Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Bij de voorplaat: Van Rijckevorsel en Kraak bij het gemeentehuis

De grauwe grijze jaren zijn voorbij, de velden dragen extra kleuren op de wangen, oranje sjerpen overal. Onze driekleur mag weer uit de ramen hangen. Mensen groot en klein verdringen zich bij het raadhuis om getuige te zijn van de terugkeer van burgemeester Van Rijckevorsel (links). Hij was niet ver weg geweest, hij was zelfs nog in Lisse.
Ondergedoken bij het broederklooster bij de Engelen kerk als zijnde broeder Seraphinus geheel in stijl. De heer Kraak (rechts) was de leider van het Lisses verzet. Als dierenarts kon hij overal komen, bij boeren, burgers en buitenlui, ook de Duitsers hadden paarden. Dierenarts was misschien wel de beste dekmantel die je kon bedenken. Overal waren er dieren die wel eens een bezoekje van Kraak nodig hadden. Anders was er wel een dierenziekte te bedenken voor een bezoekje, zelfs in de nachten is een dierenarts actief. Zo kwam men aan belangrijke informatie over van alles en nog wat. Er kon ook nog wel eens wat heen en weer gesmokkeld worden onder die dekmantel (wat speklapjes of zo). Zal wel wennen zijn geweest om het gewone leven weer op te pakken.

Burgemeester Van Rijckevorsel en verzetsbaas Kraak

Van Misdienaar tot Kardinaal Kardinaal

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Nieuwsflitsen

Ad Simonis (1931-2020) is op 2 september 2020 overleden.
Adrianus Johannes Simonis is geboren op 26 november 1931 in Lisse. Hij werd in 1983 geïnstalleerd als
aartsbisschop van Utrecht, dat hij tot 2007 is geweest. In 1985 werd hij door paus Johannes Paulus II
benoemd tot kardinaal. Zijn benoeming tot bisschop van Rotterdam in 1970 werd wel gezien als poging om de conservatieve krachten te mobiliseren tegen de liberale stroming binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Dat maakte Simonis jarenlang tot middelpunt van de heersende tegenstellingen binnen rooms katholiek Nederland. Hij was ook tot in elke vezel orthodox en trouw aan Rome. Toch won Ad Simonis met zijn zachtaardige persoonlijkheid ook de sympathie van progressieve katholieken. Al zullen velen het hem dat ene Duitse zinnetje nooit vergeven. In 2010 zei hij in een tv-programma dat de top van de kerk tientallen jaren niet op de hoogte was van misbruik van kinderen door geestelijken met zijn woorden:
”Wir haben es nicht gewusst”. Daar voegde hij aan toe: “Het is een beladen term, maar het is wel waar”. Toen kardinaal Simonis in 2008 met emeritaat ging, leek hij de snel veranderende wereld maar moeilijk te begrijpen. “Het grote manco van de westerse cultuur is dat de meeste mensen niet onder de ogen willen zien dat het leven hier maar eindig is”, vond hij. “De kerk zal haar relevantie alleen behouden als ze de moed heeft tegen de stroom in te gaan.” Hij gaat weer in de Bollenstreek wonen. Het Lisse van zijn jeugd met het katholiek geloof als onomstreden middelpunt bestaat niet meer. In museum de Zwarte Tulp was in 2010 een expositie over zijn bijzondere leven te zien, met de titel ‘Adrianus Simonis, zoon van de Bollenstreek’. Met dankbaarheid dacht Simonis altijd terug aan zijn jeugd in Lisse waar hij een goede rooms-katholieke opvoeding kreeg in hun huis aan de Grachtweg 1, waar zijn vader tandarts was.

Grachtweg 1, vroegere huis van fam. Simonis

De ‘Kleine kroniek van Lisse’ deel 5 is uit

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Nieuwsflitsen

Op maandag 17 augustus 2020 werd de ‘Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949’, geschreven door de bekende journalist Arie in ’t Veld, op het gemeentehuis in Lisse persoonlijk uitgereikt aan wethouder Jeanet van der Laan.

Het is mooi dat dit vijfde deel van de ‘Kleine kroniek’ dit jaar is uitgekomen, nu het 75 jaar
geleden is dat Nederland bevrijd werd. Arie is heel intensief bezig geweest met dit historisch boekje, dat hem dagenlang spitten kostte in de gemeentelijke archieven, waarbij veel informatie over de oorlogsjaren naar boven kwam. Zijn tekst voor de eerdere delen werd voorheen heel nauwgezet gecorrigeerd door zijn vroeg overleden dochter Lia, voor dit deel is meegelezen door Adrie de Roon, Chris Balkenende en Koos van der Zwet. Op de voorkant van het boekje prijkt de afbeelding van de toenmalige burgemeester Van Rijckevorsel, die in de oorlog is ondergedoken bij katholieke broeders in De Engel. Na de overhandiging aan Van der Laan vertelde de wethouder dat ze zeer blij is dat dit boekje nog op de valreep van 75 jaar bevrijding is uitgekomen. Op haar vraag welke zaken hij het meest opmerkelijk vond in die jaren, antwoordde Arie dat de toenmalige concurrentiestrijd tussen Keukenhof en de Flora tentoonstelling in Heemstede hem intrigeerde en ook de komst van het ondergrondse urinoir op ’t Vierkant, waar alleen maar mannen naar toe konden en vrouwen niet. Deze ‘Kleine kroniek van Lisse’ is voor slechts €12,95 te koop bij Grimbergen Boeken. Ook zal wethouder Van der Laan zich als opdrachtgever hard maken voor de financiering van de volgende kroniek ‘Lisse in de jaren negentig.

De Kleine Kroniek 1940-1949 wordt uitgereikt aan Arie in ’t Veld door wethouder Jeanet van der Laan

BOLLENLIJN: DE TRAM VAN HAARLEM VIA LISSE NAAR LEIDEN

Een uitgebreide beschrijving van de stoomtram (1880-1932) en de electrische tram (1932- 1949) wordt weergegeven. Stichting Nieuw Blauwe Tram reconstrueerd de blauwe tram naast het trammuseum in Haarlem.

door Jan Rijksen

Jaargang 19 nummer 3, 2020

In 1880 werd in Hillegom de Noord-Zuid-Hollandsche Stoomtramweg Maatschappij (NZHSTM) opgericht. In dat jaar werd de concessie verworven voor een 30 km lange tramlijn Haarlem – Leiden.

Gebonden aan allerlei bepalingen van Rijk en Gemeenten werd de tramlijn vanaf het begin geen optimaal vervoermiddel. De tram slingerde van de ene kant naar de andere kant van de weg. Het was door ontbrekende financiën niet mogelijk de tram op een eigen dubbelsporige baan te laten rijden. Alleen op het traject door het Bennebroekerduin reed de tram dubbelsporig op een eigen baan. In de kernen van de bollendorpen reed de tram op enkelspoor. In het begin ging het er gemoedelijk aan
toe. Het kwam voor dat onderweg de machinist zijn tram parkeerde om zich door de plaatselijke barbier te laten scheren. Dat werd door de directie niet op prijs gesteld en dan ook verboden. Ook stopte men in het begin als een vaste reiziger niet verscheen om te vragen waar meneer of mevrouw bleef. Haast
had men niet, want de rit van Haarlem naar Leiden duurde aanvankelijk 140 minuten. Reeds in 1907
waren er plannen om de lijn te elektrificeren, maar daar bleef het voorlopig bij. In het midden van de
twintiger jaren begon de concurrentie van autobusdiensten. Vele stoomtramlijnen werden in die tijd
opgeheven. NZH bedong dat zij slechts tot elektrificatie wilde overgaan als de vergunningen van de
autobusdiensten (Haarlem-Leiden) werden ingetrokken. Uiteindelijk gebeurde dat ook. Het gedeelte Haarlem-Heemstede was al in 1922 geëlektrificeerd, maar daar was het meer een Haarlemse stadstram.
Het duurde tot 1932 voordat de goede raad van de Oprechte Haarlemsche Courant (later Haarlems Dagblad) ter harte werd genomen. Die raad luidde: renovatie van de lijn Haarlem-Lisse-Leiden aanpakken. Aldus geschiedde.

Elektrische tractie

De gemeenten en de NZH waren voorstander van een dubbelsporige baan in het midden van de weg.
Het Rijk vond deze oplossing te duur. Bovendien vond Rijkswaterstaat zo’n baan hinderlijk voor het
toenemende autoverkeer. Er kwam een weinig bevredigende oplossing. De tram zou dubbelsporige trajectgedeelten krijgen met een totale lengte van slechts 9 kilometer. De rest bleef enkelsporig. Ook het materieel veranderde. De smalle straten van de Haarlemse binnenstad, waarin het moeilijk manoeuvreren was, waren de reden voor het Haarlemse voorschrift van een maximale wagenlengte van 10 meter. Daaraan was de NZH gebonden en dat leidde tot een fraai ontwerp van een twintig meter lange gelede tram. Speciaal voor deze tramlijn werden 20 van deze tramstellen besteld bij Koninklijke Fabriek van Rijtuigen en Spoorwagens J.J. Beijnes in Haarlem. De allereerste gelede tram was een novum in Nederland; de voorloper van alle gelede trams wereldwijd. Op 30 december 1932 was het feest en kon de lijn elektrisch in gebruik genomen worden. Het aantal passagiers nam na de elektrificatie enorm toe, waaruit we kunnen concluderen dat de nieuwe tram bij de passagiers populair was. De tram vervoerde niet alleen personen, maar ook allerlei goederen, zoals post, kranten, melk en zuivelproducten. Ook haalde de tram allerlei soorten bollen op bij de diverse bedrijven. Vooral tijdens de bloei van de bollenvelden maakten grote aantallen reizigers gebruik van de tram.
Tijdens de oorlogsjaren werd de tramdienst zo goed mogelijk uitgevoerd, maar moest eind 1944 worden gestaakt. De brug bij het Groene Kerkje in Oegstgeest werd in oktober 1944 opgeblazen, zodat, toen na de bevrijding de dienst in juni 1945 weer werd hervat, er geen doorgaande diensten van Leiden naar Haarlem konden gereden worden. Vanuit Haarlem werd gereden tot aan de defecte brug, waar de reizigers per boot werden overgezet. Deze toestand heeft geduurd tot begin 1946 toen de nieuwe brug gereed kwam.

Gebeurtenissen in Lisse
De tram stopte op diverse plekken in Lisse. Vanaf Hillegom tot Sassenheim was dat: Hillegom Postkantoor, Hillegom Dorp, Veenenburgerlaan, Elsbroek, Steenfabriek, De Nachtegaal, Vreewijk, Guldemond, Lisse Vierkant, Vuursteeg, Tuinbouwschool, Voortlaan, Derde Poellaan en Molenstraat, (Sassenheim-Noord) en tenslotte Postkantoor (Sassenheim Park). Bij de halte Tuinbouwschool vond in mei 1935 ter hoogte van de bollenschuur van Leo van Grieken een trambotsing plaats. Vanaf van het centrum van Lisse lag tot aan de Jannetjesbrug dubbelspoor, daarna enkelspoor. Volgens de dienstorder moest de tram uit Leiden de uit Haarlem komende tram voorrang verlenen. De bestuurder van de uit Leiden komende tram verzuimde echter voorrang te verlenen met als gevolg enige lichtgewonden en een enorme materiële schade. De trambestuurder werd veroordeeld tot een boete van ƒ25,00. Vanaf 1944 werden de trams op de meer landelijke lijnen als de Bollenlijn in toenemende mate blootgesteld aan geallieerde luchtaanvallen, september was het weer raak bij Lisse. Uiteindelijk moesten de diensten
gestaakt worden. Ook na de oorlog bleef de tram voor onveilige situaties zorgen. Op 9 maart 1947
botsten twee tramwagens bij de halte De Nachtegaal op het enkelvoudige, met seinlichten beveiligde, baanvak met elkaar.

Einde van de tram 1949
De discussie of het vervoermiddel van de toekomst een tram of een bus zou worden, kwam enige
jaren na de oorlog opnieuw op tafel. Rijkswaterstaat vond de baan sowieso hinderlijk voor het wegverkeer. Verder was de baan over een grote lengte enkelsporig, dat betekende dat de trams via wisselplaatsen vaak op elkaar moesten wachten. De NZH was destijds eigendom van de NS en het beleid
na de oorlog was de tram te vervangen door de bus, die flexibeler was en goedkoper in de exploitatie. De bollenlijn was na de Tweede Wereldoorlog de eerste lijn van de NZH die werd opgeheven. Op 2
januari 1949 reed de tram voor het laatst door de Bollenstreek. De sporen bleven nog liggen tot na het bollenseizoen van dat jaar, omdat men bang was dat de bussen het toeristenvervoer niet aan zouden kunnen. De bussen konden het vervoer echter aan. Dus werd de baan daarna snel gesloopt. Zo kwam er een eind aan 52 jaar stoom en slechts 17 jaar elektrische tram in de Bollenstreek, waar de bus intussen ook alweer ruim 70 jaar rijdt.

Wat is er nog over?
De tramrails werd opgebroken, maar op de brug bij de Steenfabriek tussen Lisse en Hillegom was het zo
veel werk dat de aannemer besloot de rails en bielzen te bedekken met zand. Dat scheelde tijd en geld.
Een paar jaar geleden werd besloten de N208 te renoveren, dus ook de brug bij de Steenfabriek. Toen bleek dat deze rails en bielzen er nog lagen. Zij zijn alsnog verwijderd. Waar deze gebleven zijn, is niet bekend. De brug over de Bennebroekervaart in Bennebroek is een gemeentelijk monument. De brug was in 2015 in slechte staat en is gerenoveerd. Er werd een renovatieplan opgesteld door Stichting MOVE – Museum voor Openbaar Vervoer & Straatbeeld. De brug is beeldbepalend en is een van de weinige overgebleven tastbare onderdelen van de tramlijn door Bennebroek. In de tijd dat de tram reed, lagen er twee sporen op en stonden er twee bovenleiding-masten. MOVE heeft van de brug een historisch monument gemaakt. De Stichting heeft de rails weer in het wegdek van de brug geplaatst. De zijkanten van de brug zijn uitgevoerd met het oude NZH-logo in het smeedwerk. Ook zijn weer bovenleidingmasten op de brug aangebracht. Op de Glipperbrug staat anno 2020 nog steeds het stenen
tramhuisje. De elektrische tram had destijds bovenleidingen. Soms werden deze aan de muren van de huizen bevestigd met muurankers (rozetten). In veel plaatsen kunnen je de muurankers van de Bollenlijn nog terugvinden (o.a. in Haarlem en Leiden). Ze zijn per stuk negen kilo zwaar en met 16 mm bouten aan de gevels bevestigd. In Lisse zijn geen muurankers te vinden, omdat van losstaande ijzeren masten gebruik gemaakt werd. Na de opheffing hebben deze in Lisse dienstgedaan als lichtmasten voor de voetbalvelden. De nieuwe blauwe tram Na opheffing van de lijn Haarlem – Leiden en alle
overige tramlijnen van de NZH (de laatste was Leiden – Den Haag, opgeheven in 1961), gingen alle trams
van de serie A600, de door Beijnes in 1932 gebouwde tweelingtramstellen, naar de sloper als oud ijzer. Daarom is de Stichting De Nieuwe Blauwe Tram in 2016 opgericht met het doel een herkenbare Blauwe
Tram te reconstrueren. Vanaf 2024 kan iedereen de A600 opnieuw beleven als deze tram gaat rijden op
het tramnet van Den Haag. Er is achter de schermen gewerkt aan een onderkomen voor de reconstructie van deze tram. Dat is gelukt. Het bestuur heeft besloten een ruimte te huren naast het NZH Vervoer Museum aan de A. Hofmanweg 35 in Haarlem. De Stichting krijgt hier de beschikking over een hal van
350 vierkante meter die hoog genoeg is om aan de rijtuigbakken te werken.

Een tramlijn aanleggen? Nog niet zo simpel.

Lisse en Hillegom waren eind 19e eeuw nog slecht bereikbaar. In 1878 maakte een nieuwe wet de aanleg van eenvoudige tramlijnen makkelijker. De heer J.L.J. Jansen uit Hillegom was er als de kippen bij om een vergunning voor de aanleg van zo’n tramlijn aan te vragen. In juni 1880 staat in het Leidsch dagblad dat spoedig met de aanleg van de lijn wordt begonnen en dat de locomotieven al in Düsseldorp zijn besteld. Voor die tijd moest natuurlijk het tracé beschikbaar zijn. Soms was het nodig om daarvoor
grond van landbouwers te gebruiken. Zo sloot Jansen in juli 1879 een overeenkomst met Aris van Ruiten
uit Lisse over het gebruik van grond: ter breedte van hoogstens twee meter uit de Rijksstraatweg gemeten van de oostenlijken berm van de Rijks Straatweg in de gemeente Lisse. Dit gedeelte is bekend als sectie B, nummer 631. Natuurlijk stond daar wel een vergoeding tegenover: bepaald op twee honderd gulden per hectare, of 2 cents per vierkante meter, jaarlijks. Op 16 mei 1881 werd het eerste deel van de lijn, het traject Hillegom-Leiden, geopend. Anderhalve maand later volgde het deel richting Haarlem. Meteen wordt duidelijk dat Jansen toch niet zo veel kaas gegeten had van het aanleggen van tramlijnen. Het traject was slordig aangelegd. De gebruikte rails bleken bovendien ongeschikt voor de zware stoomtrams, die waren nog gebaseerd op het gebruik van paardentrams. Het bleek bij tijden zelfs noodzakelijk om met elke tram een apart rijtuig met baanwerkers en materieel mee te laten rijden om de voortdurende storingen zo snel mogelijk te verhelpen. Onderhoud van de locomotieven vond men blijkbaar niet zo nodig. Het resultaat laat zich raden: diverse stoomlocomotieven vielen stil. En dan waren er ook nog veel minder passagiers dan waarop gerekend was. De verliezen liepen op en de aandeelhouders eisten een reorganisatie. Jansen nam ontslag. Maar het bedrijf bleek niet meer te redden. In 1884 ging de Noord-Zuid-Hollandsche Stoomtramweg-Maatschappij (NZHSTM) failliet. Dat was niet het einde van de lijn. Er kwam een doorstart. Er volgde een flinke reorganisatie, de baan werd verbeterd, de tarieven gingen omlaag en het onbekwame personeel vloog de laan uit. Binnen een paar jaar maakte de NZHSTM wel winst!

Om je te schamen, NZHSTM

In 1906 werd de NZHSTM overgenomen door de machtige Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HSM). Het tramwegnet breidde zich uit, er waren plannen voor elektrificatie, maar de bollenlijn bleef wat het was. Hoewel er meerdere malen ernstige ongelukken gebeurden was van verbetering geen sprake. Op 12 juni 1914 stond daarover een ingezonden stuk in de krant. Weer een ongeluk in Lisse. Gelukkig geen menschenlevens te betreuren. De abonné schrijft verder: dat zo’n
stoomtram niet meer past in de vooruitstrevende bloembollenstreek. Schamen wij ons niet voor de massa buitenlandsche bezoekers……..het is onmogelijk dat de machinist van de Stoomtram, wanneer het plotseling noodig is… deze tot stilstand kan brengen om de eenvoudige reden dat de oude Katwijksche wagens te zwaar zijn voor de kleine vierkante oude machines van het jaar 1880 of vroeger…….Gisteren is hier het duidelijkste bewijs geleverd. Tram A, van Leiden, komt zonder bellen, zonder eenig signaal van af de brug en pakt een auto, die hij door een hek duwt en tegen een boom verplettert. De tram kon toen juist passeeren en vervolgt zijn weg, om 5 minuten verder te wisselen met tram B, uit Haarlem komende. De machinisten waarschuwen elkaar blijkbaar niet. De auto was door zijn gewicht weer even teruggeweken en de baan was daardoor weer niet vrij. Hoewel 30 á 40 menschen hardroepend de naderende tram te gemoet loopen en zeggen de baan is niet vrij, antwoordt de machinist doodkalm: “Mijn remmen staan aan, ik kan verder niets doen” en even later rijdt de tweede tram op de auto………..Burgers in de dorpen, waar deze tram passeert, moet dezen toestand zoo blijven? Op tegen dezen wantoestand…….Ziet alleen naar de massa ongelukken van den laatsten tijd, en wij en onze kinderen kunnen ons niet meer op den Straatweg veilig achten. Het hielp niet veel. Er werden nog veel ongelukken gemeld en de tramlijn kwam pas als laatste van alle tramlijnen van de HSM in 1932 “onder draad”

Bijlage

Het Museum en de Nieuwe Blauwe Tram zijn twee aparte organisaties die nauw samenwerken.
Zo komt er een glazen wand voor de ruimte waarin de te bouwen tram staat, zodat museumbezoekers de vorderingen van het tramstel op de voet kunnen volgen. Het bestuur zal aan de nieuw te bouwen tram het nummer A619/620 geven, omdat de tram met dit nummer de laatste tram was die in 1961 van Leiden naar Den Haag reed.

 

bronvermelding:

foto’s uit archief CHVOL en collectie NZH Vervoer Museum
Info www.nzh-vervoermuseum.nl en https://denieuweblauwetram.nl

Bello vaarwel, welkom voor de Blauwe tram

 

NOSTALGIE: 1932 LAATSTE RITJE VAN DE BELLO

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Redactie

Bello, Bello, niet zo trekken……….. Een oudje uit “ja zuster, nee zuster”? Nou deze Bello hoeft niets meer te trekken, die wordt hier voor het laatst uitgelaten, niet aan maar op de lijn. Achter op het karton van deze prachtige foto zat een enveloppe met een handgeschreven brief. In de anonieme pennenvrucht staan veel mensen, die op de foto staan, beschreven met naam en beroep. Daar hebben we wat aan! We zijn blij met alle foto’s die we geschonken krijgen, zeker! Een foto met een beschrijving zoals bij deze foto heeft een geweldige meerwaarde voor de historische kennis van onze vereniging. Namen en geschiedenis vertellen iets over wat we op de foto zien. Ze leggen ook vaak een link met ander materiaal wat we binnenkrijgen. Zo kunnen we zorgen dat de geschiedenis van Lisse en haar bewoners helder wordt doorgegeven, ook over alles wat in de loop der jaren aan ‘t Vierkant gepasseerd is.
Wie schrijft die blijft! (de redactie).

1932 LAATSTE RITJE VAN DE BELLO

De tekst bij de foto van Bello

Sporen van Six in Lisse

Sporen van Six

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Nieuwsflitsen

De projectgroep ‘Sporen van Six’ heeft het manuscript opgeleverd voor een boek en daarmee haar werkzaamheden afgerond. De projectleden waren Jos van Bourgondiën, Maarten van Bourgondiën, Leo van der Geer, Rob Pex, Brigitte Rink en Henk Schaap. Zij kregen tijdens het onderzoek input en hulp van andere leden van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”: Laura Bemelman, Deen Boogerd, Wim Bosch en Alfons Verstraeten. De redactie bestond uit Maarten van Bourgondiën, Ria Grimbergen en Henk Schaap. Het boek zal worden uitgegeven door Uitgeverij Verloren. Het ligt voor de Kerst in de boekhandel en is dus een prachtig kerstcadeau.

De samenvatting is als volgt.

De Nederlandse familie Six behoorde eeuwenlang tot de elite van de maatschappij. Over de verschillende generaties Jan Six is veel geschreven. Over de drie generaties Pieter Six is weinig bekend. Wie waren zij en welke sporen hebben zij achtergelaten in Lisse? In dit boek worden de generaties Pieter Six in beeld gebracht. Hun achtergrond, de netwerken, de huwelijkspolitiek en de rijkdom uit de textielnijverheid. Ze kenden iedereen in het 17de-eeuwse Amsterdam, van Rembrandt tot Spinoza en Vondel. Ze maakten deel uit van de vroedschap van Amsterdam, werden advocaat, burgemeester en bewindhebber van de VOC. Dankzij erfenissen zat Pieter Six I goed in de slappe was. Hij bleek in 1674 tenminste 650.000 gulden te bezitten en rijker te zijn dan zijn broer Jan. In de traditie van de elite werd er geïnvesteerd in buitenplaatsen. De generaties Pieter Six hadden vanaf 1640 een hofstede met landerijen in Lisse. Dankzij honderden verwijzingen in archieven konden de auteurs precies in kaart brengen hoe het bezit in Lisse groeide. Een grote klapper was de aankoop van het Keukenduin in 1662. Door de Sixen werd het duin afgegraven en het zand met duizenden schepen afgevoerd door de zandsloot. Pieter Six II was een
fervent kunstverzamelaar. Zijn huis aan de Herengracht in Amsterdam leek wel een museum. Ook
in de hofstede in Lisse hingen veel schilderijen, waaronder het bekende portret van Jan Six I dat in
1654 door Rembrandt geschilderd werd. Het boek ‘Sporen van Six in Lisse’ laat zien dat de band met
het dorp steeds hechter werd. Pieter Six III liet in 1747 zelfs de toegang tot het kerkhof verbouwen,
zodat hij met zijn rijtuig tot de kerkdeur kon rijden. Maar ook zorgde Pieter Six III door middel
van zijn testament en een legaat aan de Diaconie, dat er in Lisse een hofje ontstond. Dat het hofje in
een dorp gesticht werd en niet in de stad, is uitzonderlijk. Pieter Six III overleed in 1755. Zijn echtgenote Geertruida van der Lijn volgde in 1763. Ze overleden kinderloos. Een einde van een tijdperk.

Bijlagen
A. Chronologisch overzicht van de familie Six in Lisse
B. Fragmentparenteel van de familie Six
C. De verponding 1750 m.b.t. Pieter Six III
D. Koopakte betreffende een hofstede en percelen van landen te Lisse Index van personen Index van locaties, totaal ca. 240 pagina’s met 130 illustraties.
Inhoudsopgave

Voorwoord door burgemeester Lies Spruit
1. Inleiding
2. Samenvatting
3. De achtergrond van de familie Six
4. Portretten van ‘Lissese’ Sixen
5. Bezittingen
6. Van Daerrode tot buitenplaats middeleeuwse geschiedenis
7. Inrichting van de buitenplaats
8. Afzandingen
9. Het hofje
10. Sporen in het landschap een rondwandeling
11. Conclusie

Bijlagen

A. Chronologisch overzicht van de amilie Six in Lisse
B. Fragmentparenteel van de familie Six
C. De verponding 1750 m.b.t. Pieter Six III
D. Koopakte betreffende een hofstede en percelen van landen te Lisse

Index van personen
Index van locaties
totaal ca. 240 pagina’s met 130 illustratie

Sporen van Six in Lisse

De kaft van het boek ‘Sporen van Six’

Leven en laten leven in Lisse:  Een onderzoek naar de zorg voor armen (1587 – 1729)

Op 17 november 1587 vergaderen in de Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone,  Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak. De armoede in Lisse wordt beschreven.

door Arie de Koning

2020

Hoe kwetsbaar was de bevolking van het Hollandse platteland aan het einde van de late Middeleeuwen tot het begin van de vroegmoderne tijd bij voedselcrises en hoe was de situatie in Lisse in het bijzonder?

Met deze vraag aan mijzelf zadelde ik me op met een megapuzzel. Terugvallen op eerder onderzoek was niet mogelijk omdat er altijd onderzoek is gedaan in de grote steden, wat ook wel logisch is, want men kan gerust veronderstellen dat de grootste problemen bij voedseltekorten zich afspeelden in die zelfde grote steden.

Waar in perioden van sterk gestegen voedselprijzen de mensen, die zich normaliter het hoofd maar net boven water konden houden, in ernstige problemen kwamen. Meestal reageerden de steden hierop met een regulatie van de broodprijzen en werden er export- verboden ingesteld voor granen. Dit alles om de rust te bewaren binnen de stad. Dit kostte de stad veel geld, maar werd nodig geacht om volksoproeren te vermijden. Maar hoe ging dat dan in de dorpen en gehuchten op het Hollandse platteland?

De 16e en 17e eeuwse Republiek der Vereenigde Nederlanden kende in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk of het Duitse Rijk geen ernstige hongersnood met grote sterfte onder mens en dier. Hier is althans in de archieven niets van te vinden, maar extreme prijsstijgingen en voedseltekorten deden zich wel degelijk voor.

Hoe Lisse zich in de eeuwen achter ons heeft staande weten te houden gaan we proberen duidelijk te maken

We moeten ons realiseren dat het verbouwen van tarwe en rogge, de hoofdbestanddelen van brood, maar op een paar plaatsen in Holland mogelijk was en die opbrengst was zeker niet voldoende om de groeiende bevolking te voeden. Ook in het Ambacht Lisse groeide graan zeer slecht, er werd beweerd dat er meer zaad de grond inging dan er geoogst werd. Dat is bewijsbaar in de archieven. Daar ontbreken namelijk de handel in de tienden van de graanopbrengst. Gras en koeien daar en tegen, groeiden opperbest in Lisse, maar daar kon je geen brood van bakken. Juist in Holland was de plattelandsbevolking al sinds de Middeleeuwen aangewezen op de stadsmarkten als het ging om voedselvoorziening en dan met name voor brood. Marktschippers brachten rurale producten naar de stadsmarkten en kwamen terug met koopwaar welke niet in de dorpen voorhanden was. Zo ook in Lisse waar  vier marktschippers diensten onderhielden op respectievelijk Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Leiden, waar men uit Lisse zuivel, aardbeien en ander fruit, groenten en peulvruchten bracht en uit Amsterdam tarwe en Rogge meenam naar Lisse voor de plaatselijke bakkers die ook bleken te bakken voor enige buurdorpen. Dit had alles te maken met de aanwezigheid van een molen in Lisse welke de “windrechten” bezat van het district. Maar dat is weer een ander verhaal.

De keuze voor Amsterdam als graanleverancier voor Lisse was een juiste keuze gebleken. Gedurende de 16e eeuw groeide Amsterdam uit tot het centrum van de graanhandel in Europa die met speciaal ontworpen en gebouwde Fluitschepen op zeer efficiënte manier graan kocht in de Baltische landen en met minimale kosten het graan vervoerde naar Amsterdam. Lisse was al sinds mensenheugenis opgenomen in het handelsnetwerk van Amsterdam en zo’n netwerk was in schaarsteperioden moeilijk af te sluiten door de autoriteiten. Daarbij kwam dat Amsterdam zijn rurale partners niet in de kou liet staan. Zo gebeurde dat Lisse meestal voldoende graan had om haar inwoners te kunnen voeden, ook al om te voorkomen dat Amsterdam overspoelt zou worden door massa’s hongerige plattelanders. Dat vergde enige organisatie waarbij twee mechanismen een rol speelden.

Ten eerste was dat de regulering van de handel in graan en vooral brood, onder andere door exportverboden, broodprijszetting en, misschien wel de belangrijkste, de aanleg van publieke graanvoorraden. In het gewest Holland was hiermee in de donkere 15e eeuw een begin gemaakt. In de moeilijke 16e eeuw werd dit soort beleid alom toegepast en ook in de 17e eeuw greep men er regelmatig op terug. Het tweede relevante mechanisme was de armenzorg, welke vrijwel geheel een lokale aangelegenheid was  en daar gaat het ons in eerste instantie om in dit onderzoek.

De Hollandse stedelijke en gewestelijke autoriteiten hadden al in de 15e eeuw, tijdens de ernstige voedselcrises van 1437-39, 1481-82 en 1490-91 tot ingrijpen besloten, maar de maatregelen behelsden maar twee dingen:  het standaard repertoire, exportverbod op graan. Dit ging zeer  ver en zelfs een stad als Amsterdam, welke toch alle belang had bij een vrije graanhandel, verbood de uitvoer van graan uit de stad in de duurtejaren 1623-24 en 1629-30. Een tweede pakket aan maatregelen  betrof de beheersing van de broodprijzen. Het belangrijkste instrument hiertoe was de broodprijszetting, een systeem waarbij de prijs van brood door de lokale autoriteiten werd vastgesteld op basis van de marktprijs van graan met een zekere demping van de graanprijsfluctuaties. Dit zou je subsidiëring kunnen noemen. Op het platteland was hier niet veel van te merken geweest, maar altijd bleef er een groep mensen die tussen de wal en het schip dreigden te geraken, de armen.

Armenzorg op het platteland

Het groeiend aantal armen noodzaakte tot een gecoördineerd stelsel onder regie van de autoriteiten en beperking tot bedeling van de zogeheten ‘eerlijke’ of ‘regte’ armen, zij die door oorzaken buiten hun schuld, zoals ziekte, handicap of ouderdom, niet in staat waren om te werken en een streng optreden tegen bedelaars en klaplopers die Europa overspoelden uit gebieden waar oorlog heerste. Deze rondtrekkende armen werden in vergelijking met de “eigen” armen gezien als oneerlijke armen. Ze waren gezond van lijf en leden en konden dus wel werken. Deze bedelfraude bereikte zijn hoogtepunt bij de uitgave van het boek “Liber Vagatorum” (het boek van de zwervers). Hierin werden alle trucs en allerlei soorten bedelmanieren, van stomme spelen tot het verstoppen van ledematen, uitgebreid uit de doeken gedaan. Het resultaat was een verbod op de bedelarij.

Op het platteland, dus ook in Lisse, had men ook te maken met rondtrekkende groepen armen, eerlijke en oneerlijke, groepen soldaten en groepen deserteurs. Het was de autoriteiten van Lisse er alles aan gelegen dat dit soort bezoekers zo snel mogelijk weer op weg te helpen om problemen te voorkomen, een brooduitdeling was meestal toereikend.

Op de smalle corridor in de duinen, begrensd door het Leidse meer in het oosten en de Wildernis in het westen, op de weg tussen  Haarlem en ’s Gravenhage, lag het Ambacht Lisse zeer strategisch en allerlei gelukzoekers, bedelaars, allerhande troepen en deserteurs, kwam door Lisse op weg naar de grote steden. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat de versterking Dever op deze plaats is gebouwd; militaire controle over de doorgaande route.

We weten uit de oude archieven van Lisse wanneer de armenzorg is opgericht.

Personificatie van een 16e eeuwse arme bedelaar uit de Liber Vagatorum

Op 17 november 1587 vergaderen in de ” costerije huijsinge  staende aent Kerchof”, Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone, tegenwoordig residerende op Sijne Hoffstadt genaamd Dever alhier te Lisse ten eenre, en een groot aantal lieden ten sijde. Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Deze lieden, van wie er een aantal worden genoemd, zijn de zogenaamde “opsyenders ende ondervinders” van het Onse Lieven Vrouwe Gilde. Genoemde personen zijn onder andere: Dirc Barthoutssoen van Betanyen, van beroep snyder (kleermaker), Jan Jacobssoen Wassenaar alias Doncker, Pauwels Reynoutszoen van Broeckhuijsen, Jan Hendricxsoon van Egmondt alias Mol, Willem Adryaenssoon Schenaert, Pieter Aelbertssoen backer, Pieter Willemsen van Moerkercken alias vouger (metselaar) en Jan Dirk Jacobssoen van der Son, “mit meer andere gebuijren”.

De voornoemde Gilde-broeders hebben beloofd en gegeven de jaarlijkse inkomsten van pacht en rente die toebehoren aan de Gilde, te samen de somma van 17 gulden en 10 stuivers. Het geschatte kapitaal aan land en obligaties wordt geschat op 300 guldens. Hieruit blijkt dat er in Lisse niet een absolute noodzaak was te veranderen van armenzorg wat voorheen door het bovengenoemde gilde werd verzorgd.

De Heilige Geest Armen

De oprichting van de Heijligen Geest Armen  zal een gevolg zijn geweest van een andere koers die gevaren werd door de leiding van de Roomse Kerk op het gebied van armenzorg onder druk van het gemor van de burgerij op het voorgaande beleid van dezelfde Kerk. Anders dan de naam zou vermoeden is de Heiligen Geest Armen geen parochiale instelling geweest, maar stond onder toezicht van het dorps bestuur  die de Armmeesteren aanwees die volgens een rouleersysteem twee jaar in functie bleven.

Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak.

De Kerk had natuurlijk het allerbeste overzicht over het wel en wee van haar parochianen waardoor de Armmeesteren maatwerk konden leveren. Met het groeien van het dorp zal er meer maatwerk geleverd zijn maar dit was van korte duur. Vijf jaar na de oprichting van de Heiligen Geest Armen raasde de Reformatie ook over Holland. Zelfs Lisse onderging het ten volle en toen het weer tot rust kwam was het Roomsche geloof verboden en was de Kerk overgegaan in handen van de Gereformeerden. Het was voor veel mensen zeer verwarrend. Wat bleef waren de Heiligen Geest Armmeesters. Deze organisatie welke in haar korte bestaan zo slagvaardig had gehandeld was te kostbaar om op te heffen.

Zoveel ervaring hadden de protestanten niet opgedaan in hun verbanningsoorden dat zij het zich konden permitteren deze organisatie op te heffen. De Protestante Diaconie werd naadloos overgenomen en men ging op de oude manier en met gebruik van de oude kapitalen en beleggingen verder. Alleen om Armmeester te worden moest men Protestant zijn. Armoede was in de vroeg moderne tijd overigens een vrij relatief begrip. Wie onvoldoende kon beschikken over de noodzakelijkheden voor het dagelijks bestaan, zoals men aan zijn stand verplicht was, kon men arm noemen. Hieronder viel de armoede van een jonge weduwe met kleine kinderen die onvoldoende inkomen had om haar gezin onderdak, gevoed, gekleed en ’s winters warm te houden. Maar ook de koopman of ambachtsman, die door ziekte of economische tegenslag verarmde zodat hij beneden zijn stand moest leven kon men arm noemen. Het blijkt uit de Rekeningen van den Heiligen Geest Armen dat de grootste groep armen te bestaan uit gewone gezinnen waarin én de ouders én de kinderen werken, maar er niet in slagen voldoende inkomen te genereren. Opvallend is dat de hele groep bestaat uit mensen welke geen toegang hadden tot land, pachtland dan wel te verstaan. De investering was blijkbaar niet op te brengen voor deze mensen. Mensen die in normale tijden er net in slaagden rond te komen maar bij tegenslag direct afhankelijk werden van de armenzorg. Bijvoorbeeld door ziekte. Wie voor langere tijd op één plek woonde had doorgaans de beschikking over een netwerk van buren, familie, geloofsgenoten, vrienden of werkgever waarbinnen met elkaar over en weer hielp. Was de tegenslag echter voor langere tijd, dan was een meer structurele ondersteuning nodig. Overigens was arm zijn absoluut geen schande. De arme mens was immers het evenbeeld van Jezus die ook niets bezat. Door de arme te helpen kwam dat weer ten goede van je eigen zielenheil en dat was in die tijd heel belangrijk. Dat verkortte namelijk de tijd welke de overleden goede gever in het vagevuur door moest brengen alvorens opgenomen te worden in de hemel. Het was dan ook vanzelfsprekend dat de ontvanger van de gulle gaven, de arme, zou bidden voor de gever, ook dat was goed voor zijn zielenheil.

Vaak wordt verondersteld dat de armoede op het platteland wel meeviel en onder het percentage van de grote steden moet hebben gelegen, maar is dat altijd waar?

Lezend in de Kohieren van het Zout en Zeep van de jaren 1680 en 1685 berekende ik dat in Lisse 3% van de huishoudens bedeling ontving. Ter vergelijking in Noordwijk lag dit percentage op 8%, in Berkel op 11%, ’s Gravendeel 4% en het Noord-Hollandse Graft zelfs op 14%. Hier steekt Lisse zeer gunstig af maar voor een verklaring voor deze verschillen is meer onderzoek nodig. Bedenk dat in deze tijd het percentage in de stad Delft op 15% lag.

Om te zien of deze 3% de normale standaard was in Lisse hebben we de Rekeningen van de Heilige Geestarmen nodig. In het Gemeente Archief van Lisse zijn deze aanwezig voor de periode 1587 tot en met 1729, een goede 140 jaar. Hierin moeten we meer kunnen vinden. Probleem was de kwaliteit waarin deze Kohieren zich bevonden. Veel van de boeken waren uitgehold door de muizen en het gebruikte handschrift toonde veelal overeenkomsten met het Assyrische spijkerschrift. Zo ben ik begonnen de kohieren te transcriberen om meer duidelijkheid te verkrijgen samen met leden van de Genealogiegroep van de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse, Dirk Floorijp en Leo van der Geer. De eerste resultaten kwamen binnen en na een vluchtige analyse viel op dat het aantal mensen wat bijstand ontving of “gealimenteerd werd” ongeveer gelijk bleef maar ook viel me op dat de namen van de gealimenteerden nauwelijks veranderden. Blijkbaar waren er een aantal vaste klanten van de Armenzorg niet uit hun armoede te halen met de geboden bijstand. Helaas werd in de Kohieren niet vermeld de reden van hun armoede, wel dat zij meestal een groot aantal kinderen bezaten. Zo bezaten de Heilige Geest Armen een huijsje aan het Kerkhof die aan daklozen ter beschikking kon worden gesteld. Een enorme luxe voor een plattelands dorp. In dit huijsje konden twee gezinnen gehuisvest worden en de bedoeling was dat er enige bijdrage in huur zou worden betaald. Ik vond dat sedert mei 1695 ene Pieter Pieterse Berendregt met zijn grote kinderschare daar woonde en dat hij daar nog steeds woonde in mei 1729 en dat hij geen huur kon betalen wegens onvermogendheid. In 35 jaar had hij geen kans gezien zijn positie te verbeteren! Waarschijnlijk was deze Pieter zwaar gehandicapt anders was dit nooit toegelaten.

Uit de kohieren blijkt dat er een systeem bestond van bijstand in natura, zoals schoeisel en kleding, voeding als brood, en geld. Helaas wordt niet per persoon gespecificeerd wat de behoeftigen kregen alleen een totaal bedrag. Alleen in 1695 wordt vermeld dat er aan de armen was geleverd 102 Roggebroden en 51 Tarwebollen a 30 gulden 5 stuivers en 10 penningen. Ook boter ter waarde van 10 gulden 16 stuivers en 12 penningen stond op de lijst evenals loon voor de Chirurgijn voor zijn heelkunsten. Aan geld werd in 1695 gemiddeld 20 gulden uitgekeerd voor 8 personen per maand.

In de leesbare gedeelten van de Kohieren is de Rekening zeer transparant, uitgebreid wordt verklaard hoe de kas werd gevuld en ook hoe de kas werd benut. De Heilige Geest kas werd gevuld voor een groot deel door renteopbrengsten uit Losrente brieven en Obligaties uitstaande bij de overheid. Solide beleggingen. Verder uit inkomsten van landbezit in de vorm van Erfpachten, collectes bij de uitgang van de Kerk (niet in de Kerk) of langs de deuren verkregen. Uniek waren de extra leges welke werden geheven bij handelstransacties aangegaan voor het Gerecht van Lisse ten behoeve van de armen, boetes opgelegd door de Schout kwamen geheel ten goede aan de Armen en een percentage van de openbare veilingen of Boelhuizen die werden bedongen voor de armen. Er was zelfs in de loop der jaren een heus Armenbos ontstaan waarvan de houtopbrengst voor de armenkas was bestemd. Als in oktober de kramen voor de Lisser Kermis arriveerden kregen zij allemaal een bezoek van de Schout welke om ” Recognitie” kwam. Met andere woorden betalen of wegwezen van de Kermis. Het was verrassend wat de Schout  zoal bij elkaar bedelde.

Zoals iedere armeninstelling was de Heiligen Geest Armen afhankelijk van de goedgeefsheid van de burgers, Collectebussen, zoals dit 17e eeuws  exemplaar, moesten daarom een wervend karakter hebben en werden daartoe opgesierd met tot de verbeelding sprekende afbeeldingen.

Er zitten wel behoorlijke verschillen van jaar tot jaar in de boekhouding. Dit zou te maken gehad kunnen hebben met de strengheid van de winters want de Armmeesteren verstrekten ook brandhout of turf aan de behoeftigen. We zoeken verder. Lisse is een van de weinige dorpen in Zuidholland waarvan de Rekeningen van de Heilige Geest, belastingregisters en doop, trouw en begraafboeken van de Hervormde Kerk voor deze vroege periode beschikbaar zijn. Data van de Hervormde Diaconie ontbreken helaas maar de Hervormde Kerk groeide in Lisse maar heel langzaam dus aangenomen mag worden dat de Heiligen Geest in Lisse het grootste deel van de armenzorg voor het dorp bediende, maar nogmaals, de Heilige Geest en de Diaconie waren feitelijk één “bedrijf”.

Vooral in het begin van zijn bestaan kreeg de Heiligen Geest Armen een vuurdoop. Eind jaren  1590 was er sprake van een langdurige periode  van zeer hoge voedselprijzen. Er waren hiervoor meerdere omstandigheden verantwoordelijk. Zowel in 1595 als in 1597 was er sprake van misoogsten in grote delen van Noordwest Europa.  Holland zelf kreeg in die jaren te maken met omvangrijke overstromingen, terwijl het gebied in het tussenliggende jaar 1596 ook nog een muizenplaag te verwerken kreeg. De gevolgen waren dat jarenlang de prijs van rogge, het belangrijkste broodgraan, ver boven zijn normale niveau uitstak zoals in grafiek 1 duidelijk wordt aangegeven. Ook weten we uit andere studies dat in de jaren 1597 en 1598 bij de armenzorg in de steden in Holland het water aan de lippen stond.

 

Grafiek 1. Roggeprijzen  in  Amsterdam  en  Utrecht in gram  zilver  per  hectoliter Rogge. Bron: N.W. Posthumus, Nederlandse prijsgeschiedenis 2 (Utrecht 1964)

Er werden grote hervormingen in de steden doorgevoerd om de problemen het hoofd te kunnen bieden. In de dorpen was hervorming niet nodig maar de Rekeningen laten ons zien dat er ook in Lisse problemen waren ontstaan. Dit waren bekende jaren van tekorten aan het einde van de 16e eeuw. Hoe was dat in andere jaren? Laten we het einde van de 17e eeuw eens nemen, de eeuw die volgens onze schoolboekjes een “Gouden Eeuw” moet zijn geweest. We zullen een tijdsbestek van 10 jaar nemen voor een ruim gemiddelde. We beginnen met het jaar 1696 en gaan tot 1705. Wat blijkt: in de 10 jaar tussen 1697 en 1705 werden in totaal zeventien huishoudens regelmatig bedeeld door de Heilige Geest. Opvallend was het relatief grote aantal weduwen en alleenstaande vrouwen welke bedeeld werden. Ook waren er twee gezinnen welke de gehele periode bedeling ontvingen inclusief woonruimte. Ook zien we in het duurtejaar 1699 het totaal aantal bedeelde huishoudens bijna verdubbelen van 9 naar 15 gezinnen. Dit bewijst dat de hoogte van de graanprijs wel degelijk invloed had op het aantal behoeftige huishoudens in Lisse. Nemen we de gehele tijdsduur van 1587 tot 1729 is het gemiddelde aantal bedeelde huishoudens in Lisse 12.

Bij voorbeeld in 1680 waren er negen huishoudens die bedeling ontvingen. Verdeeld  over zes weduwen met kleine kinderen, één weduwe zonder kinderen, één vrouw alleen en één compleet gezin met vader, moeder en drie kinderen boven de tien jaren waar van er één in de oorlog was. Lisse had toen in 1680 een bevolking van 290 inwoners. Er waren 48 zg Capitalisten, 233 arbeiders of ambachtslieden en 9 armlastigen.  Hierbij komen we uit op een percentage van ruim 3% en dat ligt ongeveer gelijk met de gemiddelden welke we vinden in de andere jaren en komt overeen met het  reeds gevonden percentage in 1680. Hierbij steekt Lisse goed af bij andere dorpen. Door hoge graan- en voedselprijzen en de strengheid van de winter waren er tekorten op de balans in 1679, 1698, 1699, 1700 en 1701. En vanaf 1702 waren de uitgaven torenhoog maar werd de balans sluitend afgesloten en later werden zelf bescheiden overschotten in de Rekeningen gemeld zoals in het jaar 1729 toen het boekjaar werd afgesloten met een overschot op de balans  van twee honderd twee guldens en elf stuivers. Het jaar ervoor had men nog een tekort van 149 gulden. Het systeem had gewerkt in Lisse.

Anders was de situatie in de steden.

Door de enorme toeloop van mensen die niets  meer bezaten , werd de situatie dikwijls onbeheersbaar. Zo ook in de stad Leiden waar de Armmeesteren constateerden dat de  geschonken goederen of gelden niet altijd goed werden  besteed. Vaak vond men een bedeelde  laveloos in de kroeg waar hij zijn geschonken  geld voor nieuwe schoenen  belegde in alcoholische versnaperingen. Er zou een enorm controle systeem moeten worden opgezet. Men ging daarom over op het verstrekken van een muntje, gemaakt van lood. Een “loodje” genaamd in de volksmond waarmee men bijvoorbeeld bij de bakker brood kon kopen. Als de bakker voldoende muntjes had kon hij deze bij de Armmeesteren in leveren voor geld. Kroegbazen konden dat niet. Men zegt dat hier het gezegde “zijn laatste loodje leggen” van af zou stammen, ofwel hij is overleden. Het zou zo maar kunnen.

Conclusie

In perioden van voedselschaarste en hoge prijzen heeft het dorp Lisse ook alle zeilen moeten bijzetten maar de schade bleef desondanks te overzien. Er was geen sprake  van massale trek naar de steden van hongerende inwoners van Lisse. Dat is mijns inziens te danken aan het feit dat Lisse in normale tijden via de stedelijke markten hun graan inkochten. Daarmee was in duurdere tijden een kant en klaar netwerk voorhanden maar had Lisse ook een zekere morele aanspraak op een deel van de in de steden aanwezige graanvoorraad. De Heilige Geest Armmeesteren van Lisse reageerden daadwerkelijk op prijsstijgingen door én hogere uitkeringen te verstrekken én meerdere bedeelden toe te laten. Let wel dat de uitkeringen uiterst sober gebeurden, men werd er niet beter van maar men bleef wel in leven en ook niet onbelangrijk, werd men bedeeld, hoorde daar bij wel  een begrafenis van de Armen in een graf van de Armen.

Bronvermelding:

J.A. Faber,                           Dure tijden en hongersnoden in pré-industrieel Nederland

Remi van Schaik,               Prijs- en levensmiddelen politiek in de Noordelijke Nederlanden van de 14e tot de 17e eeuw: bronnen en problemen

Gemeente Archief Lisse   Inv.nr.229,289,290,291,293,294,295 (Transcripties)

www.oud.noordwijk.nl    H. Schelvis: Zout zeep heere en redemptiegeld 1680

Peter van der Krogt;         Berkel: familiegeld 1680

Ingrid van der Vlis:           Leven in armoede. Delftse bedeelden in de 17e eeuw.

Dekker:                                Holland in beroering

Cult.Hist. Ver. Oud Lisse Arie de Koning: Resolutieboek van Schout en burgemeesteren van Lisse 1681-1795

Jessica Dijkman:               Het dagelijks brood

Dirk Floorijp:                     Fotografie en controle transcripties

Leo van der Geer :              Transcripties

Vaak werd men van de armen begraven

 Het vergiftigingsdrama in 1920 te Lisse

Op 12 december 1920 vermoorde mevrouw van den B. samen met haar commensaal C. van der L. haar man J. van den B. door vergiftiging met arsenicum. Zij stonden terecht voor de Haarlemse Gerecht. De beschuldiging, de veroordeling e.d. worden weergegeven.

door Arie de Koning

2020

Weer stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Alle nieuwsgierigen konden niet naar binnen, toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Uren stonden zij daar geduldig te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet.

Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen en ook de gereserveerde tribune was geheel bezet.

Als beklaagden kwamen in dit drama, Gerarda Hendrica van der M., weduwe J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op

Op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met van der L., nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden.

Aan van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk.

Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden.

Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard.

Als verdedigers traden op voor van der L. Mr. Pliester en voor vrouw van den B. Mr. C. van Sprang.

Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats.

De vrouw vertelde dat van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat van den B. teveel in het gezin was. Met van der L. had zij er meermalen over gesproken dat van den B. in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden.

In april of mei had van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven.

President: Terwijl u wist dat van der L. er arsenicum in had gedaan?…….

Beklaagde: Ja !……

President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met van der L. trouwen?

Beklaagde: Dat niet, ik wist dat van der L. getrouwd was….

 

President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw.

Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had.

Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man……..

Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan.

Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die Zondag 12 September niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die Zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’.

Vrouw van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben.

Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was.

Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was van den B. dezelfde dag al gestorven.

Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje.

President: Niet veel minder?

Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen.

De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het zieken huis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden.

De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had.

De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H.S.A van Beek, vertelde dat van den B. op die bewuste Zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en Dinsdag was hij ziek geweest. Op Woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kon van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde.

Dokter F.G.M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft van den B. op Woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe,”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”.

Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek.

Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging?

Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen.

Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig.

Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met van der L. Op een zekere dag was van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man.

Verder verklaarde deze getuige dat van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige heeft van der L. na 12 September eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat van der L., nadat er twist was geweest in het huis van den B. bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat van der L. meestal even overwipte voor van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van v.d. B. hetgeen aan de moeder bekent was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van v.d. B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum.

Mr. Pliester vroeg aan getuige J.P.L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum tijd de dood na het innemen van een dosis arsenicum kan volgen en hoe groot de maximum tijd kan zijn

Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicuminvloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arseni-cum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een sub – acuut vergiftigingsgeval moet denken.

Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.

Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren.

Heden zou de rechtbank vonnis geven.

De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde.

Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven.

Een zeer luidruchtig volkje die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleidt, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadkamer en namen plaats. Nu zou men het horen…….

15 jaar cel

De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 45-jarige weduwe van den B. en haar 35-jarige gewezen commensaal van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man´ op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.

Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 60 jaar zijn als zij vrijkomt, de man 50 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel……..

Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting.

Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid.

Een verwoest gezin….

Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis.

De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Resumé:

Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden deze aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen.

Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekent. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de Apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten.

Zo ook bovenbeschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M.  Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden…….

Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B. een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920.

Niet bekend is waar Gerarda Hendrica v.d. M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd.

Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:

Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem

Haarlems Dagblad 21-02-1921 blz.2/3

Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1

Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse

Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

 

Studie naar Vlamingen te Lisse

 Door Arie de Koning

November 2020

 

Omstreeks 1620 begon de eerste eigenaar van de buitenplaats Roosendaal, Adriaan Block Maartensz, geboortig van Gouda, Commandeur der Vereenigde  Oostindische Compagnie, huizen en gronden te kopen in Lisse.

Hij was een der schoonzoons van Gerard van der Laan  Cornelisz, die woonde op de buitenplaats ,,Huis ter Spekken”.

Zo kocht hij aan de Heereweg van Cornelis en Apolonia van Immerzeel, kinderen uit het eerste huwelijk van de schout van Lisse, Cornelis van Immerzeel en Claesghen de Goede het huis waar het tweetal in woonde met een croft van 750 roe land.

Huis en perceel grensde aan een perceel wat al in handen was van Adriaen Block en bewoond werd door Isaac Massa een Antwerpenaar van geboorte, koopman welke handelsreizen maakte naar Rusland. Hij was getrouwd met Beatrijs Gerardsdr van der Laen en dus een ook schoonzoon van Gerard van der Laen Cornelisz, “heer van Huis ter Spekken”. Deze Isaac Massa, de Vlaming, is meerdere  malen geportretteerd door Frans Hals.

Nu wordt het interessant

Ten noorden van Cornelis en Apolonia van Immerzeel woonde Jan Ponseel (kan ook zijn Ponneel) gehuwd met Catalijne  Vanderbussche, Vlaamse uitwijkelingen welke zich hier met lotgenoten hadden gevestigd langs de Heereweg. Zij hadden daar zogenaamde bordenhuisjes gebouwd naar Vlaams voorbeeld, dus met een sierkap op de schoorsteen. Hier heeft dus de Vlaamsche Buurt gelegen. Achter Roosendael en de Vlaamsche Buurt lagen de gronden van de Oostgeest.

Over Isaac Abrahamsz Massa

Gereformeerd Doopboek Haarlem 1578-1607 folio.71.

Isaac werd gedoopt op 7 oktober 1586 in Haarlem en overleed  in Lisse denkelijk in 1643 want in een transportakte van 12 februari 1644 wordt vermeld dat hij en zijn vrouw zijn overleden.

Isaacs vader, Abraham Massaert of Massa, was een lakenhandelaar en kwam uit Thys. Hij vestigde zich in Antwerpen en was in 1585 naar de Noordelijke Nederlanden uit geweken. Hij was getrouwd met Sara Jansdr. Uit dit huwelijk zijn vijf zoons en één dochter bekend. Rond 1600 is vader Abraham overleden.

In 1625 schreef Isaac dat hij uit de gegoede familie Valroux stamde., daar is verder weinig van bekend. Zijn moeder Sara stuurde hem in 1601, 15-jaar oud naar Rusland. Hij leerde daar veel over de Russische cultuur en sprak vloeiend Russisch. Hij werd graanhandelaar op Rusland.

Hij trouwde vrijdag 25 april 1622 met Beatrijs van der Laen . Frans Hals was bevriend met Isaac en heeft hem diverse malen geportretteerd.

Uit Rechterlijke Archieven van Lisse.

  1. 4-4-1622. De eersame Isaacq Massa geassocieert en bij zich hebbende Sara Jansdr. zijn moeder en Lambrecht Massa zijn broer ter eenre en de eerbare Jonkvr. Beatrix van der Laen geassisteert en vergeselschapt mette eersame zeer discrete heere Gerard van der Laen oud burgemeester van Haarlem haar vader, Pauwels van Beresteyn oud burgemeester van Delft haar oom en Mr Cornelis van der Laen beyder rechten doctor haar broer ter andere maken huwelijksvoorwaarden. Hij brengt aan meubilen en inmeubile goederen als bij geschrift overgeleverd bestaande in huizen, geld, goud, juwelen, coopmanschappen, tapijten, schilderijen, borduurwerken, lijnwaat en huisraad en zij brent in 5 morgen land met een smalle singel ten noordwesten en noordoosten daaraan gelegen aan de noordoostzijde langs de Speckerslaan welke Crijn Claeszn. nog 3 jaar in huur heeft om 120 gulden met zekere jaarlijkse toegifte volgens de huurcedule, een erfpacht van 120 gulden per jr uit twee silcken duintjes, een lijfrente op de stad Haarlem van 42 gulden 17 st 2 p per jr, een losrente van 25 gulden op het huis en erf van Abraham Lenaertszn. te Haarlem in de Hagestraat, een losrente van 12 gulden 10 st per jr op het huis van Crijn Janszn. de Goede in de Vlaamse buurt te Lisse, aan geld 1150 gulden welke aan zekere goede luyden op obligatie zijn uitgezet volgens de cavelcedule tussen haar en haar zuster Catharina van der Laen volgens de caveling van 26 maart laatstleden en nog aan schone gouden penningen en potgeld 350 gulden, aan juwelen en kleinodien met een schone vergulde cop ter waarde van over 600 gulden, aan lijnwaat 400 gulden en heeft gemeen met haar zuster 300 gulden welke onzeker zijn, een obligatie op Jan Dammaszn. Cluft, huisman (kleine boer) te Lisse die insolvent is geworden groot 150 gulden. Isaacq zal aan Beatrix als morgengave verstrekken 1000 gulden, 1/3 in juwelen en 2/3 in geld waarvoor hij tot onderpand stelt de brieven van verband gepasseerd voor twee schepenen van Haarlem daarbij hij tot onderpand heeft gesteld twee van zijn huizen te Haarlem als de ene op de oude Graft tussen de erfgenamen van Dirck Gerritszn. Vouger (metselaar) aan de ene zijde en Cornelia Ariensdr. aan de andere zijde en het andere op de Croft tussen Jan Lenaertszn. timmerman en het huis van Mr Pieter Bruyn landmeter aan de andere zijde.
  1. 12-12-1624. Cornelis Corneliszn. van Immerseel de jonge. en Appollonia Cornelisdr. van Immerseel met Adriaen Engelszn. Larum haar man verkopen de commandeur Adriaen Maertenszn. Block een huis en erf met croft afgezand geestland gelegen in het Noordeinde jegens haar vader voor haar matromonye aanbedeeld, belend NO de erfgenamen van Sr Arnoult Claeszn. van der Hooch en Cornelia van Dorp met Jan Jacobszn. Ponneel, ZO de Heerweg, ZW de koper met de huiszitten te Leiden en NW de Santsloot van de erfgenamen van Van der Hooch. Voldaan met een schuldbrief van 2000 gulden.

331v. 12-2-1644. Christiaen Massa als vader en voogd van zijn onmondige dochter Magdalena Massa wonende Amsterdam mitsgaders Susanna Massa weduwe van Jan Potter van der Loo wonende den Haag met de voorsz. Christiaen haar broer als haar gekoren voogd, Jr Cornelis van der Laen als procuratie hebbende van de Ed heer Eustachius Swartius der rechten dr als man en voogd van Catharina van der Laen wonende Utrecht welke procuratie inhoudt dat de voorsz. Van der Laen het gedeelte de voorsz. Swartius in het land bezittende in de voorsz. procuratie vermeld, hierna uitgedrukt, zou transporteren aan degene die het hem goed dunkt, allen in dier kwaliteit neffens de voorsz. Van der Laen erfgenamen van za Beatrix van der Laen in haar leven gewoond hebbende te Haarlem en gehuwd geweest met Sr Isaack Massa mede overleden, welke twee eerste comparanten verklaren aan de voorsz. Cornelis van der Laen verkocht te hebben 2/4 van 5 morgen land nefens Speckelaan of Keuckenduin daar de voorsz. koper uit kracht van bovenstaande procuratie 1/4 van de voorsz. Swartius toekomt en 1/4 hem zelf toebehoort zijnde de smalle elstsingel ten noordwesten en noordoosten ter halver sloot over de grote Heynsloot daarin begrepen, waarvan 3 morgen uit de Keuckenduin zijn afgezand en toegemaakt en de andere 2 uit de afgedolven duinencroft, belend ZO Crijn Claeszn. en voorts NO gaande langs de Speckelaan ter halver sloot, strekkende tot het halve slootje achter het Ypenbosje en de voorsz. 5 morgen gerekend en aan de NO aan de Keuckenduin en Wouterscroft daarvan gescheiden, welke 2 morgen belast zijn met 13 st 2 p houtvesters erfhuur en wel de 3/4 parten om 3600 gulden.

Isaac Abrahamsz Massa en Beatrijs Geraartsdr van der Laen (Frans Hals)

 

Isaac Abrahamsz Massa in 1635 (Frans Hals)

 

De Stationsweg door  A. Raaphorst Hz

In 1910 werd de hele Stationsweg vanaf het station bestraat, voorheen was het een bestraat karrenspoor. Het gedeelte in de bebouwde kom, de Steeg genaamd, was erg smal. Daarom werd bij de verkoping van het naastgelegen  landgoed Roozendaal, bepaald dat daar 2 straten vanaf de Heereweg moesten komen als omleidingswegen.

opgetekend door door A. de Koning

1 juni 2020

De Stationsweg heeft in het jaar 1910 deze naam gekregen, want voorheen noemde men deze straat tot het einde van het bebouwde gedeelte de Steeg en verder Delfweg. De oorspronkelijke naam is dan ook de Delfweg, waarschijnlijk genoemd naar het delven van turf vroeger daar ter plaatse. Tot het einde van het bebouwde gedeelte is deze weg bestraat omstreeks 1880. In het jaar 1905 werd vanaf het bebouwde gedeelte tot het station der H.IJ.S.M een paardenspoor van klinkerbestrating aangelegd van 80 cm breedte, dat schoot niet veel op en in het jaar 1909 besloot de Raad echter om de Stationsweg over zijn gehele lengte te bestraten. Bijzonder was dat dit werk niet werd aanbesteed maar door de Gemeente Lisse zelf uitgevoerd. Met de uitvoering daarvan werd in het voorjaar van 1910 begonnen en was in de zomer van 1911 gereed. Omdat het verkeer van en naar het station in de afgelopen jaren enorm was toegenomen en de Stationsweg aan beide zijden met hout was beplant, dus vooral in voor- en najaar moeilijk te begaan was, was deze bestrating een grote verbetering. Het Gemeente Bestuur, met zijn bestemmingsplan, ziet al lang uit naar een andere, betere en mooiere verbindingsweg van de Stationsweg met de Heereweg in de plaats van het zeer smalle en met minder mooie arbeidershuizen volgepropte gedeelte, wat men al van ouds de Steeg noemde. Dus besloot de Raad dan ook in verband met de publieke verkoping  van het Huis Roozendaal in het jaar 1913 om op twee in het uitbreidingsplan geprojecteerde en vanaf de Heereweg in noordoostelijke richting lopende straten, te weten aan beide kanten van het terrein van het Huis Roozendaal, een zodanig bouwverbod op te leggen, dat daar ter plaatse bij een eventuele bebouwing van dit terrein, twee straten moeten worden aangelegd ter breedte van 12 meters die een zodanige richting hebben dat deze later eventueel  met de Stationsweg  in verbinding kunnen worden gebracht. Met de bouw van de villa van de heer Leen Tol aan de noordoostzijde van de stationsweg op het land van de firma G. van der Meij, ook reeds rekening is gehouden met bovengenoemde verbindingsweg. Aan de zuidwestzijde van de Stationsweg, strekkende langs de tuin Berkhout, bevond zich een ordeloze houtwal met hoog opgaand geboomte. Deze houtwal werd in het jaar 1905 gerooid en in de plaats daarvan een haag geplant.

Bron: Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

De Stationsweg, in de bebouwde kom de Steeg genoemd, was te smal