Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

VAN VER GEKOMEN: Hongaarse roots van de familie Paardekooper

In de serie ‘Van Ver Gekomen. wordt deze keer de voorouders van Kees Paardekoopen onder de loep genomen. Op 17 februari 1924 is zijn moeder op 12 jarige leeftijd naar Nederland gekomen.

door Wim Bosch

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Kees Paardekooper en zijn vrouw Elly ontvingen mij en mijn vrouw Rina hartelijk in hun woning aan de Heereweg bij het Bevrijdingsbeeld. Kees legde mij met zijn notities van het levensverhaal van zijn
Hongaarse moeder Ottilia uit hoe zij in Nederland terecht is gekomen, zijn vader Arie Paardekooper heeft ontmoet en later met hem is getrouwd. Arie Paardekooper was bloembollenkweker. Nelly, de zus van Kees, heeft de prachtige oude foto’s verstrekt voor dit verhaal.

Otillia Valeria Gyurasko, was de officiële meisjesnaam van Ottilia, de vrouw van Arie Paardekooper en
moeder van Kees. Zij is in Hongarije geboren op 11 december 1911 als enigst kind van haar ouders. Haar moeder heette Borbala Guyrasko-Sas, geboren in Hongarije en in 1913 overleden aan longontsteking. De vader van Ottilia heette Istvan Gyurasko. Hij werd geboren in Eperjes (Tsjechië) in 1867 en was drukker bij de krant Pesti Hirlap in Boedapest. Hij overleed in 1917 aan een hartaanval. Ottilia werd dus al op zesjarige leeftijd wees. Zij werd in huis genomen en opgevoed door haar tante Róza en oom Istvan, die woonden in Dunapentele aan de Donau, ca. 60 km ten oosten van Boedapest. Haar oom en tante waren goed voor haar. Ottilia kreeg een goede opvoeding, volgde de lagere school en leerde zwemmen in de Donau.

Ottilia naar Nederland

Otillia op jonge leeftijd

Hongarije was toen nog een onderdeel van het Oostenrijkse Habsburgse keizerrijk, de dubbelmonarchie. Die viel in 1918 uit elkaar nadat met Duitsland de Eerste Wereldoorlog was verloren. Hongarije verarmde toen snel en leefde van de opbrengst van de landbouw, maar moest ook schulden aan de geallieerden betalen. Veel gezinnen geraakten toen onder het bestaansminimum. Ook Ottilia’s tante Róza en oom Istvan konden de opvoeding van Ottilia financieel niet meer opbrengen. Het Hongaarse Rode Kruis en de ‘Liga’-organisatie hebben toen besloten om 150.000 kinderen, vooral wezen en kinderen uit zeer verarmde gezinnen, een half jaar lang te laten onderbrengen bij Nederlandse gastouders. Dit was een nationale hulpactie log neutrale Nederland! Ze gaven aan deze Hongaarse kinderen een rustperiode van een half jaar. Zo kwam Ottilia op 17 februari 1924 als twaalfjarig kind naar Nederland. Ze werd toen ondergebracht bij ‘tante Pietje’ van den Berg in Voorhout.

Oma van den Berg, tante Pietje en Ottilia.

Adoptie van Ottilia
De bedoeling van het Rode Kruis was dat de Hongaarse kinderen hier een half jaar zouden blijven. ‘Tante Pietje’ van den Berg had geen kinderen en gaf te kennen dat ze Ottilia graag wilde adopteren. Mede door de hulp van de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest, waar Ottilia’s vader jarenlang drukker was geweest, en met behulp van officiële instanties slaagde de adoptie en werd Ottilia de pleegdochter van ‘tante Pietje’. Ottilia kreeg van ‘tante Pietje’ een gedegen katholieke opvoeding: doordeweeks ging ze naar een katholieke school, ‘s zondags naar de kerk en elke dag naar de ochtendmis voor de school begon. Later ging ze naar de huishoudschool en kreeg daar lessen in koken, naaien, breien en alles wat met de huishouding te maken had. Ze slaagde met vlag en wimpel voor de opleiding van coupeuse en
kon geweldig goed kleren maken, jurken, jasjes enz. Tante Pietje trouwde op zestigjarige leeftijd met
weduwnaar Leen van der Geer en Ottilia kreeg toen in een keer tien broers en zussen en werd helemaal
in het gezin opgenomen.

Verkering van Ottilia
Arie Paardekooper, zoon van een herenboer uit Oegstgeest, wilde het bloembollenvak leren en fietste elke dag naar zijn stageadres aan de Boekhorstlaan in Voorhout. Jawel, daar woonde ook Ottilia van
den Berg! Ze leerden elkaar kennen en het ’klikte’. Ze werden verliefd en de liefde tussen Ottilia en Arie bleek hecht. Toen de vader van Arie hoorde van de verkering werd hij woest! Voor zijn zoon had hij als vrouw een dochter van een rijke bollenboer in gedachte en zeker niet een arme vluchtelinge uit Hongarije. Het verhaal gaat dat ze plechtig moesten beloven dat ze elkaar twee jaar lang niet zouden zien, spreken of schrijven en op geen enkele wijze nog met elkaar contact zouden hebben. Als de twee jaar voorbij waren en ze waren nog steeds verliefd op elkaar, zou opa zijn zegen geven. Na twee jaar hadden ze dus echt verkering en Arie heeft heel wat afgefietst naar Voorhout. Arie en Ottilia zouden nu trouwen. Maar dit was niet eenvoudig! Veel instanties moesten dit huwelijk goedkeuren en werden daarvoor benaderd, tot en met een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken Hendrik van Boeijen, door Ottilia geschreven. Ook de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest verleende veel medewerking en tenslotte was aan alle voorwaarden voldaan.

Huwelijk van Arie en Ottilia
Arie en Ottilia trouwden op 11 mei 1938 en gingen wonen in Lisse aan de Heereweg 57. Op de volgende pagina staat de trouwfoto met links naast de bruid ‘tante Pietje’, die toen getrouwd was met Leen van der
Geer, die naast haar staat. Rechts van bruidegom Arie staat zijn moeder Clara en zijn vader Kees Paardekooper. Ze kregen zeven kinderen: Carla, Nelly (doopnaam Borbala, de naam van Ottilia’s
moeder), Kees, Tilly (doopnaam Ottilia!), Truus, Ad (doopnaam Adrianus Istvan, naar de vader van Ottilia) en tenslotte de jongste die Marian heet. Ad overleed op 1 januari 2002 na een ziekbed op 55-jarige leeftijd.

Latere voorvallen in Ottilia’s leven
Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, was er op het platteland best nog wat verkrijgbaar. Arie Paardekooper pachtte land aan de Loosterweg en teelde naast bollen ook aardappelen, bonen en tabak. Ottilia naaide de kleren van haar kinderen en verstelde ze, want ze was ontzettend goed met naald en draad! Aan het einde van WO II maakte ze voor Kees uit een lange onderbroek een pakje, mooi blauw geverfd en geborduurd. Tijdens de oorlogsjaren waren de contacten van Ottilia met haar familie in Hongarije heel beperkt. Ook na de oorlog bleef het moeizaam: Hongarije was door de Russen bezet, maar er was wel een briefwisseling van Ottilia met haar nichten Irma en Margit, totdat in 1956 de Hongaarse Opstand uitbrak. Er ontstond chaos in Boedapest met veel doden, gewonden en vluchtelingen. Toch werd door Ottilia nog wel contact gezocht d.m.v. brieven aan Irma en Margit. Er kwam toen een telegram met de tekst: ’Wij leven, help ons’. Er was namelijk aan alles gebrek in Hongarije. Ottilia’s man Arie stuurde een groot pakket met zaken die in Hongarije moeilijk of niet te verkrijgen waren, zoals nylons, lingerie, kleding en voedingswaren. Via de post werd een lijst gestuurd met alles wat er in het pakket moest zitten. Helaas bleek dat meer dan de helft was gestolen! De douane zelf had het gejat! Evengoed hebben Arie en Ottilia nog vele jaren kleding en andere goederen naar Irma en Margit en hun vriendin Erzi gestuurd.

Op 4 februari 1969 overleed Ottilia’s man Arie Paardekooper plotseling aan een hartstilstand, terwijlhij ter observatie in het Marinehospitaal in Overveen lag. Hij werd maar 56 jaar oud. Daarna brak een zware tijd aan voor moeder Ottilia en haar kinderen. Wel heeft ze veel steun gehad van familie en vrienden. Het woonhuis aan Heerewe 57 werd verkocht aan Ad Paardekooper, de broer van Kees. Ottilia ging in 1971 wonen in een toen nieuwgebouwd huis aan de Nassaustraat 1a in Lisse. Ze kon goed wennen in de Nassaustraat en had veel aanloop van haar kinderen en kleinkinderen, wat voor haar echt een grote troost was. Eind 1969 zei Ottilia tegen haar zoon Kees dat het haar heel grote wens was om nog een keer terug te gaan naar Hongarije. Want ja, er zat al zo’n 45 jaar tussen haar vertrek uit
Hongarije en 1969. Maar Hongarije was in 1969 nog bezet, dus erg moeilijk te bezoeken. Visa, reisdocumenten, verblijf en valuta moesten geregeld worden. Uiteindelijk is Ottilia in 1970 met Kees en zijn vrouw Elly vertrokken naar Hongarije. Ze reisden via Duitsland, Zwitserland (Schaffhausen), Oostenrijk (Salzburg en Wenen) naarbBoedapest. De grenscontrole was wel pittig, maar niet zo erg als in Oost-Duitsland en Oost-Berlijn. Op weg naar Irma in Dunapentele aan de Donau hadden ze prachtig
weer en reden over mooie landweggetjes en langs wilde rozenstruiken. Ottilia werd heel zenuwachtig,
want ze herkende de omgeving, de kerk, de school en natuurlijk het huisje waar ze was opgegroeid
met het nog steeds daarbij aanwezige varkenskot. Uit het boerderijtje tegenover haar oude huis kwam een oud vrouwtje, heel armoedig met slechte tanden, maar wel heel aardig. Ze zei tegen Ottilia: Ik ken
je wel niet, maar jij bent Ottilia, die na de grote oorlog naar Holland is gegaan! Toen brak bij beide vrouwen veel emotie los! In het boerderijtje van die oude vrouw was niets veranderd: dezelfde hoekbank en kruisbeeld. Het vrouwtje was wel veranderd, maar toch was ze nog steeds het vroegere buurmeisje. Ook bij haar nicht Irma werd Ottilia later hartelijk ontvangen. Op tafel stond zelfs een foto van Kees’
dochter Ilse, die oma Ottilia aan Irma gestuurd had. Na aankomst gingen ze meteen de boomgaard in, plukten kersen en praatten met elkaar. Kees en Elly waren verbaasd dat moeder Ottilia toch nog redelijk Hongaars sprak! Het was een mooie reis, vooral voor hun moeder. Ze mochten zelfs in de kerk in Dunapentele het originele doopregister van moeder Ottilia inzien! Later zijn Erzi en Irma nog verschillende keren in Nederland geweest bij de familie. Van het communistische bewind mochten oudere mensen die niet meer werkten, het buitenland bezoeken.

Krantenartikel over Hongarije in 1956

De rolbrug over de Ringvaart rond 1920

Op een foto uit 1920 staat de de draaibrug over de Ringvaart.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

door de Redactie

De foto op de voorpagina is van ongeveer 1920. De Ringvaart, hier stijf bevroren, werd gegraven om uiteindelijk het grote meer leeg te malen en leeg te houden. Deze brug is van 1877. De eerste brug van 1843 was een rolbrug, die rolde open op rails in de richting van de Kanaalstraat. De foto laat goed zien dat de Dorpskerk veel hoger staat dan het ervoor liggende gebied. Zo kun je bedenken dat als je op het meer voer bij Abbenes dat je opkeek naar Lis. De eerste brugwachter was Albert Alders die dienst deed van 1843 tot 1877, hij waakte over die oude rolbrug. Zijn zoon Aart Jacobus Alders was de eerste brugwachter van de draaibrug. Hardnekkig bleef men die brug rolbrug noemen en ook “Brug der Zuchten”. In 1915 nam Gerrit Wesselius de draaistang over tot 1953. Na hem mocht Nol de Keijzer met het klompje hengelen, en ook nog na 1968 toen deze brug werd vervangen door de ophaalbrug.

Lisserbrug rond 1920

DE POSTERIJEN

Een overzicht van de posterijen is in 1920 gemaakt door A. van der Meij. Het is bewerkt door Arie in ‘t Veld

In 1920 geschreven door A. van der Meij, bewerkt door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Het lijkt allemaal zo simpel: je schrijft een brief of kaart, voorziet deze van een postzegel, deponeert het ding in de dichtstbijzijnde brievenbus en korte tijd later is het schrijfsel beland op de plek waaraan deze is geadresseerd. Tante Pos heeft dan weer op volle toeren gedraaid en gezorgd dat miljoenen geadresseerde stukken op de bestemde plekken kwamen. Met dank van de ontvanger, behalve als het rekeningen of die hatelijke blauwe enveloppen betreft natuurlijk.

Foto: Het oude Post, Telefoon en Telegraafkantoor op de hoek Kanaalstraat/Heereweg,
Foto: Oud Lisse

De postbezorging van vandaag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze werd wat het nu is. De Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen eerder onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. Met de aantekening dat er sinds 1920 natuurlijk heel veel meer is gebeurd, waardoor de postbezorging nog efficiënter en sneller is gaan werken. Met natuurlijk de nodige negatieve uitzonderingen. We volgen het relaas van Van der Meij. Uiteraard in de oorspronkelijke spelling. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezers door te stellen dat zijn vader een vleeschhouwerij had die rond Paaschen 1837 door hem werd geopend. “In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode ‘s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 ½ cent worden betaald, buiten de porto. Om een brief vanuit Lisse te verzenden moest men ‘s middags die bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse, met bijvoeging van 4 duiten of 2 ½ cent. Dan nam de bode de brief mee naar
Sassenheim ter verdere verzending. Frankeering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”. Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brievengaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld. “Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”. Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toenmalige burgemeester van Lisse E.J. van den Berg.
Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend. In dien tijd bezorgde hij zelf de brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die tweemaal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation “Veenenburg” haalde. Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar vanuit Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 meter boven de grond een
houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden. en waarin hij ‘s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ‘s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ‘s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ‘s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven of te ontvangen,” aldusVan der Meij in zijn verslag en intussen ook schetsende dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent moest betalen aan porto. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden 10 cent per gewonen brief betaald worden. Postzegels waren dat jaar reeds ingevoerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd. Het publiek greep evenwel zelf in. Ied ere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoohet overige publiek zijn voorbeeld te volgen. Van dien tijd dateert het nog dagelijks (1920) voorkomende ‘Br. fr.’ in de dvertenties in de couranten”.

Briefkaarten
Van der Meij vertelt dat in 1876 de open briefkaarten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7 ½ en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd. Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht, waarbij voor den oorlog (1e WO red.) bijna alle staten van de wereld waren toegetreden. Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor brieven en briefkaarten over de geheele wereld. postpakketdiensten en verreke npakketten”.Van der Meij illustreert verder dat, “het tarief voor de gewoone brieven 12½ cent is, en voor briefkaarten 5 cent. Gedurende de oorlog en ook nog niet
kort daarna heeft de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van het binnenlandse tarief de malle verhouding is ontstaan dat een brief van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 ½ cent en een briefkaart 5 cent kost en naar landen der vereeniging respectievelijk 12 ½ en 5 cent.
Telefoon telegraaf Het telegramtarief voor het binnenland was in 1872 30 cent voor 20 woorden,
behalve het bestelloon dat de geadresseerde moest betalen. Voor den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent voor 10 woorden en geen bestelloon als de geadresseerde binnen de bestelkring van het telegraafkantoor woont. Thans (begin twintiger jaren-red.) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en is thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het telefoonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”. Dan vertelt hij verder, dat het betalen van porto tot 1875 voor een brief naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Het welk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikng kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ‘s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de volgende dag ‘s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen. Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden. Het hulppostkantoor Lisse ressorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f 2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet wat dat betreft 13 duizend gulden per jaar. oen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar.” Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse. Een zeer formalistisch man, niet zeer meegaande voor het publiek.

Postkantoor
Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames Van Parijs (thans de supermarkt Hoogvliet-red). De heer Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde post-en telegraafkantoor is geopend met de heer Bondam als directeur. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks uitbetalen van ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Dat
bewuste postkantoor heeft aan de gemeente ongeveer f 22.000,– gekost en zij ontving daarvoor van het Rijk een huur van f 1.224,– per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascommissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het posten telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,– zou kosten. Het lid der Gascommissie Van der Meij zeide op die mededeeling terstond: “Ik weet beter. Laat het Rijk het post-en telegraafkantoor aan de Rijksstraatweg (Heereweg red.) kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein.” Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,– inclusief e bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein in eigendom. (globaal gesproken
gaat het hier over de hoek Berkhoutlaan/Heereweg, aan de zijde van het huidige winkelpand  ‘De Madelief’ red.) “Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgden er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A. van der Meij) gebeurd dat ik ‘s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ‘s morgens om acht uur het antwoord
daarop in huis had. Naar het noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer deze naar het noorden reeds verzonden zijn en dus bleef liggen tot de verzending met de middag- of avondpost.

Rijkstelegraaf

Het Postkantoor is het tweede gebouw rechts tijdens de oorlog.

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het overige land. Zoodra de Hollandsche IJzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle
Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden telegrammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf. In het
jaar 1908 werd het net door het Rijk overgenomen. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het geheele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonnee’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is  de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg door een ondergrondschen kabel vervangen. Op 1 april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonnee’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer Den Braber als chef en nog 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en teleloon bestond alzoo uit 25 mannelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de posterij.

Postbestelling
Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde postbestelling ‘s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voorzitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer P. Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Posterij overtuigde van de onbillijkheid dat de  bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ‘s morgens voor twaalf uurontvingen en de post te Lisse eerst ‘s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der posterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ontvangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand
van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen,” aldus Van der Meij die zijn verhaal in Ons Weekblad besloot met uit te spreken te vrezen dat..: “Er in ons land verscheidene zulke toestanden zijn. De brievenposterij is een monopolie en dus niet gebonden aan provinciale of gemeentegrenzen,” en tevens constateert dat het kantoor in Lisse ook werd belast met het overzenden van de loonlijsten. “Door de girodienst is in 1919 alhier 600.000 gulden behandeld en een jaar later was dat al ruim een miljoen gulden…” Een mooi relaas uit een aanzienlijk minder jachtige tijd dan nu, maar ook zonder al die moderne communicatie middelen als
internet en e-mail…… ■


Het imposante gebouw links is het Lissese postkantoor, dat omstreeks 1965 werd
afgebroken.

VEREDELING VAN BOLLEN EN BELLEN (vervolg)

In het tweede deel van dit verhaal gaat Herman de Graaff voornamelijk in over veredeling van de bellen: de fuchsia.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Omslag van een zeer uitgebreid botanisch boek, waarin Leonhart Fuchs vele nieuw ontdekte soorten
beschrijft.

In het vorige Nieuwsblad bij dit verhaal over Herman de Graaff eindigden we bij “Een hobby wordt geboren”. Waar in het vorig nummer de nadruk lag op de voorgeschiedenis dus op de bollen, gaan we nu vooral in op de bellen. Herman laat ons weten waar de klepel hangt van deze prachtige klokvormige bloemen die een lust voor het oog zij De fuchsia Fuchsia’s komen van nature uit Zuid-Amerika. Van daaruit verspreidden ze zich naar Mexico in het noorden en naar het zuiden via Antarctica naar Nieuw-Zeeland. Zelfs in Australië zijn miljoenen jaren oude sporen van fuchsia’s gevonden. In de miljoenen jaren tijd dat deze verspreiding plaatsvond deden zich spontane mutaties voor zodat je nu heel andere soorten hebt in Mexico dan in Nieuw-Zeeland. In Nieuw-Zeeland komen zelfs kruipende vormen van enkele centimeters hoogte en een boomvorm die meer dan 10 m hoog wordt voor. Ook de bijzondere
kleurschakeringen daar zijn een uitdaging voor de veredelaars. Het volgen van zo’n verspreiding is een feest voor een geneticus. Bij veroveringen in Zuid-Amerika werden meestal ook planten meegenomen naar Europa. In die tijd werd de fuchsia hier beschreven en kreeg de plant haar naam, ontleend aan de Duitse botanicus Leonhart Fuchs (1501-1566)

De fuchsiavereniging

Leonhart Fuchs was een Duits botanicus en arts. In 1533 kwam hij op verzoek van hertog Ulrich van Württemberg naar de Universiteit van Tübingen, waar hij vanaf 1535 hoogleraar in de geneekunde was. In 1535 begon hij bij zijn huis een educatieve botanische tuin, een van de eerste van Europa.

Begin jaren 60 van de vorige eeuw waren er wat enthousiastelingen die hier een fuchsiavereniging op wilden richten. Het grote voorbeeld was Engeland. Daar waren prachtige landgoederen waar de tuinbazen voor heel gedifferentieerde collecties fuchsia’s hadden gezorgd. Er was een bloeiende
fuchsiavereniging. Nederland was er rijp voor. In de Hortus van Leiden kwam in 1966 de eerste
fuchsiatentoonstelling, gevolgd in 1968 door een prachtige tentoonstelling in Elswout, Bloemendaal. De opgerichte vereniging, de Nederlandse Kring van Fuchsiavrienden, telt dan al 750 leden. Al die variëteiten, waaronder een nieuwigheid als seringbloeiende fuchsia’s, zorgden voor veel belangstelling en werden voor velen de start van een nieuwe liefhebberij. Niet voor niks ontstond in deze periode het liedje van Annie M.G. Schmidt “Wil u een stekkie, een stekkie….”. Ook Loeky en Herman waren verkocht. Zij werden in 1972 lid van de vereniging en de fuchsia werd een passie voor het leven.

Veredelen
Met een achtergrond in de genetica was “een stekkie” voor Herman natuurlijk niet voldoende. Hij kende het fenomeen van veredelen van de narcissen, maar daar duurt het zo’n 7 jaar eer je kunt beoordelen of je een succesvolle variëteit te pakken hebt. Hoe anders is dat bij de fuchsia, daar kun je het zaaisel al het volgende seizoen beoordelen. In de natuur zorgen kolibries met hun lange snavel voor de bestuiving. Hier kun je bessen krijgen na bestuiving door bijen, hommels e.d. Maar de echte liefhebber wil gerichte bestuiving. Bij willekeurige bestuiving kun je zeggen dat het voor 1:100 zaailingen de moeite waard is om te laten keuren. En een echt succes levert 1:500 zaailingen op. Bij gerichte bestuiving is de succeskans veel groter. Er zijn inmiddels zo’n 20.000 cultivars met naam bekend. Er zijn er natuurlijk veel meer geweest. Nieuwe cultivars worden geregistreerd bij de American Fuchsia Society. Dit is een registratieautoriteit zoals op het gebied van bollen de Koninklijke Algemene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) fungeert. Van een nieuwe cultivar worden diverse gegevens vastgelegd als uiterlijkheden, afstamming maar ook de veredelaar. Je zou dan nog verder kunnen gaan en het kwekersrecht (intellectueel eigendomsrecht) laten vaststellen, maar voor een plant als de fuchsia is dat zinloos. Het kost alleen maar geld en levert niks op.

Gericht bestuiven
Dat is dus waar Herman zijn levenswerk van maakte. En met succes, er bestaan zelfs 170 geregistreerde fuchsia cultivars met zijn naam als veredelaar. Hij focuste op bepaalde lijnen, zoals heel kleinbloemige, of bijzondere kleuren. Van die kleinbloemigen is de cultivar “Minirose” van Herman nog steeds vaak te vinden, zelfs bij de supermarkten. Wat bijzondere kleuren betreft lagen de successen bij bloemen die (een zweem van) geel of aubergine lieten zien. Deze kleuren komen in de natuur voor bij de fuchsia’s in
Nieuw-Zeeland. Het gericht bestuiven en zijn kennis van de genetica heeft Herman altijd uitgedragen in de veredelingsgroep van de Fuchsiavereniging. Maar ook in de tal van lezingen die hij voor de regionale verenigingen hield. En wat de resultaten van het veredelen betreft: hij zat vele jaren in de Vaste Keurings Commissie in Aalsmeer. Er was een tijd dat hij al zijn cultivars ook in zijn eigen tuin had. De pergola in de voortuin was zwaar beladen. Maar met het klimmen der jaren breekt je het vele werk op en is dat
streven opgegeven.

Tentoonstelling

Fuchtiatentoonstelling

Om bekendheid te geven aan je planten, om liefhebbers te krijgen, om ervaringen uit te wisselen met veredelaars en kwekers, er zijn veel redenen om een tentoonstelling voor fuchsia’s op te zetten. We noemden al het succes van de tentoonstellingen in de Leidse Hortus en in Elswout. Maar Lisse liet zich ook niet onbetuigd. Met dank aan Herman de Graaff natuurlijk. Wie herinnert zich niet de fuchsiaweken bij Jaap Kooy. Prachtige tentoonstellingen waar wel een kleine 1000 variëteiten werden getoond. Bij Jaap Kooij had Herman trouwens een tijdje een veldje tot zijn beschikking voor zijn zaailingen. En dan de Zomerhof in 1999 in Keukenhof. Wat een succes! Uit het hele land kwamen kwekers en veredelaars met hun mooiste exemplaren aanzetten. Het was ook wel een lastige tentoonstelling. De tentoonstelling was van 19 augustus tot 19 september. Wanneer je dan bedenkt dat de meeste fuchsia’s langedag planten zijn en het bovendien in het park door het bladerdek donker is dan is duidelijk dat die bloeiende planten geen nieuwe bloei zullen laten zien. Maar gelukkig was het de tijd van vele leden en vrijwilligers dus is het toch gelukt om op deze laatste landelijke fuchsiatentoonstelling groots uit te pakken. Directeur Koster had de fuchsiavereniging graag ook het volgende jaar weer bij de Zomerhof betrokken, maar om zo’n grote inspanning weer te leveren zou onmogelijk zijn.

Naamgeving
Het is een hele kunst om een naam te bedenken voor een nieuwe cultivar. De naam mag natuurlijk niet eerder gebruikt zijn. Natuurlijk werd Herman’s vrouw vernoemd: Loeky, een cultivar die Herman terecht als een van zijn mooiste beschouwt. “Westergeest” dankt haar naam aan het tuincentrum van Jaap Kooy. “Belle de Lisse”, “Keukenhof”, “Summerdaffodil”, hier is toch een beetje een link gelegd naar de bollenwereld waar de familie De Graaff haar sporen in had verdiend. In dit rijtje past ook de cultivar “Golden Spade”, een verwijzing naar de Gouden Graaf van de firma H. de Graaff en zonen. De fuchsia “Herman de Graaff” bestaat ook maar is van een collega-veredelaar. Herman houdt van geurende bloemen en wat had hij graag een geurende fuchsia veredeld. Maar helaas, het zal niet lukken, fuchsia’s zijn geen geurende planten. Zou hij als een soort compensatie diverse van zijn cultivars een parfumnaam gegeven hebben?

Schrijven
De fuchsiavereniging geeft een prachtig blad uit: Fuchsiana. Sinds jaar en dag levert Herman bijdragen aan dit blad. Dit voorjaar werd hij voor al zijn werk tot erelid van de vereniging benoemd. Voor zijn veredelingswerk kreeg hij al eerder internationale erkenning, zoals bijvoorbeeld het Diplôme d’Honneur dat hem werd toegekend door de Société Nationale d’Horticulture de France. Nog iedere twee maanden schrijft hij zijn “Product of Holland”. Natuurlijk over fuchsia’s, maar met een knipoog naar de bollenteelt. Want Product of Holland stond op het bekende verpakkingsmateriaal voor bollen, de
bruine zakken met de gaatjes. En zo is het kringetje weer rond: van de bellen naar de bollen. ■

DE WATERWOLF KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT-MIDDELEEUWSE LISSE

De geschiedenis over de Haarlemmermeer vanaf de middeleeuwen tot de drooglegging wordt beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Wat voor (wereld)beeld hadden de laat middeleeuwse inwoners van Lisse en later zijn kinderen van het steeds veranderende landschap om hen heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uitmaakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, zijn fuik incluis.

Meer steeds meer meer!

Jan Adriaanszoon Leeghwater (*1575 De Rijp -†1650 Amsterdam ) was een Nederlandse molenmaker en waterbouwkundige. Hij bedacht de achtkantige houten molen en de bovenkruiende oliemolen. Daarmee was het mogelijk de molen altijd recht in de wind te zetten, te kruien. Hij was betrokken bij veel droogmakerijen in binnenland en tot ver buiten de landsgrenzen. Al in 1641 publiceerde Leeghwater zijn Haarlemmermeer-boek. Hij was hiermee een van de eersten die pleitten voor drooglegging van het gevaarlijk groeiende Haarlemmermeer, ook wel de Waterwolf genoemd. Pas in 1852 werd dit gerealiseerd. Een van de drie grote gemalen die hierbij werden gebruikt, werd naar hem genoemd. Dit gemaal “De Leeghwater”, aan de zuidkant van de Haarlemmermeer, bij De Kaag is nog steeds in gebruik.

Ter illustratie: Het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531 groot 5 600 ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10 570 ha. Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is het Meer zelfs 16 600 ha groot geworden terwijl er toen toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.
In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”. ”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14 450 ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.” ”Ook e Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden zijn dan nagenoeg verdwenen”, evenzo de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp verdwenen.

Maatregelen
De bodem van de Meren bestond uit veen met daaronder een vette kleilaag. Het losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort
zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trokken een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken bedroeg van 1771 tot 1845 alleen al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, brachten bij de drooglegging van de Meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op. In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we een verhandeling van ene Symon van Leeuwen. Hij stierf in 1682, dus het boek werd na zijn dood uitgegeven. Symon eschrijft de situatie rond 1500. “Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt
te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde (soort polsstok, ook wel verrejager genoemd red.) droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.” De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de Meer steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsa terwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was, dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Lisse en haar buren aan het Meer

In 1531 laat onderstaand kaartje bij De Vennep al een behoorlijk bredere verbinding tussen de beide meren zien. In de 60 jaar er na gaat het wel heel erg snel.

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name op dorpen die aan het Meer lagen en waar zich hoogst waarschijnlijk regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur van Lisse in het noorden was het Ambacht Vennep. Weggedrukt tussen het Meer en Hillegom kreeg het eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep?

Vennep
Het bestaat al eeuwenlang. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. “In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. In een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer NoordZuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout.

Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk, verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we dezelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter Van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel veranderd.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oud Haarlemmermeer en het Leidse
Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig lijkt dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want
zij grensden niet eens aan elkaar.

Burggravenveen
In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burgravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek
waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp genoemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouw Ambocht van Voorn.”

Wordt vervolgd

Bronnen – ook voor de volgende delen Haerlemmermeer

Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643 Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892
Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.
Archief Hoogheemraadschap van Rijnland
A.A. Beekman: De strijd om het bestaan
A. Ramaer: Haarlemmermeer

VEREDELING VAN BOLLEN EN BELLEN

Inhoud-jaargang-18-nummer-3-oktober-2019

door Liesbeth Brouwer

Herman de Graaff, een nazaat van Herman de Graaff van de firma H. De Graaff en zonen vertelt over zijn familie en het bedrijf. Ook over zijn hobby, het veredelen van Fuchsia, vertelt hij graag.

In het vorige Nieuwsblad vertelde Arie in ’t Veld het verhaal over de firma H. de Graaff en zonen. Daarin lazen we al dat Herman de Graaff in 1908 uit het bedrijf stapte. Dit verhaal gaat over deze Herman tot aan de tijd van zijn kleinzoon Herman Jan. Een verhaal van veredeling van bolgewassen tot veredeling van fuchsia’s (bellenplanten).

Dit is huize Kweeklust, destijds Heereweg 93. Na afbraak
was hier een perk met daarachter het kantoorpand en
bedrijfsgebouw van H. de Graaff en Zonen. Sophie de
Ridder, de vrouw van Herman de Graaff, maakte dit olieverfschilderij. Zij trouwden in 1895. Sophie was een zeer
verdienstelijk schilderes

Herman de Graaff (geb.1860) werd als oudste zoon na de dood van zijn vader Adrianus in 1886 verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de firma H. De Graaff en zonen. Zijn jongere broer Simon (geb. 1861), al sinds 1883 bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, stond aan het begin van zijn succesvolle carrière en werd in 1919 minister van Koloniën. Adrianus liet ook vrouw en dochter na. Zijn
weduwe Gerharda van Dingstee was de tweede vrouw van Adrianus. Hij trouwde met haar na het overlijden van zijn eerste vrouw Wilhelmina, de moeder van Herman en Simon. Wilhelmina en Gerharda waren zussen. Op villa Kweeklust woonden in 1886 dus moeder/tante Gerharda, (stief)zoon Herman en dochter/halfzus Wilhelmina Maria (geb.1864). Als roepnaam gebruikte zij haar tweede voornaam. Maria was pianolerares. Zo snappen we hoe de familie in elkaar zat.

Herman trouwt
Op Kweeklust was Herman druk met het op orde houden van de kwekerij die hij na de dood van zijn vader in goede banen moest zien te houden. Het bedrijf gedijt goed, de aanspreektitel voor hem was in die tijd patroon De Graaff. Hij bekleedt net als zijn voorvaders talrijke bestuursfuncties. In 1895 trouwt hij in Den Haag met kunstenares Sophie de Ridder (geb. 1863). Zij is een verdienstelijk schilderes van bloemen en bloemstillevens. (In 1897 exposeert zij in Den Haag ). Zij komt ook op Kweeklust wonen en het wordt er druk want al gauw worden er kinderen geboren. Voor stiefmoeder Gerharda en haar dochter Maria is het tijd om een ander huis te betrekken. Zij gaan op Heereweg 270 wonen, samen met een oudere zus van Gerharda, Lucina. Villa Gerharda wordt gebouwd In 1902 krijgen de dames De Graaff een villa aan de Heereweg aan de zuidkant van Lisse. Het zal niet altijd koek en ei geweest zijn tussen het jonge gezin van Herman en Sophie en de dames De Graaff. Dat illustreert het verhaal over de bezoeken van Simon uit Indië. Eens in de zes jaar had een bestuursambtenaar recht op een half jaar verlof in Nederland. Mogelijk kwam Simon vanwege zijn functie ook wel vaker. Hij verbleef dan afwisselend vele weken bij de beide families. Bij aankomst op station Lisse was het dan een merkwaardige vertoning. De families meden elkaar, stonden ver van elkaar. Degene waar Simon het eerst kwam logeren hield zich afzijdig wanneer de trein arriveerde. De andere familie kon dan Simon begroeten. Wanneer deze familie weer vertrokken was kon de andere familie Simon begroeten en meenemen voor de logeerpartij. Ja, zo krijg je praatjes in de wereld.

Drama op Kweeklust
In 1897 wordt zoon Adriaan Frederik geboren en in 1900 zoon Johan Gerard. In de archieven van Oud Lisse is te vinden dat er zelfs zes kinderen geboren zijn. De kindersterfte was in die periode nog hoog maar het gezin werd wel heel erg getroffen. Het zusje Hubertine Simonette blijft in leven maar in 1904 slaat het noodlot helemaal toe. Op 1 oktober bevalt Sophie van een levenloos kind. Vijf dagen later bezwijkt zij zelf. Herman is ten einde raad, trekt zich terug uit allerlei functies en besluit dat hij ook de zaak niet meer wil en kan leiden. Hij kan niet meer wonen en werken op Kweeklust.

Leiden Witte Singel
Herman en de 3 kinderen wonen waarschijnlijk tijdelijk nog op Heereweg 115 en 82. Herman verkoopt de zaak in 1908 en gaat met zijn zoons in Leiden aan de Witte Singel wonen. Zoon Adriaan heeft dan zijn lagereschooltijd aan de openbare school in Lisse er net opzitten. Hij gaat in Leiden naar de HBS, gaat daarna in Delft studeren en rondt zijn studie in recordtempo af. Hij is 21 jaar oud wanneer hij zich civiel ingenieur mag noemen. Broer Johan krijgt zijn opleiding ook in Leiden. De tijd haalt ook bij Herman de Graaff de scherpe kantjes van het verdriet af. Hij heeft dan wel afscheid genomen van de zaak, maar het kwekersbloed begint na verloop van tijd toch weer te kriebelen. De ontwikkelingen op het gebied van de bloembollenteelt worden gevolgd en hij raakt bevriend met de latere hoogleraar Van Slogteren. Deze doet sinds 1917 onderzoek in Lisse in dienst van het Instituut voor Phytopathologie te Wageningen. Samen met Van Slogteren investeert Herman in een partij narcissen, waarschijnlijk de trompetnarcis
King Alfred, uit Engeland. Daar wordt mee verder gekweekt. Herman is weer toe aan een eigen
bollenbedrijf.

De Graaff Gerharda
Intussen zijn er in Lisse ook wat veranderingen geweest. Halfzus Maria had Villa Gerharda al ingeruild voor Amsterdam en komt daar in 1919 te overlijden. Haar tante Lucina overleed in 1906. In 1922 overleed tante/stiefmoeder Gerharda. Herman de Graaff besluit naar Lisse terug te gaan en gaat met zijn zoons Adriaan en Johan wonen in villa Gerharda. Begonnen met een eerste partij narcissen, misschien niet eens zo zeer om een nieuw bedrijf op te zetten, is inmiddels een nieuwe firma ontstaan, De Graaff Gerharda, een kweek- en exportbedrijf van bolgewassen waarbij de nadruk toch wel op de narcissen lag. Zoon Adriaan was dan wel zeer succesvol afgestudeerd als civiel ingenieur, maar daarmee ckwam hij zo net na de Eerste Wereldoorlog nogcniet aan een baan in zijn vak. Het bedrijf van zijn vader had bepaald niet zijn belangstelling, maar zicht om iets in zijn vakgebied te bereiken was er niet, dus min of meer noodgedwongen gaat hij in 1925 toch maar aan het werk bij firma De Graaff Gerharda. Ook broer Johan gaat in de zaak. De gezondheid van vader Herman gaat achteruit en in 1927 komt hij te overlijden. Adriaan en Johan zijn nu samen firmant van De Graaff Gerharda. Tot de Tweede Wereldoorlog is het bedrijf redelijk succesvol. Er werd actief veredeld met narcissen. Dat leidde in 1934 tot een fraaie dubbelbloemige narcis, White Lion, die ook nu nog veel aangeplant wordt. Dubbele narcissen waren in die tijd nog vrij zeldzaam. Soms had je wel eens een verloping (mutant) die dubbelbloemig was. Het veredelen was in die tijd overigens ook nog weinig wetenschappelijk. Mendels Wetten van Erfelijkheid waren bekend, maar wat moest men er mee. Het veredelen was veeleer gebaseerd op de intuïtie van de kweker. Wat die dubbele narcissen betreft was de intuïtie prima. De nakomelingen van gekookte (ter voorkoming van ziektes) dubbele narcissen en enkele narcissen leverden verhoudingsgewijs veel dubbelbloemige cultivars op. De meeste bedrijven hadden toentertijd wel een stuk land in gebruik voor hun zaailingen, maar het veredelen was toch min of meer liefhebberij. Export is er vooral naar Engeland. Voor de teelt werd grond gehuurd aan de Achterweg en in de Rooversbroekpolder. Eigen grond hadden ze aan de Broekweg. Die grond wordt in de oorlog onteigend omdat er voor dat gebied plannen waren voor een haven. Een plan dat nooit gerealiseerd is. In de oorlog viel natuurlijk ook de export stil.

Adriaan de Graaff
Adriaan trouwt in 1927 met Jannetje van Wingen en samen wonen ze in Villa Gerharda. Johan woont er ook. In 1934 wordt een zoon geboren die naar grootvader Herman wordt vernoemd. In tegenstelling tot zijn broer Johan wordt Adriaan nooit een echte bollenman. Wel nam hij, net als zijn voorvaderen, zitting in allerlei besturen. Eigenlijk ligt Adriaan’s belangstelling meer bij archeologie en de geschiedenis, met name van buitenplaatsen. In enkele Leidse jaarboekjes vind je artikelen van zijn hand. In 1963 schreef hij “Rosendaal en zijn bewoners (1641 – 1962)” n.a.v. de afbraak van het huis Roosendaal. Met zijn vriend Jaap Renaud was hij dikwijls te vinden bij de ruïne van Dever. Deze Jaap Renaud was de eerste bijzonder hoogleraar kastelenkunde. Het belang en behoud van Dever was voor hen duidelijk en beiden waren zij als een van de eersten actief voor het behoud van de donjon. In 1973 overlijdt Adriaan de Graaff, zijn broer Johan is al in 1967 overleden.

De jonge Herman
Waar vader Adriaan en zijn broer Johan deels in een stadse omgeving opgroeiden werd Herman groot in het dorp Lisse dat in die tijd nog een echte bollengemeente was. Hij ging dan wel naar de HBS in Leiden, maar als scholier en later als student hielp hij wel mee op het land. Ze hadden een goede baasknecht die hem meteen de handige kneepjes van het vak leerde. Hij volgde zelfs een cursus bollenteelt bij de heer Gehrels van de PD (plantenziektekundigedienst). Het zal wel niet met het idee geweest zijn om ooit de zaak over te nemen, maar belangstelling was er zeker. Zijn studiekeuze lag ook wel in die sfeer: biologie.
En dan, ook weer niet zo verwonderlijk in een familie van veredelaars, met een specialisatie genetica. Hij wordt in 1961 leraar op de meisjes HBS in Den Haag. Later werd dat een veel grotere Dalton scholengemeenschap. In 1960 trouwt Herman met Louise van Eerde (Loeky) en vanaf die tijd wonen ze in Villa Gerharda. Feitelijk trekken ze in bij vader Adriaan en oom Johan. Inwonen was vrij normaal in die tijd, het huis was groot genoeg en ze kregen de eerste etage tot hun beschikking.

Een hobby wordt geboren
In het begin van hun huwelijk zullen bolbloemen wel de boventoon gevoerd hebben in Villa Gerharda. Maar die krijgen al snel concurrentie van de fuchsia. In die tijd was de bellenplant, zoals ze toen nog vaak genoemd werd, zeker nog geen algemene plant. Je had in tuinen wel de winterharde tuinfuchsia’s, maar het fenomeen kuipplanten kende men nauwelijks. Dat was iets voor landgoederen en de tijd van de landgoederen met hun fraaie tuinen was in de Bollenstreek, maar eigenlijk in heel Nederland, al wel heel erg lang verleden tijd. Toch waren er een aantal hobbyisten die zo gecharmeerd waren van fuchsia’s dat ze ook in Nederland een vereniging van fuchsialiefhebbers wilden opzetten. Het duurde niet lang of ook Loeky en Herman de Graaff vielen als een blok voor deze charmante plant met zijn vele verschijningsvormen. Dat laatste gegeven was natuurlijk een kolfje naar de hand van de in genetica opgeleide Herman.

Wordt vervolgd

Dit is huize “Villa Gerharda”, aan de Heereweg 315, later ook wel het
Fuchsiahuis genoemd, want fuchsia’s groeiden en hingen overal.

PARELTJES VAN DE BOVENSTE BOEKENPLANK: Abraham Rademakers

I

Door Ria Grimbergen

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile uit 1967 van Rhynlands fraaiste gezichten van Abraham Rademaker.

In de achttiende eeuw was in de Republiek der zeven Vereenigde Nederlanden grote belangstelling voor topografie. Het genre van de topografische prenten bloeide. De inwoner van de Republiek was trots op zijn land en zijn identiteit. Afbeeldingen van buitenplaatsen en kastelen waren zeer gezocht bij verzamelaars. Uitgevers speelden in op de verzamelwoede door gravures in boekvorm uit te brengen.

 

Een van hen was de Amsterdamse uitgever Leonardus Schenk, die een zaak had op de Vijgendam,
nu het Damrak. Hij trok dichter Gysbert Tyssens (1693-1732). aan voor de teksten en tekenaar Abraham Rademaker voor de prenten. Vanaf 1728 verschenen van het duo in rap tempo boeken over buitenplaatsen in de buurt van Amsterdam, zoals Hollandsche Arcadia in 1730 over de “lustplaatzen” aan de Amstel. In 1732 bracht Schenk Rhynlands Fraaiste Gezichten ofwel Vues de Rhynland op de markt, waarin de schoonheid en rijkdom van de Rijnlandse buitenplaatsen wordt getoond. De uitgave bevat honderd prenten van Rademaker, die “naar het leven” de “lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen” van Rijnland tekende. De toevoeging naar het leven is belangrijk, want de tekenaar gebruikte ook wel bestaande oudere prenten voor zijn topografische werk. Voor de hedendaagse belangstellende in de geschiedenis van dorp of stad is dit heel verwarrend, omdat een veronderstelde situatie uit 1730 in werkelijkheid die van soms wel een eeuw eerder weergeeft. Honderd procent waarheidsgetrouw zijn de prenten niet. Rademaker voegde elementen toe en liet weg wat hem niet beviel.

Elke pagina in het boek bevat twee gravures met een kort onderschrift in het Nederlands en Frans met de naam van de buitenplaats en de eigenaar. Rademaker zal met de trekschuit naar Halfweg zijn gereisd. Hij begon zijn tocht door Rijnland volgens de titelpagina “Halfwegen Haarlem en Leyden” en de eerste prent van de honderd is dan ook die van de luisterrijke buitenplaats Merenburg, gelegen aan de Heereweg tussen Hillegom en Lisse. Vervolgens zien we afbeeldingen van Zandvliet, Rosendaal, Berkhout, Keukenhof, de kerk van Lisse (waar Radema ker zelf nog is gedoopt), Dubbelhoven en Huis ter Specke. Op de volgende prent zien we de naamloze “lustplaats van den Edele agtbare heer Pieter Six, Schepen en Raad der Stad Amsterdam”, waarmee Knappenhof, het latere Grotenhof wordt bedoeld. Tot slot het “Huys te Deveren” en Uitermeer. Op een uitzondering na zijn het namen die Lissers in enigerlei vorm nog vertrouwd in de oren klinken. Vervolgens reist Rademaker via Sassenheim en de andere dorpen in Rijnland naar Leiden en eindigt hij bij Leiderdorp.
De prenten worden voorafgegaan door een katern van zestien pagina’s met hoogdravende versregels van Gysbert Tyssens. Deze verdiende zijn brood met het schrijven van talloze toneelspelen en gelegenheidsgedichten. De man is weggezonken in de anonimiteit en Schenk gaf daartoe al een voorzetje door niet eens zijn naam te vermelden in deze druk van 1732. Het gevolg is dat zijn werk soms
wordt toegeschreven aan twee andere dichters die samen werkten met Rademaker, Matth. Brouërius van Nidek en Is. Le Lang.
De uitgave draait dan ook echt om de prenten van Abraham Rademaker, een autodidact met een enorme productie. Bladerend door “Rhynlands fraaiste gezichten” valt zijn vaardigheid in het weergeven van wolkenpartijen op. Een wolkendek is op elke prent te zien en niet een is hetzelfde, waardoor licht en schaduw steeds anders worden weergegeven. Lang werd gedacht dat Rademaker geboren was in Amsterdam, maar na de vondst van een ondertrouwacte uit 1706 kwam vast te staan dat Lisse
zijn geboorteplaats was, waarna men aannam dat hij tussen 11 september 1676 en 10 september 1677 werd geboren. Tot op verzoek van Deen Boogerd Jan van der Linden het doopregister van de Nederlands Hervormde Kerk doorvlooide en daar de vermelding vond dat op 5 september 1677 Abraham Rademaker was ingeschreven als zoon van Frederick Rademaker en Anna de Leuter.

Drie jaar na de verschijning van deze luxueuze uitgave overleed Rademaker, nadat hij in juni 1734 tijdens het tekenen in de open lucht bij Haarlem werd gemolesteerd door een groep mensen die hem bij vergissing aanzagen voor een katholieke moordenaar, en dat terwijl de man geen religie aanhing. Een uitgave als Rhynlands fraaiste gezichten was kostbaar en niet voor iedereen bereikbaar, maar de welgestelde eigenaren van de afgebeelde buitenplaatsen zullen zich zeker een exemplaar hebben aangeschaft. De prenten van Rademaker toonden hun status en dichter Tyssens bewierookte hun persoon en maatschappelijke positie en bezong het zoete buitenleven dat ze op hun lusthoven leidden.

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile, uitgegeven in 1967 naar de eerste druk uit 1732 door de Haagse uitgeverij Kruseman in een gelimiteerde oplage, gedrukt op zwaar papier en
gestoken in een foedraal naar ontwerp van Aldert Witte. Deze mooie uitgave toont Jos van Bourgondiën, de bibliothecaris van de VOL, u graag. Een originele uitgave uit 1732 zou een waardevolle aanvulling zijn voor onze bibliotheek!

Deen Boogerd schreef eerder over Abraham Rademaker in 2014 in jaargang 13 van het Nieuwsblad van de VOL, nummers 3 en 4. Zie verder: C. J. Kaldenbach, Abraham Rademaker [enz.], p. 165-179, in “ eeuwse kunst in de Nederlanden”. Delft, 1987.

Tekeningen van Abraham Rademaker

Oud Nieuws: POSTKOETS OVER DE KOP

De componist George Friedrich Händel reed in 1750 door Lisse op weg van Den Haag naar Haarlem. Tussen Lisse en Hillegom moet de koets gekanteld zijn. Hij had behoorlijk gekneusde vingers en kon in Haarlem niet op het orgel spelen.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

door Dirk Floorijp

In het dagblad Trouw was er in augustus een heel artikel aan gewijd, aan het bezoek van de vermaarde componist George Friedrich Händel. In augustus 1750 was hij van Den Haag via Leiden op weg naar Haarlem, de plaats waar hij een orgel zou bekijken. Hij zal Leiden niet zomaar voorbij zijn gereden en zal het beroemde Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk beslist niet links hebben laten liggen. Händel wilde in Nederland graag enkele wereldvermaarde orgels bewonderen en bespelen. Zo kwam hij over de zandwegen ook door Lisse. De Heereweg was gedeeltelijk bestraat vanaf de grote kerk tot net voorbij Rosendaal. Tussen Lisse en Hillegom moet de koets gekanteld zijn, historici zijn nog steeds op zoek waar precies. Wat zou het mooi zijn als in de archieven van Lisse of Hillegom daarover een vermelding te vinden zou zijn. Jammer dat er in de Witte Zwaan geen gegevens zijn bijgehouden van beroemde
personen die deze herberg aandeden of er van paarden verwisselden. Er zijn daar genoeg beroemdheden binnengestapt, van koningen tot prinsen. Veel van die gegevens zijn verloren gegaan. De bij zijn leven
al wereldberoemde componist was welgesteld en historici vermoeden dat Händel niet met de postkoets
reisde, maar met een particuliere diligence. Händel was behoorlijk gewond, gekneusde vingers en een beurse heup. Hij was tenslotte toen al 65 jaar. Nadat hij gedeeltelijk was hersteld, waarschijnlijk op een buitenplaats in de omgeving, ging hij op weg naar het beroemde Christian Müller-orgel in Haarlem. Hij heeft er slechts kunnen luisteren naar de kunsten van de vaste organist Henricus Radeker. Normaal zou het ondenkbaar zijn dat orgelvirtuoos Händel zich deze kans om op dit grote en unieke orgel te gloriëren zou laten ontnemen. Tien jaar eerder was hij hier ook en speelde een half uur met groot genoegen op het toen twee jaar oude orgel. Waarom mij dit verhaal zo boeit? Ik heb de eer gehad om een avond met organist Leen Schippers op het grote orgel in de Pieterskerk te mogen spelen, daarnaast ook een middag op het orgel in de Sint-Bavokerk in Haarlem. Alleen mocht de begeleider daarop niet spelen omdat het orgel niet van de hervormde gemeente, maar van de stad Haarlem is. Wel stiekem een toets ingedrukt. Het maakt een enorme indruk om daar te mogen zijn. En nu maar in oude akten speuren of we een
vermelding tegenkomen, daar zit iedereen op te wachten. Händel was een tot Engelsman genaturaliseerde Duitser, woonde in Londen en werd in 1759 bijgezet in de Westminster Abbey.

In de archieven van de fabeltjeskrant kwamen we dit document tegen in een oude doos waarop stond HÄNDEL WITH CARE. Eén en ander suggereert dat de koets alhier zou zijn gekanteld.
Ook dat G. F. Händel hier uit dankbaarheid die geweldige klassieker heeft gecomponeerd!
S.V.P. niet doorvertellen aan onze buren stttttt!

Bij de hartpagina

Op de hartpagina ziet u het eens zo statige buiten “Wildlust” ten tijde van haar ondergang. Links achter de bomen ziet u het “Wildlust” met de rieten kap dat plaats moest maken voor de rotonde bij de Nachtegaal. De meneer in het raamkozijn is bezig om nog wat bruikbaar materiaal veilig te stellen voordat het grootse “Wildlust” tegen de vlakte gaat. Deze prachtige en unieke foto met twee “Wildlusten” kunnen wij u laten zien dankzij mevrouw Irma Grullemans-Erades, die het Grullemans archief beheert. De foto is gemaakt in 1927. Het jaar daarop werd het grote buitenhuis gesloopt en het bijbehorende landgoed wordt dan bollenland. Een klein gedeelte van het grote buiten blijft voortbestaan onder de naam “Villa Wildlust”.

Wildlust links net voor de afbraak

Wildlust rechts net voor de afbraak

Burgemeester von Bönninghausen: 100 jaar geleden gestorven

 

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

door E. Olivier

In het Leidsch jaarboekje staat een memoriam. Dit wordt in zijn geheel weergegeven.

Ed Olivier bracht dit als knipsel in. Dank daarvoor.
Een eeuw geleden stierf onze oud burgemeester in de trein!
De knipsels komen uit het Leids jaarboek van toen.