Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

PARELTJE van 30 cent uit de VOL verzameling

Arie Raaphorst heeft in 1922 een boekje gemaakt met de titel Gids voor een wandeling langs de bloembollenvelden in Lisse. In dit 32 pagina’s dikke boekje gaat hij in op alle historisch belangrijke gebouwen, al of niet meer bestaan in die tijd. Het boekje is in bezit van de VOL.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Onze bibliothecaris Jos van Bourgondiën liet mij een boekje zien uit de verzameling van de vereniging. Een Gids voor een wandeling langs de bloemenvelden in Lisse uit 1922, geschreven door A. R. Hz. Achter deze initialen gaat Arie Raaphorst schuil. Het zeldzame en kwetsbare gidsje is uitgegeven en gedrukt door de Lissese boekhandelaar P. de Vries. In dit exemplaar zijn in handschrift verbeteringen en aanvullingen aangebracht. Voorin staan de namen Arie Raaphorst en P. H. Raaphorst. Het is duidelijk uit de familie afkomstig, maar niet zeker is van welke hand de wijzigingen zijn.

Piet de Vries

Piet de Vries, geboren 27 juni 1880 in Lisse, was bij zijn huwelijk op 2 september 1908 boekhandelaar in Lisse. Bij zijn overlijden op 5 maart 1951 op 71-jarige leeftijd woont hij nog steeds in Lisse, maar is zijn beroep boekdrukker. Daarnaast had De Vries een advertentiebureau. Mensen konden bij hem advertenties opgeven die in de locale en landelijke pers werden geplaatst. Ten tijde van de uitgave van het gidsje was zijn zaak gevestigd aan de Grachtweg 33. Deze moderne ondernemer beschikte over telefoon.

Raaphorst

Arie Raaphorst Hz of Hzn (1880-1948), de schrijver van het gidsje, werkte als journalist bij de Leidsche Courant. Van 1928-1938 was hij penningmeester-secretaris bij de HBG.
Eerder pende hij de geschiedenis van Lisse neer en gaf die de titel “Aanteekeningen op het Dorp en de Gemeente Lisse”. Deze belangrijke bron voor de historie van Lisse is gedeeltelijk gepubliceerd in afleveringen van het VOLNieuwsblad en is in handschrift in het bezit van de VOL.

Toerisme, vervoer en gidsjes

In het eerste kwart van de twintigste eeuw groeide het toerisme. Vervoersmogelijkheden waren sterk verbeterd, de  mensen beschikten over meer vrije tijd en geld. Ondernemers in plaatsen met aantrekkingskracht op vakantievierders en dagjesmensen brachten toeristische gidsjes uit met informatie over hun streek, veelal voorzien van plattegronden. Zo ook Piet de Vries. De bloeiende bollenvelden immers zorgden in het voorjaar voor topdrukte op de Lissese wegen. De tram tussen Haarlem en Leiden, de Bollenlijn, reed op zondagen extra ritten met een lange sleep rijtuigen. De Vries gaf journalist Arie Raaphorst Hzn opdracht een gidsje te schrijven dat de dagjesmensen te voet langs de mooiste bollenvelden van Lisse zou voeren. In zijn inleiding bij het gidsje schrijft Raaphorst dat hij wil wijzen op wat er nog is, maar ook “met een enkel woord” terug wil gaan “tot de geschiedenis van vroeger tijden”. Mochten er lezers zijn die in het boekje gebreken vinden, dan staat hij open voor “zakelijke critiek”. Dat enkele woord is wel een understatement.
In dit 32 pagina’s tellende gidsje gaat hij in op de historie van Lisse en zijn bezienswaardigheden.
Of ze er nog zijn of niet.

Wandeling door de historie van Lisse

Pagina uit het boek

Zo beschrijft hij de geschiedenis van de buitenplaats Berkhout, waarvan alleen de tuin rest, en die van het landgoed Meerenburg, al begin 19de eeuw gesloopt. Dever ligt er in 1922 rampzalig bij, maar Raaphorst wijdt vijf pagina’s aan de bouwkundige aspecten van wat er ooit was.
Het fraaie interieur van de Sint-Agathakerk krijgt een uitgebreidebeschrijving, evenals dat van hetraadhuis. De schrijver beseft wel de economische noodzaak van de afgraving van duin en bos, maar betreurt toch de “verdelging van al dit natuurschoon”, de afbraak van een buitenplaats als Veenenburg en de afzanding van de gronden daarvan. “Heeft men dan nooit genoeg? Moet alle pracht, die de natuur ons schenkt, dan daarvoor verdwijnen”. Deze en andere opmerkingen geven het gidsje een persoonlijk tintje. Dankbaar is hij de familie Van Lynden, waarbij hij hoopt dat het landgoed Keukenhof “voor ons en voor ons nageslacht gespaard mag blijven voor de schendende hand onzer hedendaagsche cultuur”. Veel van wat de wandelaar anno 1922 nog zag is afgebroken, bloembollencomplexen, bollenvilla’s, maar Dever is gerestaureerd en Keukenhof behouden. Raaphorst laat de tramreiziger uitstappen bij de halte “in het Vierkant” en een verfrissing in hotel “De Witte Zwaan” gebruiken. Dan volgt een wandeling die ook nu nog gemaakt zou kunnen worden.

Raaphorst de verteller

Het gidsje voert de wandelaar zuidwaarts richting Sassenheim, langs de eeuwenoude kerk van de Ned. Herv. Gemeente met de toren van tufsteen. In het portaal van de kerk vindt men de grafsteen van de gouverneur van de Kaapkolonie Willem Adriaen van der Stel. Raaphorst prijst de verbeteringen die door het kerkbestuur zijn aangebracht: de kerkhofmuur en de nieuwe kosterswoning in oudhollandse stijl. Dan in dezelfde stijl het raadhuis uit 1907. Het
katholieke bolwerk – Agathakerk, huize Pius, Agatha gesticht voor meisjes en de RK jongensschool – bespreekt de schrijver tot in detail. Zo noemt hij vol trots de bouwers van de jongensschool de gebroeders Barnhoorn. Volgt het bloembollencomplex van de Gebroeders Segers aan de Heereweg. Voor de Jannetjesbrug over de Vennesloot staat het prachtige landhuis van A.Verduin jr (De Venne) en heeft men zicht op de “Rijkstuinbouwwinterschool voor de Bloembollenstreek”.

Een wandeling door Lisse door A. Raaphorst.

Raaphorst vraagt de wandelaar plaats te nemen in het gras tegenover de ingang van Dever. Hij wil graag wat vertellen over het verleden van de ridderhofstede en zijn bewoners. Met pijn in het hart kijkt hij naar de ruïne. De hoge walmuren gesloopt, de grachten gedempt, het geboomte gekapt en gerooid. Ontdaan van alles is het “een blijvende bespotting, naakt en kaal tusschen de producten onzer hedendaagsche culturen in, door niemand geëerd, ook niet door hen die daarvan de eigenaars zijn”. Dan rechtsaf naar de Catharijnelaan, waar de schrijver wijst op de oude boerenhofstede “Bloemenhof” waarbij ooit de oude RK kerk stond (niet meer aanwezig). Rechtsaf naar de Achterweg langs “Grootenhof” en de overblijfselen van Huis ter Spekke. Linksaf de Spekkelaan op langs de bloemenvelden richting Loosterweg. Raaphorst geeft de wandelaar de mogelijkheid linksaf te slaan de Loosterweg op naar het Reigersbos en de bossen van Wassergeest, maar zijn wandeling voert nu rechtsaf weer de Loosterweg op dwars door de bossen van Keukenhof, over het erf van het kasteel en dan rechtsaf, door de ‘Rasters” terug naar het dorp. Aan de linkerhand ziet men Zandvliet, met de mooie vijver en brug (nu bloemenpark Keukenhof), dan weer volop uitzicht op de bloemenvelden in vakken gedeeld door heggen, in de kromming van de weg de villa Veldhorst met de bollenschuren van G. van der Mey’s Zonen (de laatste afgebroken). Rechts de tuin Berkhout en aan het einde van de weg het postkantoor (afgebroken). Linksafslaand komt men bij Roosendaal  gesloopt), dan passeren we de mooie witte villa “Maria”, een ontwerp van de Haarlemse architect J. London. Voortgaande het bollencomplex “Welbedrogen”, waar ooit het landgoed Meerenburg lag, de villa’s  Buitendorp en Magnolia (waarvan de sloop in 1991 leidde tot de oprichting van de VOL). Aan de linkerhand ligt de villa Somalo, een ontwerp van architect Leen Tol, en Becorsa (gesloopt) en het verdwenen buiten Wildlust. Na een blik op het buitentje Bloemoord, staande op een duintje, en de Steenfabriek, is het tijd voor een verfrissing in de Nachtegaal.

De entree van het buiten “Veenenburg” vanaf de Loosterweg

Bij de Nachtegaal slaan we de Zwartelaan in, jaar het bollencomplex van de Gebroeders Veldhuyzen van Zanten staat (verdwenen). Op de brug een magnifiek uitzicht op de bloemenvelden, waar 25 jaar daarvoor nog dicht bebost duin was. Aan het eind van de Zwartelaan lag het ook toen al verdwenen buiten Veenenburg, waarvan Raaphorst een foto van de ingang plaatst, met rechts zicht op het van hout opgetrokken Duinlust. We slaan linksaf de Loosterweg in, passeren “De Looster”, komen weer bij de Stationsweg en slaan weer linksaf naar het dorp

.

OUD NIEUWS: Kwaadaardige honden op Dever

Heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699) had veel problemen met zijn windhonden. Zij vielen schapen en zelfs een bezoeker aan, die ernstig aan zijn been verwond werd.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

De heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699), gehuwd met Agatha Adriaansdr. Bijl (1634-1694), heeft heel wat te stellen met zijn liefhebberij, het houden van windhonden. Er lopen er zeker al vier los op zijn erf, van aanlijnen wetenv ze nog niet. Hij gebruikt zijn honden waarschijnlijk voor de jacht en bewaking.
Of er daarvoor ook al problemen zijn geweest weten we niet, maar in 1682 verschijnen er een aantal dorpsgenoten voor schout en schepenen met ernstige klachten. ‘Voor schout mr. Adriaan van Gorcum en de schepenen Jacobus Dirkse van ’t Hoog en Jacob Ottense Cranenburg verschijnen Jacob Dirkse Uijtermeer, oud omtrent 36 jaren (geb. ca 1646 en gehuwd met Marijtje Cors Langevelt), en Cornelis Pieterse desselfs bouwknecht, oud omtrent 20 jaren, beide onze inwoners, en Sijmon Cornelisse Oostdam, (ca 1632-) gehuwd met Jannetje Pietersdr Van der Plas, wonende in Noordwijkerhout, oud omtrent 50 jaren’. Cornelis Pieterse verklaart, op verzoek van de hoogedele heere Willem Benting, houtvester van Holland, dat hij, komend op maandag 8 juni 1682 van de Delftse paardenmarkt, heeft gezien dat twee windhonden waarvan hij later vernam dat zij toebehoorden aan jhr. Willem de Wael van Vronesteijn, heer van Dever, door de wei van zijn baas Jacob Uijtermeer de beesten achterna zaten. Hij heeft gezien dat een schaap in de sloot lag en een lammetje zeer verwond was. Cornelis vertelt dit aan zijn baas Jacob Uijtermeer, die zich naar Dever spoedt en jhr. Willem verzoekt de heer de geleden schade door zijn honden aangedaan te vergoeden. De zaak wordt in der minne geschikt voor vijf gulden en twee stuivers.
De derde getuige Simon Oostdam doet zijn verhaal voor schout en schepenen. Afgelopen september ging hij naar de wei van Willem Ariense in Noordwijkerhout, waar zijn ram liep, die hij naar zijn eigen weide wilde overbrengen. Het dier was echter zo ernstig gebeten dat het moest worden afgemaakt. Ene Cornelis Jacobse uit Noordwijkerhout wist hem te vertellen, dat de windhonden van de heer van Dever de ram zo hadden toegetakeld. Ook hij vervoegt zich bij jhr. Willem, heer van Dever, die prompt de schade voldoet van vier gulden en tien stuivers. Het wordt nog erger. Claas Joosten van Diest, 64 jaar, tuinman van beroep (getrouwd met Grietje Hermans Cuijper), legt een verklaring af. Schout en schepenen moeten ervoor naar het huis van Claas, omdat hij zwaar gewond op bed ligt. Onder ede verklaart Claas het volgende (en mocht hij niet de waarheid spreken, dat God hem dan van deze wereld wegneemt): zijn neef, Mathijs van Bambergen, wijnkoper te Amsterdam, was op 9 augustus j.l. naar jhr. Willem gekomen om een rekening te innen voor geleverde wijn en azijn. Hij trof echter de heer van Dever niet thuis. Daarom was hij naar Claas gegaan en had hem gevraagd voor hem nog een keer naar Dever te gaan met de rekening, omdat Mathijs weer terug naar Amsterdam moest. Claas was zijn neef

Huys Dever door Roeland Roghman (1627-1692.
De windhonden zijn ingezet.

graag ter wille en begaf zich op vrijdag 16 oktober met de rekening naar Huis Dever. Wij laten het opgetekende verslag letterlijk volgen: ‘Ende komende op desselfs werf de vier winthonden van den voornoemde heere van Deveren die los over de werf liepen aanstonts seer furieus op hem sijn aangevallen, ende dat een van de swarte honden hem op drie bijsondere plaatsen in sijn slinkerbeen seer ellendig heeft gebeten, ende de laatste reys een groot stuk vleesch daar uytgerukt, soo dat de kuyt uit sijn been liep ende hij onder de voet viel.’ Waarop hij, om hulp schreeuwende, door Jochem de knecht en twee dienstmaagden van de heer van Dever werd ontzet. Ondanks zijn zware verwondingen heeft Claas het nog een poosje op aarde uitgezongen. In 1688 wordt hij nog in het hoofdgeld aangeslagen.

Bron

ORA nr. 30 scan 55.

“TULPOMANIA” DE WINDHANDEL IN TULPEN EEN “GOUDEN TIJD”

In de 17e eeuw werden de meest waanzinnige prijzen voor tulpenbollen betaald. Het schilderij De Floaes Gecks-kap , dat op de hartpagina staat, wordt beschreven. Het beeld van de windhandel wordt op een fantastische manier weergeven. De windhandel wordt uitgebreid beschreven.

Door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nog even dan gaan de bloembollen in volle glorie bloeien. Daarna breekt de tijd aan dat de handel er flink op los gaat. Uiteraard om veel bollen te verkopen maar meer nog om daar zelf of de klant financieel beter van te worden. Er zijn ook nu nogal eens partijtjes die voor fikse prijzen van de hand gaan omdat de handelaar daar zeer beslist zijn zinnen op heeft gezet en dus voor een hoge prijs gaat. Niet goed voor de prijsstatistiek natuurlijk, maar wel goed voor de kweker van die bollen. Wordt die prijs ondanks alles redelijk goed in de gaten gehouden en worden voor de bloembollen wisselende prijzen betaald die veelal op een redelijk niveau liggen; er is een periode geweest waarin de meest uitzinnige bedragen voor een enkele bloembol op tafel werden gelegd.

Dat was in de 17e eeuw. De periode die de geschiedenis zou ingaan als de periode van de Windhandel in bloembollen, ofwel “Tulpomania”. Mensen die perse een bepaalde bol (eentje dus) wilden hebben boden daar hun gehele bezit voor. Soms gingen er zelfs complete grachtenhuizen van de hand, maar ook veestapels, inboedels en noem maar op. En dat alleen om die enkele bol in bezit te krijgen. Een ding dat goud waard was en voor een nog grotere opbrengst zou kunnen zorgen dan de aankoopwaarde. Handelsgeest ten top dus, maar in werkelijkheid was het pure hebzucht die met een doffe dreun de grond werd ingeboord toen er plotsklaps meer dan voldoende bollen te koop bleken en niemand
meer oog had voor een enkele bol die vele honderden guldens zou moeten kosten. Velen raakten
dan ook aan de bedelstaf en hadden inplaats van een gouden bollenhandeltje, helemaal niets meer (dan alleen die bol) waarop ze in financieel opzicht konden steunen. En de droeve constatering was weggelegd, in zeer korte tijd gemeen goed was geworden, want iedereen die bollen wilde hebben kon die tegen een redelijke prijs kopen…

De grote gekte breekt los

e Semper Augustus, de duurste tulp ooit, had een virusinfectie die de DNA expressie verandert.

En dat ging allemaal om de tulp, die aanvankelijk nog maar spaarzaam in Nederland voorhanden was. Door dat unieke ervan waren het dan ook alleen de allerrijksten, met klinkende namen en nog luider klinkende munten die dit product konden bemachtigen. Zoals Doctor Adriaen Pauw, Ridder, Heer
van Heemstede, Bennebroek, Nieuwerkerk enzovoorts, Pensionaris der Stadt Amsterdam,  Bewindhebber der Oostindische Compagnie,Presiderend raad en Rekenmeester der Domeinene enzovoorts, enzovoorts. Hij had zich ontfermd over onder andere de tulp Semper Augustus, die aanvankelijk in zijn schitterende tuin onder de rook van Haarlem bloeide, maar uiteindelijk verkocht voor vele duizenden guldens. En nog was hij bekocht, want de goede man ontdekte te laat dat hij van die ene bol enkele jonge bollen had kunnen verwachten die hem nog enkele duizenden guldens zouden hebben opgebracht. Voor tien van deze bollen werden in die tijd maar liefst twaalfduizend keiharde guldens neergeteld en enkele jaren later was de prijs zelfs opgelopen tot 1200 gulden per stuk en nog wat later werden er biedingen van tweeduizend en zelfs drieduizend gulden afgeslagen. In de (bollen)geschiedenisboeken staat het verhaal geschreven van de verkoop van een enkele tulpenbol van een langzaam groeiende soort. Deze bol werd verkocht voor twee vrachten tarwe, vier vrachten rogge, vier vette ossen, vijf varkens, twaalf schapen, twee okshoofden wijn, vier tonnen bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een bed met toebehoren, een pak kleren en een zilveren beker en een schip waarin alles vervoerd zou kunnen worden. Het betrof dan ook een kostbaar product. Zo kostbaar dat het tegen goud werd afgewogen. Het bezit van een tulpenbol gaf de bezitter aanzien en dat was hem (als hij het geld in de knip had tenminste) heel wat waard. Menigeen deed in de jacht op grote winsten zijn bedrijf op slot, stuurde het personeel naar huis en toog met zijn geld naar plaatsen waar de floristen, de handelaars, bij elkaar kwamen. Als het allemaal een beetje wilde meezitten, kon je zomaar zestigduizend gulden per maand verdienen. Ook nu en in Euro’s verschrikkelijke bom duiten en dat was in de 17e eeuw nog vele malen meer. En ja hoor, daar ging er weer eentje van de hand. Vijf pons Gheele Kroonen voor 1875 Gulden en betaald met een pert met zijn cales ende honderdvijftich Gulden. Het liep uiteindelijk finaal uit de hand. Begin 1637 roken de floristen kennelijk onraad, want ze gingen ertoe over om de producten per veiling aan te bieden. Aanvankelijk was de prijs nog riant, maar spoedig zakte deze als een baksteen en binnen de kortste keren lag de handel in tulpen totaal in de goot. Met voor menigeen desastreuze gevolgen, want aan een bankroet viel niet meer te ontkomen.

Spotternij
En aan spotternij was natuurlijk geen gebrek. Zo ontstond er de “Saemenspraeck tussen Warmondt ende Gaergoedt” over de opkomst en ondergang van Flora. In 1637 verscheen de eerste druk van dit geestige werkje, in 1643 leverde de drukker opnieuw een serie af en in 1734 was dat nog een keer het geval op het moment dat eenzelfde soort windhandel in hyacinten de kop dreigde op te steken.
Crispijn van de Passe (1594-1670) maakte in 1636 een gravure die als titel kreeg “De Mallewagen”, het
falen der Bloemisten. In deze gravure zijn praktisch alle elementen uit de periode van de windhandel in
beeld gebracht. Het geheel bestaat uit een zeilwagen (zie rechtsboven en cover) die door de wind wordt voortgedreven. Op de wagen zit de bloemengodin Flora met in haar hand de tulpen Semper Augustus, Generaal Bol en Admirael van Hoorn. De drie mannen op de wagen dragen Flora’s zotskap en hebben de namen Leegwagen, Graegerick en Leckerbaerd. In hun gezelschap ziet men de twee dames Vergaeral en Ydel Hope, waarvan laatstgenoemde een vogel aan een draad in haar hand had, doch de vogel is gevlogen. En de kunstenaar liet aan duidelijkheid niets te wensen over, want hij graveerde erbij: “Ydel hope ontflogen”. De wagen waarop het gezelschap zich bevindt lijkt zwaar gesponsord te worden, doch de borden die aan de zijkanten zijn aangebracht bevatten de namen van een aantal herbergen waar de
Floristen hun bijeenkomsten hielden. Inclusief een vlag met drie tulpen en een aap die in de mast klimt en zijn behoefte laat schieten, daarmee klaarblijkelijk uiting gevend aan zijn mening over de bollenhandel. Achter de wagen lopen mannen en vrouwen die roepen ‘mee te willen vaeren’. Aan
hun voeten liggen allerlei weversgereedschappen, waaruit blijkt dat velen uit het weversgilde meer in de tulpenhandel zagen dan in de weverij en op de grond naast de wagen liggen tulpen die stuk voor stuk van een naam zijn voorzien. Op de hoeken van de prent is nog iets te zien van het interieur van de herbergen waarin zich de handel afspeelde en als onderschrift wordt meegegeven: “Als is geschiet een sotte daet, zoo wordt gesocht een wijsser raet”. En ook Piete  Nolpe kon er wat van. Die maakte een tekening van een enorme zotskap en zette daaronder een samenspraak tussen twee passanten. Het lezen van die samenspraak vergt de nodige concentratie, maar is desalniettemin alleen in de oude stijl het meest aansprekend. Floraes Gecks-Kap (zie hartpagina) of Afbeeldinge van ‘t wonderlijcke Iaer van 1637
doen d’eene Geck d’ander uytbroyde, de Luy Rijck zonder goet, en wijs zonder verstant waeren.

Aenden Nieus-gierigen

Lezer Onlangs met zekeren vrint tot Haarlem zynde vonden wy in ‘t voorbygaen
voor een Schilderswinckel een frommeltien volckx staen die aent uytwendighe gebaer het vrij drock mette praet schenen te hebben, twelck ons beweeghe uyt nieusgiericheyt (die de Amsterdammers gelyk aangeboren is) wat naeder bij te comen alwaer wy hoorden dat eenen die daar inde wandeling Fop Huysecooper hiet, tegen een ander Cryn Duyvenmelker genoempt hoogewoort voerden en de omstanders met wyze oogen en open monden staende hielt doort hobollige snackie datze over een schildery op den geckelyken handel van de Floristen gemaeckt samen hadden, welcke afbeeldinge als chlugtigen praat van deze twee ick de Liefhebbers als waardich om in eewige geheughenis te blyven hier voor oogen stellen en naer onthoudt soo wat dat Fop met deze woorden eerst begon: Fop Huysecooper “Wat is dit voor coddery? ay Cryn maet kyck een reys.” Crijn Duyvemelker: “Wel zie je dat niet Fop, ‘t is ee schilderij van de ryke Coopluy van ‘t Iaer 1637 doeder mier dysenden in een maent verhandelt wierden alser nu is zes iaeren ‘tAmsterdam opde beurs.” Fop: “Waer zittenze daer aen een taeffelken met een goutschaeltien en weegert? Crijn: “In een groote Geckskap maer alser al in souwen die aen die Coeuel gereet hebben ick mien daer vrij grooter als half Haarlem sou moeten wesen.” Fop:“Wel dits kluchtich zitmen nu met heele gezelschappen ineen Cap van outs plechtmense opt hooft op de mantel en heel cleyntjes opde Tabberts te draegen maer daer steeckt den vaendel uyt. ister kermis?” Crijn:”Neen of iaa. ‘t is ‘t uythangbort daer twee domme gehersenlooze malkaer stoten willen en zie je dat er onder slaet in de 2 zottebollen. ”Fop:“Iaak weerentich maer wie zit daer op een Ezel die van een deel fatsoenlyk volckje egieselt wort?” Crijn: “Dat is Flora zehier die Floristen eerst schier te kacken droegen en nu uyt
spyt om haer hoerachtige lichtvaerdigheyt van haer uytgeboent wort.” Fop: “Die daer zyn hooft staet en
klauwt wat is dat voor een?” Crijn:“Deen of dander Cales die Flora al mee op hoop ryk gemaeckt hadt en nu slecht staet en ziet dat zyn spullen in d’as leggen en zyn goetyen inde Lommert staet om opde  omparitje te comen en armen bloet nu weer aent wercken moet.” Fop: “Wel dats zo een beusenhandel nu hou ick noch mier Crijn altemiets in de Execusi te gaen om een plockjen.” Crijn: “Jaa Fop Huysecooper daer cant mee wel slecht afloopen want daer worden de menschen licht in schaepen verandert en naer een koy geleyt.” Fop: “Dat het nou gin prykel dehuysen zijn te te zeer aent rijsen maer daer staeter jen en lacht dat lyckt wel jen kluchtigen haen te wesen. ”Crijn: “Dats een waert die heeft vetpot byde bloemisten gespeelt want niemant isser beter bij gevaren als dat volckje en die daer inde andre hoeck staen praeten en zien datmen dat hoflycke goet als dreck opden vullishoop brenght, dat lijcken wel Tuynlui en hoverniers te weezen die haer vast verwonderen over dezen wonderlijken handel en vruchtbare tyden van Gecken, want ick loof dater in dat wonderlycke jaer meer Gecken uytgebroeyt zijn alser in duisend jaer van Vrouwen geboren worden.” Fop: “Maer nae ick sie zoo is Heyntjeman daer mee in ‘t spul geraeckt dat is een quaet Geck daer hou ‘k niet of.” Crijn: “t Is maer in Schildery, die lyckt we dat al de briefjes aen een snoer heeft die de Floristen malkander gaeven en een Nachtglas in d’ander hant
als of hy seggen wilde de tyt is om.” Fop: “Hoe waeren die briefjens daer soo veel luy ryck mee waren doch als gestelt dat lusten my wel te weten.” Crijn: “Daer weet ickje mee te helpen. Ick hebber een deel nageschreven wilje die lezen hier heb ikze.” Fop: “Jazeker, uyt niewicheyt.” Verkocht aen N.N. een vierendeel Witte Kroonen voor de somma van 525. Guldens als de leverantie geschiet ende vier koeyen ghereet die men dadelyck van de stal zal mogen halen ende tot deze Verkopers huyse leyden.  Overgenomen van N.N. twee pont Swifters welck hy gekocht hadde 1200 Guldens die ick tot mynen last nemende daerenboven een Quartel Pruymen die ick hem daadelyck leveren ende noch binnen veertien daghen 1400 Guldens tetellen ofte in Backe af te schryven. Gekocht van N.N. een pont Centen voor 1800 Guldens mits haer ghevende myn beste Weerschyne Rock een oude Risenmobel ende een Pennicken met een silvere Kettingtje om aen een kints hals te hanghen. Overghenomen van N.N. een Verbeterde  spinnekop van 400 Azen (20 azen was ongeveer 1 gram-red.) gheplant dien hy voor zeven hondert Guldens ghekocht hadde mits hem vereerende hondert Schippont Edamse kaes…

Moraal van het verhaal
…Hiermee ontstond onder de toehoorders zulck gelach dat Fop niet voort kon lezen hoewel hy noch een lange rol hadt waar door elck zijns weeghs liep en wy naar Schuytjes om sinds te vaeren. Vaert wel lezer en denckter op….. hebberigheid zou wel eens kunnen leyden tot een diepe val in de afgrond.. ■

Bronvermelding
De Mallewagen alias het valete de Bloemisten, gravure, (toegeschreven aan) Crispijn van de Passe (II), 1637.
Rijksmuseum. Florae’s Gecks-kap, kopergravure van Cornelis Danckerts naar Pieter Nolpe, 1637.

Flora’s Mallewagen, schilderij van Hendrik Gerritz. Pot, ca. 1640. Frans Hals Museum.
Allegorie der Tulpomanie, schilderij van Jan Breughel de Jonge, ± 1640.

Privébezit. Satire op de Tulpomania, anoniem schilderij, Frans Hals museum.
Beeldmateriaal – Publiek Domein.

ERNST HEINRICH KRELAGE (1869-1956) EN ZIJN BETEKENIS VOOR LISSE

Op 20 februari 2018 hield Maarten Timmer bij de VOL een lezing over Krtelage. Hij had intensieve contacten met Lisse, dat zich eerst bescheiden presenteerde als ‘bij Haarlem’, maar zich later afficheerde als ‘Centre of the Bulb-district’. Timmer heeft zijn lezing speciaal voor Oud Lisse verwerkt tot een uitgebreid verhaal. In dit Nieuwsblad staan enkele wederwaardigheden hieruit. Voor het vhele verhaal klikt u op:

Krelage oudlisse

Door Maarten Timmer, bewerkt door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Ernst Krelage

Een voorbeeld uit 1910 Ernst Krelage was een druk bezet man. Hij was eigenaar van de Tuinbouwinrichting Bloemhof, de firma E.H. Krelage en Zoon, die door zijn opa was gesticht. De
hoofdvestiging van het bedrijf lag aan de Kleine Houtweg in Haarlem. Ernst was bezig met het schrijven van een Gedenkboek want in 1911 zou het bedrijf 100 jaar bestaan. Op 23 maart opende prins Hendrik in Haarlem de door de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB) ter gelegenheid van haar 50
jarig bestaan georganiseerde Nationale Bloemententoonstelling, een initiatief van Ernst, sinds 1907 voorzitter van de AVB. Op 1 mei leidde Ernst de oud-president van de VS Theodoor Roosevelt rond op de tentoonstelling. Ernst zond zelf ook in op die tentoonstelling. Met verscheidenheden die afkomstig
waren van het kruisingsprogramma dat hij in 1902 samen met zijn medewerker J. Dix was begonnen.

In de catalogus van de tentoonstelling stond een bijzondere advertentie: ’Speciaal cultuur van vroeg broeiende Hyacinthen. Bij goede behandeling gegarandeerde Kerstmisbroei, ook in de slechtste jaren, mits besteld voor einde mei, bij N. Dames te Lisse’. Op 27 december zat Ernst de 101ste algemene ledenvergadering van de AVB voor. In de rondvraag vroeg H. van Zanten uit Hillegom, lid van het hoofdbestuur, aandacht voor de methode Dames. Het laatste woord in die vergadering was voor Dames: ‘Kom maar kijken ik heb ongeveer 1000 hyacinten in bloei staan’. Na die vergadering werd Ernst gehuldigd voor zijn werk voor de tentoonstelling.

Bloembollen in Lisse, ‘Lissers’

Het is een bekend feit dat hyacintentelers hun eigen teeltgebied als het beste beschouwen. Het was
vroeger niet anders. Toen de teelt van hyacinten in Lisse opkwam noemden telers uit Haarlem en omgeving Lisse het ‘kerkhof der hyacinten’. ‘Men ging zelfs zoover, dat wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die tengevolge van den sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten…. deze de naam te geven van Lissers’. Nu nog worden dergelijke hyacinten aangeduid als ‘Lissers’, maar weten we nu ook dat het een ziekte is die overgebracht wordt d.m.v. cicaden (insecten).

Dames versus Jacob en later Ernst Krelage

Mede op initiatief van Dames kwamen eind 1896 vertegenwoordigers van 20 exportbedrijven op Amerika in Lisse bij elkaar om: ‘te bespreken of het wenschelijk en noodzakelijk was om later op reis te gaan, en door het aanleggen van een Zwartboek het aanknoopen van onsolide relaties met onsolide huizen in Amerika te voorkomen’. Het initiatief sloeg aan en januari 1897 werd de Verzendersbond opgericht. Ze konden meteen aan de bak want in maart 1897 kwam het bericht dat de Amerikaanse regering van plan was het invoerrecht te verhogen naar 30 procent.
Namens de AVB kwam voorzitter Jacob Krelage (de vader van) in actie via de minister van Buitenlandse Zaken. De Verzendersbond huurde in Amerika een lobbyist in. Daar wist de AVB dan weer niks van. Zoon Ernst schreef hier in 1946 over: : ‘Het hoofdbestuur, waarvan geen enkel lid Amerika uit eigen aanschouwing kende en dat vreemd stond tegenover de Amerikaansche toestanden, verwierp elke actie buiten den officieelen weg’. 10 jaar na de oprichting van de Verzendersbond nam Nicolaas Dames het weer op tegen een Krelage. Aanleiding was de strijd om de plaats voor de Rijkstuinbouwwinterschool. Men opteerde voor Haarlem. Op 17 december 1907 begon Dames zijn strijd voor Lisse met het schrijven van een brief in het Weekblad voor Bloembollencultuur. Daarin bestreed hij alle argumenten van het hoofdbestuur voor vestiging in Haarlem en was de strijd tussen Dames en Krelage begonnen. Krelage reageerde met een weerwoord en zo ging het door. Tot minister Talma koos voor de argumenten van Dames en in augustus 1910 bepaalde dat de school in Lisse moest komen. Ernst vond het ‘pijnlijk’ zei hij in de algemene ledenvergadering eind 1910 dat het advies van de AVB niet was gevolgd. Hij schreef hierover in het Gedenkboek ’ het bleek…dat de meeningen in den boezem der vereeniging (de AVB) ten aanzien van de plaats van vestiging eener eventueele school niet onverdeeld waren’.

Proeftuin, Proefstation

Schooldirecteur Volkersz wilde een proeftuin bij zijn school. Onderzoek naar allerlei vakproblemen, zoals het aaltjesziek in narcissen, was noodzakelijk. Volkersz en Krelage zorgden er voor dat bioloog E.
van Slogteren aan de slag ging in Lisse. Volkersz kreeg echter zijn proefstation niet. Van Slogteren, gesteund door Krelage wilde een eigen laboratorium, niet inwonen bij een ander. In 1922 verrees het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek met Van Slogteren als directeur. Het was waarschijnlijk om iets goed te maken dat Ernst zich op 4 oktober 1939 liet benoemen tot lid van de Commissie van Toezicht bij de school. Een jaar later werd hij voorzitter. Hij zou het blijven tot half april 1949.

Een Ernstig Woord

Januari 1922 stelde Krelage een informeel overleg in tussen de AVB, de Bond van  Boembollenhandelaren en het Hollandsch Bloembollenkweekers Genootschap, HBG. Dat werd het Centraal Bloembollen Comité, CBC. Uiteraard was Ernst voorzitter. Dat CBC werd, na het verschijnen van het manifest ‘Een Ernstig Woord’ verder uitgebouwd. Dat manifest, geschreven door Van Slogteren samen met vooraanstaande vakgenoten (onder leiding van C. Grullemans uit Lisse) was een pleidooi voor meer geld voor het wetenschappelijk onderzoek. Men pleitte voor het instellen van een fonds waarin per roe geteelde bollen twee cent zou worden gestort, het twee-cent-per-roe-fonds. Het kreeg brede ondersteuning. Het fonds werd niet alleen bestemd voor wetenschappelijk onderzoek maar ook voor onpersoonlijke reclame. 1971 was het laatste jaar dat het CBC als zodanig functioneerde. Toen ging ruim 2,5 miljoen gulden naar het wetenschappelijk onderzoek en ruim 8 miljoen naar de onpersoonlijke reclame. Na 1971 erodeerde de succesvolle samenwerking. Had men maar van de geschiedenis geleerd, weer ‘Een Ernstig Woord’ geschreven, een CBC nieuwe stijl opgetuigd. Dan was er misschien meer geld voor onderzoek gebleven. Een samenhangende overkoepeling en een gedeelde visie op de toekomst van de bloembollensector worden gemist. Door deze gemiste kansen is helaas de toekomst van het vak op het spel gezet, en lijkt er zich niemand druk om te maken…■

Maarten Timmer

Het boek Ernst Kralage van Maarten Timmer

Van jongs af aan is Maarten Timmer bekend met de bollenteelt. Na zijn studie werkte hij als onderzoeker bij het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek. Sinds zijn pensionering is hij intensief bezig met historisch onderzoek naar de tuinbouw, in het bijzonder naar de bloembollenteelt. Daar publiceert hij ook over. Zo verscheen over Ernst Heinrich Krelage (1869-1956) een werk in 2 delen. Krelage was een bekende Haarlemmer en een van de grondleggers van de moderne bloembollensector in Nederland.

Maarten Timmer

EEN OUDER D’EVER?

Op een luchtfoto in een van de vorige Nieuwsbladen waren  op zo’n 400 m. ten zuidoosten van Dever plekken in het gras te zien, die mogelijk duiden op bebouwing in vroegere tijden. Archeologische amtenaren  van de HLT-samen  zijn enthousiast om nader onderzoek te faciliteren. Het terrein is van STEK en de dijk van het Hoogheemraadschap Rijnland. Overleg volgt.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Gebeurt er nog wat met die vondst van dat verdorde lijnenspel in die nog groene weide? Of raakt het in de vergetelheid? Na die vraag werd ik uitgenodigd om eens kennis te maken met de mensen die voor HLT-samen de dingen op archeologisch gebied in goede banen proberen te leiden.
Folckert van de Veen hoofdbeheerder van D’Ever en tevens afgestudeerd archeoloog had ik gevraagd om mee te gaan. Dat deed hij natuurlijk. Zo waren de twee beheerders van het “Nieuwe D’Ever” bezig om dat “Oudere D’Ever” onder de aandacht en boven het maaiveld te krijgen. Men vertelde ons dat er wel degelijk veel enthousiasme was om te komen tot een verkennend onderzoek bij de archeologische vindplaats. Met zo een vooronderzoek wordt geen schade aangebracht in de vindplek. Wij hopen dat de gesprekken die men wil voeren met het STEK-bestuur positief zullen verlopen. Het gebied D’Ever-Zuid en Geestwater waar bouwplannen voor zijn is
in eigendom van STEK. Het dijklichaam van de Poelpolder valt onder Hoogheemraadschap. Voordat we daar ook maar iets kunnen doen willen we op een goede manier met beide partijen samenwerken. Één van de planologische voorstellen laat op de archeologische vindplek een parkachtige situatie zien. Wat zou het mooi zijn als we in dat park kunnen zien wat er heel vroeger kan hebben gestaan. Wij hopen dan ook dat we bij de volgende meeting in juni een positief geluid mogen horen.

Wordt vervolgd.

Veldnamen in Lisse

door A. de Koning

25 november 2018

VELDNAMEN ZO ALS VAN OUDS GEBRUIKT IN LISSE

BEEKCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO Broekweg, ZW Bredeweg, NW Lisserbeek, NO wed. Adriaen Willems.

BENTCAMP: gelegen in de Lisserbroek

BOODCAMP: gelegen in de Lisserbroek.

BOSCAMP: ZO de Cruijsweg, NW de Schouwbeek

CALFCAMP: gelegen in de Lisserbroek

CRUIJSCAMP:

DONKERE CAMP:

GARSTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO de Schouwsloot, ZW de Kwadeweg, NW de Broekweg

GEESTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
NW de Broekweg

GERRIT AVENWEG: noordelijke grens Lisse – Hillegom

GREVELINGCAMP: gelegen in de Roversbroek

HELLECAMP: gelegen in de Sassemerbroek
3 morgen land gelegen op Hellegat, NO Gravewater

HONGERCAMP: gelegen achter het Huijs te Lisse

KOECAMP: gelegen in de Lageveen

LOOSTERCAMP: 13 ½ hont land in de Mosveen

MIDDELWEIJ:gelegen in de Lageveen

NESSE VAN DE PASTORIE VAN LISSE: ZO de Lisserbroekweg

POELCAMP:

SANT TOOM:gelegen op Hellegat

SMALLE CAMP: gelegen bij de Broekweg

SMALLECAMP:

SIJMON WITZESCAMP:

VENNETGEN: gelegen in Oosteinde

ZWADDELCAMP: gelegen in Sassemerbroek

 

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

door A. de Koning

29 oktober 2018

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

Wander Johannes de Haas, natuurkundige, geboren in Lisse op 2 Maart 1878 en overleden in Bilthoven op 26 April 1960. Zoon van Albertus de Haas, hoofd van de Middelburgse Rijksleerschool, en Maria Efting. Gehuwd op 22 December 1910 in Leiden met Geertruida Luberta Lorentz, geboren in 1885 in Leiden, dochter van Hendrik Antoon Lorentz en Aletta Catharina Kaiser. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

De Haas doorliep de lagere school en de HBS te Middelburg en ving in 1895 een studie voor kandidaat-notaris aan. Na van het examen twee van de drie onderdelen te hebben afgelegd en enige tijd werkzaam te zijn geweest op een notariskantoor, besloot hij alsnog natuurkunde te gaan studeren, waartoe het vereiste staatsexamen werd afgelegd. In 1900 begon zijn studie te Leiden.
Van 1905 tot 1911 was De Haas als assistent verbonden aan het natuurkundig laboratorium bij H. Kamerlingh Onnes en J.P. Kuenen. Ondertussen legde hij op 10 maart 1910 het doctoraal examen af.
Van 1911 tot 1913 werkte hij als assistent bij prof. H.E.J.G. du Bois op het Bosscha-Laboratorium in Berlijn. In deze periode vond op 11 juli 1912 zijn promotie bij Kamerlingh Onnes plaats op een proefschrift, getiteld Metingen over de compressibiliteit van waterstof, in hel bijzonder van water stofdamp bijen beneden het kookpunt. In dat zelfde jaar heeft De Haas, samen met P. Drapier een vernuftige methode bedacht voor de bepaling van de diamagnetische susceptibiliteit van water. Het resultaat behoort tot de standaardbepalingen van deze grootheid. Van 1913 tot 1915 werkte hij als ‘wissenschaftlicher Mitarbeiter’ aan de Physikalisch Technische Reichsanstalt, eveneens in Berlijn.

In verband met de Eerste Wereldoorlog verliet De Haas Duitsland en werd in het cursusjaar 1915-1916 leraar in de natuurkunde aan de HBS en het gymnasium te Deventer. In 1916 kwam daarop de aanstelling tot conservator aan het natuurkundig laboratorum van Teyler’s Stichting in Haarlem, waar prof. H.A. Lorentz toen curator was.

Reeds in 1915 begon De Haas met Einstein een onderzoek, dat het bewijs moest leveren van het bestaan van de moleculaire stroompjes van Ampère, aanleiding gevende tot permanente moleculaire magneetjes. Deze proeven leidden tot wat tegenwoordig het Einstein-De Haas-effect wordt genoemd. Doordat met het magnetisch moment, het gevolg van een rondlopend stroompje, noodzakelijkerwijze ook een mechanisch draaimoment moet zijn verbonden, zal een ferro- of paramagnetische stof, waarvan het magnetisch moment verandert, ook een hiermee evenredige impuls-momentverandering ondergaan; bij de betreffende proef wordt een cilindertje van de magnetische stof opgehangen in een wisselend magneetveld evenwijdig aan de cilinderas.
Als gevolg hiervan gaat het cilindertje schommelingen om de as uitvoeren in hetzelfde ritme als het wisselende veld. Om dit zeer zwakke effect waarneembaar te maken diende de frequentie van het wisselende veld gelijk te worden genomen aan de eigen torsieslingertijd van het cilindertje aan zijn ophangdraad. Naar aanleiding van deze subtiele proeven werd door de Weense Academie van Wetenschappen in 1917 aan Einstein en De Haas de Baumgärtnerprijs verleend.

In hetzelfde jaar werd De Haas benoemd tot hoogleraar in de theoretische en toegepaste natuurkunde aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij zijn ambt aanvaardde met een rede over Het magnetisme. Een professoraat aan de Universiteit van Groningen werd in 1922 aanvaard met een oratie, getiteld Grepen uit den ontwikkelingsgang der atoomtheorie.
Op grond van zijn wetenschappelijke werk werd hij op 23 mei 1922 gekozen tot lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en in 1923 tot lid van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen. Op 3 december 1924 volgde zijn ordinariaat in de natuurkunde en de meteorologie aan de Leidse Universiteit met een intreerede over Electrische en andere stroomen.

Als opvolgers van Kamerlingh Onnes en Kuenen hebben De Haas en de in 1923 benoemde W.H. Keesom tot na de Tweede Wereldoorlog het – sinds 15 maart 1932 (ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van de grote magneet van het laboratorium) naar Kamerlingh Onnes genoemde natuurkundig laboratorium geleid. Het werd in twee afdelingen gesplitst: afdeling I onder Keesom met voornamelijk thermodynamische onderzoekingen en afdeling II onder De Haas, waar hoofdzakelijk werd gewerkt aan elektrische en magnetische verschijnselen. Tot 1923 was Leiden de enige plaats ter wereld waar helium vloeibaar kon worden gemaakt en de ermee te bereiken zeer lage temperaturen beschikbaar waren. Kamerlingh Onnes en daarna zowel Keesom als De Haas hebben op voortreffelijke wijze van de mogelijkheden gebruik gemaakt en op vele gebieden der lage temperatuur fysica prachtig pionierswerk verricht. Ook kwamen vele buitenlandse geleerden onderzoekingen verrichten in Leiden, dat zodoende een centrum werd van het natuurkundig onderzoek bij lage temperaturen. De Haas behoorde in de eerste helft van deze eeuw, ondanks zijn zwakke gezondheid (o.a. verbleef hij al voor de Eerste Wereldoorlog geruime tijd in een sanatorium in Putten), tot de belangrijke lage temperatuur fysici.

Hoewel het hier niet de plaats is om uitgebreid in te gaan op het wetenschappelijk onderzoek van De Haas, moeten er toch enkele opmerkingen over worden gemaakt, o.a. om uit te doen komen, van welk een opmerkelijke gevarieerdheid dit was. Hoewel het werk vrijwel steeds werd verricht in samen werking met een of meer medewerkers, buitenlandse onderzoekers of leerlingen, van wie de bijdrage soms van overwegende, soms van ondergeschikte aard was, moet zijn eigen invloed zeker niet worden onderschat. Hij wist zijn medewerkers te inspireren en door zijn opmerkingen tot resultaten te leiden, die zonder zijn fysisch inzicht waarschijnlijk niet zouden zijn verkregen.
De namen van deze medewerkers zullen hier op een enkele na niet worden genoemd; zij kunnen in de publikaties worden gevonden. Vele onderzoekingen werden verricht op het gebied van het magnetisme. De paramagnetische metingen gaven een duidelijker beeld dan tevoren over de atoombouw en de wisselwerking der magnetische momenten der ionen in kristallen met hun omgeving. Deze onderzoekingen leidden o.a. in 1932 tot de proeven over adiabatische demagnetisatie, samen met E.C. Wiersma, volgens een door P.J.W. Debije en W.F. Giauque aangegeven methode. Bij deze proeven werden temperaturen verkregen in het millikelvin gebied. Gedurende enkele jaren werden deze bijzonder lage temperaturen alleen in het laboratorium van De Haas gerealiseerd. Hierbij werden weer diverse eigenschappen der betreffende zouten onderzocht. Zeer sterke, kort durende magneetvelden werden door kort durende stromen verkregen. Magnetisatie van paramagnetische verbindingen geeft aanleiding tot magnetorotatie, draaiing van het polarisatievlak van een lineair gepolariseerde lichtstraal. Prof. J. Becquerel uit Parijs heeft samen met De Haas vele zeer nauwkeurige metingen op dit gebied verricht. Zo werd de theoretisch voorspelde evenredigheid tussen paramagnetische susceptibiliteit en magnetorotatie (constante van Verdet) bevestigd. Samen met de Russische fysicus L. Schubnikow werd de invloed van een magneetveld op de weerstand van bismut, o.a. in afhankelijkheid van de richting van dit veld, onderzocht (Schubnikow-De Haas-effect). Deze metingen hingen ook samen met het zoeken naar relaties tussen elektrisch geleidingsvermogen en diamagnetische susceptibiliteit. Op het gebied van het diamagnetisme werd het De Haas-Van Alphen-effect gevonden, nog altijd van veel belang voor het inzicht in de elektronenstructuur der metalen. Bij de warmtegeleiding was het mogelijk in bismut de bijdragen van de elektronen en het rooster te scheiden met behulp van een magnetisch veld en werd o.a. het vormeffect gevonden.
Bij de elektriciteitsgeleiding werd bij een aantal metalen een minimum in de weerstand aangetroffen, tegenwoordig bekend als Kondo-effect naar degeen die een theoretische verklaring gaf. Veel onderzoekingen werden ook verricht in het gebied van de supergeleiding, o.a. de indringing van een magnetisch veld in supergeleiders. Met duurproeven van een aantal dagen over de sterkte van een kringstroom resp. van de diamagnetische susceptibiliteit werd de maximaal mogelijke waarde van een eventuele weerstand van een supergeleider resp. van de elektronen in hun banen in bismut tot een uiterst lage waarde teruggebracht.

De Haas’ wetenschappelijke kwaliteiten vonden zowel in binnen- als buitenland erkenning. Zo werd hij in 1921 en 1930 uitgenodigd voor het Solvay Congres en in 1932 om als ruilhoogleraar colleges te geven in Brussel, waar men hem de eremedaille van de Vrije Universiteit toekende. In 1934 ontving hij de gouden Rumford medaille van de Royal Society in Londen. De Haas was membre honorair van de Société française de physique. Als Scott lecturer hield hij in 1937 een aantal voordrachten aan de Universiteit van Cambridge. In dat zelfde jaar ontving hij ook zijn benoeming tot corresponderend lid van de Academie van Technische Wetenschappen van de Universiteit van Warschau en in het jaar daarop van de Franse Academie van Wetenschappen. Zijn voorkeur ging overigens niet uit naar grote wetenschappelijke bijeenkomsten, zoals congressen, die hij dan ook vrijwel nooit bezocht.

De Haas had een sterk gevoel voor humor en in het natuurkundig onderzoekingswerk speelde zijn intuïtieve visie een belangrijke rol. Zijn ideeën getuigden vaak van een grote oorspronkelijkheid. Dikwijls kwam hij op ongebruikelijke uren in zijn werkkamer om samen met een amanuensis allerlei onderzoekingen te doen. Maar hij liet zich nooit verleiden om onvoldoend geverifieerde metingen te publiceren. Ook t.a.v. de nauwkeurigheid van de onder zijn leiding door zijn medewerkers verrichtte metingen had hij een zeer kritische instelling en pas nadat allerlei fouten in bronnen waren nagegaan en de metingen eventueel waren herhaald om de reproduceerbaarheid te controleren, mocht tot publikatie worden overgegaan.

Zijn intuïtie bracht hem er o.a. toe, de Nederlandse regering in 1939 te adviseren, een hoeveelheid uraniumoxide, die op de markt verscheen, te kopen, welk advies werd opgevolgd. Gedurende de oorlog kon deze aankoop in een Delfts laboratorium verborgen worden gehouden en na de bevrijding werd hiermee de grondslag gelegd voor de Noors -Nederlandse samenwerking op het gebied van de kernenergie. Voor het ‘Joint Establishment for Nuclear Energy Research’ in Kjeller leverde Nederland het uranium, Noorwegen het zware water.

Gedurende de oorlog onderhield De Haas, enerzijds om iets over de activiteiten van de bezetters te weten te komen, anderzijds om zich een grotere bewegingsvrijheid, ook buiten Nederland, te verschaffen, relaties met de voor de Duitsers werkende organisatie Cellastic, die zich o.a. met de verrijking van uranium bezighield. Van deze bewegingsvrijheid heeft hij met zijn echtgenote gebruik gemaakt om via Zwitserland naar Engeland te ontsnappen. Na de oorlog veroorzaakte de ‘operation Cellastic’ ook voor De Haas enige opspraak. Hij diende zijn hoogleraarfunctie van 18 juni tot 19 oktober 1945 voor een nader onderzoek te staken, maar kon daarna tot zijn emeritaat op 20 september 1948 zijn ambt ongemoeid uitoefenen.

De waardering en bewondering, die De Haas ook na de oorlog ondervond, waren behalve aan zijn wetenschappelijke verdiensten mede aan zijn karakter en persoonlijkheid te danken. Ook buiten de natuurkunde had hij een zeer brede belangstelling. Zijn sociale bewogenheid kwam o.a. tot uitdrukking in zijn houding t.o.v. de leerlingen van de Leidse Instrumentmakerschool. Van 1926 tot 1951 was hij voorzitter van de Vereniging tot bevordering van de opleiding tot Instrumentmaker, die deze school beheert. Voor zijn gezin en ook voor degenen, die onder zijn leiding werkten had hij een groot verantwoordelijkheidsgevoel; voor velen van zijn leerlingen trad hij niet slechts als leermeester, maar evenzeer als vriend en helper op.

Vanaf zijn studententijd heeft De Haas een zwakke gezondheid gehad en hij kon dan ook vaak niet op zijn laboratorium zijn. Maar hij was grenzeloos toegewijd aan de wetenschap, de Leidse Universiteit en vooral het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Ook als hij ziek thuis was, bleven de problemen van zijn medewerkers – naar eigen zeggen – hem geen tien minuten uit zijn gedachten. Dat De Haas, ondanks zijn vele kwalen, zo veel wetenschappelijk werk van hoog niveau heeft kunnen doen, dankte hij ook aan de voortdurende zorgen van zijn vrouw. Om zijn warme, originele persoonlijkheid en zijn toewijding droegen zijn vele assistenten en leerlingen hem op handen.

HET KAN VRIEZEN EN HET KAN DOOIEN

Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal strenge winters in de eerste helft van de twintigste eeuw.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Al winterkriebels? Een gezegde luidt: Is oktober warm en fijn, het zal een scherpe winter zijn, maar is het nat en koel, ’t is van een zachte winter een voorgevoel. Dat belooft wat! Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal van die strenge winters.

Koos Groen in ‘t Woud

Wie was Koos Groen in ’t Woud

Koos groeide op aan de Lisserdijk. Het huis staat er nog, onderaan de dijk bij restaurant Puck. Drie broers had hij, bonken van kerels en daarom geschikt voor het zware veenwerk. Zelf was hij een klein ventje, ongeschikt voor dat werk, dus maar naar de ulo voor een kantoorbaan. Zo begon hij, als 18-jarige in 1922 bij de Hobaho en na 4 jaar bij de H.B.G. aan de Gracht. Tegen hetzelfde salaris als bij de concurrent, nl. 960 gulden per jaar. Bij de H.B.G. werkte hij tot zijn vroege dood in 1950. Zijn dagboek en zijn fotoalbums worden gekoesterd door dochter Ina van Leeuwen, zelf inmiddels op de leeftijd der zeer sterken. Koos beschrijft strenge winters in de eerste helft van de 20e eeuw. Daar worden stukken van weergegeven. Om het tijdsbeeld een beetje extra te duiden zijn wat inleidende teksten toegevoegd. De liefde voor schaatsen had Koos niet van een vreemde. Zijn vader, ook Koos, was in 1914 een van de oprichters van de ijsclub “Kagermeer”. Koos jr. kwam na zijn huwelijk in 1930 op de Broekweg in Lisse te wonen.

De winter van 1916/1917

Op internet is een leuke film “Holland in ijs – 1917” te zien. Houten schaatsen, kinderen op klompen, priksleeën, klederdrachten, hoeden, petten, wollen kousen, nog veel scheepvaart. De film geeft een mooi sfeerbeeld van ijsplezier 100 jaar geleden. Ook in onze omgeving heerst ijskoorts. Een ijsbaan wordt sneeuwvrij gemaakt bij de Hellegatsmolen. Een groentekist met blokjes om de afstanden uit te zetten staat klaar. Maar wanneer dat aan de beurt is blijkt de kist verdwenen. Opgestookt in een kachel. Nederland was dan wel neutraal, maar de Grote Oorlog bracht ook hier brandstof- en voedseltekorten en armoede met zich mee.

Uit het dagboek

Op 16 januari werd onze grootmoeder begraven en toen was het al zeer koud met bovenwind. Alle vaarten en meren zijn toen sterk geworden. Zoo reden er auto’s, wagens links en rechts over het Kagermeer. De winter duurde toen wekenlang en wel ongeveer de geheele maand februari uit. Op een nacht vroor het 23o wat wel de strengsten vorst was in dien winter. Dooi kwam eindelijk en zonder regen of wind is het ijs vergaan.

De winter van 1921-1922

De schoolkinderen uit de Buitenkaag gingen in deze tijd meestal naar school in Sassenheim, door weer en wind, over de Sassemerpont en dan lopend over de 3e Poellaan verder naar school. Ook onze dagboekschrijver ging in Sassenheim naar school. Mensen waren indertijd veel meer met het weer bezig. De Enkhuizer Almanak wordt vaak geraadpleegd. Nov. ‘21 stond in het Leidsch Dagblad een stuk met allerlei weerwijsheden. Zoals “Wanneer Kerstmis op Zondag valt, dan volgt er een zwakke winter, wanneer Kerstmis op Maandag valt enz. enz”. In 1921 viel Kerstmis op zondag. Het dagboek laat van de voorspelling weinig heel. In 2018 valt Kerst op dinsdag en volgens het krantenbericht is het “Valt Kerstmis op Dinsdag dan is de winter zeer koud” . Daarentegen voorspelt de Enkhuizer Almanak geen strenge winter. We zullen zien. Terug in de tijd een deel uit het dagboek .

Uit het dagboek

De winter van 1921-1922 was ook streng te noemen en kwam verschillende malen in een periode terug. Begin Nov. begon het te vriezen. Den 28en November hebben we toen al schaatsen gereden. 4 Dec. waren er al 2 arren op het ijs achter de Binnen-Kaag. Ik kan mij nog heel goed herinneren hoe mooi toen het ijs was. Ik ben toen over de geheele Kagerplassen gereden en op sommige plaatsen was het ijs zoo zwart en doorschijnend dat men de visschen zag zwemmen en ook andere waterbewoners zooals torren enz. Op ondiepe plaatsen zag men den bodem. Het was een eng rijden, want het geleek alsof er geen ijs lag, zoo glad en hard was het. 2 Febr. was het ijs bijna weg. Den geheelen dag regende het zeer hard met een binnen wind. Langs deze kant van het Faljerel hadden nog geen booten gevaren. Toen zeilde een schipper met zijn schuit er het eerst door want er zat nog maar een dun laagje ijs. ‘s Middags draaide de wind en ’s avonds vroor het weer. Dien nacht jachtsneeuwde het en den volgenden morgen vroor het ontzettend. Woensdag 15 Febr. dooide het en ’s avonds kladsneeuwde het uit het Zuiden. Op 5 April sneeuwde het den heelen middag. ’s Morgens alles onder 1d.M. sneeuw. Op goeden Vrijdag 14 April was de eerste zoele dag. Boomen en gras, alles was nog kaal.

De winter van 1928/1929

Begin maart 1929. Tussen de wedstrijden door is er tijd voor koek en zopie, tijdens de nationale ringrijders wedstrijden. De man in het midden met hoed is Koos Groen in ‘t Woud.

Het waren goede tijden voor de bollenteelt. De H.B.G. bood in oktober een diner aan omdat een recordomzet van 1.500.000 gulden was bereikt. Het seizoen bood volop werk, maar voor wie in de wintermaanden geen werk had werd het sappelen. IJspret is heerlijk, maar zo’n lange winter is eendrama voor wie thuis kwam te zitten. Bijverdienen als baanveger was zeer welkom. Er waren ook speciale wedstrijden voor behoeftigen. De ijsclub organiseerde in Lisse 2 wedstrijden voor hen, goed voor 700 gulden aan levensmiddelen en kleren als prijzengeld.

Uit het dagboek

 

De 180 meter hardrijden was spannend tot aan de meet bij het Leeghwater gemaal.

Dit is de winter die alle records van de laatste jaren heeft geslagen. In deze periode zijn alle koudste temperaturen overtroffen en is de veelbesproken winter van 1891 verslagen. Op Nieuwjaarsdag is het begonnen met vriezen, zoodat op 6 Januari voor het eerst op slooten en tochten werd gereden. Het was in het eerste begin erg kwakkelig. Als het ijs goed was begon het weer te dooien en dan weer te vriezen. Op 8 Jan. was het mistig, vriezend weer. ’s Nachts kwamen wij van de soirée bij v. Eerden (de Nachtegaal) en toen was alles dik onder den ijzel. 10 Jan. ben ik op Keukenhof geweest om naar de ijzel te zien. Het was een onvergetelijk gezicht als men hier vanaf den Achterweg naar Keukenhof ging. Alles was zoo zeldzaam mooi.

Zwieren en zwaaien of liever schoonrijden bij de Hellegatsmolen. Onder de armen door is de Grote Poelmolen te zien. De wedstrijden waren zo een beetje daar waar wel vijf gemeenten hun grenzen kruisten. Lisse, Warmond, Sassenheim, Binnen/Buiten Kaag en Abbenes, een soort vijf landen punt.

Vooral de Spekkelaan was mooi. En ook in het bosch de diverse groepen boomen en dennen en hagen enz. 12 Jan. was er hardrijden op de Gracht. Na afloop reden de drie beste Sassenheimers tegen de beste Lissers. De Sassenheimers wonnen alle drie. 18 Jan. is er hardgereden in de Binnen-Kaag. De baan was van Bart Loogman naar Lombok (eilandje). Het ijs was met een dikke laag sneeuw bedekt. Het was nog zoo dun dat als er 5 á 6 personen bij elkaar stonden, het begon te kraken van nog eens zoo. De gevolgen bleven dan ook niet uit. De geheele ijsbaan liep onder water. 31 Jan. ben ik naar een uitvoering in de Binnen-Kaag geweest. Het zat daar zo vol drijfijs dat Verhoog zijn pont naar Tromp gesleept had en probeerde de menschen zonder draad over te zetten. Maar het ging niet. ’s Nachts waren wij bij de eerste pontlading. Wij zaten midden op het Kanaal en ik dacht dat wij nooit meer aan den kant zouden komen, maar wij kwamen toch aan wal. Nu krijgen wij de befaamde koudegolf van Zondag 10 Febr. tot Zaterdag 16 Febr. 10 Feb. den geheelen dag vriezend. s’Nachts harder dan in de laatste 35 jaar. Men sprak dat er 7 cM. ijs gevormd was. In dezen nacht is de groote Bloemententoonstelling bevroren. Deze werd gehouden bij gelegenheid van het 50 j. bestaan der Alg. ver.v.Bl. Cult. in H.B.G. Alle bloemen hingen slap. Vele konden het nog ophalen maar veel moest vernieuwd worden. Alle palmen welke de zaal opsierden waren weg en dit was een waarde van 4 á 5000 gulden. 11/12 Febr. is het Leidsche stadhuis afgebrand. De brandweerlieden werden levende ijspoppen. Alles bevriest binnenshuis. De lucht blijft helder en sterken boven wind. Woensdag 13 Febr. geraakte nog een 7 tal personen in een open slob bij de Binnen-Kaag. Alle werden gered. Dat dit slob nog open was kwam omdat daar Zondags een busboot gedraaid was en dat gat ging door den sterken wind niet dicht al vroor het nog zoo hard. Donderdag begint het uit het Zuiden fijn te sneeuwen. De sneeuw was zoo fijn als stof en schitterend. Vrijdag 15 febr. sneeuwstorm. Geen weer om schaatsen te rijden. 18 Febr. was het hardrijden voor de armen. 20 Febr. ging ik ’s avonds om 8 uur in de lichte sneeuw naar Warmond. Daar was het gecostumeerd ijsfeest op de Leede. Er was veel volk op het ijs. Onderweg reden de auto’s en fietsen met licht op, op het ijs voorbij. Het was helder vriezend weer. Op ons kantoor uit den wind, in de zon en de kachel full speed brandend, bleven de bloemen op de ramen staan tot 12 uur. ’s Avonds als de zon zakte kwamen ze er weer op. Alle huizen hadden de dikste bloemen op de ramen, den geheelen dag. Verschillende malen werd men wakker van de kou. Toch sliep ik onder 6 dekens, plus jassen enz. ’s Morgens naar Lisse op de fiets had ik mijn geheele gezicht in een wollen sjaal waar steeds een plakkaat ijs op zat. Soms moest ik van de fiets om mijn handen te beuken, bang dat ik was dat de vingers bevroren. De lucht was zoo ijl dat men op de fiets naar zijn adem hijgde. De tranen die uit de oogen vielen bleven als ijs op het gezicht zitten. In verschillende steden in Holland zetten de gemeentebesturen kachels en stookplaatsen in de openlucht. Ook werden op verschillende plaatsen groote hoeveelheden warme maaltijden verschaft aan arme menschen, zoo b.v. door de Vincentius ver. welke groote ketels erwtensoep kookte en groote hoeveelheden grauwe erwten met spek. Verschillende bloemisten hielden hardrijderijen voor hun personeel en stelden daarvoor geld beschikbaar. De dooi is langzaam ingetreden, zonder wind of regen. 7 Maart gingen de eerste booten er door en ruim een week later zag je geen ijs meer. We hadden dezen winter 2 maal lichte maan, en met de 3e maan zat er nog van het oude ijs, hier en daar. 19 Maart waren de boomen om elf uur nog wit van den ijzel. 17 April eerste mooie dag. Zondag 28 April ben ik in de Roversbroek wezen kijken naar de bevroren bollen. Verschillende hoeken narcissen zijn geheel weg. Bij de een alles, bij de ander zoo goed als niets. Crocussen ook veel geleden, vooral gele. Tulpen minder last. Het kweekersblad verzameld opgaven van de schade om een overzicht samen te stellen.

Winter 1938/1939

Vrouw en dochters van Koos, in de sneeuw. Waar? 23-12-1938

Nog steeds veel werkloosheid in Nederland. Het is een onzekere tijd. De spanningen in de wereld lopen op. Duitsland beleeft in november de Kristallnacht. Vanwege de Sudetenkwestie was er in Nederland al een gedeeltelijke mobilisatie, maar Nederland hoopte neutraal te kunnen blijven.

Uit het dagboek

Op Vrijdag 16 Dec. begon het met sterken wind te vriezen. 21 dec. begon het te sneeuwen. Volgens de krant is de koude periode bijna even streng geweest als in 1929.

Er is ontzaglijk veel bevroren omdat de vorst onverwacht kwam en ook omdat er door strenge wind niets tegen te doen was. Bijna overal was de waterleiding en wc bevroren. 1e Kerstdag prachtig winterweer, alles wit en zonnig. 2e kerstdag is het ’s avonds gaan dooien met natte sneeuw. Nadien heeft het niet meer gewinterd.

Winter 1939/1940 Oorlogsdreiging.

Januari 1940 auto gestrand bij het Kager viaduct

Veel economische problemen door de crisis. In Lisse zijn vanwege de mobilisatie soldaten gelegerd.

Uit het dagboek

De vorstperiode is thans begonnen op 15 Dec. Zondag 17 Dec. met sterken vorst, was precies dezelfde datum als de koude Zondag van vorig jaar. Heden zijn de sloten reeds sterk en wordt geschaatst. Zaterdag 23 Dec. koud weer en hardrijden voor de armen. De soldaten uit de Noord winnen gemakkelijk van de Lissers. 1 en 2 Jan helder vriezend zoodat de Gracht en de ringsloten sterk zijn en de ijsbaan de 2e maal geopend werd. Zondag 28 Jan. ben ik naar de Kaag gewandeld. De Lisserdijk was buiten de huizen onbegaanbaar van de sneeuw. Op sommige plaatsen 1M. hoog. Deze sneeuw is uit de Meer opgewaaid en de dijk is totaal onbegaanbaar voor alle verkeer. Er wordt nu in bijten veel paling en visch gevangen. Deze zijn geheel versuft.Bij de Sassemerpont vangt men wel 20 pond paling achter elkaar. 1 Febr. wind N.O. Het ijzelt den geheelen dag bij 8o vorst, zoodat de wegen totaal onbegaanbaar zijn. Op 4 Feb. stonden bij de dooi alle straten blank omdat de rioolputten bevroren waren en vol met sneeuw. Sloten en vaarten waren allen met de kanten gelijk vol met sneeuw. Onder die dikke sneeuw was het ijs soms verraderlijk zwak, zoodat er slechts enkele cm. ijs over was geschoten. Dit kwam veel door het spuien en omdat het onder die dikke sneeuw weg dooide. Alle menschen probeerden om zoo goed mogelijk de sneeuw voor hun huis op te ruimen en de putten open te steken. Want van rijkswege mochten geen werkloozen aan de sneeuwopruiming gezet worden. 21 Febr. valt een sterken dooi in. Thans worden alle daken en landerijen weer zwart. Het is een buitengewoon lange en strenge winter geweest die alle records sloeg. Toch was er weinig pleizier voor de schaatsenrijders. De soldaten welke in Lisse lagen hadden een kwaden winter met hun wachtloopen ’s nachts en in hun slaapkwartieren.

Winter 1940/1941

Nederland was bezet, maar die eerste oorlogsperiode voerde de bezetter nog een voorzichtig beleid. Het leven ging nog min of meer zijn oude gang.

Uit het dagboek

Deze winter heeft ook veel ijs en sneeuw gebracht, doch was afwisselend vorst en dooi. De Lisser ijsbaan werd 4 keer geopend. Op 10 Jan. heb ik op het Kagermeer gereden en was alles prachtig onder de rijp. Geregeld kwam nog nachtvorst voor in Maart en sterke nachtvorst op 8 en 9 April. Op 15 en 16 Mei hagelbuien en veel sterke nachtvorst. Na half Mei is het weer geleidelijk zachter geworden. Met Pinksteren op 1 en 2 Juni de kachel gestookt.

Jan. feb. maart 1942

Opnieuw een oorlogsjaar. De Duitse maatregelen worden steeds strenger, het leven steeds moeilijker.

Uit het dagboek

Deze winter heeft de kroon gespannen van de laatste jaren en was in koude en sneeuw van langen duur de ergste van de laatste jaren. Zondag nacht 25 Jan. weer veel jachtsneeuw gevallen. Maandagnacht en overdag geheelen dag sneeuwjacht met een vorst van – 14o. Het is boosaardig koud en bijna ondoenlijk om de deur uit te gaan. De sneeuw ligt op plaatsen 1 M. hoog. Alle wegen zijn versperd, geen tram geen auto rijdt meer en melk is niet meer te bekomen, tenzij bij de boeren die thans uit de deur mogen verkoopen. De geheele week zijn werkloozen aan het sneeuwruimen hetgeen geschiedt door de heide maatschapij. Het heeft onafgebroken gevroren van 9 Jan. tot 13 Mrt. Op 23 maart is op de Braasemermeer met een ijsschuit gezeild. In deze schuit was de datum 21/3-1890 gegrift, welke nu met 2 dagen werd geslagen. Het vroor door het geheele huis, in de gang vroor de wasch stijf, in de keuken vroor het ’s morgens 7 graden. Het ijs zat in de slaapkamer aan de muren. De Gracht in Lisse werd 23 Mrt opengebroken. Nog 10 c.M. dik. In de poorten van de H.B.G. gebouwen lag de sneeuw in de schaduw tot en met Paschen op 5 april. Bieten en wortelenpetten benevens de meeste aardappelpetten waren bevroren.

Recordwinter 1946-1947

Nederland is bevrijd, er wordt begonnen met de opbouw, maar er is nog gebrek aan van alles. Veel is nog op de bon.

Uit het dagboek

Zus Cora op de Lisserdijk vlakbij het huis van haar opa en oma. Ongeveer daar waar nu restaurant Puck is

We moeten volgens de gegevens teruggaan tot 1789 om de winter te vinden welke dezen in langen duur en hevigheid overtrof. Er zijn dezen winter geen uitzonderlijk lage temperaturen voorgekomen zodat de strenge vorsten van 1940 en 1942 niet geëvenaard zijn. Maar de duur van den winter is bijzonder lang geweest. Begonnen op 14 Dec. tot heden 16 Mrt. De kolennood is groot geweest. Tot heden is verstrekt op de bonnen 10 H.L. brandstof waar velen al te spoedig door waren. Honger is er niet geleden, want er is brood en eten genoeg. Op de feestavond van Canite Tuba op 29 Jan. was het zeer koud. De uitvoering van de zangver. de operette De Klokken van Corneville werden in de Hobaho gehouden bij strenge koude. De menschen gingen op klompen en pantoffels en namen warme voetenkruiken en dekens mee.

Eindelijk de dooi, minder mooi die zooi, daar op de Broekweg . We kijken vanaf het huis van de familie Groen in ‘t Woud richting de Greveling, rechts zie je de Zemelpoldermolen.

Mijn aardappelpet heb ik op 11 maart opengebroken, de piepers waren niet bevroren. De pet was goed afgedekt en buiten een flinke laag riet en stengels van mais en tabak.

Dit is de laatste winter die in het dagboek, waaruit we steeds gedeeltes hebben overgenomen, is beschreven. Wat zou ons de komende winter te wachten staan? We moeten 22 december in de gaten houden. Dan is het volle maan en een volkswijsheid zegt “Noordenwind met volle maan kondigt een strenge winter aan.” Mocht het streng worden, wij hebben thermo ondergoed in plaats van lange Jaeger onderbroeken en borstrokken, we hebben geïsoleerde huizen en bloemen op de ramen zijn verleden tijd. Door de supermarkt deert een bevroren petgat niet meer. Wat zou het leuk zijn om weer eens te genieten van zwart doorschijnend ijs en een zo zeldzaam mooi beijzelde Spekkelaan! ‘t Kan vriezen en ‘t kan dooien. Bronvermelding: We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt. De introfoto komt uit het archief van VOL.

Het handigste vervoersmiddel was bij uitstek de slee, daar kwam je ook overal mee.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief). Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer. ■

Bronvermelding

We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt.

De introfoto komt uit het archief van VOL.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief).

Ook de rolbrug over de ring vaart lag zo vast als het maar kon. Gerrit Wesselius de brugwachter had voorlopig even niets te doen.

Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer.

Over het vrachtvervoer regeerde een heel strenge vorst die alles vast legde!

 

 

Gracht te Lisse ca. 1910

Oud Nieuws: GESJOEMEL MET BELASTING OVER ROGGE

Molenaar Adriaan Luck van de Korenmolen aan de Grachtweg werd in 1739  in staat van beschuldiging gesteld van wegen fraude. Hij wordt er van verdacht belasting op het malen van meel te hebben ontdoken. Hij krijgt een boete en wordt voor een half jaar verbannen.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Aan het eind van de Grachtweg stond van 1569 tot 1964 molen “De Korenbloem” in Lisse. Bij ons bekend als de molen van Beelen. De molen heeft vele eigenaars gekend. Met wisselend succes probeerden zij er hun dagelijks brood te verdienen. Één van hen had daar een minder gelukkige hand in, Adriaan Johannes Luck deed zijn naam geen eer aan. We treffen hem aan in november 1736 in Leiden, waar hij wordt gegijzeld (vastgehouden) op beschuldiging van fraude. Het verhaal gaat over zijn misstap.

Craqueel dingboek van zaken

Arij Luck, korenmolenaar, geboren in Monster 1704, getrouwd met Lucretia de Hoij, moet verschijnen voor schepenen van Leiden. Hij is aangeklaagd door Cornelis van der Cocq, pachter van de impost (belasting) op het gemaal. Over alle graan dat gemalen wordt, moet impost worden betaald, het zogeheten ‘gemaal’. Arij wordt ervan beschuldigd deze impost ontdoken te hebben. De schepenen van Leiden hebben ook tot taak recht te spreken over zaken die betrekking hebben op de invordering van deze belasting. Zij heten in die functie heel chique: commissarissen van de gemene landsmiddelen over Leiden en Rijnland. De zaak is vastgelegd in het craqueelboek. Volgens Cornelis van der Cocq, de eiser, heeft molenaar Arij op een nacht stiekem 6 zakken door hem gemalen rogge, waarop de impost is betaald, afgevoerd met zijn wagen en vervangen door 6 zakken nog ongemalen rogge, die niet in de boeken van de impost vermeld staan. De procureur die Cornelis van der Cocq vertegenwoordigt eindigt zijn betoog met de eis, dat Arij wordt veroordeeld tot verbeurdverklaring van de 6 zakken ongemalen rogge en van de wagen waarmee het delict zou zijn gepleegd, een boete van 6 x 300 gulden voor elke zak, een boete van 200 gulden en van 1.000 gulden wegens overtreding van verschillende wetten. Hij verlangt ook nog dat Arij in het openbaar zal worden gegeseld, en voor altijd verbannen uit Holland en West-Friesland. Met deze rechtszaak is de kous nog niet af voor Arij. Ook in Lisse zijn er mensen die een appeltje met hem en zijn partners in crime te schillen hebben. Zoals de eigenaresse van de 6 zakken gemalen rogge, de piepjonge broodbakster Aagje Ottensdr Cranenburg (1720 dochter van Otto Cranenburg (1690 -1773) en Adriana Simonsdr. Hoogkamer (1691 – 1751). Uit haar naam treedt haar vader Otto op (tot een jaar of  60 geleden werden vrouwen voor de wet als handelingsonbekwaam beschouwd). Arij moet getuigen ten overstaan van schout en schepenen van Lisse. Dit verslag is bewaard gebleven.

Aanleiding en toedracht

Een van de klanten voor wie Arij maalt, is Jan Barendse Kluijt, bakker in het Oosteinde te Lisse. Jan is in mei van dat jaar getrouwd met Maartje Klaas van der Hans, heeft pas een dikke som geld geleend. Blijkbaar heeft hij nogal moeite de eindjes aan elkaar te knopen, en spreekt met Arij een handeltje af waarbij hij zonder de impost op ‘t gemaal te betalen, toch zijn rogge kan laten malen. De bakkers leveren zelf aan de molenaar de zakken met ongemalen rogge. Als bewijs dat de impost betaald is, hoort er bij die zakken een cedulle van de collecteur te zijn (bewijsbiljet). Op 3 oktober 1736 komt Jan, langs de molen lopend, ter ore, dat Aagje Cranenburg, de broodbakster, 6 zakken harde rogge (ongemalen rogge) gemerkt A.O., en voorzien van de impost-cedulle, door haar knecht naar Arij’s molen heeft laten brengen. De rogge is daar gemalen en in de 6 zakken teruggestort. Jan zegt tegen Arij dat hij dringend om gemalen rogge verlegen is, maar hij heeft geen cedulle, want hij heeft de impost op ‘t gemaal niet betaald. Hij stelt voor: ‘breng mij die 6 sakken meel’. Jan durft er alleen zelf zijn handen niet aan te branden, hij laat een ander de kooltjes uit het vuur halen: ‘Ik ben verlegen ende bevreest, om daar juyst selfs bij te wesen. Ook durf ik het met mijn knegt, die een nieuweling is, niet wagen, dan sal ik Frans van Gerwen of Abraham bij u geven. Kiest welke van beyde gij bij u wild hebben’ . Waarop Arij zegt : ‘als gij den Frans bij mij geeft, die heb ik liever als Bram’. (Frans van Gerwen, geboren in Hillegom 1695, gehuwd met Marretje Jochems Stellingwerf). Jan: ‘ik sal de sleutel van mijn schuurtje in de goot leggen. Ende ik sal 6 sakken rogge, hard goed, in dat schuurtje gereed setten, ende 2 sakken ledig, om door middel van de ledige sakken het meel over te storten in mijne sakken, ende in plaats van dat meel, het harde goed van mij wederom te storten in de sakken van Aagje Ottens’. Arij gaat akkoord met het voorstel, waarom hij dat doet verhaalt de geschiedenis niet, Jan zal hem wat geld hebben toegeschoven. Jan Barendse neemt afscheid van Arij en zegt: ‘ik sal u dan verwagten, soo als het geseyd is, ende ik sal Frans bij u geven’. Om 1 uur ‘s nachts klopt Frans van Gerwen bij Arij aan, roepende: ‘Molenaar hoor je wel?’ Arij staat op, en gaat met Frans naar zijn molen, waar hij de 6 zakken gemalen rogge van Aagje Ottens van bovenin de molen naar beneden laat zakken, met hulp van Frans de zakken op de schouders neemt en op zijn wagen laadt. Met het paard van Jan Kluijt voor de wagen gespannen, rijdt hij naar de werf van Jan, pakt de sleutel die volgens afspraak in de goot van het schuurtje is klaargelegd, doet de deur van het schuurtje open. Met behulp van 2 klaarliggende lege zakken stort hij de gemalen rogge uit de zakken van Aagje over in die van Jan, en de inhoud van de 6 zakken harde rogge van Jan stort hij over in die van Aagje. Frans helpt hem de 6 zakken met harde rogge weer op de wagen te tillen. De schuur wordt gesloten, de sleutel teruggelegd in de goot boven ‘t schuurtje. Frans klopt bij Jan aan, en vraagt om een soopje (borreltje). Jan reikt hun over de deur een fles jenever aan, waaruit Arij en Frans elk een paar slokken nemen. Arij zegt tegen Frans: ‘rijd nu met de wage henen, ik sal met u gaan’. Frans rijdt met wagen, paard en de 6 zakken waarin nu de ongemalen rogge van Jan zit, tot aan het zogeheten slop, waar Arij tegen Frans zegt: ‘ik ga de mole open doen, volgt mij soetjes na’. Frans volgt hem met de wagen tot op de molenwerf.

Arrestatie

Op hetzelfde moment wordt Frans door 4 ‘manspersonen’, waaronder ene Jan, een diender van Leiden, aangegrepen en gedwongen met wagen, paard en de 6 zakken harde rogge van daar te rijden naar het rechthuis in het dorp. Arij gaat naar huis en vertelt aan zijn vrouw Lucretia wat er is voorgevallen. Samen achten zij het raadzaam naar het huis van Jan Kluijt te gaan. Ongeveer om half 6 in de ochtend komen zij daar en vinden Jan en zijn vrouw Maartje thuis. Onthutst vertellen zij aan het echtpaar hoe Frans van Gerwen met wagen en al aangehouden is. Bakker Jan ziet het allemaal niet zo somber in, althans niet voor zichzelf. Jan, de leperd, zegt: ‘ik sal sweren, dat ik swart worde, dat ik er niet van en weet, ik hebbe er niet bij geweest’. Arij brengt in, dat Jan niet zal kunnen ontkennen dat hij er wel van móest weten, en hun zelfs een soopje over de deur heen heeft gegeven. Om 10 uur meldt Jan zich bij de molen om zijn paard op te halen (dat voor de wagen gespannen was geweest). Hij vraagt aan Arij: ‘wat seyt Ot (Otto Cranenburg, de vader van Aagje) ervan dat het harde koorn in haer sakken was.’ Waarop Lucretia antwoordt: ‘Otto sal het noch swijgen, als hij daarvan geen schade en heeft.’ Jan ziet dat anders: ‘ik dogt niet dat Ot soo goed was, maar als Arjaantje het weet, sal se het over ‘t geheele dorp brengen’. Volgens Jan zal Arjaantje, met wie Adriana Hoogkamer, de vrouw van Otto bedoeld zal zijn, het verhaal in het hele dorp rondbazuinen! Tenslotte verklaart Arij dat Frans op 5 oktober de 6 zakken harde rogge van Jan Kluijt, in de zakken die eigendom zijn van Aagje Otten, met het merk A.O., naar Leiden heeft moeten brengen, en dat Arij op 7 oktober door de pachter van het gemaal, Cornelis van der Kok, van Lisse naar Leiden is gebracht, waar hij gegijzeld is in afwachting van de rechtszaak.

De uitspraak

Craqueel dingboek van zaken

De schepenen commissarissen van Leiden doen uitspraak. De boetes zoals die door de aanklager geëist werden, moet Arij betalen, + de kosten van de afwikkeling van de zaak. Hij zal niet publiekelijk gegeseld worden. Wel wordt hij verbannen, niet voor altijd, maar voor de duur van 6 jaar uit Leiden en het gebied dat onder Rijnland valt, ‘op poene van zwaarder straffe’. Een zware straf voor het ontduiken van belasting, zeker voor onze begrippen. Daar komt het ernstiger vergrijp bij, dat de molen een ambachtskorenmolen is, waar iedereen in Lisse zijn koren moet laten malen. En als molenaar heeft Arij een eed afgelegd dat hij geen graan zal malen, waaraan het biljet van de impost ontbreekt. In hoeverre Arij’s kompanen, Jan Barendse Kluijt en zijn vrouw Maartje van der Hans en Frans van Gerwen zich moesten verantwoorden, moet nog blijken. Jan en Maartje raken uiteindelijk aan lager wal. In 1745 wordt de insolvente boedel van hun bakkerij en winkel verkocht.

Justitiële molens malen langzaam

Arij en zijn vrouw Lucretia die in tweede instantie mede wordt verbannen, verdwijnen uit het zicht. Lisse is voor hen de eerste 6 jaar verboden gebied. De torenhoge boetes kunnen zij vast niet betalen. De molen en het bijbehorende huis worden geveild. Het wordt een slepende affaire, omdat niet alleen pachter Cornelis de Cocq en de belasting zijn getild. Aagje Cranenburg, de eigenaresse van de 6 zakken verwisselde rogge, eist schadevergoeding. Maar er zijn meer gedupeerden. Een aantal crediteuren trekt gealarmeerd aan de bel, waarvan de belangrijkste zijn Lenard Willemsz Oote en Cornelis Adriaensz van der Zaal. Om de molen te kunnen kopen heeft Arij 2 jaar eerder een hypothecaire lening bij hen afgesloten. Jarenlang juridisch getouwtrek volgt, wat ongetwijfeld de kosten nog verder opdrijft.

Korenmolen te koop in Lisse

De veiling die eind januari 1737 in het rechthuis van Lisse zou plaatsvinden, wordt uitgesteld tot oktober 1738. Onder het toeziend oog van de Leidse schepenen in herberg de Burcht te Leiden, wordt de molen geveild en mag Lenard Willemsz Oote (1679-?, gehuwd met Maria Jansdr. Vlaenderen), zich voor 2.250 gulden eigenaar noemen. Pas in de herfst van 1739 wordt met een laatste ingediende onkostennota een dikke streep gezet onder deze geschiedenis.

Bronvermelding

NA ORA Lisse transportakten

RAL ORA Leiden, toegang 0508 inv 129 DD

NA gahetna kaartencollectie

VOL beeldarchief

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 2)

Het boek ‘In bloembollenland’  van Anna van Gogh wordt besproken.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

Latere titeluitgave van “In het Bloembollenland”

In het bloembollenland verscheen bij J. B. Wolters in de serie “Geïllustreerde bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar”. Sjoukje Troelstra, Nellie van Kol en Jan Ligthart vormden de redactie van de serie. Een sterk team: een onderwijsvernieuwer en twee bevlogen, sociaal bewogen kinderboekenschrijfsters. Sjoukje, de vrouw van socialistenleider Pieter Jelles Troelstra, werd onder haar pseudoniem Nienke van Hichtum beroemd als auteur van Afke’s tiental. In het socialistische dagblad Het Volk (07.06.1904) recenseerde Sjoukje Troelstra als S. Tr. het werkje van haar partijgenote. Natuurlijk staat zij achter de inhoud ervan, anders had zij het niet opgenomen in haar “bibliotheek”. Zij heeft wel vernomen dat er mensen zijn die vinden dat er te veel over de bloembollencultuur in voorkomt, teveel “tendenz”. Op wie zij doelt blijft schimmig en openlijk maatschappijkritisch is het boek niet, maar passages als die over de bollenrooitijd zijn geschreven met hart voor het leed van de bollenarbeiders. Een andere recensie staat in het blad voor De School met den Bijbel.

Anna van Gogh-Kaulbach gefotografeerd op 14-12-1959. Anna was geboren te Velzen op 31-12-1869, overleden te Haarlem op 28-01-1960. Romanschrijfster en vertaalster. Ze schreef ook wel onder het pseudoniem Wilhelmina Reijnbach. Dochter van Frans Ludwig Eduard Kaulbach (1835-1899) arts, en van Helena Maria Cornelia van Reijn (1836-1903). Anna Kaulbach trouwde op 30-8-1899 in Velsen met Willem Jacob van Gogh (1863-1934), hij was bollenkweker en later kunsthandelaar. Zij woonden vlak na hun huwelijk tijdelijk in Lisse aan de Heereweg op nummer 296. Uit hun huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren

De boekbespreker prijst dat de lezer bekend wordt gemaakt met alles wat te maken heeft met de bloembollenteelt, maar keurt de “ethische zijde” van het boek af. De levensbeschouwing van Anna van Gogh-Kaulbach is niet de zijne. Aanschaf van het boek wordt niet aanbevolen (21.07.1904). Hoe zouden de experts van het Weekblad voor de bloembollencultuur (01.07.1904) het boek beoordelen? In een korte, anonieme bespreking looft de recensent de schrijfster, die “goed bekend is met alles wat in het vak te doen is en in juiste schetsen op zeer onderhoudende en duidelijke wijze aangeeft wat de werkzaamheden zijn in de verschillende tijden van het jaar en hoe die worden verricht.” Het boek slaat in deze kringen kennelijk goed aan. Boekhandel de Erven Loosjes in Haarlem adverteert stevig voor het boek in dit vakblad. De plaatjes in het boek zijn aantrekkelijk en informatief. Schoolboeken waren aan het begin van de twintigste eeuw erbarmelijk slecht geïllustreerd. Ook het taalgebruik was vaak voor de kinderen veel te moeilijk. Uitgeverij Wolters wilde hierin verandering brengen en trok C. Jetses en W. K. de Bruin aan. Deze laatste illustreerde “In het bloembollenland”. Hij maakte tekeningen in gewassen inkt die als autotypie op het gladde papier werden afgedrukt, waarmee hij een schilderachtig effect bereikte. De tekeningen van de Haagse tekenleraar werden tussen de tekst geplaatst, wat een speels effect geeft. De uitgever stak het boek in een rode band met een narcis op het voorplaat. Twee jaar na het verschijnen van In het bloembollenland verkocht Wolters de hele “Bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar” aan de Alkmaarse uitgever Kluitman. Die bond het binnenwerk van het boekje in een Jugendstilbandje met zijn naam op het voorplaat, maar op de titelpagina nog de naam van uitgeverij Wolters. Zó’n exemplaar heeft de VOL in haar bezit. Wie het ooit heeft geschonken? Op het schutblad staat in verbleekte inkt de naam van G. Entinck, waarschijnlijk de eerste eigenaar. Zal hij er wat van hebben opgestoken? Wij wél. Het boekje is nog zeer leesbaar en biedt een uniek kijkje in de bollenteelt van meer dan honderd jaar geleden.

Bronnen

Uitgeverij Wolters stak het boek “In het Bloemenbollenland” in een mooi bandje. Op de titelpagina staat de naam van Wolters, op de band die van Kluitman. Fotomateriaal is afkomstig uit VOL archief, Nationaal Archief en van Wikipedia.

Eerder publiceerde Aad van der Geest over Anna van Gogh-Kaulbach en haar roman Rika in het VOL-Nieuwsblad, Jaargang 11, nr 1 van januari 2012. Zie ook: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling.

Illustraties van W.K. de Bruin uit het boek “In het Bloembollenland”.