Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Veldnamen in Lisse

door A. de Koning

25 november 2018

VELDNAMEN ZO ALS VAN OUDS GEBRUIKT IN LISSE

BEEKCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO Broekweg, ZW Bredeweg, NW Lisserbeek, NO wed. Adriaen Willems.

BENTCAMP: gelegen in de Lisserbroek

BOODCAMP: gelegen in de Lisserbroek.

BOSCAMP: ZO de Cruijsweg, NW de Schouwbeek

CALFCAMP: gelegen in de Lisserbroek

CRUIJSCAMP:

DONKERE CAMP:

GARSTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO de Schouwsloot, ZW de Kwadeweg, NW de Broekweg

GEESTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
NW de Broekweg

GERRIT AVENWEG: noordelijke grens Lisse – Hillegom

GREVELINGCAMP: gelegen in de Roversbroek

HELLECAMP: gelegen in de Sassemerbroek
3 morgen land gelegen op Hellegat, NO Gravewater

HONGERCAMP: gelegen achter het Huijs te Lisse

KOECAMP: gelegen in de Lageveen

LOOSTERCAMP: 13 ½ hont land in de Mosveen

MIDDELWEIJ:gelegen in de Lageveen

NESSE VAN DE PASTORIE VAN LISSE: ZO de Lisserbroekweg

POELCAMP:

SANT TOOM:gelegen op Hellegat

SMALLE CAMP: gelegen bij de Broekweg

SMALLECAMP:

SIJMON WITZESCAMP:

VENNETGEN: gelegen in Oosteinde

ZWADDELCAMP: gelegen in Sassemerbroek

 

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

door A. de Koning

29 oktober 2018

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

Wander Johannes de Haas, natuurkundige, geboren in Lisse op 2 Maart 1878 en overleden in Bilthoven op 26 April 1960. Zoon van Albertus de Haas, hoofd van de Middelburgse Rijksleerschool, en Maria Efting. Gehuwd op 22 December 1910 in Leiden met Geertruida Luberta Lorentz, geboren in 1885 in Leiden, dochter van Hendrik Antoon Lorentz en Aletta Catharina Kaiser. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

De Haas doorliep de lagere school en de HBS te Middelburg en ving in 1895 een studie voor kandidaat-notaris aan. Na van het examen twee van de drie onderdelen te hebben afgelegd en enige tijd werkzaam te zijn geweest op een notariskantoor, besloot hij alsnog natuurkunde te gaan studeren, waartoe het vereiste staatsexamen werd afgelegd. In 1900 begon zijn studie te Leiden.
Van 1905 tot 1911 was De Haas als assistent verbonden aan het natuurkundig laboratorium bij H. Kamerlingh Onnes en J.P. Kuenen. Ondertussen legde hij op 10 maart 1910 het doctoraal examen af.
Van 1911 tot 1913 werkte hij als assistent bij prof. H.E.J.G. du Bois op het Bosscha-Laboratorium in Berlijn. In deze periode vond op 11 juli 1912 zijn promotie bij Kamerlingh Onnes plaats op een proefschrift, getiteld Metingen over de compressibiliteit van waterstof, in hel bijzonder van water stofdamp bijen beneden het kookpunt. In dat zelfde jaar heeft De Haas, samen met P. Drapier een vernuftige methode bedacht voor de bepaling van de diamagnetische susceptibiliteit van water. Het resultaat behoort tot de standaardbepalingen van deze grootheid. Van 1913 tot 1915 werkte hij als ‘wissenschaftlicher Mitarbeiter’ aan de Physikalisch Technische Reichsanstalt, eveneens in Berlijn.

In verband met de Eerste Wereldoorlog verliet De Haas Duitsland en werd in het cursusjaar 1915-1916 leraar in de natuurkunde aan de HBS en het gymnasium te Deventer. In 1916 kwam daarop de aanstelling tot conservator aan het natuurkundig laboratorum van Teyler’s Stichting in Haarlem, waar prof. H.A. Lorentz toen curator was.

Reeds in 1915 begon De Haas met Einstein een onderzoek, dat het bewijs moest leveren van het bestaan van de moleculaire stroompjes van Ampère, aanleiding gevende tot permanente moleculaire magneetjes. Deze proeven leidden tot wat tegenwoordig het Einstein-De Haas-effect wordt genoemd. Doordat met het magnetisch moment, het gevolg van een rondlopend stroompje, noodzakelijkerwijze ook een mechanisch draaimoment moet zijn verbonden, zal een ferro- of paramagnetische stof, waarvan het magnetisch moment verandert, ook een hiermee evenredige impuls-momentverandering ondergaan; bij de betreffende proef wordt een cilindertje van de magnetische stof opgehangen in een wisselend magneetveld evenwijdig aan de cilinderas.
Als gevolg hiervan gaat het cilindertje schommelingen om de as uitvoeren in hetzelfde ritme als het wisselende veld. Om dit zeer zwakke effect waarneembaar te maken diende de frequentie van het wisselende veld gelijk te worden genomen aan de eigen torsieslingertijd van het cilindertje aan zijn ophangdraad. Naar aanleiding van deze subtiele proeven werd door de Weense Academie van Wetenschappen in 1917 aan Einstein en De Haas de Baumgärtnerprijs verleend.

In hetzelfde jaar werd De Haas benoemd tot hoogleraar in de theoretische en toegepaste natuurkunde aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij zijn ambt aanvaardde met een rede over Het magnetisme. Een professoraat aan de Universiteit van Groningen werd in 1922 aanvaard met een oratie, getiteld Grepen uit den ontwikkelingsgang der atoomtheorie.
Op grond van zijn wetenschappelijke werk werd hij op 23 mei 1922 gekozen tot lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en in 1923 tot lid van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen. Op 3 december 1924 volgde zijn ordinariaat in de natuurkunde en de meteorologie aan de Leidse Universiteit met een intreerede over Electrische en andere stroomen.

Als opvolgers van Kamerlingh Onnes en Kuenen hebben De Haas en de in 1923 benoemde W.H. Keesom tot na de Tweede Wereldoorlog het – sinds 15 maart 1932 (ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van de grote magneet van het laboratorium) naar Kamerlingh Onnes genoemde natuurkundig laboratorium geleid. Het werd in twee afdelingen gesplitst: afdeling I onder Keesom met voornamelijk thermodynamische onderzoekingen en afdeling II onder De Haas, waar hoofdzakelijk werd gewerkt aan elektrische en magnetische verschijnselen. Tot 1923 was Leiden de enige plaats ter wereld waar helium vloeibaar kon worden gemaakt en de ermee te bereiken zeer lage temperaturen beschikbaar waren. Kamerlingh Onnes en daarna zowel Keesom als De Haas hebben op voortreffelijke wijze van de mogelijkheden gebruik gemaakt en op vele gebieden der lage temperatuur fysica prachtig pionierswerk verricht. Ook kwamen vele buitenlandse geleerden onderzoekingen verrichten in Leiden, dat zodoende een centrum werd van het natuurkundig onderzoek bij lage temperaturen. De Haas behoorde in de eerste helft van deze eeuw, ondanks zijn zwakke gezondheid (o.a. verbleef hij al voor de Eerste Wereldoorlog geruime tijd in een sanatorium in Putten), tot de belangrijke lage temperatuur fysici.

Hoewel het hier niet de plaats is om uitgebreid in te gaan op het wetenschappelijk onderzoek van De Haas, moeten er toch enkele opmerkingen over worden gemaakt, o.a. om uit te doen komen, van welk een opmerkelijke gevarieerdheid dit was. Hoewel het werk vrijwel steeds werd verricht in samen werking met een of meer medewerkers, buitenlandse onderzoekers of leerlingen, van wie de bijdrage soms van overwegende, soms van ondergeschikte aard was, moet zijn eigen invloed zeker niet worden onderschat. Hij wist zijn medewerkers te inspireren en door zijn opmerkingen tot resultaten te leiden, die zonder zijn fysisch inzicht waarschijnlijk niet zouden zijn verkregen.
De namen van deze medewerkers zullen hier op een enkele na niet worden genoemd; zij kunnen in de publikaties worden gevonden. Vele onderzoekingen werden verricht op het gebied van het magnetisme. De paramagnetische metingen gaven een duidelijker beeld dan tevoren over de atoombouw en de wisselwerking der magnetische momenten der ionen in kristallen met hun omgeving. Deze onderzoekingen leidden o.a. in 1932 tot de proeven over adiabatische demagnetisatie, samen met E.C. Wiersma, volgens een door P.J.W. Debije en W.F. Giauque aangegeven methode. Bij deze proeven werden temperaturen verkregen in het millikelvin gebied. Gedurende enkele jaren werden deze bijzonder lage temperaturen alleen in het laboratorium van De Haas gerealiseerd. Hierbij werden weer diverse eigenschappen der betreffende zouten onderzocht. Zeer sterke, kort durende magneetvelden werden door kort durende stromen verkregen. Magnetisatie van paramagnetische verbindingen geeft aanleiding tot magnetorotatie, draaiing van het polarisatievlak van een lineair gepolariseerde lichtstraal. Prof. J. Becquerel uit Parijs heeft samen met De Haas vele zeer nauwkeurige metingen op dit gebied verricht. Zo werd de theoretisch voorspelde evenredigheid tussen paramagnetische susceptibiliteit en magnetorotatie (constante van Verdet) bevestigd. Samen met de Russische fysicus L. Schubnikow werd de invloed van een magneetveld op de weerstand van bismut, o.a. in afhankelijkheid van de richting van dit veld, onderzocht (Schubnikow-De Haas-effect). Deze metingen hingen ook samen met het zoeken naar relaties tussen elektrisch geleidingsvermogen en diamagnetische susceptibiliteit. Op het gebied van het diamagnetisme werd het De Haas-Van Alphen-effect gevonden, nog altijd van veel belang voor het inzicht in de elektronenstructuur der metalen. Bij de warmtegeleiding was het mogelijk in bismut de bijdragen van de elektronen en het rooster te scheiden met behulp van een magnetisch veld en werd o.a. het vormeffect gevonden.
Bij de elektriciteitsgeleiding werd bij een aantal metalen een minimum in de weerstand aangetroffen, tegenwoordig bekend als Kondo-effect naar degeen die een theoretische verklaring gaf. Veel onderzoekingen werden ook verricht in het gebied van de supergeleiding, o.a. de indringing van een magnetisch veld in supergeleiders. Met duurproeven van een aantal dagen over de sterkte van een kringstroom resp. van de diamagnetische susceptibiliteit werd de maximaal mogelijke waarde van een eventuele weerstand van een supergeleider resp. van de elektronen in hun banen in bismut tot een uiterst lage waarde teruggebracht.

De Haas’ wetenschappelijke kwaliteiten vonden zowel in binnen- als buitenland erkenning. Zo werd hij in 1921 en 1930 uitgenodigd voor het Solvay Congres en in 1932 om als ruilhoogleraar colleges te geven in Brussel, waar men hem de eremedaille van de Vrije Universiteit toekende. In 1934 ontving hij de gouden Rumford medaille van de Royal Society in Londen. De Haas was membre honorair van de Société française de physique. Als Scott lecturer hield hij in 1937 een aantal voordrachten aan de Universiteit van Cambridge. In dat zelfde jaar ontving hij ook zijn benoeming tot corresponderend lid van de Academie van Technische Wetenschappen van de Universiteit van Warschau en in het jaar daarop van de Franse Academie van Wetenschappen. Zijn voorkeur ging overigens niet uit naar grote wetenschappelijke bijeenkomsten, zoals congressen, die hij dan ook vrijwel nooit bezocht.

De Haas had een sterk gevoel voor humor en in het natuurkundig onderzoekingswerk speelde zijn intuïtieve visie een belangrijke rol. Zijn ideeën getuigden vaak van een grote oorspronkelijkheid. Dikwijls kwam hij op ongebruikelijke uren in zijn werkkamer om samen met een amanuensis allerlei onderzoekingen te doen. Maar hij liet zich nooit verleiden om onvoldoend geverifieerde metingen te publiceren. Ook t.a.v. de nauwkeurigheid van de onder zijn leiding door zijn medewerkers verrichtte metingen had hij een zeer kritische instelling en pas nadat allerlei fouten in bronnen waren nagegaan en de metingen eventueel waren herhaald om de reproduceerbaarheid te controleren, mocht tot publikatie worden overgegaan.

Zijn intuïtie bracht hem er o.a. toe, de Nederlandse regering in 1939 te adviseren, een hoeveelheid uraniumoxide, die op de markt verscheen, te kopen, welk advies werd opgevolgd. Gedurende de oorlog kon deze aankoop in een Delfts laboratorium verborgen worden gehouden en na de bevrijding werd hiermee de grondslag gelegd voor de Noors -Nederlandse samenwerking op het gebied van de kernenergie. Voor het ‘Joint Establishment for Nuclear Energy Research’ in Kjeller leverde Nederland het uranium, Noorwegen het zware water.

Gedurende de oorlog onderhield De Haas, enerzijds om iets over de activiteiten van de bezetters te weten te komen, anderzijds om zich een grotere bewegingsvrijheid, ook buiten Nederland, te verschaffen, relaties met de voor de Duitsers werkende organisatie Cellastic, die zich o.a. met de verrijking van uranium bezighield. Van deze bewegingsvrijheid heeft hij met zijn echtgenote gebruik gemaakt om via Zwitserland naar Engeland te ontsnappen. Na de oorlog veroorzaakte de ‘operation Cellastic’ ook voor De Haas enige opspraak. Hij diende zijn hoogleraarfunctie van 18 juni tot 19 oktober 1945 voor een nader onderzoek te staken, maar kon daarna tot zijn emeritaat op 20 september 1948 zijn ambt ongemoeid uitoefenen.

De waardering en bewondering, die De Haas ook na de oorlog ondervond, waren behalve aan zijn wetenschappelijke verdiensten mede aan zijn karakter en persoonlijkheid te danken. Ook buiten de natuurkunde had hij een zeer brede belangstelling. Zijn sociale bewogenheid kwam o.a. tot uitdrukking in zijn houding t.o.v. de leerlingen van de Leidse Instrumentmakerschool. Van 1926 tot 1951 was hij voorzitter van de Vereniging tot bevordering van de opleiding tot Instrumentmaker, die deze school beheert. Voor zijn gezin en ook voor degenen, die onder zijn leiding werkten had hij een groot verantwoordelijkheidsgevoel; voor velen van zijn leerlingen trad hij niet slechts als leermeester, maar evenzeer als vriend en helper op.

Vanaf zijn studententijd heeft De Haas een zwakke gezondheid gehad en hij kon dan ook vaak niet op zijn laboratorium zijn. Maar hij was grenzeloos toegewijd aan de wetenschap, de Leidse Universiteit en vooral het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Ook als hij ziek thuis was, bleven de problemen van zijn medewerkers – naar eigen zeggen – hem geen tien minuten uit zijn gedachten. Dat De Haas, ondanks zijn vele kwalen, zo veel wetenschappelijk werk van hoog niveau heeft kunnen doen, dankte hij ook aan de voortdurende zorgen van zijn vrouw. Om zijn warme, originele persoonlijkheid en zijn toewijding droegen zijn vele assistenten en leerlingen hem op handen.

HET KAN VRIEZEN EN HET KAN DOOIEN

Koos Groen in ’t Woud beschreef een aantal strenge winters in de eerste helft van de twintigste eeuw.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Al winterkriebels? Een gezegde luidt: Is oktober warm en fijn, het zal een scherpe winter zijn, maar is het nat en koel, ’t is van een zachte winter een voorgevoel. Dat belooft wat! Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal van die strenge winters.

Koos Groen in ’t Woud

Wie was Koos Groen in ’t Woud

Koos groeide op aan de Lisserdijk. Het huis staat er nog, onderaan de dijk bij restaurant Puck. Drie broers had hij, bonken van kerels en daarom geschikt voor het zware veenwerk. Zelf was hij een klein ventje, ongeschikt voor dat werk, dus maar naar de ulo voor een kantoorbaan. Zo begon hij, als 18-jarige in 1922 bij de Hobaho en na 4 jaar bij de H.B.G. aan de Gracht. Tegen hetzelfde salaris als bij de concurrent, nl. 960 gulden per jaar. Bij de H.B.G. werkte hij tot zijn vroege dood in 1950. Zijn dagboek en zijn fotoalbums worden gekoesterd door dochter Ina van Leeuwen, zelf inmiddels op de leeftijd der zeer sterken. Koos beschrijft strenge winters in de eerste helft van de 20e eeuw. Daar worden stukken van weergegeven. Om het tijdsbeeld een beetje extra te duiden zijn wat inleidende teksten toegevoegd. De liefde voor schaatsen had Koos niet van een vreemde. Zijn vader, ook Koos, was in 1914 een van de oprichters van de ijsclub “Kagermeer”. Koos jr. kwam na zijn huwelijk in 1930 op de Broekweg in Lisse te wonen.

De winter van 1916/1917

Op internet is een leuke film “Holland in ijs – 1917” te zien. Houten schaatsen, kinderen op klompen, priksleeën, klederdrachten, hoeden, petten, wollen kousen, nog veel scheepvaart. De film geeft een mooi sfeerbeeld van ijsplezier 100 jaar geleden. Ook in onze omgeving heerst ijskoorts. Een ijsbaan wordt sneeuwvrij gemaakt bij de Hellegatsmolen. Een groentekist met blokjes om de afstanden uit te zetten staat klaar. Maar wanneer dat aan de beurt is blijkt de kist verdwenen. Opgestookt in een kachel. Nederland was dan wel neutraal, maar de Grote Oorlog bracht ook hier brandstof- en voedseltekorten en armoede met zich mee.

Uit het dagboek

Op 16 januari werd onze grootmoeder begraven en toen was het al zeer koud met bovenwind. Alle vaarten en meren zijn toen sterk geworden. Zoo reden er auto’s, wagens links en rechts over het Kagermeer. De winter duurde toen wekenlang en wel ongeveer de geheele maand februari uit. Op een nacht vroor het 23o wat wel de strengsten vorst was in dien winter. Dooi kwam eindelijk en zonder regen of wind is het ijs vergaan.

De winter van 1921-1922

De schoolkinderen uit de Buitenkaag gingen in deze tijd meestal naar school in Sassenheim, door weer en wind, over de Sassemerpont en dan lopend over de 3e Poellaan verder naar school. Ook onze dagboekschrijver ging in Sassenheim naar school. Mensen waren indertijd veel meer met het weer bezig. De Enkhuizer Almanak wordt vaak geraadpleegd. Nov. ‘21 stond in het Leidsch Dagblad een stuk met allerlei weerwijsheden. Zoals “Wanneer Kerstmis op Zondag valt, dan volgt er een zwakke winter, wanneer Kerstmis op Maandag valt enz. enz”. In 1921 viel Kerstmis op zondag. Het dagboek laat van de voorspelling weinig heel. In 2018 valt Kerst op dinsdag en volgens het krantenbericht is het “Valt Kerstmis op Dinsdag dan is de winter zeer koud” . Daarentegen voorspelt de Enkhuizer Almanak geen strenge winter. We zullen zien. Terug in de tijd een deel uit het dagboek .

Uit het dagboek

De winter van 1921-1922 was ook streng te noemen en kwam verschillende malen in een periode terug. Begin Nov. begon het te vriezen. Den 28en November hebben we toen al schaatsen gereden. 4 Dec. waren er al 2 arren op het ijs achter de Binnen-Kaag. Ik kan mij nog heel goed herinneren hoe mooi toen het ijs was. Ik ben toen over de geheele Kagerplassen gereden en op sommige plaatsen was het ijs zoo zwart en doorschijnend dat men de visschen zag zwemmen en ook andere waterbewoners zooals torren enz. Op ondiepe plaatsen zag men den bodem. Het was een eng rijden, want het geleek alsof er geen ijs lag, zoo glad en hard was het. 2 Febr. was het ijs bijna weg. Den geheelen dag regende het zeer hard met een binnen wind. Langs deze kant van het Faljerel hadden nog geen booten gevaren. Toen zeilde een schipper met zijn schuit er het eerst door want er zat nog maar een dun laagje ijs. ‘s Middags draaide de wind en ’s avonds vroor het weer. Dien nacht jachtsneeuwde het en den volgenden morgen vroor het ontzettend. Woensdag 15 Febr. dooide het en ’s avonds kladsneeuwde het uit het Zuiden. Op 5 April sneeuwde het den heelen middag. ’s Morgens alles onder 1d.M. sneeuw. Op goeden Vrijdag 14 April was de eerste zoele dag. Boomen en gras, alles was nog kaal.

De winter van 1928/1929

Begin maart 1929. Tussen de wedstrijden door is er tijd voor koek en zopie, tijdens de nationale ringrijders wedstrijden. De man in het midden met hoed is Koos Groen in ’t Woud.

Het waren goede tijden voor de bollenteelt. De H.B.G. bood in oktober een diner aan omdat een recordomzet van 1.500.000 gulden was bereikt. Het seizoen bood volop werk, maar voor wie in de wintermaanden geen werk had werd het sappelen. IJspret is heerlijk, maar zo’n lange winter is eendrama voor wie thuis kwam te zitten. Bijverdienen als baanveger was zeer welkom. Er waren ook speciale wedstrijden voor behoeftigen. De ijsclub organiseerde in Lisse 2 wedstrijden voor hen, goed voor 700 gulden aan levensmiddelen en kleren als prijzengeld.

Uit het dagboek

 

De 180 meter hardrijden was spannend tot aan de meet bij het Leeghwater gemaal.

Dit is de winter die alle records van de laatste jaren heeft geslagen. In deze periode zijn alle koudste temperaturen overtroffen en is de veelbesproken winter van 1891 verslagen. Op Nieuwjaarsdag is het begonnen met vriezen, zoodat op 6 Januari voor het eerst op slooten en tochten werd gereden. Het was in het eerste begin erg kwakkelig. Als het ijs goed was begon het weer te dooien en dan weer te vriezen. Op 8 Jan. was het mistig, vriezend weer. ’s Nachts kwamen wij van de soirée bij v. Eerden (de Nachtegaal) en toen was alles dik onder den ijzel. 10 Jan. ben ik op Keukenhof geweest om naar de ijzel te zien. Het was een onvergetelijk gezicht als men hier vanaf den Achterweg naar Keukenhof ging. Alles was zoo zeldzaam mooi.

Zwieren en zwaaien of liever schoonrijden bij de Hellegatsmolen. Onder de armen door is de Grote Poelmolen te zien. De wedstrijden waren zo een beetje daar waar wel vijf gemeenten hun grenzen kruisten. Lisse, Warmond, Sassenheim, Binnen/Buiten Kaag en Abbenes, een soort vijf landen punt.

Vooral de Spekkelaan was mooi. En ook in het bosch de diverse groepen boomen en dennen en hagen enz. 12 Jan. was er hardrijden op de Gracht. Na afloop reden de drie beste Sassenheimers tegen de beste Lissers. De Sassenheimers wonnen alle drie. 18 Jan. is er hardgereden in de Binnen-Kaag. De baan was van Bart Loogman naar Lombok (eilandje). Het ijs was met een dikke laag sneeuw bedekt. Het was nog zoo dun dat als er 5 á 6 personen bij elkaar stonden, het begon te kraken van nog eens zoo. De gevolgen bleven dan ook niet uit. De geheele ijsbaan liep onder water. 31 Jan. ben ik naar een uitvoering in de Binnen-Kaag geweest. Het zat daar zo vol drijfijs dat Verhoog zijn pont naar Tromp gesleept had en probeerde de menschen zonder draad over te zetten. Maar het ging niet. ’s Nachts waren wij bij de eerste pontlading. Wij zaten midden op het Kanaal en ik dacht dat wij nooit meer aan den kant zouden komen, maar wij kwamen toch aan wal. Nu krijgen wij de befaamde koudegolf van Zondag 10 Febr. tot Zaterdag 16 Febr. 10 Feb. den geheelen dag vriezend. s’Nachts harder dan in de laatste 35 jaar. Men sprak dat er 7 cM. ijs gevormd was. In dezen nacht is de groote Bloemententoonstelling bevroren. Deze werd gehouden bij gelegenheid van het 50 j. bestaan der Alg. ver.v.Bl. Cult. in H.B.G. Alle bloemen hingen slap. Vele konden het nog ophalen maar veel moest vernieuwd worden. Alle palmen welke de zaal opsierden waren weg en dit was een waarde van 4 á 5000 gulden. 11/12 Febr. is het Leidsche stadhuis afgebrand. De brandweerlieden werden levende ijspoppen. Alles bevriest binnenshuis. De lucht blijft helder en sterken boven wind. Woensdag 13 Febr. geraakte nog een 7 tal personen in een open slob bij de Binnen-Kaag. Alle werden gered. Dat dit slob nog open was kwam omdat daar Zondags een busboot gedraaid was en dat gat ging door den sterken wind niet dicht al vroor het nog zoo hard. Donderdag begint het uit het Zuiden fijn te sneeuwen. De sneeuw was zoo fijn als stof en schitterend. Vrijdag 15 febr. sneeuwstorm. Geen weer om schaatsen te rijden. 18 Febr. was het hardrijden voor de armen. 20 Febr. ging ik ’s avonds om 8 uur in de lichte sneeuw naar Warmond. Daar was het gecostumeerd ijsfeest op de Leede. Er was veel volk op het ijs. Onderweg reden de auto’s en fietsen met licht op, op het ijs voorbij. Het was helder vriezend weer. Op ons kantoor uit den wind, in de zon en de kachel full speed brandend, bleven de bloemen op de ramen staan tot 12 uur. ’s Avonds als de zon zakte kwamen ze er weer op. Alle huizen hadden de dikste bloemen op de ramen, den geheelen dag. Verschillende malen werd men wakker van de kou. Toch sliep ik onder 6 dekens, plus jassen enz. ’s Morgens naar Lisse op de fiets had ik mijn geheele gezicht in een wollen sjaal waar steeds een plakkaat ijs op zat. Soms moest ik van de fiets om mijn handen te beuken, bang dat ik was dat de vingers bevroren. De lucht was zoo ijl dat men op de fiets naar zijn adem hijgde. De tranen die uit de oogen vielen bleven als ijs op het gezicht zitten. In verschillende steden in Holland zetten de gemeentebesturen kachels en stookplaatsen in de openlucht. Ook werden op verschillende plaatsen groote hoeveelheden warme maaltijden verschaft aan arme menschen, zoo b.v. door de Vincentius ver. welke groote ketels erwtensoep kookte en groote hoeveelheden grauwe erwten met spek. Verschillende bloemisten hielden hardrijderijen voor hun personeel en stelden daarvoor geld beschikbaar. De dooi is langzaam ingetreden, zonder wind of regen. 7 Maart gingen de eerste booten er door en ruim een week later zag je geen ijs meer. We hadden dezen winter 2 maal lichte maan, en met de 3e maan zat er nog van het oude ijs, hier en daar. 19 Maart waren de boomen om elf uur nog wit van den ijzel. 17 April eerste mooie dag. Zondag 28 April ben ik in de Roversbroek wezen kijken naar de bevroren bollen. Verschillende hoeken narcissen zijn geheel weg. Bij de een alles, bij de ander zoo goed als niets. Crocussen ook veel geleden, vooral gele. Tulpen minder last. Het kweekersblad verzameld opgaven van de schade om een overzicht samen te stellen.

Winter 1938/1939

Vrouw en dochters van Koos, in de sneeuw. Waar? 23-12-1938

Nog steeds veel werkloosheid in Nederland. Het is een onzekere tijd. De spanningen in de wereld lopen op. Duitsland beleeft in november de Kristallnacht. Vanwege de Sudetenkwestie was er in Nederland al een gedeeltelijke mobilisatie, maar Nederland hoopte neutraal te kunnen blijven.

Uit het dagboek

Op Vrijdag 16 Dec. begon het met sterken wind te vriezen. 21 dec. begon het te sneeuwen. Volgens de krant is de koude periode bijna even streng geweest als in 1929.

Er is ontzaglijk veel bevroren omdat de vorst onverwacht kwam en ook omdat er door strenge wind niets tegen te doen was. Bijna overal was de waterleiding en wc bevroren. 1e Kerstdag prachtig winterweer, alles wit en zonnig. 2e kerstdag is het ’s avonds gaan dooien met natte sneeuw. Nadien heeft het niet meer gewinterd.

Winter 1939/1940 Oorlogsdreiging.

Januari 1940 auto gestrand bij het Kager viaduct

Veel economische problemen door de crisis. In Lisse zijn vanwege de mobilisatie soldaten gelegerd.

Uit het dagboek

De vorstperiode is thans begonnen op 15 Dec. Zondag 17 Dec. met sterken vorst, was precies dezelfde datum als de koude Zondag van vorig jaar. Heden zijn de sloten reeds sterk en wordt geschaatst. Zaterdag 23 Dec. koud weer en hardrijden voor de armen. De soldaten uit de Noord winnen gemakkelijk van de Lissers. 1 en 2 Jan helder vriezend zoodat de Gracht en de ringsloten sterk zijn en de ijsbaan de 2e maal geopend werd. Zondag 28 Jan. ben ik naar de Kaag gewandeld. De Lisserdijk was buiten de huizen onbegaanbaar van de sneeuw. Op sommige plaatsen 1M. hoog. Deze sneeuw is uit de Meer opgewaaid en de dijk is totaal onbegaanbaar voor alle verkeer. Er wordt nu in bijten veel paling en visch gevangen. Deze zijn geheel versuft.Bij de Sassemerpont vangt men wel 20 pond paling achter elkaar. 1 Febr. wind N.O. Het ijzelt den geheelen dag bij 8o vorst, zoodat de wegen totaal onbegaanbaar zijn. Op 4 Feb. stonden bij de dooi alle straten blank omdat de rioolputten bevroren waren en vol met sneeuw. Sloten en vaarten waren allen met de kanten gelijk vol met sneeuw. Onder die dikke sneeuw was het ijs soms verraderlijk zwak, zoodat er slechts enkele cm. ijs over was geschoten. Dit kwam veel door het spuien en omdat het onder die dikke sneeuw weg dooide. Alle menschen probeerden om zoo goed mogelijk de sneeuw voor hun huis op te ruimen en de putten open te steken. Want van rijkswege mochten geen werkloozen aan de sneeuwopruiming gezet worden. 21 Febr. valt een sterken dooi in. Thans worden alle daken en landerijen weer zwart. Het is een buitengewoon lange en strenge winter geweest die alle records sloeg. Toch was er weinig pleizier voor de schaatsenrijders. De soldaten welke in Lisse lagen hadden een kwaden winter met hun wachtloopen ’s nachts en in hun slaapkwartieren.

Winter 1940/1941

Nederland was bezet, maar die eerste oorlogsperiode voerde de bezetter nog een voorzichtig beleid. Het leven ging nog min of meer zijn oude gang.

Uit het dagboek

Deze winter heeft ook veel ijs en sneeuw gebracht, doch was afwisselend vorst en dooi. De Lisser ijsbaan werd 4 keer geopend. Op 10 Jan. heb ik op het Kagermeer gereden en was alles prachtig onder de rijp. Geregeld kwam nog nachtvorst voor in Maart en sterke nachtvorst op 8 en 9 April. Op 15 en 16 Mei hagelbuien en veel sterke nachtvorst. Na half Mei is het weer geleidelijk zachter geworden. Met Pinksteren op 1 en 2 Juni de kachel gestookt.

Jan. feb. maart 1942

Opnieuw een oorlogsjaar. De Duitse maatregelen worden steeds strenger, het leven steeds moeilijker.

Uit het dagboek

Deze winter heeft de kroon gespannen van de laatste jaren en was in koude en sneeuw van langen duur de ergste van de laatste jaren. Zondag nacht 25 Jan. weer veel jachtsneeuw gevallen. Maandagnacht en overdag geheelen dag sneeuwjacht met een vorst van – 14o. Het is boosaardig koud en bijna ondoenlijk om de deur uit te gaan. De sneeuw ligt op plaatsen 1 M. hoog. Alle wegen zijn versperd, geen tram geen auto rijdt meer en melk is niet meer te bekomen, tenzij bij de boeren die thans uit de deur mogen verkoopen. De geheele week zijn werkloozen aan het sneeuwruimen hetgeen geschiedt door de heide maatschapij. Het heeft onafgebroken gevroren van 9 Jan. tot 13 Mrt. Op 23 maart is op de Braasemermeer met een ijsschuit gezeild. In deze schuit was de datum 21/3-1890 gegrift, welke nu met 2 dagen werd geslagen. Het vroor door het geheele huis, in de gang vroor de wasch stijf, in de keuken vroor het ’s morgens 7 graden. Het ijs zat in de slaapkamer aan de muren. De Gracht in Lisse werd 23 Mrt opengebroken. Nog 10 c.M. dik. In de poorten van de H.B.G. gebouwen lag de sneeuw in de schaduw tot en met Paschen op 5 april. Bieten en wortelenpetten benevens de meeste aardappelpetten waren bevroren.

Recordwinter 1946-1947

Nederland is bevrijd, er wordt begonnen met de opbouw, maar er is nog gebrek aan van alles. Veel is nog op de bon.

Uit het dagboek

Zus Cora op de Lisserdijk vlakbij het huis van haar opa en oma. Ongeveer daar waar nu restaurant Puck is

We moeten volgens de gegevens teruggaan tot 1789 om de winter te vinden welke dezen in langen duur en hevigheid overtrof. Er zijn dezen winter geen uitzonderlijk lage temperaturen voorgekomen zodat de strenge vorsten van 1940 en 1942 niet geëvenaard zijn. Maar de duur van den winter is bijzonder lang geweest. Begonnen op 14 Dec. tot heden 16 Mrt. De kolennood is groot geweest. Tot heden is verstrekt op de bonnen 10 H.L. brandstof waar velen al te spoedig door waren. Honger is er niet geleden, want er is brood en eten genoeg. Op de feestavond van Canite Tuba op 29 Jan. was het zeer koud. De uitvoering van de zangver. de operette De Klokken van Corneville werden in de Hobaho gehouden bij strenge koude. De menschen gingen op klompen en pantoffels en namen warme voetenkruiken en dekens mee.

Eindelijk de dooi, minder mooi die zooi, daar op de Broekweg . We kijken vanaf het huis van de familie Groen in ’t Woud richting de Greveling, rechts zie je de Zemelpoldermolen.

Mijn aardappelpet heb ik op 11 maart opengebroken, de piepers waren niet bevroren. De pet was goed afgedekt en buiten een flinke laag riet en stengels van mais en tabak.

Dit is de laatste winter die in het dagboek, waaruit we steeds gedeeltes hebben overgenomen, is beschreven. Wat zou ons de komende winter te wachten staan? We moeten 22 december in de gaten houden. Dan is het volle maan en een volkswijsheid zegt “Noordenwind met volle maan kondigt een strenge winter aan.” Mocht het streng worden, wij hebben thermo ondergoed in plaats van lange Jaeger onderbroeken en borstrokken, we hebben geïsoleerde huizen en bloemen op de ramen zijn verleden tijd. Door de supermarkt deert een bevroren petgat niet meer. Wat zou het leuk zijn om weer eens te genieten van zwart doorschijnend ijs en een zo zeldzaam mooi beijzelde Spekkelaan! ‘t Kan vriezen en ‘t kan dooien. Bronvermelding: We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ’t Woud lang geleden heeft gemaakt. De introfoto komt uit het archief van VOL.

Het handigste vervoersmiddel was bij uitstek de slee, daar kwam je ook overal mee.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief). Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer. ■

Bronvermelding

We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ’t Woud lang geleden heeft gemaakt.

De introfoto komt uit het archief van VOL.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief).

Ook de rolbrug over de ring vaart lag zo vast als het maar kon. Gerrit Wesselius de brugwachter had voorlopig even niets te doen.

Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer.

Over het vrachtvervoer regeerde een heel strenge vorst die alles vast legde!

 

 

Gracht te Lisse ca. 1910

Oud Nieuws: GESJOEMEL MET BELASTING OVER ROGGE

Molenaar Adriaan Luck van de Korenmolen aan de Grachtweg werd in 1739  in staat van beschuldiging gesteld van wegen fraude. Hij wordt er van verdacht belasting op het malen van meel te hebben ontdoken. Hij krijgt een boete en wordt voor een half jaar verbannen.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Aan het eind van de Grachtweg stond van 1569 tot 1964 molen “De Korenbloem” in Lisse. Bij ons bekend als de molen van Beelen. De molen heeft vele eigenaars gekend. Met wisselend succes probeerden zij er hun dagelijks brood te verdienen. Één van hen had daar een minder gelukkige hand in, Adriaan Johannes Luck deed zijn naam geen eer aan. We treffen hem aan in november 1736 in Leiden, waar hij wordt gegijzeld (vastgehouden) op beschuldiging van fraude. Het verhaal gaat over zijn misstap.

Craqueel dingboek van zaken

Arij Luck, korenmolenaar, geboren in Monster 1704, getrouwd met Lucretia de Hoij, moet verschijnen voor schepenen van Leiden. Hij is aangeklaagd door Cornelis van der Cocq, pachter van de impost (belasting) op het gemaal. Over alle graan dat gemalen wordt, moet impost worden betaald, het zogeheten ‘gemaal’. Arij wordt ervan beschuldigd deze impost ontdoken te hebben. De schepenen van Leiden hebben ook tot taak recht te spreken over zaken die betrekking hebben op de invordering van deze belasting. Zij heten in die functie heel chique: commissarissen van de gemene landsmiddelen over Leiden en Rijnland. De zaak is vastgelegd in het craqueelboek. Volgens Cornelis van der Cocq, de eiser, heeft molenaar Arij op een nacht stiekem 6 zakken door hem gemalen rogge, waarop de impost is betaald, afgevoerd met zijn wagen en vervangen door 6 zakken nog ongemalen rogge, die niet in de boeken van de impost vermeld staan. De procureur die Cornelis van der Cocq vertegenwoordigt eindigt zijn betoog met de eis, dat Arij wordt veroordeeld tot verbeurdverklaring van de 6 zakken ongemalen rogge en van de wagen waarmee het delict zou zijn gepleegd, een boete van 6 x 300 gulden voor elke zak, een boete van 200 gulden en van 1.000 gulden wegens overtreding van verschillende wetten. Hij verlangt ook nog dat Arij in het openbaar zal worden gegeseld, en voor altijd verbannen uit Holland en West-Friesland. Met deze rechtszaak is de kous nog niet af voor Arij. Ook in Lisse zijn er mensen die een appeltje met hem en zijn partners in crime te schillen hebben. Zoals de eigenaresse van de 6 zakken gemalen rogge, de piepjonge broodbakster Aagje Ottensdr Cranenburg (1720 dochter van Otto Cranenburg (1690 -1773) en Adriana Simonsdr. Hoogkamer (1691 – 1751). Uit haar naam treedt haar vader Otto op (tot een jaar of  60 geleden werden vrouwen voor de wet als handelingsonbekwaam beschouwd). Arij moet getuigen ten overstaan van schout en schepenen van Lisse. Dit verslag is bewaard gebleven.

Aanleiding en toedracht

Een van de klanten voor wie Arij maalt, is Jan Barendse Kluijt, bakker in het Oosteinde te Lisse. Jan is in mei van dat jaar getrouwd met Maartje Klaas van der Hans, heeft pas een dikke som geld geleend. Blijkbaar heeft hij nogal moeite de eindjes aan elkaar te knopen, en spreekt met Arij een handeltje af waarbij hij zonder de impost op ’t gemaal te betalen, toch zijn rogge kan laten malen. De bakkers leveren zelf aan de molenaar de zakken met ongemalen rogge. Als bewijs dat de impost betaald is, hoort er bij die zakken een cedulle van de collecteur te zijn (bewijsbiljet). Op 3 oktober 1736 komt Jan, langs de molen lopend, ter ore, dat Aagje Cranenburg, de broodbakster, 6 zakken harde rogge (ongemalen rogge) gemerkt A.O., en voorzien van de impost-cedulle, door haar knecht naar Arij’s molen heeft laten brengen. De rogge is daar gemalen en in de 6 zakken teruggestort. Jan zegt tegen Arij dat hij dringend om gemalen rogge verlegen is, maar hij heeft geen cedulle, want hij heeft de impost op ’t gemaal niet betaald. Hij stelt voor: ‘breng mij die 6 sakken meel’. Jan durft er alleen zelf zijn handen niet aan te branden, hij laat een ander de kooltjes uit het vuur halen: ‘Ik ben verlegen ende bevreest, om daar juyst selfs bij te wesen. Ook durf ik het met mijn knegt, die een nieuweling is, niet wagen, dan sal ik Frans van Gerwen of Abraham bij u geven. Kiest welke van beyde gij bij u wild hebben’ . Waarop Arij zegt : ‘als gij den Frans bij mij geeft, die heb ik liever als Bram’. (Frans van Gerwen, geboren in Hillegom 1695, gehuwd met Marretje Jochems Stellingwerf). Jan: ‘ik sal de sleutel van mijn schuurtje in de goot leggen. Ende ik sal 6 sakken rogge, hard goed, in dat schuurtje gereed setten, ende 2 sakken ledig, om door middel van de ledige sakken het meel over te storten in mijne sakken, ende in plaats van dat meel, het harde goed van mij wederom te storten in de sakken van Aagje Ottens’. Arij gaat akkoord met het voorstel, waarom hij dat doet verhaalt de geschiedenis niet, Jan zal hem wat geld hebben toegeschoven. Jan Barendse neemt afscheid van Arij en zegt: ‘ik sal u dan verwagten, soo als het geseyd is, ende ik sal Frans bij u geven’. Om 1 uur ’s nachts klopt Frans van Gerwen bij Arij aan, roepende: ‘Molenaar hoor je wel?’ Arij staat op, en gaat met Frans naar zijn molen, waar hij de 6 zakken gemalen rogge van Aagje Ottens van bovenin de molen naar beneden laat zakken, met hulp van Frans de zakken op de schouders neemt en op zijn wagen laadt. Met het paard van Jan Kluijt voor de wagen gespannen, rijdt hij naar de werf van Jan, pakt de sleutel die volgens afspraak in de goot van het schuurtje is klaargelegd, doet de deur van het schuurtje open. Met behulp van 2 klaarliggende lege zakken stort hij de gemalen rogge uit de zakken van Aagje over in die van Jan, en de inhoud van de 6 zakken harde rogge van Jan stort hij over in die van Aagje. Frans helpt hem de 6 zakken met harde rogge weer op de wagen te tillen. De schuur wordt gesloten, de sleutel teruggelegd in de goot boven ’t schuurtje. Frans klopt bij Jan aan, en vraagt om een soopje (borreltje). Jan reikt hun over de deur een fles jenever aan, waaruit Arij en Frans elk een paar slokken nemen. Arij zegt tegen Frans: ‘rijd nu met de wage henen, ik sal met u gaan’. Frans rijdt met wagen, paard en de 6 zakken waarin nu de ongemalen rogge van Jan zit, tot aan het zogeheten slop, waar Arij tegen Frans zegt: ‘ik ga de mole open doen, volgt mij soetjes na’. Frans volgt hem met de wagen tot op de molenwerf.

Arrestatie

Op hetzelfde moment wordt Frans door 4 ‘manspersonen’, waaronder ene Jan, een diender van Leiden, aangegrepen en gedwongen met wagen, paard en de 6 zakken harde rogge van daar te rijden naar het rechthuis in het dorp. Arij gaat naar huis en vertelt aan zijn vrouw Lucretia wat er is voorgevallen. Samen achten zij het raadzaam naar het huis van Jan Kluijt te gaan. Ongeveer om half 6 in de ochtend komen zij daar en vinden Jan en zijn vrouw Maartje thuis. Onthutst vertellen zij aan het echtpaar hoe Frans van Gerwen met wagen en al aangehouden is. Bakker Jan ziet het allemaal niet zo somber in, althans niet voor zichzelf. Jan, de leperd, zegt: ‘ik sal sweren, dat ik swart worde, dat ik er niet van en weet, ik hebbe er niet bij geweest’. Arij brengt in, dat Jan niet zal kunnen ontkennen dat hij er wel van móest weten, en hun zelfs een soopje over de deur heen heeft gegeven. Om 10 uur meldt Jan zich bij de molen om zijn paard op te halen (dat voor de wagen gespannen was geweest). Hij vraagt aan Arij: ‘wat seyt Ot (Otto Cranenburg, de vader van Aagje) ervan dat het harde koorn in haer sakken was.’ Waarop Lucretia antwoordt: ‘Otto sal het noch swijgen, als hij daarvan geen schade en heeft.’ Jan ziet dat anders: ‘ik dogt niet dat Ot soo goed was, maar als Arjaantje het weet, sal se het over ’t geheele dorp brengen’. Volgens Jan zal Arjaantje, met wie Adriana Hoogkamer, de vrouw van Otto bedoeld zal zijn, het verhaal in het hele dorp rondbazuinen! Tenslotte verklaart Arij dat Frans op 5 oktober de 6 zakken harde rogge van Jan Kluijt, in de zakken die eigendom zijn van Aagje Otten, met het merk A.O., naar Leiden heeft moeten brengen, en dat Arij op 7 oktober door de pachter van het gemaal, Cornelis van der Kok, van Lisse naar Leiden is gebracht, waar hij gegijzeld is in afwachting van de rechtszaak.

De uitspraak

Craqueel dingboek van zaken

De schepenen commissarissen van Leiden doen uitspraak. De boetes zoals die door de aanklager geëist werden, moet Arij betalen, + de kosten van de afwikkeling van de zaak. Hij zal niet publiekelijk gegeseld worden. Wel wordt hij verbannen, niet voor altijd, maar voor de duur van 6 jaar uit Leiden en het gebied dat onder Rijnland valt, ‘op poene van zwaarder straffe’. Een zware straf voor het ontduiken van belasting, zeker voor onze begrippen. Daar komt het ernstiger vergrijp bij, dat de molen een ambachtskorenmolen is, waar iedereen in Lisse zijn koren moet laten malen. En als molenaar heeft Arij een eed afgelegd dat hij geen graan zal malen, waaraan het biljet van de impost ontbreekt. In hoeverre Arij’s kompanen, Jan Barendse Kluijt en zijn vrouw Maartje van der Hans en Frans van Gerwen zich moesten verantwoorden, moet nog blijken. Jan en Maartje raken uiteindelijk aan lager wal. In 1745 wordt de insolvente boedel van hun bakkerij en winkel verkocht.

Justitiële molens malen langzaam

Arij en zijn vrouw Lucretia die in tweede instantie mede wordt verbannen, verdwijnen uit het zicht. Lisse is voor hen de eerste 6 jaar verboden gebied. De torenhoge boetes kunnen zij vast niet betalen. De molen en het bijbehorende huis worden geveild. Het wordt een slepende affaire, omdat niet alleen pachter Cornelis de Cocq en de belasting zijn getild. Aagje Cranenburg, de eigenaresse van de 6 zakken verwisselde rogge, eist schadevergoeding. Maar er zijn meer gedupeerden. Een aantal crediteuren trekt gealarmeerd aan de bel, waarvan de belangrijkste zijn Lenard Willemsz Oote en Cornelis Adriaensz van der Zaal. Om de molen te kunnen kopen heeft Arij 2 jaar eerder een hypothecaire lening bij hen afgesloten. Jarenlang juridisch getouwtrek volgt, wat ongetwijfeld de kosten nog verder opdrijft.

Korenmolen te koop in Lisse

De veiling die eind januari 1737 in het rechthuis van Lisse zou plaatsvinden, wordt uitgesteld tot oktober 1738. Onder het toeziend oog van de Leidse schepenen in herberg de Burcht te Leiden, wordt de molen geveild en mag Lenard Willemsz Oote (1679-?, gehuwd met Maria Jansdr. Vlaenderen), zich voor 2.250 gulden eigenaar noemen. Pas in de herfst van 1739 wordt met een laatste ingediende onkostennota een dikke streep gezet onder deze geschiedenis.

Bronvermelding

NA ORA Lisse transportakten

RAL ORA Leiden, toegang 0508 inv 129 DD

NA gahetna kaartencollectie

VOL beeldarchief

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 2)

Het boek ‘In bloembollenland’  van Anna van Gogh wordt besproken.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

Latere titeluitgave van “In het Bloembollenland”

In het bloembollenland verscheen bij J. B. Wolters in de serie “Geïllustreerde bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar”. Sjoukje Troelstra, Nellie van Kol en Jan Ligthart vormden de redactie van de serie. Een sterk team: een onderwijsvernieuwer en twee bevlogen, sociaal bewogen kinderboekenschrijfsters. Sjoukje, de vrouw van socialistenleider Pieter Jelles Troelstra, werd onder haar pseudoniem Nienke van Hichtum beroemd als auteur van Afke’s tiental. In het socialistische dagblad Het Volk (07.06.1904) recenseerde Sjoukje Troelstra als S. Tr. het werkje van haar partijgenote. Natuurlijk staat zij achter de inhoud ervan, anders had zij het niet opgenomen in haar “bibliotheek”. Zij heeft wel vernomen dat er mensen zijn die vinden dat er te veel over de bloembollencultuur in voorkomt, teveel “tendenz”. Op wie zij doelt blijft schimmig en openlijk maatschappijkritisch is het boek niet, maar passages als die over de bollenrooitijd zijn geschreven met hart voor het leed van de bollenarbeiders. Een andere recensie staat in het blad voor De School met den Bijbel.

Anna van Gogh-Kaulbach gefotografeerd op 14-12-1959. Anna was geboren te Velzen op 31-12-1869, overleden te Haarlem op 28-01-1960. Romanschrijfster en vertaalster. Ze schreef ook wel onder het pseudoniem Wilhelmina Reijnbach. Dochter van Frans Ludwig Eduard Kaulbach (1835-1899) arts, en van Helena Maria Cornelia van Reijn (1836-1903). Anna Kaulbach trouwde op 30-8-1899 in Velsen met Willem Jacob van Gogh (1863-1934), hij was bollenkweker en later kunsthandelaar. Zij woonden vlak na hun huwelijk tijdelijk in Lisse aan de Heereweg op nummer 296. Uit hun huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren

De boekbespreker prijst dat de lezer bekend wordt gemaakt met alles wat te maken heeft met de bloembollenteelt, maar keurt de “ethische zijde” van het boek af. De levensbeschouwing van Anna van Gogh-Kaulbach is niet de zijne. Aanschaf van het boek wordt niet aanbevolen (21.07.1904). Hoe zouden de experts van het Weekblad voor de bloembollencultuur (01.07.1904) het boek beoordelen? In een korte, anonieme bespreking looft de recensent de schrijfster, die “goed bekend is met alles wat in het vak te doen is en in juiste schetsen op zeer onderhoudende en duidelijke wijze aangeeft wat de werkzaamheden zijn in de verschillende tijden van het jaar en hoe die worden verricht.” Het boek slaat in deze kringen kennelijk goed aan. Boekhandel de Erven Loosjes in Haarlem adverteert stevig voor het boek in dit vakblad. De plaatjes in het boek zijn aantrekkelijk en informatief. Schoolboeken waren aan het begin van de twintigste eeuw erbarmelijk slecht geïllustreerd. Ook het taalgebruik was vaak voor de kinderen veel te moeilijk. Uitgeverij Wolters wilde hierin verandering brengen en trok C. Jetses en W. K. de Bruin aan. Deze laatste illustreerde “In het bloembollenland”. Hij maakte tekeningen in gewassen inkt die als autotypie op het gladde papier werden afgedrukt, waarmee hij een schilderachtig effect bereikte. De tekeningen van de Haagse tekenleraar werden tussen de tekst geplaatst, wat een speels effect geeft. De uitgever stak het boek in een rode band met een narcis op het voorplaat. Twee jaar na het verschijnen van In het bloembollenland verkocht Wolters de hele “Bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar” aan de Alkmaarse uitgever Kluitman. Die bond het binnenwerk van het boekje in een Jugendstilbandje met zijn naam op het voorplaat, maar op de titelpagina nog de naam van uitgeverij Wolters. Zó’n exemplaar heeft de VOL in haar bezit. Wie het ooit heeft geschonken? Op het schutblad staat in verbleekte inkt de naam van G. Entinck, waarschijnlijk de eerste eigenaar. Zal hij er wat van hebben opgestoken? Wij wél. Het boekje is nog zeer leesbaar en biedt een uniek kijkje in de bollenteelt van meer dan honderd jaar geleden.

Bronnen

Uitgeverij Wolters stak het boek “In het Bloemenbollenland” in een mooi bandje. Op de titelpagina staat de naam van Wolters, op de band die van Kluitman. Fotomateriaal is afkomstig uit VOL archief, Nationaal Archief en van Wikipedia.

Eerder publiceerde Aad van der Geest over Anna van Gogh-Kaulbach en haar roman Rika in het VOL-Nieuwsblad, Jaargang 11, nr 1 van januari 2012. Zie ook: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling.

Illustraties van W.K. de Bruin uit het boek “In het Bloembollenland”.

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 3)

De Poolse roots van Jozef Rudz worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader na de oorlog komt aan de orde.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

De afgrijselijke donkere periode van de Tweede Wereldoorlog is voorbij. Aan de onzekerheid kwam een eind. Men kon weer een toekomst tegemoet zien, er was weer licht aan de horizon. Wederopbouw was het devies. Eindelijk gemoedsrust. Het prille echtpaar Rudz was ook toe aan die vredige rust.

Een Pools gezin in Lisse

In het gezin Rudz werd thuis Pools gesproken. Vader Rudz leerde Nederlands vooral van zijn collega’s bij Sikkens. Hij kon het goed verstaan, maar spreken was een probleem. Moeder Rudz leerde ook in de dagelijkse omgang met buren, in winkels en zo. Zij sprak een eigen Nederlands, doorspekt met veel Duitse woorden. Daardoor werd ze wel eens, heel pijnlijk natuurlijk, uitgescholden voor mof. Inburgeringscursussen? Dat bestond nog niet, je moest je zelf zien te redden. Er was wel ambtelijke hulp van de gemeente. De naam van de heer Willemsen, van de afdeling bevolking, valt een paar keer. Hij heeft heel veel gedaan voor nieuwkomers bij de gemeente. De Rudzen waren stateloos, het Polen waar ze ooit bij hoorden bestond niet meer en het Nederlandse staatsburgerschap konden ze nog niet krijgen. Er waren door de Nederlandse regering wel toezeggingen gedaan. Maar dat was nog een heel gedoe en er waren nogal wat voorwaarden waar aan voldaan moest worden. Gelukkig was daar meneer Willemsen die als het moest afreisde naar Den Haag om zaken rond te krijgen. In 1968 kreeg de heer Rudz het Nederlanderschap. Ook zoon Jozef was stateloos. Hij kreeg gelijk met zijn vader het Nederlanderschap, dat voor hen samen werd gepubliceerd in het Staatsblad. Vader Rudz kreeg zijn Nederlandse paspoort gratis, zoon Jozef moest het zelf betalen. Tot die tijd hadden ze een soort identiteitskaarten. De eerste jaren moesten ze daarvoor op het politiebureau komen waar dan ook vingerafdrukken werden afgenomen. Dat vond men bij de politie blijkbaar gênant, brave burgers op het bureau ontbieden voor vingerafdrukken, dus kwam men daarvoor in het vervolg bij hen thuis. Bij dit soort zaken werd wel de hulp van Frans Godilla als tolk ingeroepen. Ook Jan Pazola hielp weleens met formulieren. Hij trouwde een Nederlandse en leerde daardoor de taal beter. Op een gegeven moment waren de vingerafdrukken niet meer nodig, identiteitskaarten wel, tot ze bij het officiële Nederlanderschap vervangen werden door het paspoort. Bij moeder Rudz lag het krijgen van een paspoort lastiger. Zij was huisvrouw en dus economisch afhankelijk. Bovendien bleek nog iets heel bijzonders. Mevrouw Rudz was voor de oorlog getrouwd, maar over haar man had ze sinds 1939 niets meer gehoord. Ze was er al die tijd van uitgegaan dat hij gesneuveld was, maar bewijzen waren er niet. Pas veel later kwam hiervan een mededeling. Officieel was hij alleen vermist. De heer en mevrouw Rudz waren dan wel in de Agathakerk getrouwd, maar voor de Nederlandse wet bleken ze niet gehuwd. In het Polen dat ze gewend waren was een huwelijk in de kerk meteen een wettelijk huwelijk. Nu waren ze dus officieel niet samen gehuwd. Mevrouw Rudz was officieel wel gehuwd, weliswaar met iemand die waarschijnlijk omgekomen was, maar toch. Weer was de hulp van de heer Willemsen onontbeerlijk. De oplossing was via een advocaat een scheiding aanvragen. Toen de scheiding uitgesproken was zijn ze in 1972 voor de wet getrouwd. Zoon Jozef hoorde dit pas op de dag dat ze voor de wet trouwden. Nu zou je zeggen, waar maakten ze zich druk over, maar in die tijd schaamden ze zich zo voor het feit dat ze eigenlijk ongehuwd waren dat ze dat stil wilden houden. Gelukkig was de weg naar het Nederlanderschap nu ook mogelijk.

Rode Kruis

Na de Tweede Wereldoorlog werd de verdeling in Europa ”het westen” en “het oosten”. Hoe wist je of je familie de oorlog overleefd had? Waar waren ze nu? Zoveel vragen, maar waar begin je. Het Rode Kruis biedt uitkomst. Over de lotgevallen van de familie van vader Rudz is niks concreets naar boven gekomen. Alleen een vaag verhaal over de enige zus Lodzja van vader Rudz Zij zou door de Russen meegenomen zijn en gedwongen te werk gesteld in de goudmijnen. De strafkampen van de Kolyma liggen in Siberië. ’s Winters zakt de temperatuur er onder de -50 graden. De winter duurt erg lang, werken in de mijnen is zeer zwaar, het is praktisch een doodsvonnis wanneer je er naar toe verwezen wordt. Er zijn zeker 10.000 Polen omgekomen in de Kolyma. De strafkampen van de Kolyma, wat wel het Russische Auschwitz wordt genoemd, en waar mogelijk dus ook de zuster van vader Rudz bezweek, eisten onder het regime van Stalin miljoenen slachtoffers. Voor mevr. Rudz is het vinden van familieleden wel gelukt. Eerst ontdekt men neven die nog in Barek Stary wonen en er blijken ook nog ooms en tantes te zijn. Dan volgt een wonderlijke ontdekking. Mevr. Rudz heeft een oudere broer die al voor de oorlog Polen verliet om werk te zoeken in West-Europa. Die blijkt in Frankrijk te wonen en aan het begin van de oorlog al mee te hebben gevochten aan de Franse kant. Daarvoor ontving hij ook enkele Franse militaire onderscheidingen. Vader Rudz kreeg voor zijn aandeel in de strijd meerdere Engelse onderscheidingen. De broer van moeder Rudz woonde net over de Belgische grens. Daar kon zonder problemen contact mee gelegd worden.

Jozef Rudz groeit op

Jozef blijft enig kind. Hij gaat naar de St. Willibrordschool. Natuurlijk is het lastig, thuis Pools spreken, met vriendjes buiten Nederlands praten en op school Nederlands leren schrijven. Met ouders die, dat kan niet anders, beschadigd zijn door wat zij allemaal hebben meegemaakt. Maar wanneer er iets op school te bespreken viel dan zorgde moeder Rudz wel dat ze er was. Desnoods moest Jozef tolken, maar moeder wist van wanten! Sinterklaas wordt niet gevierd, maar Jozef krijgt wel een cadeautje. Kerst is in Polen een echt familiefeest en het belangrijkst is Kerstavond. Maar helaas, familie is er niet. Wel wordt er die avond traditioneel gegeten. Dat betekent vis (karper). En zuurkool die op een speciale manier wordt klaargemaakt en paddenstoelen. Zuurkool wordt veel gegeten, vaak met veel vlees, of zelfs als zuurkoolsoep, maar met Kerst wordt er minder vlees bij gegeten.

Jozef Ruts op de Willibrordschool

Er komen wel Poolse lotgenoten op bezoek, maar er zijn in deze regio niet, zoals er wel zijn in bijv. Breda of de mijnstreek, verenigingen van Polen. Jozef is wel nieuwsgierig naar de Poolse achtergrond. Zijn vader vertelt wel het een en ander, maar zijn moeder heeft waarschijnlijk te veel meegemaakt. Zij kan er tegen haar zoon blijkbaar niet over spreken. Wanneer Jozef al volwassen is weet hij zijn ouders te overtuigen om een keer naar Polen te gaan. We schrijven dan 1970. Het IJzeren Gordijn is er dan nog, dat viel pas zo’n 20 jaar later. Ze gaan voor 2 weken, met de trein. Ze hebben dollars en Nederlands geld en moeten 2 dollar per dag besteden. Vader heeft zijn Nederlandse paspoort, maar moeder is nog stateloos. Zij heeft papieren met een wit kaft. Bij de Oost-Duits/Poolse grens worden ze uitgebreid gecontroleerd en mevrouw Rudz wordt door de Vopo’s zeer onheus benaderd. Met een trap tegen haar zitting en de uitroep “Schwein”! Moeder Rudz was toch al niet zo blij om terug te gaan en dit was genoeg om te verzuchten: “ik ga hier nooit meer naar toe”. Vader Rudz is verbaasd over de achterstand die in het Oostblok heerst. “Ze rijden hier nog met stoomtreinen”. Aan de Duitsers hadden ze een grondige hekel, maar vader Rudz had een nog grotere hekel aan de Russen. Aan de grens moesten ze in een lange rij wachten door toedoen van Russen. Vader Rudz maakte zich kwaad, stoof op de Russen af en er volgde in het Russisch een scheldkanonnade. Het had wel effect: ze mochten vooraan komen.

Jozef Rudz op eigen benen

Vader en moeder Rudz hebben nog wel van hun pensioen en AOW kunnen genieten. Maar omdat veel jaren in het leger doorgebracht waren was er geen volledig pensioen. Er is, o.a. door de afdeling bevolking van de gemeente en door de huisarts, nog geprobeerd om via Londen een uitkering over die legerjaren te krijgen, maar dat is niet gelukt. Moeder Rudz overleed in hetzelfde ziekenhuis als waar ze in 1947 in Nederland was begonnen. Daar kreeg ze nog bezoek van zuster Zita. Deze zuster werkte in de Mariastichting in de wasserij toen mevr. Rudz er begon Zuster Zita sprak wel Pools, maar met een raar accent. Het is mogelijk dat zij van de Hongaarse grens kwam. Bij die laatste ontmoeting in het ziekenhuis was de zuster al in de 90. Ze kwam de ziekenhuiskamer binnen en de vrouwen glimlachten naar elkaar. Moeder Rudz overleed die dag en, heel merkwaardig, zuster Zita overleed 3 uur later. Jozef is, zoals in de inleiding al gezegd is, een echte Lisser. Maar Polen heeft natuurlijk een speciaal plekje in zijn hart. Hij trouwde ook met een Poolse, is nog dikwijls, ook met zijn ouders, naar Polen geweest en spreekt de taal uitstekend. Zijn kinderen zijn ook met Pools opgegroeid en het was voor de grootouders een groot geluk dat ze daardoor met hen een goed contact konden opbouwen. De oudste dochter werd ook vernoemd naar de grootouders, iets dat in Polen niet echt gebruikelijk is. Ze kreeg de namen Barbara (naar haar moeder), Janina (naar haar oma van moeders kant), Bratislava (naar de moeder van Jozef). Tegenwoordig krijgen Poolse kinderen die hier opgroeien de kans ook onderwijs te krijgen in de Poolse taal. Jozef vindt het jammer dat hij de Poolse taal niet kan schrijven. Met de brandweer, waar hij sinds 1-10-75 actief voor was, is hij in 2001 naar Polen geweest, naar concentratiekamp Auschwitz. Dat was eerst wel heel moeilijk voor hem. Hij voelde de dreiging enorm en realiseerde zich heel erg wat zijn moeder allemaal had meegemaakt. Het bezoek ging verder wel goed. De contacten met de brandweer in Polen kwamen een beetje bij toeval tot stand. De oudste dochter van Jozef had een peettante die in Rytro woonde. Ze waren er op bezoek, Jozef ging een eindje lopen en kwam toevallig langs de brandweerkazerne. Als brandweerman moest hij natuurlijk een praatje maken. Het werd een gezellige boel en hij werd zelfs met de brandweerwagen naar het huis van de peettante teruggebracht. In die tijd was er in Polen nog gebrek aan van alles. Dit bezoekje zorgde voor allerlei stromen van hulpgoederen. Het brandweerkorps in Rytro werd via de regionale brandweer Leiden eigenaar van allerlei brandweermateriaal dat hier overbodig was geworden. Ook kinderhuizen werden geholpen, bijvoorbeeld met dekens. Diverse keren reden ze met de brandweer naar Rytro. Ze overnachtten dan bij mensen thuis. Daar werden ze altijd zeer gastvrij ontvangen. Soms zelfs een beetje te veel, zoals die keer dat ze in de goede week (week voor Pasen) kwamen. De hele week werden ze onthaald met gerechten met, hoe kan het anders, kip, kip en nog eens kip. Prima contacten, en dan word je op een bepaalde dag zelfs uitgeroepen tot ereburger van Rytro. Deze eretitel werd bij die gelegenheid ook toegekend aan een Pool die na de Tweede Wereldoorlog wel terug was gegaan naar Polen (hij wilde naar zijn jonge vrouw terug). Toen hij Jozef’s achtergrond hoorde vertelde hij hoe slecht hij het in Polen had gehad na zijn terugkeer. Als teruggekeerden werden ze gezien als vijanden en riskeerden ze dat ze het slachtoffer van schijnprocessen werden. Je moest altijd op je hoede zijn. Jozef’s ouders hadden gelukkig voor het westen beslist, hoewel ook zij het zeker heel zwaar gehad hebben. De andere brandweermannen die de transporten naar Rytro begeleidden kregen ook het ereburgerschap van Rytro, want, zoals Jozef het zegt, je doet het met elkaar. ■

behorende bij 131, gesloopt in 1951. Hier kwam de bloemenwinkel van Grimme

Bronnen

Een leger in ballingschap en de geschiedenis van het tweede Poolse legercorps door luitenant-generaal W. Anders. Diverse internetsites.

Fotomateriaal uit gemeentelijk-archief, familie archief, VOL-archief, Nationaal Archief het Publiek Domein. Gijs Roem foto Irenestraat.

 

 

 

 

De Blauwe druif Heereweg 131. Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

De Irenestraat. Daar is het gezin Rudz uiteindelijk gaan wonen. Foto 1978

 

Nieuwe Kroniek over de jaren tachtig is uit

De Kleine Kroniek van Lisse in de tachtiger jaren van Arie in ’t Veld is uit. Het is te koop bij Grimbergen.

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Nieuwsflitsen

De nieuwste editie van de Kleine Kroniek van Lisse is uit. Dinsdagmiddag 20 november overhandigde auteur Arie in ’t Veld het eerste exemplaar aan oud-wethouder van cultuur Adri de Roon. Nu zijn ook de jaren van 1980 tot 1989 in Lisse vastgelegd. In ’t Veld deed twee jaar lang onderzoek in de archieven van de gemeente Lisse. Ook interviewde hij belangrijke mensen uit die tijd en raadpleegde hij kranten. Al deze informatie bundelde hij in een prachtig boek. “Een belangrijk onderwerp dat in die jaren speelde, was de sloop van het gemeentehuis,” vertelt de schrijver. “Dat hield de gemoederen aardig bezig. Je vindt hierover dan ook veel terug in mijn boek.” Vierde editie Opdrachtgever van het boek is de gemeente Lisse. Oud-wethouder De Roon bedacht het concept voor de boeken en gaf In ’t Veld de opdracht. Inmiddels is dit alweer de vierde Kleine Kroniek. De jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig zijn nu beschreven.

Veertiger jaren komt nog

Tijdens de overhandiging van het eerste exemplaar spraken huidig wethouder van cultuur Jeanet van der Laan en de auteur af dat het nu tijd is om de veertiger jaren te beschrijven. “Ik vind het belangrijk om juist die verhalen nu vast te gaan leggen”, aldus In ‘t Veld. “Nu zijn er nog mensen die er over kunnen vertellen. En het zijn bijzondere jaren in én vlak na de oorlog.” De nieuwste editie van de Kleine Kroniek van Lisse is verkrijgbaar bij Grimbergen Boeken, Heereweg 23.

Het onderhoud en bestraten van de wegen in Lisse.

door Arie Koning

9 oktober 2018

Het onderhoud en bestraten van de wegen in Lisse.

Lees de kortere samenvatting De allereerste bestrating van wegen en straten in Lisse

In de vroege jaren van de 18e eeuw kon men nauwelijks van wegen of straten spreken in Lisse, zo was de Heereweg niets meer dan een karrepad van zand en puin zoals deze er al eeuwen bij gelegen had. Er was een onderhoudsplicht voor de inwoners van het dorp. Ieder moest zijn gedeelte waar zijn huis of boerderij aan lag begaanbaar en schoon houden en als het erg droog werd moest de weg nat gehouden worden om verstuiving van het droge zand te voorkomen. iedere inwoner van Lisse welke paarden bezat moest bij toerbeurt “puin karren” om de grootste gaten te dichten en weer af te vlakken met zand, welke in ruime massa aanwezig was in Lisse. Als vergoeding hiervoor mochten de paardenbezitters hun paarden laden grazen in het duin van de wildernis. De animo voor deze weg werkzaamheden was zoals men begrijpt niet erg groot, ook bij de bewoners zonder paarden. Men had het druk genoeg en het kwam er meestal op neer dat vrouwen en kinderen zomers de weg nat hielden. Dit werd gecontroleerd en verzaakte men hierin, werd er een boete gegeven.

’s Winters was de weg meestal onbegaanbaar door diepe karrensporen welke volstonden met regenwater. De dagelijkse postwagens uit Leiden en Haarlem, welke rond het middaguur elkaar in Lisse ontmoetten en elkaars post overdroegen en tevens de poststukken bestemd voor Lisse bezorgden, hadden met veel moeite en uiterste stuurmanskunst Lisse weten te bereiken.

De bestuurders van Lisse onder leiding van de Schout Jacob van Dorp, besloten dat er voor eens en altijd begaanbare wegen in het dorp moesten komen en besloten dat het tijd werd om de wegen van Lisse te bestraten. Dit was een zeer ambitieus plan en men besloot eerst te kijken of de financiering rond te krijgen was en men besloot een handtekeningen actie te houden waarmee men kon aangeven bereid te zijn om bij te dragen aan de realisatie van de bestrating. (Door deze lijst kunnen wij als geschiedvorsers mooi even meekijken welke inwoners niet konden lezen en schrijven. De analfabeten zetten namelijk een merkteken in plaats van een handtekening). De bestuurders hadden al gauw in de gaten dat het door vrijwillige bijdragen alleen niet haalbaar was en er dus via belastingen geld vrijgemaakt moest worden. Men had gedacht om een omslag op te leggen aan alle inwoners welke land in bezit hadden van 35 stuivers per morgen land. Maar dan kwam je op het terrein van het Hoogheemraadschap van Rijnland en daar moest je, als het even kon verre van blijven. Er werd een verzoek, een zg. Requeste, aan het Hoogheemraadschap van Rijnland gestuurd met het verzoek om te mogen bestraten. Dit verzoek werd op 20 februari 1723 verzonden maar er kwam geen antwoord. Nou was de Schout van Lisse een geduldig maar ook een zeer vasthoudend man dus een tweede Requeste werd geschreven, maar ook daarop werd geen antwoord gegeven. Pas na de vierde Requeste op 21 April 1725 kreeg men de gewenste toestemming en werd in Lisse de bestrating gerealiseerd. Dat werd een succesverhaal want Lisse werd nu met respect beschreven door voorbeeld de geschiedschrijvers Mattheus Brouërius van Nidek en Isaac Le Long als:
“Men heeft dit dorp in het jaar 1725 geheel bestraat. Onder deselfs straten loopt er één met een kromme bogt naar eene haven, welke de Graft genoemd wordt, en zyne uitwatering heeft door de Ringsloot van de Lisserpoel tot in het Haarlemmer meïr, alwaar dit water de naam van de Greveling aanneemt”
Anderen noemen Lisse een schoon en weelderig dorp welke geheel bestraat is. Niettemin bleef de verplichting van onderhoud van de wegen en voetpaden bestaan. Vuil, paardenpoep, stuifzand en rommel van afgevallen lading moesten door de aangrenzende bewoners schoon gehouden worden, de boetes waren even hoog als voor de bestrating. De bevolking welke normaal gewend waren hun afval overal neer te gooien, werden bewust gemaakt dat het ook anders kon. Dat heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Lissers stonden bekend om enorme rotzooimakers. Overal werd huisvuil gestort, tot op het Kerkhof aan toe. In bijvoorbeeld de Resolutie Boeken van Schout en Burgemeesteren komt het item vervuiling van het dorp veelvuldig ter sprake, maar de aanhouder, in dit geval Schout Jacob van Dorp, heeft dit gevecht glansrijk gewonnen

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26088-26089 pag. 76

Alsoo Henrik Janse Korsten, overleden, ende bij deselfs nagelaten wed: Cornelia Huberts Heemskerk afgestaan was aan de Delfweg.
Soo hebben Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, van des Ambagtswegen besteed, ende Pieter Engelse van Schie, schilpkarder, ende bouman aan de Delfweg in Lisse, voors: van deselve aangenomen, de vermelde Delfweg na vereijs, ende ten genoegen, ende prijs van de besteders, mitsgaders van den ingelanden, ende ingesetenen, soo als Schout ende Ambagtsbewaarders, in der tijd, sulks sullen ordenneren tot een bekwame Rijweg ’t elkens alle daags slenken, ende dellen te vereffenen uijt de bij gelegen hoogtens, ofte ribbens, ook ter bekwamer plaatse de Gruppen, ende afloopen van water te maken, ende als ’t vereijst Spijkers aan de hekken te slaan, soo lange den aannemer aan de Delfweg sal blijven wonen, sullen de Besteders bij gebreke van den aannemer, na voorgaande waarschouwinge, ende verloop van 24 uren tijd, ‘t selve tot des aannemers kosten, selfs tot haar genoegen mogen laten doen, waar voren den aannemer alleen sal geniete de beweijdinge van deselve delfweg, ende sal den aannemer boven ’t voors: Onderhout, alle jaren aan ’t Ambagt nog moeten betalen, op den Tweeden kersdag, een somme van eene Gulden, onder verband van den Aannemers persoon ende goederen, gene uijtgesondert, onderwerpende deselve de Geregtsdwang van allen Keuren, Regten ende Regteren, ende wel Specialijk de Judicature van de WelEd: Heeren Dijkgrave ende Hoogheemraden van Rijnland. Des blijft het sandkarren, ende verder onderhout der hekken op de voors: weg hier buijten gehouden, ende den aannemer daartoe niet verpligt.

Aldus gedaan tot Lisse in ’t Regthuijs op den 14 Junij 1720.

Handtekening Gerrit Hendrikse Hoogkamer
J. van Dorp Leendert Willemse Oote
1720

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26172-26176 pag.177

Aan de WelEdelen Heeren Dijkgraaf ende Hoogheemraden van Rijnland,

Geven met Eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat de Rijweg in Lisse, voor soo verre deselve Wedersijds betimmert is, tot nog toe is opgekarret ter bede bij beurten door alle de Lisseijselieden die paarden houden, soowel die wonen in de Lisserpoel, als daar buijten, ende den Weder sijdse Voetpaden, ende palen bij de gehuijsdens, ijder sooverre hare Erven strekken, gelijk den heereweg buijten de wedersijdse huijsens bij de gelandens aan den Heereweg, werd gemaakt en onderhouden bij die geland sijn, aan eene sijde de Rijweg, ende bij die geland sijn aan de andere sijde het voetpad met de palen, dat de gemelde rijweg in Sonderheijt tusschen de huijsen, door het menigvuldiger berijden, van de Postwagens, ende andere Rijtuijgen, als voor desen van tijd, tot tijd is vervangen, ende bij supplianten geen ander genoegsaam middel en kunnen uijtvinden, om de Rijweg tusschen den huijsen op te maken, ende onderhouden, als met deselven te bestraten, dat den heere van Lisse, ende andere heeren Ingelanden, Soo in als buijten de Lisserpoel,hadden getekend, daar tot Vrijwillig sekere Somme van penningen te sullen betalen, als den straat geleijd was, maar dat de tot nog toe ingetekende Somme op verre na soo veel niet bedragen, als de onkosten soude Lopen, waarom de supplianten met Verwilliginge van den heere van Lisse, ende den anderen Ingelanden, hen keerden tot UwelEd:, Ootmoedelijk versoekende UwelEd: consent om den Heereweg in Lisse, beginnende besuijdwesten den kerk, noordoost op, tot soo verre deselve met huijsen aan weder sijden betimmert is, te mogen bestraten, ende het gene het bestraten meerder sal komen te kosten als de Vrijwillige beloofde ofte nog te belooven, ofte anders te verkrijgen,onderstandig ende te ontfangen giften bedragen, te mogen brengen ten laste van alle de morgen talen van ’t Ambagt, soo als die in den binnelanden kosten Contribueren,mitsgader van de landen in den Lisserpoel onder Lisse, ende die afgesande landen, die in den jare 1666, in den verpondinge sijn aangeslagen, des dat den Ingelanden, soo ’t haar gelieft, hare Vrijwillige beloofde Sommen tegens haarlieder quiote in den ommeslagen soude mogen Rescontreren,te betalen den gemelde ommeslag, gereed op UwelEd: Consent, ofte bij die gene die sulks ongelegen mogten komen, ofte liever in termijnen soude betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t elkens een opregte vijfde part, dog met bijvoeginge van Interest, van ’t agterstal, tegens vier percento, ’s Jaars, de gemelde termijn ’t elkens te verschieten bij de bruijkere ende voor den helft bij de Eijgenaars te korten.
Wijders dat UwelEd: gelieve te ordonneren dat alle de gehuijsdens, tot conservatie van de te leggen Straatweg, soo verre haar erven strekken, elks aan sijne sijde deselve Straatweg tot op het midden van, en tegens malkanderen aan sullen moeten onder ’t Sand ende bij droogte nat houden,als ook dat deselve ende alle andere gehuijsdens, ende inwoonders, aan den heere ende andere wegen in Lisse het bij de ordinaris schouwen tegenwoordig Subject, ofte niet, soo verre hare erven strekken een bekwaam voetpad sullen moeten onderhouden, ende de palen, die sij tot behoud van het voetpad gehouden sijn te stellen, ende houden op alle ordinaris schouwdagen, aan ’t bovenste, ende een halve Elle lang te laten verwen, verder dat niemand wie sig bij hem van nu voortaan sullen te vervoederen, den Heereweg, soo voetpad als Rijweg, als ook alle anderen gemene wegen, ende landen in Lisse, gene uijtgesondert, tot bewerpen, bestroojen ofte beleggen, met eenige vuijle materie, ’t sij drek, ofte schoven, hooij, stroo, potten, scharen, spaanderen, krullen ofte lappen, water, takken, ruijgten, bladeren, glas, ofte eenige dingen, daar mede deselve ontsiert ofte verergerd, souden kunnen worden, Elk poene op de ordinaris verbeurte van 12 stuijvers, ten behoeve van de Schout voor de Eerste reijs, ende van vier en twintig stuijvers voor de tweede reijs, ende van 10 gulden ten behoeve van den Heere Dijkgrave, voor 2/3 , ende van den Schout voor 1/3 voor de derde reijs, ende dat boven dien den overtreders ende de gebrekige gehouden sijn de straat te sanden ofte nat te maken, de Wegen en paden van de ingeworpe ende verbode materialen, te ontruijmen, de palen te laten Wit verwen, ende voetpaden te sanden, en gelijken, binnen 24 uur na gedane waar schouwinge, ofte dat de Ambagtsbewaarders gehouden sullen sijn, sulks te laste doen, tot kosten van de gebrekige, ende deselve kosten te laten Uijtleggen door den Schout, om die te innen na den Dijkregte, ’t welk doende was ondertekend, Fred: Heereman v: Suijdwijk, T.w de Wassenaar, A: G: Sohier de Vermandois, Vrij:hr van Warmenhuijse, Nicolaas Tjark, Pieter Tjark, L:L: van Dam, W: A: van der Stel, Johannis Kruijs, J. van Dorp, Schout, Lenard Willemsz Oote, ambagtsbewaarder, Dirk Janse van de Voord, ambagtsbewaarder, Johannis van ’t Hoog, Burgemeester, Herman Tijdeman, Burgemeester, Cornelis Jansz van der Jagt, Burgemeester, Jeremias Rouwens, MP dit merk is gestelt bij Dirk Maartense uijt den Hemel, Jan Vlaanderen, dit merk V is gestelt bij Mathijs Hubertse Erffort, Jan Saarse Krook, Jan Pieterse Verham, Klaas van der Does, Reijmpje Klaas, Adriaan Mathijsse, dit merk V is gesteld bij Barend Jansz van Bispik, dit merk C is gestelt bij Henrik Leonards van Roon, dit merk ^ is gestelt bij Cornelis Pieterse van Roon, Pieter van Aarle, Jacob Vranken Kats, Sijmen de Graaf, Rutgert Veldhuijse, Dirk van der Horst, Jan van der Jerk, dit merk ¥ is gesteld bij Jan Cornelisse Langeveld, Caterijna Jans Ammeraal, dit merk T is gestelt bij Adriaan Jacobsz de Goede, Cornelis Stellingwerf, Pieter de Bok, Jacob van ’t Hoog, Pieter Lenardse Brero, Frans Gerritse Brero, Benjamin Stellingwerf, dit merk + is gesteld bij Lenard Henrikse van Roon, Pieter Sijmonse Langendam, Barend Jochems Stellingwerf, dit merk T is gestelt bij Engel Dirkse van Steijn, dit merk Ö is gestelt bij Abraham Cornelisse van der Kluft, dit merk ñ bij Cornelis Adriaanse van der Wolf, dit merk X bij Gerrit Huijgense van den Bos, dit merk L is gestelt bij Willem Jans Slootman, Jacob Cornelisse van der Kluft, Jan Vlaanderen, Otto Jacobse Kranenburg, Sijmon Berkhout, Gerrit hendrikse Hoogkamer, Cornelis Onnosel, Jan Bekke, Warbout Jurriaans Vreburg, Jacob Florisse van Bourgondien, Huijbert Jans van de Voord, Elias Adriaanse van Geel, Crijn Cornelisse Geel, Cornelis van der Saal, Arent Meuse Velsbrugge, Tomas van Wetteren, Bart Jans Klinkenberg, Jochum Willemse Geel, Herman Schuurman, Willem Willemse Mens, Jacob Maarse Verduijn, Lenard Claasse van der Poel, Claas Janse ’s Gravenmade, Cornelis Verdel, dit merk X is gestelt bij Jan Jacobs Naardenburg, Jan Jacobs van der Hoven, Claas Arisse van der Helder, Andries Cornelisse Ploeg, Jan Arisse van der Wolf, Jan van Koorn, Jan Cornelisse Moerkerken, Jan Arisse van Sprokkelenburg, Lenard van den Bos, Jan Jans Vlaanderen, Jacobus Rek, Jan Jans van der Plas, Maartje Sijmons, dit merk X is gestelt bij Huijgh Jorisse Naardenburg, Jan Jans van der Jerk, Tieleman Stroom, Claas van Steijn, dit merk C is gestelt bij Dirk van Santen, Willem Philipsz, Catharina Verrijn, Gerrit Sijmonsz, David Panter, Pieter Arendse van Wateringen, Pieter Jansz Kok, Dirk Harmansz, Willem Cornelisse Dekker, dit merk B is gestelt bij Cornelis Cornelisse Geervlied, dit merk L is gestelt bij Joris Janse van Haastregt, dit merk C.d. is gestelt bij Cornelis Dirkse Huijgsloot, Joris [….], Cornelis van Dalen, Pieter van Velsen, Cornelis Huijgs, Cornelis Blok, voor de Diaconij, Jan Jansz van der Jagt, Maartje Arijs, Lourens Klaverweij, Jacob Willemse Akersloot, Maarten Korssen, dit merk (hij) is gestelt bij Henrik Jacobse van Boomen, dit merk X is gestelt bij Jacob Jans van Naardenburg, Cornelis Pieterse Akersloot, dit merk IB is gestelt bij Jacob Dirkse van Bruijnen, dir merk ß is gestelt bij Jan Philipsz van Velsen, dit merk CD is gestelt bij Pieter Cornelisse Larum. Dirk Claasse Klaver, dit merk Ü is gestelt bij Jan Jochemsz Stellingwerf, dit merk Å is gestelt bij Isaak Maartensz Verduijn, Mees Gerritse Outshoorn, Gerrid Burger, Gerrid Dirkse van Wateringen, Meijndert Huijgen, Jan Wassenaar, Jacobus van ’t Hoog, Dirk Cornelisse Oostdam, Clement Paulisse, Maarten van Outshoorn, Louwrens Jorisse van sGravenmade, Jan Tijs, dit merk X is gestelt bij Christina Dirks van Doelen, dit merk Ñ bij Anna Gerrits van Egmond, Maartje Jans Kok, Geertje van Adrichem, Cornelis Pieterse Gravendijk, dit merk Ü is gestelt bij Cornelis Pieters Barnhorn, Jacob Pieterse Wassenaar, Michiel Michielse, dit merk IWVM is gestelt bij Willem Willemse van der Moor, Arij Dirkse van Steijn, Trijntje Pieters de Jong, Elbertina Molleris, Trijntje Tijdeman, dit merk ÇÇ is gestelt bij Cornelia Jans Kok, Sijmon Langeveld, Jan Arisse SGravenmade, dit merk ¥ is gestelt bij Cornelis Gerrits SGravenmade, Albert Klaasse, Marij Pieterse, dit merk X is gestelt bij Henrik Pieters Arkshoek, voor mijn moeder: Cornelia Heemskerk, J.D: Graaf, Jan Pieters Langeveld, dit merk X is gestelt bij Anna Maartens Duijndam, wed: van Lenard Gerritse Brederoe, Jacob Cornelisse Warmond, dit merk X is gestelt bij Geertje Pieters Spitsbergen wed: van Willem Jansz Entepoel, Jacob Jans Fits, voor de kinderen van Cors Barendse van der Hoeven, Jacob Cornelisse Warmond, Sijmon Cornelisse de Graaf, Cornelis Pieterse van Schagen.

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26177-26178 pag.180

Aan de WelEdele Heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland,
Geven met eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat sij supplianten, op den 20 Februarij 1723, aan UwelEd:, met verwilliginge van den Heere van Lisse, ende ’t meerendeel van den Ingelanden, soo in als buijten de Lisserpoel, bij Reqt: om reden, bij denselve Regt geallegueert hadden, versogt UwelEd: Consent, om den heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende het gene het bestraten soude komen te kosten, als bij den vorigen, als bij den voorn: Regten, mede versmald was, te mogen brengen tot lasten van alle de morgen talen van ’t Ambagt, soo buijten als in de bedijkte Lisser poel, ende verders, soo ten Reguarde van het maken ende onderhouden van den Heereweg, buijten de huijsen, ende ook van de voet paden, als bij den voorsz; Reqt: breeder vermeld, tot het welke de Supplianten, hen alhier refereren dat UwelEd: alvoren op de voorsz: Requeste Finalijk te disponeren op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert, sig tegens het verlenen van het versogte Consent alleen geopposeert hadden Eijgenaars van den Landen in Lisse, ter Nombre van omtrent 120 morgen, en van omtrent 40 morgen binnen de voorsz: Lisser poel, ende de voorsz: opposanten, dat de voorsz: heereweg wel door inkarren van peuijn ende land konde worden gemaakt ende onderhouden, sonder bestraten, tot welke peuijn sij opposanten hun quote dan wel soude willen betalen, dat het Sant van de Duijnheeren wel, om niet te krijgen soude sijn, ende bruijkers wel souden willen karren, ter bede, en de Supplianten het Contrarie hadden gesustineerd, ende bij hun versoek hadden gepersisteert, gelijk ook de opposanten bij hare Weijgeringe gedaan hadden, dat UwelEd: sig selve inspectie oculair hadden mondeling gelieven tot ordonneren, dat tot lasten van de gene die verpligt waren, tot het maken van den voorsz: Heereweg, deselve Heereweg met peuijn, ofte besandige specie souden hebben in te laste vallen, ende ophoogen, tot gelijke hoogte als waren de drempels van de huijsen, aan de voorsz: Heereweg, ende sulks door die landmeter van Rijnland, hadden laten afbakenen, alle ’t welke gekomen sijnde tot kennisse, van de heere van Lisse, ende van de Ingelanden, soo die de gepresenteerde voorsz: Regte, benevens de Supplianten, ende getekend hadde, als die welke niet getekend hadden, maar door hun Vrijwillige beloofde giften, ende niet appelleren, tegen het gemelde kerkgebod, in der Suppliante voorsz; versoek, hadden geconsenteerd, soo hadden deselve ingelanden, aan de Supplianten, hun ongenoegen, wegens het inkarren van peuijn in den voorsz: Heereweg, te kennen gegeven, ook weten de supplianten geen raad, om soo grooten kwantiteit peuijn, of andere bestandige stoffen, als daartoe van Nooden soude sijn, te bekoomen, sijnde wijders niemand van de Bruijkers genegen peuijn te karren in de weg, en sullende over sulks, het karren alleen veel geld beloopen, ende het peuijn bijna soo veel kosten, als het bestraten ende van geen duur wesen, dat sij supplianten en bijna alle de ingelanden oordelen, dat den Heereweg met puijn niet goed gemaakt, veel mins goed gehouden, Sal kunnen worden, ende het daarom, dog Eijndelijk tot bestraten sal moeten komen, ende mitsdien het peuijnen Vergeefse onkosten soude sijn, Ja dat bevonden soude worden, dat de peuijn Weder uijt de weg soude moeten worden ontruijmt, eer men een Goede weg soude kunnen maken, ende wijle het Ambagt, het sij in het peuijnen, het sij in ’t bestraten, seer Importante kosten souden moeten ondergaan, ende ingelanden, ende bruikers, die de kosten daar van dragen sullen moeten, vermeden billijker te wesen, dat gevolgd word de Neijging van Eijgenaars van omtrent 1260 morgen, ende van alle de bruijkers, soo buijten als binnen de bedijkte Lisser poel, die sijn, ofte gehouden moeten worden voor het bestraten, ende tegens het peuijnen, als van de Eijgenaars van omtrent 120 morgens buijten ende omtrent 40 morgens in deselve bedijkte poel, soo menen de supplianten weder om met verwilliginge van den heer van Lisse, de Vrijheijt van UWelEd: nogmaals te versoeken, van de supplianten bij haar voorsz: eerste gepresenteerde Regt gedaan, soo als dat leijd te consenteren, en hen van het gemelde en bij UwelEd: geordonneerde peuijningen te ontheffen.

’t welk doende

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26179-26182 pag.182

Alsoo Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, Aan den Wel Edelen heeren Dijkgrave ende hoogheemraden van Rijnland, met verwilliginge van den heere van Lisse, ende van den grootsten, ende ’t meerendeel van de Ingelanden, soo in, als buijten den Lisser poel, bij Reqt: op den 20 Februarij 1723, om redenen bij deselve Requeste geallignieert, versogt hadde om Consent, om den Heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende het gene het bestraten soude komen te kosten, invoegen als bij den voorsz; Reqt: mede vermeld was, te mogen brengen ten laste van alle de morge talen van ’t Ambagte soo buijten als in de bedijkte Lisserpoel, ende verders, soo ten Reguarde van ’t maken, ende onderhouden van den heereweg, buijten de huijsen, ende ook van de voet paden, als bij den voorsz: requeste breeder staat vermeld, dat haar WelEdele als vooren op de voorsz: requeste
Finalijk te disponeren, op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert, sig teegens het verlenen van het versogte consent alleen geopposeert hadden den heeren Directoires van de Poelpolder, besittende te samen omtrent 41 morgens, voor soo verre als er versogt wierd, den ommeslag over den Landen in de Lisserpoel, en wijders ook Eijgenaars van Landen buijten de Lisserpoel, ter Nombre van omtrent 120 morgens, Sustineeren de voorsz: opposanten dat de voorsz: Heereweg, wel door inkarren van peuijn ende sant konde worden gemaakt ende onderhouden, Sonder bestraten, tot welke peuijn sij opposanten hun quote dan wel souden willen betalen, dat het sant van de Duijnheeren wel om niet te krijgen soude sijn, ende de bruikers wel souden willen karren, ter bede, ende de voorsz Impetranten het contrarie hadden gepersisteert , gelijk ook de opposanten bij haar Weijgeringe gedaan hadden dat haar WelEdele na genomen inspectie oculair, op den 1 October Seventien hondert drie en twintig mondeling hadden gelieven te ordonneren, dat Schout en Ambagtsbewaarders, tot Lasten van die gen die verpligt waren tot het maken, van de voorsz: Heereweg, deselve Heereweg met peuijn ofte bestendige specie souden hebben te laten vullen, ende ophoogen, tot gelijke hoogte als waren de drempels van de huijse, aan de voorsz: heereweg, ende sulks door den land meter van Rijnland hadden kunnen laten af bakenen, alle ’t welke gekomen sijnde tot kennisse van den heere van Lisse, ende van den ingelanden, Soo die den voorsz: gepresenteerde Requeste, benevens Schout ende Ambagtsbewaarders, mede getekend hadde, als die wel niet getekend, maar door hun Vrijwillig beloofde giften, ende niet appelleren ’t gene het gemelde kerkgebod in ’t voorsz: versoek, van Schout ende Ambagtsbewaarders, hadden geconsenteert, deselve ingelanden aan Schout ende Ambagtsbewaarders, hun ongenoegen wegens het inkarren van peuijn, in de voorsz: heereweg hebbende, te kennen gegeven, Schout ende Ambagtsbewaarders, ook geen Raad wetende, om soo grote quantiteijt peuijn, ofte andere bestendige stoffen, als daar toe van nooden souden sijn, te bekomen, bij nader Requeste aan haar WelEdele gepresenteerde, nog meer dringende redenen in deselve nader requeste, geexamineert, tot welke beijde Requesten beijde alhier gerefereert word nogmaals versogt hadden, dat U WelEdele het versoek van Schout ende Ambagtsbewaarders, bij haar voorschreve eerst gepresenteerde Requeste gedaan,soo als dat leijd, geliefde te Consenteren, ende hen van ’t gemelde bij haar WelEdele geordonneerde peuijnen te ontheffen, ende dat den voorsz: opposanten op die nader Requeste in het gemelde eerste gedane versoek, wel hadden willen Consenteren, ende van de oppositie dog mits ontheven wordende, van de reparatie, soo hebben wij Burgemeesteren van Lisse op de tusschen spraak van wel gemelde heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland beloofd, ende beloven bij desen dat soo wanneer haar Wel Edele, het voorschreven, bij de voorgeschreve Requeste gedane versoek, om den Heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende de onkosten van het zelver bestraten, te mogen omslaan, soo als dat versoek leijd, alleen de 21 morgen lands van den hoofdkerken van Leijden, ende twintig morgen lands van den voorsz: heeren Directeuren, in de voorsz: bedijkte Lisserpoel, soo het hem gelieft, van hun aandeel inden ommeslag geeximeert sijnde, aan Schout en Ambagtsbewaarders accorderen wij in dien gevallle, alle de onkosten van de reparatien die na dat de meer gemelde straat geleijd sal sijn, in tijden en wijlen van nooden, sal worden bevonden over elks van den Ingelanden, in den dorpe ende Ambagte van Lisse, voor hun aandeel in die onkosten, van den reparatie, op den Eed tot onse Bedieninge staande sullen setten, quotiseren ende invorderen ende de Ingelanden daar van ontheffen, onder verband van ’s Dorps inkomen.

Aldus gedaan tot Lisse, in ’t Regthuijs, ten overstaan, ende met goedkeur van Schout ende Schepenen ende alle de Burgemeesteren op den 24 Februarij 1724

Handtekening Elias Adriaanse Geel Cornelis Jans van der Jagt
Jacob van Dorp Cornelis van der Saal Joachim Willemse
1724 Jan Vlaanderen Jacob Fransse Kats
Otto Jacobs Cranenburg Adriaan Cornelis Plooy
Klaas van der Does

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26190 pag.194

Wij, Burgemeesteren van Lisse, nemen op het voorstel van Schout ende Ambagtsbewaarders, van wegen den WelEdele Heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland, bij desen van wege ’t Dorp, te suppleren, ende over Elke van onser ingesetenen, in den Dorpe ende Ambagt van Lisse, voor hun aandeel in die vervulling, op den Eed, tot onse Bedieninge staande, te sullen setten, quotiseren, ende invorderen, alle het gene het bestraten van den Heererijweg in Lisse, Beginnende besuijdwesten de Kerk, noordoost op, tot soo verre deselve Heererijweg, met huijsen aan wedersijden betimmert is, so als die tegenwoordig is begonnen, ende afgebakend meerder sal kosten, als den vijfendertig stuijvers per morgen, de welke den voorn: haarWelEd: hadden voorgeslagen, tot kosten van den Landen in Lisse voorsz: te Consenteren, dat wij de ingelanden van de verdere Onkosten dienaangaande te vallen, sullen ontheffen onder verband van ’s Dorps inkomen.

Aldus gedaan tot Lisse in ’t Regthuijs, ten overstaan en met goedkeuring van de Schout, ende Schepenen ende bij alle de Burgemeesteren op den Eersten September 1724.

Handtekening Elias Adriaanse Geel
J. van Dorp Leendert Willemse Oote Cornelis van der Saal
Jan Vlaanderen Otto Jacobs Cranenburg
Johannis van ‘t Hoog
Sijmon Berkhout
Cornelis Janse van der Jagt
Joachim Willemse
Klaas van der Does

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26217 pag.227 – 229

Aan de WelEd. Heeren Dijkgrave
ende Hoogheemraden van Rijnland

Geven met Eerbiedigheijt te kennen Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse dat sij, Supplianten, op den 23 Februarij 1723 aan UwelEd. met verwillinge van den Weledelen heere van Lisse ende ’t meerendeel van de ingelanden, soo in als buijten de Lisserpoel bij requeste om redenen bij deselve regte geallegueert hadden versogt Consent om de Heereweg in Lisse te mogen bestraten ende het gene het bestraten soude komen te kosten invoegen als bij de voork: requeste mede vermeld was te mogen brengen tot laste van alle de Morgentalen van ’t Ambagt, soo buijten als in de bedijkte Lisserpoel, ende verders, soo ten reguarde van ’t maken en onderhouden Vanden heereweg. Buijte de huijsen ende ook Van de voetpaden als bij de voors: Requeste breeder straat vermeld.
Dat Uedelen alvoren op de voorz: Req.-ten finalijk te disponeren op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert sig tegen het verlenen van ’t versogte consent geapposeert hadden, de heeren Directeurs van de Lisserpoel besittende tesamen omtrent Een en Veertig Morgens voor soo verre, als er versogt wierd een ommeslag over de Landen in de Lisserpoel en wijders ook Eijgenaars van Landen buijten de Lisserpoel ter nombre van omtrent Hondert en Twintig Morgens.
Dat UwelEd. de redenen van Oppositie alsook de Supplianten ende opposanten ende het wedersijtse Persistit hebbende gehoord UwelEd. na genomen inspectie Oculair op den 1 Oktober 1723 hadden gelieve te Ordonneren , dat de Supplianten tot laste van degene die verpligt waren tot het maken van de voorz: Heereweg met peuijn ofte bestendige specie souden hebben te laten vullen ende ophoogen. Dat de ingelanden sulks ter ooren sijnde gekomen bij alle aan de Supplianten hun ongenoegen wegen het peuijnen hadden te kennen gegeven, dat sij Supplianten ende ’t meerendeel van de ingelanden bij een tweede requeste aan Uedele om nog meer dringende redenen nogmaals versogt hadden. Dat Uedele het versoek bij haar Supplianten voorz: eerste gepresenteertde Request gedaan soo als dat leijd geliefde te consenteren ende hen van het geordonneerde peuijnen te ontheffen dat de voork: Opposanten op die tweede Requeste in het gemelde eerste versoek, den geconsenteert ende van de opposanten gerenunciert. Dog mits ontheven werden van de Reparatie welke volgende Burgemeesteren van Lisse op de tussenspraak bij acte onder Uedele gefurneert ten behoeve van de opposanten van dato 24 Februarij 1724 belooft hadden dat soo wanneer Uedele het voork: bij de voork: requeste gedane versoek soo als dat versoek leijd alleen de een en twintig morgen lands van de hooftkerken van Leijden en de twintig morgen van de voork: heeren Directeurs in de voors: bedijkte Lisserpoel soo ’t hun geliefde van hunne aandeel geeximeert sijnde aan de Supplianten accordeerden, Burgemeesteren van Lisse, indien gevalle alle de onkosten van de Reparatie die nadat de meer gemelde straat geleijd soude sijn. In tijden en wijlen van nooden soude werden bevonden over elck van de ingesetenen in de Beede soude setten ende de ingelanden daarvan ontheffen. Dat naderhand voor Uedele nog waren opgekomen drie ingelanden welke te voren niet geopposeert en hadden, waarna door Uedele de Suppliante voorgeslagen was.
Dat de Supplianten souden beginnen te straten ende ’t Arbeijtsloon van ’t leggen te besteden op den 15 Augusti 1724 het welk ter selve dag door de Supplianten also ook was ingevolgd, Eijndelijk dat op de nader Requisitie was geopposeert hebben de ingelanden in de tussenspraak van Ued. Burgemeesteren van Lisse bij een tweede acte van dato Eersten September 1724 desen annex op haar genomen, hadden van wege ’t Dorp uijt de bede te suppleren alle het gene het bestraten
Van voork: heere Rijweg soo als die tegenwoordig was begonnen ende afgebakent meerder souden kosten dan vijf en dertig stuijvers per morge, ende aangenomen de ingelanden van de verdere dienaangaande te vallen onkosten te sullen ontheffen tot alle welke soo vorige Req-ten als actens de Supplianten hen alhier Refereren, aanbiedende de Supplianten bovendien aan de ingelanden de vrijheijt om jaarlijks als het haar gelieft ter Secretarij van Lisse Dingsdag, acht dagen voor het doen van de Ambagtskeuringen derhalve Ambagtsrekeningen ende verificatien van dien te mogen komen visiteren ende daar van desnoods dog ’t haren Redelijken kosten copien bekomen ten eijnde sij ingelanden daar uijt souden kunnen informeren ende securen dat boven die voorz: 35 stuijvers per Morgen niet [wes] meerder tot betalinge vande onkosten van ’t voorz: bestraten ofte ook van reparatie aan die straat ingebragt sal sijn, mits alle ’t welk de Supplianten hun wederom keerden tot UweEd. Ootmoedelijk versoekende Uedele Consent om tot betalinge van de onkosten van de voorsz: straat boven de vrijwillige beloofde ofte nog te beloven ende te ontfangen giften ende boven ’t gene alreeds in vorige Ambagtige rekeningen is ingebragt te mogen ommeslaan ende ontfangen wegens de alle Morgentalen van ’t Ambagt soo als die in de binnelandse kosten Contribueren mitsgaders over alle de landen van de Lisserpoel ende landen die in den jare 1666 in de Verpondinge sijn aangeslagen. De vooren gemelde vijf en dertig stuijvers per Morge, alleen de voorgenoemde Een en twintig stuijvers van de hooftklerken tot Leijden ende twintig Morge van de andere heeren Directeuren in de Lisserpoel welke geopposeert ende niet bewilligt en hadden soo ’t haar gelieft van hun aandeel onder een vrijwillige gifte, ofte andersints geeximeert sijnde. Dus dat de ingelanden ook soo ’t haar gelieft hare vrijwillig beloofde sommen tegens haar heders quote in de voork: vijf en dertig stuijvers per morgen souden Rescontreren, te betalen den gemelden ommeslag gereed op Ued. Consent, ofte bij de gene die sulks ongelegen soude mogen komen ofte liever in Termijnen souden betalen in vijf jaar Termijnen, ’t elkens een op regt vijfde part, dog met bijvoeginge van interest van ’t Agter Stal, tegens vier per Cento ’s jaars, vrij van alle lasten. Dog soo Ued. niet mogte gelieven Consent te verleenen tot den ommeslag van vijf en dertig stuijvers per morge over den landen in de bedijkte Lisserpoel, soo de Supplianten niet alleen, om dat, so als bij der Supplianten eerste request geallegueert is, de nu bestrate Rijweg bevorens die bestraat is altoos opgehart bij ter bij beurten door alle de huijslieden die paarden hielden, soo wel die woonden in de Lisserpoel als daar buiten, blijkende bij Certificatie van Schepenen van Lisse van dato 15 September 1724.
Dese mede Annex op dat de ingelanden van Lisse, buijten de bedijkte Lisserpoel die der Supplianten twee eerste requesten mede getekent hebben onder beding dat den Ommeslag ook soude moeten worden versogt ende gaan over de landen in den bedijkten Lisserpoel buijten reden van verder oppositie, klachten ofte ongenoegen souden kunnen worden gehouden. Nogtans verhopen van Ja. Dat als van UwEd gelieve te dupicieren ende bij provisie te doen gelden een andere Modique Contributie ofte gifte van die van de Lisserpoel tot onderstand van ’t Ambagt in ’t dragen van de onkosten van ’t bestraten van de Rijweg in Lisse soo als UweEd. sullen bevinden Regtmatig te wesen ende te behooren. De gemeld Termijnen ’t Elkens te verschieten bij de bruikers ende voor de helft aan de Eijgenaars te korten. Wijders dat UwEd. gelieven te Ordonneren dat alle den gehuijsdens tot Conservatie van de voors: Straatweg, soo verre hare Erven strekken, daar aan weder Sijden voetpaden ende palen sijnde Elks aan sijne sijde tot op het midden toe, en tegens malkanderen aan, ende daar geen voetpaden ende palen aan weder sijden van den weg en sijn, bij de gene die tegenwoordig geen voetpad ende palen te onderhouden heeft in ’t geheel deselve Straatweg sullen moeten onder het Sand en bij droogte nat houden, ende ten opsigte van die wonen aan de Kruijsweg ende lanen uijtkomende aan den Heereweg, elks Sijn helft voor die weg of lanen, tegens malkanderen aan, ende van die huijsen die door twee of meer huijsgesinnen bewoond worden, elks hun aandeel na Proportie van den huur penningen, bij de Ambagtsbewaarders af te delen. Alsook dat deselve gehuijsdens ende alle andere gehuijsdens aan de heere ende andere wegen in Lisse, dat sij de ordinaris Schouwen tegenwoordig Subject, ofte niet, soo verre hare Erven Strekken een bekwaam voetpad te plaatse, daar tegenwoordig een voetpad is, sullen moeten onderhouden, ende de palen die sij tot behoud van ’t voetpad te Stellen, ende houden, ende tenminste vier voeten hoog boven de grond sullen moeten wesen Uijtgeseijd die palen, die alreede op de weg Staan, wit geverft, ende drie voeten boven de grond sijn, welke sullen kunnen blijven maar verniewt mogtende worden niet lager mogen sijn, als vol uijt vier voeten boven de grond, op alle Ordinaris Schouwdagen aan ’t bovenste ende een half Elle lang, wit te laten verven. Verder dat niemand wie hij sij hem van nu voortaan sal hebben te vervorderen, den heereweg, soo voetpad als rijweg, ook als alle andere gemeene wegen, ende Lanen in Lisse, geene uijtgesondert, ofte ook de bestrate wegen te bewerpen, bestroijen ofte beleggen met Eenige vuijle Materie, ’t sij Drek ofte schoven hoij, stroo, potten scharen, spaanderen, krullen, oude lappen, water, takken Ruijgte, bladeren, glas ofte eenige andere dingen. Daar mede de straat ontsiert ofte ver Ergert soude kunnen worden, ofte ook losse ende ongelijke steen, potten, scharen, glas ofte peuijn voor hare Erven op de bestrate wegen, schoon door anderen daar op geworpen, te laten leggen tot nadeel tot het bestrate. Elk peuijnt op de ordinaris Verbruijk van twaalf stuijvers ten behoeve van de Schout voor de Eerste Reijs ende van vier en twintig stuijvers voor de tweede Reijs ende van tien Guldens ten behoeve van den heere Dijkgrave voor twee derde ende van de Schout Een Derde voor de derde Reijs ende dat niet te min ijder van de ingesetenen ende ingelanden die van de straat ofte wegen ofte lanen belend sijn, gehouden sullen wesen in als voegen en als voren de Straat bekwaam te Sanden ende bij droogte nat te maken, De wegen ende paden van de opgeworpe, ende ver bode Materialen te ontruijmen, de palen te laten Wit Verven ende voet paden te laten Sanden, ende gelijkens, ende gelijken binnen vier en twintig uren na gedane van Waarschouwinge, ofte dat de Ambagtsbewaarders, eerst gehouden sullen sijn, sulks te laten doen, tot kosten van de gebrekige, ende deselve kosten te laten uijtleggen door den Schout, voor die door Den bode van ’t Ambagt bij pondinge te innen na den Dijkregte, ’t Welk doende so.

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26217 pag.230-231

Vierde Requeste,
Aan de Weledele heeren
Dijkgraven ende hoogheem
raden van Rijnland

Geven met Eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat Sij Supplianten op den 20 Februarij 1723 aan UwelEd. met verwilliginge van den WelEdelen heere van Lisse, en ’t meerendeel van de ingelanden, bij requeste hadden Versogt, Consent, om den heereweg in Lisse te mogen bestraten ten laste van alle den Morgentalen van ’t Ambagt, ende tot beter onderhoud van den heereweg buijten de huijsen, ende ook van de voetpaden, tot welke, alsook tot het kerkgebod oculaire inspectie , twee acten van burgemeesteren van Lisse, bestek Van ’t Arbeijtsloon van het leggen vande straat, Certificaten van Schepen van Lisse, ende tweede ende derde Requeste van de Supplianten aan UwelEd., alle dese Sake betreffende de Supplianten haar alhier refereren, dat UwelEd. tot nog toe niet goedgevonden hadde op den inhoude van alle deselve Eijndelijk te Disponeren. Ende nademaal de Leveranciers van de steen, de Arbeijtsluijden, ende gevallen onkosten, Noodwendig moeten werden betaald, soo keerden de Supplianten hen nogmaals aan UwelEd. Ootmoedelijk vesoekende UwelEd. Consent, om gedurende UwelEd. deliberatie over den verdere inhoude van voorz: Requesten, boven de vrijwillige beloofde, ofte nog te beloven giften, tot betalinge van voorsz: Onkosten Van de voorsz: Straat, ende boven ’t gene alreede in vorige geslote Ambagts rekeningen is ingebragt, ende betaalt, te mogen ontfangen, wegens alle de morgentalen van ’t Ambagt, de voorgeroerde vijf en dertig stuijvers per Morge. Des dat de ingelanden soo het haar gelieft, hare Vrijwillig beloofde , ende betaalde sommen, tegens haarlieden quote in de voorsz: vijf en dertig Stuijvers per Morge Souden mogen Rescontreren.
Te betalen den gemelden ommeslag gereed op UwelEd. Consent, of bij de gene die Sulks ongelegen mogte komen, ofte liever in Termijnen souden betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t Elkens een opregt vijfde part, dog met bijvoeginge Van interest van ’t Agterstal, tegen vier per Cento ’s jaars. Vrij Van alle Lasten. De gemelde Termijnen ’t Elkens te Verschieten bij de bruijkers ende voor de helft aan de Eijgenaars te korten ’t welk doende so.

Antwoord
Alsoo Schout, ende Ambagtsbewaarders van Lisse, de Weledele heeren hooge heemraden van Rijnland bij requeste hadden vertoond dat Sij Suppliante op den 20 Februarij 1723 aan haar WelEd. Met verwilliginge Van den WelEd. Heer van Lisse, ende het meerendeel van de ingelanden, bij Requeste hadden versogt, Consent om den heereweg in Lisse te mogen bestraten tot laste van alle de morgentalen van ’t Ambagt ende tot beter onderhoud van de heereweg, buijten de huijsen en ook van de voetpaden, tot welke alsook tot het kerkgebod, oculaire inspectie, twee actens van burgemeesteren van Lisse, bestek Van ’t arbeidsloon van ’t leggen van de straat, Certificatie Van Schepenen van Lisse ende de tweede ende derde Requeste van de Supplianten aan haar WelEd. alle dese Saken betreffende de Supplianten haar alhier refererende dat haar WelEd. Tot nog toe niet goedgevonden hadden, op den inhoude Van alle deselve Eijndelijk te Disponeren, dog nademaal de Leveranciers van de steen, den arbeijdsluijden, ende gevallen onkosten Noodwendig moesten werden betaald, soo waren de Supplianten haar nogmaals keerende tot haar WelEd. Ootmoedelijk Versoekende haar WelEd. Consent, om gedurende haar WelEd. deliberatien over de verdere inhouden Van de voorsz: Requesten, boven de vrijwillige beloofde ofte nog te beloven giften, tot betalinge van de voorsz: onkosten van den voorsz: Straat, ende boven het gene alreede in de vorige geslote Ambagts rekeningen was ingebragt, ende betaalt, te mogen omslaan, ende ontfangen wegens alle de morgentalen van ’t Ambagt, vijf en dertig Stuijvers per morgen, des dat ingelanden, soo ’t haar geliefde, hare geloofde vrijwillige, ende betaalde sommen, tegens haarliedens quote in de voorsz: vijf en dertig Stuijvers per morgen, souden mogen Rescontreren, te betalen den gemelden Ommeslag gereed op haar WelEd. Consent, ofte bij die genen die Sulks ongelegen mogte komen, ofte liever in Termijnen souden betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t Elkens een opregt vijfde part, dog met bijvoeginge Van interest Van ’t Agterstal, van vier per Cento ’s jaars, Vrij van alle Lasten, de gemelde Termijnen ’t Elkens te verschieten bij de bruijkers, ende voor de helfte aan de Eijgenaars te korten. (Soo is ‘t) Dat welgemelde heeren in ’t Versoek hebben overgemerkt , ’t Selve Consenteren, en toestaan gelijk haarWelEd. Doen bij desen, mits hen Regulerende na de keuren en daar van doende behoorlijke rekeninge, bewijs ende Reliqua op Poene Van te Vervallen, in de Boeten daar jegens gestatueert.
Actum in ’t gemeene Lands huijs van Rijnland binnen Leijden den 21 April 1725.
Onderstond in kennisse Van mij, was getekent,

D.V. Leijden

De pest was ook in Lisse

De pest kwam uit het Oosten. In 1347 bereikte de epidemie de havensteden van Italië en verspreidde zich van daaruit over Europa en bracht ongekende rampspoed met zich mee. In enkele jaren stierf een kwart van de Europese bevolking.  De ziekte bleef in Europa hangen. Met wisselende tussenpozen veroorzaakte ze her en der catastrofes. Zo sloeg de pest toe in Amsterdam in 1602, 1617, 1624, 1635, 1655 en 1664. In lisse waren er 4 overledenen door de pest.

door Arie de Koning

LEZING op 18 september 2018 voor de VOL in de Vergulde Zwaan.

Als er iets is wat stadsbestuurders, de z.g. Magistraten, of Schout en Schepenen van dorpsgemeenschappen in vroeger tijden vreesden was onrust onder de bevolking, want uit die onrust konden de meest vreselijke dingen gebeuren. Een relletje van hongerende inwoners kon  met de schutterij nog wel onderdrukt worden, daarna hing je een paar leiders van de relschoppers met de grootste mond op en de rust keerde meestal dan weer vanzelf terug.

Met epidemieën lag dat iets anders.

 “Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, had alles veel scherper contouren dan nu. Tegen rampen en gebrek was veel minder verzachting dan nu; zij waren meer geducht en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid.”

Johan Huizinga

Met deze woorden vulde de historicus Johan Huizinga in 1919 de eerste alinea’s van zijn boek “Herfsttij der Middeleeuwen”, een studie over levens en gedachtenvormen in de 14e en 15 eeuw in de Nederlanden. Het gaat over goed tegen kwaad, rijkdom tegen armoede, licht tegenover duisternis, leven tegen de dood, God tegen Satan zo als U wilt. Huizinga is een begaafd schrijver.

Hij laat het beeld van de late Middeleeuwen en vroeg moderne tijd  aan ons voorbij gaan en wat mij het meeste schokte is de schaduwkant van het leven en het bestaan in die tijd. Die schaduwzijde komt niet alleen snoeihard binnen bij ons, de 21e Eeuwers, ook de tijdgenoten van toen leefden zelf in het besef van de onbeheersbare krachten die hun aardse bestaan dagelijks bedreigden, zoals oorlogen, brandschatting, moorden, duurte van de meest essentiele bestaansgoederen, hongersnood, overstromingen of besmettelijke ziekten, al dan niet in combinatie met elkaar. Holland was daar geen uitzondering in. Als je de oude bronnen aan het doorlezen bent en je let goed op de kleine lettertjes, val je van de ene in de andere verbazing. Zo vonden we op de aanstellingsakte uit 1558 van de vader en moeder van het Schiedamse Pesthuis een eenvoudig rijmelarijtje van een anoniem persoon die op niet mis te verstane wijze kenbaar maakt hoe de tijdgenoten  hun toekomst in zagen.

“Dier tyden, pestelencie ende oorloch groot , breyngt meenich man in grooten noot”, een ander persoon, ander handschrift, had hier aan toegevoegd; ”Ende hangt ons over ’t hooft “. Wat kan een mens onder zulke leefomstandigheden anders dan wanhopig zijn. Tien jaar later, in 1568, brak bovendien de opstand uit tegen de landvorst, de koning van Spanje, die gedurende 80 jaar veel rampspoed over de Nederlanden zou brengen.

Een anonieme  priester schreef in hele kleine lettertjes in een Leids Kerkboek;  “Ach waar sullen wy blyven, wie sal  den Pest verdrijven”. De priester twijfelde wellicht aan bijstand van boven.

Van alle besmettelijke ziekten die de mensheid teisterde,heeft vooral de Pest op de tijdgenoten en de latere geslachten een onuitwisbare indruk achter gelaten, zo veel zelfs dat onze taal vandaag de dag nog doorspekt is met het woord Pest. Niet één besmettelijke ziekte of andere ramp is op zoveel verschillende manieren in ons taalgebruik aanwezig. De werkwoorden pesten of verpesten, zelfstandige naamwoorden; pestbui, pestkop of zegwijzen; stinken als de pest en mijden als de pest. Vul zelf maar aan.

Waarom heeft uitgerekend de pest zo’n negatieve bijklank gekregen en behouden? Het antwoord op deze vraag denk ik te vinden in de geschiedenis van de ziekte  en de directe maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. De achterliggende gedachte is dat de pest zowel het individu als de samenleving  stevig moet hebben beroerd.

Epidemieën kwamen, maakten een hoeveelheid slachtoffers en leken dan weer in te slapen en verdwenen een tijdje uit beeld. De artsen van die tijd, en we spreken nu van  de 14e t/m 17e eeuw, wisten helemaal niets van bacillen, die ontdekkingen zouden pas veel later gedaan worden. De totale onbekendheid met de oorzaken en de aard van de verschillende ziekten van de toenmalige heren doktoren is te lezen in de enorme hoeveelheid literatuur waarin de ene na de andere arts zijn visie geeft op de aard van de verschillende aandoeningen, de ene arts absolute onzin neerschrijvend en de andere bedachtzaam nadenkend waarbij hij soms akelig dicht in de buurt van de oplossing kwam, maar daar zelf geen benul van had.

Het volkomen ontbreken van enig hygiënisch benul zorgde er voor dat Holland op regelmatige tijden werd bezocht door een scala aan ziekten, de een nog besmettelijker dan de andere, Cholera, Pokken, Tering, Lepra, T.B.C., Rotkoorts ook wel Typhus genoemd, Roodvonk, Rode Loop en ten slotte de meest gevreesde  de Haastige Ziekte, ofwel Zwarte Dood, de Pest.

Overig is de benaming Zwarte dood een naam die pas een paar eeuwen later, door een waarschijnlijke vertaalfout is ontstaan. Er werd in de Middeleeuwen helemaal niet gesproken over de Zwarte dood en de artsen uit die tijd noemden het pestis of pestilentia  het volk noemde de ziekte de slaande Hand Gods, of de gave Gods   en hoewel de zieken zwarte puisten kregen werd er niet gesproken of geschreven Zwarte dood. Waarschijnlijk is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors daaraan schuldig. Atra kan zowel met verschrikkelijk als met zwart worden vertaald, dus atra mors werd Zwarte Dood terwijl Verschrikkelijke Dood werd bedoeld. Het blijft lastig dat Latijn.

De ziekte Pest is ongetwijfeld de grootste massamoordenaar ooit. Hij verscheen voor het eerst in West-Europa in 1349, althans dat vermoeden we, dat het de eerste keer was, en duurde tot 1353. Dit eerste bezoek ontvolkte West-Europa bijkans en de schattingen van het aantal slachtoffers beloopt tussen de 75 en 100 miljoen. Het duurde tot het jaar 1600 voor het bevolkingspeil van begin 14e eeuw weer was bereikt, 250 jaar, terwijl de Pest  ondertussen steeds maar weer nieuwe aanvallen deed op de mensheid.

Ook Holland heeft een enorme bevolkingsdaling gehad in de jare 1349-1353, de Ierse historica Maria Kelly berekende dit op basis van de rekeningboeken der Hollandse graven, dat één derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling  van de graven in 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest. Kelly vermelde dit in haar in 2003 uitgegeven boek “The Great Dying” wat handelt over de Pestuitbraken in Dublin in de 14e en 15e eeuw.

Van deze epidemie weten we zeker dat het de Pest was, van vroegere epidemieën staat niet vast of het daadwerkelijk de Pest was. Zoals in de 2e en 3e eeuw in Rome, toen een kwart van de bevolking in Rome omkwam en mede de oorzaak was van het verval van het West Europees Romeinse Rijk. Of neem de Bijbel, het alternatieve geschiedenisboek bij uitstek en tel het aantal pestilentiën die genoemt worden.

De 17e eeuwse vooraanstaande Geneesheer en Heelmeester Paulus Barbette te Amsterdam omschreef de Pest als het ware in dichtvorm:

“De Pest is een onbegrijpelijke ziekte, schijnende te koomen uyt een geestige en besmettelijke damp, die de vastigheyt des bloets schielyck los kan maacken, om het herte van syn kragte en leeven te berooven” (dr. Paulus Barbette 1658)

Dat dokter Barbette geen idee had hoe  de Pest te bestrijden moge duidelijk zijn, al zat hij met zijn geestige en besmettelijke damp wel in de buurt van een mogelijke oorzaak tot een Pest epidemie.

Ook in Lisse moet eeuwenlang tussen de huizen de kwalijke dampen hebben gehangen van menselijke en dierlijke stront, rottend vuil, rotend vlas, slachtafval en de ontbindende karkassen van huisdieren en klein vee en dan hebben we het nog niet eens gehad over de geuren die de gemiddelde chronisch ongewassen inwoner van Lisse rond om zich verspreidde. Afhankelijk van de windrichting zal de geur van vers gebakken brood  ’s morgens vroeg het leed nog enigszins verzacht kunnen hebben.

Hierin zal Lisse niet zo veel hebben afgeweken van andere plaatsen en in de steden als Haarlem en Amsterdam zal de situatie waarschijnlijk nog vele malen erger zijn geweest. Een stad als Leiden, waar de bevolking van Lisse zich veel ophield om daar dingen te kopen die in Lisse niet verkrijgbaar waren, of de jonge gezellen uit Lisse die het Gildenvak leerden van hun meesters, die stad Leiden stak met kop en schouders boven de andere steden uit als het Pest epidemieën betrof en als er geen Pest heerste was er wel een andere dodelijke epidemie aan het woeden in Leiden. Leiden was na Amsterdam de tweede grootste stad in het gewest Holland, waar wij ons vanavond grotendeels mee bezig zullen houden. Bedenk hierbij dat het totale aantal inwoners in 1622 van het hele gewest Holland en West Friesland slechts 672.000 mensen bedroeg en Leiden herbergde er al zo’n 55.000, nog geen 10%. Dank zij brieven uit die tijd die bewaard zijn gebleven, weten we wanneer en waar er wat aan de hand was. Bij voorbeeld vond in de jaren 1669-1670 in Leiden een grote epidemie plaats die tienduizenden slachtoffers eiste. Een tijdgenoot, dr. A. van der Goes, beschreef in een brief aan een collega de ziekte als “coortsen, ontstaan door het brack stinckent  water ende het bier daaruit gebrouwen”. Heel uitdrukkelijk stelde dokter van der Goes  echter dat dit geen Pest was. Men was dus in staat de Pest te onderscheiden van andere ziekten, maar in een te laat stadium.

De pest in Lisse

U begrijpt het al, het thema van vanavond is de ziekte die bij ons weten de meeste slachtoffers heeft gemaakt in de geschiedenis van de mens: “De Pest” en met name de vraag of de Pest ook slachtoffers in Lisse heeft gemaakt. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Er sijn in totaal vier slachtoffers gevonden in de archieven van Lisse . De eerste betrof een akte waarin ene Dirck Thonis Vranckenssoon alias van der Burgh, geboren te  Lisse, ziek te bedde leggende van de Pest, bezweek in augustus 1603. Het slachtoffer woonde nog maar kort in Lisse en was afkomstig van Heemstede. Met zijn vrouw Maritge Lenaertsdr van Tetrode en drie kinderen streek hij neer in Lisse in 1597 niet wetende wat zijn lot zou zijn.

Voor dat hij bezweek had hij honderd gulden vermaakt aan de Heilige Geest Armen van Lisse en zijn vrouw loste nu  deze schuld in. Door een uitstekende boekhouding van de Heilige Geestmeesters is dat dus weer terug gevonden en hebben wij een antwoord op onze vraag. Er zijn nog duizenden stukken Lisser archief door te nemen, misschien krijgen we dan nog beter zicht op de gevolgen van de Pest in Lisse.

Het is voor ons onderzoekers zeker van belang te weten dat de Pest ook heerste in Oud-Lisse. Dat verklaard de vaak merkwaardige overlijdens waarbij een groot gedeelte van een gezin ineens van het toneel verdwijnt.

Aangezien er over de Pest, in het Gemeente Archief van Lisse zelf hierover maar mondjesmaat iets te vinden is ben ik gaan buurten in het Leids Archief dat vrij benaderbaar is via Internet. De keuze op Leiden  ligt voor de hand omdat die stad percentsgewijs gezien het zwaarst heeft geleden onder  de mokerslagen van de Ziekte die maar liefst 34 keer de stad heeft bezocht waarbij gezegd dat Haarlem “slechts 17” keer werd getroffen. Een kind dat geboren werd in Leiden tussen 1615 en 1668 en ouder werd dan twaalf jaar had tenminste één keer in zijn leven direct of indirect met de Pest te maken gehad. Niet alleen de stad zelf maar ook de dorpen in de Leidse Regio  moeten getroffen zijn door de ziekte. Elk dorp in Holland lag minder dan 25 kilometer van één of meerdere steden en had meestal goede verbindingen via marktschepen, trekvaarten etc. Neem alleen de dagelijkse postkoetsen uit Leiden en uit Haarlem die in Lisse op het Vierkant rond Noen  hun wisselpunt hadden en niet te vergeten de diverse karrendiensten vanuit  en naar Leiden.

Leiden was een stad met een enorm probleem. Het was een soort pakhuis van mensen geworden, door de enorme toeloop van bijvoorbeeld 1577, van Vlamingen die hun land ontvluchtten door de verschrikkingen van de oorlog en neerstreken in Leiden. Zij zorgden met nieuwe technieken, de zogenaamde, Saai-weeftechniek, voor een bloeiende lakenindustrie. Maar er kwam nauwelijks uitbreiding van de stad met meer wooneenheden. Alle plekjes in Leiden waren bezet door arme dakloze inwoners en bij een epidemie crepeerden en stierven zij het eerste, voor een ieder zichtbaar geveld door de Pest lag zo’n slachtoffer voor je deur waardoor de doodsangsten van de overige inwoners voor totale chaos zorgde. Het stedelijke Pesthuis was overvol met stervende mensen. De Pest zorgde voor angst, ontreddering, radeloosheid en onzekerheid en daarbij komt het  verdriet over omgekomen familieleden of geliefden. In 1636 tijdens een grote Pest uitbraak, waren de inwoners van Leiden zo bedrukt dat zij elkaar vaarwel wensten ’s avonds voor het slapen gaan. Vele geschiedschrijvers menen dat er geen sprake was van enige paniek  en angst onder de bevolking omdat die niet anders gewend waren. Ik waag dat te betwijfelen, onze voorouders  hadden ook hun emoties.

Een scherpzinnig waarnemer in Leiden merkte in 1642 op: “So wy onse stadt niet en vergrooten, so hebbe wy weder een nieuwe Peste te vreesen, dat de stadt seer van volck sal ontblootten, doordien dat de luyden so nau op malckanderen woonen”. In 1574 had Leiden 12.500 inwoners in 1640 65.000 terwijl de omvang van de stad nauwelijks groter was geworden.

De Leidse kerken mochten zich verheugen in extreem hoog bezoek van de gelovigen en de Pest -Heilige, St. Rochus, werd vierentwintig uur per dag aangeroepen. Het Vaticaan vond deze verering te ver gaan en gelaste dat men voortaan uitsluitend via voorspraak van de Heilige Maagd kon vragen gespaard te blijven. Dit massale kerkbezoek was natuurlijk koren op de molen van de Pest. Hoe meer mensen bijeen des te groter is de kans op een besmetting.

Heel bijzonder was dan ook de vondst  van de Leidse  stadsarcheologen  op de Garenmarkt  in juli 2017.Een bruinrood terracotta heiligenbeeldje, heel zeldzaam in deze gebieden. Hoewel het beeldje geen hoofd meer had was het duidelijk herkenbaar aan de attributen die het beeldje meedroeg, dit was Sint Rochus de Pestheilige. Op het parkeerterrein van de Garenmarkt hoek Raamsteeg, was in vroeger jaren textielfabriek Lepoole gevestigd, maar dieper gravend vonden de archeologen  de resten van huizen en hun beerputten uit de 15e en 16e eeuw  en in één van die beerputten werd het beeldje gevonden. Onze afdeling kleien, kliederen en plakken heeft nog pogingen gedaan de goede Heilige te restaureren, want een Heilige zonder hoofd is eigenlijk geen gezicht !!!

Volgens de archeologen die de beerputten doorzochten stonken ze nu nog steeds als 600 jaar geleden.

Bedenk dat Hollanders bekend stonden als een proper volkje. In verschillende reisbeschrijvingen  uit vroeger eeuwen door buitenlandse reizigers, werd er op gewezen, hoe zindelijk we wel waren. Wat wij niet weten is, hoe de bezoekers die dit indertijd noteerden in de reisverslagen, het thuis gewend waren.

Deze schrijvende buitenlandse reizigers waren over het algemeen niet onbemiddeld, dus de vraag rijst of zij in Holland wel in de armere buurten, de volkswijken,volksherbergen en logementen zijn geweest. Misschien gingen zij teveel op de buitenkant van de huizen af. Zij zagen de meiden stoepen schrobben en ramen zemen, maar zou het binnen wel hygiënisch aan onze maatstaven hebben voldaan? We lezen in een van de reisverslagen  een beschrijving dat de kookplaats, en een regenton en ook het privaat gelegen waren in een Pothuis van drie meter lengte, één meter breedte  en vijftig tot negentig centimeter hoogte.

Het is al veel vaker geconstateerd;  Nederlanders zijn schoner op hun huis  dan op hun lijf.

Het moet niet moeilijk zijn voor een eenentwintigste eeuwer zoals wij een onthutsend beeld te schetsen van de ontzettende vervuiling langs straaten, in de waterlopen en in de huizen. Er is alle reden om niet aan te nemen, na het lezen van de literatuur hierover, dat het in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw op het gebied van hygiëne beter  zou zijn geworden. Bedenk dat de zogenaamde Gouden Eeuw op hetzelfde moment ook bezig was.

Na het vertrek van de Romeinen uit West-Europa was het gedaan met riolering en WC. De Romeinen vonden dat essentiele voorzieningen voor het bestaan. Hier, in Barbarenland keerde men terug naar de traditionele manier; buiten op straat en het duurde tot in de late Middeleeuwen voor deze bezigheden veranderden.

Zelfs eerzame burgers deden hun behoefte op straat of thuis op de po. De inhoud daarvan werd  zonder erbarmen naar buiten gegooid. Het was zaak ’s ochtends vroeg niet te dicht langs de huizen te lopen want dan werden de po’s geleegd. Uiteindelijk belandde alles op straat vanwaar het de grachten sloten en beken inliep. De Leidse wol – blekerijen bijvoorbeeld leden erg door het vieze water. In Delft werd de situatie ronduit  precair omdat de bierbrouwerijen aangewezen waren op het water uit de gracht. Rond 1465 kwamen er in vele steden bepalingen dat ieder huis een beerput diende te hebben. Deze putten werden een aantal malen per jaar geleegd. In Leiden ordonneerde het stadsbestuur  dat ieder huis, ja zelfs iedere verhuurde kamer een  stille of pishuis moest hebben.  De inhoud daarvan mocht in geen enkel water worden geloosd. Wat men er dan mee moest doen was niet duidelijk met als gevolg dat de smalle niet verharde straatjes van Leiden veranderden in vieze modderpoelen. Dieren deden daarin hun behoefte en mensen ook, slachtafval  werd er neergegooid en pishuizen loosden erop. In Leiden zijn ‘trippen’ opgegraven, schoenen met houten zolen, waaronder houten klossen zaten van 10-15 cm hoog. Hiermee probeerde je door de viezigheid te waden zonder je schoenen of broek te bevuilen.

Het Leidse stadsbestuur vond het maar niets dat zij op 10-08-1557 op bevel van de Spaanse bevelhebber, Holland maakte nog deel uit van het Spaanse Rijk, vijftig Franse krijgsgevangenen moest opnemen die gevangen waren genomen bij de slag bij St. Quintin die de Spanjaarden glorieus gewonnen had. De wapenbroeders hadden dan wel geen Pest maar wel “troemelesoen”, een dysenterie ziekte  en bovendien voorzichtigheid was geboden. Er werden er eerst maar zestien toegelaten, de minst erg zieke en drie weken later kreeg de rest toegang tot de stad. Ondanks deze voorzichtigheid van het stadsbestuur kreeg Leiden nog vele Pestuitbraken te verduren. In totaal kreeg de stad 34 keer een grote officieel erkende Pestuitbraak te verduren en in totaal in het gewest Holland  is tussen 1450 en 1668 107 keer Pest geconstateerd. Hierbij zijn niet de ziekten die wel leken op Pestsymtomen maar niet officieel als zodanig geregistreerd staan gerekend. Gezien de frequentie van bezoek aan Leiden door inwoners van Lisse, zowel beroepsmatig, als zuiver particulier, heeft het zeker wel geleid tot besmetting van inwoners van Lisse. Hoeveel Lisser slachtoffers er zijn geweest hopen we ooit nog een keer boven te krijgen. Dit staat hoog op ons verlanglijstje.

Wat is Pest eigenlijk.

Alexandre Yersin ontdekker van de Pestbacil in 1894

Hoewel nog niet alle problemen rond Pest zijn opgelost kunnen we zeggen dat onze kennis over de ziekte in al zijn aspecten snel is toegenomen.

Het begon in 1894 toen de Franse onderzoeker Alexandre Yersin de Pestbacil ontdekte. Zijn naam werd gelijk aan het organisme gehecht: “Yersina pestis”. Deze bacil veroorzaakt een uiterst besmettelijk infectieziekte waarvan twee hoofdvormen te onderscheiden zijn. De Longpest en de Builenpest.

Verder zijn er legio varianten. Longpest is bijzonder besmettelijk en overdraagbaar van mens tot mens via besmette druppeltjes speeksel die vrij komen uit de longen bij spreken, kuchen en niezen.

De druppeltjes worden gelanceerd over een afstand van twee meter in geval van spreken en drie à vier meter bij kuchen en niezen. Bij een koud en vochtig klimaat blijft de bacil gedurende lange tijd uiterst besmettelijk. De incubatietijd van Longpest is heel kort, één tot drie dagen. De zieke krijgt het zwaar te verduren. Hoewel de temperatuur maar iets stijgt bereikt de polsslag met gemak 120 slagen. Er treden ademhalingsproblemen op en samentrekkingen met pijn in de zij gepaard met neurologische moeilijkheden welk grote angsten veroorzaakt waarna de zieke in coma raakt. Binnen twee à drie dagen is de patient overleden. Longpest is in nagenoeg 100% van de gevallen fataal.

De tweede vorm van Pest, de Builenpest, daarvan is de incubatietijd  één tot zes dagen. Het gaat allemaal heel erg snel.

De rattenvlo

Besmet raakt men door een vlooienbeet op een van de benen. Op de plaats van de beet vormt zich een puistje, dat snel uitgroeit tot een zwarte zweer, een karbonkel genaamd. Op de tweede of derde dag ontstaat een vergroting van de Lymfklieren meestal in de lies. Deze worden hard, groot en zeer pijnlijk en neigen tot etteren. Deze gezwollen klieren worden bubonen genoemd. Na acht tot tien dagen is het mogelijk  dat de pest verdwijnt, ongeveer 20 tot 40% heeft kans te overleven. Als dit niet gebeurt treedt er een stadium op van acute bloedvergiftiging waarbij de temperatuur stijgt  naar 42º en dan zal spoedig de dood intreden. Er bestaan aanwijzingen dat de Pestepidemieën meestal Bubonisch van aard waren in de zestiende en zeventiende eeuw. Builenpest dus. Van de jaren daarvoor is geen literatuur aanwezig.

Waar komen deze dodelijke bacillen vandaan en waarom worden ze actief   is moeilijk te verklaren.

 

 

de bruine rat

Men veronderstelt dat ze uit de grond komen waar ze door uitwerpselen van vlooien terecht zouden zijn gekomen. Op een gegeven moment worden ze door de aanwezigheid van knaagdieren met hun vlooien weer actief. Dit uit zich meestal door een massale sterfte onder de zwarte ratten. Een belangrijke kwestie om de snelle verspreiding van de ziekte te kunnen begrijpen is het probleem van de overdracht van de bacil van het ene naar het andere organisme.

De Pestbacil parasiteert op knaagdieren  die als infectiehaard voor andere dieren en mensen kunnen optreden. Daarvoor is wel een drager nodig. De overdracht van de besmetting komt tot stand door de vlo. De zwarte rat en de rattevlo (Xenopsylla Cheopis) hebben wat dit betreft een kwalijke reputatie, een soort van Bonnie and Clyde, maar ook luizen en mensenvlooien (Pulex Irritans) gaan hier niet vrijuit. De bewuste rattevlo heeft een temperatuur nodig van 15 tot 20º en een luchtvochtigheid van 90 tot 95%, zoals van kleding op een lichaam. Zij legt haar eitjes in stof en kieren van vloeren, deze komen direct uit bij regenval . Een geval in Leiden spreekt hierbij boekdelen. Een dame uit Leiden liet haar alvorens zij weer ging wonen in haar Leidse woning, het gehele huis door een groot aantal schoonmaaksters schoonmaken met water nadat eerst alles goed was gebezemd. Wat er bijeen geveegd was werd buiten op een hoop geveegd waarna de kippen er in zochten naar voedsel. Drie dagen later waren 9 kippen gestorven en nog eens een aantal dagen later was de hele bevolking van het kippenhok 18 stuks, overleden.

De klassieke  theorie over de wijze van besmetting is de volgende:

De rattevlo die zich voed met het bloed van haar gastheer, de zwarte rat, wordt besmet  door pestbacillen. De opgenomen bacillen  blokkeren een ventielachtig orgaan naar de maag van de vlo. (de Proventriculus)

De vlo is dan geblokkeerd. Het bloed dat door deze blokkade de maag van de vlo niet kan bereiken, wordt teruggepompt  naar de rat die zo besmet wordt en dood gaat. De vlo ondertussen die nog steeds geblokkeerd is, is nu ondertussen uitgehongerd en heeft geen voorkeur meer en zal ieder  dier of mens die binnen haar bereik komt  aanvallen en besmetten in haar poging tot eten.

Zo, nu weten we wat de veroorzaker is , nu gaan we bekijken wat de pest heeft aangericht.

En denk nou niet, ach die zien we nooit weer, de Pest blijkt nog springlevend te zijn heden ten dage.

Zo zijn er in India van 1898 tot 1948 12.600.000 sterfgevallen door Pest geweest.

In 1983 wereldwijd  715 sterfgevallen

Tijdens de Vietnam oorlog  zijn 2756 Pestgevallen geconstateerd waarvan 163 doden zijn gevallen.

Anno nu:  Pest op grote schaal met honderden slachtoffers in Madagaskar.

Dankbaar gebruik makend van de archieven  vinden we dat er in 1635 een grote Pestuitbraak was in Leiden die zijn weerga niet heeft gehad. Leiden zat, zoals reeds gezegt mudvol met mensen toen de ziekte arriveerde. Ook dorpen als Oegstgeest en Zoeterwoude worden getroffen en enige honderden mensen sterven daar aan de ziekte  Op een totaal aantal inwoners van 64.000 mensen waren één op de acht inwoners van Leiden binnen drie maanden dood. Achtduizend mensen, de epidemie van 1635 heeft 11.000 slachtoffers gekost. De epidemie van 1655 heeft aan 15.000 mensen het leven gekost.  In augustus 1655 werden in plaats van 123 doden het jaar ervoor,  maar liefst 2638 mensen begraven en in september zelfs 3256. De grafmakers, aansprekers  en uitvaart personeel werkten continue. Leiden had al  zeer vele Pestepidemieën over zich heen gekregen maar wennen kon het niet. De angst voor besmetting en het hartverscheurende verdriet over de doden hield  Leiden in zijn greep. Mensen pleegden zelfmoord door in de gracht te springen waar zij verdronken. In 1624 tijdens een Pestuitbraak sprongen op het kerkhof grote groepen jongelingen  gek van angst, in de open graven en beletten de grafmakers en hun knechten hun arbeid te verrichtten.

In Leiden was er een gebod om in voorkomende gevallen van Pest in huis op de voordeur een P te schilderen als waarschuwing, men mocht ook een bos stro aan de deurklink hangen.

In 1569 verbood het stadsbestuur de Leidse strohandelaren  bossen stro op te hangen als reclame in verband met de angsten die dit opriep bij de bevolking.

De weinige mensen die de Pest overleefd hadden  moesten een witte stok dragen  zodat een ieder kon zien dat jij besmet bent geweest. Ieder kon dan zelf bepalen of hij of zij het veilig genoeg achtte  met je om te gaan. Ik denk dat een witte stok drager  nergens bij een marktkraam hoefde te wachten en in de kerk zullen de stoelen om hem/haar heen opvallend leeg gebleven zijn.

Vaak werd men van de armen begraven

In  dit soort hectiek kwam het voor dat mensen levend begraven werd. In Delft is een voorval opgetekend waarbij één van de uitvaartverzorgers  meende iets te horen in een kist en terwijl hij gehaast de kist probeerde open te krijgen sloeg met een grote klap het voorschot van de kist in splinters, weggetrapt door de bewoner van die kist  die eerst luid en duidelijk een enorme hap lucht inhaleerde en vervolgens de Pesthuis vader en moeder begon te vervloeken en dat ze beter moesten kijken of je echt dood was. Het  Stadsbestuur ordonneerde daarna dat een lijk pas na drie dagen begraven mocht worden. De timmerlieden werkten keihard om aan de vraag naar kisten te kunnen voldoen en er werd zelfs al hier en daar tweede hands doodskisten verhandeld.

In de kerk van Delft stonk het zo verschrikkelijk naar de dood, veroorzaakt door de begravenen in de kerk dat de Predikant aan de koster opdracht gaf om bij de apotheker wierrook en jeneverbes te halen om te verbranden in de kerk tegen de stank. De nota van de apotheker hiervoor is keurig opgetekend in het kasboek van de Kerk vandaar dat wij dit nu ook weten.

Was een uitvaart in normale dagen meestal een zuipvaart, daar was nu geen tijd meer voor.

Nou was een begrafenis in die dagen  ook niet van risico ontbloot. Men was gewoon hierbij lange zwarte mantels te dragen die veelal gehuurd werden bij de kleermaker. Men stond niet stil bij het feit dat de mantels ook door besmette mensen gedragen zouden kunnen zijn en de rattevlo voelde zich uitstekend thuis in zo’n mantel. Tijdens het hoogtepunt van de epidemie ordonneerde het Gemeente Bestuur van Leiden dat vrouwen niet meer aanwezig mochten zijn bij een begrafenis, dit zou te maken hebben met het feit dat dezen vaak nog uren na bleven praten (Labbekakken) en er mocht niet meer gegeten en gedronken worden op de kerkhoven. Dit alles om besmetting tegen te gaan en uiteraard dronkemansschap.

Het Leidse Gemeentearchief  bevat een opgave van legaten etc waar een aardige anekdote uit te halen is.

Drukte in een Stedelijk Pesthuis

Aan het begin van een epidemie  waarschuwden de notarissen de mensen dat zij niet het risico wilden lopen om bij iemand die besmet was, testament op te maken, ook niet meer door een open raam, doe het dan voor dat je laatste uur geslagen heeft. Dat aan deze oproep gehoor is gegeven is duidelijk als je in de Notariele Archieven bladert  en daarna de stichtingsdata bekijkt van de vele Hofjes in Leiden, neem bijvoorbeeld het Persijnshofje: testament opgemaakt in 1655, een pestjaar, en hofje gebouwd in 1666, of het Pieter Loridanshofje, 1655 testament gemaakt, een Pestjaar, in 1656 gebouwd. Deze rijke personen dachten zich hiermee een plekje in de hemel te kunnen kopen.

Was Lepra de ziekte waarmee God het individu strafte  werd de Pest gezien als goddelijke straf voor de zondigheid van een hele gemeenschap. Het moet een onbegrijpelijke wrede straf zijn geweest.

In Amsterdam  moest men soms op één dag meer dan hondert doden begraven  tijdens de grote epidemie van 1664-1665 toen de Pest in Amsterdam vijfentwintig duizend doden maakte. Vijftien procent van de bevolking  van de stad was kansloos tegen de ziekte die overigens niet in alle lagen van de bevolking even hard toesloeg maar manifesteerde zich het meest in de dichtbevolkte en vervuilde wijken waar de armen woonden. Verscheidene straten waren geheel uitgestorven. Er hing een niet definieerde geur in de lucht.

Ook gevonden in diezelfde Leidse Archieven een Armen gebed  uit het duurte en schaarstejaar 1530 en opgetekend door een anoniem persoon.

“Och lieve Heere, en gaat ons niet voorbij mit U gave der heete siecte. Want wij liever sterven dan langer leeven”

In de jaren dat er geen Pest heerste hield men de situatie scherp in het oog dat men geen voortekenen van een naderende epidemie zag. De Pest beheerste eigenlijk ieders leven en wie kans zag te ontvluchten aan de ziekte nam de wijk en verliet de stad, zoals de rijken die voor dat doel buitenhuizen had laten bouwen op het platteland. Met name het gedrag van vogels werd scherp in de gaten gehouden en zo kwam het dat in Amsterdam een merkwaardige vogel werd waargenomen, die men vandaag de dag in Lisse ook nog wel eens tegenkomt,  die iedere avond  landde op het kruis van de Westerkerk, daar de nacht doorbracht en de andere morgen weer uitvloog. Het gaf een boel onrust, zo’n rare vogel en voorspellers en predikers zeiden dat dit een goddelijke voorbode was van een naderende Pestepidemie. De onrust werd zo groot dat de overheid besloot het dier van de toren af te schieten en zo loste dat probleem zich geruisloos op.  Het bleek om een vale gier te gaan die je met recht een dwaalgast mocht noemen. De vogel had zijn laatste bocht wel erg ruim ingezet en zo in Mokum verzeilt geraakt. Ook vinden we in de literatuur meldingen van vreemde hemellichamen. Zo werd er in 1566 opgetekend dat er aan de oostelijke hemel een komeet verscheen met een staart van zo’n achttien Duitsche mijlen, ongeveer 27 kilometer, een forse dus, en ook op 29 april 1664 om acht uur ’s avonds  verscheen er een vurige kloot of gloeiende kogel aan de hemel en scheurden de bomen, een jaar later was de Pest dominant aanwezig in Holland en maakte tienduizenden slachtoffers. Niet verwonderlijk dat mensen heilig geloofden in deze voortekenen en allerlei kwakzalvers  probeerden zalfjes of poedertjes met kalkschraapsel van de Kerk aan de man te brengen als medicijn. In Leiden meldde zich in 1635 ene doctor van Dam uit Utrecht die een elixer, het zogenaamde Pestwater aanbood als medicijn tegen de Pest. In een niet gedateerd document geeft deze dr. Van Dam een instructie hoe en wanneer zijn pestwater moest worden gebruikt. De stadsautoriteiten gaven vervolgens een commissie van professoren en doktoren de opdracht het middel op bruikbaarheid te onderzoeken. Op 5 oktober 1635 bracht de commissie een vernietigend rapport uit. Van Dam had zijn middel aangeprezen als een middel dat zowel preventief als curatief zou helpen maar de commissie stelde in nette bewoordingen vast dat een dergelijke bewering lariekoek was en stelde ook vast dat het water van nul en generlei waarde was omdat, naar hun mening het niet anders was dan gedistilleerd water van wijnruijt ofte diergelycke kruijden getrokken.

Doctor van Dam aanvaarde diezelfde dag nog de terugreis naar Utrecht.

Bovenstaande is hét bewijs dat de Magistraten van getroffen plaatsen zeker niet in paniek raakten zoals nog wel eens gedacht werd.

Opvallend is het gemis van het woord Pest of de Ziekte in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden. Alle andere zaken gingen gewoon door maar over de Pest werd niet genotuleerd, ze waren met heel andere zaken bezig. Het moet hen toch ongetwijfeld zijn opgevallen dat de sterfte onder de Leidenaren fors was toegenomen. Pas op 5 november 1635, als de sterfgevallen al weer aan het afnemen zijn, lezen we in de notulen dat op last van de Schout, Burgemeesteren en Schepenen pektonnen zullen worden gebrand in de straten ivm de Pest. Dit diende om de lucht zuiver te maken, dit op advies van de stads artsen. Dezelfde artsen doende naar het zoeken voor een remedie! Er werd een aanbeveling gedaan om de boetepredicatiën  en – gebeden bij te wonen in de Kerken om God te vragen de Pest weg te nemen, maar ook God bleek zich bezig te houden met andere zaken.

Ook werd bevolen de spullen en huizen van overledenen  (van 11.000 doden) de eerste vier weken niet te gaan bewonen en spullen te verkopen. Eigenlijk waren deze maatregelen mosterd na de maaltijd. Was het gebrek aan daadkracht,was het paniek? Ik zelf denk dat de Leidse Vroedschap dacht: ”als je geschoren wordt moet je stil zitten”. Er losten zich zo een groot aantal, financieel onaantrekkelijke, problemen voor de stad  op. Van deze tactiek hadden de Leidse bestuurders zich al eerder bediend namelijk in het Pestjaar 1603. Men was ook toen zeer terughoudend met het doen uitgaan van Ordonnanties bang als men was de handel te verstoren en met name van de Laken weverij die een enorme inkomstenbron was voor de stad. Pas op 4 september 1603, toen de epidemie al weer bijna voorbij was, werd er in Leiden vanaf het stadhuis voorgelezen  de ordonnanties  ende gebod nopende de Hete Ziekte  of de Pest. We vonden deze complete ordonnanties in boekvorm in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en het zijn eigenlijk lachwekkende orders als de aanleiding niet zo triest zou zijn geweest:

Stads Secretaris Jan van Hout van Leiden beveelt op 4 september 1603:

“Omme voor zo veel mogelicken is, ordre ende geregeltheyt te stellen dat de heete sieckte  der pesten, daer mede de Heer almachtich eenige huiyzen alhier heeft begaeft, ende versogt ten weynichsten mach voortspruyte , ende de besmettinge van ander personen verhindert hebben die van die Geregte   deser Stadt Leyden  geboden ende geordonneert. gebieden ende ordonneren mitsdesen  tgene hier naar volcht.”

1).Het begint met de doodskisten, die mogen alleen zo licht mogelijk zijn en gemaakt van vurenhout,  de hoogte mag niet meer zijn dan 15 gemeene duymen, zo’n  38 cm van buiten gemeten. Bij niet nakomen van deze bevelen staat een geldboete van  zes gulden.

2). De overledenen mogen op werkdagen pas na twee uur ’s middags en op zondag na drie uur worden begraven. De begrafenis zelf mag niet langer duren dan een half uur. Het luiden van klokken is alleen toegestaan voor de kleine klokken. Hierop stond een boete van twaalf gulden.

3).Het versieren van kisten van jonge mensen kwam ook weer voor in deze ordonnantie. Alleen een gitzwart doodskleed was toegestaan onder een boete van 24 guldens. De adel en regenten waren hiervan vrijgesteld  en mochten wel de kist versieren met bv het familiewapen of iets dergelijk.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de burgerij. Blijkbaar kwam het voor dat boze burgers deze versiering er van af trokken want er stonden zware straffen in het verschiet  voor de gene die dat zou doen.

4). Vrouwspersonen waren uitgesloten om bij een begrafenis aanwezig te zijn. Het kostte 25 guldens bij overtreding.

5).Begrafenisstoet moest de aller kortste weg naar ’t kerkhof nemen wat weleens meebracht dat dwars over een markt men een begrafenisstoet zag schuifelen.

6). Dan de diepte van de graven. Dit kwam eigenlijk bij iedere ordonnatie voor, dus dat betekende dat de grafmakers onnauwkeurig werkten, en zich nog niet gebeterd hadden. In Leiden werd tot drie kisten hoog begraven en de bovenste kist moest minstens met 18 duimen = 45 cm  grond bedekt worden en vast worden ingestampt.

7). Bedelaars werd harder aangepakt na een periode van gedogen in een poging ze de stad uit te krijgen.

8). Men mocht volstrekt geen pest zieken verplaatsen van de ene naar de andere buurt. Men kon de zieke naar het pesthuis brengen buiten de stad.

9). Huizen van overledenen moesten zes weken gesloten blijven

10). Deze laatste is een merkwaardige. Een verbod om drukinkt te koken of branden ten behoeve van  drukken. Dit scheen een verschrikkelijk stank te veroorzaken die op de lijst stond van verdachten voor de oorzaak van de Pest. Om de drukkers en printers niet brodeloos te maken werd toestemming gegeven om dit branden of koken te doen “opten tee van ‘t punct van ‘t bollewerc aan den blaeuwen toorn, mitsgaders inden Zuijdtoost houck van deser brede chingele om de vryheit in de waart, maar niet elders”.            In de andere grotere steden in de Republiek hadden de Burgemeesteren en Regeerders dezelfde problemen. Rondom Nijmegen werd een omvangrijk leger in stelling gebracht in juni 1635 om de vesting Schenkenschans  te heroveren op de Spanjaarden. Een maand later in juli 1635 brak de pest uit onder de soldaten. Van Nijmegen, uit die periode zijn geen sterftecijfers  voorhanden. De historicus Welters heeft echter van de Nijmeegse Sint Stevenskerk  het klokluigeld in kaart gebracht als zijnde de grootste kerk van Nijmegen en al is dit niet indicatief voor de omvang van de sterfte  geeft het aantal begrafenissen per maand  waarschijnlijk een aardig beeld in het sterftepatroon. De vraag is wat deed het stadsbestuur gedurende de sterfteperiode?

Op 16 augustus 1635 vinden we voor het eerst een bericht over de Pest in Nijmegen. Het aantal zieken onder de Franse soldaten is zo groot dat alle gasthuizen overvol zijn en dat vele zieken langs de straten en voor deuren liggen en “miserabelick sterven causerende zoodanige stanck ende besmettingh datt veele burgeren  ende ingesetenen  voorde voet sieck worden ende mede commen ’t overlijden.”

Op 9 september 1635 waren de sterfgevallen het dubbele als in augustus 1635 en de Regenten verbieden de Kermis.

Op 16 september 1635 wordt er in Leiden een besluit genomen over de grote aantallen weeskinderen. Men probeert zoveel mogelijk weeskinderen onder te brengen bij overlevenden en de rest wordt in het Heilige Geest  of Arme Wees en Kinderhuis van Leiden opgenomen. Dit tehuis aan de Hooglandse Kerkgracht  was in 1583 ontstaan uit het Onze Lieve Vrouwe Gastgasthuis.

Op 22-04-1636 wordt een klacht behandeld over Hendrik van Langeraet, doodgraver te Nijmegen. Hij zou zich niet aan de voorgeschreven grafdiepte houden. Dit speelde eigenlijk bij alle andere steden ook, overal maakte men de graven niet diep genoeg. Hieruit kunnen we opmaken dat ook in Nijmegen, waar de Pest twee jaar heerste, een groot aantal mensen overleed maar de authoriteiten van Nijmegen maakten zich evenals hun collega’s in Leiden er  klaarblijkelijk niet druk over.

Over Amsterdam kunnen we heel kort zijn. Men was daar met hele andere dingen bezig. Handel en alle andere belangrijke zaken passeerden de revue men was alleen maar bezig met het bouwen aan een Gouden Eeuw, maar geen woord over de Pest tot  3 oktober 1663 waarin de Magistraten bekend maken dat speciale doktoren, chirurgijns, vroedvrouwen en apothekers de mensen bijstand konden bieden zonder kosten. Deze specialisten konden op kosten van de stad patiënten enigszins bijstaan maar liepen daarbij een heel groot risico besmet te worden.

Zij ontvingen daarom een dubbel salaris als risicopremie. Doktoren droegen een zogenaamd Snavelmasker waarin een hoeveelheid geurige kruiden zat om de lucht te zuiveren. Ook de functie van Pestmeester in het Pesthuis was levensgevaarlijk. Deze actie van Amsterdam was puur zakelijk. Er werd een probleem geconstateerd waarvan de oplossing direct werd neergelegd bij de curatieve gezondheidszorg. Om vanaf het begin meteen de juiste mensen in te brengen dacht men de economische schade voor de stad te beperken dan gewoon af te wachten.

Het ware zware tijden om in te leven. De dood was altijd al dichtbij maar nu was hij tastbaar. De angst voor de dood maakte sommige mensen  roekeloos, of noem het fatalistisch, het was toch immers Gods wil of je wel of niet besmet raakte. Ik noem dit roekeloos maar we kunnen het eigenlijk net zo goed onwetend noemen. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die voorzichtig  waren. De notarissen meldde ik u al, maar ook  Predicanten  weigerden Pest-patiënten te bezoeken, zo ook Adolphus Venator, predicant in Alkmaar. Dominees’ naam was eigenlijk Adolph de Jager maar de Latijnse vorm vond hij toch wat chiquer.   In 1599 weigert hij zieken te bezoeken en hij verdedigt zich fijntjes door er op te wijzen dat vorig jaar in Nijmegen drie Predicanten, waaronder zijn eigen broer aan de Pest ten offer waren gevallen.

Ook in Haarlem, in 1636, durfde niemand een vrouw, met een zoontje, in barensnood te helpen. De toevallig langskomende burgemeester Willem van Teylingen durft wel naar binnen te gaan en gelast de Stadsvroedvrouw te helpen. Die antwoordde waarschijnlijk dat hij de pest kon krijgen. De andere dag  zijn de kraamvrouw, het zoontje en het pas geboren kindje overleden en de vader overleed niet lang daarna.

Maar gelukkig waren er ook legio gevallen van onbaatzuchtigheid en naastenliefde. Zo zijn er brieven uit Rotterdam en Gouda dat ouders hun kinderen uit het Pesthuis opeisten om ze thuis, omringt door liefde te laten sterven en een man die zijn vrouw  weer naar huis brengt om daar op een menselijke manier afscheid van elkaar te kunnen nemen. Dit zijn de mensen achter de cijfers en die blijken ook  gevoelens te hebben, niets menselijks is ze vreemd.

Dan waren er de gevallen van onverschilligheid of onwilligheid. Bijvoorbeeld de levende traditie om de doodskist van jong  gestorvenen met bloemen te versieren, die door de overheid was verboden in verband met besmettingsgevaar.

Overigens was dit een dingetje want de Kerk was dit versieren een doorn in ’t oog, dit was namelijk een overblijfsel  uit de  heidense tijd en ook vanaf de kansel werd dit verboden.

Vaak werd binnen een week de nalatenschap van een overledene geveild, incluis beddengoed en kleding  die vaak dezelfde dag nog werd gedragen. Dit was onverantwoord.

Tijdens een Pestepidemie vond er een grote verstoring in de handel en sociale gebeurtenissen plaats. Zo verboden de Leidse regenten in 1635 de Leidse Jaarmarkt, in augustus 1563 kwam er een verbod op Engels bier, dat verdacht was, herbergiers werd verboden reizigers op te nemen uit besmet gebied,  schepen uit Engeland moesten veertien dagen voor anker blijven in de haven . Al dit soort verboden hielpen een klein beetje mee ter bestrijding van de pest al hadden de tijdgenoten zelf daar geen benul van.

De overheid had klaarblijkelijk advies ingewonnen bij mensen die nadachten en weldra werden in de hele Republiek der Nederlanden  maatregelen van kracht om de Pest min of meer te isoleren.

Quarantaine bleek een zeer effectief middel om de Pest buiten te houden, mensen werden er op gewezen geen risico’s te lopen en dit bleek toch te werken want vanaf het jaar 1668 was de Pest bacil in de republiek geheel uitgewoed. In de rest van Europa, met name in Duitsland en Italië bleef de ziekte nog miljoenen mensen opeisen, daarom werd hier scherp in de gaten gehouden waar iets of iemand vandaan kwam voor dat de persoon of zijn handelsgoederen toegang tot het land kregen.

Niet alleen in Holland werd de bestrijding van de Ziekte ter hand genomen, vaak was men in andere landen hier al langer mee bezig, van lokaal naar regionaal en tenslotte naar nationaal. Een stadsstaat als Venetië waar vrije handel urgent was beschikte in 1385 al over een aantal sanitaire voorschriften waaronder een isoleringgebod dat veertig dagen bedroeg. Wie zien hier gelijk de oorsprong van het woord  Quarantaine(= veertig). Toch weer wat opgestoken vanavond.

Ook in en uitvoermaatregelen werden er genomen zodat geen besmette ladingen konden worden gelost in de havens en er was een uitgebreid netwerk ontstaan van informanten die waarschuwden als er pest werd geconstateert. Er is bewijs dat deze maatregelen Venetië heeft geholpen in haar strijd tegen de Pest. In Engeland werd op bevel van Koning Karel II alle beerputten in Londen geopend in een poging door de enorme stank die dit gaf de Pest te verdrijven, dit zal waarschijnlijk niet hebben geholpen.

In Holland waren ze nog niet zover en regelmatig werd een stad en regio getroffen door de Haastige of Heete Ziekte, zoals de Pest werd genoemd. Als we nu zouden moeten oordelen kunnen we stellen dat een stadsbestuur eigenlijk geen beleid kon maken,  simpelweg door te weinig kennis over de ziekten die regelmatig de steden teisterden. De artsen hadden niet de kennis om de Pest in een vroeg stadium te herkennen, dus waren altijd een stap te laat.

Ongeacht of men dacht dat de pest een door God gezonden plaag was of dat men geloofde dat het van de verrotting en vuiligheid kwam, men was het er over eens dat het besmettelijk was (als de pest), maar hoelang zo’n periode zou duren wist men toen ook niet van te voren. Dus de Overheid  hield zich min of meer gedeist tijdens een epidemie. Er  verschenen ordonnantien  met maatregelen van de overheid die er voor moesten zorgen dat de inwoners anders gaan handelen dan voorheen, tijdelijk dan wel permanent. En dan gaat het om handelingen die vaak voorkomen.

Als men op die manier naar de ordonnanties kijkt dan kan men alleen maar tot de conclusie komen dat het in alle steden een grote smeerboel was, erger dan het smerigste varkenskot.

Bloed, darmen, dode honden en kippen, vuiligheid, het werd allemaal op straat gegooid of in het water. Slachten gebeurde op straat en de bepaling dat een graf diep genoeg moest zijn geeft ook te denken. Goederen werden verkocht zonder ze schoon te maken en tijdens de preek gaat het begraven van overledenen gewoon door, op het kerkhof en ook  in de kerk zelf. Als we bedenken dat de dorpen op het platteland een afspiegeling waren, zeker in gedrag, van de grote steden was het in Lisse, zoals gezegd ook een smerige boel.

In de tegenwoordige tijd heeft de overheid voor elke infectieziekte een beleid. Afhankelijk van welke ziekte varieert het beleid van alleen maar diagnostiek, zoals bij voorbeeld  bij aarsmaden tot een pakket van uitvoerige draaiboeken wanneer bijvoorbeeld het pokkenvirus weer opduikt.

Infectieziekten zijn ingedeeld in verschillende groepen (A, B1, B2, en C) op basis van meldingsplicht van de arts aan de GGD. Zodra een arts zelfs maar vermoed dat iemand een infectieziekte heeft behorend bij  groep A moet hij dat onverwijld melden. Zo is de pest ondergebracht in groep B1. Dat houd in dat de arts dit binnen vierentwintig uur moet melden, dus iets soepeler dan bij groep A waaronder Pokken, Polio en SARS  vallen.

In de zeventiende eeuw was het voor de overheid een stuk lastiger om beleid te maken tegen besmettelijke ziekten. Men was onbekend met bacteriën en artsen hadden niet de kennis en het inzicht om de pest in een vroeg stadium te herkennen. De vraag is welke maatregelen nam een stadsbestuur om de pest in te dammen en op wat voor moment nam men die maatregelen. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in curatieve en preventieve maatregelen. Zo had het stadsbestuur van Leiden rattenvangers in dienst omdat het vermoeden bestond dat deze iets te maken zouden hebben met de ziekte.

De oorzaken van de pest die men dacht te kennen waren de toorn van God  en vuile dampen en verrotting. Hoe de toorn van God kon worden getemperd was een lastig vraagstuk en het bestrijden van vuile dampen en verrotting was een stuk concreter aan te pakken te weten een vorm van hygiëne en isolatie van zowel de zieken als de besmette huizen. In die gedachtegang kon een overledene ook een bron van besmetting zijn dus werden er regels opgesteld voor het begraven. Ook dacht men dat via de handel besmetting kon worden verspreid en nam men maatregelen om verspreiding via deze route te voorkomen. Tot slot waren er maatregelen waarbij de relatie tot vuile dampen en verrotting  niet zo makkelijk kan worden gelegd dan wel dat die relatie helemaal ontbreekt of een ander doel diende.

Voor begraven gold dat de uitvaartstoet de kortste weg moest nemen naar het kerkhof en de kist moest onderhands worden gedragen in plaats van op de schouder en het graf moest diep genoeg zijn. In Haarlem gold dat de kist van binnen moest worden ingesmeerd met pek en in Leiden kon men pas na twee uur ’s middags worden begraven.

Tijdens pestperiodes moest men honden doodslaan, zij konden besmetting doorgeven. Waarom dit niet voor katten en konijnen gold is niet duidelijk.

Een heel opmerkelijke maatregel was dat zieken en hun verzorgers zes weken lang niet naar de preek mochten komen. Als men werkelijk pest had dan was men immers binnen twee tot tien dagen overleden en zoals gezegd vrouwen mochten in Leiden niet meer mee naar de begrafenis.

Veel van dit soort ordonnanties bleken achteraf een politiek doel te dienen.

Tijdens de pestepidemie in Leiden in 1655 zijn er veertien ordonnanties uitgegaan waar van er drie over hygiëne gaan en slechts één over de handel, die werd blijkbaar te kostbaar geacht om beperkingen te ordonneren. Beddenstro mocht niet meer op straat gelucht worden maar moest worden verbrand. Belangrijk was dat de inwoners hun gewoonten veranderden en een heel klein beetje hygienisch besef meekregen. Op het begraven van overledenen stiekem ‘nachts op het kerkhof of elders stonden strenge straffen. Zomaar een greep uit de vele ordonnanties die we hebben gevonden in de oude archieven. Of het veel geholpen heeft is de grootste vraag.

Dat er ook politieke en geestelijke aspecten werden verordonneert lezen we ook in die oude archieven. “De Keure ende Ordonnantie thegens de stouticheyt der pausgezinden  ende derselven excessen” uit Haarlem zit daar ook tussen. Niemand mocht pausgezinde geestelijken onderdak bieden, geen pausgezinde vergaderingen gehouden worden en nog vijf van die merkwaardige onzinnige ordonnantien tussen de pest verordeningen. Er stonden buitenissige boeten op tot verbanning toe.

Hoe men dat handhaafde is niet duidelijk. Zo stond er ook dat iemand die besmet is en wil gaan wandelen een witte stok moet dragen. Nou iemand die de pest heeft is doorgaans zo ziek dat hij niet veel zin zal hebben gehad in een wandeling.

Na 1668 is de Pest in slaap gevallen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, of al die maatregelen iets hebben bijgedragen tot het verdwijnen van de ziekte zal voor altijd een vraag blijven.

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 1)

Anna (1869-1960) woonde in Lisse tot 1903 in het pand Heereweg 296. Zij schreef in 1904 een boek met de titel ‘In het bloembollenland’. Het speelt in de Bollenstreek en beschrijft op een eenvoudige manier de bollenteelt.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Veelal zijn het schenkingen van leden van de VOL. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

De schrijfster zelf was geen vreemde in het bloembollenland. Zij trouwde in 1899 met bollenkweker Willem J. van Gogh, een neef van Vincent. Willem was politiek actief als lid van de SDAP en ook Anna was een overtuigd socialiste. Het paar bewoonde tot 1903 het pand Heereweg 296 in Lisse.

Tekening uit het boek In het bloembollenland  van W.K. de Bruin

In het boekje geeft zij in verhaalvorm een realistisch beeld van de gang van zaken in het bollenvak. Alle facetten van de bollenteelt komen voorbij in een voor kinderen begrijpelijke taal. De dertienjarige weesjongen Dirk uit Amsterdam, bleek, met grote blauwe ogen, komt in huis bij zijn oom Niezand, meesterknecht op kwekerij “Bloemlust” bij bollenkweker Van Erk. Dirk heeft nooit een bol gezien, maar de goedige oom neemt zich voor de jongen het vak te leren en op te leiden tot een flink werkman. Zijn aanvangsloon is drie gulden vijftig in de week met de afspraak dat dat op kan lopen tot vijf gulden vijftig. In het vorige nummer van het Nieuwsblad vermeldde Arie in ’t Veld het gemiddelde loon van een bollenarbeider in 1903: acht gulden vijftig per week. Voor een dertienjarige lijkt Dirks loon naar verhouding niet slecht. Dirk betaalt zijn oom kostgeld en heeft een dubbeltje zakgeld in de week. Wil hij het boekje In het bloembollenland kopen, dan zal hij vijftien weken moeten sparen. Dirk is een leergierige jongen. De vele vragen die hij zijn oom stelt, beantwoordt deze uitgebreid. Via Dirk krijgt de lezer informatie over dwaallingen, bollenziekten, rattenplagen.

Anna huwde de Lissese bollenkweker Willem van Gogh en zij woonden op Heereweg 296.

Vangt Dirk voor de patroon een rat, dan wordt hij beloond met twintig cent. Voor het Amsterdammertje, gewend te leven in een zonloze, donkere steeg, is het voorjaar met zijn bloemenpracht een feest van kleur en geur. Staan de bollen in bloei, dan komen de andere bloemisten kijken. Ze lopen tussen de bloembedden “als groote donkere torren op een kleurig kleed”. Druk is het in deze tijd op de straatweg met een uitpuilende stoomtram en overvolle wegen met fietsen, rijtuigen, wandelaars en automobielen. In het vroege voorjaar laat Van Erk zijn mensen werken van zes tot zes, bij andere kwekers werkt men door tot het donker is. De bollenrooitijd is zeer vermoeiend en zwaar: “Ze werkten ’s morgens en ’s avonds òver en lagen den heelen dag in het heete zand, met de zon brandend op hun rug, terwijl de heggen elk windzuchtje afweerden. Ze kregen eelt op hunne knieën, en door het voortdurend wroeten in het zand, werden hunne vingers vreemd-wit, waarbij scherp de gebruinde handen afstaken”. Dirk werkt dapper mee, maar “in zijne beenen kwam soms zoo’n vreemde tinteling alsof ze zijn lichaam niet meer konden dragen”. De jonge jongen verliest zijn eetlust, maar smacht de hele dag naar drinken. In tegenstelling tot andere kwekers, die hun personeel nu tweemaal per dag een borrel schenken, geeft Dirks baas de arbeiders koffie en bessensap met water. Sterke drank werkt verwoestend in de uitgeputte lichamen, vindt hij.Na het rooien volgt het hollen, pellen en planten en als het vriest het dekken. Maar juist strenge vorst zorgt even voor een adempauze in dit harde bestaan. Dan kan op het veld niet gewerkt worden en geeft Van Erk zijn arbeiders ’s middags vrij. Of er wordt doorbetaald, lezen we niet. In het bloembollenland is na meer dan honderd jaar nog zeer leesbaar. Hoe het ontvangen werd door tijdgenoten, daarover een volgende keer. ►

Geboren te Velzen op 31 december 1869, overleden te Haarlem op 28 januari 1960