Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Groenten-drogerij en -inmakerij  “CODRO” en die van Leo van Grieken door  A. Raaphorst Hz

Tijdens de eerste wereldoorlog waren de bollen niets waard. Daarom werd er massaal overgegaan op het telen van groente. Daartoe had Leo van Grieken een groentedrogerij en groente-inmakerij aan de Leidsche Trekvaart. Een grote coöperatieve drogerij was Cordo, die een drogerij bij Piet Gijzenbrug had. De leden verhandelden het meeste.

Opgetekend door Arie de Koning

1 juni 2020

De Grote Europese Oorlog 1914 – 1918 heeft zeer vele wantoestanden geschapen, maar ook eveneens vele andere, betere en nieuwere dingen tot stand gebracht.  De grote tegenslag in de Bloembollencultuur heeft de kwekers er noodgedwongen toe gebracht om zich te gaan toeleggen op het telen van allerlei soorten van groenten. Het gevolg hiervan was dat vooral in het jaar 1917 bij alle kwekers alle beschikbare grond en paden met allerlei soorten groenten was beplant. Dat voor de reeds in 1916 verbazende grote hoeveelheden groenten een afzetgebied moest worden gevonden behoeft geen betoog, En dat werd dan ook gevonden, deels in het uitvoeren in versche staat naar Duitschland en deels door drogen en verduurzamen en dan uitvoeren naar alle streken der wereld. Hiervoor werden op vele plaatsen inmakerijen en drogerijen opgericht. Lisse had ook zijne eerste groente drogerij en inmakerij, die gebouwd werd aan de Leidsche Trekvaart en voor rekening van de Bloembollen Exporteur Leo van Grieken die in 1917 zelfs niet eens reizigers heeft uitgezonden om bloembollen te verkopen omdat in de groenten grote kapitalen werden verdient en doordat de bloembollenhandel nu eenmaal aan  allerlei omstandigheden  onderhevig  was.

Wegens  de door de oorlogstoestand geschapen abnormale omstandigheden voor de Bloembollen cultuur, en het feit dat door alle kwekers het telen van groenten op grote schaal in toepassing werd gebracht, werd in het voorjaar van 1917, op initiatief van eenige kwekers opgericht: De Eerste Coöperatieve Groenten – drogerij –  Inmakerij en Handel  voor de Bloembollenstreek: “CODRO”  Deze Vereniging stelde zich ten doel om de door de bonafide bloembollenkwekers  geteelde groenten  langs Coöperatieve weg te drogen, in te maken  of in versche staat te verhandelen. Van deze Vereniging konden alleen diegene lid worden die het bloembollen kwekersbedrijf als hoofdbedrijf uitoefenden. Het bestuur van deze Vereniging met de Heer Krelage aan het hoofd verkreeg van de Minister van Landbouw het voorrecht, dat voor de leden van Codro, inzake de uitvoer der groenten zeer gunstige bepalingen werden gesteld. De Minister stelde zijnerzijds de bepaling dat Codro zich ten doel stelde de instandhouding van het bloembollen bedrijf. Alleen op deze voorwaarde beloofde de Minister gunstige bepalingen omdat hij zich alleen dan kon verantwoorden tegenover andere groentetelers die geen lid konden worden van Codro. Tegenover de kritiek die deze bevoorrechting heeft ondervonden van de zijde der andere groentetelers, is het goed dat dit geschreven wordt, anders zouden niet ingewijden ook tot de conclusie komen dat de Minister werkelijk de een bevoorrechtte boven de ander. Deze bevoorrechting bestond hieruit dat de Leden van Codro van elke soort groente een groter percentage voor de export mochten verkopen dan de niet leden. Bij voorbeeld de groene uien mochten voor 100% door Codro uitgevoerd worden en door niet leden maar 60%. Men zou algemeen verwachten dat alle bollenkwekers direct lid van Codro zouden worden, maar dit was lang niet het geval.  Doordat de oprichting van Codro voor de particuliere handelaars en exporteurs in groenten een strop was behoeft geen betoog en door dezen zoveel mogelijk werd afgetakeld. Het gevolg was dat vele kwekers zich lieten ompraten en geen lid werden, voor al niet omdat er nogal enig financieel bezwaar aan was verbonden, want de leden van Codro moesten voor elke hectare die zij in cultuur hadden een aandeel nemen van ƒ100,- en voor elke hectare bovendien een contributie betalen van ƒ5,- en voor elke hectare ƒ1,50 voor registratie. Op de aandelen behoefde echter voorlopig maar ƒ25,- per aandeel gestort te worden waarvoor een rente vergoed werd van 5%. Toen men echter zag welke voordelen het lidmaatschap van Codro direct afwierp, werd de toeloop groter zodat wij op het ogenblik (1917) gerust durven veronderstellen dat minstens 95% van de kwekers als leden zijn toegetreden. Door Codro werd ene eigen groenten-drogerij en inmakerij gesticht aan de Piet Gijzenbrug, terwijl zij tal van andere drogerijen heeft gecontracteerd voor het drogen van de groenten van de leden. Behalve voor verschillende soorten van groenten hebben de leden van Codro zich ook verplicht om de Bloembollen voor abnormaal gebruik, bijvoorbeeld voor veevoeder alleen te verkopen door middel van Codro, om te voorkomen dat deze bollen als veevoeder in het buitenland verkocht niet als normaal gebruik worden gebezigd en zo een hogere prijs af te kunnen bedingen. Van de handel in bloembollen voor abnormaal gebruik is intussen niet veel terecht gekomen, omdat de Minister van Landbouw de uitvoer van Hyacinten, Tulpen en Krokussen voor abnormaal gebruik niet heeft toegestaan en deze bestemd moesten blijven als veevoeder voor het binnenland. Dit was voor de bollenkwekers een grote tegenvaller omdat de prijzen in het binnenland minstens 50% lager waren als de prijzen die in het buitenland konden worden bedongen. Alleen Narcissen konden worden uitgevoerd maar hiervoor kon weer geen vervoer worden gesteld. Door een bloembollenfirma in Lisse, de Gebr. Rijnveld, werden de Narcissen opgekocht voor 4ct per kilo waarna deze firma deze bollen verwerkte in stijfsel en lijm. Maar ook deze handel moest worden stopgezet omdat het Rijks Kolen bureau voor dit bedrijf geen brandstof ter beschikkeng kon stellen. De Heinrich Riesen die door de kwekers in grote hoeveelheden voor zaad werden geteeld en in het buitenland konden worden verkocht voor ƒ200,- per 100 kilogram, moesten echter aan de regering worden afgestaan voor ƒ50,- per 100 kilogram.  Het heeft lang geduurd voor de teelt en verkoop van bloembollen zich had hersteld.

Bron:

Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

         Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

Bevolking van Lisse van 1795 tot en met 1913 door  A. Raaphorst Hz

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913.

Opgetekend door Arie de Koning

 1 juni 2020

 

De bevolking der Gemeente Lisse bedroeg in 1795  1062 personen.

 

Jaar                       Personen

1854                          1826

1860                          1732

1870                          1994

1880                          2648

1890                          2775

1896                          3489

1897                          3643

1898                          3776

1899                          3891

1900                          4009

1901                          4184

1902                          4426

1903                          4574

1904                          4614

1905                          4769

1906                          4915

1907                          5057

1908                          5245

1909                          5483

1910                          5759

1911                          5977

1912                          6102

1913                          6309

Bron:  A. Raaphorst Hzn,  Dagblad  Correspondent te Lisse

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913

 

 

De Oude en de nieuwe Agathakerk door  A. Raaphorst Hz

De geschiedenis van de katholieke kerk vanaf de Schuilkerk aan de Mallegatsloot en de oude en de nieuwe kerk aan de Heereweg tot 1912 wordt beschreven.

Opgetekend door Arie Koning

1 juni 2020

Aanteekeningen op het Dorp  en  de  Gemeente  Lisse door  A. Raaphorst Hz., dagbladcorrespondent

 1912

de  R.K.  Kerk

Na de Hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene Statie welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de Pastoor zijn verblijf hield. Zoals met hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts eene Pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen Pastoor namelijk  Johan van der Werve, deze overleed op 1 Juli 1697 en werd opgevolgd door Lambert Schaap, die op 10 April reeds kwam te sterven. Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wien het Kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de noodwestzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinenlaan en de brug over de Mallegatsloot ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar  thans nog is gelegen de oude boerenhofstede , thans bloemisterij en genaamd “Bloemenhof”. Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Grafelijke familie van Lijnden en werd in 1904 bij publieke verkoping gekocht door de heer C. Prins Dz. In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en grooter kerkgebouw  gekregen. Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw  behoorde in die dagen tot de grootste  dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw. Het was een vierkant gebouw zonder pilaren met een haaksche kap afgedekt en pannendak. De Pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw met als uitzicht het Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was 25 meter van de straatweg  af gelegen. Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg  en stond dus niet zoals men dat noemt in de H. Linie. Ter rechterzijde was de toegang tot de Pastorij  en de ruimte tusschen  de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig Bosch. Ter linkerzijde was de toegang naar het kerkhof zelve gelegen, hetgeen met de bouw van de nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven. Ten linkerzijde van het voorplein  had men voorts het zogenaamde paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen hun gezet met de paarden ervoor stationeerden terwijl dit paardenhok met twee gelegenheden genaamd “W. C.”, aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen. De toegang tot het voorplein en de kerk, benevens alle hier beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleend  tot de kerk. Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts twee meter bedroeg. Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen, Namenlijk: dat het vierkant was. Zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit. Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de gehele breedte van de kerk in beslag. De kerk had slechts een altaar. Eene mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor, bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige Ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster. Dit doopvont heeft ook weer een plaats gevonden in de nieuwe kerk. Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de Pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie. De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken van 4 personen. De kerk had dus drie regels banken  en 2 paden. De Communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de Kapel van het Agatha Gesticht

In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige Kaarsenkonen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden omdat men petroleumlampen had aangebracht. Behalve de beelden van Maria en Joseph prijken in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron. Een schilderstuk voorstellende de H. Agatha, patrones der kerk prijkte boven het altaar. In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de gehele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarenboven bevond zich het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen. De kerk had maar eene ingang welke zich bevond midden van de voorgevel. Ter linkerzijde van het grote portaal had men de toegang tot de galerij in het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer om volle uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij de bouw dezer kerk door W. Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan, tenminste te oordelen naar het opschrift hetgeen luidt als volgt:

 

                                                          Me  fecit  Ciprianus  Crans  Janszoon

                                                                    Amsteledami   anno  1748

                                                                Int  jubeljaar der  Vrijheid  1748

 

                                     De vredemaker    G. Hasselaer  Heer wierdt en A. Slob Schout van

                                          Cudelstaart en T. van Prince  v.d  Bezworen – kerf  – waren

                                                                 Ben ik door J.V. van Pauaart

 

                                                           Admin:  Burgem: bezorgd te maken

 

 Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschift,  terwijl  aan de andere kant van de klok

het volgende is gegraveerd:

                                                             Gegeven  door  W. Verdegaal 

                                                                              1842

Wij kunnen de beschrijving van de oude kerk besluiten met te zeggen met te zeggen dat de eerste bank (mannen aan de rechterzijde, of zuidzijde), was gereserveerd voor de familie Heereman  van Zuidwijk voor het geval  dat zij zich te Lisse bevonden.

de Nieuwe Kerk

Reeds lang voor dat de nieuwe kerk was gebouwd  was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking der Katholieke Gemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van de bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar om de zwakke schouders  van de beminde  herder dezer Parochie, Pastoor H.Th van Vlasselaar. Een ieder ondervond het dat de kerk veel te klein was, maar ook eenieder was er ten volle van overtuigd dat de werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk niet gelegd mochten worden op de steeds in krachten afnemende schouders van Pastoor van Vlasselaar, en daarom wachtte men de tijd af ….
De tijd was eindelijk daar, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: “Pastoor van Vlasselaar is dood.” Hij die 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder was geweest van de Parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij; beweend niet alleen door de katholieken zelf, maar evenzeer door de niet-Katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen, zonder onderscheid en bovendien een weldoener der armen zonder weerga. Zijne nagedachtenis zal dan ook voortleven in de harten van allen die hem  gekend hebben.

Hij is begraven in het priestergraf op het kerkhof alhier en een eenvoudige zerk siert zijn graf. Pastoor van Vlasselaar werd opgevolgd door B.J. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Zodra de opvolger van pastoor van Vlasselaar  zijn intrede had gedaan, werden er plannen  ontworpen om eene nieuwe kerk. Doordat de nieuwe te stichten kerk moest komen op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. In het voorjaar van 1902 werd ter plaatse waar thans de Bondsstraat is en het aan die straat gelegen gebouw  van het Pius Gesticht gelegen is, een groot houten gebouw opgetrokken zodra deze noodkerk  gereed was werd zij plechtig  ingewijd door de Deken van Warmond, de  Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De oude kerk werd spoedig daarna voor afbraak verkocht en gesloopt. Niet lang daarna werd begonnen met het storten van beton want paalfundering bleek niet nodig te zijn. Het werk vorderde voorspoedig want op 6 juni 1902 had de  plechtige eerste steenlegging door de Deken van Warmond, de Zeer eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen, waarin zich de Oorkonde bevindt van de eerste steenlegging, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuider tranche tegen de kant van het H. Joseph Kapel. Het opschrift luidt als volgt: Hune primarium Lapidum Postuut  R. adm  Ds.  Nicolaus  Johannes Smeulders. MCMII.

We hebben tot op heden steeds gesproken van de bouw ener nieuwe kerk, maar eigenlijk dient er gesproken te worden van Kerk en Pastorij. De Pastorij, een groot gebouw in oud Hollandsche stijl op getrokken , was voor de kerk al gereed gemaakt, omdat de pastoor gehuisvest  was in het pas voltooide St, Agatha Gesticht en de beide Kapelaans bij de Kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen we nog opmerken dat er in verband met een opschrift, eene kwestie ontstond  tusschen de Pastoor en de Burgemeester. Dit opschrift stond in eene zandsteen  uitgehouwen boven de portiek van de hoofdingang. Dit opschrift luidde als volgt:

                                                 Dye dit niet an mogh staen

                                                    Moet maar voorbije gaen

Deze spreuk was genomen uit de dichtwerken van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende  dat dit opschrift eene uitdaging was voor de andere kerkelijke gezindten  en stond er daarom op dat dit opschrift zou verdwijnen. Wij voor ons hebben altijd gemeend dat het een zeer kleinzielig idee was van de Burgemeester, die  Katholiek zijnde, steeds van mening was dat hij zijne onpartijdigheid  niet beter in toepassing wist te brengen dan de Katholieken kleinzielig te behandelen. Van de andere kant moeten wij ook getuigen dat dit opschrift enigszins verwonderlijk was en in elk geval met geen enkele gebeurtenis in verband was te brengen. Enfin, de steen werd weer glad gehakt en de volgende dag prijkte deze met een ander opschrift, namelijk:

Anno Domino  MCMII

Na een ruim jaar daaraan te hebben gewerkt  was de Kerk zelve gereed en werd deze op Donderdag  6 Augustus 1903 door  Z.D.H. de Aartsbisschop van Utrecht plechtig geconsacreerd, door de Aartsbisschop van Utrecht?  zult u vragen, hoe kwam dat? Dat kwam namelijk zoo, eenige dagen voor de kerk zou worden geconsacreerd, overlijdt de Bisschop van Haarlem, Mgr., Bottemanne. Hoewel deze Bisschop reeds hoog in jaren was, had hij echter nog geen wij of hulpbisschop. Juist toen de bemoeiingen hiervan gaande waren kwam Haarlems Bisschop te overlijden. Deze bemoeiingen waren bij de dood van Mgr. Bottemanne reeds zo ver gevorderd dat de benoeming van

Mgr. Carlier en de doodtijding van Mgr. Bottemanne, elkaar hebben gekruist, zoodat de benoeming van Mrg. Carlier eerst arriveerde ná het overlijden van Mrg. Bottemanne, en dus ongeldig was. Zoodoende wilde het toeval dat de Bisschopszetel van Haarlem, dus onbezet was, en wel, juist toen de nieuwe kerk geconsacreerd moest worden. Ziedaar de oorzaak dat deze door Mgr. van de Wetering werd ingewijd. Nu keeren we weer terug naar de Kerk zelven. De kerk is ontworpen en gebouwd  door de Architect Jean H. van Groenendaal te Amsterdam, zoals men kan zien op eene zandsteen boven de hoofdingang aan de binnenzijde der kerk. De kerk is zonder inschrijving gegund

Het gebouw heeft eene lengte van 60 meters en eene breedte van 19 meters, terwijl  het Transept 29 meters breed is. Behalve de 75 meters hoge klokkentoren heeft de kerk ook nog eene Angelustoren , welke geplaatst is op het midden der Kruisbeuk. Zij heeft ongeveer 1200 zitplaatsen en is een der grootste Parochiekerken  uit de omtrek. Ook de toren is een der hoogste uit de omtrek en is uren ver in de omtrek te zien. Deze toren heeft eene zeskantige vorm en twee open gaanderijen en wel eene op 40 meters en eene op 65 meters Hoogte. Zij heeft eenen stenen onderbouw van 40 meters hoogte, verdeelt in 4  verdiepingen. De spits is van hout en heeft met inbegrip van de peer van het kruijs een hoogte van 35 Meters. Het beneden gedeelte wordt gebruikt voor portaal.

De waterwolf eindelijk getemd

In de Nieuwsbladen van de VOL nummer 4 van 2019 en nummer 1 van 2020 staan 2 delen over de Waterwolf, die het Haarlemermeers was. Deze artikelen van A. de Koning zijn danig veranderd en ingekort ten opzichte van het originele artikel. Het originele artikel is hier vermeld.

Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg.

 door Arie de Koning.

30 april 2020

Wat voor wereldbeeld had de laat middeleeuwse inwoner van Lisse en zijn kinderen in het steeds veranderende landschap om hem heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uit maakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, incluis zijn fuik. Ter illustratie: het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531  groot 5600 Ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10570 Ha.

KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is de Meer zelfs 16600 Ha groot geworden terwijl er toen daarvoor toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.

In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”.”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14450 Ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.””Ook de Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden  zijn dan nagenoeg verdwenen.”  Evenals de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp.

De bodem van de Meren bestond uit veen  met daaronder een vette kleilaag en de losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trok een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken alleen bedroeg van 1771 tot 1845 al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, bracht bij de drooglegging van de meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op.

In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we op bladzijde 104 een verhandeling van ene Symon van Leeuwen* welke de situatie zoals deze in ca 1500 was beschrijft.

“Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde** droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.”

*   Symon van Leeuwen stierf in 1682 en zijn werk werd na zijn dood uitgegeven. Hij praat dus over het jaar 1500

** Een kodde is een oude benaming voor een polsstok, ook wel verrejager genoemd

De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de meer  steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsaterwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was en dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Geografische blik

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name die dorpen welke aan het Meer lagen en waar hoogst waarschijnlijk  zich regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur  van Lisse in het noorden is eeuwen lang het Ambacht Vennep geweest. Weggedrukt tussen Hillegom en het Meer kreeg het al eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep? Het bestaat al eeuwenlang want in een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer Noord-Zuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout. Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door  Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we de zelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt dat ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel verandert. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig was dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want zij grensden niet eens aan elkaar. In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burggravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp ge-noemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouwe Ambocht van Voorn.”

In het charter van 30 maart 1339 wordt gesproken dat de Vrouwe van Voorn in leen gekregen had van graaf Willem III, Hillighem ende Vennep (dus Burggravenveen). Maar deze graaf stierf op 7 juni 1337  en de Heerlijkheid Voorne, met het bij behorende Burggravenschap van Zeeland, werd pas op 30 september 1337 aan Machteld van Voorne, echtgenote van Dirck heer van Montjoie en Valkenburg in leen gegeven, terwijl het voor die tijd in mannelijke handen was. Machteld van Voorne kan dus niet de eigenaresse zijn geweest. Het was dus Katharina van Durbuy, de weduwe van de in het jaar 1287 overleden Albrecht van Voorne. Katharina treedt op als Voogdes Vrouwe van Voorne. Zij kreeg tussen 1287 en 1291 van graaf Floris V de leengoederen van Teijlingen, die toen door het uitsterven van de rechte lijn van dat huis aan graaf Floris V waren terug vervallen.

Katharina van Durbuy, dochter van Gerard van Luxemburg en Machteld van Kleef, stierf op 26 september 1328, hertrouwde in 1297 als weduwe van Albrecht van Voorne, met Wolfert I van Borselen, heer van Veere. Wolfert is niet lang met haar getrouwd geweest, in 1299 werd hij in Delft na een conflict met het stadsbestuur gelyncht. Wolfert had zich naar de zin van de Hoge Adel te veel macht toegeëigend als regent voor de jonge zoon van Graaf Floris V, Jan I van Holland. Het schijnt dat Gerard Dever, de vader van Reinier Dever, heer van Lisse, betrokken was bij de moord op Wolfert.

Haar beide echtgenoten waren burggraaf van Zeeland, twee belangrijke edellieden in Holland en Zeeland. Als Vrouwe van Voorne, Vrouwe van Teijlingen en burggravin van Zeeland was zij een zeer prominente vrouw in Holland en Zeeland. Zij wordt genoemd als mogelijke minnares van graaf Floris V, volgens de bekende historicus Fruin, maar dit wordt niet door bronnen ondersteund, privé zaken werden meestal niet opgeschreven, er bestond ook nog geen tijdschrift als Privé. Na haar dood verviel Teijlingen weer aan de graaf van Holland.

Op 30 maart 1339 werd “Hillighem met dat Vennep, welk er toe behoorde,” door graaf Willem IV weer in leen uitgegeven aan Arnout van Haemstede en op 31 maart 1339 het huis Teijlingen en de ambachten Voorhout en Lisse aan heer Simon van Benthem en zijn vrouw Agnes van Bokel. Na hun overlijden vervielen deze lenen weer aan de graaf. Lisse had na de Benthems nog vele andere heren.

Er was dus van alles te doen over het ambacht Vennep. Er hebben zich in de loop der tijd geen of maar enkele mensen op de eilanden gevestigd, zoals blijkt uit de lentebeden. In het jaar 1345 werd er nog 20 schellingen af gedragen maar daarna niet meer: “daer wonen geen huysluyden.” Vanaf het vaste land van Hillegom liep de Venniperlaan naar het schiereiland Vennep waar een veer zorgde voor overtocht over het stroompje Fennepa naar de oever van de overkant genaamd ’T Veer. Dit veer was eigendom van de heer van Teilingen. Vandaar kon men via de landtong over droog land oversteken naar de Ruijgenhoek en zo via Aalsmeer naar Amsterdam en Utrecht of via Leimuiden Amstelland in rijden. Ook bestond er een droge route vanaf Haarlem en Vijfhuizen naar ’T Veer.

Het derde eiland, Beijnsdorp genaamd, was het grootste. Het bestond hoofdzakelijk uit hooiland en werd verder niet bewoond. De enige bebouwing was een ruïne van een molen en een provisorische schuilhut. De eilanden werden door het water langzaam verzwolgen en zijn uiteindelijk geheel verdwenen in het water, Beijnsdorp het laatst.

Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok  ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en  Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgestelt door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van  het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het accoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse.

Opvallend was dat Burgemeester Adriaan Geel en Ambachtsbewaarder Henrik Hoogkamer, beiden van Lisse, niet konden schrijven, maar zij ondertekenden met een merkteken. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel:

“Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is nog maar de helft van de titel van de kaart, die ik u verder besparen zal, die  op wat spellingfouten na, zeer nauwkeurig is vervaardigd.

Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. De groene lijnen op de ingekleurde kaart is de grens van 1746 en daarop wordt duidelijk welke enorme hoeveelheid land door het water is verzwolgen. Amsterdam begon zich nu serieus zorgen te maken over die enorme vijver in zijn achtertuin. Het was inmiddels 1746 en eigenlijk waren zij met die zorgen een eeuw te laat.

Kaart van Bolstra uit 1739 waarop de Haarlemmermeer staat aan gevenenen.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg, loopt vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde; van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruige Hoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven.

In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten  naar de Vijfhuizerhoek en Zuid Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart  Haarlem – Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem – Leiden.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond

Het eiland in de oude Haarlemmermeer, Beinsdorp genaamd, behoorde tot de Banne van Leimuiden. Waarschijnlijk was dit historisch gegroeid toen Beinsdorp nog aan het vaste land vast zat. Het was onbewoond, slechts 78 Hectare groot en werd verpacht als Hooiland. Er stonden volgens beschrijvingen twee vervallen watermolens en een schuilhok. Dit was in 1543. In 1582 vinden we dat het eiland geminderd is en dan nog maar 62 Hectare groot is bevonden. In rap tempo was het meer bezig Beinsdorp te slopen. Toch is het eiland als laatste overgebleven samen met Abbenes in het verenigde meer.

Het volgende dorp is Hillegom en daar is genoeg over gezegd.

Dan gaande in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit kleine dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Het gebied viel grotendeels onder de belening van de Heer van Heemstede, de steenrijke Heer Jan Scheven van Bennebroek. Deze Edelman bouwde zich een kasteel op de hoek van de tegenwoordige Gedempte Oude Gracht en het Spaarne, net buiten de kersverse muren van de eveneens kersverse Stad Haarlem waarvan de mortel nog niet was uitgehard. De Haarlemmers konden de grap niet waarderen, het benauwde ze want zo konden zij niet uitbreiden. Daarom werd de familie Scheven weggekocht waarna zij in Leiderdorp verder meanderden. Het gebied wat bedoeld wordt met Bennebroek  krimpt in de volgende eeuwen drastisch ineen. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). Tot die datum behoord Bennebroek bij de Ambachts Heerlijkheid  van Heemstede van de bekende Adriaan Pouw. Pouw blijkt zijn gigantische  nalatenschap goed geregeld te hebben . Bennebroek werd toegewezen aan zijn zoon Adriaan Pouw en Heemstede aan de andere de oudste zoon,  Gerard Pouw . Dat gebeurde in 1653. Bennebroek bouwde zich een Kerk waardoor questie ontstond met de Kerk van Heemstede welke ruzie jarenlang het dorp lam legde. We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp, handelende als notaris te Bennebroek,  hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772) En het bestuur van het dorp Bennebroek vergaderden in “de Zwarte Hond” die  als Regthuijs dienst deed. Veel inwoners van Bennebroek  vonden werk in de Blekerijen, vanwege het zuivere duinwater daar gevestigd. Via Heemstede komen we bij de ingang van de rivier het Spaarne “de Voorburgh” met zijn Tonne of lichtbaken. In het Haarlemmermeer lag ter hoogte  van Heemstede het Eiland Myent welke de oevers van Heemstede in zekere zin beschermden.  Aan de overkant ligt Zuid Schalkwijk. Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan de Drecht. Sedert het begin van de 16e eeuw was de oever van Nieuwerkerk niet meer met de overzijde verbonden. De woningen in dit gebied stonden verspreid, de grootste concentratie werd (in de 17e eeuw) aangetroffen langs het Zuider Buiten Spaarne. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer; de huizen in Nieuwerkerk aan den Drecht stonden verspreid over dit schiereiland. In dit gebied woonden overwegend veehouders ofschoon er ook vissers woonden. Want voor 1610 was de visvangst op het Lutkemeer vrij. Na 1610 werd deze gepacht door de stad Haarlem. De ambachtsheerlijkheden Zuid Schalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk hebben tot in de 16e eeuw een eenheid gevormd met Rietwijk en Rietwijkeroord. Het dorp Nieuwerkerk aan de Drecht is in de loop der eeuwen door het Haarlemmermeer verzwolgen.

Daarvoor was de Kerk in 1467 al in oostelijk richting zover verplaatst als men een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de Kerk hier veilig zou zijn.  Hiermede werd ook de parochiegrens verplaatst  waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk wegens de gevaarlijke weg naar Nieuwerkerk aan den Drecht in Haarlem ter kerke konden gaan. Ook waren er geen vaste in het dorp wonende geestelijken meer in de steeds kleiner wordende dorpen. In 1690 spoelde Kerk incluis Kerkhof weg en was alle moeite voor niets gebleken.

Toen Nieuwerkerk aan den Drecht na 1680 bijna geheel verdwenen was, werd Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beiden zijden van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. Deze weg is voor 1505 goed begaanbaar volgens getuigenverklaringen uit die tijd, met kon met paard en wagen gebruik maken van de Herenweg. Na 1510 is er geen directe oeververbinding meer. Op 24-09-1509 vond er een dijk doorbraak plaats in de dijk langs het IJ bij Halfweg. Een gevaarlijke situatie was ontstaan. Dit gat bleef tot de zomer van 1510 open, er was geen geld voor reparatie! Inwoners van Nieuwerkerk aan de Drecht en Rietwijk hebben in de winter 1509-1510 nog pogingen gedaan het gat in de Herenweg te dichten, het gat bij Halfweg bleef echter open tot de zomer zodat de dichting in de Herenweg, die uit puin en rijshout bestond, door de eerste echte storm van 26 mei 1510 weer werd weggeslagen. Het was om moedeloos van te worden. Het gat bij Halfweg werd hierop gedicht. Men had een Kogschip gekocht en deze het gat in laten varen en dat pakte goed uit. De Herenweg besloot men niet meer te herstellen. De andere oever, de westelijke, minder te lijden van de afkavelingen. De meest westelijke oever van Zuid-Schalkwijk  werd pas na 1640 aangevallen nadat het onder Heemstede  ressorterende eiland Myent compleet was weggespoeld. Ter illustratie: Nieuwerkerk aan den Drecht had anno 1838 nog maar één huis over en lag op 48 Hectare grond. We gaan verder naar het noorden.

De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen, binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland die de zorg voor de dijk overnam. Op 5 maart 1578 voor Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanen en op 28 mei 1593 kwamen Sloten en Sloterdijk  onder het Waterschap. Dit bleek een goede zet te zijn. De ambtenaren en bestuurders  van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten. Zo’n Hoogheemraadschap ontstond uit een zg “Eening een vrijwillige aaneensluiting van belanghebbende grondeigenaren. Rechtspraak en Bestuur bij bovenlokale water aangelegenheden waren in handen van het Hoogheemraadschap. De voorzitter trad op in naam van de Landsheer de Graaf en werd de Dijkgraaf genoemd. Dat het Hoogheemraadschap  macht bezat wordt duidelijk  wanneer men een bezoek brengt aan het museum in Leiden. Daar bevinden zich een galg en meerdere soorten brandmerken als verlengstuk van hun macht. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet.

Nieuwerkerk aan den Drecht, Vijfhuizen en Schalkwijk behoorden tot de eerste Ambachten die tot het Hoogheemraadschap van Rijnland werden gerekend.

Lisse

Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Ook Lisse ?, ja ook Lisse.  Het gehele Ambacht Lisse was in 1583 groot 1321 Hectare. Nu bleek in dat jaar dat er in de Lisserbroek en de Roversbroek in totaal 10 Hectare land te zijn weggeslagen. In 1615 leverden Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse, een Request in bij het bestuur van Rijnland om remissie over morgengelden voor 42 morgen en 129 roeden. Het is niet vanwege de nagemeten verloren landen, maar door de verschillen in de totaalsom tussen de landmeters Balthasar en van Edam dat het bestuur van Lisse de vermindering afleidt. Het is dus nog geen bewijs dat tussen 1588 en 1613 dat werkelijk heeft bedragen en bovendien is het ongeveer zes keer zoveel als de normaal geleden afslag van land. Niet bekend is of het bestuur van Lisse remissie heeft gekregen. De afslag van Lisse tussen 1544 en 1613 is niet 42 morgen, maar zij moet evenredig zijn geweest aan die van 1544 tot 1587 en die bedroeg 10 Hectare, dus komt het geheel op zo’n 16 Hectare. Zeg maar ‘ietsje’ minder dan de ruim 37 Hectare welke Lisse in het Request zegt te zijn verloren. Hierin is begrepen de afslag van de Roversbroek, dat toen een eiland was, aan beide zijden. Dit kan nooit veel zijn geweest aangezien de Poel, welke aan de westzijde van de Roversbroek lag, een tamelijk smal water was, en het Kagermeer en Langerak, aan de oostzijde gelegen, hoewel veel breder, door hun ligging niet veel schade konden aanrichten aan de Roversbroek. We kunnen voor het gedeelte van Lisse vanaf de Greveling tot de grens met het ambacht Vennep, dat is een goede 2500 meter, met een gerust hart 15 Hectare afslag aannemen, met die verstande dat de afslag in het noorden bij de grens met Vennep groter zal zijn geweest dan bij de relatief beschutte Greveling.

Lisse had dus niet zoveel last van afslag van land, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd overgezet door het veer en zo naar de Ruigehoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk al eeuwen lang aangewezen op Leiden waar zij ook goede contanten mee onderhield. De drie Hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, welke werd uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord welke getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen welke plaats vonden in de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.”

Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen  (verleden tijd van gewassen) alsoo de Schippers getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.”

Ook een inwoner van Lisse komt voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok!

Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaat over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T Veer. Een geroeide boot kon er niet tussen door, de spanen kwamen dan op het land, en passeren was helemaal niet mogelijk.

Er is ook nog sprake in de morgenboeken van Rijnland, van een eiland “Myent” dat onder Heemstede lag. Dat eiland was in 1544 nog 6 Hectare groot en was in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes op de kaart, die tesamen niet meer dan een tiende Hectare waren. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kreeg door het verdwijnen van Myent nu de volle kracht van het meer en de afslag van die oever nam zienderogen toe. Noordooster stormen teisterden de eindeloze watermassa welke met lange aanlopen hun verwoestende krachten lieten botvieren op de oeverversterkingen die het niet konden winnen van de kracht van de vlottende watermassa. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan en werd in feite alleen nog beschermd door de Voorburgh, een schiereiland bij de uitmonding van het Spaarne in het Haarlemmermeer. Ook het iets zuidelijker gelegen Bennebroek, toen nog Benningbrouck genaamd, had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van het Haarlemmer Hout in het westen waar vandaan regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen met de westenwinden en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor zij steeds meer land. Met name ter hoogte van het Man Pad, waar Bennebroek op zijn smalst is, was een gevaarlijke situatie ontstaan. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek dan ook diverse keren de waterkeringen hersteld evenals bij Vijfhuizen. Dit laatste dorp, welke voor het eerst werd vermeld in 1531, is in zijn geheel verdwenen behalve als eerder vermeld de Kerk, die is gespaard gebleven.

Door de mens is het Meer wel geholpen om zijn vraatzucht te bevredigen. Het ontgraven van turf in de nabijheid van de oevers was niet bevorderlijk voor het behoud van die zelfde oevers. Natuurlijk wist men dat het fout was met de ontvening door te gaan, maar er speelden te veel belangen. In 1392 is er al een poging gedaan om het te verbieden en in het archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland  vind men tal van keuren en ordonnantiën daar over.

Met name de stad Leiden was gebaat bij zoveel mogelijk uitvenen en het liefst zo dicht mogelijk bij de oevers. De kans op vereniging van de meren was dan het grootst. Leiden torpedeerde iedere poging tot verbod op het turfsteken en had als reden daarvoor dat de arme huijsluyden dan geen werk en turf meer hadden. Dit was niet helemaal de waarheid. Leiden had forse inkomsten uit de visrechten én de veenrechten, welke het bezat voor de zuidelijke meren en wilde deze niet zomaar prijsgeven. Het was eigenlijk dagelijks bagger gooien tussen de Vroede Heren van Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Natuurlijk waren er zoals altijd vindingrijke figuren welke probeerden onder de verbods bepalingen uit te  komen.

Zo lezen we in een Keure van 18 september 1638 van het Hoogheemraadschap van Rijnland;

“Also tot kennisse van Dyckgrave ende Hooge Heemraden van Rhynlandt was ghekomen, hoe dat eenighe personen hun onderstaen, om een kleyne prijs, eenighe veenackers in de veenambachten op te koopen, ende deselve ackers inde lenghte van sestich, vijfftich, veertich ende meerder roeden onderwater weten los te sagen, ende met een bequame wint, achter hare scheepen vast te maken ende in andre quartieren ende Jurisdictiën te vervoeren ’t zy de selve Ackers aende Meeren of binnens ’s landts ghelegen syn, maakende so groote plassen van water tot merckelijcke prejuditie van alle de landen in ’t gemeen, ende contrarie den Placcate. Soo ist.”

 Door deze Keure werd een boete in het vooruitzicht gesteld van 140 ponden en dat was een boel geld in die tijd. Het bleek dat de inwoners van Lisse ditmaal niets met deze fraude van doen hadden, maar de boosdoeners werden gezocht en gevonden in Leimuiden.

De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gespreksstof. Toen in 1840 Jonkheer van der Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het Meer, trok dat ook internationale belangstelling.

In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel  wat genaamd was;

“Vergrabene und Versunkene Schätze” door R. Zander;

“Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse Armada  voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

 De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch wel ontzettend onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer.

Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het Meer een Eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig tot veertig duizend zielen.

Op het meer is menig schipbreuk geleden en menig gevecht uit gevochten, waarbij vele Hollandse en Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden met sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel zwaar tegen.

De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden bestond uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van vis.

Sight aan de haarlimmer Meer genaamt Lis, Pieter Idserts (1698-1781), Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

Sight aan de haarlimmer Meer genaamt Lis, Pieter Idserts (1698-1781), Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

 

Bronnen: Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643

Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892

Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.

Archief Hoogheemraadschap van Rijnland

A.A. Beekman: strijd om het bestaan

  1. Ramaer: Haarlemmermeer

©2019 Arie de Koning

 

 

 

 

 

 

 

75 JAAR VRIJHEID: Yad Vashem – Familie Potman-Hageman, Lisserdijk

De familie Potman-Hageman van de Lisserdijk heeft tijdens de Tweede Wereldoolog veel Joodse onderduikers in huis genomen en verder geholpen. Daarvoor kregen zij in 2019 postuuum de YadVashm onderscheiding.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 1, 2020

Met het vieren van onze 75 jaar vrijheid gedenken we ook de jaren van onvrijheid die daaraan vooraf gingen. De opvang van Joodse medeburgers was een riskante zaak maar toch maakten de heer en mevrouw Potman-Hageman deze keuze. Vorig jaar werden zij daarvoor postuum geëerd met de Yad Vashem onderscheiding.

Auschwitzherdenking

Nieuw Levenslicht in museum de Zwarte Tulp

Op 27 januari 1945 werd vernietigingskamp Auschwitz door het Rode leger ontzet. In Polen was er dit jaar een indrukwekkende herdenking. Ieder jaar wordt ook in Nederland stilgestaan bij de Holocaustslachtoffers. Omdat het dit jaar 75 jaar geleden was is er op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een tijdelijk lichtmonument ontworpen door kunstenaar Daan Roosegaarde: LEVENSLICHT. Lisse was een van de gemeentes die het lichtmonument toonden om daarmee extra aandacht te creëren voor dit dramatische deel van onze geschiedenis. De generatie die de oorlogstijd bewust heeft meegemaakt is inmiddels hoogbejaard. Het is daarom heel belangrijk om de herinnering aan die donkere periode, waarin grote offers zijn gebracht om ons de vrijheid terug te geven, levend te houden. Bij het kunstwerk was een speciale kinderherdenking.

Jodenvervolging
In de oorlog werd langzamerhand duidelijk hoe penibel de situatie van de Joden was. Joden kregen een J in hun papieren en vanaf april 1942 moest de davidster gedragen worden. In hetzelfde jaar moesten Joden uit de kleinere plaatsen naar Amsterdam verhuizen. Spoedig daarna volgden de oproepen om in Duitsland “te gaan werken”. Wij weten nu wat de opzet van de nazi’s was, maar toen was dat nog niet duidelijk. Veel Joodse families besloten echter om niet langer te wachten op nog meer repressie en besloten onder te duiken. Het vinden van onderduikadressen was problematisch. Gelukkig ontstonden allerlei netwerken van mensen die Joodse families wilden helpen. Daarbij liepen de helpers ook een groot risico.

Louise Stein
In het Rotterdamse gezin Stein werd in 1929 een tweede dochter geboren, Louise. Haar Joodse vader had Wenen verlaten vanwege de beroerde economische omstandigheden. Haar moeder kwam uit een Joodse familie die al ruim 2 eeuwen in Nederland woonde. In Rotterdam had vader Stein een bontmantelfabriek, die in 1936 naar Amsterdam werd verplaatst. De familie ging toen in Naarden wonen. Het dreigende gevaar van de nazi’s was duidelijk. Een visumaanvraag voor de VS werd echter in 1939 afgewezen waarna het plan ontstond om naar Curaçao te gaan. Er waren meer Joodse families die de ontsnappingsroute naar Curaçao volgden. Ze wilden vertrekken met het schip de Simon Bolivar, maar het schip was vol. Met de Simon Bolivar liep het slecht af, het liep op mijnen en zonk voor de Engelse kust. Ruim 80 opvarenden verdronken. Nederland was nog neutraal, maar daarmee waren er toch al oorlogsslachtoffers. Het vertrekplan werd een tijdje uitgesteld omdat de Rotterdamse oma terminale kanker kreeg. Zij overleed begin 1940. Het vertrek uit Nederland werd daarop gepland voor 25 mei. Helaas werd dat onmogelijk omdat de Duitser op 10 mei Nederland binnenvielen. De familie kreeg te maken met de steeds strengere repressiemaatregelen; niet meer naar de bibliotheek of zwembad mogen, niet meer naar de school, de gedwongen verhuizing naar Amsterdam. Er werd naarstig gezocht naar de mogelijkheid om onder te duiken.

Het gezin Potman
Johan Potman werd in 1873 in Leiden geboren, maar hij groeide op in de Haarlemmermeer. Zijn vader was aannemer. Ze lieten een huis bouwen aan de Lisserdijk (nr. 263). De bewoners van de Lisserdijk waren op Lisse georiënteerd. Johan ging er naar school en naar de hervormde kerk. Hij werd actief in de
kerk als kerkvoogd en was bijvoorbeeld ook betrokken bij het beheer van begraafplaats Duinhof. Johan
trouwde, maar het huwelijk bleef kinderloos. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Helena
(Lena) Hageman (geb. 1905). Zij was de dochter van de loodgieter uit de Kanaalstraat in Lisse. Het gezin Hageman hoorde kerkelijk tot de christelijk gereformeerde kerk, maar vanwege haar huwelijk ging Lena
over naar de hervormde kerk. In dit huwelijk werd een dochter geboren, Riet. Zij was zo vriendelijk om haar herinneringen met ons te delen. Natuurlijk was het leeftijdsverschil bijzonder, maar verder was het een heel gewoon gezin. Met de buren gingen ze goed om. Aan de ene kant woonde de familie Bras. Ze hadden een klein boerenbedrijf. Mogelik herinneren oudere Lissers zich nog dat zoon Cor Bras en soms ook vader Leen met paard en wagen in Lisse de schillen kwamen ophalen. Aan de andere kant woonde het gezin van boer Roos. Gewoon mensen die hun werk deden. In Lisse werden de boodschappen gedaan en ging Riet Potman naar de christelijke kleuterschool. Bij het begin van de oorlog was niet te voorzien dat al deze mensen helden zouden zijn. Maar dat werden ze wel.

Onderduikers
Het werd steeds duidelijker dat de Joden bedreigd werden. Onderduiken bood een mogelijke ontsnapping. Er ontstonden allerlei groepen die probeerden onderdakadressen voor Joodse families te krijgen. In Lisse zette ook ds. Ponstein van de christelijk gereformeerde kerk zich actief in. Via deze dominee kregen veel onderduikers een adres. Hij was duidelijk een spil in een goed lopende organisatie. Zo kon ook een tijdelijk adres worden gevonden voor Loes (Louise) Stein. De familie Hageman uit de
Kanaalstraat kerkte bij ds. Ponstein. Lena kerkte daar voor haar huwelijk ook, dus de dominee kende ook de familie Potman van de Lisserdijk. Zo kwam Loes Stein een periode naar de Haarlemmermeer. Ze was een angstig meisje, zich er zeer van bewust dat ze haar werkelijke achtergrond geheim moest houden. Ze was maar al te goed op de hoogte van de kwade bedoelingen van de nazi’s. Ze hield zich echt schuil. Riet Potman herinnert zich alleen een tochtje met de roeiboot met een van haar neven. Zelf schrijft Loes zich te herinneren dat er tarwe geoogst was en ze muizenkeutels uit de tarweoogst
moest halen. Ze vond het prima, had ze wat te doen. Heel lang is ze niet bij de familie Potman geweest. Ze ging weer naar een volgend onderduikadres. Zelf schrijft ze “de eerste 6 maanden werd ik van adres naar adres gestuurd”. Dan krijgt ze een onderkomen in de buurt van Apeldoorn waar ze kan blijven. Dankzij weer iemand van de christelijk gereformeerde ondergrondse. Ook haar vader en moeder kwamen naar dit onderduikadres. In totaal waren ze bijna twee en een half jaar ondergedoken. Het hele gezin Stein overleefde de Holocaust dankzij de mensen die hen onderdak gaven of die voor de contacten zorgden. Veel van hun familieleden overleefden de oorlog niet.

Lisserdijk
De gezinnen op de Lisserdijk boden daadwerkelijke hulp. Bij de familie Bras woonde Elly Engelsman (geb. 1941). Het meisje leek op de dochter van de familie. Elly was doof, maar de meisjes gingen als zusjes met elkaar om. Bij boer Roos waren ook Joodse onderduikers. Bij de familie Potman kwamen, nadat Loes Stein naar een volgend onderduikadres was gegaan, andere Joodse onderduikers, de familie Bormann (Adolf Bormann, Betsie Spanjer met zoon Loutje). Zij waren eerder uit Duitsland gevluchte Joden en zijn waarschijnlijk ook weer via dominee Ponstein gekomen. Het gezin kreeg een slaapkamer op de begane grond als “hun huis”. Loutje scheelde ongeveer een jaar in leeftijd met Riet Potman. Eigenlijk verbleven alleen moeder en zoon Bormann aan de Lisserdijk en verbleef vader door de week nog in Amsterdam. Mogelijk was het in het weekend te gevaarlijk om in Amsterdam te blijven, het kan zijn dat hij een vrijstelling had, in ieder geval kwam hij in de Lisserdijk. Gewoon met de tram vanaf Haarlem naar het Vierkant en dan lopend naar de Roversbroek. Op de Lisserdijk zagen ze hen al van ver
aankomen en haalden hen met de roeiboot op. De keuken was het gezamenlijke terrein van mevrouw Potman en mevrouw Bormann. Zij werd door Riet Potman gewoon tante genoemd.

Gastvrijheid en de risico’s

Ds. Aalt Ponstein

Over de Jodenhaat waren ook voor de oorlog al discussies. Ds. Ponstein stelde het in 1937 al heel duidelijk in een enquête, zoals blijkt uit het daarover gemaakte verslag “Stemmen van Christenen over Joden en Jodendom”, o.a. met: De ware belijders van den Christus kennen geen Jodenhaat.
De Jood, die objectief deze zaken wil zien moet dit erkennen. Doch ook ieder Christen moet inzien dat Jodenhaat in den diepsten grond Christushaat is. De Gekruisigde is daarom niet de scheiding, maar de vereeniging van Jood en Christen.”
Wat er allemaal dreigde kon men niet voorzien. Ds. Ponstein was zeer actief in het zoeken naar onderdak voor Joodse medemensen en bood zelf een Joods gezin onderdak. Zijn contacten binnen de christelijk gereformeerde kerk waren heel belangrijk. Of men steeds de reikwijdte en het gevaar overzag valt te betwijfelen. We zagen al het reizen met de tram van de heer Bormann en zijn zuster. Nu zouden we zeggen waaghalzerij, maar zo lagen de zaken duidelijk niet. Toen het zoontje van de familie Bormann last van zijn gebit kreeg ging mevrouw Potman met hem naar tandarts Simonis aan de Grachtweg. Het jongetje had “een typisch Joods uiterlijk” zoals men toen zei, wat tandarts Simonis deed besluiten om mevrouw Potman op het hart te drukken vooral niet nog een keer gewoon over straat met de jongen door Lisse te lopen. Je wist maar nooit. Ze zijn zich vast niet echt bewust geweest van het gevaar dat ze met hun gastvrijheid liepen. Er werd een beroep op ze gedaan en daar werd naar gehandeld. Ze deden hun christenplicht. Het wordt steeds gevaarlijker De sfeer in Nederland werd steeds grimmiger. Behalve Joodse onderduikers waren er steeds meer mannen die onderdoken omdat zij zich moesten melden voor tewerkstelling in Duitsland. De Duitsers organiseerden razzia’s. Gelukkig was dat nooit tegelijk in Noord- en Zuid-Holland. Werd in de Haarlemmermeer een razzia verwacht dan kreeg boer Roos, die ook actief was in het verzet, een waarschuwing. Tijd voor actie: de Joodse onderduikers van de buren Roos en Potman werden overgevaren met de roeiboot en ondergebracht in een schuur op bollenland in de Roversbroek (naar Zuid-Holland dus). De schuur was weer van een neef van de fam. Potman, die aan de Hillegommerdijk woonde. Ook de grote radio ging dan mee naar de overkant. Een oude radio was ingeleverd. Radio Oranje hoorde men op dit exemplaar. De uitzendingen begonnen met het Wilhelmus en mevrouw Potman zette dan soms expres de ramen open. Wilde ze benadrukken waar ze voor stond? Bewoners aan de overkant in de Roversbroek hoorden dat ook, en waarschuwden haar, zodat zij dat niet meer deed. Vader Potman raakte ook meer bij het verzet betrokken. Op een gegeven moment kwam zelfs de drukpers waarop het illegale blaadje van de Haarlemmermeer gedrukt werd naar het huis van de familie Potman. Neef Potman zorgde weer voor de verspreiding. Voor de onderduikers werd het uiteindelijk toch te gevaarlijk aan de Lisserdijk. Op de hele dijk waren prikkeldraadversperringen. Regelmatig zag je er Duitse militairen. Om te ontspannen gingen de soldaten ’s nachts vissen. Ze gooiden dan handgranaten in de Ringvaart. Eigenlijk werd het onhoudbaar voor de onderduikers en zij gingen door naar andere adressen. Alleen Elly Engelsman bleef de gehele oorlogsperiode bij de familie Bras.

Overleefd
Na de oorlog werd pas volledig duidelijk wat het voor de Joden betekend had om te worden weggevoerd. De moeder en het eveneens dove zusje van Elly Engelsman waren vermoord. Haar vader had het kamp wonder boven wonder overleefd. Elly Muller-Engelsman (1941-2019) zette zich in voor het uit de vergetelheid halen van het lot van de dove Joodse slachtoffers van de nazi’s. Zij richtte mede de Stichting DovenShoah op. Het gezin Borman overleefde de oorlog. De zoon is na de oorlog nog een keer aan de
Lisserdijk geweest. Hij had toen met een vriend een boot gehuurd. Ze vertelden dat ze in opleiding waren voor diamantbewerker. Verder is er geen contact meer geweest met deze familie. Ook de familie Stein overleefde. Bij het eerste bezoek na de oorlog aan de familie Potman bracht Loes het boek Jelle van Sipke Froukjes van schrijfster Nienke van Hichtum voor Riet mee. Loes Stein trouwde en verhuisde naar
Canada, maar de familie bleef contact houden.

Yad Vashem

De penningen van Yad Vashem

Dit is het officiële monument van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers uit de Holocaust.
Yad Vashem betekent letterlijk ‘hand en naam’. Mensen die zich ingezet hebben om Joden te redden kunnen een Yad Vashem onderscheiding krijgen. Zij horen dan bij de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’. Vanaf begin zestiger jaren van de vorige eeuw worden deze onderscheidingen toegekend. In die beginjaren werd ook een boom geplant in de Laan der Rechtvaardigen in Jeruzalem. Natuurlijk gaat aan een toekenning voor een onderscheiding een grondig onderzoek vooraf. Iemand moet natuurlijk de onderscheiding aanvragen. De familie Bras kreeg de onderscheiding al veel eerder. In hun huis hing een foto van de boomplant aan de muur. Voor de familie Potman is pas veel later een onderscheiding aangevraagd. Een jaar of vijf geleden was mevr. Loes Sorensen-Stein nog een keer op bezoek in Nederland, bij haar zuster. Riet Lanser-Potman heeft haar toen opgezocht en Loes vertelde toen dat zij bezig was de onderscheiding voor haar ouders aan te vragen. In 2018 werd officieel besloten om de
onderscheiding postuum aan haar ouders toe te kennen. Bomen worden er al lang niet meer geplant, maar de namen worden vermeld in de Tuin der Rechtvaardigen. De ambassadeur van Israël, Naor Gilon, reikte in oktober 2019 de Yad Vashem-onderscheiding, postuum toegekend aan haar ouders, uit aan mevrouw Riet Lanser-Potman. Zij ontving toen de oorkonde en de medaille die bij de toekenning horen. Dat gebeurde tijdens een indrukwekkende bijeenkomst in de Liberaal Joodse Synagoge in Den Haag. De hoogbejaarde zuster van mevr. Louise Sorensen-Stein woonde de plechtigheid, samen met haar dochter, bij. Jammer natuurlijk dat vader en moeder Potman deze erkenning niet meer hebben mogen meemaken. Waarschijnlijk zouden ze wat zij in die oorlogsperiode deden heel vanzelfsprekend gevonden hebben. Maar het was natuurlijk helemaal niet vanzelfsprekend. Mensen zoals het echtpaar Potman hebben hun eigen leven gewaagd om dat van anderen te redden. Zij handelden tegen onvrijheid. Die vrijheid koesteren we nu al 75 jaar.

Oud Nieuws: KLOPJES EN KWEZELKENS

Uitgelegd wordt wat het verschil is tussen klopjes, kwezels, begijnen em nonnen. Het zijn allemaal vrome vrouwen.

Deen Boogerd

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Op de lagere school leerden we een grappig liedje over een kwezelke. “Zeg kwezelke wilde gij dansen…”
Ik dacht er altijd een wezeltje bij. Maar dit grappige liedje is een spotlied op vrome vrouwen, kwezels,
kloppen, begijnen en nonnen.

Kloppen ook kwezels genoemd, legden geen kloosterlijke geloften af, maar eigen geloften aan een biechtvader. Zij leefden in soberheid, ook als zij vermogend waren. Zij waren lekenzusters dus zonder professie zoals kloosterzusters. Daarom konden de reformanten geen vat op hen krijgen. Zij leefden over vhet algemeen verspreid op zichzelf of bij familie. Hun eigen vermogen gaven ze ter beschikking aan de schuilkerken. Priesters vonden vaak een onderduikadres bij de klopjes. Ze gaven godsdienstles aan geïnteresseerden, eigenlijk waren zij met de vlekenbroeders de behoeders van het katholicisme in de tijd van de reformatie. Door de katholieke geestelijkheid werden zij ‘de bloem van de kerk’ genoemd en werden zij vergeleken met de maagden uit de begintijd van het christendom. Hun opoffering was groot.
Soms leefden klopjes ook in hofjesachtige wijkjes, zoals de bekendere begijnenhofjes met hun werkplaatsen. Tijdens de reformatietijd waren ze daar eenvoudig te vinden. Religieuze voorwerpen werden dan bij een inval van de schout in beslag genomen. Tegen de klopjes kon de schout weinig inbrengen omdat zij leken waren. Na het Twaalfjarig Bestand werd dat anders. Er kwam een verbod voor klopjes om godsdienstles te geven. Later werd de klopjes verboden om met meer dan twee vrouwen onder een dak te wonen. Halverwege de 17e eeuw konden klopjes en kwezelkens weer wat vrijer leven omdat de regels wat minder strak werden gehanteerd.

Begijnen
De benaming ‘begijn’ zou afgeleid zijn van St. Begga. Zij is dan ook de patroonheilige van de begijnen. Ongeveer eind 11e en begin 12e eeuw ontstaan er onder invloed van economische, sociale, politieke en religieuze factoren vrouwengroepen die een andere levensstijl aan willen hangen, misschien wel de eerste vrouwenbeweging in West-Europa. Ze zijn religieus maar horen en bespreken het evangelie liever in hun eigen taal in plaats van in het latijn (volkstaal-theologie). Een mannelijke variant van de begijnen waren de begarden (ook begaarden of bogaarden genoemd).

Zuster of non
‘Zuster’ is voor alle vrouwelijke religieuzen correct katholiek taalgebruik. De benaming ‘non’ heeft een kleinerende en kwetsende ondertoon. De benaming ‘non’ zouden we moeten vermijden. Een monnik wordt aangesproken als broeder ook niet als ‘hoi monnik’. Zo dient een kloosterlinge ook als zuster aangesproken te worden.

Schilderijen

Jan Steen “Boerenbruiloft” 1672. Rijksmuseum.

Kunsthistorici zoeken tevergeefs naar de bruidegom in deze werken, blijkt uit beschrijvingen van de beide schilderijen. In meerdere zgn. “Boerenbruiloften” kom je dezelfde symboliek tegen, daar willen we wel wat meer over weten. Dus wie meer weet over symbolen, laat het weten. De bruid zit altijd voor een doek of kleed en er is nog meer symboliek. Alle verleidingen van het wereldse leven zijn afgebeeld en de “bruid” zit er bij als een godsdienstig, vroom mediterend meisje. De bruidegom zie je niet in dit overdadige tafereel, die heeft het klopje in haar hart gesloten. Hij klopte en zij heeft hem binnen gelaten, daarom neemt ze afstand van alles wat haar van

Pieter Brueghel de Oude “Boerenbruiloft” 1567. Rijksmuseum

Hem kan afleiden. Op het groene kleed boven haar hoofd hangt een treem (zeef) om onzuiverheden te ziften uit bijvoorbeeld melk. Boven haar hoofd om onzuivere gedachten tegen te houden naar haar geest. De tarweschoven met de hark zijn symbool van de oogst. Het klopje is die nieuwe oogst. Nu geeft Pieter Brueghel de Oude nog een ingetogen beeld van al deze zaken. Jan Steen doet er wel wat schunnige schepjes bovenop. De wereldse verleidingen worden bedenkelijk gadegeslagen door het jonge stel links, terwijl het gekroonde devote kwezelke rechts bespot wordt. Ook hier symbolen van de oogst in de vorm van gevlochten guirlandes en een hangende krans. Zoek de beelden maar op en vergroot ze uit. Help VOL om oude symbolen en hun betekenis te
achterhalen. Symbolen zijn belangrijke cultuurhistorische gegevens.

Bronvermelding

‘Zuster of non’ uit een blog van zuster Madeleine
Bouman van het Missieklooster ‘Heilig Bloed’ te Aarle-Rixtel.

Bij de voorplaat: herdenking bevrijding

De voorplaat laat net even wat meer vlagvertoon zien dan anders vanwege het feit dat we dit hele jaar 75  jaar bevrijding vieren en herdenken. Oranje bovenaan, dat is logisch, dan onze nationale driekleur, vonder onze Lissese kleuren.
De vier nummers van 2020 zullen deze feestelijke kleuren dragen. Het wordt een jaargang met een vrijheidstintje. In elk nummer komt een verhaal dat iets vertelt over die nare vijf jaar bezetting in ons dorp. Gelukkig ging dit ook voorbij. Wat een vreugde gaf dat in de harten van onze dorpsgenoten van toen. Sommigen van onze lezers hebben nog meegemaakt dat bijna alle inwoners van Lisse langs de Heereweg uitgelaten stonden te zwaaien naar de bevrijders. Vlaggen kwamen weer te voorschijn uit de mottenballen en wapperden weer vrij en vrolijk in een lentebriesje. Eindelijk weer luchtigheid, vrijheid om te zeggen wat je denkt. Ook de stilte van herdenken hoort hierbij.

Bevrijding

Oud Nieuws: VERDWENEN BEGRAAFPLAATSEN

De geschiedenis van de begraafplaatsen bij de Dorpskerk, de Schuilkerk bij het Mallegat en de eerste begraafplaats bij de Agathakerk worden besproken.

Nieuwsblad jaargang 19 nummer 1 2020

door Dik Floorijp

De huidige begraafplaatsen in ons dorp, met uitzondering van die bij de Hervormde kerk, waar niet meer wordt begraven, stammen uit de 20e eeuw. In de loop der eeuwen zijn er tienduizenden mensen begraven bij de dorpskerk. We kunnen ons er nauwelijks een voorstelling van maken

Voor de Reformatie rooms-katholiek en daarna protestant, al werden de pastoors die tot de notabelen behoorden, nog in de kerk begraven. Van de meesten is geen spoor meer te ontdekken, alleen van degenen die een grafschrift achter lieten, maar veel grafschriften zijn verloren gegaan. Alleen in de
archieven komen we hun namen nog tegen, zij waren deelgenoot van de samenleving in ons dorp. Soms zijn er verhalen van bewaard en komen ze weer terug in ons geheugen. Bij het Mallegat aan de Achterweg heeft al in 1682 een schuilkerk gestaan met een kerkhof. Het gedeelte vanaf de Catharijnelaan en Tweede Poellaan, die vroeger in het verlengde van elkaar lagen, behoorde kerkelijk onder Sassenheim. De kerkelijke grenzen liepen anders dan de gemeentelijke grenzen. De pastoor woonde in Sassenheim en bediende ook Warmond, Voorhout en Lisse. Pastoor Adriaan Hoekgeest, ook wel Houckgeest, had het er druk mee. Hij was in dat jaar 1682 door het zgn. kapittel van Haarlem aangesteld. In de archieven komen we hem tegen als weldoener, hij kocht uit eigen middelen een staand orgel voor de kerk. Hij was één van de eersten die op het kerkhof werd begraven op 23 januari 1687. Van de begraafplaats aan de Achterweg resten ons alleen uit de archieven een kleine tweehonderd namen van personen die er werden begraven. Een enkeling is daarvan te traceren maar allen hebben alleen een patroniem, zoals Claes Jansz. of Trijntje Pietersdr. Achternamen waren nog niet zo gebruikelijk in die tijd. Als ze dan niet als echtpaar staan vermeld is het heel moeilijk zoeken en moet je dezelfde overlijdensdatum al tegen komen om een verband te leggen. Tot in de 20e eeuw kwamen er bij het ploegen nog beenderen naar boven. De plaats waar de kerk, pastorie en begraafplaats gestaan hebben is nu vol gebouwd. Te bedenken dat tot 1843 toe, generaties over een zandweg door weer en wind zondags ter kerke gingen. Wat zal het een grote opluchting geweest zijn voor de dorpsbewoners nu eindelijk de kerk in het dorp stond. Dit in tegenstelling tot de kerkgangers uit De Engel, zij mochten nu een stevige wandeling over de nog zanderige Heereweg maken. De eerste St.Agatha kerk was gebouwd op grond van buitenplaats de Mossenhof, de plek waar vroeger de schout woonde. De bouw begon in 1842 en op 19
juni 1843 werd de kerk geconsacreerd. Van die kerk en haar kerkhof is niets overgebleven, op die plek is het Pius gesticht gebouwd, ongeveer daar waar nu het Paus Franciscushuis staat. Alleen rooms-katholieke mensen die tussen 1843 en 1901 zijn overleden, zijn op het oude St.Agatha-kerkhof begraven.

Drie eerdere Agatha kerken op een rijtje, voor de Reformatie was de dorpskerk de eerste Agathakerk.

 

Het staartje van de Waterwolf

Bij de aanleg van de Ringvaart werd Lisse in tweeën verdeeld. De oostkant van Lisse werd bij de Haarlemmermeer ingedeeld. Families werden gescheiden.

Nieuwsblad jaargang 19 nummer 1 2020

Deen Boogerd

Ja, de Waterwolf was bedwongen, maar liet wel littekens achter in het landschap. Bij Lisse had de “Waterwolf ” weinig land opgeslokt. Uiteindelijk werd er wel een flinke hap Lisse door de “Poldermol” verorberd. Die zijn gang groef dwars door ons gebied. Plots werden families gescheiden door het water van de Ringvaart. De één woonde helemaal in Noord-Holland en de ander bleef in Zuid-Holland.
Gelukkig is er nog de brug.

De rolbrug was de eerste brug, in 1843 werd ze gebouwd. De brug werd open gerold in de richting van de Broekweg, later pas Kanaalstraat. Er zijn helaas geen uit 1851 aangepast voor herstelwerkzaamheden aan het rolmechanisme. In het boek “Zo was het in de Lisserbroek” staat op pagina 14 de bouwtekening van 1843 met brugwachterswoning. In 1877 wordt deze brug vervangen door de stalen draaibrug. Die brug werd ook wel “de brug der zuchten” genoemd. Toen het verkeer drukker werd stonden er regelmatig boze chauffeurs tegenover elkaar.

Rolbrug luchtfoto uit 1954

Soms met gebalde vuisten, maar ook elkaar strak aankijkend te bluffen wie er de langste adem en de meeste tijd had om te wachten tot de ander achteruit reed om voorrang te verlenen. ’s Nachts was die rammelende brug ook geen lolletje, iedere overstekende auto hoorde je mijlen ver en werd er in menig bedje weer eens iemand zuchtend wakker. In 1968 was die ellende voorbij met de opening van de ophaalbrug die er nu nog staat. We snappen het wel, maar het blijft toch jammer dat ze het kanaal niet met een heel wijde bocht om onze Lisserbroek hebben gegraven. Dat is het nog altijd nazwiepende “Staartje van de Waterwolf”, au!

Ruzie op de brug der zuchten 1967, vlak voor de sloop in 1968. (in scène gezet)

Oud Nieuws: KLOPJES VAN LISSE

De Kloppenbrug is vernoemd naar de klopjes, lekenzusters, die bij de schuilkerk aan het Mallegat  kerkelijke diensten deden.

Jaargang 19 nummer 2, 2020

door Dirk Floorijp

Weten we eigenlijk wel dat de klopjes onder ons hebben geleefd? Zijn er nog die klopjes in hun
familiegeschiedenis tegenkomen? Hoeveel klopjes waren er in Lisse?

t kloppenleven ontstond na 1581 toen de gereformeerden een algeheel verbod op kloosterorden invoerden. De r.-k. religie mocht wel beleden worden, als het maar niet gezien werd. Daarom kwamen
er schuilkerken die verstopt werden achter muren of binnen gebouwen of achter bosschages schuilgingen. Het was een typisch Nederlands iets. Nog steeds zijn er tekenen van zichtbaar, zoals de bekende schuilkerk “Ons’ Lieve Heer op Solder” in Amsterdam en de schuilkerk aan het Mallegat bij de Engel, al is daar niets meer van te zien dan alleen de grafsteen van de pastoors die er hebben gediend. ’t Huys Dever had ook een schuilkerk, de kapelzaal herinnert ons daar nog aan. Achter de grote kastdeuren heeft ooit een albasten altaar gestaan. Ook in het oude Meerenburgh zou zo’n kapelzaal geweest zijn. Deze kapelzalen waren vooral voor de elite, het zou niet moeten mogen, maar verschillen waren er toen
ook. Het gewone kerkvolk moest het doen met een omgebouwde stal, voor hen geen plaats in….. hmm, komt dat bekend voor? Het verhaal gaat dat niet alleen in het westen, maar ook in andere delen van het land de klopjes deuren langs gingen en met klopsignalen aankondigden dat er een mis plaats vond. Volgens historici is dat niet juist. Klopjes waren zoals in akten steeds voorkomt r.-k. geestelijken die de gelofte van kuisheid hadden afgelegd. Zij leefden niet binnen een klooster, maar thuis of met enkele vrouwen samen in één huis. Zij werkten veel in de zorg of gaven les op school. De oudere generatie kan de lesgevende klopjes nog hebben gekend of er van hebben gehoord, al wisten ze misschien niet dat ze zo heetten. Het laatste klopje overleed in 1930. In Twente zijn nog enkele klopjeswoningen bewaard gebleven. Ook in Lisse heb ik een drietal klopjes ontdekt, maar er zullen ongetwijfeld meerdere zijn geweest. In 1765 woonde Antje Cornelisdochter Ruijgrok van der Werve met Antje Maartensdochter van de Velde samen op de buitenplaats Wassergeest. In een testament laten ze aan elkaar hun bezit na. Ook Lena van Oerle, dochter van de wagenmaker Pieter van Oerle, in 1767 thuiswonend, was een klopje. De klopjes stonden in hoog aanzien. In een oude akte lezen we dat in 1813 pastoor Johannes Christophorus Freede van de schuilkerk op zijn ziekbed zijn testament opmaakt. Op één legaat na laat hij alles achter aan zijn geestelijk dochter (Klopje) Lijbje Hendrikse Karstens wonende te Lisse. Tot nu toe hebben we al vier klopjes achterhaald, maar wie weet komen er nog meer over de brug?

De Kloppenbrug op de Achterweg over het Mallegat herinnert ons nog aan deze klopjes. Het verhaal gaat dat zij tijdens de dienst in de boerderij daar een oogje in het zeil hielden en als er dan gevaar dreigde dat ze op de brug met hun klompen stampten. Zo werd het kerkvolk tijdens de mis gewaarschuwd als er iets mis was. In haar proefschrift ‘Beelden voor passie & hartstocht’ toonde de kunsthistorica Evelyne Verheggen met behulp van diverse afbeeldingen op devotieprenten aan, dat de verklaring voor de naam klopjes is, dat Christus op de deur van het hart van deze vrouwen klopte, waarna zij de deur van hun hart voor Hem openen.