Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Een ziekenhuis en nieuw bloed in de huisartsengroep

Er was echt eens een ziekenhuis in Lisse! Op de plek waar je nu vanaf de Heereweg de Nassaustraat in rijdt. Paul Stelder schrijft erover in zijn serie over de zorg in Lisse door de jaren. Dat stukje Lisse komt aardig aan bod in dit nummer.

door Paul Stelder

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

Na de oorlog en de bevrijdingsfeesten proberen ook de inwoners van Lisse zo snel mogelijk hun gewone leven weer op te pakken. In veel gezinnen is er verdriet of onzekerheid over familieleden. Nederlanders die fout zijn geweest in de oorlog worden bestraft, maar moeten na het uitzitten van die straf, ook weer integreren. Kort na de bevrijding blijkt een onafhankelijkheidsbeweging in Indonesië steeds meer steun van de lokale bevolking te krijgen. Hierdoor raakt de Nederlandse regering verstrikt in een nieuwe oorlog. Dat leidt van 1946 tot 1949 tot de zogenoemde politionele acties. Veel jonge mannen moeten als dienstplichtig soldaat hun families voor onbepaalde tijd verlaten om naar Indonesië te vertrekken, onder hen is de jonge huisarts Frans Haase.

Ziekenhuis Irene

Heereweg 113: van Huize Irene tot ziekenhuis naar pension

In 1946 neemt de Hervormde Gemeente in Lisse het initiatief om een voorziening op te richten waar zieken kunnen worden verpleegd en waar vrouwen kunnen bevallen. Er wordt een pand beschikbaar gesteld aan de Heereweg, destijds met het huisnummer 113. Het lag op de huidige kruising van de Nassaustraat en de Heereweg. Het krijgt als naam ‘Ziekenhuis Irene’. Het beleid in het ziekenhuis wordt bepaald door de plaatselijke huisartsen en de zorg wordt uitgevoerd door de directrice en haar personeel. Overigens zijn er voor katholieke inwoners van Lisse ziekenkamers beschikbaar. In Huize Pius. Vrouwen konden bevallen in het St. Josephhuis (Schoolstraat 2). In Huize Pius wordt de zorg uitgevoerd door de aldaar wonende nonnen, de zogenoemde vrouwelijke religieuzen.

In het jubileumboek ‘175 jaar Brandweer Lisse’ staat nauwkeurig beschreven hoe de brandweer in december 1948 het ziekenhuis bij een controle aantreft: met diverse kachels en haarden en een zeer brandonveilige situatie, waarbij er zelfs geen brandblusser aanwezig is! Op de begane grond bevindt zich een vrouwenziekenkamer en op de eerste verdieping een mannenziekenkamer plus een kamer waar bevallingen laats kunnen vinden. Op het moment van de brandinspectie verblijven er acht patiënten en twee baby’s in het ziekenhuis. Er is tevens een kamer voor de directrice, twee voor inwonend personeel, een kamer voor een maatschappelijk werkster en er wordt ook nog een kamer verhuurd! Van het personeel in het ziekenhuis wordt of veel geëist of het wordt heel slecht betaald, want binnen enkele jaren tijd is er driemaal een vacature. Volgens het brandweerrapport zou de capaciteit kunnen worden opgevoerd tot veertien patiënten en twee baby’s. Bij de aanleg van de Nassaustraat wordt het pand gesloopt, maar het is dan al lang niet meer in gebruik als ziekenhuis. Het is niet precies duidelijk wanneer het ziekenhuis is opgeheven. De laatste advertentie waarin om personeel wordt gevraagd is van eind 1949. Waarschijnlijk wordt kort daarna het ziekenhuis opgeheven want het pand krijgt de naam ‘Pension Irene’.

De eerste masseur

Het is natuurlijk gewoon Broeke, de meneer van de heilgymnastiek
en D.O.K. staat voor ‘Door Oefening Kracht’ (NLC 26-7 1948)

Jan Broeke was de wegbereider voor de fysiotherapeuten in onze gemeente. In Lisse is kort na de oorlog ruimte voor een geheel nieuwe beroepsgroep binnen de gezondheidszorg. Jan Broeke (geboren 12 april 1907 te Abcoude- overleden 4 maart 1992 te Heemstede) opgeleid als gymnastiekleraar, vestigt zich in 1947 als masseur en leraar heilgymnastiek. Tot 1975 blijft hij beroepsmatig actief.

In de jaren zestig wordt in Haarlem gestart met een opleiding voor fysiotherapie, waar naast massage ook diverse vormen van fysiotechniek worden onderwezen. Daar worden dus in onze regio de eerste echte fysiotherapeuten opgeleid. Broeke is de voorloper van een grote groep fysiotherapeuten in Lisse. In september 1967 komt de dan nog jonge fysiotherapeut Guus Kosters hem assisteren en in november 1975 draagt Broeke het laatste gedeelte van zijn fysiotherapiepraktijk over aan fysiotherapeut Jan Hersman.

Huisartsenpraktijk Haase na de oorlog
Bij zijn terugkeer uit Indonesië in 1949 ziet Frans Haase junior voor de eerste maal zijn vierde zoon, die bij zijn vertrek naar Indonesië nog niet geboren was. Frans voegt zich snel bij de praktijk van zijn vader, Frans senior. Zij werken samen in de praktijk die dan nog steeds gevestigd is in Maria ’s Hof aan de Heereweg 317. Op 3 februari 1952 viert Frans senior het feit dat hij 50 jaar huisarts is. Hij is op dat moment 77 jaar oud. Dan pas vindt hij het genoeg geweest en legt hij zijn praktijkwerkzaamheden volledig neer. Het apotheekgedeelte van de
praktijk mag volgens de geldende regels niet door zijn zoon worden voortgezet. Het gaat daarom officieel over in handen van de plaatselijke apotheker Sophie van Overbeek. Helaas kan Frans Haase senior niet lang van zijn pensioen genieten: hij overlijdt op 26 augustus 1953. Zijn
vrouw en zijn dochter uit zijn eerste huwelijk blijven tot 1967 in Maria’s Hof wonen. Tandarts K. R. B. van ’t Hoff (geboren 9 maart 1940 te Den Haag – overleden 14 juli 2002 te Epe) wordt de nieuwe bewoner van het pand. Frans junior verhuist reeds in 1952 met zijn gezin naar Heereweg 337, waar hij, vanaf 1975 samen met zijn zoon Frans, de nieuwe junior, tot 1984 praktijk houdt.

De komst van een nieuwe dokter
Het dorp Lisse heeft in 1945 11.000 inwoners, in 1955 12.250 en in 1960 13.500 inwoners. Er worden na de oorlog nieuwe woonwijken gebouwd. Eerst de Bloemenbuurt in de omgeving van de oude Broekweg, daarna in het verlengde van diezelfde Broekweg, worden de Van Speykstraat en de Zeeheldenbuurt ontwikkeld. Voor de Tweede Wereldoorlog is de Koninginne- en Prinsessenbuurt al gebouwd en deze wordt in de jaren ‘50 aangevuld met de Oranjelaan. Begin jaren ‘50 krijgt architect Aad Paardekooper, die sinds 1946 samen met architect Kees Barnhoorn een architectenbureau heeft aan de Grachtweg te Lisse, de opdracht om de Mariakerk met pastorie, de Mariaschool en de Dominicus Savio MULO te ontwikkelen, in de van hem bekende stijl van de Bossche School. In jonge gezinnen is er vaak behoefte aan een jongere huisarts. Dan vestigt zich op 17 november 1956 een jonge, ambitieuze arts aan het Nassaupark 43, op de hoek met de Nassaustraat. Hoe is deze buitenstaander in Lisse terechtgekomen en hoe valt zijn komst bij de zittende huisartsen?

Trouwfoto Riet en Klaas

Nicolaas -Klaas- Bet (geboren 16 januari 1925 te Noord- Scharwoude- overleden 3 oktober 2004 te Warmond) wordt geboren als tweede zoon in een arm landarbeidersgezin. Van de twaalf kinderen die in dat gezin geboren worden, overlijden er vijf voor hun tiende levensjaar. Klaas is het tweede kind in het gezin. Zijn oudere broer Kees overlijdt op achtjarige leeftijd, Klaas is dan zeven jaar oud. Hij blijft lang klein van stuk en hij kan goed leren. De bovenmeester ziet zijn talenten en schat in dat hij meer kan dan op het land werken. Hij stimuleert de ouders om Klaas te laten doorstuderen aan de HBS in Alkmaar. In 1941 haalt Klaas zijn diploma, maar door de oorlog kan hij niet verder studeren. In november 1946 mag hij met een lening van de plaatselijke zuurkoolproducent Kramer, toch de studie weer oppakken en hij gaat naar de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam om er geneeskunde te studeren. Tijdens die studie komt hij in contact met de pater jezuïet Jan van Kilsdonk, die acht jaar ouder is en als een soort mentor voor Klaas optreedt. Na het afronden van zijn studie in 1952 werkt hij ongeveer anderhalf jaar in de Sint-Willibrordusstichting, een psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo opgericht in 1930. Hij is sterk geïnteresseerd in psychiatrie en de toenmalige behandelingen met electroshock maken diepe indruk op hem. Na deze periode moet hij in militaire dienst. Tijdens zijn studie krijgt hij op een feestje bij een studievriend thuis kennis aan Riet Seignette, een dochter van een bollenkweker uit Limmen. Zij trouwen op 30 december 1952 en zij gaan bij de ouders van Riet inwonen. De vader van Riet komt voor de handel met zijn bollen regelmatig naar Lisse en leert daar enkele lokale collega-bollenkwekers kennen. Hij hoort van de nieuwbouw in het dorp en hij suggereert Klaas  dat dat mogelijk een aantrekkelijke plaats is om zich te vestigen. Hij weet van de belangstelling voor het huisartsenvak van zijn schoonzoon en ziet hier een kans voor hem: Klaas is nog jong en wil graag aan de slag, maar hij heeft geen geld om een praktijk te kopen. Mogelijk met financiële steun van zijn schoonfamilie kan Klaas een hoekhuis aan het Nassaupark kopen en hij begint  op 17 november 1956 met zijn zogeheten vrije vestiging op twee van de slaapkamers.

Artsen mogen zich nog steeds overal waar zij willen, vestigen: het is een zogenaamd vrij beroep. De plaatselijke huisartsen sporen hun patiënten in dit geval niet aan om zich naar hem over te laten schrijven. Hij begint dus zonder patiënten op zijn naam en moet het hebben van de bewoners van de nieuwbouw om hem heen en van mond-opmond-reclame, want een wervende advertentie plaatsen is niet toegestaan. Aanvankelijk mag hij wel met de andere huisartsen meedoen in de waarneming in het weekend: op zaterdagmiddag en op zondag. De huisartsen hebben alle andere dagen van de week altijd zelf dienst voor hun eigen praktijk. Maar binnen een jaar op 14 oktober 1957 wordt hem de wacht aangezegd. Wat precies de aanleiding is geweest is niet meer duidelijk, maar op die avond staat zijn collega Haase onverwachtvoor de deur met een door alle collega’s ondertekendebrief, waarin Klaas moet lezen dat hij uit de waarneemregeling is gezet.

Dit is een zeer zwaarwegende maatregel, want het betekent dat Klaas niet meer op vakantie kan en niet meer tijdens een weekend op familiebezoek kan gaan in Noord-Holland. Deze buitensluiting duurt ongeveer een jaar en wordt pas bijgelegd onder druk van een aantal vrienden. Met name Dick de Vroomen maakt zich sterk voor hem. Zij eisen van de zittende huisartsen dat Klaas weer in de waarneming wordt opgenomen. Zij zetten hun eis kracht bij door te dreigen er voor te zullen zorgen dat grote
aantallen patiënten een overschrijving naar de praktijk van Bet aanvragen. Daarop is de uitsluiting teruggedraaid, geleidelijk is de relatie weer beter geworden. Klaas rijdt aanvankelijk zijn visites op de fiets, want een auto heeft hij niet. Ook moet hij andere werkzaamheden doen om enig inkomen te verkrijgen. Zo geeft hij les aan kraamverzorgsters van het kraamcentrum in Sassenheim en hij geeft enkele jaren biologieles op het kort daarvoor geopende Fioretti College en aan de huishoudschool aan de Achterweg. Zijn patiëntenbestand groeit en in 1961 is er voldoende inkomen om een praktijkvleugel aan het huis te laten bouwen, zodat de slaapkamers beschikbaar komen voor
de kinderen van het groeiende gezin. In de jaren zestig gaat er opnieuw een huisarts de politiek in en doet opnieuw een nieuwe discipline zijn intrede in de eerstelijnszorg.

 

Vier huisartsen aan de thee, nadat de onenigheid was bijgelegd. v.l.n.r.: Henk Holl, Lex Duymaer van Twist, Marius van Dijk en Klaas Bet.

Daarover meer in het volgende hoofdstuk over de geschiedenis van de medische zorg in Lisse.

Bijlage

Baanbrekende ontwikkelingen op medisch gebied na 1945
In de oorlog waren besmettelijke ziektes als tuberculose, difterie, kinkhoest en mazelen gevaarlijk rondgegaan en daardoor vielen vele dodelijke slachtoffers. In 1953 is het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu opgericht en konden kinderen gratis worden gevaccineerd tegen difterie, kinkhoest en tuberculose. In 1957 kwam daar nog poliomyelitis bij en in de jaren daarna zijn de vaccinaties nog veel verder uitgebreid en werd al begonnen op de babyleeftijd. Een andere grote ontwikkeling in de strijd tegen de besmettelijke ziektes is de ontdekking van penicilline geweest. Een  Nederlands bedrijf (Gist Brocades) heeft bij de bedrijfsmatige ontwikkeling van penicilline een belangrijke rol gespeeld. Vanaf 1948 was het op grote schaal in Nederland beschikbaar. Ziektes als longontsteking en nierbekkenontsteking waren daardoor goed te behandelen en veel minder levensbedreigend. In de jaren 60 kwam er voor een heel ander doel  een nieuw medicijn op de markt. De anticonceptiepil, toen nog in een veel zwaardere vorm dan tegenwoordig, kwam beschikbaar. Hoewel er aanvankelijk veel weerstand was vanuit de kerken en ook vanuit de medische wereld, heeft dat een betere gezinsplanning mogelijk gemaakt: de gezinnen werden kleiner en vrouwen konden daarmee makkelijker deel blijven nemen aan het arbeidsproces. In 1953 werd de structuur van het chromosoom ontdekt met het DNA als bouwsteen. Het overervingspatroon van vele erfelijke ziektes kon hiermee worden verklaard en later ontwikkelde zichdaaruit bij voorbeeld de prenatale diagnostiek.

Bronvermelding
Jubileumboek 175 jaar Brandweer Lisse
Cees Paardekooper: Biografie van ir. A. H. J. Paardekooper
Frans en Marjolein Haase
Guus Kosters
Jan Hersman
Diverse krantenarchieven, wikipedia
M.m.v.: Ria Grimbergen

(1) De introfoto laat zien dat Huize Irene gesloopt moest worden om de Nassaustraat aan te laten sluiten op de Heereweg

 

 

 

 

BRAND BIJ NOTARIS VAN STOCKUM!!!

Februari 1906 gaat de boel in de hens bij notaris J. B. van Stockum. Laura Bemelman schrijft over dit stukje Lisse, maar ook Liesbeth Brouwer gaat op pagina 30 nog eens in op Heereweg 107 in onze rubriek.

Door Laura Bemelma

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

Helemaal links op de introfoto zien we het pand van bollenbedrijf De Graaff en Huize Irene van Blokhuis. Het huis met kantoor van notaris Van Stockum moet deels in het zichtveld van het bollenbedrijf van De Graaff hebben gestaan. Deze foto is in het voorjaar van 1907 gemaakt tussen de sloop van de notariswoning en de bouw van huize Maria.

De in ’s Gravenhage geboren Dirk Johannes van Stockum trouwde in 1859 in zijn geboorteplaats met de veel jongere Sophia Lastdrager uit Amsterdam. Dirk werd aangesteld als notaris in Lisse en daar huurde het echtpaar een deel van een groot huis aan de Gracht. Het huis waar later geneesheer Van Eeuwijk ging wonen en dat vele Lissers nog kennen als het pand van Tibboel, ooit een zadelmakerij. In 1860 werd daar het eerste kind geboren en volgden er nog vier kinderen.

Na enkele jaren wonen aan de Gracht kocht Dirk Johannes in 1866 een groot herenhuis op de Heereweg. Dát huis bestaat al geruime tijd niet meer, want het ging verloren bij een hevige brand. Maar het heeft gestaan op het perceel van het huidige nummer 107 en lag aan de noordkant direct tegen het oude laantje van Blommenstein aan (later Klisterlaantje) en op het westen pal aan de doorgaande Heereweg. Het huis had eerder prominente eigenaar-bewoners gekend voor het in bezit kwam van de notaris. Daar zijn de volgende kinderen geboren, waarna het gezin met negen kinderen compleet was. Op de eerste verdieping van het huis vestigde notaris Van Stockum zijn kantoor.

Lustgrond
Gelijk met de aankoop van het huis had Dirk Johannes o.a. een stuk boomgaard gekocht aan de zuidkant van zijn  woning. Niet het huis maar een stuk van de boomgaard was ruim drie decennia eerder eigendom van de weduwe van bloemist Cornelis Simonsz de Graaff. Na haar dood is de gehele nalatenschap van deze familie verdeeld tussen de nazaten De Graaff en Blokhuis, die elk hun eigen stempel  drukten op ons dorp. Het oude huis staat als plattegrond op een oude kadasterkaart en het stuk boomgaard van Van Stockum komt in het kadaster in 1882 voor als ‘tuin’ en ‘lustgrond’. Dat de notaris juist aan de zuidkant van zijn huis een grote erker liet bouwen was een uitstekende keuze. Als er toen nog fruitbomen stonden, zal het een heerlijke tuin voor een groot gezin geweest zijn. Er was nog weinig bebouwing daar, rond die tijd. De twee woonhuizen ten zuiden van het huis zijn geruime tijd later ook op een deel van dezelfde oude boomgaard gebouwd. Maar dat was ná de brand.

Brand
Op dinsdagavond 16 januari 1906 rond kwart over zeven, brak brand uit in het kapitale herenhuis van notaris Van Stockum. In zijn kantoor op de eerste verdieping greep de brand mede als gevolg van de stevige zuidoostenwind razendsnel om zich heen. De oorzaak was vermoedelijk een branden- de lucifer die in de prullenmand gegooid was waardoor de inhoud vlam vatte en de gordijnen in brand zette. Dat de brandblusmiddelen in dorpen als Lisse zeer ontoereikend waren en het bluswater een half uur verderop gehaald moest worden, maakte het er niet beter op. Rond tien uur was het prachtige pand tot de grond toe afgebrand. Het weinige dat van de inboedel overgebleven was, kon op een gewone handkar geladen worden. De krantenberichten komen al snel uit het gehele land en buitelen op inhoud over elkaar heen in beweringen en veronderstellingen. Het is onduidelijk wat er nu werkelijk gebeurd is, maar de kern is duidelijk genoeg. Ook over de staat van de notariële papieren die gered zijn, is veel tegenstrijdigs beweerd. De brandkast van 40 jaar oud was van een verouderd systeem en is de volgende morgen in de puinhopen gevonden. Het ene bericht meldde dat alles in goede staat is gebleven en het andere dat alles verloren
gegaan is, een volgende beweerde iets ertussenin. De moraal: ’hoe voorzichtig de mensch moet wezen met lucifers, vooral tegenwoordig,
nu zelfs de leerlingen van bewaarscholen er mee in den zak lopen’ komt uit De Graafbode van 24 januari dat jaar.

Brandkast niet veilig genoeg
Het meest waarschijnlijke is het bericht dat de inhoud van de brandkast, die na de brand in de grond begraven was om af te koelen, vrijwel geheel verloren is gegaan. Er moeten nog wat geldstukken teruggevonden zijn maar op geen enkel document, obligatie of geldswaardig papier zou nog meer een aanwijzing leesbaar zijn over de waarde of inhoud. De ’brandkast’ was die naam niet waardig en hoe ermee omgegaan is tijdens de brand zou ook zeker niet juist geweest zijn. Een notaris uit Groningen stelde vragen aan het Ministerie van Justitie en pleitte voor een wet op het bewaren van de protocollen van notarissen en voor afdoende brandvrije kluizen om die in te bewaren.

Het perceel in de verkoop

Veranderingen in de kadastertekeningen bij Heereweg 107

Algemeen dacht men, volgens de krantenberichten, dat de 80-jarige notaris wel niet lang meer werkzaam zou blijven, dat hij zijn ontslag zou aanvragen en naar Den Haag zou willen vertrekken. Eind februari werd bekend dat de heer J. Tuijmelaar, kandidaat-notaris in Lisse, werd beëdigd tot plaatsvervangend notaris wegens het toegekende verlof aan de heer Van Stockum, voor de tijd van een jaar.

De overblijfselen van het afgebrande huis en vernielde perceel werden publiekelijk verkocht. Het stond vast dat de heer Van Stockum niet van plan was het huis te herbouwen, maar het perceel als bouwterrein te willen verkopen. De notaris heeft zijn perceel inderdaad verkocht en ging tijdelijk in een huis aan de andere kant van Lisse wonen, enkele huizen zuidelijker van de latere Zwanendreef. In dat huis is hij in juni 1908 op 81-jarige leeftijd overleden, volgens de aanspreker en de veldwachter die het overlijden op het gemeentehuis kwamen aangeven. Aan de Heereweg is het kaalgeslagen perceel in een publieke veiling aangeboden maar opgehouden. In 1907 is het daarna onderhands verkocht. Een gedeelte is verkocht aan timmerman H. Marseille, die het later verkocht voor de bouw van de woonhuizen Heereweg 109 en 111. Een ander gedeelte is in 1907 als ‘tuin’ verkocht aan Jacobus Matthijs van Til, bloembollenhandelaar en bloemist. Half december 1907 verkocht hij bomen, struiken en hakhout en besloot een nieuw huis op deze mooie locatie te bouwen.

 

 

 

 

Oud Nieuws: HOEFSMEDEN IN LISSE

De smid is al eeuwenlang een zeer gewaardeerd ambachtsman. Ook in Lisse hebben we er al heel wat gehad. Dirk Floorijp heeft daar flink wat onderzoek naar gedaan en geeft ons een inkijkje. Ook een kort stukje over de patroonheilige van de smeden.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

Hoefsmid, een gerespecteerd ambacht
In de 17e en 18e eeuw waren er in Lisse honderden paarden die ook onderhouden en dus beslagen moesten worden. De hoefsmid had het er druk mee en was ook een man van aanzien. De hoefsmid was nogal honkvast in een woonplaats, evenals bijvoorbeeld wagenmakers. Dat kwam omdat er een smidsvuur aanwezig was dat je niet zo vlug meenam naar elders. Een paard rondom beslaan kostte een paar uur werk; vijlen, schaven, branden en vernagelen. De nagels moesten op een bepaalde manier op de hoef worden gezet zodat de nagel buiten de hoef kwam en kon worden afgeknepen. Deed je dit niet goed dan gingen de nagels naar binnen en werd het paard kreupel. Er waren ook smeden voor landbouwwerktuigen zoals ploegen, eggen, schoppen en harken. Toen onder Napoleon de achternamen verplicht werden ingevoerd, werd daarvoor vaak een beroepsnaam gekozen zoals schilder, bakker, molenaar en smid. In akten was dan niet altijd meer duidelijk of iemand Smid heette of smid was. Dat werd zowel met d als met t geschreven. Inmiddels zijn de travaljes, die in vroeger eeuwen in elke plaats stonden, uit het straatbeeld verdwenen. We weten vaak niet eens meer de betekenis van travalje, maar het is een open bouwwerk, ook wel hoefstal genoemd, waar het paard (of de (muil)ezel) in vastgezet staat zodat de hoeven door de smid bewerkt kunnen worden. Er waren ook kachelsmeden, zoals rond 1960 Van Rooijen op Kanaalstraat 53 en Johannes Oldenhage in de Meer en Houtstraat. Oldenhage was een grote sterke man. Van hem ging het verhaal dat hij eens met de fiets van Leiden naar Lisse reed met een kachel op zijn nek. Als het echt is gebeurd zal het met een gietijzeren kachel een loodzware last geweest zijn.

 

Het Dorp van Lisse in 1612, detail uit kaart van Jan Pieterszoon

Eerste hoefsmid uit archieven
De eerste meester-hoefsmid die we in de archieven tegenkomen is Jan Dircksz. Vougel, alias de oude, zoon van Dirck Pietersz Vougel en Maritje Corssendr, geboren in 1557 en overleden voor 1624. Hij kwam uit Spaernwoude en was meester-hoefsmid in Lisse. Hij is drie keer getrouwd geweest: 1e Dirckje Gerritsdr van Tiel, 2e Maritje Jorisdr, 3e Pietertje Claesdr. Hij staat op de lijst van weerbare mannen uit 1585 en is bewapend met een knevelspit. Een knevelspit is een slagwapen. Smeden waren ook heel belangrijk voor het vervaardigen van wapentuig. Hij woonde op het Vierkant en kocht daar het huis “de Camer” aan de Groene Weide zoals het Vierkant toen werd genoemd, op de plaats waar nu Fotovak Engel is. Vougel moet wel een smid met goede vakbekwaamheid geweest zijn, want hij werd “Smid deser Ambachte”. Dat hield in dat al het smeedwerk voor het ambacht Lisse aan hem werd gegund. Zijn derde vrouw Pietertje Claesdr had een voorzoon, Barent Aelbertszn. Deze was wapensmid bij Volgende reeks smeden De volgende reeks geeft de namen van smeden die in Lisse actief waren. Vaak zie je dat een smederij generaties in de familie blijft. Volledig zal de reeks nog niet zijn, want via archiefonderzoek komen we nog steeds nieuwe feiten tegen. Een twintigtal namen van smeden is zelfs bewust weggelaten omdat we daarvan niet weten of ze smid of hoefsmid waren, noch in welke smederij zij werkten. Er zijn drie locaties bekend, waar een smederij gevestigd was. De oudst bekende plaats van een smederij was gelegen tegenover de dorpskerk, ongeveer waar garage Heemskerk was en nu druk gebouwd wordt aan een appartementencomplex. Dan was er de smederij op de hoek van de Kanaalstraat (eerder Broekweg genoemd) en de Heereweg en was er ook een smidse ongeveer ter hoogte van Heereweg 208 waar nu Beter Horen zit. In 1623 zien we Pieter Quirijnsz als hoefsmid, getrouwd met Maritgen Cornelisdr. Dan volgen Hendrik Cornelisz van Limmen (1646-1693), gehuwd met Maria Jacobsdr Hopbergen op de hoek Heereweg/Kanaalstraat. Hendrik Gerritse Rietveld (1645-1680), gehuwd met Grietje Jans Heemskerk. Cornelis Clase Blok, meester-smid (1698-1769). Hij woonde op Westerlis en was tevens kerk- en armenmeester, gehuwd met Anna Adriaans van Grieken, zijn zoon Gerrit is ook meester-hoefsmid. In 1716 diende meester-smid Herman Schuurman (1687-1759) een verzoek in om op de Broekweg (nu Kanaalstraat) een travalje op te richten. Dit moet op de plaats geweest zijn waar later smederij Schuts was, Heereweg 181, nu zit daar een kapsalon. Schuurman was driemaal getrouwd en had twaalf kinderen. Pieter Christiaansz Cremer (1754-1827), gehuwd met Wijntje Juriaansdr Vreeburg. Hij was ook kerkmeester. Hij koopt in 1782 van Jan Wagemakers, meester-smid in Zoetermeer, twee huizen en een hoefsmidse tegenover de parochiekerk voor 3450 gulden. Abraham Leendertsz Koevoet (1747- ), gehuwd met Maria Pietersdr van Oerle. Hij koopt de smederij tegenover de kerk in 1781 en verkoopt die vijf jaar later aan Jan Schenk. Deze Jan Schenk (1744-1828) is ook hoefsmid. Hij was gehuwd met Catharina Lipman. Het echtpaar had geen zoons, maar gelukkig trouwde dochter Maria Schenk met smidsknecht Jan Balman die al in de smederij werkte. Jan Balman nam de smederij na het overlijden van Jan Schenk over. Na zijn overlijden wordt de smederij door zijn weduwe verkocht aan haar schoonzoon Roelof Pelle die er toen al werkte. Roelof Pelle (1824-1879), gehuwd met Maria Balman, kwam uit Vreewijk (Ut.). Zijn zoon Johannes Wilhelmus Pelle (1849-1922) volgde hem op. Wouter Jansz van Zoelen (1796-1868) gehuwd met Marie van Bakel, met de smederij tegenover de kerk, werd opgevolgd door zijn zoon Pieter van Zoelen die deze in 1867 kocht. Dan volgt Wilhelmus Bruijnen (1848-1925), gehuwd met Agnes Oostveen, daarna zijn zoon Mathias Bruijnen (1874-1939), gehuwd met Maria Johanna van Soest.

De hoefsmid verdwijnt
Pieter Dirk Schouten (1859–1950) koopt in 1896 de smederij van Johannes Wilhelmus Pelle en bouwt er in 1900 een nieuwe smederij, Heereweg 208. In 1914 nemen zijn zoons Dirk Jan Schouten (1890-1970) en Jan Pieter Dirk Schouten (1891-1978) de zaak over. De zaken gaan goed en hun werkterrein wordt breder. Uit hun briefhoofd uit 1915 blijkt dat men naar Gebr. Schouten, voorheen P. D. Schouten, Lisse, hoef-, huis en rijtuigsmederij, moet gaan voor de aanleg van centrale verwarming, gas- en waterleiding, elektrische apparaten, dat het bovendien een herstelplaats is van Stoom- en Landbouwwerktuigen en Bonds rijwielhersteller. Na 25 jaar gaan de broers in 1939 ieder hun eigen weg. Jan blijft op de oude locatie van de smederij aan de Heereweg 208 en beëindigt zijn bedrijf in 1956. Daarmee kwam op die locatie een eind aan het smederijwerk. Dirk ging op Kanaalstraat 74 verder als installateur. Eén van de laatste hoefsmeden in Lisse was Johannes Theodorus Schuts (1892-1958) op de hoek Heereweg en de Kanaalstraat. De paarden verdwenen zachtjesaan uit het straatbeeld. Toen het werk van hoefsmid min of meer verdween werd dat werk een nevenfunctie in combinatie met een loodgietersbedrijf. Inmiddels zijn er weer veel meer paarden, maar nu voor de paardensport. Het beroep van hoefsmid bestaat dus nog steeds. Het is een vrij beroep, iedereen kan zich hoefsmid noemen. Er bestaat wel een vakopleiding. Veel hoefsmeden werken tegenwoordig ambulant en rijden met een bedrijfswagen naar hun klanten.

Sint Eligius ofwel Sint Eloy
Het beroep van smid bestaat al sinds de mens begon met metaalbewerking. Veel oude beroepen hebben een patroonheilige. Voor de smeden is dat Sint Eligius of Eloy (~590-660). Deze Eligius werd in de buurt van Limoges, Frankrijk, geboren. Zijn moeder was er van overtuigd dat ze een ‘heilig’ kind zou krijgen, maar daar leek het eerst niet op. Eligius werd handwerksman, eerst hoefsmid en later goudsmid en muntmeester. Hij kwam in dienst van het Franse vorstenhuis en ontwierp en sloeg munten, vervaardigde reliekschrijnen, bustes en smeedde een gouden zetel voor koning Chlotarius II. Dan komen ook de fabelachtige verhalen over zijn heiligheid. Eligius zou de benodigde hoeveelheid goud voor de zetel op wonderbaarlijke wijze hebben vermenigvuldigd en het restant stiekem aan de armen hebben gegeven. In 632 verliet hij het hof, stichtte klooster Solignac en werd zelfs bisschop van Tours en van Doornik (Tournai)-Noyon, van waaruit hij delen van Vlaanderen kerstende, vele kloosters stichtte, slaven vrijkocht en nog steeds zo nu en dan zijn oude beroep uitoefende. Daar is ook de volgende wonderbaarlijke legende op gebaseerd. Hij zou eens een onwillig paard beslaan. Zijn oplossing was het been van het paard af te hakken, vervolgens de hoef met het ijzer te beslaan en daarna het been weer aan het paard zetten. Een fantastisch verhaal natuurlijk wat weer een inspiratiebron was voor vele kunstenaars, bijvoorbeeld voor de Italiaanse schilder Botticelli. Eligius stierf op 1 december in het klooster van Noyon. Sindsdien is de gedenkdag voor hem op 1 december. In vroeger tijd wist iedereen dat met ’op St. Eloy’ bedoeld werd op 1 december’. Staat in oude geschriften dat er betaald moet worden op St. Eloy dan was dat voor tijdgenoten volkomen duidelijk. Vanaf de Middeleeuwen waren beroepsgroepen georganiseerd in gilden. Na een opleiding kreeg je de titel gezel en na het afleggen van een gildeproef kreeg je de titel meester. In Utrecht staat aan de Boterstraat het Sint Eloyen Gasthuis. Dit is nog een heel oud gildehuis. Behalve dat de leden van het smedengilde er bijeenkwamen was het ook een opvangplek voor armlastige en zieke gildebroeders, die er verzorgd werden. Dit Utrechtse Smede Gildt St. Eloy bestond al voor 1304 en was een machtige organisatie. Hoefsmeden, slotenmakers, goud- en de zilversmeden, geweer- en pistoolmakers en beoefenaars van vergeten smederijberoepen zoals vingerhoedmakers en harnasmakers konden lid worden. Het gilde bestaat nog steeds, hoewel er wel geen smid meer onder de broeders van het gilde zal zijn. Het gilde houdt zich nu bezig met de instandhouding van het Sint Eloyen Gasthuis, met de gildegebruiken en gewoonten, met het beheer van de eigendommen van het
gilde en met charitas.

Smederij Schuts in 1965 met travalje, geschilderd door Piet Horsman

KIJK NOU EENS: Huize Maria of Kornoelje

De bewoners van huize Maria of Kornoelje op Heereweg 107 worden weergegeven. Ook wordt het huis uit  907/08 beschreven.

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

Detail huize Maria

Deze fraaie voordeuromlijsting hoort bij Heereweg 107, een heel charmant huis dat in 1907/08 gebouwd is als Huize Maria.

Voorgeschiedenis
Op blz. 20 van dit Nieuwsblad vertelt Laura Bemelman over het huis wat eerder op deze locatie stond, het in 1906 afgebrande huis van notaris van Stockum. De latere koper van het perceel, Jacobus Matthijs Van Til (1873-1960), trouwt op 28-09-1899 in Haarlem met Maria London (1877-1908). Haar vader is aannemer en haar broer, getuige bij het huwelijk, is architect. Het paar gaat in Lisse wonen op A186 (Heereweg 88). In 1901 wordt zoon Hendrik geboren. Ze vertrekken naar Hillegom waar in 1903 nog een zoontje wordt geboren dat helaas maar enkele maanden oud wordt. Eind 1905 staat het gezin weer geregistreerd op A186.

Huize Maria

Dus in januari 1906 wonen ze min of meer aan de overkant wanneer bij de notaris brand uitbreekt. Enkele maanden later, op 30 juni, wordt dochter Elisabeth geboren. Van Til is bloemist. Sinds wanneer hij bij de fameuze bollenfirma H. de Graaff werkt en een leidende functie heeft is niet precies te achterhalen, maar een andere dramatische gebeurtenis speelt zeker ook een rol. Herman de Graaff leidt na het overlijden van zijn vader in 1886 het bollenbedrijf. Herman sticht een gezin en bekleedt zoals gebruikelijk in deze familie tal van bestuursfuncties. Kindersterfte is hoog in die tijd. Ook enkele kinderen van Herman leven maar kort. In 1904 slaat het noodlot toe. Er wordt een levenloos kindje geboren en 5 dagen na deze dramatische gebeurtenis komt moeder Sophie de Ridder te overlijden. Herman kan dit verlies niet aan, trekt zich terug uit bedrijf en nevenfuncties en vertrekt met zijn kinderen naar Leiden. In 1908 wordt de zaak verkocht.

Bouwplan

compilatie van Huize Maria

Van Til wordt directeur van H. de Graaff en zonen. De zaken gaan goed, een fraaie toekomst wacht. Geen wonder dat Van Til de kans grijpt om op de plaats van de villa van de notaris een modern landhuis te laten bouwen. De broer van zijn vrouw, architect Jacob (Jack) London (1872-1959), heeft inmiddels naam gemaakt. Hij begon zijn carrière in Haarlem en behaalde vanaf 1900 verscheidene prijzen. Hij was een veelzijdig kunstenaar die ook, niet ongebruikelijk in die tijd, een stempel drukte op het interieur van een pand. In Haarlem en omgeving zijn nog veel voorbeelden van zijn ontwerpen te zien. Zoals de voormalige bakkerij Brakenhoff op Koningsstraat 37 (1900) en Huis voor Militairen, Jansweg 34 (1903) in Haarlem, Huis Sonnevanck in Aerdenhout (1903), raadhuis Halfweg (1905). London had dus al een respectabele reputatie toen hij voor zijn zus en zwager begon aan het ontwerp en de realisatie van de Lisser villa. Natuurlijk is er voor dit artikel gezocht naar meer informatie rond dit ontwerp, maar helaas is in het gemeentearchief niets terug te vinden van de ingediende bouwplannen. Ook uit privécollecties is geen informatie bekend. Toch is er wel iets. In 2011 ontving onze vereniging een mail van Ton Bruseker uit Heemstede met de vraag of er iets meer bekend was over Huize Maria. Hij had een zakhorloge met inscriptie dat zijn grootvader volgens overlevering bij de oplevering had gekregen van de opdrachtgever. Mogelijk is er toen ook gezocht naar meer informatie in het gemeentearchief. Bouwvergunningen ed. waren ook in 1907 verplicht. Maar helaas. Opdrachtgever moet Van Til zijn geweest. Hij zal het horloge geschonken hebben aan A.N.H. Bruseker (1868-1963) uit Haarlem. Bruseker was van beroep timmermanaannemer. Of hij in Lisse ook de aannemer was valt niet te achterhalen, maar als timmerman kon hij zijn hart ophalen. Door dit zakhorloge kunnen we dus afleiden wanneer er gebouwd is. Er staat ingegraveerd: nov. ’07-april ’08. Onwaarschijnlijk kort voor zo’n toch uniek bouwplan. Er is nog een bron waar we iets uit kunnen halen. In 1916 verscheen de uitgave “Het moderne landhuis in Nederland” door Leliman en Sluijterman. Ruim 150 landhuizen werden gepresenteerd en er waren 3 villa’s van architect London in opgenomen. Het moet gezegd dat de Lisser villa mogelijk de kleinste uit het boek is, maar toch zeer aansprekend. Meer informatie uit die begintijd is er niet, het gebouw moet dus voor zichzelf spreken. Dat doet het ook; de fraaie voordeur met rondboog en de twaalf raampjes erboven maakt natuurlijk een rijke indruk, wat nog eens verstrekt wordt door de natuurstenen omlijsting met vruchtmotieven. Het iets overhellende, gebogen dak met blauwe Maasleien geeft het geheel een chalet-achtige uitstraling. Hier is ook goed te zien dat er veel houtwerk aan het huis zit. De waardering voor Bruseker is duidelijk wel op zijn plaats geweest. Via de weduwe van Ton Bruseker kregen we foto’s van het horloge dat nu in het bezit is van inmiddels de 4e Bruseker met dezelfde initialen: A.N.H. Bruseker.

J. M. van Til
De familie Van Til kan dus in 1908 verhuisd zijn naar Huize Maria. Maar het is niet zeker of Maria in het naar haar genoemde huis heeft gewoond. Op 9 juli van dat jaar overlijdt zij en blijft Van Til achter met 2 kleine kinderen. Advertenties voor huishoudsters voor Huize Maria zijn in de krant terug te vinden. In het boek “Het moderne landhuis in Nederland” staat een foto van Huize Maria met dochter Elisabeth bij de tuiningang. In 1918 hertrouwt Van Til met Alida Adriana Nieuwenhuijs (1886-1935). Op 11 mei 1920 wordt zoon Jacobus Matthijs van Til jr. geboren. Ondertussen gaat het met de firma H. de Graaff en Zonen prima. In 1917 staat er in de krant dat de bloeminstenfirma H. de Graaff en Zn. (v. Til) een mooie verbetering voor de arbeiders heeft ingevoerd. Hun arbeidsdag begint in het vervolg niet meer op 5 uur maar om 6 uur! Blijkbaar een te prijzen verbetering van de firma. Het krantenstukje eindigt met een: Ter Navolging! In 1920 staat Van Til in Lisse geregistreerd met telefoonnr. 6. Ook blijkt uit diverse krantenberichten dat Van Til maatschappelijk zeer actief is. Hij bekleedt diverse bestuursfuncties, natuurlijk op zijn eigen vakgebied van de bollenteelt, maar ook op diverse andere terreinen. Zo werd hij in mei 1919 gekozen in de gemeenteraad voor de zogenaamde vrijzinnigen, was hij in 1921 commissaris van het NV. Electriciteitsbedrijf Hillegom, Lisse en Sassenheim en werd hij in 1927 door de minister van Financiën benoemd in de Raad van Beroep voor de directe Belastingen. 13 febr. 1930 doet de krant verslag van de feestelijke heropening van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek. Van Til is, als voorzitter van de wetenschappelijke commissie, een der sprekers. Hij benadrukt de verdiensten van prof. Van Slogteren en zijn mensen en memoreert dat er bij de komst van Van Slogteren wel eens anders gedacht werd. Van Til refereert aan Van Slogterens strijd tegen het narcissenaaltje en maakt het belang in zijn toespraak op een aardige manier duidelijk: ”wat dit onze kweekers, ja ons geheele land, tot voordeel werd, is niet in millioenen te taxeren, en de kweekerspaleizen, die een journalist in zijn verslag memoreerde, zouden zeer gewone huisjes geweest zijn als professor van Slogteren aan dit aaltje niet zijne voortdurende aandacht gewijd had”. De vooroorlogse crisistijd was ook voor het bollenvak een rampzalige tijd. Van Til is actief binnen zijn vakgebied. In zijn eigen thuis nadert weer een drama. Zijn 2e echtgenote komt op 03-04-1935 te overlijden. Op 07-12-1939 trouwt Jacobus Matthijs van Til voor de derde keer, met Martina Petronella Maria Louisa van Vlerken
(geb. 1891). Ze zijn waarschijnlijk na de verkoop van hun huis naar Heemstede vertrokken. Op 18 maart 1950 wordt Van Til daar koninklijk onderscheiden tot ridder in de orde van Oranje Nassau. Op 20 april 1960 komt deze markante man in Heemstede te overlijden.

Slegtkamp en Cornoelje

Nog een compilatie van huize Maria

Het huis Heerweg 107 werd in 1941 verkocht aan Wilhelmina Slegtkamp. Het gezin Slegtkamp woonde op Heereweg 291 waar vader Hendrik in 1939 was overleden. Zelf woonde Wilhelmina in Den Haag, maar de koop was waarschijnlijk bedoeld om voor haar moeder een geschikter woning te hebben. Wanneer de naam van Huize Maria veranderd is in Cornoelje is niet bekend. Mogelijk met de komst van mevrouw Slegtkamp. Toen zij in 1952 overleed stond in de rouwadvertentie “Cornoelje” vermeld en zo kennen oudere Lissers het pand nog. In de achtertuin stond een prachtige kornoelje. Wanneer de naam Cornoelje van de gevel is verdwenen is niet duidelijk. Volgende bewoners uit de periode na het overlijden van mevr. Slegtkamp zijn diverse bewoners bekend, maar dat voert in het kader van dit artikel te ver om daarop in te gaan. In 1968 werd het huis verkocht aan de heer en mevrouw Zwetsloot. Het gezin Zwetsloot woonde jaren in dit huis. In die tijd was er al heel wat veranderd aan het oorspronkelijke interieur. Joop Zwetsloot heeft de oude heer Van Til wel eens gezien wanneer hij bij zijn vader, directeur van de HoBaHo, op kantoor kwam. Een heel aimabele man. Ook kregen zij eens bezoek van een oude dame die ooit in het huis had gewoond. Dat bleek het meisje Elisabeth van Til te zijn dat op de foto bij de tuindeur zit. Het huis werd verkocht aan de familie Van Stegeren. Zij zorgen er met name voor dat het huis geïsoleerd wordt. Het huis was enkelsteens gebouwd en werd aan de buitenkant geïsoleerd. Je keek op zolder zo langs de blauwe leien naar buiten, dus werd het dak totaal vernieuwd waarbij gelukkig ook weer blauwe leien gelegd werden.

Bij de aanleg van de rotonde met de Nassaustraat is helaas flinke schade ontstaan aan het oorspronkelijke tegelwerk en moest een deel als verloren beschouwd worden. De Van Stegerens kwamen uit Amsterdam. Zou het leeuwtje aan de trapopgang met een knipoog gerestaureerd zijn en een Amsterdams tintje hebben gekregen? De huidige bewoners, de heer en mevrouw Eriksson, zijn de dochter en schoonzoon van de Van Stegerens.
Bij de renovatie die zij aan de binnenkant van het huis toepasten bleek dat er achter diverse wanden nog de oorspronkelijke betimmering aanwezig was. Dat en ook granitovloeren die weer tevoorschijn kwamen zijn opgeknapt en waar nodig hersteld. Zij waren zo vriendelijk om hun huis, waar ze heel verknocht aan zijn, te laten zien en zo weten we dat er ondanks meer dan een eeuw wonen, nog veel fraais te herkennen is van het oorspronkelijke ontwerp van Jacob London.

 

DE LISSERPOELPOLDER 400 jaar: Geschiedenis en Verandering

Dit boek beschrijft de boeiende geschiedenis van de Lisserpoelpolder, met nadruk op twee belangrijke kantelpunten: de droogmaking in 1624 en de woningbouw aan het eind van de 20e eeuw. Dit boek is nu te bestellen bij de VOL.

Redactie

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

Dit boek beschrijft de boeiende geschiedenis van de Lisserpoelpolder, met nadruk op twee belangrijke kantelpunten: de droogmaking in 1624 en de woningbouw aan het eind van de 20e eeuw. De Lisserpoelpolder, een van de oudste droogmakerijen van Zuid-Holland, veranderde in de 17e eeuw van een veenplas in vruchtbare landbouwgrond. Het beleg van Haarlem en Leiden was nog niet zo lang geleden, en de Tachtigjarige Oorlog duurde voort. Maar de bevolking in de steden groeide, er was meer behoefte aan landbouwproducten, en er heerste optimisme onder investeerders. Leidse investeerders gaven de aanzet tot de droogmaking, maar uiteindelijk vielen de opbrengsten tegen.
De droogmaking begon met twee schepradmolens, die voor 1645 werden omgebouwd tot vijzelmolens. De Grote Poelmolen, gebouwd in 1676 na een rampzalige dijkdoorbraak, was ook uitgerust met een vijzel. De Ringdijk beschermde eeuwenlang de Lisserpoelpolder en haar bewoners, maar faalde minstens vijfmaal, waardoor de polder onder water kwam te staan. De drooggelegde polder leverde een aanzienlijk stuk weidegrond op, wat de plaatselijke veeteelt en zuivelproductie een flinke impuls gaf. Bijna drieënhalve eeuw zou daar weinig veranderen, totdat de eerste woningbouw aan het eind van de 20e eeuw plaatsvond. Toen ging het snel: in enkele decennia werden ongeveer 3.200 woningen gebouwd, waarin nu zo’n 7.500 mensen wonen. Het aantal inwoners groeide sterk met mensen die niet van oorsprong uit Lisse kwamen. Ondanks deze veranderingen bleef een deel van de Poelpolder agrarisch, beheerd door boeren met lange familietradities.
De geschiedenis van de Poelpolder is nog steeds zichtbaar in het landschap, met fysieke en historische sporen zoals de Ringdijk en de Ringsloot. Dit boek benadrukt de culturele waarde van de Poelpolder en het belang van herinnering en eerbetoon aan het land en de mensen die er hebben geleefd en gewerkt.
Het boek over de geschiedenis van de Lisserpoelpolder kan nu besteld worden. Van 1 juni tot 15 juli 2024 is dit prachtige boek verkrijgbaar tegen de voordelige intekenprijs van € 20,-. 250 bladzijden met 150 illustraties Genaaid in harde band Intekenprijs € 20,- na 15 juli 2024: € 25,- Bestellen via: https://oudlisse.nl/bestel-boek-poel/

 

 

OUD NIEUWS: Het verhaal over Joris van Steijn uit de gevangenis in Lisse

Vroeger konden ze pas straffen! Voor relatief kleine vergrijpen werden hoge straffen geëist. Soms werd er dan wat milder gevonnist, maar echt mild was dat toen ook weer niet. Dirk Floorijp heeft een verhaal opgediept over ene Joor die het met de wet niet zo nauw nam.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad 23 nummer 1 2024

Strafbaar feit

Aan de galg tot spijze van de vogels

Gezien de strenge straffen die vroeger werden uitgedeeld door de bailiuw en gezwore welgeboren mannen zou je je wel twee keer bedenken om strafbare feiten te plegen. Zondagmorgen 7 junij 1789 ging Arie de Ruit, 28 jaar en knecht van Gijsbert Persoon, naar het land om de koeien te melken en ontdekte dat het hek van de schapen open stond, wat hij de vorige avond aan een paal had vastgemaakt. Er waren acht schapen verdwenen. Ook uit het naastgelegen land van Jan de Roode waren acht schapen weg. Hij is daarop direct naar huis gegaan om dat te vertellen. Bij informatie hoorden ze van de schipper van het veer dat er bij Haarlem een persoon liep drijvende een koppel schapen richting Amsterdam. Gijsbert Persoon, wonende op Overgeest onder Noordwijkerhout, heeft toen een rijtuig met twee paarden gehuurd en is samen met knecht Gerrit van commissaris van der Ende en Jan de Roode vanaf het veer naar Haarlem gereden. Bij de grote houtpoort gekomen vertelden de soldaten die daar wacht hielden, dat een persoon drijvende een koppel schapen richting Amsterdam ging. Jan de Roode reed ze voorbij en bij het eerste tolhek werden de schapen opgewacht. Jan de Roode herkende zijn acht schapen aan een stukje dat uit het rechteroor was gesneden. Joris van Steijn, zoon van Pieter van Steijn in de volksmond genoemd Joor, wilde de schapen in Amsterdam verkopen om aan geld te komen.

Hout raspen om textiel kleurstof te winnen

Hij werd opgewacht en er werd gevraagd hoe hij aan de schapen kwam, waarop Gerrit hem aangreep en zei: donderskind gij moet mede. Dat Joor van Steijn tegen hem zeide: o god laat me los, als het de jouwe zijn dan moet je ze mede nemen. Neen, je moet ze brengen waar je ze gehaald hebt, wat hij weigerde.

Gevangen gezet
Joris van Steijn oud 26 jaar geboortig van Noordwijkerhout werd gevangen gezet in de gevangenis op het Vierkant in Lisse in afwachting van zijn proces. Op 16 juni kwam hij voor de geswore welgebore mannen en moest hij op een dertigtal vragen antwoorden. Op 16 juli een maand later werden hem nog een 20-tal vragen gesteld en daarna kwam de eis. De weled, gestr. heer Pieter Boers bailiuw beklaagt in deze hoge vierschaar Joris van Steijn oud 26 jaar geboortig van Noordwijkerhout laatst gewerkt en gewoond hebbende in het hartenkamp onder Haarlem hem aanzeggende verscheide diverijen, dat hij geleid en gebracht te worden op het  publieke schavot ter plaatse en aldaar door de scherprechter aan een galg tussen hemel en aarde gehangen en met de koorde gewurgd dat de dood er op volge, en wijders dat na verloop van twee uren het doode lichaam van den galg zal afgenomen en gevoerd worden naar het galgenveld deser hoge gerechte, en aldaar als de begrafenisse onwaardig zijnde, wederom aan de galge gehangen worden, tot spijze van de vogels des hemels, en dat de gevangene zal worden gecondemneerd in de kosten. Wat een vreselijke eis voor alleen een diefstal waar hij ook niets aan heeft verdiend en alles weer terug heeft gegeven. Leven in de onzekerheid tot het vonnis.

Vonnis

Geswore welgebore mannen van de vierschaar

Op 10 augustus komt dan het vonnis. De gevangene wordt gebracht naar het schavot, aan een paal gebonden met een strop om de hals, met roeden strengelijk gegeseld en gebrandmerkt en voor de tijd van 15 jaar in een tuchthuis geplaatst en moet gedurende die tijd met zijn handen de kost verdienen, voorts ten eeuwigen dage uit de lande van Holland en WestFriesland verbannen zonder daar ooit weder te komen op poene van zwaardere straffen. Aldus gedaan 10 augustus 1789. Present alle de welgebore mannen. Dwangarbeid in het Rasphuis Gedurende de eerste jaren van dit Amsterdamse tuchthuis kregen de gevangenen lichte lijfstraffen en moesten ze dwangarbeid verrichten. In 1599 werd het recht verkregen om hout te raspen, en werd het gebouw omgedoopt tot ‘Rasphuis’. Vanaf dat moment moesten de opgesloten delinquenten Braziliaans hout raspen. Het geproduceerde poeder werd vervolgens gebruikt in de textielververij. Niet veel later kreeg het Rasphuis in Holland en West-Friesland zelfs het monopolie op de verwerking van verfhout. Overigens werden in dit tuchthuis alleen mannen opgesloten. Niet lang na de oprichting van het Rasphuis zag elders in Amsterdam het Spinhuis het licht, waar met name jonge bedelaarsters en prostituees werden opgesloten en gedwongen werden garen te spinnen.

Rasphuis als verbeteringsinstituut
Terwijl misdadigers voorheen slechts gestraft werden voor wat ze hadden gedaan, was het Rasphuis vooral bedoeld als een ‘verbeteringsinstituut’. Daarmee vormde het Rasphuis een belangrijke opmaat voor het moderne juridische denken. Op het toegangspoortje van het Rasphuis werd een reliëf aangebracht, van een wagen volgeladen met rasphout en getrokken door leeuwen, een wolf, een everzwijn en een beer. Zij worden in toom gehouden door een menner. Dit illustreerde de achterliggende gedachte van het Rasphuis: ‘wilde beesten moeten getemd worden’.

Pompen of verzuipen?
Er bestaan verhalen over een kelder die zich onder het Rasphuis zou bevinden, waar de gevangenen in werden gegooid als ze zich niet fatsoenlijk gedroegen of hun werk niet goed verrichtten. Deze kelder stroomde dan voortdurend vol met water. Om in de nijpende situatie het hoofd boven water te kunnen houden, was er maar één oplossing: het handmatig bedienen van een kleine waterpomp die in de kelder aanwezig was. Het vooruitzicht te moeten ‘pompen of verzuipen’ zou er voor hebben gezorgd dat veel gevangenen het niet snel in hun hoofd
haalden de regels te overtreden.

Bronnen
tekst: Geschiedenis24, De Gevangenis, 2003
schilderij detail: 1767 Reinier Vinkeles, (*1741-†1816)
Een veroordeelde man wordt naar het rasphuys gebracht foto’s en illustraties: Wikipedia publiek domein

Een veroordeelde man wordt naar het Rasphuys gebracht

Bij de hartpagina: Een luchtfoto uit 1974 van de Stationsweg

Een halve eeuw geleden lag de Stationsweg er braak bij. Maar er was ook nieuwbouw. In dat jaar kwam dat leuke boekje, nu te zien bij de schenkingen, uit. Vanuit de hartpagina liep je over de Stationsweg richting de voorplaat van dit nummer

Redactie

Nieuwsblad 23 nummer 1 2024

Vliegen we hier over Lisse in 1973 of 1974 Berkhout is bewoond. De bloembedden op de voorgrond lijken al van het riet ontdaan.  Dus het vroege voorjaar van 1974 lijkt logisch. Maar kijk eens goed beste mensen, de Blinkerd was nog bollenland, de loods langs het laantje van Buts staat nog op z’n plek. Op het landje van Cardol waar we voetbalden met jongens uit de buurt, staat al een deel van het postkantoor wat nu alweer vergane glorie is. Toen ging de file keukenhofgangers nog door de Veldhorststraat naar de parkeervelden van de Keukenhof. In dit nummer hebben we het over Plan de Graaff waar toen nog geen sprake van was. Waar nu winkelcentrum Blokhuis en de Koninginneweg zijn
nog niets van te bespeuren. Ja en kijk ook vooral nog wat hoger op deze plaat, links van het oude Fioretti zien we de oude ijsbaan en de Nieuwsloot nog. Rechts van het schoolgebouw de Sporthal en de galerijflats aan de Van Speyckstraat. Het gloednieuwe overdekte
zwembad van Lisse is nu alweer weg. Ons dorp ondergaat de ene metamorfose na de andere, het is haast niet bij te houden. Wel fijn
dat we mooie, niet eens zo oude, vogelvluchtfoto’s hebben waarop we nu kunnen zien hoe het vroeger erbij stond. Het is ook leuk om
even af te dalen en van dichtbij dat stukje Stationsweg (nu Berkhoutlaan) te bekijken. U mag zelf de bijschriften er bij bedenken.

BLOKHUIS; De rommeling. (156)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Cornelis Blokhuis(1815-1877), Wethouder van Lisse

In Lisse is een fraai winkelcentrum en dat heet “Blokhuis”. Wat betekent dat eigen­lijk? Volgens de “dikke Van Dale” is het een kleine sterkte tot versperring van een weg. Dan is die naam dus wel erg toepas­selijk. Dat “sterk” ook wel, al kwam er niet lang geleden een stuk steen naar bene­den, maar die “versperring van een weg” is het helemaal! Geen rijdend verkeer, wandelgebied, waar je dan fijn kunt winke­len. (Als je daar van houdt, natuurlijk). Men heeft dus een goede naam gekozen. Maar er is helemaal niet gekozen. Men heeft gebouwd op ” ’t land van Blokhuis”, een tamelijk kaal, agrarisch terrein, geheel in­gesloten door latere bebouwing, waar vroe­ger de kwekerij was gevestigd der vermaar­de familie Blokhuis. Maar laten we het ver­haal eens helemaal vooraan beginnen.

In het “Familieboek Blokhuis” (1928) lezen we dat de stamreeks begint met Jacob Rijckszoon Bluckhuijs, die in 1662 in het Eemland woonde. Hij heeft een uit­ebreid geslacht Blokhuis nagelaten, alle­maal fatsoenlijke, degelijke mensen, waar­onder we al spoedig schoolmeesters (zéér degelijk dus!), burgemeesters, schouten en hoogleraren aantreffen. Maar hoe komt een Blokhuis nu in Lisse terecht? Omstreeks 1700 woonde reeds in Lisse de bekende familie van tuiniers en handelaren, later vooral ook bloembollenkwekers, De Graaff. Door goeddeels droeve omstandig­heden stond in 1817 de reeds bejaarde Cornelis de Graaff alleen voor de zaak. En er ging daar heel wat om! Zo komt dan zijn oudste schoonzoon, Gijsbert Blokhuis uit Barneveld, naar Lisse. Hij gaat wonen op de Pruimenhof in het “Oosteinde”. Dat zou nu zijn op de hoek van de Heerweg en de Nassaustraat (foto). (Het huis stond op Heereweg 133, red. Website). In 1905 is dit oude huis gesloopt en door moderner wo­ningen vervangen. Men kweekte bij De Graaff bloembollen, heesters en bomen, siergewassen, peulvruchten en geneeskrachtige kruiden.

 

 

Gijsbert Blokhuis (1846-1906). Wethouder van Lisse

Totdat op 1 januari 1840 de firma Cornelis de Graaff & Zonen werd ontbonden en Cornelis en Gerrit Blokhuis, die intussen deelgenoten der firma wa­ren geworden, zelfstandig handel gingen drijven. Een zoon van Gerrit was Gijsbert (1846-1906), die bijzonder ijverig in de firma Blokhuis werkzaam is geweest. Hij was te­vens een lange reeks van jaren wethouder van Lisse en besteedde ook aan dit ambt zijn beste zorgen. Hij stond bekend als iemand met een helder verstand, een ge­moedelijke inborst en een eerlijk karakter. Hij gold ook als gastvrij en weldadig. De Lissese tak Blokhuis heeft behalve deze Gijsbert nog heel wat belangrijke mannen voortgebracht: Cornelis (1815-1877), wet­houder van Lisse, gehuwd met Cornelia van Parijs, Gerrit Blokhuis (1841-1870), burgemeester van Sassenheim, Gerrit (1847-1911), architect, o.a. van het vroe­gere Lissese postkantoor, enz., enz. Dit is alles niet zo verwonderlijk, want in de 18de eeuw was een zekere Gijsbert Blokhuis, een “wiskundenaar”, al burgemeester van Bunschoten. De Firma Blokhuis in Lisse, dat was wat! ledere dag liepen vijf statige heren, vader Cornelis en zijn zoons Kees, Gerrit, Gijs en Marie, vier maal per dag in ganzepas de kwekerij af. De levenswijze was ouderwets en degelijk: geen vloeipapier, maar strooizand; geen gaslicht, maar een blaker, le­dere dag half twaalf werd er “gepeerd”, ook degelijk. De zaken gingen goed. Al zei Mijnheer Blokhuis altijd: “Bij iedere bol moet een half centje bij, maar aan het eind houd je toch nog wat over.” Op de foto zien we nog de hyacinten van de Gebrs. Blokhuis, met aan de overzijde van de Heereweg de woonhuizen en de bollen­schuur. (Daar is nu de Nassaustraat en over dit hyacintenland wordt thans de Keukenhofdreef aangelegd.) Maar, aan al het aard­se komt een einde. De zaak sloot en de fa­milie trok weer weg zoals ze eens gekomen was. De percelen aan de westzijde van de Heereweg, Oomsland, Kotzicht, Verbeid den tijd, de Blinkert en de Symtuin werden verkocht. De stukken land achter de moes­tuin en de boomgaard, achter de huizen en bedrijfsgebouwen, zoals de Mos, de Kleine Venne, Bloemlust, de Wei, het Marke­tuintje, enz., bleven open land, te mid­den latere bebouwingen. Ten slotte werd op een deel der Blokhuis-tuinen het winkelcentrum gebouwd, dat de naam Blokhuis in Lisse doet voortle­ven. En dat centrum breidt zich nu al weer uit. Laten we hopen, dat al die zakenlie­den aldaar er in slagen de geest van Blok­huis altijd levendig te houden: helder van verstand, gemoedelijk van inborst en een eerlijk karakter.

Succes, Blokhuis!

De Pruimenhof

Heereweg 113

 

Bollenvelden van Blokhuis. vanuit het westen. In het midden Heerewg 113

Cornelis Blokhuis ,geboren in 1952

HET ORGEL VAN DE SINT AGATHA-KERK; De rommeling. (154)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In 1902 werd de nieuwe Sint Agathakerk gebouwd en het volgend jaar door de deken van Noordwijk plechtig geconsacreerd. Zou er ook een nieuw orgel komen? Nee, aan­vankelijk niet; er was geen geld. We lezen in de notulen van het zangkoor van de kerk.

“16 juli 1902. Pastoor BJ. Klekamp open­de de vergadering. De nieuwe kerk werd ter tafel gebracht en hij hoopte, dat de kerk juli 1903 klaar zoude zijn. Besloten werd voor die gelegenheid een mis van Mitterer in te studeren. Er zou een nieuw orgelharmonium komen.”(Geen echt orgel dus.)

“28 juli 1903. De Pastoor stelde voor om bij de inwijding der nieuwe Kerk het koor te versterken, om de luister dezer plechtig­heid door een krachtig koorgezang nog meer te verhogen.

 

Daar de koren der om­liggende gemeenten niet bij machte werden geacht om voor een nieuwe mis van Perosi hunnen steun toe te zeggen, werd na dis­cussie besloten met eigen krachten, wat door allen voldoende werd geacht, de mis van Zangl uit te voeren.” (Eerst zou men nog een repetitie houden in de nieuwe kerk. leder lid kreeg een sleutel van het koor, zodat niet-zangers onmogelijk op het koor zouden kunnen komen.) Ome Arie Raaphorst schrijft: “Op Zondag 8

“December 1911 werd van af de kansel bekend gemaakt, dat zich eene commissie had gevormd met het doel om Pastoor B.J. Klekamp ter gelegenheid van zijn 12 1/2-jarig jubilé als Pastoor alhier een ge­schenk aan te bieden in de vorm van een nieuw kerkorgel. Wel was de tijd van dit jubilé nog ver, want dit viel eerst in de zomer van 1913, maar wegens de hooge kosten hiervan, namelijk circa f 12.000, als­mede de noodige tijd voor den bouw van het orgel was het nodig, dat men hiermede reeds tijdig een begin maakte. Het orgel werd besteld bij de firma Adema te Amster­dam. In plaats echter dat het orgel afge­werkt was met de gelegenheid van het ju­bileum van de Pastoor, werd het pas in gebruik gesteld Zaterdag 15 Augustus 1914, den dag waarop het 40 jaren geleden was dat Pastoor B.J. Klekamp tot priester ge­wijd werd.”

Het orgel, een zogenaamd romantisch or­gel, is met name na de grote restauratie bijzonder fraai en vanwege de orgelcon­certen heeft het thans een naam in de hele streek. Aanvankelijk schijnt het res­pect voor het orgel toch niet groot genoeg te zijn geweest. Of moeten we stellen, dat het orgel zo mooi was, dat iedereen er op of aan wilde zitten? We lezen in de notu­len van 1912/13: “De zangers zullen niet tegen de orgelkast of speeltafel leunen, daar dit op den duur het blanke hout zal besmeuren. Zij zullen niet bij de organist op de bank gaan zitten of naar eigen goed­dunken een of ander register openen of sluiten of op andere wijze de aandacht van de organist van diens spel afleiden.” De eerste organist, van 1880 tot 1904 was J. Schuts. Daarna kwamen P. Akerboom en Jac. Reeuwijk. Ook de heer Bemelman is organist geweest. Later kwam de onver­getelijke Gervais. Er was eerst nog geen electriciteit en aldus was er een orgel­trapper nodig. Het werd Stobbe voor 30 gulden per jaar en daarna W. van Velzen en zoon, f 32 1/2 gulden. Ik wil hopen dat ze het eerlijk deelden en dat niet de vader 30 gulden kreeg en de zoon met een rijks­daalder in het jaar naar huis werd gestuurd.

“STRONT VOOR HET LAND GOED SPUL, MAAR MIJN BEZIT ROTZOOI?…”; De rommeling. (151)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Bijna heel Lisse kent hem, de 57-jarige Jan Ponsioen,de zonderlinge verzamelaar van allerhande troep. Hij woont op de Rooversbroekdijk. Daar liet de Gemeente Lis­se kortgeleden een houten huisje voor hem neer zetten, omdat de woning waarin Jan tot op dat moment huisde, dreigde in te storten. Maar Jan slaapt nog steeds in dit krot en weigert te scheiden van zijn sinaasappelkisten, gereedschappen, lege melkflessen en oude kranten, die tot aan het pla­fond zijn opgestapeld. Wie is die Jan Ponsioen toch, hoe leeft hij? Hier volgt zijn levensverhaal.

“Kijk maar niet teveel naar mij, hoor”, zegt Jan. “Ik kom net uit mijn bed en ben nog wat slaperig.” Hij ploft in een stoel en begint een shaggie te draaien. Ik kijk wat rond: kalenders van jaren terug, schilde­rijen, scheefgezakte boekenplanken, een stapel kranten van vorig jaar. De kachel brandt al sinds een eeuwigheid niet meer, het behang is geel uitgeslagen van het vocht. Jan is één met zijn omgeving: hij draagt een jasje waarvan de streepjes bijna even zwart zijn geworden als het jasje zelf. Op zijn grijsbehaarde hoofd kleeft een alpinopet. Een brede riem behoedt zijn veel te wijde broek voor afzakken. Aan een touw rond zijn middel slingert een grote sleutelbos. Zijn handen en zijn gezicht zijn vuil, de nagels hebben rouwranden. Het lijkt alsof hij zich jaren niet gewas­sen heeft. “Wie ik ben?”, herhaalt hij mijn vraag. Nadenkend wrijft hij ovez ijn stoppel­baard. “Mijn vader was redacteur van de Maasbode, een Rotterdamse krant. Ik ben in de Maasstad geboren, dat was in 1921. Voordat mijn moeder trouwde, was ze hoofd van een lagere- én een huishoud­school. Ik was de oudste thuis. Twee zussen, twee broers, echt een fijn gezin. Niks asociaals of zo. Na de lagere school ben ik begonnen aan de ambachtsschool, electrotechniek en zo. Ik klaagde niet. Die lui vroegen ook zoveel, ongelofelijk …… Ik ben toen maar aan het werk gegaan. Baantjes in de centrale verwarming business. Als electrornonteur was ik toch waar­deloos, zei een oom tegen me. Mijn moeder was al gestorven toen ik tien was. Nou wou het geval dat mijn vader een kreng van een wijf trouwde, mijn tweede moeder, zogezegd. Die kreeg het idee mij in een gek­kenhuis te stoppen. Ze was namelijk doodsbang dat ik haar zou vermoorden, omdat ik een hekel aan d’r had. Maar ik had nog nooit iemand vermoord, dus waarom zou ik dat ineens wel gaan doen? Maar goed, ik heb uiteindelijk acht jaar in het gekkenhuis “Padua” in Boekel ge­zeten, van 1940 tot 1948. Wat daar alle­maal is gebeurd! De Broeders van Penitentie deelden daar de lakens uit. Peniten­tie is boete doen? Maar daar was geen sprake van: ze vraten als de pest en hadden dikke buiken. Je kreeg shockspuiten en prikken om te kot­sen. Om je te kalmeren, weet je. Maar je werd er alleen maar een wrak.” Plots breekt Jan in een rochelende hoest­bui uit. Hij is verkouden. Geen wonder ook, het is ijskoud en vochtig in het huis. Grote spleten in de muren, gaten in het dak: de wind heeft vrij spel. Hij gaat verder: “In ’48 ben ik naar de directeur van het gekkenhuis toegestapt. Ik zei: Als ik er nou niet uit mag, knijp ik je strot dicht! Toen beseften ze ook wel dat ik eigenlijk normaal was. Ik mocht eruit. Na die periode ben ik bij een smid gaan werken. In Sassenheim was dat. Ik werd verliefd op de dochter van mijn kostbaas. Maar ik durfde niks. Een dokter heeft ooit een getekende meisjeskop voor me gehouden. Dat duurde een half uur. Ze had zo’n hypnotiserende blik. Daarna heb ik nooit meer normaal met vrouwen om kunnen gaan.” Jan belandt, naar zijn zeggen, in allerlei kosthuizen waar “de kleren van zijn lijf ge­stolen werden.” Opnieuw bracht hij een half jaar in een “gekkenhuis” door. “Na vervolgens weer een tijdje rondgehangen te hebben bij allerlei bazen ben ik op me­zelf gaan wonen. Ik had een Maarse en Kroonbus staan op het terrein van een woonwagenkamp. Daar heb ik vijftien jaar gezeten. Toen ben ik ook gaan verzame­len, allerlei spullen. Ik werd alweer ontsla­gen, ditmaal bij de steenfabriek. Kwam al­tijd te laat op mijn werk. Dat was vanwege de slapeloze nachten. “Zelfs de baas is hier al om tien uur, zeiden ze. Voor jou kunnen we geen uitzondering maken.” Inmiddels had ik een geweldige voorraad gereedschap en boeken verzameld. Die mocht ik van de gemeente Lisse niet mee­nemen naar dit huis, dat ik in 1967 kreeg. De liefste spullen van mijn vader en moeder hebben ze toen verbrand. Ik wilde nog een proces gaan voeren om één miljoen schade­vergoeding te claimen, maar dat is niet doorgegaan. Nu heb ik alweer heel wat materiaal te pakken gekregen, kom maar eens mee!” Vol trots toont Jan me zijn “laboratorium” dat gevuld is met stoffige flesjes, een ver­roeste telescoop en een ongelooflijke hoe­veelheid lampen, snoeren, boutjes, schroef­jes en reageerbuisjes. Het stinkt er een beetje. Vol ontzag passeer ik wanden, die behangen zijn met verroeste bahco’s, schroevedraaiers en nijptangen. Eén kamer staat propvol vergeelde boeken. “Tja, ik studeer hard. Biologie, psycholo­gie, sexuologie, scheikunde, alles! Mijn moeder had 26 diploma’s. Daar heb ik het van. Ik heb een grote geest en ben be­roemd. Deze spullen hier kunnen bij lange na niet in de schuur en het huis dat de ge­meente voor me heeft laten bouwen. Ik ben bang dat ze binnenkort komen, om me uit dit huis te zetten. Maar dan koop ik een revolver en maak ik ze allemaal koud!” Ponsioen laat tevreden zijn blikken glijden over zijn rottende, roestende en vergelen­de spulletjes. “Weet je”, zegt hij mistroos­tig, “de stront die een boer hier in de buurt op zijn erf heeft liggen, vind de gemeente prima spul. Maar mijn kostbare goed wordt gezien als afval. Vindt u het niet treurig, meneer?”. Samen wandelen we naar het nieuwe huis, dat 500 meter verder op de dijk staat. De gemeente heeft voor een schuur van vier bij acht meter gezorgd, opdat Jan zijn oude wasmachines, radio’s, slijpstenen, jute zak­ken en boormachines kwijt zou kunnen. Maar negentig procent staat nog in het scheefgezakte, gebarsten pand waaraan Jan zo gehecht is. “Een buurman vertelde me, dat de brand­weer hier laatst is geweest. Natuurlijk om te kijken of er putten waren, waar ze water uit kunnen halen, wanneer men mijn bezit gaat verbranden. Zo dwingen ze me nog tot gekke dingen. En dan kan ik het gekken­huis weer in. Als ze me komen halen, schiet ik de boel overhoop, óf ik hypnoti­seer ze, want dat kan ik ook ……”

Frenk van der Linden in het “Weekblad voor de Bollenstreek” van 22 februari 1978.