Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Lisse was fameus om haar bloemententoonstellingen

De afdeling Lisse van de Algemene Vereniging Bloembollencultuur werd in 1879 opgericht. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstellingen werden gehouden in de Witte Zwaan.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad  Jaargang 3 nummer 2, april 2004

De tentoonstelling Bloemlust bestaat al jarenlang niet meer. Maar de huisbroeitentoonstelling (nu Lenteflora geheten) is nog altijd een traditie.

Hadden de bloemistknechts aan het begin van de vorige eeuw hun vakbonden zoals St. Isidorus; de kwekers zaten ook niet zonder. Die konden zich verenigen in de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (thans Koninklijk). De afdeling Lisse van deze vereniging werd op 13 maart 1879 opgericht. Onder leiding van voorzitter C.Blokhuis (inderdaad de Blokhuis die het land bezat waar nu het winkelcentrum is gevestigd) werden de eerste stappen op het verenigingspad gezet. Men werd overigens lang met de naam Blokhuis geconfronteerd, want toen de driejarige voorzittersperiode voorbij was nam de heer G.Blokhuis de hamer over. Dit hamertje wisselen duurde tot 1896. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstelling die in 1929 in de (houten) HBG hallen werd gehouden vanwege het 50-jarig bestaan van de afdeling, spande wel de kroon. Niet alleen omdat men een enorme berg werk verzette om alles zo mooi en groots mogelijk te doen zijn, maar ook voor wat betreft de enorme tegenslagen die men kreeg te incasseren. Het vroor in die bewuste februarimaand namelijk dat het kraakte (het gemeentehuis in Leiden brandde af en veranderde door het bevroren bluswater in een schitterend ijspaleis). De pakweg 20 graden vorst konden niet worden verwerkt door de nog experimentele oliestook c.v. en de tentoonstelling ging door de kou ten onder. Zelfs de voor 4000 (!!!) gulden gehuurde palmbomen gingen eraan. Eerdere tentoonstellingen werden gehouden in (jawel) De Witte Zwaan. De vakpers schreef over de bloemenexpositie van 1892:. “Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen. Het lokaal van De Witte Zwaan was in een waar lustoord veranderd en reeds bij het binnentreden was de aanblik grootsch. Ofschoon tulpen schaarsch waren en Narcissen en Crocussen geheel ontbraken, werd men voor dit gemis schadeloos gesteld door de grote massa Hyachinten, welke in onberispelijke exemplaren voorhanden waren…”

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Bloemententoonstelling in 1930

 

OOSTENRIJKSE GRAVIN IN 1675 TOT BLOEMENHEKS VERKLAARD EN VERBRAND

Door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 2, april 2004

In bloei trekken van bloembollen was in de zeventiende eeuw heel riskant.

 

Anno 2004 wordt om de haverklap geschreven en verteld over het in bloei trekken van bloembollen. Er zijn zelfs tentoonstellingen van bloembollen die in een vroeg stadium in bloei zijn getrokken. Op de Midwinterflora bijvoorbeeld zijn daarvan steevast knappe staaltjes te zien. Allemaal het resultaat van het bedotten van de natuur. Een soort tovenarij dus.

Reeds honderden jaren geleden werd het broeiresultaat beschouwd als iets bovennatuurlijks. Heksenwerk was het en daarover gaat de volgende geschiedenis. Het verhaal van een vrouw waarvan het geschilderde portret in de Riegersburg hangt. Een machtige burcht op een 480 meter hoge rots ergens in het oosten van Stiermarken. Het is het portret van een vrouw met een edel gevormd gezicht en eindeloos weemoedig starende ogen. Haar rechterhand rust op een weelderige bos tulpen en narcissen en in de linkerhand houdt ze een tuiltje alpenbloemen. Het is Katharina Faltauff, de bloemenheks. Ze leefde in de zeventiende eeuw, het tijdperk van de heksenprocessen. De winter van 1675 was streng en langdurig. Toen april in het land kwam, lagen de landerijen nog dik onder de sneeuw en waren de beken stijf bevroren. Maar in een der vertrekken van de Riegersburg begonnen de uit Holland geimporteerde tulpen en narcissen te bloeien. Katharina was een groot liefhebster van bloemen en planten en experimenteerde kennelijk ook met bolgewassen. Het lukte haar tulpen en narcissen in bloei te krijgen terwijl het buiten nog overduidelijk winterde. Kwamen nu de belangstellenden in lange rijen om dat wonder met eigen ogen te gaan zien? Geen sprake van! Het feit dat Katharina deze bolgewassen liet bloeien in een ongewone tijd was niet normaal. Dat kan alleen met behulp van de duivel. Iedereen was het er over eens: zij was een heks.

Heksengericht
Het Heksengericht kwam naar de Riegersburg. Natuurlijk werd Katharina in de kerker geworpen en kort daarop verhoord. De rechter vroeg haar eerlijk te bekennen dat zij dit bloemenwonder met behulp van demonen tot stand had gebracht. In de afgelopen zomer was het koren door een ongewoon hevige hagelstorm vernietigd. Was dat ook niet haar schuld? Durfde zij nog te ontkennen dat ze de zwarte kunst machtig was? Katharina ontkende, maar dat baatte niet. Zij werd op het rek gelegd, haar voeten werden geschroeid met gloeiende ijzers en de beulen bedachten nog veel allesbehalve zachtzinnige methoden om haar aan het praten te krijgen. Zij overleefde deze verschrikkelijke folteringen zonder te bekennen. Maar toen haar lichaam genezen was, bleek haar geestvermogen gestoord te zijn. Van de morgen tot de avond vervloekte ze haar geboortedag en het mensdom. Dat was voor Katharina’s rechter het beste bewijs dat ze door de duivel bezeten was. Op 23 september werd zij op het marktplein te Feldbach levend verbrand. En als we een schone ballade van de Weense dichter Johann Vögl mogen geloven, dan stierven op hetzelfde ogenblik alle bloemen op de Riegersburg. En sedertdien heeft daar nooit meer een bloem gebloeid!!

Voorgetrokken nieuwe tulpensoorten in de expositiehal van CNB, Lisse op 23 januari 2004 Model Sabrina Schuite van de afdeling Verkoop en Veiling wilde wel even poseren.

Nog in tact
In de Nieuwe Rotterdamse Courant heeft A. Burkij-Bartelink jaren geleden de geschiedenis van Katharina Paltauff uitvoering beschreven. De Riegersburg staat er nog altijd. Ondanks vele oorlogen en de Russische bezetting van 1945 tot 1955 is het kasteel vrijwel in tact gebleven. Nog immer troont het slot hoog en grimmig boven de liefelijke Stiermarkse omstreken, het land dat drie eeuwen geleden getuige is geweest van een heksenvervolging die haar weerga in de Europese geschiedenis niet heeft.De heksenjacht bereikte haar hoogtepunt in de jaren 1673 tot 1675. Het verbranden of verdrinken van mensen – meest vrouwen – die het odium droegen van een verbond met de duivel te hebben gesloten en daardoor over bijzondere hoedanigheden beschikten, is zeer oud. Het kwam in elk land voor. De normale, eenvoudige mens houdt niet van bovennatuurlijke machten, van toverij en van verschijnselen die in strijd zijn met de seizoenen, de zwaartekracht, de normale wetten van oorzaak en gevolg. Wie vermogens bezat die daarmee spotten, plaatste zichzelf buiten de samenleving en werd als een gevaar voor de gemeenschap verwijderd.

Geteisterd
Oostelijk Stiermarken is door de eeuwen heen een geteisterd gebied geweest. De bodem is steenachtig en moeilijk te bewerken.Bovendien heeft de bevolking van de dertiende eeuw af te kampen gehad met invallende horden uit het oosten. De grootste ramp die het land ook trof was de Hongaarse overval van 1605. De dorpen Furstenfeld en Feldbach werden volledig verwoest.3500 mensen werden gedood of verbannen. De gehele oogst en de complete veestapel werden geroofd. Het duurde tientallen jaren eer de boerenbevolking deze slag te boven was. De armoede die er vrijwel de gehele zeventiende eeuw door het gevolg van is geweest, moet onbeschrijflijk geweest zijn. Toch was het niet de bevolking in haar geheel die onder deze druk leed. De welgestelde burchtheren in hun kastelen waren vaak de dans ontsprongen en de kloosters hadden ook hun grote bezittingen in de vorm van landerijen. En als de burchtheren tekort kwamen, dan voerden ze wel één of andere heffing in, op te brengen door arme sloebers die zelf nauwelijks te eten hadden. En deze ,,cleyne luyden” waren ook weer het kind van de rekening toen in 1664 de Turken rovend, moordend en vrouwen schendend het land binnenvielen. Weliswaar werden de Turkse horden bij Mogersdorf beslissend verslagen, maar opnieuw waren duizenden burgers gesneuveld.

Maat was vol
De maat was vol. Het volk nam het niet meer. De woede van de boeren richtte zich in de eerste plaats tegen de adel in hun kastelen en tegen de geestelijkheid in haar prachtige kloosters. Het eenvoudige volk beschikte niet over de wapens en de middelen om deze te vernietigen, maar het had een ander – en machtiger! – middel: het gefluisterde gerucht. In een nabij gehucht zou een vrouw een kind ter wereld hebben gebracht dat een varkenskop had. De jonge moeder was kort tevoren naar de Mis geweest en de priester zou haar daarbij doordringend hebben aangekeken. Was dat niet dezelfde priester die gezien was op de Schlieszelberg waar ’s nachts kloosterbroeders het hoofd getooid met een bos groene veren onder het uitschreeuwen van godslasteringen het heilige kruis bespotten? De brave man kon beweren wat hij wilde, maar hij belandde in de kerker. Hij was een handlanger van de duivel. De Heksengerechten werden opgericht en de zelden gebruikte pijnbanken tevoorschijn gehaald.In Feldbach verrees de brandstapel.

Bloed
Eeuwen lang waren het alleen vrouwen uit het volk geweest, die als heksen werden aangemerkt en vervolgens verbrand. Nu vroegen de boeren, gedreven door ergernis en wanhoop, naar belangrijker figuren. En toen het volk eenmaal het bloed van de folterkamer had geroken, was er geen houden meer aan. Binnen enkele maanden werden veertig geestelijken – bijna allen uit de hogere rangen – voor het gerecht gedaagd, gefolterd, veroordeeld en vervolgens verbrand.

Blonde geliefde
Over de jeugd van Katharina Paltauff, de bloemenheks, en haar eerste jaren als gade van de slotvoogd van Riegersburg is weinig bekend. Er bestaan in Stiermarken verscheidene lezingen van het optreden van deze sterk tot de verbeelding sprekende vrouwenfiguur. Het heet dat zij als jonge vrouw in gezelschap van een geliefde uit het hoge noorden naar Stiermarken kwam. Haar vaderland wordt in het proces beschreven als ,,een gebied aan het strand” en haar geliefde als een man ,,blank van huid en blond van haren”. Het is dus bepaald niet onmogelijk dat deze mensen Duitsers, Vlamingen of…..Hollanders waren. De met haar meegekomen jongeman leerde Katharina de bloemen te kweken, die in het eenzame, harde bergland van Stiermarken haar troost zouden worden. Hij was het die haar de Hollandse bloembollen en ook de hiervoor benodigde goede aarde verschafte. De jongeman overleed echter al spoedig en Katharina plantte haar zelf gekweekte bloemen op zijn graf. Kort daarop trouwde zij met de slotvoogd Simon Paltauff.

Eerste

Katharina was ongetwijfeld de eerste die in dit ruige bergland begon met het kweken van planten en bloemen in de kamers van het slot. Ze kreeg daarin op den duur veel ervaring en het werd in en rond de burcht – waar het merendeel van de mensen meende dat vrouwen binnenshuis, maar planten buiten behoorden – met stijgende verbazing geconstateerd. Intussen laaide in het naburige Feldbach de vlammen op van de brandstapels. Bij de geringste verdachtmaking greep het gerecht in. Als men gesignaleerd was in de nabijheid van een der heuveltoppen waar de zogenaamde heksensabbatten werden gehouden, was dat al voldoende om te worden gearresteerd. Het verhoor was kort, de foltering hevig, maar het ontkennen was even nutteloos als het toegeven van de feiten. Het volk wilde menselijke zoenoffers voor het doorstane leed.

Ontkennen
En zo kwam de lente van 1675, waarin men Katharina Paltauff voor het gerecht daagde. Zij ontkende. Dat deed zij ook toen men haar op de pijnbank legde, haar uitrekte en haar voetzolen met gloeiende ijzers verschroeide. De vlammen verteerden haar, terwijl het volk er grijnzend nar keek. Op de Riegersburg hangt nog altijd het door een tijdgenoot geschilderde portret van de bloemenheks. Haar rechterhand steunt op de bolbloemen, die haar op de brandstapel brachten…….
We willen natuurlijk niemand de daver op het lijf jagen en bewegen om in de wintermaanden geen bolbloemen meer aan te schaffen. Onze streek en ook Lisse leeft daarvan. Met respect voor de mensen die het voor elkaar krijgen om in de wintermaanden voorjaarsbloemen te produceren. Dat zijn geen heksen, maar vakmensen!

De bloemenheks werd verbrand vanwege het in bloei trekken van bollen in de winter.

 

“Welbedrogen”, een drama in vier lettergrepen

Een bloembollenschuur aan de Heereweg heet Welbedrogen .Schuur, huis en grond werden begin 1900 gekocht door Nieuwenhuis. Hij kon het echter niet betrekken, omdat het pand bewoond werd door Rutger van Zanten. Hij was niet te bewegen om te vertrekken. De pacht werd afgekocht, vandaar de naam Welbedrogen.

Villa Somalo 1914

Sigaar op het werk? Op het matje!

Door afzanding van de binnenduinen zagen steeds meer landbouwers in Lisse brood in de bollenteelt. Met name langs de Heereweg verrees het ene na het andere bloembollenbedrijf met prachtige bollenvilla’s. De werknemers hadden niet veel rechten.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

De bloembollenteelt in Lisse stamt van begin 1800.Langzaam werd de teelt uitgebreid, hetgeen mede mogelijk werd door de afzanding van de Binnenduinen. Ook zagen meer en meer landbouwers brood in de bollenteelt, niet in het minst omdat ze constateerden dat het de bollenmensen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden.

Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend voor de hyacintencultuur geschikt waren, ofschoon de beoefenaren van het vak uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover dat, wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die ten gevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van ‘Lissers’.
Het ging de ‘nieuwe kwekers’ ondanks de na-ijver evenwel voor de wind.
Met name langs de Heereweg verrees het ene grote bloembollenbedrijf na het andere, veelal samen met prachtige ‘bollenvilla’s’. En natuurlijk een flinke koppel personeel op de kwekerij. Bloemistknechts, die het qua pegulanten heel wat minder royaal hadden dan hun patroons. En mocht het er dan eens op lijken dat er eentje in goeden doen was omdat hij vanwege bijvoorbeeld een bepaalde feestelijkheid met een sigaar in het hoofd op het werk verscheen, dan liep deze de kans op het matje geroepen te worden en opgemerkt te krijgen, dat gezien de sigaar ook de knecht kennelijk in goede doen was en opslag dus wel kon vergeten.

 

 

Villa Somalo 1914

Samalo is één van de gemeentelijke monumenten en van oorsprong een bollenvilla.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

De plantendokter van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek

In de narcissencultuur brak rond 1916 een aaltjesepidemie uit. Professor E. van Slogteren van het instituut voor Phytologie in Wageningen werd verzocht onderzoek te toen naar oorzaak en bestrijding van het aaltjesziek. Toen werd het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek opgericht. De geschiedenis van de eerste jaren van het LAB wordt besproken.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 2, april 2004

Het is 1917. Een groot deel van Europa gaat gebukt onder de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. In de bloembollenstreek hadden de kwekers te maken met een vijand die hun bestaan bedreigde. In de narcissencultuur was een aaltje opgedoken, dat het voortbestaan van de teelt ernstig bedreigde.

Het was bollenkweker Maarschalk die de bron van veel narigheid ontdekte en de directeur van de tuinbouwschool, de heer ir. K. Volkersz liet geen gelegenheid onbenut om in gesprek en voordracht de kwekers voor de gevaren te waarschuwen. De afdeling Sassenheim van de ‘Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur’ diende een motie in waarin op speciaal onderzoek werd aangedrongen. Intussen vertoefde in een bivak op de Veluwe ene heer van E. van Slogteren. Ambtenaar aan het Instituut voor de Phytopatologie in Wageningen, maar nu even niet, want de ‘dokter’ was gemobiliseerd en droeg derhalve ’s Konings wapenrok. Dat duurde echter niet lang meer, want de noodkreet vanuit het bloembollenvak was in de juiste gelederen doorgedrongen en er kon nu een beroep worden gedaan op de kennis van Van Slogteren.

Winterschool
De militaire overheid tekende bezwaar aan tegen de beslissing om reserve officier Van Slogteren met verlof te sturen en dus aan de krijgsmacht te onttrekken. Het tegenstribbelen mocht niet baten. Op 11 april 1917 arriveerde Van Slogteren in zijn nieuwe standplaats Lisse. Hij betrok een kamertje in de Rijkstuinbouw Winterschool (de Rijkstuinbouwschool)), waar hij zich aan het onderzoek naar de aaltjes in de narcissen ging wijden. Onderzoek dat op gebrekkige wijze startte, want er mocht dan wel een bordje met de tekst ‘laboratorium’ op de deur prijken, in werkelijkheid betrof het een ruimte waarin je je nauwelijks kon keren en dat geen water of elektriciteit had. Desalniettemin ging de plantendokter onvervaard aan de slag, want het bloembollenvak werd door een gemene vijand belaagd.

Studie
Maar eerst moest de plantendokter het nodige over bloembollen leren. Hij studeerde ooit aan de Rijksuniversiteit te Groningen en promoveerde cum laude op het proefschrift “De gasbeweging door het blad in verband met stomata en intercelluraire ruimten”. Ofschoon Van Slogteren zich tot aan zijn benoeming in Lisse niet in het bijzonder heeft beziggehouden met de studie van de plantenziekten, stelde men in het bloembollenvak groot vertrouwen in hem op grond van zijn antecedenten. In Lisse werd hij bij het noodzakelijke vergaren van kennis over tulpen, narcissen en hyacinten, die hij niet uit elkaar kon houden, bereidwillig terzijde gestaan door vakmensen als W. Koning, R. Reehorst en niet te vergeten Nicolaas Dames.
Al spoedig hield de dokter spreekuur. Als een heuse dokter dus, maar nu met bloembollen als patiënten. De praktijk draaide als een trein, want binnen de kortste keren was er nauwelijks nog ruimte voor de bollenmonsters die door de kwekers voor onderzoek werden aangedragen. Een oude bollenschuur nabij de Beekbrug bood uitkomst. Dat betekende dat er steeds heen en weer gefietst moest worden om monsters te halen en te brengen, maar in het begin van 1900 maalde daar niemand om.
De oplossing: koken!
In september 1918 verscheen de eerste publicatie van de dokter over zijn onderzoek in de bloembollen. Daarin stelde hij dat hij gestart was aan de hand van drie vragen. Ten eerste waar de aaltjes (nematoden) vandaan kwamen, ten tweede op weke wijze een eenmaal besmette akker weer voor de bollenteelt geschikt gemaakt kon worden en ten derde wat men moest aanvangen met een partij narcissen of hyacinten waarin aaltjes waren aangetroffen. En de oplossing werd ook al aangedragen: koken! De bollen in een warm waterbad dompelen en daar even laten bivakkeren was (eenvoudig gezegd) de oplossing van het aaltjesprobleem.
De eerste bollen-kookketel werd geplaatst bij de firma Warnaar in Sassenheim en daarna verrezen ze overal in de streek, zoals achter restaurant De Witte Zwaan en bij Van Parijs aan de Haven. De missie van Van Slogteren was geslaagd en hij kon met ere naar elders vertrekken.

Voortgezet
Niet dus. Onder de indruk van het snelle resultaat drong het hoofdbestuur van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur er bij de overheid op aan een instituut op te richten dat ook de andere problemen in de bloembollencultuur zou bestuderen. Dit leidde in 1920 tot de oprichting van het Laboratorium voor Bloembollen Onderzoek (LBO) als afdeling van de Landbouw Hogeschool te Wageningen. Met Dr. van Slogteren als directeur.
En die directeur kon gelijk flink aan de bak, want in 1921 dreigde Amerika de grenzen voor Nederlandse narcissen te sluiten om hun eigen cultuur tegen aaltjes en narcisvliegen te beschermen. Van Slogteren reisde naar de USA om in Washington de Nederlandse zaak te bepleiten, daarin bijgestaan door vakgenoten die overzee de weg wisten alsmede het Nederlands gezantschap in de USA. Uitgebreid deed hij daar uit de doeken hoe men aaltjes moest bestrijden. De Amerikanen bleken evenwel niet van hun standpunt af te brengen en ook het verdedigen van de Nederlandse belangen op andere internationale fronten (Frankrijk en Engeland) haalde niets uit.
In november 1925 vertrok Van Slogteren wederom naar Amerika. Opnieuw tevergeefs. Een derde reis werd ondernomen in augustus 1926 en Van Slogteren hield er indrukwekkende redevoeringen tijdens het internationaal botanisch congres in Ithaca. De discussie was niet van de lucht, want zo ongeveer elke aanwezige pytopatoloog mengde zich er in. Van Slogteren wist niet van ophouden en reisde dwars door Amerika om op alle mogelijke plaatsen zijn verhaal te vertellen. Uiteindelijk werden Nederlandse narcissen (onder voorwaarden) in Amerika toegelaten. Maar vraag niet wat het aan geld, inzet en nachtrust had gekost.

Nieuwbouw en herbouw
Maar er werd niet alleen gereisd en toegesproken. Er waren allerlei ziekten en plagen die om een oplossing vroegen en het zoeken naar die oplossingen kwam voor professor (sedert 1925 was hij buitengewoon hoogleraar aan de Landbouw Hogeschool te Wageningen) Van Slogteren op de eerste plaats. Niet langer in het schamel ingerichte kamertje in de tuinbouwschool, maar in een heus laboratorium dat vlak naast die school was verrezen. In de periode van 1921 en 1922 werd het laboratorium gebouwd en in 1922 in gebruik genomen. Een schitterend gebouw, dat geheel was toegesneden op de specifieke werkzaamheden die er in werden verricht.
Maar de vreugde was van korte duur. Op 17 februari 1928 kraait de Rode Haan! De mare ging in ijltempo van mond tot mond. Het laboratorium staat in brand!! De vrijwillige spuitgasten trachtten de in hoog tempo om zich heen grijpende vlammen te doven, maar tevergeefs. Het enkele straaltje dat werd ingezet om de brand te bestrijden was niet genoeg en bovendien moest men steeds stoppen met blussen omdat de slang over de tramrails lag en steeds als de tram passeerde moest worden losgekoppeld. Dat ging zo door tot iemand op het idee kwam om een sleuf onder de rails te graven en daar de slang doorheen te voeren. Het mocht echter allemaal niet baten Het lab brandde nagenoeg tot op de grond toe af en de schade was gigantisch.
Ziekten en plagen
Men ging echter niet bij de pakken neerzitten. De Gezondheidsraad stelde een noodbarak ter beschikking, de behouden gebleven garage werd als noodlaboratorium ingericht, het Centraal Bloembollen Comité tastte diep in de buidel en met medewerking van de Landbouw Hogeschool werd met de herbouw van het lab gestart. Op 13 januari 1930 werd het herbouwde laboratorium door de heer S. van Sitters, President Curator van de Landbouw Hogeschool geopend en kon men voluit verder werken. En gereisd werd er ook, want in de jaren daarna pakte de plantendokter weer regelmatig de koffers om ergens in de wereld de belangen van het bloembollenvak te behartigen.

Aaltjes: bedankt!
In jaren van de tweede wereldoorlog stond het bloembollenonderzoek op een laag pitje. Na de oorlog nam het bollenvak echter enthousiast deel aan het herrijzen van Nederland en in vrij korte tijd stond de bollenteelt weer stevig op de voeten en ging de tulp als nationaal symbool de wereld veroveren. De snelle na-oorlogse ontwikkelingen zorgden echter ook voor nieuwe problemen, met als gevolg dat er in toenemende mate behoefte ontstond aan onderzoek. In Lisse had men daar wel oren naar. Het ene project na het andere werd opgepakt, de proeftuinen van het lab werden uitgebreid en steeds meer gebouwen verrezen op het terrein. Na 1960 werd gestart met onderzoek op het gebied van de vermeerdering, selectie, rassenvergelijking, veredeling, bodembehandeling, mechanisatie en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit en onder andere ook bedrijfseconomisch onderzoek.
Het is duidelijk: als Lisse geen plantendokter had gehad en geen Laboratorium, had onze streek niet de Bollenstreek geheten! Dat die streek wel zo heet is dus eigenlijk te danken aan de aaltjes in de narcissen!

Copyright © 2004 Vereniging Oud Lisse

Bollenllaboratorium aan de Heereweg