Barner overleden. Op speciaal verzoek, zelfs tot aan het Hof van Holland, werd dispensatie verleend om begraven te worden op zijn eigen landgoed Berkhout en niet in of bij de kerk. Uit de boedel werd 60 gulden geschonken. -Verder de Heere van Heemskerck dertig gulden, de heeren Nicolaas ende Pieter Tjark tien guldens ende van andere ingesetenen en ingelanden van Lisse, tesamen 120 guldens en 8 stuivers.

De betalingen

Betaald aan Adriaan Groenevelt, steenkoper tot Koudekerk over leverantie van tot bestraten van de rijweg op Berkhout 89 gulden 12 stuivers. – Aan Benjamin Jochemse Stellingwerve, stratenmaker over arbeijdsloon van het leggen van een steenstraat op Berkhout voorz: lang twintig roede, bedragende volgens quitantie 17 gulden.

  • Betaald aan de navolgende arbeijders, over arbeijdsloon van het uijtgraven, van sand, ende gelijkmaken van de rijweg tot het leggen van een steenstraat op Berkhout:

De inwoners werden ook verplicht de straat voor hun huis schoon te houden. Dat waren ook de uitwerpselen van al het vee, koeien, varkens en paarden die door het dorp trokken. De paarden van de vele ruiters en postkoetsen lieten het nodige achter!

In 1732 verscheen van ABRAHAM RADEMAKER (1660-1735) een uitgave met gravures getiteld:
Rhynlands fraaiste gezichten; vertoonende alle deszelfs Lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen, waar Berkhout uiteraard in voor komt.
Pentekening CORNELIS PRONK (1691-1759)
Pronk werkte wel in opdracht van Andries Schoemaker. Schoemaker maakte een zogenaamde atlas met uitgebreide omschrijvingen en tekeningen van plaatsen uit alle toenmalige provincies.
Bronnen

Huygens, Lodewijck : Spaansch Journaal, 1665; bewerkt door M.Ebben, Utrecht, 2005. Fockema, Andrea : Kastelen, ridderhofsteden en buitenplaatsen in Rijnland, 1974 ; blz. 69 – 70. Hulkenberg A.M. : ’t Roemwaard Lisse, 1971 ; blz. 20 – 21. Haardsteegeld Lisse, 1666. Decreten en Rekesten van het Hof van Holland. Biografisch Woordenboek van Nederland. PRO – GEN \ data \ LISSE. GA Lisse inv.nr.37 Werkgroep genealogie met dank aan Alfons Verstraeten

SMEDEN VAN LISSE

De eerst  vermelde smid in Lisse Jan Dirckzn kocht in 1586 een huis. Deze smid  en de latere smeden van van Lisse komen aan de orde.

Door Arie de Koning

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

Sinds de mensheid metaal is gaan gebruiken voor gebruiksvoorwerpen welke langere tijd mee moesten gaan en daarom sterk moesten zijn, zijn er mensen geweest welke deze metalen voorwerpen vervaardigden. Deze metaalbewerkers namen daarom een heel belangrijke plaats in de vroege samenlevingen in. Ieder dorp had wel een smid, welke met vuur en vonkenspattend metaal zo rechtstreeks uit de hel scheen te komen. Gerespecteerde lieden welke om hun vakkennis beoordeeld werden en niet door geloof of anderszins. Hij was in feite onmisbaar, immers de smid vervaardigde het benodigde gereedschap voor de boeren, schoenmakers, kuipers, molenmakers en timmerlieden. En uiteraard was de smid onmisbaar voor het leger voor het vervaardigen van allerlei wapentuig of belegeringsapparaten. Ook in vroeg Lisse zal er dus een smid aanwezig zijn geweest, meestal was er eerder een smid dan een bakker bij stichting van een dorp en schrijver dezes is benieuwd of we daar sporen van terug kunnen vinden. Om tot een resultaat te kunnen komen moest er eerst behoorlijk wat worden ingelezen en de conclusie was duidelijk; in Lisse heeft inderdaad de smid een zeer prominente rol gespeeld. De vroegste welke gevonden is wordt vermeld in een transportakte gedateerd 15 mei 1586 waar gesproken wordt over de schuld van ene Jan Dirckszn, smid te Lisse welke een huis had gekocht. Op 3 en 27 juli 1586 wordt er in een transportakte ook gesproken over een hoefsmid en wel Jan Dirckszn Vougel in verband met de aankoop van hetzelfde huis. Nou het lijkt mij dat dit één en dezelfde persoon betreft. Jan Dirckszn Vougel heeft zich dus in dat jaar in Lisse gevestigd. Of hij een bestaande smederij kocht of een nieuwe heeft opgezet is niet bekend. Hij kocht het huis en erf van Weyntje Claesdr. weduwe van Cornelis Doedeszn Sonnevelt. Wel wordt vermeld waar het bewuste huis zich in Lisse bevind. …belend NW het Wevers erf, NO Willem Thomaszn, ZO de Graftweg en ZW het Groenevelt van ‘t Dorp…… Nou dat verklaart een boel. Op de plaats van het Groenevelt van ’t Dorp is later de Agatha kerk gebouwd. Lezend door de akten waar onze smid in voorkomt blijkt op zijn erf zich ook een appelboom te bevinden. Op 16-11-1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse dat Jan de smid samen met Cornelis Pouwelszn Schouman, zijn buurman, het huis van weduwe van Adriaen Corsteman heeft gekocht. Het bijzondere hieraan is dat dit huis bekend staat als het “verbrande huis van Lisse”. Het verbrande huis wordt klaarblijkelijk herbouwd want in mei 1590 blijkt Jan Dirckszn Vougel, smid, schuldig aan Cornelis Dirckszn Larum, zes gulden per jaar met hypotheek op een nieuwe “camere” met erf op dezelfde belendingen als zijn eigen huis. En dat klopt want op 23 januari 1591 verkoopt onze, inmiddels van meestertitel voorziene smid, aan Cors Corneliszn Cluft een nieuwe camere met erf gelegen in het Dorp van Lisse. Dat, heel vreemd, wordt volgens afspraak op 23 december van datzelfde jaar weer terug verkocht aan Mr Jan Dirckszn Vougel, hoefsmid te Lisse en wordt hij drie dagen later verkocht aan Reyn Wiggerszn van der Blesch, een kleermaker. We komen Jan de smid nog wat keren tegen in de Rechterlijke Archieven zo ook op 10 oktober 1597 als blijkt dat Mr. Jan Dirckszn Vougel, smid van deze Ambachte schuldig is aan Jacob Floriszn van Heemskerk drie gulden per jaar met hypotheek op een huis en erf waar hij tegenwoordig het smeedambacht gebruikt, belast met drie gulden per jaar tbv Cornelis Dirckszn van Larum. Hieruit blijkt de grote vakkennis van Jan want een titel als “Smid deser Ambachte” betekende dat alle smeedwerk welk van overheidswege werd uitbesteed in het gehele Ambacht Lisse aan hem werd gegund. “Oude” Jan Dirckszn Vougel, meester smid te Lisse trouwde met Maritge Jorisdr en kreeg van haar zes kinderen, Dirck, Cornelis, jonge Jan, Harmen, Maritge en Machtelt. We weten met wie de meisjes trouwden: Maritge trouwde met Cornelis Corstiaenszn Cluft en Machteld trouwde met Reynier Adriaenszn. Toen zijn vrouw Maritge Jorisdr overleed hertrouwde Jan met Pietertje Claesdr. Hij is overleden in 1623 te Lisse.
Op 10 april 1625 vinden we pas weer een smid in Lisse als we lezen in een transportregister dat de erfgenamen van Maritge Dircksdr, weduwe van Jan Jacobszn Doncker, een huis en erf groot 16 roe gelegen op de hoek van de Lageweg en Heereweg verkopen aan Gerrit Hendrickszn. hoefsmid. De genoemde Lageweg werd ook wel oude Veenderslaan genoemd en is tegenwoordig de Stationsweg, zodat wat duidelijker wordt waar deze smid zich vestigde. Lezend door het archiefboek vinden we dat hij op 12 april 1633 nog steeds daar woonde maar op 19-07-1638 blijkt uit de belendingen dat hij een stuk is op geschoven en nu aan de Heereweg woont. De exacte locatie is nog niet in beeld te krijgen maar vast staat dat hij aan de Heereweg woont met aan de westelijke kant het “Berckhouter Duijntje” in de Oostgeest welke nog niet was afgegraven. Dan pas op 6 mei 1659 wordt gewag gemaakt van een nieuwe smid in Lisse als deze van Jan Corneliszn, timmerman, een huis en erf gelegen aan de Broekweg koop voor 366 gulden contant en een schuldbrief van 732 gulden. Zijn naam is Hendrik Corneliszn van Limmen smid te Lisse. Niemand weet waar hij vandaan komt, misschien uit Limmen, maar dat geeft niets, Lisse had weer een smid. Hij trouwde met Maria Jacobsdr Hofbergen en drie dochters en één zoon staan vermeld in het archief van Lisse.
In 1673 waren de Staten van Holland in grote financiële nood vanwege oorlogen met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Er was dringend geld nodig voor het leger en de vloot. Er werd besloten dat iedereen naar draagkracht een belastingheffing zou moeten betalen welke geïnd zou worden door de Schout Hanart van Gorcum c.s. We lezen in het “Generael Quohier van ’t familiegelt over alle de dorpe geleegen onder Rhijnlant” dat ook Hendrik Corneliszn van Limmen, smid te Lisse werd aangeslagen en zien dat hij in de laagste klasse werd ingedeeld en dus één stuyver moest neertellen. Hendrik was dus geen rijk man. Misschien aardig om te weten. “Somma van ’t familiegelth over Lisse bedraecht ‘sdaags 6 guldens en 19 stuyvers”. Het bleek genoeg om de oorlogen af te wenden en Holland haalde weer vrijuit adem. Op 21 juli 1693 overleed Hendrik de smid in Lisse. Niet bekend is welke leeftijd hij bereikte. Van opvolging is geen sprake geweest want zijn enige zoon, Jacob overleed jong en werd op 11 januari in Lisse begraven. Zijn vrouw Maria Jacobsdr Hofbergen werd op 5 april 1715 begraven in Lisse.
Inmiddels had zich een nieuwe smid in Lisse gevestigd, Harmen Janszn Schuerman, smid te Lisse, wordt op 5 mei 1722 vermeld als koper van een huis en erf met croft en boomgaard te Lisse. Hij kocht dit huis van de erfgenamen van Engel Corneliszn Brero en Catharina Cornelisse Westerbeek welk echtpaar het door verervng op 6 juni 1689 had verkregen. Gezien de belendingen welke in het document worden vermeld staat het huis aan de Heereweg, tegenwoordig genummerd met 208. Ook wordt vermeld dat de landen van het Berckhouter duin, welke zich aan de achterzijde van het huis bevinden inmiddels zijn afgezand. Harmen Janszn Schuerman was geboren in Noordwijkerhout en werd gedoopt op 29 maart 1687 in de Rooms Katholieke Kerk aldaar als zoon van Jan Schuerman en Grietgen Robbers van der Meulen. Harmen trouwde (1) met Jannetje Pietersdr Boon en kreeg van haar negen kinderen waarvan er een groot aantal zeer vroeg weer stierf. In 1728 hertrouwde Harmen als weduwnaar in Lisse met Sijmetje de Koning een jonge vrouw uit Delft. Van haar verkreeg hij drie kinderen welke allen vrijwel direct weer overleden. In 1747 hertrouwt hij weer als weduwnaar in Lisse met Maria Gerritsen de Zwart. Ook Maria overleefde hij en Harmen werd op 31-01-1759 in Lisse begraven.
De smederij kwam in het bezit van Abraham Leendertszn Koevoet, want we lezen dat op 20 januari 1781 ’t Lammetje Groen, huis, erf, plantage, opstal en ca 550 roeden grond verkocht wordt voor het bedrag van 1000 gulden. Koper is Abraham Leendertszn Koevoet, hoefsmid te Lisse. Hij kocht ’t Lammetje van de Hoogedele Vrouwe Mevrouw Maria Jacqueline Jeanne Tjark gehuwd met de Graaf D’Oultremont de Wégimont wonende in de Lande van Luijk. Abraham was gedoopt op 18-07-1747 in de Rooms Katholieke Kerk van Bergschenhoek. Op 8 november 1772 trouwde hij voor het Gerecht te Lisse met Maritje Pietersdr van Oerle en dezelfde dag werd het huwelijk ingezegend in de Roomsche schuilkerk te Lisse nabij het Mallegat. Koevoet was dus Rooms Katholiek en toch werd aan hem al het smidswerk van het Ambacht Lisse gegund door het dorpsbestuur. (Arie van der Zaal kreeg het timmerwerk en IJsbrandt van Wateringen het metselwerk). Hij moet dus een degelijk vakman zijn geweest want de gunning werd meestal aan Gereformeerde geloofsgenoten van het Protestantse dorpsbestuur gegund. Dit tekent ook de tolerantie van de bevolking van Lisse in die jaren in geloofsuitingen. Niet alleen werd er zonder mankeren een RK schuilkerk gedoogd maar men had ook respect voor elkaars opvattingen. Toen de Prins van Oranje in zijn functies werd hersteld in 1787 verscherpten de tegenstellingen zich weer, ook in het kleine Lisse.
Naar een reden moeten we gissen, Abraham was nog niet oud, 38-jaar, en zijn oudste zoon Leendert was pas tien jaar en dochter Cornelia negen jaar, maar op 26 mei 1785 verkoopt hij de smederij, omschreven als “eener huijs en erve, sijnde een van ouds zeer vermaerde en nog extra florissante en welbeklante hoefsmederije met eener croft daar achteraan, staande ende geleegen midden in den dorpe op de lange straat aan den Heerweg”. Er staat nog bij dat het totale perceel 98 roe groot is doch verongeldende voor 67 roe. Koper wordt Jan Schenk een jonge hoefsmid geboren op 4 mei 1744 in Valkenburg. De waarde van dit extra florissante pand was nu wel extra florissant omhoog gegaan. Er werd betaald 2975 gulden contant, overname van gereedschap volgens taxatie 156 gulden en 4 schellingen, aan belastingen: 40e Penning en 10e verhoging alles totaal voor 3255 gulden en dat was voor die tijd een boel centen. Jan Schenk was getrouwd op 16-05-1785 voor de wet en RK-Kerk in Warmond met Catharina ofwel Kaatje Lipman. Op 27 april 1787 wordt hun eerste dochter, Maria, geboren en op 14 mei 1789 wordt dochter Apolonia geboren. Beiden zijn gedoopt in de Agatha Kerk in Lisse. Zoons heeft het echtpaar niet gekregen en het is de knecht, Jan Balman, hoefsmid, welke getrouwd was met de oudste dochter Maria die de smederij overnam. Jan Balman was geboren op 09 januari 1788 in Hillegersberg. Jan Balman stierf al op 51-jarige leeftijd op 9 juni 1839 in Lisse. Zijn vrouw Maria Schenk heeft de smederij tot haar dood op 8 augustus 1846 voortgezet. De smederij werd overgenomen door de knecht Roelof Willem Pelle geboren op 30 januari 1824 in Vreeswijk en net als zijn voorganger trouwde hij met een dochter van de vorige baas, Marijtje Balman. Roelof Willem was ook een gedegen vakman en tevens was hij al dan niet gediplomeerd veearts. Hij is overleden op 25 mei 1878 in Lisse en op de 29e aldaar begraven. Zijn zoon Joannes Willem Pelle, geboren op 30 januari 1849 in Lisse, werd zijn opvolger in de reeks van smeden van Lisse. Hij had zijn eerste huwelijk op 25 september 1873 met Clara van der Vlugt een meisje uit Lisse. Ze was pas 34 jaar oud, toen ze op 27 mei 1883 in Lisse overleed. Daarop hertrouwde de jonge smid met Catharina Agnes Vreeburg uit Zoeterwoude. Met haar verkreeg hij vier kinderen waarvan twee volwassen zijn geworden, Rudolphus Wilhelm, geboren op 14 juli 1887 in Lisse en Petronella, geboren op 27 juli 1890 in Lisse.
Helaas liet de gezondheidstoestand van de smid het zware werk niet meer toe zodat hij gedwongen werd te stoppen als smid. In de zomer van 1896 is het gezin Pelle uit Lisse vertrokken en vestigde zich in de Haarlemmerstraat 267b te Leiden en werd slijter in gedistilleerd. Hij is in januari 1922 in Leiden overleden en zijn vrouw was hem vijf jaar eerder voorgegaan.

De smederij werd op 14 september 1896 verkocht aan Pieter Dirk Schouten voor 7800 gulden en de centen moesten volgens zijn zoon Jan “voor de hel vandaan gehaald worden”. Pieter Dirk was geboren op 27 december 1859 in Leiden. Hij was getrouwd met Wouterina van der Zwets uit ’s Hertogenbosch en had een aantal kinderen. Voor het eerst in zijn bekend bestaan was de smederij in Protestantse handen gekomen. Alle eigenaren voordien waren namelijk van Katholieke huize.

’t Vierkant in 1812

Nu nog is herkenbaar waar de smederij zich al die eeuwen heeft bevonden aan de Heereweg. We nemen hiervoor een schets van de situatie zoals deze was in 1812. Het zwart gearceerde vlak is de smederij. Rechts naast de smederij staat een kleiner pand wat teruggetrokken van de Heereweg. Hierin woonde de emeritus predikant ds. Johannes Stoelendraaijer. Toen deze in 1857 overleed, werd er een winkeltje in gevestigd annex woonhuis eigendom van de op 18 maart 1797 in Lisse geboren Maartje Albertsdr de Haan. Het plaatsje ervoor is pas veel later bebouwd en daarin is nu een cateraar gevestigd. Maartjes winkeltje had een groot bord boven de winkeldeur wat vermeldde wat zij zoal verkocht; “sterke drank, kruidenierswaren, koffie, thee, tabak, snuif, zout zeep te koop” met daaronder nog “M. de Haan”. Maartje was de ongehuwde dochter van Albertus de Haan en Neeltje van Duuren en zij is overleden op 14 februari 1869 in Lisse. Zij werd opgevolgd door haar naamgenoot en nichtje Maria Cornelia de Haan, in 1835 in Koudekerk geboren, gehuwd met Johannes Dorrepaal uit Katwijk. Later trok het echtpaar naar de Broekweg en kwam in het oude winkeltje Hugo Scholten, ook een winkelier. Wanneer is niet duidelijk, maar vóór 1893 werd op het plaatsje voor het winkeltje van juffrouw de Haan een huis gebouwd, pal voor het huisje en de winkel van Maria Cornelia de Haan. Het pleintje werd totaal volgebouwd. Het was eigendom van smid Jan Pelle die het voor zijn vertrek uit Lisse verkocht aan Cornelis Caspers, een in Katwijk geboren vleeschhouwer getrouwd met Anna van Paridon. Opeens was er een slagerij. Om bij de slachtplaats te komen hadden de koeien recht van overpad door de smederij. Dit recht was opgenomen in de koopakte. Men kan zich de ravage indenken wanneer een aantal zenuwachtige koeien op weg om geslacht te worden door een werkplaats wordt gejaagd. Volgens een ooggetuige “scheten ze de hele boel onder”. De kalveren gingen gewoon door de gang van de woning. Dit pand is jarenlang Slagerij Caspers gebleven. Nu is er gevestigd Van der Hulst Catering. Het volgende pand naar rechts is de boerderij en bakkerij van Rotteveel. Later was daarin bakkerij Freriks gevestigd, wie kent die niet. Achter dit pand stonden ook nog een aantal kleine arbeidershuisjes in de volksmond genoemd ‘t ”Rottenest” bereikbaar via een lange smalle gang aan de linkerzijde van het pand. Aan de overzijde van de straat was rond 1860 de zadelmakerij van Aart Pieterszn Tibboel. Hij was getrouwd met Kaatje van Garsten en had een groot aantal kinderen.

Aan de linkerzijde van de smederij bevond zich een pand wat al in 1633 eigendom werd van de Hervormde Diaconie. Hier woonde en werkte de in 1847 in Noordwijk geboren groentenwinkelier Wout van Oosten alias Wout Knar. Zijn uitventwagentje werd achter de winkel gestald in de Lindenbuurt ofwel de Snertwerf. Hij was getrouwd met Aagie Warmerdam alias juffrouw van Oosten. Nog meer naar links bevond zich de wagenmakerij van Jacobus Cornelis van Riek.
Terug naar de oude smederij. Ja oud was hij zeker. In 1900 heeft Pieter Dirk Schouten de oude smederij geheel gesloopt en vervangen door een modern pand. In 1913 is er zelfs nog een verdieping op geplaatst. De zaken gingen buitengewoon goed en Schouten was een begrip in de hele regio.

Op 1 januari 1914 namen de twee zoons Dirk en Jan de zaak over onder de naam “Gebroeders Schouten, Herstelplaats voor Stoom en Landbouwwerktuigen”. Vader Schouten, in ruste in zijn geboortestad Leiden, overleed op 2 maart 1950 in Leiden. Na 25 jaar samenwerking zijn de broers in 1939 uit elkaar gegaan. Dirk vestigde zich aan de Kanaalstraat en Jan bleef aan de Heereweg. In 1956 is Jan Schouten wegens gevorderde leeftijd en gebrek aan opvolging gestopt met zijn zaak. Hierna zijn er een kledingwinkel, houthandel, koffieshop en hoorwinkel in gevestigd geweest. De aloude smederij is niet meer.
Bronnen: Rechterlijk Archief Lisse Notarieel Archief Lisse Resolutieboeken van Schout en Burgemeesteren van Lisse Genealogisch Archief V.O.L. Regionaal Erfgoed Leiden

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

DE FAMILIE MARSEILLE

Hendrik Marseille overleed in 1939. De eerste in Nederland wonende Marseille  is rond 1670 geboren in Clermond in Frankrijk en overleden in Amsterdam in 1734.

door Marius Nieuwenhuis

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

 

Hendrik Marseille

Lisse telde in de loop der jaren onder zijn inwoners een groot aantal belangrijke mensen. Mensen die in Lisse, maar ook ver daar buiten, op veel terreinen van grote betekenis zijn geweest. Zoals bv. in de bollenwereld de heer D(irk) W. Lefeber, in de sport Egbert van ’t Oever en in de bouwwereld de architect Paardekoper. Een lijst die mogelijk met nog veel meer namen is uit te breiden. Allemaal mensen die nog jaren na hun acteren bekend bleven en waar nog lang met respect over gesproken werd en wordt. Lisse kent ook een andere categorie mensen die, hoewel ze van grote betekenis zijn geweest, in de vergetelheid verloren dreigen te gaan. Eén van die mannen was mijn grootvader van moeders zijde, Hendrik Marseille. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1939 verscheen er in de krant een artikel, waarin aldus over hem gesproken werd: ‘De heer Marseille, bij alle ingezetenen bekend, was op zijn 74-jarigen leeftijd nog zeer kras te noemen en was nog dagelijks bezig in allerlei zaken waaraan hij zich met veel ambitie wijdde. Hij was ook Notabel der Ned. Hervormde Gemeente en een lange reeks van jaren Voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur en Secretaris van de Gem. Brandweer. In de aannemerswereld had de overledene een klinkenden naam en stond zijn zaak algemeen bekend als een zeer solide’.

U kunt zich voorstellen dat ik met enige trots terugkijk op mijn grootvader, waarover ik helaas alleen heb horen spreken. Hij stierf al in 1939 en ik ben zelf geboren in 1946.

Hugenoot?

Maar waar komen de Marseilles oorspronkelijk vandaan? De eerste in Nederland wonende Marseille die ik in de archieven heb kunnen vinden was Pierre (de) Marseille(y). Hij moet plm. 1670 in Clermont in Frankrijk geboren zijn en is in 1734 in Amsterdam overleden. Hoewel niet zeker is het heel goed mogelijk dat deze Pierre als Hugenoot uit Frankrijk was gevlucht vanwege het feit dat hij als Calvinist (volgeling van Johannes Calvijn) door de Franse regering vogelvrij was verklaard en zijn leven in Frankrijk niet meer veilig was. In de 16e en 17e eeuw hebben honderdduizenden Hugenoten de wijk uit Frankrijk genomen, waarvan er plm. 70.000 in de Nederlanden zijn terecht gekomen.

Familie van huisschilders

Verschillende generaties Marseille hebben het beroep van huisschilder uitgeoefend. De eerste die als zodanig genoemd wordt is Albertus Marselje, in 1805 geboren te Haarlem. Zijn zoon Gerrit Marselje (geboren in 1827, ook huisschilder in Haarlem) is de stamhouder van de Marseilles die in Lisse terecht zijn gekomen. Gerrit had twee zoons: Hendrik en Albertus. Deze Hendrik (1856 – 1939) was mijn grootvader. Hij werd timmerman en had naast een zevental dochters slechts één zoon: Pieter Gerardus (1898). Albertus (1871 – 1939) is de grootvader van de heren Bert en Bram Marseille die nu nog in Lisse woonachtig zijn. Zoals bekend had deze Bert Marseille jarenlang een schildersbedrijf wat hij later overgedaan heeft aan Ype Daudeij.

Timmerman

De 28 jarige Hendrik met zijn eerste knecht Kobus van Biezen. Foto uit 1893

Mijn grootvader Hendrik is waarschijnlijk op het terrein van zijn vader en broer, achter de voormalige bakkerij van Vaneveld, aan de westzijde van de Heereweg, in 1893 aan het timmeren gegaan. In slechts enkele jaren moet dat bedrijf zijn uitgegroeid tot een timmerbedrijf van flinke omvang.

De reden dat ik in de inleiding gezegd heb dat mijn grootvader voor Lisse van grote betekenis is geweest heeft vooral te maken met alles wat hij in Lisse gebouwd heeft.

Bollenvilla’s

Zo werd in 1923 door mijn grootvader het bekende huis ‘In de bocht’ gebouwd in opdracht van de heer Bert van der Nat, toenmalig directeur van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen, destijds gelegen op de hoek Heereweg/ Julianastraat. In die tijd bestond de Von Bönninghausenlaan nog niet en stond dat huis inderdaad in de bocht. Van 1937 tot 1979 was deze villa de ambtswoning van de burgemeester. De architect van dit huis was de heer Leen Tol Sr.

 Huize Rutsbo

In 1925 werd door mijn grootvader de villa Rutsbo gebouwd in opdracht van de bloembollenkweker-exporteur Driehuizen. Het huis is vernoemd naar mevrouw Ruth Driehuizen-Heurgren. Mevrouw Driehuizen kwam van oorsprong uit Zweden. De naam Rutsbo betekent ‘woning van Ruth’. Bo is Zweeds en betekent woning. Ook deze woning, inclusief de achterliggende bedrijfsgebouwen, zijn getekend door architect Leen Tol Sr.

Von Bönninghausenlaan

Omstreeks 1935 is mijn grootvader begonnen met de bouw van de huizen aan de Von Bönninghausenlaan. Ik heb niet kunnen achterhalen of mijn grootvader eerst dat land wat waarschijnlijk tot die tijd in eigendom was van G. van der Mey’s Zonen zelf had gekocht. Er werden steeds blokken van vier huizen gebouwd. Kort voor zijn overlijden in 1939 was de Von Bönninghausenlaan gereed. Nog steeds is de Von Bönninghausenlaan een straat met prachtige degelijke en statige huizen, ook gebouwd onder architectuur van Leen tol Sr. Echt iets om trots op te zijn. Het moet, achteraf bezien, toch een hele onderneming geweest zijn om net na de crisis aan de bouw van deze woningen te beginnen. De enige zoon van mijn grootvader, de heer Piet Marseille, betrok na zijn trouwen in 1928 eerst tot 1935 het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 2 en daarna nr 10. Daar hebben ze gewoond totdat in 1939 mijn grootvader kwam te overlijden. Zijn weduwe, mijn grootmoeder, verruilde toen de ouderlijke woning aan de Heereweg nr. 157 met het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 10, samen met drie ongetrouwde dochters: Gerda, Rika en Rie (mijn moeder).

1927. Von Bönninghausenlaan moet nog ontwikkeld worden. Huis ‘In de bocht’ staat er al. Vooraan huize Veldhorst van G. van der Mey’s Zonen met omringend bollenland.

Grootmoeder Marseille kwam te overlijden in het voorjaar van 1943 en in december van hetzelfde jaar trouwde mijn moeder met Rudolf Nieuwenhuis. Vanwege het gebrek aan woningen in en kort na de oorlog bleven mijn ouders de eerste jaren bij de andere twee zusters op nr. 10 wonen. Zo kon het gebeuren dat dat huis ook het geboortehuis werd van mijn broer Ruud en van mij De twee overgebleven vrijgezelle zusters van mijn moeder Gerda en Rika waren in de hele streek bekend als de dames Marseille. Zij trokken er vanuit Von Bönninghausenlaan 10 per Solex op uit om menig klant van een eksteroog af te helpen.
De Von Bönninghausenlaan is genoemd naar Jhr. Paulus Frederikus Johannes von Bönninghausen tot Herinkhave (1858 – 1919) die van 1888 tot 1919 burgemeester van Lisse was. In die periode is de Agathakerk gebouwd (1902), de Kathedraal van de Bollenstreek.
Behalve het realiseren van bovengenoemde huizen en straat deed mijn grootvader ook het onderhoudswerk aan Kasteel Keukenhof voor de Graaf van Lynden. Of hij nog meer beeldbepalende bouwwerken in Lisse gebouwd heeft is me niet bekend.

Gefuseerd met Horsman

Mijn oom Piet had twee kinderen. Zoon Hein koos voor het ruime sop en dochter Hans vertrok naar Canada. Bij gebrek aan een opvolger besloot oom Piet in 1959 te fuseren met aannemer Horsman, onder de naam Horsman & Co en Marseille. Horsman was aan de Nieuwstraat uit zijn jasje gegroeid en kon zo gebruik maken van de ruimere locatie aan de Heereweg. Nog steeds meldt de firma Horsman op zijn website dat de zaak in 1893 is begonnen. Dat geldt dan alleen voor het deel Marseille. Horsman zelf werd pas kort voor de oorlog actief in de bouwwereld. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de firma Horsman een bouwbedrijf is waar we als Lissers trots op mogen zijn. Net zo trots als ik op mijn grootvader mag zijn. Naast zijn andere sociale activiteiten, zoals genoemd in het krantenartikel, mag ik toch met enige trots zeggen dat mijn grootvader Hendrik Marseille een prachtige bijdrage heeft geleverd aan ons mooie dorp. Dat zijn naam nog tot in lengte van jaren in ere moge blijven.

Stamboom van Marseille

 

De Conscriptie

Napoleon voerde in 1810 de algemene dienstplicht in om tegen de russen te vechten. Alle  jongemannen geboren in 1788 in oa Lisse moesten zich melden. Er waren uitzonderingen. Lisse moest 17 manschappen leveren. Zij moesten zich in de Witte Zwaan inschrijven. Namen en omstandigheden van de Lissese rekruten worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Als in 1810 Napoleon zich, ondanks alle gesloten verdragen, bedreigd voelt door de Russische tsaar Alexander en zijn legers, besluit hij de tsaar voor te zijn en met een enorme legermacht Rusland binnen te trekken en Rusland aan zich te onderwerpen. Hiervoor waren soldaten nodig, heel veel soldaten. In het diepste geheim begon hij troepen en materialen samen te trekken in Oost Pruissen om van daar uit Rusland binnen te trekken. Alle door hem veroverde landen, welke toen deel uit maakten van het Franse Keizerrijk, kregen bij Keizerlijk decreet de order soldaten te leveren. Zo ook in Nederland. Hiervoor werd de “Conscriptie” ingevoerd, wat vertaald betekent “Loteling”.
Hiermee werd de invoering van de algemene dienstplicht een feit, ook in Lisse. Heel Nederland was ingedeeld in Arrondissementen, naar Frans voorbeeld, en deze waren weer opgedeeld in Kantons, kleinere bestuurlijke eenheden. Lisse lag in het Arrondissement ” Département des Bouches de la Meuse”, ofwel Departement van de Monden van de Maas, en was begin 1811 de Hoofdplaats van het 11e Kanton Lisse.
Verplicht dienst nemen in Leger of Marine was altijd een niet te bespreken issue geweest in de Republiek en ook nu verwachtte men massaal verzet hier tegen. Maar buiten enige schermutselingen in met name de Zaanstreek werd de invoering van de dienstplicht gelaten geaccepteerd. Zo verscheen op de voorpagina van de Leydse Courant, ofwel “ Gazette de Leide” van 20 maart 1811, in zowel het Frans als in het Nederlands, de oproep te verschijnen door het navolgende, door de Prefect, Baron de Stassart, geplaatste bericht:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect der Monden van den Maas, heeft door eene Circulaire, geadresseerd aan den Heeren Maires van het Eerste Arrondissement (die van den Haag) de dagen en uuren van de Loting van de Conscriptie bepaald.”

G. de Stassart

De Prefect, Baron G. de Stassart

Voor het 11e Kanton, Lisse, gold dat de opgeroepen jongelieden zich op 22 maart 1811 om acht uur ’s morgens moesten melden in Lisse, om vervolgens in het Rechthuis van Lisse, “Logement de Witte Zwaan”, een lot te trekken uit de grote schaal met nummers. Alle jonge mannen welke in 1788 waren geboren uit de dorpen Warmond, Oegst- en Poelgeest, Rijnsburg, Voorhout, Noordwijkerhout, Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Sassenheim, Lisse en Hillegom, de Lichting 1808, werden met terug werkende kracht aan loting en keuring onderworpen. Om onder de dienstplicht uit te komen waren wat regels opgesteld. Was een Loteling voor februari 1811 gehuwd, werd hij vrijgesteld. Was hij de enige of oudste zoon van een weduwe, werd ook vrijstelling verleend. Ook kon men gebruik maken van een vervanger, de z.g. Remplaçant. Dat was iemand die zich voor veel geld bereid verklaarde om de plaats van de dienstplichtige over te nemen, meestal arme sloebers welke de koopsom heel goed konden gebruiken. Maar ook hier aan waren regels verbonden. Zo lezen we verder in de bovengemelde Courant:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect van het Departement der Monden van de Maas. Vermeend zyne onderhorigen te moeten waarschouwen, dat Myn Heer den Staatsraad, Directeur-Generaal der Conscriptie, beslist hebbende, dat de klassen voor gaande aan die van 1808, vrijgesteld zyn, zullende de opgeschrevenen, die zich willen doen vervangen,hunne plaatsvervangeners moeten nemen , onder de Mannen, die voor 1 January 1788 geboren zyn en het 30e jaar nog niet bereikt hebben. Zy moeten de lengte van 1 meter 649 millimeter ten minste hebben, van een sterke gesteldheid zyn, hoegenaamd geene gebreken hebben, in dit Departement geboren zyn. Zy moeten bovendien niet alleen tot geen schande of straffe ten lyve verwezen geweest zyn,maar nog een goede naam genietenen te dien einde een Certificaat van den Maire van hun verblyf inleveren, bewijzende hun zedelyk gedrag. De slegte keus der Plaatsvervangers,steld de vervangenen bloot dezelven ten hunne kosten van de Regimenten te zien terug gezonden en er anderen te moeten leveren. Zy waarborgen dezelven gedurende twee jaren.

Den Haag den 17 maart 1811.

G. de Stassart”

Een Remplaçant kopen was maar voor zeer weinigen weggelegd gezien de enorme kosten welke dit met zich meebracht. Was het in vroeger tijden een makkie om de pastoor of dominee om te kopen om een vervalst doopbewijs te verkrijgen, met de invoering der Burgerlijke Stand was dit onmogelijk geworden. Verder wordt in dezelfde Courant vermeld dat de Loting op 22 maart 1811 ten 08.00 uure in het Rechthuis te Lisse zal worden bestierd door de onder-Prefect van het 1e Arrondissement. Ook wordt beschreven dat het 1e Arrondissement in totaal 217 mannen zal moeten leveren waarvan het Kanton Lisse er 17 voor zijn rekening neemt. Het moet een drukte van belang zijn geweest die morgen op het lommerrijke Vierkant. Honderden jongemannen, zenuwachtig, misschien prikkelbaar, maar ook hongerig, zodat vermoedelijk de plaatselijke winkeliers en horeca een flink graantje mee pikten van het Loting gebeuren. In de Witte Zwaan was een lange tafel geplaatst waaraan de sous-Prefect zitting had geflankeerd met enige Griffiers. Ook was in en om de Zwaan een groot aantal Franse Gendarmes aanwezig om ieder teken van opstand of weigerachtigheid de kop in te kunnen drukken. De meesten van deze jongens welke voor de Loting kwamen waren nog nooit buiten hun dorp geweest en wisten nog niets van de wereld, al zullen er ook wel zijn geweest welke verlangden naar de veronderstelde vrijheid welke de militaire dienst met zich mee bracht.

De honger naar soldaten was zo enorm groot dat bij Keizerlijk decreet was bepaald dat alle jongens, ongeacht de leeftijd, welke in Arm- of Weeshuizen werden opgevoed ter beschikking van het Keizerrijk zouden worden gesteld en in Versailles een militaire opvoeding zouden krijgen in de Kazerne-scholen van de pupillen van de Keizerlijke Garde. Zo verdwenen uit Nederland in totaal 1039 kinderen. Niet bekend is of zich hierbij ook kinderen uit Lisse bevonden. Voor zo ver mij bekend is hier naar nooit onderzoek gedaan. Wie waren deze 17 jongelingen uit Kanton Lisse welk het ongeluk hadden een nummer te trekken welke je van het ene op het andere moment van landarbeider tot soldaat veranderde. Er zal veel hartverscheurend afscheid zijn genomen, voor de meesten voorgoed. Zo vertrok een trieste colonne jonge mannen, bewaakt door Franse Gendarmes ten einde desertie te voorkomen, uit Lisse richting Frankrijk om daar een korte militaire opleiding te krijgen en vervolgens ingezet te worden aan een van de vele fronten. Een langdurige zoektocht langs allerlei archieven bracht me op een website van het Franse Ministerie van Defensie waar ik de stamboeken vond van enige militaire eenheden uit die tijd en met verbazing vond ik daar honderden Nederlanders welke ingelijfd waren in de Franse Cohorten. Het is het topje van een enorme ijsberg waarin ik enige jongens uit Kanton Lisse terug vond. Daar voor had ik een overlijdakte van een van hen gevonden, in de overlijdregisters van Lisse. Hierin wordt vermeld dat Guillaume Jacques van der Son, inwoner van Lisse, fuselier bij het 124e Regiment Infanterie Linie, 2e bat. 3e Comp. sinds 17 Junij 1811 ingelijfd bij dit regiment in Abbeville, opgenomen was in het Militair Hospitaal in Leiden en aldaar op den 31 Mei 1812 was overleden. (Lisse.1813.folio.9). Jacob was de ochtend van de loting nog optimistisch en vol vertrouwen geweest. Hij had lot nummer 28 getrokken en dacht ruim veilig te zijn. Tot zijn afgrijzen was hij niet veilig genoeg en ook hij werd op mars gezet naar de stad Abbeville, waar zich de kazerne bevond van het 124e Regiment Infanterie Linie. Hij staat vermeld in de Stamboeken als No: 3269.

 

Beijsens, bakker en kapper in Lisse

Het Lisser kwartiertje begint bij Antonie Beijsens, geboren in 1825. Hij was onderwijzer. De genealogie en andere wetenswaardigheden worden beschreven.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Antonie Beijsens, de schoolonderwijzer

De familie Beijsens maar ook de families Jansen, Louwers en Krijnen, voorouders van Franciscus Johannes Antonius Beijsens, komen vanaf het begin van de 19e eeuw overwegend uit de provincie Noord-Brabant. Antonie Cornelis Beijsens is in 1825 geboren in de voormalige gemeente Bladel en Netersel, als kind van Theodorus Beijsens en Martina Somers. Antonie Beijsens is volgens het Hoofdelijk Invullingsregister van 1849 al schoolonderwijzer in Vessem en woont dan in wijk Wintelre in huis 131. Hij woont in bij een bouwman, diens vrouw en hun jonge dochtertje. Antonie is dan nog niet getrouwd en zijn ouders wonen in Oirschot, zodat hij kennelijk wel in Vessem moet inwonen. Vessem is voor het eerst genoemd in 1292 toen Hertog Jan I van Brabant het dorp gemeenterechten verleende. Doordat in 1815 enkele omliggende plaatsjes worden opgenomen in de gemeente Vessem, neemt deze behoorlijk in belangrijkheid toe. Behalve de burgemeester willen dan bijvoorbeeld ook de notaris en de dokter er komen wonen. In 1854 trouwt Antonie Beijsens in Liempde met de daar geboren Hendrika Vugts, dochter van Cornelus en Woutriena Mensvoort. Het gehuwde paar woont in Vessem dat tegenwoordig sinds bijna twintig jaar Eersel heet. Tussen 1855 en 1872 zijn in Vessem zeven kinderen Beijsens geboren. De oudste is een dochtertje, Clara Woutrina, maar zij wordt slechts elf maanden oud. Zoon Antonie is het tweede kind in oktober 1856. De jongste van het hele stel is dochter Martha Catharina. Zij wordt uiteindelijk maar liefst 89 jaar oud en is overleden op Curaçao. Het gezin Beijsens woont decennia lang in Vessem waar vader Antonie tot 1890 als onderwijzer in het Bevolkingsregister voorkomt, in de periode van 1862 tot 1879 zelfs als hoofdonderwijzer.

Zoon Antonie Beijsens wordt bakker

De oudste zoon van Antonie en Hendrika, hun zoon Antonie Cornelis Beijsens junior, geboren in 1856 in Vessem, trouwt met Maria Catharina Jansen uit Sint-Michielsgestel. Daar is dan ook hun huwelijk in 1880 voltrokken. Antonie wordt bakker. Het gezin vestigt zich in Oirschot waar negen kinderen geboren worden. In 1897 wordt Franciscus Nicolaas Antonius geboren als het bijna laatste kind in het gezin. De hekkensluiters zijn de tweeling Alphonsus en Johannes Beijsens. Het eerste kleine jongetje van deze twee overlijdt helaas al binnen een tiental dagen. Vader Antonie blijft broodbakker en een van zijn zoons wordt dat ook. Een van de andere zoons wordt banketbakker en ook zoon Franciscus gaat in de leer als banketbakker in de omgeving van zijn woonplaats tot hij naar Lisse vertrekt, in 1920. Enkele jaren later overlijdt Maria Jansen, de vrouw van bakker Antonie, in Oirschot.
Ongeveer vijfentwintig kilometer noordelijker, in ‘s Hertogenbosch, zijn ondertussen Franciscus Louwers en Maria Theresia Krijnen getrouwd. Van de zeven kinderen die in elk geval uit dit huwelijk geboren zijn, komt dochter Petronella Louwers in 1886 in Schijndel ter wereld. Ze groeit op en verlooft zich ergens tegen het jaar 1920 met bakkerszoon Franciscus Beijsens. Franciscus komt terug naar Brabant voor het huwelijk met Petronella in Schijndel en daarna vertrekken ze samen naar Lisse.

Franciscus Beijsens wordt ook bakker

Franciscus Beijsens wordt aanvankelijk banketbakker. Hij komt in 1920 vanuit Oirschot naar Lisse en wordt hier ingeschreven op 4 februari op het adres van banketbakker Weber op de Heereweg, tegenover de Hervormde Kerk. Er was echter geen bijzondere reden voor Franciscus om juist bij zijn beroepsgenoot in te trekken. Het bestuur van de R.K. Coöperatie waar hij in dienst zou komen, heeft eenvoudigweg geïnformeerd of hun werknemer daar voor korte tijd kon inwonen. Niet lang daarna heeft Franciscus nog kort op de Stationsweg ingewoond tot hij trouwt en zijn vrouw ook naar Lisse komt. Want in oktober 1920 trouwt Franciscus op 23-jarige leeftijd in Schijndel met de daar geboren Petronella Louwers. Na het huwelijk wordt Petronella eveneens als inwoner van Lisse ingeschreven, op 27 oktober 1920. Zij is de 296e die in dat kalenderjaar als nieuwkomer in Lisse wordt ingeschreven. Het jonge gezin gaat op de Kapelstraat wonen, in een woning boven de latere Boekhandel De Haas. Daar wordt ook hun oudste dochter geboren.

RK Coöp. Broodbakkerij Kapelstraat Lisse – Coll. Oud Lisse

De bakkerij van de R.K. Coöperatie ligt aan de Kapelstraat. Eerder heeft op dat adres een slagerij gezeten. Franciscus heeft de inventaris voor de bakkerij zelf aangeschaft, uit een failliete bakkerij uit Amsterdam. Omdat er meer inventaris bleek te zijn gekocht dan nodig voor de bakkerij, heeft Franciscus de rest weer verkocht. Met de opbrengst daarvan kan hij zijn eigen huis inrichten. Dit krijgt hij van de Coöperatie in gebruik, het staat vlak naast de bakkerij.
Bijna twee jaar na het overlijden van de moeder van Franciscus is ook zijn vader overleden. Franciscus is negentwintig jaar oud als hij in juni 1926 samen met de veldwachter Seegbertus Vermolen het overlijden van zijn vader gaat aangeven. Deze is die ochtend overleden in het huis van zijn zoon op de Kapelstraat nummer zes in Lisse. De negenenzestig jarige bakker was slechts tijdelijk in Lisse, hij is op familiebezoek als hij ongelukkigerwijze overlijdt aan een hartaanval. De overlijdensakte vermeldt dan ook Oirschot als zijn woonplaats en niet Lisse. Er is ook een extract van dit overlijden door de gemeente Lisse naar het gemeentehuis in zijn woonplaats gestuurd. Franciscus Beijsens herdenkt in juli 1932 dat hij al 12½ jaar chef is van de bakkerij van de katholieke Coöperatie op de Kapelstraat. Teruggerekend naar de datum van zijn inschrijving in Lisse, moet hij daar al vrijwel  na zijn aankomst in Lisse als chef begonnen zijn. Indertijd was er in Lisse overigens voor brood niet alleen een katholieke Coöperatie, die op de Kapelstraat, maar er was ook nog die van de protestanten op de Grachtweg.
Nieuwe Leidsche Courant 16-07-1932 – Coll. Erfgoed Leiden e.o. Historische Kranten
Bakker Franciscus Beijsens is naast zijn werk ook vele jaren betrokken bij de zangvereniging St. Gregorius, als lid maar ook als voorzitter. Daarnaast is hij actief in de plaatselijke politiek. Enkele malen staat hij op de kieslijst van de RK Staatspartij, als ondersteuner. Hij vergaart bij die kandidaatstellingen voor verschillende gemeenteraadsverkiezingen dan ook de nodige stemmen. Op een echt verkiesbare plaats op de lijst heeft hij niet gestaan, hij heeft vast geen tijd gehad om dat er ook nog bij te doen.
Zijn vrouw Petronella overlijdt in 1961 in Lisse. Franciscus is na het overlijden van zijn vrouw naar Breda gegaan en heeft daar bij zijn dochter ingewoond. In 1963 is hij daar als gevolg van een hartaanval overleden.

Franciscus Johannes Antonius Beijsens de herenkapper

In 1922 is zoon Franciscus geboren uit het huwelijk van broodbakker Franciscus Beijsens en zijn vrouw Petronella Louwers.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van juli 2016.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XVI: Geen konijn op het menu met Oudejaarsdag 1847!

Rob Pex vertelt over de diefstal van een konijn. Deze was voor de verkoop bestemd. Getuigen worden gehoord.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Hoe het allemaal begon We bevinden ons juist tussen Kerstmis en Oudejaarsdag van het jaar 1847. Een konijn als diner op tafel gaat er dan altijd wel in. Maar hoe kom je daar zo gauw aan? Toevallig wist Jansje de Graaff, echtgenote van Dries van Wateringen1, buitengewoon goed de weg te bewandelen in deze. Leendert van der Werff, broodbakker aan ‘t Vierkant2, had namelijk nog twee konijnen, een zwart bonte en een witte, in een hok achter zijn huis. Ze verzocht dus vriendelijk aan bakker Van der Werff of zij een konijntje van hem mocht kopen. Het was niet voor haarzelf maar voor haar dochter bestemd die vlakbij het pas gebouwde gemaal De Leeghwater aan de Ringvaart woonde. Van der Werff stemde in. Hij wilde zelfs het konijntje wel komen bezorgen bij haar dochter! Tot nog toe leken dus Van der Werff en Jansje de Graaff aardig zaken te doen met elkaar. Maar dan…

Afb. 1. Blik op de hoek Heereweg/ Kanaalstraat (v/h Broekweg), met rechts de smederij van Schuts, in 1847 bewoond door Dries (A.A.S.) van Wateringen en zijn vrouw Jansje de Graaff, ca. 1900. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

De konijnen zijn weg!

Op maandagmorgen tussen tien en elf uur toog bakker Van der Werff richting het konijnenhok. Tot zijn verbazing stond de deur van het hok  wagenwijd open! En de konijnen waren verdwenen! Wat moest hij nu zeggen tegen vrouw Van Wateringen? Maar gelukkig bleek zij al voorzien van twee konijnen die ze bij Joseph van Opzeeland had gekocht voor 60 cent. Ze liet ze aan hem zien. Van der Werff herkende ze onmiddellijk als de twee konijnen die uit zijn hok waren gestolen en deed hiervan aangifte bij de veldwachter.

Getuigenverklaringen

Joseph van Opzeeland was natuurlijk onmiddellijk verdachte nummer 1. Een aantal getuigenverklaringen moest dat bevestigen. Eerst bewijs! Op 29 december 1847 verklaart Jan Hendrik Baak, spoorwegwerker te Lisse, dat hij van Sijmen (lees: Simon) Beijk, arbeider, het navolgende had vernomen. Beijk was juist op bezoek bij Van Opzeeland. Laatstgenoemde was in gesprek met Cornelis van Kesteren en Beijk ving daar wat flarden van op. Van Opzeeland had recentelijk goede zaken gedaan: hij had twee konijnen verkocht aan vrouw Van Wateringen (Jansje de Graaff) voor 12 stuivers! Dat wilde echter nog steeds niet zeggen dat hij ze gestolen had, dus de veldwachter moest wat dieper gaan graven. Hij besloot Simon Beijk eens aan de tand te voelen.

Simon Beijk weet van niets…

Beijk verklaarde echter ‘niets te dier zake gezegd te hebben’. Integendeel zelfs! Jan Hendrik Baak had het verhaal aan hèm verteld! En Baak had er ook nog aan toegevoegd dat Van Opzeeland de konijnen had gestolen. Verder wilde Beijk er niets van weten… Hij stak dus zijn kop in het zand. Bij Jan Baak moet je zijn! Niet bij mij! Maar Baak was over deze verklaring hoogst verbaasd. Hij had er met Beijk nota bene nog uitgebreid over gesproken op de ‘Kruisweg’!3

Beijk had  zelfs een uitgebreide beschrijving gegeven van de ontvreemde konijnen. Hij verklaarde echter ‘van dat alles niets te weten’, zo lezen we in het politierapport.

Besluit

En met die woorden werd het politierapport afgesloten. Omdat Beijk zijn vingers niet aan de zaak wilde branden, verklaarde hij van niets te weten. Er konden dus geen bewijzen worden gevonden voor het vermoeden dat Van Opzeeland de konijnen in kwestie had gestolen uit het hok van bakker Van der Werff. En zo belandde het hele verhaal dus in de historische vergeetput, zoals vermoedelijk met meer niet afgedane zaken is gebeurd. (Totdat ze werden gepubliceerd in het nieuwsblad van de VOL).
Jansje van Wateringen-de Graaff moest de twee konijnen, als zijnde belangrijk bewijsmateriaal, achterlaten bij de veldwachter. Het was dus wel zuur voor haar dochter bij de Leeghwater, maar laatstgenoemde moest het dit jaar zonder konijn op het menu stellen!

Afb. 2. ’t Vierkant omstreeks 1900. In het witgepleisterde huis, 2e huis naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, had Leendert van der Werff in 1847 zijn bakkerij. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

Noten

1 Waarschijnlijk woonachtig op de hoek Heereweg/Kanaalstraat. Hier vestigde zich later smederij Schuts. Zie afb. 1.

2 De bakkerij bevond zich naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, waar zich later bakkerij De Lange bevond. Zie afb. 2.

3 De Kruisweg was vermoedelijk het gedeelte van de huidige Kanaalstraat, daar waar deze op de Heereweg uitkwam.

Bronvermelding

Index op naam van publicaties over oud Lisse
Gemeentearchief Lisse inv. nr. 1115.