Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

HOE KLOOTSCHIETEN TOT EEN VEROORDELING LEIDDE

Eerst wordt een uitleg gegeven wat klootschieten inhoud. Een wedstijd klootschieten van Lisse naar Hillegom ontaardde door drankgebruik in een vechtpartij met gewonden.

door Leo van der Geer

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

De schietkloot in de minste worpen van Lisse naar Hillegom gooien, daartoe hadden de Lissese Arie van Graave
(de baggerman) en Jan van der Klugt elkaar uitgedaagd. De verliezer zou op twee vaan oud bier, ongeveer 16 pinten bier, moeten trakteren die ze gezamenlijk zouden consumeren.

Klootschieten is misschien wel een van de oudste balspelen die we kennen. Het is een eenvoudig volksspel waarbij het erom gaat wie het verst met een houten met lood verzwaarde bal, en dat is dan de kloot, kan gooien. Wie in een vooraf bepaald aantal beurten de grootste afstand weet af te leggen, is winnaar. In wat tegenwoordig Nederland is werd het spel van de vijftiende tot de zeventiende eeuw alom beoefend. Het was niet zonder gevaar. In Amsterdam werd in de vijftiende eeuw al een speelverbod uitgevaardigd, ‘Alsoo der Stede muren daerdoor beschadigt werden’. Hier en daar werd met ijzeren in plaats van met houten kloten gespeeld. Dat werd al in de vijftiende eeuw in Leiden verboden. ‘So moet nyemant doer die stede cloeten dan mit houten cloeten’. Ook in Lisse werd de sport beoefend en veroorzaakte ongelukken. Daarom besloten de schout en burgemeesteren (wethouders) van Lisse op 11 maart 1749 dat de sport verboden werd binnen de bebouwde kom met de volgende tekst: Schout ende burgemeesteren van
Lisse, voorgekomen sijnde verscheijden klagten van jon(g) gesellen met het schieten van de kloot en met het tollen, en daar op gevolgde ongelukken, verbiedende hiermede aan allen, ende een ijgelijk met de kloot te schieten, veel minder de kloot te mogen goijen tegens eenige dorps boomen, of palen soo als men segd op den aftrek alsmede met taas of swieptollen te mogen tollen ende ook wel expresselijk het soogenaamde herrejen (is een voorwerp laten draaien op een pin) met de tol ende dat tusschen de gehuijsdens in den dorpe van Lisse van de Lisserbrugge tot Adam Vreburg Graftweg, Broekweg ende Veenderweg, op verbeurte t’ elkens van ses stuijvers d eene helfte ten behoeve van den Schout van Lisse ende de andere helfte ten behoeve van den H Geest Armen van Lisse, sullende
de ouders voor haarlieder kinderen ende de voogden voor hare wesen, moeten instaan, ende dese boete betalen, onvermindert het regt van den heer balliuw. Aldus gedaan gekeurt ende verboden bij den schout ende alle de burgemeesteren in ’t regthuijs van Lisse, op den 11 maart 1749 en op den 12 daar aanvolgende na voorgaande klokkegeslag ter poeje (is pui in de betekenis van een verhoging van waaraf men een menigte toespreekt) van het
regthuijs van Lisse voor den volke afgelesen en geaffigeert.
(bron: gemeentearchief Lisse inv.nr. 16, Erfgoed Leiden en omstreken).

Wie zich er niet aan hield werd dus beboet met 6 stuivers. Arie en Jan startten daarom op zondag 1 juli1764 om half vijf ’s middags hun weddenschap bij de Lisserbrug, juist buiten het dorp, met als einddoel de herberg ‘Het wapen van
Vrieslandt’, aan de Houttuin in het centrum van Hillegom. Ze werden aangemoedigd door hun dorpsgenoten Dirk Huijgen van der Klugt, Pieter Hendrikse Wassenaar, Pieter Teunisse, en Cornelis Reks, alias Kees Pons. Om ongeveer half zes was het gezelschap bij de genoemde herberg aangekomen, waar zij voor de deur de twee vanen bier consumeerden. Nu was bij de herberg ook een kolfbaan en Arie van Graave en Pieter Teunisse besloten om een spelletje te spelen om pintjes bier. Thomas van Dijk en Cornelis Reks voegden zich al spoedig bij hen. De Lissese broodbakker Dirk Romijn en Jan Leenderdse Wassenaar zagen hun dorpsgenoten en sloten zich bij het gezelschap aan. Elk spelletje kolf ging om een kannetje oud bier. Het bier dat men rond 1750 dagelijks dronk leek overigens niet op het bier dat we nu drinken. Het bevatte nauwelijks alcohol en smaakte waarschijnlijkmvrij zuur. Vandaar dat er veelal, zoals ook bij deze weddenschap, om oud bier werd gewed datmdonkerder van kleur was en zoeter. Ten slotte deden Pieter Teunisse en Arie van Graave nog een aantal spelletjes, elk spel om een fles witte wijn, waarmee ze vier flessen witte wijn verdienden. Daarna gingen ze weer voor de deur van de herberg zitten en nadat alle drankjes opgedronken waren, zijn Dirk Romijn en Jan Leendertse Wassenaar naar huis gegaan. Het was inmiddels bijna 10 uur ‘s avonds en de overblijvers legden ieder een stuivertje bij, wat veertien stuivers opbracht, zodat zij nog een laatste fles witte wijn konden kopen om daarna de terugtocht naar Lisse te aanvaar den. Dirk van der Klugt en Pieter
Hendrikse Wassenaar gingen de herberg binnen om de fles wijn te halen. De van oorsprong Limburger Ruth Gerritszoon, waard van de herberg ‘Het wapen van Vrieslandt’, zal geen probleem hebben gehad Dirk en Pieter nog een fles wijn te verkopen. ‘Binne die Lisser jongens hier nog, binne die nog niet weg’, zei de Hillegomse dagloner Ruth van Triest, die zich op dat late tijdstip bij de ingang van de herberg vertoonde. Had het gezelschap uit Lisse het bier en de wijn de gehele avond gemakkelijk door de kelen laten stromen, die uitdrukking van Ruth schoot bij hen toch in het verkeerde keelgat. Jan van der Klugt en Pieter Teunisse maakten Ruth duidelijk dat zij ‘die Lisser jongens’ geen gezegde vonden. Er ontstond een woordenwisseling en om de stemming niet al te veel te laten ontaarden bood Cornelis Reks aan dat Ruth wat wijn met hen dronk. Hij ging zitten en dronk vervolgens
drie à vier glazen wijn. Nu was Ruth van Triest ook weer niet een van de gemakkelijkste Hillegommers. Op 24 juni 1756 was hij door de vierschaar van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Lisse, Hillegom en Voorhout veroordeeld voor een geval van mishandeling. Vijf jaar later op 5 maart 1761 moest hij weer voor de vierschaar verschijnen omdat hij in september 1760 in de herberg de Morgenstar in Hilllegom ene Gerrit van Triest te lijf was gegaan. Voor het uithalen met een ijzeren tabakscomfoor naar het gezicht van Gerrit werd hij door de vierschaar voor de tijd van een jaar uit het baljuwschap verbannen. In die tijd hoorden de ambachten (dorpen) Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout en Voorhout tot eenzelfde baljuwschap of hoge vierschaar. Het centrum van dit baljuwschap was Noordwijkerhout waar recht werd gesproken in het rechthuis en de eerste jaren ook gevonnist werd. Vanaf 1763 werden de vonnissen uitgevoerd in Lisse waar op het Vierkant een gevangenis werd ingericht en op welk plein ook een galg werd opgesteld voor misdadigers van ernstige misdrijven. Er werd recht gesproken door de baljuw of schout met een jury van dertien ‘welgeboren mannen’ ook schepenen genoemd. Dat zijn dus heren die bekend zijn in de ambachten die ze vertegenwoordigen en die van onbesproken gedrag zijn.

De plaats van het delict! Het Dorpsperk te Hillegom door Jacob Cats (1741-1799). Deze nachtelijke tekening is de omgeving waar
het verhaal van de Lissese klootschieters eindigde in een grimmige schermutseling

We gaan weer terug naar onze klootschieters uit Lisse. Toen Ruth van Triest zijn glazen wijn had gedronken en juist op weg was vroeg hij Cornelis Reks te spreken. Cornelis liep naar hem toe, maar keerde onmiddellijk weer terug
naar de groep omdat hij zag, naar hij later zei, dat Ruth van Triest een ontbloot mes in de hand had en hem dreigde te steken. Cornelis ging weer bij het gezelschap zit ten en de groep ging ervan uit dat Ruth van Triest daarop naar huis was gegaan. Het was inmiddels al over elven en het gezelschap dronk daarom de laatste restjes wijn op en maakte zich klaar om naar huis te gaan. Plotseling stond Ruth van Triest weer bij hen met het mes in de hand wat hij over de keien van de straat haalde, zodat de vonken ervan af spatten. Jan van der Klugt ontstak in woede door deze provocatie en ging naar hem toe gevolgd door Thomas van Dijk, die bezig was zijn pijp met de houten kaars aan te steken. Het aansteken van een pijp gebeurde vroeger meestal met gloeiende kool. Een nadeel was dat de gloeiende kool soms inbrandsporen naliet op de boven zijde van de pijpenkop. Om dat te voorkomen werd de pijp daarom, zoals Thomas deed, aangestoken met een stuk smeulend hout, een zogenaamde houten kaars. Al ruzie zoekend dwaalden de strijdende partijen in het donker af naar het kerkhof, waar het onder de bomen nog donkerder was. Het kerkhof lag toen nog rond de Maartenskerk midden in het dorp. Thomas verklaarde later dat hij Jan volgde omdat hij bang was dat Jan komend vanuit het licht op het donkere kerkhof niet zou zien waar Ruth zou staan met zijn mes. Hij zou in een hinderlaag kunnen lopen, letsel kunnen oplopen of zelfs door Ruth om het leven kunnen worden gebracht. Ruth schijnt gezegd te hebben ‘bliksems kind moet jij bij ligte’. De achtergebleven Lisser zagen dat de meegenomen houten kaars, op het kerkhof aangekomen, uit ging. Kees Pons was het tweetal naar het kerkhof gevolgd. Wat er precies op het kerkhof is gebeurd, weten we uit het verslag van 11 juli 1764 van een tweetal leden van de groep, namelijk Dirk Huijgen van der Klugt en Pieter Hendrikse Wassenaar, een verslag dat werd vastgelegd bij notaris Willem Jacobus Sennepart te Lisse. Verder vinden we ook details van het gebeurde in de notulen van de verhoren van 12 juli 1764 door de vierschaar van Noordwijkerhout, op 13 december 1764 door de baljuw en op 23 januari 1765 door de vierschaar van Hillegom. Na enige tijd keerden Jan en Thomas weer terug van het kerkhof en vertelden de groep dat Jan van der Klugt de aanval van Ruth van Triest goed had afgeslagen, Kees Pons daarna Ruth op de grond had gegooid, waarna Thomas had gezegd dat het toen het moment was om Ruth van Triest aan te vallen waarna Jan hem zo geschopt had dat de zool van zijn schoen los gekomen was. Thomas van Dijk bleek Jan gewaarschuwd te hebben zijn eigen mes niet te gebruiken, waarop Jan van der Klugt het weggestoken had. Teruggekeerd van het kerkhof voegden zij zich weer bij het gezelschap, dat inmiddels op de weg stond te wachten omdat de herberg al gesloten was. Daarna ging de groep weer naar Lisse, eenieder naar zijn eigen huis na een enerverende avond. Wie nu denkt dat de Lissese klootschieters hiermee weg kwamen heeft het mis. We hebben al beschreven wie de Hillegommer Ruth van Triest was, maar laten we ook eens kijken wie de twee hoofdrolspelers uit Lisse waren. Thomas van Dijk werd in 1727 te Alkmaar geboren. Hij was meestersmid in Lisse. Thomas trouwde op 20-05-1759 te Lisse voor de schout en op dezelfde dag voor de kerk (RK) met Pieternelletje Harmensdr Schuurman, die toen 39 jaar oud was. Thomas was al snel weduwnaar en op 20-10-1765 hertrouwde hij (RK) met Maria Pietersdr van Oerle, die toen 27 jaar oud was. Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen, Hendrik en Jannetje, en uit het tweede huwelijk vier kinderen, Pieter, Jacob, Hendrik en Sophia, geboren. Thomas overleed op 31-05-1771 te Lisse, waar hij ook begraven werd. Over Jan van der Klugt is minder bekend. Hij was mogelijk een broer van Dirk Huijgen van der Klugt, die hem aanmoedigde tijdens de weddenschap. Hoe komen we nu te weten of de Lisser klootschieters werden gestraft voor het mishandelen van Ruth van Triest? Daarvoor kunnen we de dingboeken raadplegen. Zoals al eerder beschreven behoorde Lisse met Hillegom, Noordwijkerhout en Voorhout tot één baljuwschap. De verslagen van de zittingen van de rechtbank van de baljuw werden vastgelegd in dingboeken. In het woord dingboek herkennen we ‘ding’ als juridische term zoals we die nu nog kennen in kort geding. In de dingboeken vinden we uitspraken over geschillen tussen dorpsbewoners over betalingen, eigendommen, criminele handelingen en gerechtshuwelijken (huwelijken tussen niet-gereformeerden).
In het crimineel dingboek van de jaren 1747-1776 van de baljuwschap van Noordwijkerhout, Lisse, Hillegom en Voorhout vinden we vanaf bladzijde 82 een verslag van de rechtdag gehouden te Lisse op 13 december 1764. Thomas van Dijk stond toen terecht voor baljuw Elbert Testart, die tevens hoogheemraad van Rijnland was en oudburgemeester van Haarlem. Thomas werd gedwongen op 32 van tevoren opgestelde vragen te antwoorden
over wat er nu toch was voorgevallen op die eerste juli 1764 in Hillegom. Hij bevestigde dat hij op 1 juli 1764 met Dirk en Jan van der Klugt, Pieter Teunissen, Pieter Korsen, Arie van Gra(a)ve(n) en Cornelis Reks, bijgenaamd Kees Pons, voor de Hillegomse herberg van Ruth Gerritsz heeft gezeten en gedronken heeft. Hij vertelde dat hij de Hillegommer Ruth van Triest kende waarmee hij om 10 uur ’s avonds een woordenwisseling heeft gehad en dat Cornelis Reks op verzoek van Ruth van Triest naar hem toegegaan is. Dat daarna Cornelis uitbracht dat Ruth een mes bij zich had. Thomas beschreef dat later op de avond Ruth terug kwam en langdurig met een groot mes over de stenen van de straat schraapte. Cornelis Reks zou tegen Pieter Teunisse hebben gezegd ‘wie staat er op’, waarop Jan van der Klugt is opgestaan ‘met groote furie’, waarbij eenieder heeft gezien dat Jan een mes in zijn handen had. Thomas zette uiteen dat Jan Ruth geslagen en een schop gegeven heeft. Betreffende de brandende kaars bevestigde hij dat hij die in de hand had toen hij op het kerkhof was, maar dat die kaars al spoedig uit was gegaan en daarom niet de plaatsdelict kan hebben bijgelicht.

Op 11 juli 1764 waren Dirk Huigen van der Klugt en Pieter Hendrikse Wassenaar al verschenen voor Willem Jacobus Sennepart, notaris te Lisse, waar zij een beëdigde verklaring aflegden ten behoeve van Thomas van Dijk. In deze verklaring stonden dezelfde feiten vermeld als door Thomas op 13 december 1764 werden bevestigd. Op 23 januari 1765 verscheen Jan van der Klugt voor de vierschaar van Hillegom, waarbij hij bevestigde dat zowel hij als Ruth van
Triest messen bij zich hebben gehad. Hij bevestigde tevens dat Ruth van Triest door Kees Pons op het kerkhof van Hillegom werd vastgegrepen en op de grond gegooid, dat Thomas van Dijk het geheel bijlichtte met een kaars en dat hij Ruth op aanraden van Thomas van Dijk heeft geslagen en getrapt. Op 18 april 1765 werden beiden veroordeeld voor de mishandeling van Ruth van Triest. Jan van der Klugt werd veroordeeld tot een boete van 14 gulden en 7 gulden voor de kosten van de rechtszaak, totaal dus 21 gulden (koopkracht nu ongeveer € 250,-), voor de
mishandeling van Ruth van Triest. Thomas van Dijk werd veroordeeld tot een boete van 7 gulden en 14 gulden en drie stuivers voor de kosten van de rechtszaak, totaal dus 21 gulden en 3 stuivers, voor het bijlichten van de mishandeling met een kaars. De Lisser vriendengroep zal niet snel meer een wedstijd klootschieten hebben gehouden.

Geraadpleegde bronnen o.a.
DTB (doop, trouw en begraafregisters) Lisse; archief Notaris Willem Jacobus Sennepart en een transcriptie gemaakt door Arie den Hoed uit dat archief;

crimineel dingboek van de jaren 1747-1776 van het baljuwschap Noordwijkerhout, Lisse, Hillegom en Voorhout (Erfgoed Leiden en omstreken).

Een kolfje naar zijn hand

OudNieuws: PLANTAGE ‘MOED EN KOMMER’ IN SURINAME

Ook Lisse heeft een slavernij verleden. Veel bewoners van buitenplaatsen hadden aandelen in de VOC of de WIC. Mevrouw Georgia Kurk  van huize Roosendaal was eigenares van de Surinaamse plantage “Moet en kommer’.

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 3, 2020

door Dirk Floorijp

Het slavernijverleden staat tegenwoordig hoog op de agenda en de helden van toen worden nu van hun sokkel getrokken. Als we in Lisse denken dat zich zoiets niet bij ons afspeelde en het ver van ons bed was, dan hoeven we maar terug te gaan naar de bewoners van onze buitenplaatsen, die aandeelhouders waren van de VOC of de WIC. De bewoners van buitenplaats Meerenburg waren zelfs grootaandeelhouder van de VOC. Rond 1800 woonden op de buitenplaats ‘Rosendaal’ aan de Heereweg, tegenover bakker Vermeer, Hendrik van Alphen (Leiden, 1767 – Loenen, 1841) met zijn vrouw Georgia Elisabeth Geertruide Kurk (Paramaribo, 1758 – A’dam, 1844). Het echtpaar kocht Rosendaal in 1816. Ze waren niet in gemeenschap van goederen getrouwd, vrouwe Kurk leidde een eigen onderneming. Zij was eigenaar van de Surinaamse plantage ‘Moed en Kommer’ aan de Warapperkreek, gelegen tussen de plantages ‘Anna’s Zorg’ en ‘Badenstein’. Het waren enkele van de honderden plantages in het land.
Op de plantage werd koffie en katoen verbouwd met gebruik van slaven. Vrouwe Kurk wilde als eigenaar van alles op de hoogte blijven, ook van de aanschaf van slaven die werden aangeboden of op een slavenmarkt werden gekocht. Hoe zou zo’n correspondentie indertijd zijn verlopen met een tussentijd van enkele maanden, heen en terug per zeilschip. Ook al was er op de plantage een directeur, de heer C. Bodentsch, en een administrateur, mevrouw moest van elke verandering op de hoogte worden gesteld.
Aart van Klaveren, zoon van Gerrit van Klaveren en Gijsje Wiggertsdr Slootheer, vertrok rond 1800 vanuit Lisse naar Suriname om daar te worden opgeleid als bestuurder. Hij is daar echter al vroeg overleden en in Paramaribo begraven, nog maar 19 jaar oud.
Ten westen van Keukenhof had mevrouw Kurk ook grond in bezit, toen daar een gezin uit Paramaribo deze buitenplaats huurde en bewoonde: Pierre Joseph Henry Eijma, in 1803 geboren in Paramaribo en in 1854 begraven in de hervormde kerk in Lisse. Zijn vader, Willem Henry Eijma (Amsterdam, 1772- Amsterdam, 1815), was raadsheer bij het Hof van Politie in Paramaribo. Via grootvader Joseph Eijma
van Bordeaux (Amsterdam, 1747 – Amsterdam, 1830), getrouwd met Sara Clasina Lemmers (Paramaribo, 1750 –Amsterdam, 1807), wordt kleinzoon Pierre Eijma na 1830 mede-eigenaar van de suiker plantage Ephrata en Lemmerskamp aan de Cotticarivier De slavernij werd in 1863 in Suriname afgeschaft, maar heeft nog jaren voortgesudderd. Nederland was één van de laatste landen die er mee stopte. Tegenwoordig kunnen sommige, nog steeds bestaande plantages in Suriname bezocht worden,
ook ‘Moed en Kommer’ aan de Warapperkreek in het district Commewijne.
In de notariële akten wordt gesproken over wat gedaan moet worden bij overlijden van de beheerders, dan zie je dat de slaven gelijkgesteld worden met de inventaris van de plantage.

“Voorts alle toezicht, bewind en administratie te zullen voeren, alle daarbij horende slaven, meubelen en gereedschappen begrepen, alles tot nut en welzijn der plantagien en negers dienstig zal zijn, te zorgen dat de producten op tijd geplukt, behoorlijk gereed gemaakt en droog, en afgescheept worden”

e akten werden opgesteld door notaris Jan Gerard Cramerus te Lisse en werden door twee getuigen ondertekend. Frappant is, dat dit gedaan werd door een kleermaker en een dagloner. De dagloner kon niet lezen of schrijven. Zouden ze enige notie hebben gehad van wat ze ondertekenden, begrepen ze een notariële akte wel, of werden getuigen voor een kleine vergoeding ergens vandaan gehaal.

Detail uit een kaart van 1801 waarop alle plantages in kaart zijn gebracht. In het midden vinden we Moed en Kommer, Anna’s Zorg en Badenstein aan het gegraven gedeelte van de Warapperkreek, vlak bij de kust.

FRITS TREFFERS PENNING uitgereikt op 9 december 2020 aan Wagendwarsstraat 20

De uitreiking van de “Frits Treffers Penning” 2020  was op 9 december 2020. De werkgroep Frits Treffers Penning  heeft na een grondig vooronderzoek, het pand van Sander en Jip Verheijen aan de Wagendwarsstraat 20 aan het bestuur voorgedragen voor de ‘Frits Treffers Penning 2020’.

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Jos van Bourgondiën.

Als blijk van hulde aan onze, inmiddels overleden oud-voorzitter en oprichter van de VOL, Frits Treffers, is de penning naar hem vernoemd. Ter bevordering van het behoud van het erfgoed geeft CHVOL positieve aandacht aan bewoners of eigenaren van panden van 75 jaar en ouder, die deze met zorg onderhouden of restaureren; deze inspanning wordt gewaardeerd met de Frits Treffers Penning en bijbehorende oorkonde.  De werkgroep Frits Treffers Penning bestaande uit: Chris Balkenende, Helmi Beijsens, Jos van Bourgondiën, Peter Schoonens en Huub Slobbe presenteren met trots de uitslag van 2020! Dit jaar voor het eerst in de nieuwe vorm zoals hier beschreven: daar panden verschillen in bewoning, vorm en gebruik, maken we gebruik van de volgende categorieën:
1)Kleine beeldbepalende woonhuizen.
2)Markante gebouwen. Denk o.a. aan bedrijfs- of gemeentelijke en kerkelijke gebouwen.
3)Grote woonhuizen zoals bollen villa’s, herenhuizen en villa’s.

De werkgroep Frits Treffers Penning heeft na een grondig vooronderzoek, het pand van Sander en Jip Verheijen
aan de Wagendwarsstraat 20 aan het bestuur voorgedragen. Het betreft een pand uit categorie 1, de categorie
die dit jaar 2020 aan de beurt is. Wat ons dan ook nu weer als eerste opviel is dat deze voormalige woning van kapper Degger, met zoveel liefde goed is onderhouden. Wat betreft de bouwkundige elementen valt op het metselverband “Kruisverband“ in drie kleuren steen, de balustrade op het dakniveau, de balkonafscheidingmet drie pilasters en de veelkleurige geglazuurde siermetselwerken.

De uitreiking zou eerder dit jaar in de Vergulde Zwaan hebben plaatsgevonden als er geen sprake was geweest van
corona. Met de familie is een afspraak gemaakt om op 9 december 2020 buiten de Frits Treffers Penning met
bijbehorende oorkonde uit te reiken, middels een toelichting door de voorzitter van de CHVOL Eric Prince, in het bijzijn van leden van de werkgroep. Chris Balkenende, Helmi Beijsens en  Jos van Bourgondiën. De Frits Treffers Penning behoort bij het betreffende pand te blijven, de oorkonde is voor de huidige eigenaren. Het is een mooi ontwerp van Frans en Truus van der Veld.

Beschrijving van het Pand Wagendwarsstraat 20 en de elementen die opvallen.

De woning is uitgevoerd in het metselverband “Kruisverband” in drie kleuren steen. Boven de 6 raam- en deurkozijnen een “Dubbele gebogen Kopsrollaag” in twee kleuren steen. Onderkant gevel 8 lagen metselwerk van een harde steen , dit tegen optrekkend vocht. Bovenkant gevel siermetselwerk in een mooie uitvoering met drie pilasters. Voor versiering ook naast de onderkant en bovenkant van de kozijnen, drie lagen metselwerk in twee kleuren, zwart en rood , oorspronkelijk geglazuurd , nu helemaal afgesleten. In de zijgevel twee kleine kozijnen met
er boven een “Steensrollaag”. Zijgevel woonhuis in “Kruisverband”, maar de aanbouw in “Halfsteensverband”.

Op de website : www.oudlisse.nl wordt het pand dat de Erepenning heeft gekregen nogmaals vermeld met meerdere detailfoto’s.

WINTERS VAN TOEN BIJ HALFWEG

Aad van Kampen (1944-2012) schreef 9 jaar geleden zijn jeugdherinneringen op van de winters bij Halfweg en op Barmsloot en op de Leidsevaart. Diverse families worden genoemd.

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Adrianus (Aad) Maria van Kampen (12-6-1944/25-8-2012) schreef dit artikel ca. 9 jaren geleden en dankte voor de bijdragen aan dit artikel de families Van Kampen, Vrijburg, en Wijnands.

Zodra je als kind op Halfweg kon lopen, werden gelijk de eerstkomende winter de schaatsen ondergebonden. Kinderen van Halfweg kunnen zich volgens mij niet herinneren dat ze ooit hebben leren schaatsen. Het was een aangeboren talent! Zodra je als kind op Halfweg kon lopen, werden gelijk de eerstkomende winter de schaatsen ondergebonden. Kinderen van Halfweg kunnen zich volgens mij niet herinneren dat ze ooit hebben leren schaatsen.
Het was een aangeboren talent!

Winter 1961/1962
De kinderen zijn vermoedelijk Dirk
de Klerk en Henk van den Bosch.

Als de vorst aanhield kreeg de Barmsloot ook wel Spoorsloot de voorkeur. Deze sloot, parallel lopend aan het spoor, begon in het noorden bij de spoorbrug, waar de Zandsloot naar Keukenhof en de Ringvaart onderdoor liep en eindigde bij de Mallegatsspoorbrug, waar de Mallegatssloot naar De Engel begon. Ook werd er nog volop op de vijvers geschaatst van het Keukenhofpark, voordat het in 1949 als bloementuin werd ingericht. Maar met name op deze Barmsloot was het altijd een drukte van belang. Veel schaatsliefhebbers uit het dorp Lisse, maar ook uit Noordwijkerhout, zochten dit ijs op. Met regelmaat vertrok er een schaatstreintje met schaatsfanaten vanaf de brug
aan de Stationsweg richting de zijsloot naar boer Van Noort aan de Loosterweg. Als er sprake was van een echte strenge winter was het schaatsfeest helemaal compleet. Dan kon er geschaatst worden op de Leidsevaart. Vooral in de oorlogsjaren waren er strenge winters en werd er veel op de vaart geschaatst. Bij Piet van Tol op nummer 9 en bij Dirk van Kampen op nummer 14 kon je chocolademelk, anijsmelk, ijsmoppen of erwtensoep kopen. Ook werd er bij sneeuwval op de vaart gezamenlijk een ijsbaan gemaakt. Opstaande ijsschotsen en ijsranden werden door middel van een heuse ijsschoffel weggeschoffelt en weggehakt.

Stoomsleepboot en ijsbreker
De steenfabriek Arnoud uit Hillegom, later genoemd Van Herwaarden, had in verband met de zandtransporten via de trekvaart er grote baat bij de vaarroute zo lang mogelijk open te houden. Bij een snel invallende vorst had de ijsbreker geen kracht genoeg om het ijs te breken. Bij een geleidelijk invallende winter wel. Wij, als jeugd, werden behoorlijk ‘pissig’ als deze ijsbreker van De Arnoud werd ingezet. De scheldwoorden aan het adres van de kapitein van de sleepboot waren niet van de lucht en sommigen van ons hadden het lef om zelfs vlak voor de ijsbreker op het ijs te gaan staan. Maar spectaculair om de ijsbreker aan de gang te zien was het zeker. Tot in de oorlogsjaren 1940-
1945 was er nog sprake van een stoomsleepboot. Als deze sleepboot, met achter zich een tiental zandbakken, bij de houten Halfwegbrug aankwam, moest de schoorsteen omlaag om er onderdoor te kunnen. De lol was dan om van de brug af een grote hoeveelheid sneeuwballen in het dan zichtbare vuur te gooien. De scheldwoorden kwamen toen van de kant van de kapitein.

Type schaatsen
De gebruikte schaatsen waren meestal van vóór de oorlog. Al je familieleden hadden er al op geschaatst. Mijn schaatsen waren in ieder geval knap oud. Ze waren voorzien van een schitterende brede krul. Met een verhitte ijzeren
staaf was er een grote R en een L ingebrand, anders wist je niet wat links of rechts was. De clou was om de schaatsen met veters of schaatsbanden zo strak mogelijk onder je schoenen of laarzen zien vast te binden. De ellende was altijd dat ze naar gevoel altijd te strak of te los zaten. Vervolgens werd er overgestapt op Friese doorlopers en daarna op houten noren. De ijzeren noren, met name het merk Ballingrud, werden eerst echt populair in de strenge winter van 1956. Zo’n paar schaatsen kostte in die tijd maar liefst ƒ 90,-. Die werden eigenlijk alleen nog maar gekocht door echte wedstrijdschaatsers. Met name de jongens van Kaptein van de Delfweg en de ‘Vrijburgies’ van de vaart waren heel rap en wonnen wel eens een kortebaanwedstrijd, georganiseerd door een schaatsbaanvereniging in de omgeving. De jongere meisjes vermaakten zich meestal eerst op blokzijlers en vervolgens op houten draaiers
van de firma Nooitgedagt. Wilden ze vervolgens op vrijersvoeten gaan dan was het zaak een mannelijke partner te vinden, die ook de kunst machtig was, om samen zwierend hand in hand van de ene kant van de sloot naar de andere kant over het ijs te schaatsen. Met name waren dit de Halfwegse jongeren, die nog vóór de Tweede Wereldoorlog
waren geboren. De ijstijd, zowel als de kermistijd, waren bij uitstek geschikt om een verkering te vinden. Maar het was ook wel oppassen geblazen. Je kon je ook op te glad ijs begeven en dan was een blauwtje gauw opgelopen.

Schaatsplekken rond Halfweg
Allereerst werd de Tochtsloot achter de huizen bij het land van Arie Wijnands getest op sterkte. Dat gebeurde al na twee of drie dagen vorst. Met voldoende sterkte was de hele Halfwegse jeugd te vinden op de Tochtsloot. Op de zondagmiddag kwamen ook de opgroeiende jongeren en sommige ouders. Hield de vorst aan, dan verplaatsen met name de oudere kinderen hun ijsplezier. Via een klein slootje door het weiland van boer Smit werden de tochtsloten in de Zilkerpolder, beginnend bij boer Rotteveel bereikt. Vandaar uit konden langere tochten gemaakt worden en kon ook met name de Schulpsloot bereikt worden met de stomp van de in 1948 afgebrande molen. De kinderen van Dobbens, Wijnandsen en van Van Kampen, die in De Zilk naar school gingen, konden in de winter een heel stuk
afsnijden dwars door de Zilkerpolder over vaarten en sloten.

Winterkou

In onze tijd hadden we uiteraard geen dubbele ramen, was er geen isolatie en hadden we geen cv op de kamer. Als je ‘s morgens je bed uitkwam, stonden bij stevige vorst de bloemen op de ramen. Deze ontstonden door de grote luchtvochtigheid. Het vroor in de slaapkamer net zo hard als buiten. Soms  lag je te rillen van de kou in je bed
en kreeg je als extra verwarming van die zware legerjassen over de dekens gegooid. Als er een sneeuwstorm was, kon je de sneeuw ‘s morgens op je slaapkamer vinden of op de overloop. De sneeuw drong gewoon onder dakpannen door en door de kieren van het dakbeschot. De enige verwarming was de kolenkachel in de huiskamer. Door de vele ervaring, mede ook afhankelijk van het type kachel en kolen (antraciet), was moeder des huizes meestal in staat de kachel ook ’s nachts op een heel laag pitje brandend te houden. Als het niet lukte, was ze ’s morgens, soms al om zes
uur, in de weer om met houtblokjes en krantenpapier de kachel weer ‘aan de praat’ te krijgen. Het eerst wat je deed als je beneden kwam, was rond de warme kachel gaan staan en je op te warmen. Gebreide wanten en oorwarmers zorgden er buiten voor dat de winterkou een beetje te harden viel. Voor koude voeten waren klompen, gevuld met
stro, ideale opwarmers.

Ander ijs- en sneeuwvermaak
Bij sneeuwval was het als kind naast het gebruikelijke sneeuwballengooien en sneeuwpoppen maken, ook sport een lange glijbaan bij de Halfwegse brug te maken. Dit vanwege de aflopende helling. Ook schroomden we niet om onze slee met een touw vast te haken aan de autobumper van de spaarzaam voorbijkomende auto’s. Bij flinke sneeuwval togen we ook naar de hoge berg tegenover de huizen op het ‘Witte Hoogie’ bij de ingang naar het kasteel Keukenhof om daar met volle vaart van af te sleeën. Als de ijsperiode door dooi ten einde liep, was het voor met name de waaghalzen weer feest. Het was een ware kunst om van de ene schots op de andere schots springend, de overkant van de sloot te halen, het zogenaamde ‘ijssiebommen’. In hun jonge jaren haalden de meeste Halfwegse jongeren menig nat voetje en soms een heel nat pak. Het kon de pret, zelfs niet met het uitzicht op straf thuis, niet drukken. Sommige oudere Halfweggers kunnen zich nog herinneren dat hun vaders van de nood een deugd maakten door
wat paling te verschalken. Hierbij werd een gat in het ijs gemaakt. Vervolgens werd er een nacht lang een takkenbos in gehangen en de volgende morgen er snel uitgetrokken en op het ijs gegooid. Succes verzekerd! De tussen de takken gekropen palingen lagen voor het oprapen.

Tot slot.

1962/1962. Nico van Kampen
met echtgenote Rie van Ruiten

Terwijl de twee winters van 2009 en 2010 toch aardig koud waren met veel sneeuw en ijs, vinden oudere Halfweggers nog steeds dat de winters vroeger veel kouder en veel strenger waren. Maar ach dat vonden hun ouders en grootouders ook al! Of hadden ze misschien toch wel gelijk?

EERSTE II STEDENTOCHT

Leest u het goed? Er staat geen elf-maar tweestedentocht! Al in 1888 werd op de Leidsetrekvaart tussen Haarlem en Leiden een tweestedentocht van 29 km gereden.

door Huub Snoep

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

laas Pander won goud, hij was de latere trainer/coach van Jaap Eden

Al in 1888 werd op de Leidse trekvaart tussen Haarlem en Leiden de kiem gelegd voor het huidige marathonschaatsen. Op de 29ste februari van dat schrikkeljaar verscheen een advertentie in het Haarlems Dagblad, waarin de IJsclub voor Haarlem en Omstreken een ’Internationale Afstandsrit op schaatsen voor amateurs’ over 29 kilometer aankondigde. Klaas Pander werd de bejubelde winnaar, voor Pim Mulier.  Februari 1888 was een koude maand. Voor de derde maal die winter brak de vorst door en werden de houten schaatsen ondergebonden. “De baan
aan den Overveenschen weg wordt weder druk bezocht”, schreef het Haarlems Dagblad op maandag 27 februari 1888. Het hernieuwd invallen van de vorst was een buitenkansje voor de ijsverenigingen. In 1882 was de Nederlandse Schaats Bond (NSB) opgericht, maar slechts in 1885 en 1887 was het gelukt een enkele wedstrijd te organiseren. Geen wonder dat in 1888 direct werd gereageerd. De Amsterdamse IJsclub schreef voor 25 februari een ’Internationaal kampioenschap van Amsterdam’ uit. Drie dagen ater konden de hardrijders in Haarlem
aan de slag. Het Haarlems Dagblad schreef: “Wel woei er een scherpe koude wind, maar het deerde den velen rijders en voetgangers niet, die gekomen waren om den wedstrijd tusschen eenige hardrijders-liefhebbers bij te wonen,
welke beschenen door een vroolijk winterzonnetje en onder de opgewektetonen der muziek plaats had.” Helemaal vlekkeloos verliep de dag niet, getuige: “Een dame had het ongeluk met een der rijders, toen zij de baan wilde oversteken, in botsing te komen, waardoor zij bewusteloos nederviel en in de restauratie-tent werd gedragen, waar zij gelukkig kon worden bijgebracht.”

Afstandsrit

IJscub Haarlem

estimuleerd door het succes van de langebaanwedstrijd op de ijsbaan aan de Overveenscheweg op 28 februari, vooral vanwege de winst van de eigen Klaas Pander, schreef de IJsclub Haarlem voor donderdag 1 maart 1888
een afstandsrit uit tussen Haarlem en Leiden, een afstand van ongeveer 30 kilometer. Een anoniem lid van de IJsclub loofde een gouden, zilveren en bronzen medaille uit. Later zou Pim Mulier, de grote stimulator van veel sporten in Nederland en vooral van de schaatssport, onthullen dat jonkheer Ch. van der Poll de gulle gever was. Om de deelnemers gelijke kansen te geven bepaalde het wedstrijdreglement dat de rijders niet tegelijk, maar “met tusschenpoozen van 5 minuten zouden afrijden van de Prins Hendrikbrug op de Leidschevaart te Haarlem”. Daarna was de route als volgt: “Leidschevaart tot aan de waterleiding, alwaar, wegens de wakken, omgereden, afgebonden, of met schaatsen over den weg moet worden gegaan (’klunen’ dus, maar dat woord was toen in Holland nog niet bekend); geheel ter keuze van de rijder. Vervolgens Leidschevaart tot station Piet Gijzenbrug en vandaar de Leidschevaart tot de Marepoort in Leiden. Iedere deelnemer zal den weg alleen moeten afleggen. Het is verboden gebruik te maken van kunstmatige middelen van vervoer. Overtreding wordt bestraft met diskwalificatie”, besloot het reglement dreigend. Opvallend was het na elkaar van start gaan, een systeem dat op natuurijs voor het eerst pas weer werd toegepast bij de ’proloog’ van de Driedaagse van Ankeveen in 1986.

Enthousiast
Verschillende kranten toonden zich enthousiast over de langeafstandsrit tussen Haarlem en Leiden. “Men ziet
dat de grote afstand en de hindernissen waarmee de rijders te worstelen hebben, de wedstrijd nieuw en tevens zeer
belangwekkend maken”, schreef De Nederlandse Sport. Dat de schaatssport in die jaren een nog wat elitaire sport was, bewees het jurycorps dat bestond uit de jonkheren Quarles van Ufford, Teding van Berhout (’president’ van de IJsclub Haarlem) en Repelaer van Spijkenisse. Zij  bleken voor hun taak berekend. “Men werd overal gecontroleerd”, scheef Pim Mulier, zelf één der deelnemers, “ofschoon smokkelen niet wel mogelijk was, tenzij men zich met een zeer
goede harddraver een eind weegs de vaart langs had willen laten rijden.” De dertien deelnemers (allen Hollanders, de Friezen hielden zich toen nog vooral met de kortebaan bezig) vertrokken onder grote belangstelling tussen 10 en 11 uur. Toen 17 minuten over 12 H.A. Kampman als laatste arriveerde, bleek de snelste tijd gemaakt te zijn door de als voorlaatste gestarte Klaas Pander, die twee dagen eerder op de Haarlemse ijsbaan ook al de wedstrijd over één mijl had gewonnen. Op het op vele plaatsen slechte ijs noteerde hij een tijd van 1 uur 6 minuten en 15 seconden. Liefst drie van de voor hem gestarte tegenstanders had de latere leermeester van Jaap Eden onderweg ingehaald.
Als tweede eindigde Pim Mulier, op 3 minuten en 15 seconden, derde werd A. Jansen (1 uur 10 minuten). Volgens De Nederlandse Sport waren Pander en Mulier de enigen die bij het ’klunen’ de schaatsen uittrokken: “De heeren Pander en Mulier, die ook met succes vroeger aan hardlooperijen hebben deelgenomen, hebben op de plaatsen waar zij moesten afbinden, in iedere hand een schaats genomen en den afstand, die zij over land moesten nemen, als hardlopers afgelegd.”

Geen vervolg
Jammer genoeg is de IJsclub Haarlem niet in staat geweest de wedstrijd een vervolg te geven. Plannen waren er wel. Een jaar later stond de wedstrijd zelfs als ’Internationale Wedstrijd voor Amateurs’ op de kalender, maar een reeks slappe winters voorkwam dat de trekvaart tussen Haarlem en Leiden voldoende dichtvroor. Ook Pim Mulier bleef er naar streven om naast reguliere wedstrijden over 500, 1500, 5000 en 10.000 meter vooral ook afstandswedstrijden te organiseren. “Een afstandsrit, door den Bond uitgeschreven, en goed gecontroleerd, zal zeker succes hebben”, schreef de Haarlemmer in 1894. Op 21 december 1890 had hij de 11 Friese steden op één dag per schaats bezocht en in 1909 gaf hij als secretaris van de door hem opgerichte Nederlandsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding de aanzet voor de eerste Elfstedentocht. Als alternatief voor de tocht van Haarlem naar Leiden noemde Mulier de wedstrijdtocht Amsterdam-Leiden-Woerden of Utrecht, of van Leeuwarden naar Groningen en terug.

Haarlem-Leiden is na 1 maart 1888
nog slechts eenmaal gehouden. Zondag 27 december 1981 organiseerden het Haarlems Dagblad en de IJsclub Haarlem gezamenlijk de tweede editie, tussen Heemstede en Voorhout. Dit maal als een toertocht. Deze schaatsprestatietocht over de Leidsevaart trok1760 deelnemers.

In deze bundel voor de liefhebber staan 43 verhalen uit de rijke Nederlandse schaatshistorie. Van de oorsprong van het georganiseerde schaatsen aan het eind van de negentiende eeuw tot de introductie van de klapschaats ruim 100 jaar later.
zie verder op: www.facebook.com/huub.snoep

BERICHT UIT HELLENDOORN: Leendert Albertus Boogerd

De Lisser Leenderd Albert Boogerd werd in de oorlog opgenomen het TBC Sanatorium ‘Krönnenzommer’ bij Hellendoorn. Op de dag dat Helledoorn bevrijd werd is hij overleden. De vraag is hoe.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Dorpsfiguur, een rare man met vreemde gewoonte  er werd ook wel eens de gek met hem gestoken. Plotseling was hij niet meer in Lisse.

Leendert Albertus Boogerd woonde in de huisjes bij De Heul aan de Kanaalstraat. Hij werkte bij de gemeente als vuilophaler en stratenveger. Een verteller met een dikke duim, Leendert gaf wat trompetles in het voortraject van “Trou Moet Blijcken”. Op een gegeven moment ging het bergafwaarts, men zag hem dan ook steeds verder afglijden. Hij riep zeer opmerkelijke dingen bv. als hij de kerk in kwam liet hij de andere kerkgangers steevast weten dat hij er was. “Lang Leven De Bolsjewieken” klonk het dan door de kerkzaal. Waar hij precies op doelde? We weten het niet. Al straatvegend liet hij een andere vreemde spreuk luid en duidelijk horen: “HOP HOP HOERA ORANJE ROGGEL”. Deze gevleugelde woorden riep hij ook in de vroege oorlogstijd. Hij werd  ook wel gewaarschuwd “pas nou op Leendert anders gebeurt er nog wat naars met je”. Het mocht niet baten. Plotseling was hij uit het straatbeeld. Had de gemeente er voor gezorgd dat hij opgenomen werd in het TBC Sanatorium ‘Krönnenzommer’ bij Hellendoorn? Mooie gebouwen met prachtige tuinen, in de bossen, goed voor Leendert! Prima verzorging, frisse lucht, helemaal geen rare dingen, hartstikke fijn hier! Dat fijne werd minder naarmate het eind van de oorlog naderde. Een deel van ‘Krönnenzommer’ werd tegen het eind van de oorlog geconfisqueerd door de Duitsers. Voor ondermeer de vluchtleiding van de V2 lanceerinstallatie die vlak bij het sanatorium was gestationeerd. Hellendoorn werd op 10 april 1945 bevrijd. Een bericht uit Hellendoorn laat zien dat die zelfde dag Leendert zijn laatste adem uitblies. Dat roept vragen op! Bij de Hellendoornse heemkundekring is men bezig om antwoorden te zoeken. Ook zij hebben last van Coronaregels die het zoeken in archieven bemoeilijken. Daar komt bij, dat net als in Lisse er veel burgerlijke gegevens zijn vernietigd tijdens de bezetting om mensen veilig te stellen. Was Leendert net als nog wat andere burgers omgekomen door geallieerd vuur? Was hij opgenomen en na genezing daar gebleven? Er is een gerucht dat
er een ‘Boogaard’ als chauffeur dienst deed tussen het sanatorium en het dorp. Hoe heeft Maria Alida van der
Riet, de dame die het overlijden kwam aangeven, Leendert aangetroffen? Zou Leendert nog net de uniformen van
de bevrijders hebben kunnen zien? Hopelijk komen er toch nog antwoorden op onze vragen. We wachten op
bericht uit Hellendoorn!

 

Leenderd Boogerd

Henk Schaap overhandigt de voorpublicatie van Sporen van Six in Lisse aan Burgemeester Lies Spruit.

Boek ‘Sporen van Six in Lisse’ nu beschikbaar

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Nieuwsflitsen

De Cultuur-Historische Vereniging Oud-Lisse heeft het onderzoek afgerond naar ‘Sporen van Six in Lisse’. De bevindingen zijn vastgelegd in het boek , dat op maandag 23 november door Henk Schaap namens het onderzoekscomité aan burgemeester Lies Spruit werd aangeboden. Het onderzoekscomité bestond uit de auteurs: Jos van Bourgondien, Maarten van Bourgondien , Leo van der Geer, Rob Pex , Brigitte Rink en Henk Schaap. Ook andere leden van de Cultuur-Historische Ver. Oud Lisse verleenden hulp en bijstand. Het boek, uitgegeven door Uitgeverij Verloren, is volgens de burgemeester ‘een prachtig boek dat nieuwe inzich ten en hoofdstukken toevoegt aan de rijke geschiedenis van Lisse in de 17de en 18de eeuw’. Het boek bestaat uit 236 pagina’s en bevat ca. 150 veelal kleurrijke afbeeldingen. De Nederlandse familie Six behoorde eeuwenlang tot de elite van de maatschappij. Over de verschillende generaties Jan Six die in Hillegom veel buitenplaatsen en landgoederen bezaten is veel geschreven. De lezing van Geert Mak in 2016, over ‘De levens van Jan Six’ wat zich v.n.l. in Hillegom afspeelde, was voor de burgemeester de aanleiding tot dit onderzoek naar de ‘Sporen van Six in Lisse’’. Over de drie generaties Pieter Six die in Lisse veel hofstedes en land hadden is weinig bekend. Wie waren zij en welke sporen hebben zij achtergelaten in Lisse? In dit nieuwe boek worden deze vragen gedocumenteerd beantwoord en worden de generaties Pieter Six met hun hofstedes en landgoederen in Lisse prachtig in beeld gebracht. Hun achtergrond, de netwerken, de huwelijkspolitiek en de rijkdom uit de textielnijverheid. Ze maakten deel uit van de vroedschap in Amsterdam en werden advocaat, burgemeester of bewindhebber van de VOC. Pieter Six III (1686-1755) zorgde door middel van zijn testament en een legaat aan de Diaconie van de Grote Kerk, dat er in Lisse een hofje ontstond. Dat het hofje in een dorp gesticht werd en niet in de stad, is uitzonderlijk.Het ontstaan van dit Hofje van Six aan de Kanaalstraatwordt in dit boek beschreven. Het Hofje van Six bestaat nog steeds en is onlangs grotendeels gerestaureerd.vHet boek is nu verkrijgbaar via de website www.oudlisse.nl en in de boekhandel Grimbergen voor €25.

WE MOETEN ONS MAAR SCHIKKEN (oorlogstijd)

Naar aanleiding van 75 jaar bevrijding vertelt de 95-jarige Mien Witsenburg. Zij heeft haar hele leven in Lisse gewoond. Haar jeugd en haar herinneringen aan de oorlog en daarna worden weerggegeven.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Deze coronatijd is voor iedereen lastig. We moeten ons schikken naar wat mogelijk is. De viering van 75 jaar vrijheid werd erdoor beperkt. Er zijn weinig ooggetuigen meer die over die 75 jaar en de tijd ervoor kunnen vertellen. Maar Mien Witsenburg, bijna 95 jaar geleden in Lissin oorlogstijde geboren, wil haar herinneringen wel met ons delen.

Ze woont al weer meer dan 20 jaar in haar appartement aan de Heereweg. Natuurlijk mankeer je, wanneer je bijna 95 bent, wel wat en die coronatijd maakt alles wel stiller. Toch blijft het bijzonder wanneer je op die leeftijd nog kunt vertellen dat je de week ervoor weer hebt gejeu-de-bould. Verhalen over vroeger worden graag gedeeld. Als kind woonde ze al aan de Heereweg. Maar dan een stukje zuidelijker, op nummer 207, waar nu Trattoria da Marco zit.

Bakkerij Witsenburg

Op warme dagen vielen de ijsjes van Witsenburg zeer in de smaak. Hier staat ijscoman Kees van Oeffelen zijn bijbaantje uit te oefenen ongeveer bij Kanaalstraat 7.
Foto Van Oeffelen

Vader was brood- en banketbakker en later ook ijsbereider. Van banketbakkersijs natuurlijk. Je had ijsjes van 2 en 3 cent en zelfs van een stuiver en nog duurder. Dan kreeg je echt een behoorlijke schep ijs op je bakje. Gewoon geschept met een grote eetlepel, een ijslepel kenden ze niet. Mien is de oudste dochter, ze heeft een oudere broer en na haar komen nog een zus en 3 broers. Tijdens de mobilisatie waren aan de overkant veel officieren ingekwartierd. Rats, kuch en bonen was er genoeg voor alle militairen die opgeroepen waren, maar ze wilden ook wel eens wat smakelijkers. Daar kon de bakkerij wel voor zorgen. Ze bakten voor een luttel bedrag kleine krentenbroodjes. Er was zelfs een militair uit het Noorden (van huis uit ook bakker) die in de bakkerij meehielp. Ook het ijs ging er bij de militairen goed in. Deze coronatijd is voor iedereen lastig. We moeten ons schikken naar wat mogelijk is. De viering van 75 jaar vrijheid werd erdoor beperkt. Er zijn weinig ooggetuigen meer die over die 75 jaar en de tijd ervoor kunnen vertellen. Maar Mien Witsenburg, bijna 95 jaar geleden in Lisse geboren, wil haar herinneringen wel met ons delen.

School
Mien ging naar de St. Agathaschool. Moeder Witsenburg vond het belangrijk dat de meisjes ook goed
konden breien. Zelf breide ze ook veel. Wanneer de meisjes thuiskwamen uit school, al vanaf hun eerste schooldag, hadden ze eerst een brei-opdracht. 10 ribbels moesten er gebreid worden. Aan een werkje wat uiteindelijk een onderbroek voor een van de broertjes moest worden. Wanneer de 10 ribbels klaar waren werd het aan moeder getoond, die natelde of het klopte en weer met een draadje aangaf waar ze gebleven waren. Daarna pas mochten ze buiten gaan spelen. Lekker zullen die gebreide onderbroeken niet gezeten hebben, maar ook de broertjes moesten zich schikken.

Het gezin Witsenburg met Mien staande achteraan

Mien mocht de eerste klas van de ulo doen, maar daarna vond vader Witsenburg het genoeg. Ze moest maar naar de naaischool. Kon ze het werk van de huisnaaister overnemen. Er was best veel naaiwerk in een gezin met zes kinderen. De meisjes hadden meestal dezelfde jurk. Voordelig was het om uit een lap 2x hetzelfde patroon te knippen en dan was het ook nog zo dat zo’n jurk lang mee moest gaan, dus een dubbele zoom voor op de groei. Eerst is een nieuwe jurk alleen voor de zondag, het volgende jaar voor naar school, weer een jaar later mag je er mee buiten spelen en afgedragen wordt de jurk in huis. Zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen, zegt men. Maar in de crisistijd was zuinigheid maar al te nodig. Na oud en nieuw had je de jaarlijkse uitverkoop en de eerste dag van de uitverkoop toog moeder Witsenburg met haar zuster naar Den Haag om daar haar slag te slaan. Mien moest dus naar de naaischool die in het St.Agathaklooster was. Boven de voordeur was het lokaal. Ze deed 2 jaar naaischool, maar ondertussen moest er thuis gewerkt worden. Toen haar zusje de 7e klas afgerond had moest ook zij van school. Thuis was werk genoeg. De hulp in de huishouding, de huisnaaister, allemaal kostenposten voor werk dat de meisjes ook konden doen. In die tijd werd er in hun gezin nog een enorm verschil gemaakt in de opleiding die de meisjes kregen en die de jongens mochten volgen. De broers mochten wel verder studeren. Meisjes waren voorbestemd voor het huishouden. Je moest je er maar in schikken. Daar kwam nog bij dat moeder vaak last had van een open been. Ze moest de klanten in de winkel helpen, maar had zelfs achter de toonbank een kruk staan waar ze haar been op kon leggen om die te ontzien. Staan is natuurlijk funest voor zo’n open wond. Op een dag zat Mien thuis voor het raam huiswerk te maken toen er opeens aan de overkant allemaal ingekwartierde
officieren naar buiten kwamen rennen. Duitsland had aangevallen, Nederland was in oorlog. Zo’n moment dat het begin van de oorlog inluidde vergeet je nooit. We weten allemaal dat het een ongelijke strijd werd, op 15 mei volgde de capitulatie. ‘Nederland staakt den strijd’, kopten de kranten.

Oorlogstijd
Langzamerhand veranderden de omstandigheden. Om te voorkomen dat er schaarste zou ontstaan werd al snel het distributiesysteem verder uitgebreid. Dat systeem zou een eerlijker verdeling van goederen moeten geven. Het systeem dat iets “op de bon” was bestond al tijdens de mobilisatie, bijv. voor suiker. Distributiestamkaarten voor het bonnensysteem waren er dus al. Het zou ook hamsteren moeten voorkomen. Voor de bakkers gold het bonnensysteem vanaf juni 1940 voor brood. Voor banket volgde dat later. Voor de klanten was het wennen, dat gedoe met die zegels, maar voor Mien betekende het veel meer werk. In de winkel natuurlijk, maar ook bij de bestellingen voor het meel. Grossier Verduijn leverde het meel, maar ook daar gold zo’n verdeling. De vaste klanten van de bakkerij werden door de bakkersknecht, met zijn fiets met mand voorop, bezocht. Hij inde dan meteen de bonnen. Wekelijks afrekenen was gebruikelijk. Dat alles moest dan thuis gecontroleerd worden en hoorde bij de taken van Mien. Ze heeft wat bonnen geplakt!

Laatste oorlogsjaar
De oorlogstoestand werd steeds moeilijker, maar het laatste oorlogsjaar was echt dramatisch. Moeder wordt in de winkel een keer bedreigd en gesommeerd fietsen af te geven. Maar moeder komt oorspronkelijk uit Zeddam, vlak bij de Duitse grens en kan daardoor prima in het Duits van repliek dienen. “Ich ruf den Ortskommandant” en het loopt goed af. Wanneer Mien op een avond na spertijd even de straat op loopt komen er een paar militairen met hun vriendinnen aanlopen. Wilden ze indruk maken op die meiden? Feit is dat ze Mien achterna gaan, maar die rent het huis in en verdwijnt in het toilet. Wanneer de Duitsers haar aanwezige broer vragen weet die zogenaamd van niks. “Ze is het poortje uitgelopen”. Eigenlijk maar kleine ergernissen. Maar het wordt wel steeds dreigender. Miens broer moet onderduiken en als vanzelfsprekend neemt Mien zijn werk over. Dat bestaat uit illegale krantjes ophalen in Hillegom en ze dan weer verspreiden in Lisse. Het is een strenge winter en ze vertelt van de wandeling met zus en vriendinnen naar Hillegom. Zij even alleen naar een huis in het begin van Hillegom om de blaadjes op te halen. Diepe zakken in de rok voldoen daar prima voor. Dan weer terug naar de anderen en samen in de sneeuw weer terugwandelen naar Lisse. In Lisse volgt het distribueren, waarbij ook een huis is in de Veldhorststraat, naast een huis waar Duitse militairen verblijven. Niet ongevaarlijk, maar je deed het gewoon. Ondertussen kwam er gebrek aan van alles. Voor hout werd ’s nachts wel illegaal gekapt in het Keukenhofbos. Daar waren ook agenten bij betrokken, zoals de huisvriend van de familie, Tien L’Abée, die actief was in het verzet. De houtoogst werd wel naar de bakkerij gebracht om daar verzaagd te worden. De bakkerij was toch leeg omdat er inmiddels centraal gebakken werd. Elektriciteit hadden ze nog wel, want het gist voor alle bakkers werd bij hen in de ijskasten bewaard. Voedsel werd een enorm probleem. Gelukkig had vader contacten in de Haarlemmermeer waardoor er wat extra, weliswaar illegaal, meel was. Regelmatig kwamen er onbekenden uit de stad die op voedseltocht waren.
Eerst konden ze nog wel een half broodje krijgen, maar met het steeds toenemende aantal mensen dat langskwam was ook dat niet meer mogelijk. Zij kregen dan een boterham met bietenstroop. Nu was dat brood niet meer van beste kwaliteit. Er zat ook aardappel- en peulvruchtenmeel in. Het was heel donker, beetje zurig, brood, maar met de zoete bietenstroop toch wel te eten. Nog verbaast Mien zich over de jonge vrouw die op een dag ook zo’n snee brood met bietenstroop kreeg. Met een “vreet dat zelf maar”, gooide ze de boterham weg. “Dat doen we ook” kon Mien antwoorden. Het gezin Witsenburg at het brood met bietenstroop inderdaad zelf ook. Anderen hielp vader Witsenburg graag. Er waren er genoeg in de winkel die heel blij waren met zo’n snee met stroop.

Tijdens de mobilisatietijd was er al schaarste aan producten. Het bonnensysteem ging tot ver na de bevrijding door.

De bevrijding

Bevrijdingsoptocht, weer eens lekker gek doen
met vrienden en vriendinnen. Mien met bakkersmuts.

Eindelijk was Nederland dan vrij. Er werd veel gefeest, maar niet alleen dat, er was ook veel kwaadheid. Politieman L’ Abée heeft haar nog gevraagd naar namen van moffenmeiden. Hij had een lijst met namen en vroeg wat zij wist. Ze heeft gezegd wat ze wist; die wel, die niet en ik weet het niet. Langzamerhand werd het leven wat normaler. Hoewel het voedselprobleem niet meteen is opgelost. Mien herinnert zich heel goed de droge kaakjes die beschikbaar kwamen. Grote blikken met droge kaakjes kwamen in de bakkerij en moesten daar weer verdeeld worden over de klanten. Een nieuwe, maar wel dankbare taak voor Mien. In het begin vond je de kaakjes heerlijk, maar goedbeschouwd bleek een gewoon biscuitje veel lekkerder, maar dat waren ze totaal ontwend, die waren er al zo lang niet meer. Mien kreeg voor haar activiteiten zoals het rondbrengen van de illegale kranten een penning of een oorkonde. Maar die zijn in de loop der jaren onvindbaar geraakt.

De winkel

Na de oorlog stopte vader met broodbakken. Hij had zwaar astma en het werk kon hij niet meer aan. De ijssalon kreeg meer aandacht. Zondags ging de zaak om 1 uur open. Van oudsher at het gezin tussen de middag warm, maar de zaak ging voor. Nog niet gegeten, jammer dan, eerst de ijsverkoop, waarbij ook wel vriendinnen van de dochters werden ingeschakeld. Omdat vader door zijn astma steeds vaker moest verzuimen leerde ook Mien het ijs maken. Toch werd langzamerhand duidelijk dat de zaak en alles wat er bij kwam kijken, ondanks de hulp van Mien en haar zus, niet vol te houden was voor vader. Hij wilde
de zaak verkopen. Hij vroeg nog wel of ze de zaak wilde overnemen, maar was zo onduidelijk over hoe
dan, dat ze nee heeft gezegd. Binnen een paar weken was de zaak beklonken. De zaak werd verkocht aan J. Beijersbergen, onder de voorwaarde dat ze nog een half jaar boven de zaak mochten blijven wonen. Voor Mien kwam daarmee ook een einde aan haar werk in de salon. Ze moest op zoek naar een baan en vond die bij V&D in Leiden. Tot haar trouwen heeft ze daar gewerkt in de hoofdkassa. Werken
met klanten, met centen, dubbeltjes, met bonnetjes en kasopmaken, ze was er van jongs af an vertrouwd mee.
Vinden van een woning
Hoe vind je een woning rond 1950. In 1948 verklaarde minister van Wederopbouw In ’t Veld de woningnood al tot volksvijand nummer 1. In de oorlog lag de woningbouw stil en er was natuurlijk ook veel vernield. Op het gemeentehuis kreeg Witsenburg te horen dat hij een woning aan de Kanaalstraat kon krijgen. Het pand stond al jaren leeg en was met recht een onbewoonbare woning. Commentaar van vader Witsenburg: dan leg ik wel een matras op het Vierkant. Uiteindelijk kwam er gelukkig toch een woning beschikbaar in De Engel. Nu wilde de familie graag naar Leiden. Daar woonden broers van vader Witsenburg en hij had al een huis gekocht naast dat van een van zijn broers. Maar dat huis was al
bewoond, dus niet beschikbaar. Uiteindelijk is het er nooit van gekomen om in dat huis te gaan wonen, maar Leiden lukte op een gegeven moment wel. Woningruil bood de mogelijkheid om naar die plaats te verhuizen.

Theo Grimbergen

Van dit papiertje werd Theo waarschijnlijk een stuk vrolijker

Toen de zaak Witsenburg verkocht werd had Mien net haar latere echtgenoot, Theo Grimbergen, ontmoet. Ze kende hem wel vaag, maar hij was 6 jaar ouder dan zij en pas weer terug in Lisse. In het begin van de oorlog werkte hij bij bollenbedrijven. Dat werk was geen vast werk dus aan het eind van het seizoen betekende dat: naar het arbeidsbureau (sinds oktober 1940 Rijks arbeidsbureau geworden) op zoek naar een nieuwe baan. Zo kon het gebeuren dat hij als 17-jarige werkloze gedwongen werd naar Frankrijk, Normandië, te gaan om er te werken via Organisation Todt aan de verdedigingslinie, de Atlantikwall. Hij was beslist niet de enige uit onze streek die via het arbeidsbureau tewerkgesteld werd in
Frankrijk. Ook een broer en zwager werden in Frankrijk tewerkgesteld. Wanneer je weer werk vond kon je natuurlijk in Lisse blijven, maar dat lukte niet. Theo is wel met verlof in Nederland geweest, maar moest toch weer terug. Na de geslaagde invasie van de geallieerden in Normandië in juni 1944, sloot Theo zich aan bij het Engelse leger. Hij maakt deel uit van de troepenmacht die Zeeuws Vlaanderen bevrijdt in het najaar van 1944. Ze verblijven nog 3 maanden in Zeeuws-Vlaanderen voor ze de Schelde over kunnen steken voor de verdere bevrijding van Zeeland. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazernezit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazerne zit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden
denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus
wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazerne zit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb.

Verkering
In 1948 komt Theo terug naar Lisse en ontmoet hij dus Mien Witsenburg. Ze krijgen verkering en er
komen trouwplannen. Was het voor het gezin Witsenburg al moeilijk om een woning te bemachtigen, voor een jong stel is het schier onmogelijk. Je moet je weer schikken naar de omstandigheden. Na
6 jaar verkering konden ze inwonen bij de ouders van Theo. De meeste kinderen uit dat gezin waren
inmiddels uitgevlogen. De familie woonde aan de Kanaalstraat in een behoorlijk groot huis met beneden kamer en suite. In de achterkamer kwam een opklapbed te staan. De achterkamer werd slaapkamer voor vader en moeder Grimbergen. Een slaapkamertje boven, aan de voorkant, werd een soort huiskamer voor het jonge stel. Theo timmerde een keuken in een slaapkamer achter en ze sliepen op zolder. Uiteindelijk hebben ze 3 jaar ingewoond en zijn ook de beide kinderen daar geboren. Gelukkig was er toen al een extra slaapkamer beschikbaar gekomen omdat een andere Grimbergentelg het huis
uit ging.

Mien Witsenburg

 

Lisse in 2050 energieneutraal ?

De ambitie van Nederland is om 2050 energieneutraal te zijn. Zo wil ook Lisse van het gas af. De VOL is tegen het gebruik van het landschap voor zonnepanelen en windmolens. Gas is het beste alternatief.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Energietransitie betekent dat we straks geen gebruik maken van fossiele brandstoffen zoals olie en aardgas en dat we daarvoor onze nodige energie duurzaam gaan opwekken. In het Klimaatverdrag van Parijs in 2015, dat door Nederland is ondertekend, moesten we actie ondernemen om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius, en liever nog tot 1,5 graad. Dat kan alleen als we overstappen naar bronnen waardoor energie neutraal opgewekt wordt. Zoals door windmolens, zonnepanelen, warmtepompen en door aardgas niet meer te gebruiken. Dertig regio’s in Nederland werken aan een eigen Regionale Energie Strategie (RES) waaronder Holland Rijnland. Dit is de regio met 13 gemeenten waar Lisse ook toebehoort. De RES ambitie van de Holland Rijnland regio is om in 2050 energie neutraal te zijn en in 2030 1 Terawattuur (1 miljard kWh) aan elektriciteit duurzaam op te wekken, wat
overeenkomt met het elektriciteitsgebruik van 54000 huishoudens. Daarvoor zijn veel windmolens nodig (45 tot 70 grote of 70 tot 100 kleinere windmolens). Het kan ook met ca. 1400 a 1500 hectare zonneparken wat neerkomt op ca. 3000 voetbalvelden. In de Bollenstreek is dit echter niet eenvoudig omdat dit een van de drukste regio’s van Nederland is en ook mag de cultuurhistorische waarde van het bollenlandschap niet aangetast worden. Gezien de twijfel die er bij velen heerst of de doelstellingen van het klimaat wel worden gehaald worden op initiatief van de Gemeente Lisse de meningen van inwoners, bedrijven en verenigingen hierover gepeild. Zie de vragenlijst van de gemeente Lisse op www.lisse.nl/energietransitie en ook het artikel in Elseviers Weekblad van 28 november 2020: ‘ Het failliet van het Klimaatplan’ waarin 6 punten besproken worden waarom de energietransitie niet gaat lukken. De Ver. Oud Lisse werd hierover geïnterviewd. De Ver. Oud Lisse is vóór het gebruik van zonnepanelen op huizen en warmtepompen in nieuwe huizen, zoals in Getsewoud in Nieuw Vennep is gedaan. Zonnepanelen en grote windmolens plaatsen in de velden van onze Bollenstreek tast ons cultuurlandschap te veel aan. Warmtepompen plaatsen in bestaande huizen is ook veel te duur.
Grote windmolens vinden we niet passen in ons Bollenstreek cultuurlandschap, tenzij ze in zee ver voor de kust
geplaatst worden. Ook is de Ver. Oud Lisse geen voorstander van het stoppen met het aardgas gebruik. Aardgas heeft
een hoog waterstof gehalte en is lang niet zo milieu vervuilend als andere brandstoffen die veel meer CO2 uitstoten. Als de reden om met het gebruik van aardgas te stoppen de vele aardbevingen in Groningen zijn, dan kunnen
we het altijd nog invoeren via de Nordic gaslijn uit Rusland of Noorwegen.

Oud Nieuws: KRIJG TOCH ALLEMAAL DE ….

Epidemieën zijn een actueel onderwerp. We hebben er veel langs zien komen in de afgelopen eeuwen. Een aantal pandemieën, epidemieën en endemieën (streeekgebonden) passeert de de revue.

Louise Kerkvliet

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Epidemieën zijn een actueel onderwerp, we hebben er veel langs zien komen in Nederland. In de 20e eeuw tot nu zijn er 16 epidemieën en 1 pandemie geweest, in de 19e eeuw 10 epidemieën en 26 endemieën (streekgebonden besmettingen). De ziektes volgden elkaar in rap tempo op, de impact op de bevolking was enorm. Als we kijken naar de doodsoorzaken van de overlijdensgevallen in onze eigen stamboom, zien we de gevolgen ervan. Jarenlang wordt al gewaarschuwd dat er een wereldwijde ziekte zou kunnen uitbreken, een pandemie. Helaas is dat dit jaar een feit, met alle gevolgen van dien.
Vooral de pest en de Spaanse griep zijn de massamoordenaars van onze geschiedenis. We hebben zeker verschillende endemische ziektes gekend in onze omgeving, zoals in 1865-1866 toen er een cholera- en tyfusepidemie in deze streek heerste, waardoor er veel slachtoffers vielen.

Het vroegere pestbosje bij boerderij Langeveld

In de jaren daaropvolgend was er veetyfus in de omgeving van Leiden, het Groene Hart en de Bollenstreek, alle gebieden werden zwaar getroffen. De Leidse kranten van 1866-1867 meldden regelmatig wat de status was van de besmettingen. Cijfers van getroffen dorpen werden gepubliceerd met bijbehorende maatregelen en adviezen. In de 19eeeuw leefden veel Lissese gezinnen van de veeteelt en tuinderijen. Een dierziekte was ook destijds een ramp voor de economie. De maatregelen lijken hetzelfde als tegenwoordig, echter werden alleen getroffen bedrijven geïsoleerd. Dat is tegenwoordig soms ook nog zo, want dat hangt af van de betreffende dierziekte. Er zijn in Lisse alleen al duizend stuks vee overleden aan deze ziekte, voor veel gezinnen een flinke aderlating. Zou hier sprake zijn geweest van besmetting overgaand van mens op dier? In Brabant zijn nu veel nertsfokkerijen getroffen door dit verschijnsel. Er is destijds vee afgemaakt,
maar er stierven ook dieren aan de ziekte. Volgens de hygiëneregels van destijds werd dit vee in zogenaamde pestbosjes begraven. Dat zijn kleine met bomen begroeide gebiedjes aan de rand van een weide, vaak met een sloot er omheen.

In Lisse zijn er nog drie pestbosjes bekend, wie heeft ze niet gezien terwijl je aan het fietsen bent in de omgeving. Ziektes en epidemieën maken deel uit van onze gezamenlijke geschiedenis, zo ook in ons taalgebruik. Is het mogelijk dat verwensingen op basis van ziekten in die tijd populair zijn geworden en hoe vaak horen wij het nog? Krijg toch de kolere (cholera), tyfus of tering hoorden we vaak in het verleden. Ook dat je een ‘etterbak bent of een ‘pokkekind’. Tegenwoordig horen wij dat je een ‘coronalijer’ bent. Het zou een onderdeel zijn van ons gezamenlijke taalgebruik en onze cultuur, anderen
beweren dat het komt doordat er een taboe op godslastering heerst. Laten we met zijn allen hopen dat er snel een einde komt aan deze vreemde tijden en we allemaal weer veilig en zonder beperkingen verder mogen.

Bronnen:
yori.nl/epidemieën in de geschiedenis
Leidse courant/historische kranten
Wikipedia/lijst verwensingen op basis van ziekte