Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Beijsens, bakker en kapper in Lisse

Het Lisser kwartiertje begint bij Antonie Beijsens, geboren in 1825. Hij was onderwijzer. De genealogie en andere wetenswaardigheden worden beschreven.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Antonie Beijsens, de schoolonderwijzer

De familie Beijsens maar ook de families Jansen, Louwers en Krijnen, voorouders van Franciscus Johannes Antonius Beijsens, komen vanaf het begin van de 19e eeuw overwegend uit de provincie Noord-Brabant. Antonie Cornelis Beijsens is in 1825 geboren in de voormalige gemeente Bladel en Netersel, als kind van Theodorus Beijsens en Martina Somers. Antonie Beijsens is volgens het Hoofdelijk Invullingsregister van 1849 al schoolonderwijzer in Vessem en woont dan in wijk Wintelre in huis 131. Hij woont in bij een bouwman, diens vrouw en hun jonge dochtertje. Antonie is dan nog niet getrouwd en zijn ouders wonen in Oirschot, zodat hij kennelijk wel in Vessem moet inwonen. Vessem is voor het eerst genoemd in 1292 toen Hertog Jan I van Brabant het dorp gemeenterechten verleende. Doordat in 1815 enkele omliggende plaatsjes worden opgenomen in de gemeente Vessem, neemt deze behoorlijk in belangrijkheid toe. Behalve de burgemeester willen dan bijvoorbeeld ook de notaris en de dokter er komen wonen. In 1854 trouwt Antonie Beijsens in Liempde met de daar geboren Hendrika Vugts, dochter van Cornelus en Woutriena Mensvoort. Het gehuwde paar woont in Vessem dat tegenwoordig sinds bijna twintig jaar Eersel heet. Tussen 1855 en 1872 zijn in Vessem zeven kinderen Beijsens geboren. De oudste is een dochtertje, Clara Woutrina, maar zij wordt slechts elf maanden oud. Zoon Antonie is het tweede kind in oktober 1856. De jongste van het hele stel is dochter Martha Catharina. Zij wordt uiteindelijk maar liefst 89 jaar oud en is overleden op Curaçao. Het gezin Beijsens woont decennia lang in Vessem waar vader Antonie tot 1890 als onderwijzer in het Bevolkingsregister voorkomt, in de periode van 1862 tot 1879 zelfs als hoofdonderwijzer.

Zoon Antonie Beijsens wordt bakker

De oudste zoon van Antonie en Hendrika, hun zoon Antonie Cornelis Beijsens junior, geboren in 1856 in Vessem, trouwt met Maria Catharina Jansen uit Sint-Michielsgestel. Daar is dan ook hun huwelijk in 1880 voltrokken. Antonie wordt bakker. Het gezin vestigt zich in Oirschot waar negen kinderen geboren worden. In 1897 wordt Franciscus Nicolaas Antonius geboren als het bijna laatste kind in het gezin. De hekkensluiters zijn de tweeling Alphonsus en Johannes Beijsens. Het eerste kleine jongetje van deze twee overlijdt helaas al binnen een tiental dagen. Vader Antonie blijft broodbakker en een van zijn zoons wordt dat ook. Een van de andere zoons wordt banketbakker en ook zoon Franciscus gaat in de leer als banketbakker in de omgeving van zijn woonplaats tot hij naar Lisse vertrekt, in 1920. Enkele jaren later overlijdt Maria Jansen, de vrouw van bakker Antonie, in Oirschot.
Ongeveer vijfentwintig kilometer noordelijker, in ‘s Hertogenbosch, zijn ondertussen Franciscus Louwers en Maria Theresia Krijnen getrouwd. Van de zeven kinderen die in elk geval uit dit huwelijk geboren zijn, komt dochter Petronella Louwers in 1886 in Schijndel ter wereld. Ze groeit op en verlooft zich ergens tegen het jaar 1920 met bakkerszoon Franciscus Beijsens. Franciscus komt terug naar Brabant voor het huwelijk met Petronella in Schijndel en daarna vertrekken ze samen naar Lisse.

Franciscus Beijsens wordt ook bakker

Franciscus Beijsens wordt aanvankelijk banketbakker. Hij komt in 1920 vanuit Oirschot naar Lisse en wordt hier ingeschreven op 4 februari op het adres van banketbakker Weber op de Heereweg, tegenover de Hervormde Kerk. Er was echter geen bijzondere reden voor Franciscus om juist bij zijn beroepsgenoot in te trekken. Het bestuur van de R.K. Coöperatie waar hij in dienst zou komen, heeft eenvoudigweg geïnformeerd of hun werknemer daar voor korte tijd kon inwonen. Niet lang daarna heeft Franciscus nog kort op de Stationsweg ingewoond tot hij trouwt en zijn vrouw ook naar Lisse komt. Want in oktober 1920 trouwt Franciscus op 23-jarige leeftijd in Schijndel met de daar geboren Petronella Louwers. Na het huwelijk wordt Petronella eveneens als inwoner van Lisse ingeschreven, op 27 oktober 1920. Zij is de 296e die in dat kalenderjaar als nieuwkomer in Lisse wordt ingeschreven. Het jonge gezin gaat op de Kapelstraat wonen, in een woning boven de latere Boekhandel De Haas. Daar wordt ook hun oudste dochter geboren.

RK Coöp. Broodbakkerij Kapelstraat Lisse – Coll. Oud Lisse

De bakkerij van de R.K. Coöperatie ligt aan de Kapelstraat. Eerder heeft op dat adres een slagerij gezeten. Franciscus heeft de inventaris voor de bakkerij zelf aangeschaft, uit een failliete bakkerij uit Amsterdam. Omdat er meer inventaris bleek te zijn gekocht dan nodig voor de bakkerij, heeft Franciscus de rest weer verkocht. Met de opbrengst daarvan kan hij zijn eigen huis inrichten. Dit krijgt hij van de Coöperatie in gebruik, het staat vlak naast de bakkerij.
Bijna twee jaar na het overlijden van de moeder van Franciscus is ook zijn vader overleden. Franciscus is negentwintig jaar oud als hij in juni 1926 samen met de veldwachter Seegbertus Vermolen het overlijden van zijn vader gaat aangeven. Deze is die ochtend overleden in het huis van zijn zoon op de Kapelstraat nummer zes in Lisse. De negenenzestig jarige bakker was slechts tijdelijk in Lisse, hij is op familiebezoek als hij ongelukkigerwijze overlijdt aan een hartaanval. De overlijdensakte vermeldt dan ook Oirschot als zijn woonplaats en niet Lisse. Er is ook een extract van dit overlijden door de gemeente Lisse naar het gemeentehuis in zijn woonplaats gestuurd. Franciscus Beijsens herdenkt in juli 1932 dat hij al 12½ jaar chef is van de bakkerij van de katholieke Coöperatie op de Kapelstraat. Teruggerekend naar de datum van zijn inschrijving in Lisse, moet hij daar al vrijwel  na zijn aankomst in Lisse als chef begonnen zijn. Indertijd was er in Lisse overigens voor brood niet alleen een katholieke Coöperatie, die op de Kapelstraat, maar er was ook nog die van de protestanten op de Grachtweg.
Nieuwe Leidsche Courant 16-07-1932 – Coll. Erfgoed Leiden e.o. Historische Kranten
Bakker Franciscus Beijsens is naast zijn werk ook vele jaren betrokken bij de zangvereniging St. Gregorius, als lid maar ook als voorzitter. Daarnaast is hij actief in de plaatselijke politiek. Enkele malen staat hij op de kieslijst van de RK Staatspartij, als ondersteuner. Hij vergaart bij die kandidaatstellingen voor verschillende gemeenteraadsverkiezingen dan ook de nodige stemmen. Op een echt verkiesbare plaats op de lijst heeft hij niet gestaan, hij heeft vast geen tijd gehad om dat er ook nog bij te doen.
Zijn vrouw Petronella overlijdt in 1961 in Lisse. Franciscus is na het overlijden van zijn vrouw naar Breda gegaan en heeft daar bij zijn dochter ingewoond. In 1963 is hij daar als gevolg van een hartaanval overleden.

Franciscus Johannes Antonius Beijsens de herenkapper

In 1922 is zoon Franciscus geboren uit het huwelijk van broodbakker Franciscus Beijsens en zijn vrouw Petronella Louwers.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van juli 2016.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XVI: Geen konijn op het menu met Oudejaarsdag 1847!

Rob Pex vertelt over de diefstal van een konijn. Deze was voor de verkoop bestemd. Getuigen worden gehoord.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Hoe het allemaal begon We bevinden ons juist tussen Kerstmis en Oudejaarsdag van het jaar 1847. Een konijn als diner op tafel gaat er dan altijd wel in. Maar hoe kom je daar zo gauw aan? Toevallig wist Jansje de Graaff, echtgenote van Dries van Wateringen1, buitengewoon goed de weg te bewandelen in deze. Leendert van der Werff, broodbakker aan ‘t Vierkant2, had namelijk nog twee konijnen, een zwart bonte en een witte, in een hok achter zijn huis. Ze verzocht dus vriendelijk aan bakker Van der Werff of zij een konijntje van hem mocht kopen. Het was niet voor haarzelf maar voor haar dochter bestemd die vlakbij het pas gebouwde gemaal De Leeghwater aan de Ringvaart woonde. Van der Werff stemde in. Hij wilde zelfs het konijntje wel komen bezorgen bij haar dochter! Tot nog toe leken dus Van der Werff en Jansje de Graaff aardig zaken te doen met elkaar. Maar dan…

Afb. 1. Blik op de hoek Heereweg/ Kanaalstraat (v/h Broekweg), met rechts de smederij van Schuts, in 1847 bewoond door Dries (A.A.S.) van Wateringen en zijn vrouw Jansje de Graaff, ca. 1900. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

De konijnen zijn weg!

Op maandagmorgen tussen tien en elf uur toog bakker Van der Werff richting het konijnenhok. Tot zijn verbazing stond de deur van het hok  wagenwijd open! En de konijnen waren verdwenen! Wat moest hij nu zeggen tegen vrouw Van Wateringen? Maar gelukkig bleek zij al voorzien van twee konijnen die ze bij Joseph van Opzeeland had gekocht voor 60 cent. Ze liet ze aan hem zien. Van der Werff herkende ze onmiddellijk als de twee konijnen die uit zijn hok waren gestolen en deed hiervan aangifte bij de veldwachter.

Getuigenverklaringen

Joseph van Opzeeland was natuurlijk onmiddellijk verdachte nummer 1. Een aantal getuigenverklaringen moest dat bevestigen. Eerst bewijs! Op 29 december 1847 verklaart Jan Hendrik Baak, spoorwegwerker te Lisse, dat hij van Sijmen (lees: Simon) Beijk, arbeider, het navolgende had vernomen. Beijk was juist op bezoek bij Van Opzeeland. Laatstgenoemde was in gesprek met Cornelis van Kesteren en Beijk ving daar wat flarden van op. Van Opzeeland had recentelijk goede zaken gedaan: hij had twee konijnen verkocht aan vrouw Van Wateringen (Jansje de Graaff) voor 12 stuivers! Dat wilde echter nog steeds niet zeggen dat hij ze gestolen had, dus de veldwachter moest wat dieper gaan graven. Hij besloot Simon Beijk eens aan de tand te voelen.

Simon Beijk weet van niets…

Beijk verklaarde echter ‘niets te dier zake gezegd te hebben’. Integendeel zelfs! Jan Hendrik Baak had het verhaal aan hèm verteld! En Baak had er ook nog aan toegevoegd dat Van Opzeeland de konijnen had gestolen. Verder wilde Beijk er niets van weten… Hij stak dus zijn kop in het zand. Bij Jan Baak moet je zijn! Niet bij mij! Maar Baak was over deze verklaring hoogst verbaasd. Hij had er met Beijk nota bene nog uitgebreid over gesproken op de ‘Kruisweg’!3

Beijk had  zelfs een uitgebreide beschrijving gegeven van de ontvreemde konijnen. Hij verklaarde echter ‘van dat alles niets te weten’, zo lezen we in het politierapport.

Besluit

En met die woorden werd het politierapport afgesloten. Omdat Beijk zijn vingers niet aan de zaak wilde branden, verklaarde hij van niets te weten. Er konden dus geen bewijzen worden gevonden voor het vermoeden dat Van Opzeeland de konijnen in kwestie had gestolen uit het hok van bakker Van der Werff. En zo belandde het hele verhaal dus in de historische vergeetput, zoals vermoedelijk met meer niet afgedane zaken is gebeurd. (Totdat ze werden gepubliceerd in het nieuwsblad van de VOL).
Jansje van Wateringen-de Graaff moest de twee konijnen, als zijnde belangrijk bewijsmateriaal, achterlaten bij de veldwachter. Het was dus wel zuur voor haar dochter bij de Leeghwater, maar laatstgenoemde moest het dit jaar zonder konijn op het menu stellen!

Afb. 2. ’t Vierkant omstreeks 1900. In het witgepleisterde huis, 2e huis naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, had Leendert van der Werff in 1847 zijn bakkerij. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

Noten

1 Waarschijnlijk woonachtig op de hoek Heereweg/Kanaalstraat. Hier vestigde zich later smederij Schuts. Zie afb. 1.

2 De bakkerij bevond zich naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, waar zich later bakkerij De Lange bevond. Zie afb. 2.

3 De Kruisweg was vermoedelijk het gedeelte van de huidige Kanaalstraat, daar waar deze op de Heereweg uitkwam.

Bronvermelding

Index op naam van publicaties over oud Lisse
Gemeentearchief Lisse inv. nr. 1115.

Resolutieboeken

In het archief van de gemeente Lisse zijn 8 resolutieboeken aanwezig. Ze beslaan de periode 1681 tot 1793. Arie de Koning heeft nu alle resolutieboeken getranscribeerd. Er zijn 8 ingebonden boeken ter inzage. Er is ook een digitale versie, waar gericht gezocht kan worden op bepaalde onderwerpen.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

In het archief van de gemeente Lisse zijn 8 resolutieboeken aanwezig. Ze beslaan de periode van 1681 tot 1793 en geven de officiële verslaglegging van besluiten genomen door schout en burgemeesteren weer. Heel interessant materiaal om wat meer te weten te komen over die periode uit de Lisser geschiedenis. Maar, oh, zo moeilijk leesbaar. De schrijfwijze van letters wijkt bijvoorbeeld al erg af van wat we tegenwoordig gewend zijn. En dan hebben we het nog niet eens over ander taalgebruik of veranderde grammatica! Arie de Koning heeft nu zijn project om de resolutieboeken te transcriberen voltooid. In de Vergulde Zwaan zijn 8 mooi ingebonden exemplaren ter inzage en is het ook mogelijk om gericht op een onderwerp te zoeken in de digitale versie.

Een voorbeeld

Vergadering gehouden bij Willem Jacobus Sennepart, Schout, Reijnier van Leeuwen ende Maarten van der Jagt, Burgemeesteren van Lisse, absenten, Goverd van Parijs ende Barend Stellingwerf, meede Burgemeesteren, op Donderdag 12 December 1765, in’t Regthuijs, des na de Middags ten 2 Uuren. Alwaar ook tegenwoordig waaren, den Schout en twee Regenten van Noordwijkerhout, ende den Schout en twee Regenten van Hillegom. Omme te obedieeren aan de Resolutie van haar Edele Moogende Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland en Westvriesland, in dato 8 December deeses jaars, is met algemeen genoegen geresolveerd, dat het schavot, met al het geene daar toe behoort, berustende te Noord-wijkerhout, door de twee genoemde Burgemeesteren van Lisse, Reijnier van Leeuwen en Maarten van der Jagt, zoude worden geinspecteert, en al het geene daar aan, door denselve in een goede order bevonden, wierd naar Lisse zoude worden getransporteert, en bij Taxatie van die van Noord-wijkerhout, zoude worden overgenomen en moeten worden Geëmployeert aan het Schavot, dat de kosten van die van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout, ingevolge de gemelde Resolutie ten spoedigsten moet worden gemaakt, en door die van Lisse moet worden bewaart en onder-houden. Ende is ook met Algemeen genoegen de bezorging en beheersing van ’t Schavot aan Schout en Burgemeesteren van Lisse overgelaten, en heeft den Schout en Secretaris van Lisse aangenoomen die van Voorhout (volgens het versoek van den Secretaris aldaar)van dit selve de kennis te geeven. In kennisse van mij Secretaris,
W.J. Sennepart

Maar let op: het is nog steeds de destijds gebruikelijke tekst. Omzetten naar huidig taalgebruik blijft nog steeds een uitdaging. Dat maakt het bovenstaande voorbeeld wel duidelijk.

Wat hier aan de hand is in december 1765? Het gaat om de koop van het Bailliuwschap-schavot van Noordwijkerhout. Lisse wilde deze al heel lang hebben want voor de middenstand is het Schavot een goudmijn. Als er iemand op het Schavot bestraft werd kwam de hele regio kijken (leedvermaak) en daarna werd er behoorlijk gepeerd ! (ingenomen) in de cafés. 30 December 1765 ’s avonds des 5 Uuren wordt er weer vergaderd. Dan krijgt de arme Jacob van der Jagt, schoolmeester, koster, kachelaanmaker en manusje van alles, op zijn ziel omdat hij op bevel van de Stedehouder de dorpsklok had geluid tijdens een strafvoltrekking op het Schavot, terwijl de Stedehouder daar helemaal geen bevoegdheid voor had, alleen Schout en Burgemeesteren waren daartoe bevoegd!

Een voorbeeld uit het originele resolutieboek van de datum Dingsdag den 8e Julij 1777 des avonds ten 7 Uuren. 

Een prachtig handschriften ook nog goed leesbaar. Arie heeft ook de nodige minder goed leesbare teksten overgezet. In dit geval gaat het weer over die arme schoolmeester. Hij klaagt dat er valse concurrentie is omdat d’ weduwe van Pieter Anthonisse van der Heller, Cornelia Gerritse van der Bijl, zig niet en ontsiet, verschijdene aankoomende jonge lieden te leeren spellen en leesen.
Zo krijgen we, dankzij Arie de Koning, aan aardig inkijkje in het leven van ruim 200 jaar geleden. De resolutieboeken zijn klaar, maar Arie is nog met meer projecten bezig. Daar horen we mettertijd wel van.

Hofje van Six blijft toch bestaan!

Hofje van Six blijft toch bestaan!

NIEUWSFLITSEN

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

De woning van Mien Dol (Kanaalstraat 34), die nog de enige bewoonster is van een van de 5 resterende hofjeswoningen van het Hofje van Six, wordt door de Diaconie van de Hervormde Kerk verkocht aan het bouwbedrijf Dol van haar neef, zoon van Cor Dol, om het opknappen van de hofjeswoningen mogelijk te maken.
Mien Dol (82), al jaren fervent lid van de Vereniging Oud Lisse heeft de afgelopen jaren met de vereniging gestreden om de sloop van het hofje tegen te houden, en heeft nu eindelijk van de diaconie van de Hervormde Kerk de door haar zo lang gewenste garantie gekregen dat ze in haar huis mag blijven wonen.
Er is in de afgelopen jaren heel wat te doen geweest over het Hofje van Six, genoemd naar de in 1741 door Jonkheer Pieter Six aan de diaconie geschonken fundatie voor de armen.
De panden van het “Hofje van Six”, inclusief het oorspronkelijk bij het hofje behorende sigarenmagazijn “Juliaantje” (Kanaalstraat 44), waren al in 2001 aangewezen als gemeentelijk monument. Tegen dit besluit heeft de diaconie zich toen niet verweerd en ook geen beroep ingediend.

Situatie in 2007. Het sigarenmagazijn Juliana is inmiddels gesloopt, wat natuurlijk een verlies is voor het samenhangende straatbeeld. Toch krijgt het geheel in die tijd bij de beoordeling voor de monumentenstatus nog de kwalificatie: Cultuurhistorisch waardevol als zeldzaam voorbeeld van een hofje van liefdadigheid, historisch vanwege het belang voor de Lissese geschiedenis. Maar dan komt toch de dreiging van sloop. Gelukkig is men bijtijds tot inzicht gekomen.

Wel heeft de eigenaar van Kanaalstraat 44 zich toen verweerd waarop de rechtbank in 2003 uitsprak dat de monumenten aanwijzingsprocedure door de gemeente niet correct was uitgevoerd, waardoor het pand op verzoek van de projectontwikkelaar in 2006 gesloopt werd en door een hoog pand (winkel met een appartement erboven) werd vervangen.
De sloop van de resterende woningen van het hofje om de nieuwbouwplannen van de diaconie te realiseren dreigde toen ook. De Vereniging Oud Lisse protesteerde en Mien Dol verzamelde 500 protest handtekeningen! Maar de rechter bepaalde in 2010 dat het hofje door de bouw van het hoge pand er naast, niet meer monumentwaardig is en gesloopt mocht worden. De gemeente Lisse moest toen alsnog een sloopvergunning voor de hofjeswoningen afgeven aan de diaconie.
De onderhandelingen van de diaconie met de gegadigden voor het hofje met de sloopvergunning verliepen echter moeizaam doordat door de economische crisis de een na de andere projectontwikkelaar afhaakte.
Omdat de biedingen steeds lager werden hakte de diaconie de knoop door om de bestaande hofjes woningen met het verkoopbedrag van Mien Dols pand grondig op te knappen omdat er genoeg belangstelling is voor de 4 hofjeswoningen. Mien Dol kan haar geluk niet op: “Ik ben de gelukkigste vrouw van Lisse” . Ook al zou ze na haar aanhoudende strijd tegen de sloop van het hofje niet meer in haar pand mogen wonen, dan nog is ze voor Lisse heel blij dat het karakteristieke Hofje van Six nu blijft behouden. Daar heeft ze jaren voor geknokt.

125-jarige Lissesche IJsclub werkt in stilte

De Lissesche IJsclub heeft in Lisse diverse ijsbanen gehad, nadat in het begin op diverse sloten baantjes waren gemaakt. De geschiedenis wordt beschreven. De financiële situatie is steeds goed geweest, vooral door de vele werkzaamheden door de vrijwilligers.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

De Lissesche IJsclub bestaat 125 jaar. Een memorabel jubileum, maar het bestuur van de vereniging heeft geen feest op de rol staan. Want het zal niet meer zo hard gaan vriezen dat de baan voor de schaatsliefhebbers kan worden opengesteld. Dat openstellen van de baan is op zichzelf trouwens al een feest. De vereniging kwam onlangs in de publiciteit dankzij het feit dat deze werd gehuldigd als groep vrijwilligers van het jaar, doch daarna is het weer redelijk stil geworden. Het was wachten op de langverwachte vorst en bijbehorende ijspret. Volgend seizoen misschien? Met voorzitter Eric Wagner kijken we terug op de geschiedenis van vereniging die nu zo’n 2200 leden omvat.
Op 13 januari 1891 kwamen 22 inwoners van Lisse in De Witte Zwaan bijeen om met elkaar te spreken over de wenselijkheid van het oprichten van een ijsclub. Het initiatief hiertoe werd genomen door dokter A.C. van Ewijk die ook de eerste voorzitter werd. Door het comité van oprichting van een ijsclub werd als doel gesteld het maken van en onderhouden van geschikte banen op het ijs en daarvoor het benodigde werkvolk nemen. In het bijzonder Lissese daggelders die in de winter zonder werk zouden zitten. Er was in het eerste jaar al gelijk veel werk te doen, want het vroor dat het kraakte. Door de tien daggelders die waren aangesteld werden banen aangelegd op de Gracht, de Ringvaart, Ringsloot en het Mallegat bij De Engel. In dat eerste jaar had men ook veel last van sneeuwstormen, hetgeen veel extra werk betekende. Bezems, een ijsbijl (voor het hakken van bijten) en borden met de tekst “Gevaarlijk ijs” werden ingezet. In 1895 werd voorzitter Ewijk opgevolgd door G. Blokhuis en na hem volgde in 1903 de heer J.W. Lefeber hem op. In 1921 nodigde het bestuur alle Lissers uit om lid te worden. Ook was er de mededeling dat Graaf J.E.C. van Lynden de vijver van Zandvliet (Keukenhof) wilde afstaan voor het schaatsen, maar uitsluitend aan de leden en introducees. Dat viel niet overal in goede aarde, hetgeen het bestuur ertoe noodzaakte om rond de vijver te posten om vernieling van het bos tegen te gaan en te voorkomen dat onverlaten zand op de vijver zouden gooien.
In 1922 werd op die vijver een hardrijderij voor behoeftige ingezetenen gehouden. Maar liefst 84 liefhebbers lieten zich inschrijven voor een wedstrijd “om spek en bonen” en vele andere prijzen. Bij de eerste ritten vielen 42 deelnemers af die ieder twee pond spek, een tarwebrood en een pond reuzel mee naar huis kregen. De eerste prijs was voor A.H. Schrama die voor zichzelf fl. 7,50 verdiende en voor de weduwe Rothweiler een paar schoenen, een ontbijtkoek, twee moltondekens, vijf pond erwten, twee pond spek en 15 pond tarwe. Na de wedstrijden kregen alle deelnemers bovendien nog een paar sigaren mee.
Wagner noemt enkele hoogtepunten uit het 125-jarige bestaan. “In december 1926 werd de officiële naam Lissesche IJsclub. Na vele jaren op de slootjes gerommeld te hebben kreeg de vereniging in 1929 een landijsbaan aan de Grachtweg. Pas drie jaar later was er ijs om daar op te schaatsen. In 1948 verhuisde de club naar de Oranjelaan waar men een grote baan in een driehoek kreeg. Een van de leden was wijlen Egbert van ’t Oever die in Zwolle Kampioen van Nederland werd en daarna nog vele malen van zich deed spreken. Evenals de Lissese bloembollenreiziger wijlen Dick de Vroomen die al jaren lang de Nederlandse schaatsploeg begeleidde bij internationale wedstrijden alsook Van ’t Oever die in latere jaren optrad als coach en trainer van Jong Oranje en later van de kernploeg. Intussen stormde het nieuwe Fioretti College op en moest in 1970 de baan worden prijsgegeven. De vereniging was daarmee de landijsbaan kwijt en na vele pogingen kwam de nieuwe baan op het land van Jan Langeveld aan de Rooversbroekdijk. Jaren moest men wachten op ijs, maar er was genoeg te doen, want in april 1973 werd het clubhuis door een storm verwoest. Op 31 januari 1976 was de opening van de baan in de Poelpolder een feit, maar de woningbouw daar rukte op. In 1978 ontving de gemeente Lisse de Zilveren Schaats van de KNSB Zuid Holland dankzij de prestaties van de leden van de vereniging. Op 2 januari 1987 ging ook de baan de Poelpolder vanwege de woningbouw voorgoed dicht. Op weg dus naar een nieuwe fase. In 1987 werd een nieuwe baan aan de Randmeerstraat in gebruik genomen, inclusief een clubgebouw dat in eigen beheer werd gebouwd en recent nog is uitgebreid met een tweede materiaal-opslag.
En nu verhuizen we niet meer,” aldus de voorzitter die tevens memoreert dat bij het 100-jarige bestaan in 1991 de Koninklijke Erepenning werd toegekend. Daarna brak (buiten de ijswinters) een ogenschijnlijk rustige tijd aan maar bij de uitreiking van de vrijwilligersprijs werd bekend dat de vereniging geenszins stil zit.

Onder invloed van het Nederlandse klimaat (nooit zeker of er tijdens de winter wel geschaatst kan worden) heeft de vereniging zich in de afgelopen jaren hoe langer hoe meer ontwikkeld tot een multifunctionele, facilitaire organisatie die zijn accommodatie openstelt voor andere verenigingen en organisaties. Met name het huidige bestuur heeft in deze ontwikkeling een groot aandeel gehad. Verenigingen, die bij de Lissesche IJsclub gastvrij onderdak vinden zijn o.a.: Motor Club Lisse, “The Ordinary Company” Voetbal Lisse, een grote jeugd-trainingsgroep vanuit de Salemkerk, Pluimen Kleinvee Vereniging P.K.V. Lisse e.o., Handboog-schietvereniging ”Attilla”, Muziekvereniging “Da Capo” Lisse (buiten training voor het Wereld Muziekfestival Kerkrade). Recentelijk was de grote muzikale buurtbarbecue t.g.v. “50-jaar-Poelpolder” een denderend feest op het ijsclubterrein, waarbij het bestuur tot diep in de nacht ondersteuning aan de organisatie verleende. De vereniging kent een gezonde financiële situatie die is gebaseerd op de hoge mate van zelfwerkzaamheid van het bestuur. Afgelopen zomer werd de gehele licht-installatie vernieuwd. Er werden 10 nieuwe lichtmasten geplaatst en alle grondkabels werden vervangen. Door slim inkopen en door alles zelf te plaatsen en aan te sluiten bleef dit project betaalbaar. Verdere bronnen van inkomsten zijn o.a. het jaarlijks steken van een corsowagen (inmiddels diverse prijzen gewonnen) en het organiseren van een spelavond (pistoolschieten) tijdens de feestweek van de Harddraverijvereniging. Het bestuur van de ijsclub bestaat uit 13 personen omdat men veel handen nodig heeft als er ijs mocht komen. En daar wachten we nu dus op”, aldus Wagner.

 

De waert en zijn gasten

In 1589 zijn ze vertrokken. Jacob Heemskerck is uitbater van de herberg Aan het kerkhof. Later heette de herberg Het wapen van Lisse. Diverse wetenswaardigheden worden besproken.

 door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

We schrijven 1589. De Spanjaarden zijn vertrokken en lieten door plundering en brandstichting in Lisse en omgeving een arme bevolking achter, afgebrande boerderijen en een uitgebrande kerk zoals in alle omringende dorpen het geval was. De oorlog heeft een grote impact gehad, ruim honderd jaar later wordt nog steeds over de afgebrande boerderijen geschreven die zijn “geamoveert”.
Jacob Florisz.Heemskerck, waert aan het kerkhof geboren in 1537 met zijn vrouw Arendje Dirksdr.Duycker, dochter van Dirck Cornelisse Duycker, zijn de uitbaters van de herberg aan het kerkhof. Arendje was dienstbode geweest bij haar oom en tante Jan Cornelisse Duycker en Maritje Willemsdr., de vorige eigenaars van de herberg aan het kerkhof. Uit dankbaarheid voor alle zorg maakte het echtpaar, bij testament van 12 mei 1564 bij Notaris Storm in Leiden, Arendje tot enige erfgenaam. Het echtpaar is kinderloos overleden. De herberg, in de volksmond steeds “herberg aan het kerkhof” genoemd, werd later “het wapen van Lisse”. Het had al een goede naam, schout en burgemeesters vergaderden er lange jaren. Later, na 1600, werd dit overgenomen door “de Swaen”. Was deze herberg er al of was die net gebouwd? Voor 1600 wordt er niet over gesproken en na 1600 komt deze telkens in akten terug. Jacob en Arendje hebben de herberg zo’n dertig jaar gerund. Zij kregen samen 6 kinderen. Na haar overlijden trouwde Jacob opnieuw en kreeg nog een dochter, Annetje. In 1604 was Jacob Florisz.Heemskerck reeds overleden en heeft zijn tweede vrouw, Maertge Engelsdr. Duijndam de herberg voortgezet tot dat haar stiefzoon Engel Heemskerck, geboren in 1586 oud genoeg was om de
Het herberg over te nemen. De schout en schepenen zetelden toen al in “ De Witte Zwaan”, of de “Swaen”. De gasten waren rond die tijd niet altijd betalende gasten. Er trokken vreemde troepen door de streek, een Engels vaendel dat van Beverwijck naar Den Haag passeerde op doorreis, vroeg onderdak, drank en eten. Over betalen werd niet gesproken, daar had men al meer mee te maken gehad. Er staat: ”LXI mannen op ten huysman gelogeert in december 1589”. Eerst dacht ik dat dit een herberg was, maar het ligt anders. Het is een uitdrukking uit de 16e eeuw van soldaten, loopende op den huysman,” afteeren ende doende alderhande quaet “. Of wel leg de kosten maar bij een ander, en wel bij de belastingbetaler. De waard werd er mee opgezadeld. Vandaar diende Jacob Heemskerck zijn rekening van gemaakte kosten in bij de schout, voor het vaendel 5 pond en 13 stuivers, en verder van de nodige vergaderingen van o.a. Item noch bij den voors. Ambtsbewaerders, gesworens, kerckmeesters ende meer ander, tot twee reysen verteert opte examinatie van den nyeuwen schoolmeester, zoe daer een yge faulten waren, tsamen een somma van 23 pond 10 stuyvers en 8 dinars. Het vaendel werd over verschillende herbergen verdeeld en bestond uit 56 man, later kwamen er nog 5 drostenknechten bij. Ook bij Harman de Vryes, Wipkesz. waert in “het Rode Hart” geboren in 1545 en gehuwd met Anna Wybens. Hij komt voor op de lijst van weerbare mannen van 1585 en was uitgerust met hellebaert en ponyaert. Herberg “het Rode Hart” is later omgedoopt naar “ in de Drie Wouldt-vriesen”, naar zijn drie zonen genoemd. Ook Cornelis Pietersz.Backer diende zijn rekening in en berekende dat iedere man van het vaendel verteert hadde acht stuuvers, tsamen XXIIII pond VIII stuivers . Hij was waert in een herberg waarvan we de naam nog niet hebben gevonden. Was het “in de Groene Valck”, of in de deftige herberg “ in de koning van Bohemen” of “De Couden Oven”? Alle gemaakte kosten werden wel vergoed, misschien van hogerhand of wel uit ’s lands kas betaald. Arendje Duycker, dienstbode en herbergierster overleed na de geboorte van haar zesde kind in 1590 en werd bij de kerk begraven.

Bron. G.A.Lisse inv.nr.55

Plankjes op Dubbelhoven

Bij de verbouwing van Dubbelhoven werden enkele plankjes met tekst en namen gevonden. De plankjes waren uit 1993 met een verwijzing naar een plankje uit 1881

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Het is nu wel duidelijk dat het een normaal gebruik geweest is om plankjes met namen en boodschappen achter te laten bij werkzaamheden in woningen of gebouwen. In deze vierde aflevering met dit thema gaat het om enkele plankjes die zijn gevonden bij verbouwingen op Dubbelhoven, op de Achterweg.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Het eerste plankje is eigenlijk meer een balkje en is aan drie zijden beschreven. Eén zijde meldt dat tijdens een verbouwing op Dubbelhoven in 1939 er een plankje gevonden is van een eerdere verbouwing. Hierop zouden de namen gestaan hebben van D. Schrama en D. Vergunst en het jaartal 1881. Het bedoelde oude plankje is kennelijk niet bewaard gebleven en de tekst moet zijn overgeschreven. De tegenoverliggende zijde geeft aan dat een nieuwe verbouwing in maart en april 1939 heeft plaatsgevonden onder leiding van de firma Beugelsdijk en Zonen, terwijl het metselwerk door de heren Vergunst is uitgevoerd. Op de derde zijde staan vier namen van timmerlieden, betrokken bij de meest recente verbouwing.

Coll. Historische Kranten – Erfgoed Leiden e.o.

Het tweede is wel echt een plankje en dit noemt twee specifieke data in maart 1939. Op de maandag 21 maart 1939 is de ‘politiek heden zeer spannend’ staat erop. Wij weten nu dat die spanning enkele maanden later tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft geleid, dat wist de schrijver van het plankje toen nog niet. Evenmin kon hij toen al weten dat hij bij die oorlog zelf het leven zou laten, daarover verderop meer, maar de oorlogsdreiging was echter allang voelbaar. Die maandag was het echter de 20e maart en niet de 21e zoals de krantenkop van het Leidsch Dagblad duidelijk aangeeft, maar dat doet aan de situatie niets af. ‘Tusschen oorlog en vrede’ meldt de krant. Kort na de Duitse annexatie van Oostenrijk heeft Duitsland TsjechoSlowakije bezet. Engeland, Frankrijk, Amerika én Rusland weigeren de Duitse inlijving van Tsjecho-Slowakije te erkennen. ‘De ontstane situatie is onwettig en getuigt van minachting voor de belofte tot vreedzame samenwerking zoals in München was overeengekomen’, vindt men. In september 1939 zou de Tweede Wereldoorlog beginnen met de Duitse aanval op Polen.

Beschreven zijde van het plankje – Dubbelhoven

Geheime radiozender in bollenschuur op De Wolf

Direct onder de eerste notitie staat op hetzelfde plankje nog een ander berichtje, dat heeft betrekking op de zaterdag ervoor. We moeten er de krant even op naslaan om te weten waar dit bericht nu precies om gaat. De schrijver van het artikel heeft het over een ‘sensationele arrestatie op heterdaad’ van daders ‘van brutale en ongeoorloofde handelingen’. Al weken is men namelijk op zoek geweest naar de geheime verplaatsbare zendinstallatie die op een golflengte van 311 m uitzond. De spreker heeft beledigend gesproken over regering en overheidspersonen, en gezien de politieke strekking van de uitzendingen veronderstelde men dat het om N.S.B.-ers zou gaan. Die zaterdagnacht is een verdachte achternagezeten door een Amsterdamse inspecteur die hem in een snelle en hardnekkige achtervolging over duistere Lisser wegen en een doodlopend laantje naar het terrein van een bloembollenkweker volgde. Dit was ‘in den donkere nacht géén gemakkelijk werk temeer het te nemen terrein doorsneden werd door slooten’, maar om precies vijf minuten over twaalf rukten de agenten gewapend met revolver de deur open, ‘waardoor de spreker in het midden van zijn zin, zijn mond dicht klapte’ … Onder de gearresteerden was een 31-jarige W. uit Lisse en diens zwager. Na de vlotte bekentenis – het had natuurlijk geen zin om te ontkennen na op heterdaad betrapt te zijn – werden de daders op vrije voeten gesteld, want voor een dergelijk misdrijf was voorarrest niet toegestaan.

Leidsch Dagblad 20-3-1939

A.M. Beugelsdijk (scheeps)timmerman

Het beschreven plankje is ondertekend door Antonius M. Beugelsdijk jr. Hij is geboren in 1905 in Lisse en wordt timmerman. Hij voelt in 1939 de spanning van een oorlog die reeds in de lucht hangt. Hij is op dat moment vierendertig jaar oud. Slechts drie jaar later, in 1942 is hij tijdens de oorlog omgekomen met het stoomschip de Poseidon. Antonius werkt daar aan boord als timmerman wanneer hun schip op vijf juni wordt getorpedeerd door een vijandelijke U-Boot en de gehele bemanning van eenendertig personen verdrinkt. In Amsterdam is een herdenkingsmonument van wit natuursteen opgericht. Hierop staan de namen van alle 247 tijdens de bezetting door oorlogshandelingen omgekomen zeelieden, waaronder die van Antonius M. Beugelsdijk.

Dirk Schrama, timmerman op Dubbelhoven

In het Nieuwsblad van Oud Lisse zijn in 2009 twee artikelen geschreven over de zeventiende-eeuwse boerderij Dubbelhoven, die op dezelfde plaats gelegen heeft als het huidige Dubbelhoven. Indertijd zou de eigenaar Quirijn Klaaszn Schrama zijn geweest. In 1881 is Dubbelhoven inmiddels  al langere tijd in bezit van de familie Kroon, eerst van Dirk Kroon, geboren in 1792 en later van zijn zoon Wouter en vervolgens van diens dochter Catharina en haar man Hugo van Graven.

Als uiteindelijk na de verkoop van het huis Dubbelhoven in 2008 aan de heer Boers, de plankjes uit 1939 gevonden worden, zijn deze aanleiding voor het bovengenoemde artikel. Hierin is de conclusie getrokken dat timmerman Dirk Schrama, betrokken bij de verbouwing van Dubbelhoven in 1881, een afstammeling is van de oudste eigenaren. Deze Dirk (Theodorus) Schrama is geboren in 1854 in Lisse. In 1881 is hij zevenentwintig jaar oud.

Dirk Vergunst, metselaar in 1881

In 1848 is Dirk Vergunst geboren in Alkemade. Hij komt in 1874 naar Lisse en trouwt met Treintje Kulk. Dirk is metselaar en woont in die tijd op verschillende adressen in Lisse, onder meer op de ‘Halfwegsteeg’, de latere Stationsweg. Dirk is in 1881 ongeveer drieëndertig jaar. In de loop der tijd wordt hij vader van een aantal zoons en verschillende van hen worden net als hun vader ook metselaar. Hoewel in 1881 al de zoontjes Pieter (in 1875) en Maarten (in 1878) zijn geboren, zal dat voor hun vader waarschijnlijk niet de aanleiding zijn geweest om zichzelf dan al als senior aan te duiden, in een notitie op een plankje. En zijn zoon Dirk, die van hem pas echt Dirk Vergunst Senior zal maken moet dan nog (pas in 1887) geboren worden. Het is aannemelijk dat bij het overschrijven van de tekst uit 1881 in 1939 de aanduiding senior moet zijn toegevoegd, maar dat het op het origineel niet heeft gestaan.

Eerste zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

Vergunst Senior en Junior in 1939, metselwerk

Bij de verbouwing in 1939 is de oudste Dirk Vergunst al geruime tijd overleden. Zijn zoon Dirk profileert zich echter al vele jaren volop als metselaar en bouwondernemer in Lisse. Deze zet ‘sr.’ achter zijn eigen naam op het balkje in 1939 want zijn eigen zoon Dirk is dan Dirk Vergunst junior en zestien jaar oud. Dat ‘jr.’ staat ook achter zijn naam op het balkje. Niet duidelijk is waarom op het balkje in 1939 staat dat Dirk senior vijftig jaar oud is, terwijl hij op dat moment bijna twee jaar ouder moet zijn? Ook blijft onbekend wie Leen Vergunst op het balkje precies geweest is. De gegevens vanaf het begin van de 20ste eeuw zijn vaak lastiger te vinden dan veel oudere, door beperkte toegankelijkheid of het openbaar zijn van archiefgegevens.

Firma A.L. Beugelsdijk en Zonen, timmerwerk

Antonius Leonardus Beugelsdijk is in 1875 in Zoeterwoude geboren. Hij trouwt met Maria Turenhout uit Heerhugowaard. Antonius is timmerman en zou voor de bouw van de Sint Agathakerk in augustus 1901 met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. In 1917 overlijdt zijn eerste vrouw en is Antonius hertrouwd met Regina Adema uit Bolsward. Er worden uit het eerste huwelijk in elk geval vijf zoons geboren. Ze worden aanvankelijk allemaal timmerman. In 1939 zou de verantwoordelijkheid voor de verbouwing op Dubbelhoven, volgens het balkje, bij de Firma A.L. Beugelsdijk en Zonen – Lisse liggen.

Tweede zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

De oudste zoon Jan is later weliswaar in de zaadhandel gegaan en is directeur van de bioscoop naast de Witte Zwaan geweest, maar hij werkte aanvankelijk als timmerman, zoals zijn vader en broers. De twee jongste zoons maken in 1939 vast ook nog deel uit van het bedrijf van hun vader. Van zoon W. (Wilhelmus Walterus) en van Toon (Antonius Maria) is dat in elk geval zeker, hun namen staan beiden op de derde zijde van het balkje geschreven. Op de laatste zijde van het balkje staan ook nog de namen van de timmerlieden Cor de Jeu en Ebel Wessels geschreven.

Derde zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

Broekweg 142/144

Rond 1920 is op de hoek van de Grachtweg en de Smalleweg de Lissesche Timmerfabriek van Firma A.L. Beugelsdijk & Zonen gevestigd. Dat deel van de Smalleweg, richting de huidige Kanaalstraat, krijgt in 1930 de naam Broekweg en de Grachtweg die dan nog tot ongeveer de Ringvaart loopt, krijgt vanaf 1950 de naam Grevelingstraat. Naast het perceel van de timmerfabriek Beugelsdijk komt de Eerste Lissese Kistenfabriek ELKA – Anthonius Leonardus Beugelsdijk is daar ook directeur van geweest. Dit bedrijf heeft daar vele decennia bestaan. Ook in 1930 wordt een dubbel woonhuis gebouwd op Broekweg 142-144. De opdrachtgever is timmerman A.L. Beugelsdijk, die in het adresboek van 1954/55 van Lisse daar ook als bewoner/ gebruiker op Broekweg 144 voorkomt. Dirk Vergunst komt vele malen voor als aannemer bij inschrijvingen op de bouw van huizen en in 1927 wordt het huis ‘De Driesprong’ gebouwd op de andere kruising van de Smalleweg, die met de Kanaalstraat en de latere Van Speykstraat. Maar in september 1932 meldt de krant dat Dirk Vergunst helaas failliet gegaan is. In november wordt het ‘Heerenhuis van den Heer D. Vergunst aan den ‘Driesprong’ alhier bij openbare verkooping’ verkocht. Metselaar Dirk Vergunst komen we in het adresboekje van 1954/55 weer tegen als bewoner van de andere helft van het pand aan de Broekweg, op nummer 142. Zo blijkt opnieuw dat je met enkele plankjes en een paar regels tekst, een klein beetje geluk en een heleboel zoekwerk, de geschiedenis van een of meer families behoorlijk kunt ontrafelen.

Geraadpleegde bronnen en informatie:

Plankjes gevonden op Dubbelhoven – foto’s R. Boers;

Historische kranten Erfgoed Leiden;

Diverse oorlogsdocumentatie inzake SS Poseidon,

KNSM-Monumenten Amsterdam en Oorlogsgravenstichting;

ProGen/data/Lisse VOLl;

Beeldbank Gemeente Lisse;

Bevolkingsregister Lisse,

adresboekje(s) Lisse;

Informatie Maarten van Bourgondiën, Rob Pex, A.M. Hulkenberg, G. Schrama

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

De voorgeschiedenis van Anna Beelen wordt beschreven.Het verhaal begint bij haar opa, die molenaar was op de Korenmolen van Beelen aan de Grachtweg

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Wanneer je de jongste bent van 15 kinderen en je vader is ook nog eens de jongste uit zijn gezin, dan is het niet zo verwonderlijk dat je de opa van vaders kant nooit gekend hebt. Overigens heeft Puck de Vroomen-Beelen, hoofdpersoon van het kwartiertje in dit Nieuwsblad, de grootouders van beide kanten nooit gekend. Haar Lisser grootvader was een bekende dorpsgenoot. Hij was de molenaar op korenmolen de Korenbloem. De familiegeschiedenis van de familie Beelen en de molen is door Bert Kölker uitvoerig beschreven in het boek ‘Kroniek van de Lisser timmerman en molenaar Cornelis van der Zaal 1762-1839’.
Hier start ons verhaal met de opa van Puck, Pieter Beelen, die in 1865 de korenmolen koopt. Bij de koop van de molen is het huis aan de Grachtweg inbegrepen, maar daar kan hij niet meteen over beschikken. Pieter trouwt in 1867 een meisje uit een bekende Hillegomse familie, Geertruida van Dril. Samen krijgen ze 7 kinderen. De jongste is Mattheus, geboren in 1878. Thijs wordt in de molen geboren. Hij is 2 jaar wanneer de familie naar een gewoon huis aan de Grachtweg/hoek Molenstraat verhuist. Thijs is de vader van Puck.
Oudste zoon Gerrit van het echtpaar Beelen-van Dril verhuist naar Rijpwetering en begint daar een maalderij. Tweede zoon Jan begint in De Zilk een graanhandel. Zoons Piet en Frans volgen Pieter Beelen op in de korenmolen in Lisse. Jongste zoon Thijs gaat een heel andere weg op. Hij gaat in de leer voor het bollenvak bij de familie Slegtkamp aan de Heereweg 291.

Thijs Beelen te paard met de molen, die gepavoiseerd is

In september 1898 zijn in heel Nederland, dus ook in Lisse, grootse feestelijkheden ter ere van de troonopvolging door koningin Wilhelmina. De molen is gepavoiseerd en Thijs doet te paard mee aan de historische optocht. Thijs is bevriend met Cor Langeveld van de kaashandel aan het Vierkant. Diens vrouw heeft familie in Schalkwijk, toen nog een boerengemeenschap, vallend onder de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo kan het gebeuren dat Thijs met de tilbury regelmatig naar Schalkwijk rijdt. Want via Cor en zijn vrouw leert Thijs een meisje kennen, Anna Horstman, en het klikt meteen. Anna Horstman woont in een boerderij aan het Spaarne. Het is een melkveehouderij. Werk in overvloed en ook Anna moet helpen. Met tegenzin, maar haar vader belooft haar dat ze een naaimachine krijgt wanneer ze tot haar 18e blijft helpen met melken. En daar doe je wat voor!
Thijs koopt grond aan de Heereweg, aan het Oostend. Hij laat er een huis annex bollenschuur bouwen. Het adres is Heereweg 67/Nieuwstraat 2. Thijs Beelen en Anna Horstman trouwen in 1906 en een jaar later wordt dochter Truce geboren. Het jaar 1908 is een bewogen jaar. Eerst sterft de vader van Anna, een paar maanden later komt de vader van Thijs te overlijden. Weer een maand later wordt dochter Agaath geboren. Opoe Horstman uit Schalkwijk komt, wanneer de boerderij langs het Spaarne overgenomen is door haar zoon, ook bij haar enige dochter in Lisse wonen. Zij is dolblij met de geboorte van Anny, dochter nr. 5. Daarvoor zagen dochter Nel en zoon Piet al het levenslicht. In de officiële aktes zijn 14 geboortes aangegeven, maar in de familie spreekt men van de geboorte van 15 kinderen. Met nog een aantal miskramen staat de periode van 21 jaar waarin de kinderen worden geboren, voortdurend in het teken van zwangerschap, geboorte en dood. Want een aantal kinderen sterft op zeer jonge leeftijd. Anna Beelen-Horstman draagt zeer regelmatig zwarte kleding vanwege de rouw.
Het jongste kind is Maria Anna Theresia, die aanvankelijk Ria wordt genoemd, maar al gauw Puck heet.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van april 2016

Pastoor Hugo van der Vlugt verzet in Noorwegen in oorlogstijd (deel 2)

Pastoor Hugo van der Vlugt was tijdens de oorlog in het verzet in Noorwegen. Hij was in de Engel geboren als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. In 1942 is hij door de Duitsers gearresteerd. Hij is overleden in Sachenhausen.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

In Hamar in Noorwegen staat de kerk waar pastoor Hugo van der Vlugt tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was. Pia Isakaetre woont nu in Oslo maar is geboren in Hamar en gaat tijdens familiebezoek nog altijd naar deze katholieke kerk in het centrum van de stad, vlak bij het huis van haar grootouders. In die kerk heeft ze over de vroegere pastoor, Hugo van der Vlugt, gehoord en ze raakte geboeid door het verhaal over hem. Pia is verbonden aan het Holocaust Centre, even buiten Oslo.
Hugo van der Vlugt is in 1904 geboren in De Engel in Lisse, als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. Hugo heeft tijdens zijn priesterstudie gekozen voor uitzending naar de ‘missie’ in Noorwegen. In 1929 is hij tot priester gewijd en in datzelfde jaar is hij naar Noorwegen vertrokken. Dat was geen gemakkelijke taak. Het was een dunbevolkt, groot en in de winter onherbergzaam land. Bovendien waren de mensen daar indertijd nogal terughoudend tegenover het katholieke geloof, haar missie en haar priesters. Na enkele jaren als kapelaan in Bergen, via Stabbek en Haugesund kwam pastoor Hugo aan in Hamar. Hij was daar ‘bouwpastoor’ van een nieuwe kerk. Hij heeft later gezegd dat hij zijn leven ‘in Gods handen’ heeft willen leggen, want hij wist aanvankelijk in de nieuwe parochie niet goed waar of hoe te beginnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog een groep katholieke jongeren gevangen gehouden werd in een kamp bij Oslo, lukte het de Noorse priesters niet meer om contact met hen te leggen. Hugo heeft zich vrijwillig opgeofferd door een arrestatie uit te lokken, zodat hij als medegevangene van deze jongeren de mogelijkheid kreeg ze bij te staan in hun lot.
In 1942 is Hugo door de Duitsers gearresteerd en naar het gevangenkamp in Oslo gebracht waar hij in contact wist te komen met de jongeren. Later is hij via Hamburg en Berlijn in Sachsenhausen-Oranienburg terechtgekomen.

Pastoor Hugo van der Vlugt (1904-1943)

Ook de jongeren uit Oslo zijn uiteindelijk op transport gezet naar dit kamp. Als gevolg van honger, kou, slechte kleding en zware arbeid, was de weerstand van Hugo sterk verminderd waardoor hij ziek geworden is en uiteindelijk overleden. Een pater die met hem in dit kamp heeft gezeten en het wel heeft overleefd, beschrijft na de oorlog hoe Hugo toen ziek werd en kwam te overlijden, maar ook hoe hij in het kamp gewaardeerd werd door de medebewoners. Daaronder waren vele ruwe bolsters die de ‘stille, goede en bleke Hollandse pastoor’ zeer hoog hadden zitten. Op 5 maart 1943 is Hugo van der Vlugt in Duitsland gestorven.
Nadat bovengenoemde Pia Isakaetre besloten had het verhaal van Hugo van der Vlugt te willen vertellen en zijn opoffering voor zijn geloof en Noorse katholieken te gedenken, is ze alle informatie gaan verzamelen die er in Noorwegen voorhanden was. Daarop ontstond ook het plan om een herdenkingssteen bij de kerk in Hamar te plaatsen voor pastoor Hugo van der Vlugt. Eerder is een vergelijkbaar monument buiten de Sankt Olavs Domkirke in Oslo geplaatst, voor verschillende Noorse omgekomen geestelijken, en waarop ook de naam van Hugo van der Vlugt voorkomt.
Via de Nederlandse Ambassade zijn verschillende mensen benaderd en is een artikel in het Lisser Nieuws geplaatst, met een oproep voor informatie en om familieleden te vinden die belangstelling hebben voor de plaatsing van de herdenkingssteen. Dit zal naar verwachting volgend voorjaar in Hamar plaatsvinden. Voor die tijd hoopt Pia Isakaetre naar Nederland te komen om een lezing te houden over haar initiatief voor Hugo van der Vlugt en als informatie aan familie en geïnteresseerden.
Hebt u na het lezen van dit artikel nog vragen, of interessant materiaal of aanvullende gegevens voor dit initiatief? Dan kunt u contact opnemen met de Genealogische Werkgroep van Vereniging Oud Lisse. We zullen u op de hoogte houden van de voortgang van dit bijzondere project.

Gerrit van der Meij krijgt geleidehond in Lisse

In dit tweede artikel over blinde wis- en natuurkundige Gerrit van der Meij worden zijn belevenissen in Lisse met zijn geleidehonden beschreven. Hij heeft diverse lezingen over geleidehonden gehouden.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Inleiding

In het Nieuwsblad van januari stond het verhaal ‘Gerrit van der Meij, een ongekend talent uit Lisse’ door Arie de Koning. Aan het slot van het verhaal meldden we dat we in contact waren gekomen met zijn dochter, Machteld van der Meij. Zij heeft een uitgebreid archief over haar vader. Gerrit van der Meij heeft in zijn leven veel gecorrespondeerd en gelukkig is daarvan veel bewaard gebleven. Uitermate interessant en waard om een boek over te schrijven. Want wat een bijzonder gegeven is het: een buitengewoon slimme, maar gelukkig ook zeer innemende doof-blinde man, die er in slaagt een prachtige maatschappelijke carrière op te bouwen, levend in een tijd, die ook nog eens snel veranderde en vele dieptepunten kende. Denk maar aan zijn jongenstijd in het Duitsland van voor de oorlog, aan de oorlogstijd in Nederland waar hij studeerde en waarin hij getroffen werd door de ziekte die hem totaal doof maakte, aan de opbouwperiode van Nederland, waarin het steeds drukker werd en aan de technische vooruitgang waaraan Gerrit van der Meij actief zijn steentje kon bijdragen. Voor Oud Lisse is natuurlijk de periode in Lisse het meest belangrijk. Maar ook dan is het ‘’krenten uit de pap halen’. Dat doen we voor een groot deel aan de hand van de gegevens uit het archief van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds. Met dank aan mevr. Van der Meij voor het gebruik van het materiaal en in de hoop dat er nog eens een boek of studie zal verschijnen over de boeiende persoonlijkheid die haar vader was.

Dossier 51, Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds

Dit dossier begint op 10 april 1936 met een formulier voor de aanvraag van een geleidehond voor Gerrit van der Meij. Dat honden veel kunnen betekenen voor blinden was al heel lang bekend. Er bestaat zelfs een muurschildering uit de 1e eeuw na Christus van een blinde, geleid door een hond. Maar het systematisch opleiden van honden voor ondersteuning van blinden dateert eigenlijk pas van na de 1e wereldoorlog. Toen kwamen er duizenden soldaten blind terug van het front en in 1916 ontstaat een geleidehondenschool in Duitsland. In Nederland wordt in 1934 het Nederlandsche Blinden Geleidehonden Fonds opgericht op initiatief van het Rode kruis en Het Nederlandse Blindenwezen. In september 1935 wordt door prinses Juliana de school voor geleidehonden in Amsterdam geopend. Honden die opgeleid worden zijn honden uit het asiel, politiehonden die niet agressief genoeg zijn of ook wel afdankertjes van particulieren. Vaak zijn het herdershonden. Voor Gerrit komt de geleidehondenschool precies op tijd. Hij heeft het gymnasium voor blinden in Marburg met zeer goed gevolg afgerond en wil in Leiden gaan studeren en daarbij zal een hond een enorme steun zijn. Dat hij volop meedoet aan de samenleving blijkt wel uit een krantenbericht uit die tijd. Het koor ‘Looft den Heer’ geeft een uitvoering in het net gerestaureerde Rehoboth. Met de aankondiging dat er maar liefst 5 solisten uit Lisse aan meedoen. Eén daarvan is dhr. G.vd Meij, net met vakantie in Nederland. Hij speelt onder meer de Sonate Pathétique van Beethoven.
Op het aanvraagformulier voor de hond schrijft vader van der Meij nog als toelichting: ”………dat mijn zoon Gerrit zijn rechter oor volkomen normaal is, echter kan hij met zijn linker oor niets opnemen, zoodat Gerrit zijn geleidehond liefst aan de linkerzijde zal hebben”. Wat zal Gerrit gelukkig zijn geweest met het bericht dat er een hond beschikbaar komt. In dossier 51 zit voorin een lijst met de honden die Gerrit gehad heeft. Bij de eerste hond Bertha staat 33. Ook de andere honden, behalve de laatste, hebben een nummer en de nummers zijn oplopend. Zou het kunnen zijn dat Gerrit de drieëndertigste hond van de school krijgt. We hebben het niet kunnen verifiëren, maar dat er toen nog weinig geleidehonden afgeleverd waren mag duidelijk zijn. Er volgt voor hond en baas een week training in Amsterdam en daarna krijgt Gerrit zijn eerste herdershond, Bertha dus. In die tijd was men natuurlijk helemaal niet gewend aan een geleidehond. Dus plaatst Gerrit oproepen in de krant om de mensen er op te wijzen geen hulp te bieden bij het oversteken. Hij stelt ‘..deze hulpvaardigheid, hoe goed ook bedoeld, is voor den hond zeer ongewenscht……’

Gewend aan honden

Gerrit van der Meij met zijnhond Bertha

Gerrit woont in 1936 op Veldhorststraat 28. Thuis hebben ze een hond als gezelschapsdier. Op diverse jeugdfoto’s zie je Gerrit met een hond. Om als blinde goed met een geleidehond om te kunnen gaan moet je de omgeving aardig in je hoofd hebben. Om dat te bereiken dankt hij veel aan zijn ouders. Vader van der Meij ontwerpt op een plank een prachtige plattegrond (zie binnenkant omslag), waarop hij de wegen aangeeft met soldeertin, de belangrijke huizen met kopspijkers aanduidt en de vaarten worden uit gegutst. Gelukkig heeft Gerrit ondanks zijn handicap een uitstekend ruimtelijk geheugen en is hij in staat om met Bertha lange wandelingen te maken. Omdat hij de omgeving goed kent laat hij Bertha vaak ook los lopen. Maar Bertha is dan niet altijd betrouwbaar. Wanneer in april 1943 Bertha gestorven is schrijft hij daarover naar het fonds “dat Bertha wel eens valsch is tegen vreemden en zij heeft meermalen een broek stukgescheurd”. In diezelfde brief schrijft hij “Ik ben altijd trotsch geweest op mijn woonplaats: Hier was meer natuurschoon dan in elke andere der omliggende plaatsen. Ik kon de bijzonder mooie plekken zo voor den voet op noemen. Eigenaardig genoeg, dat zie ik nu achteraf, waren het uitsluitend de plaatsen, waar Bertha bijna nooit vast liep, waar wij uit vrijen wil samen opliepen. Die plaatsen waren wel zoo mooi: Bosch, bouw- en weiland wisselden elkaar daar af en dat zag ik net zoo goed voor mij als ieder ander. En nu kom ik tot de ontdekking, dat ik eigenlijk me verbeeld heb, dat natuurschoon te zien. Ik heb het heelemaal niet gezien. Wat alles glans gaf, dat is alleen maar Bertha geweest”. Het is wel duidelijk hoeveel een geleidehond voor hem betekent. Het is veel meer dan de mogelijkheid om zelfstandig te functioneren. Het is vooral ook levensgenot. Gerrit wil graag weer een geleidehond, liefst weer een herder. Hij moet ook in de stad kunnen werken, want daar moet Gerrit voor zijn wiskundestudie aan de universiteit naar toe. Vader van der Meij heeft met soldeertin en kopspijkers ook van Leiden en Amsterdam plattegronden gemaakt, net zoals die van Lisse, zodat Gerrit ook daar zijn routes met de hond goed kan vinden. Gerrit beseft dat het moeilijk is om in die tijd, in de oorlog, aan een nieuwe geleidehond te komen. Hij schrijft naar het Geleidehonden Fonds “Wij zullen hier zelf ons best doen een hond te vinden.

Het zoeken naar een hond in de oorlog.

Uit de brieven naar het Geleidehonden Fonds blijkt dat Gerrit dan woont op Stationsweg 158 (nu Von Bonninghausenlaan 56). Dat is villa Veldhorst, het huis dat al werd gebouwd voor de opa, naar wie Gerrit vernoemd is. Het huis ligt zelfs nog iets dichter bij het bos waar hij zo graag wandelt.  In de oorlog was het houden van honden natuurlijk niet makkelijk. Bovendien zijn geleidehonden grote honden en dus ook grote eters en er was al gebrek aan voedsel. Voor geleidehonden zijn er speciale brood- en rijstbonnen. Het is dus heel moeilijk voor de school om aan geschikte honden te komen. Vandaar dat Gerrit actief op zoek gaat naar een hond. Voor zich zelf of eventueel voor een ander. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over Kazan en Trixy die, blijkbaar na actief speurwerk door Gerrit, bekeken zijn door iemand van de organisatie. Kazan komt uit Haarlem, maar zijn baas kan geen voer meer voor hem krijgen. En Trixy is oorspronkelijk een regimentshond uit Duitsland die Truus Duivenvoorde wel wil afstaan voor een opleiding tot geleidehond. Truus heeft de hond de naam Trixy gegeven, oorspronkelijk heette de hond Rex. Ook vertelt Gerrit dat ze naar boeren in Friesland en Drente hebben geschreven om daar naar geschikte honden uit te zien. Ze kennen de boeren omdat die in de mobilisatietijd in Lisse soldaat waren en vaak bij hun koffie kwamen drinken. In augustus van hetzelfde jaar meldt Gerrit aan de school dat de heer Van Schoten zijn hond aan de school wil af staan, maar dat hij eerst nog een nest jongen wil hebben. In oktober is er weer een brief waaruit blijkt dat Gerrit driftig op zoek is naar geschikte honden. Dat het moeilijk is om geschikte honden te krijgen blijkt ook wel uit het feit dat in de begintijd van de geleidehondenschool maar liefs 90 % van de honden uiteindelijk ongeschikt blijkt voor het geleidewerk. Voor Gerrit wordt eind 1943 een geschikte hond gevonden: Tonny. Hij schrijft over haar: “Hier in de gemeente kan ik nu weer overal komen. Ook in Hillegom en Noordwijkerhout ben ik al weer geweest. ……..ik ga Tonny ook eens in Leiden laten zien. Het is een weelde vrij te kunnen rondlopen”. In 1946 komt Gerrit nog een keer terug op het probleem om aan honden te komen in de oorlog. Dan vraagt hij of de hond van boer Molenaar bevalt en vertelt meteen hoe spannend hij het zoeken naar geschikte honden heeft gevonden. De geleidehondenschool meldt terug dat de hond goed bevalt, dat er gelukkig meer honden zijn, maar dat de oorlogssituatie nog hinderlijk nawerkt.

Het noodlot slaat weer toe

In januari 1945 wordt Gerrit weer getroffen door meningitis. Gevolg daarvan is totale doofheid en bovendien het verlies van het evenwichtsgevoel. Communicatie is eigenlijk niet mogelijk, maar vader van der Meij maakt meteen een alfabet-kaart. Op het deksel van een oud sigarendoosje. Met kopspijkers worden er grote brailleletters op aangebracht, met de corresponderende letter erboven. Vader drukt Gerrit’s handen op het braille alfabet en laat hem zo merken dat er toch gecommuniceerd kan worden. Gelukkig werkt het want al gauw kan met het verplegend personeel ‘gepraat worden’. Langzaamaan komen ook technische hulpmiddelen beschikbaar. De behandelend chirurg, prof. Noordenbos die de oorzaak van zijn ziekte ontdekt, heeft er plezier in en leert in 2 dagen de braille schrijfmachine te gebruiken. In die tijd heeft Gerrit veel aan het devies dat hij mee kreeg van het gymnasium uit Marburg: “er zijn maar weinig lichamelijke handicaps die een mens niet kan overwinnen – als hij maar wil”. Gelukkig heeft Gerrit de juiste mensen om zich heen, maar zelf legt hij zich een ijzeren discipline op van zeer veel oefenen. In mei ’45 komt hij weer thuis. Een immens probleem is het beschadigde evenwichtsgevoel. Met hulp van zijn ouders leert Gerrit weer lopen, maar hij heeft zijn geleidestok meer nodig als steun dan als oriëntatiemiddel. Op 3 augustus wordt de eerste naoorlogse verjaardag van koningin Wilhelmina gevierd. Heel Lisse viert feest en iedereen dompelt zich onder in de feestvreugde. De Stationsweg en de Veldhorststraat zijn leeg want de feestelijkheden zijn in het centrum. Een mooie gelegenheid om stiekem toch even met Tonny te gaan lopen. En wat blijkt. Tonny wordt niet zenuwachtig van het vreemde lopen van Gerrit. Tonny heeft dan 7 maanden geen geleidewerk meer gedaan, maar verleerd is ze het allerminst. Het is Gerrit zelf die weer opnieuw moet leren met een hond te durven lopen. Gerrit is bang dat hij, omdat hij het zelf niet kan horen, de bevelen aan de hond niet goed geeft, maar ook dat blijkt mee te vallen. Bovendien valt hem op dat hij ondanks zijn 3 dubbele handicap toch nog bepaalde herkenningstekens onderweg kan ontdekken, zoals straathoeken en garage uitritten. Dit is natuurlijk fantastisch en Gerrit besluit veel te gaan oefenen. Met succes. Een half jaar later waren de meeste wegen in het dorp en omgeving weer goed te doen. Het vele wandelen heeft nog een positief effect: het lopen zonder goed functionerend evenwicht wordt steeds beter. Oefening baart kunst. De hond brengt nog een positief effect. Gerrit praat, hoewel hij het zelf niet kan horen, veel met de hond. Door steeds te blijven praten boet je niet zo gauw in aan verstaanbaarheid. Van Ludwig Cohn, een vluchteling uit Duitsland, leert hij het Lorm alfabet. Zijn ouders blijven de voorkeur geven aan het apparaatje met de 6 toetsen waaruit braillepunten omhoog komen. Daar zijn ze totaal vertrouwd mee geraakt. Maar wanneer je Lorm goed beheerst is de snelheid van een gesprek praktisch gelijk aan dat van een gesprek met horenden. Omdat Gerrit gewoon terug praat is een gesprek met Gerrit heel natuurlijk. Gerrit promoveert in ’46 . Eind ’47 krijgt hij van PTT een elektrische communicatie machine, die zijn mogelijkheden nog weer sterk vergroot.

Gerrit laat de hond graag los lopen. Dat deed hij met Bertha al, ook niet altijd zonder problemen, maar toen kon hij tenminste nog horen. Hij vindt dat loslopen zelf ook prettig als oefening voor zijn evenwicht en ook Tonny gunt hij dat graag. Maar op een kwade dag blijkt Tonny een motorrijder gegrepen te hebben. Gerrit hoort, noch ziet er iets van en reageert dus helemaal niet. De boswachter (van Keukenhof) heeft het toevallig zien gebeuren. Gerrit bekent de geleidehondenschool wat er gebeurd is en vraagt daarom de geleidehondenschool om hulp. Het advies luidt onomwonden: houdt haar vast langs alle wegen. In zijn latere leven en ook met andere honden doet zich hetzelfde probleem voor. Gerrit loopt graag alleen terwijl de hond los loopt. Maar steevast gaat het fout. Door zijn dubbele handicap kan hij zijn hond toch niet voldoende onder appel houden. Lisse krijgt in de naoorlogse periode veel nieuwe straten die Gerrit met de hond verkent. Dat blijkt prima te gaan. De zus van Gerrit heeft een hond die Robbi heet. Ze woont in Hillegom. Tonny is blijkbaar erg gesteld op Robbi (of op de koektrommel van zijn zus, veronderstelt Gerrit). Wanneer hij zegt: “Gaan we naar Robbi toe” dan hoeft Gerrit verder geen commando meer te geven, maar komt met een uur op de goede plek in Hillegom aan.

Keukenhof

Gerrit wandelt heel veel. Dat was hij al gewend uit de tijd dat hij nog kon horen. Hij wandelt vaak met zijn vriend, Mart Steenland, (een van de eerste professoren en daarmee een van de kwartiermakers van de technische universiteit Eindhoven), in het Keukenhofbos (Zandvliet). Dat is in die tijd echt alleen het privéterrein van de Van Lyndens. Op een keer ontmoet Gerrit gravin van Lynden. Zij is zo genereus om Gerrit toe te staan om op het landgoed te wandelen. Gerrit vertelt maar niet dat hij dat al heel vaak illegaal doet. Wanneer Gerrit in ’55 trouwt draagt vriend Mart een gedicht voor waarin dit leugentje nog eens wordt aangehaald: –De Graaf nam ons zelf mee naar Zandvliet, Zei: “Ik sta toe dat ge voortaan hier rondziet.” Wij hielden ons dom, Maar lachten ons krom, Want we kenden al lang, wat hij zien liet. –Januari 1950 meldt Gerrit aan de geleidehondenschool “…. ….het verkeer zal hier in het voorjaar ongekend sterk gaan toenemen. Men is namelijk bezig een groot bloemenpark in te richten in het Lisser bos. De toegangswegen en in het bijzonder de Stationsweg moeten verbreed en verbeterd, het station opgeknapt, nadat het jaren lang buiten dienst is geweest voor personenvervoer……..het zal voor de buitenlandse deviezen uitstekend geschikt zijn, maar voor mij zal het op zijn minst een flinke last worden.” Het is goed om nog even naar de mooie kaart van Gerrit’s vader te kijken om je te realiseren hoe landelijk het in die tijd nog was en dat al het verkeer door de Stationsweg kwam. In maart meldt Gerrit weer opgebroken wegen vanwege Keukenhof, maar ook dat de tramrails opgebroken worden omdat er een autobusdienst komt. Wanneer de bloemententoonstelling open gaat wordt het veel drukker in de Stationsweg waar Gerrit woont. Eind mei meldt Gerrit dat het wel heel druk is geweest, maar dat de hond en hij het toch aardig aankonden. Bovendien stond er op drukke tijden een verkeersagent op de kruising bij de Heereweg.

Voor de Geleidehondenschool

In oktober 1951 meldt Gerrit dat zijn vader wat bloembollen aan de school geeft. Het voorjaar erop staat in een brief te lezen hoe mooi de bollen in bloei staan. ’s Zomers worden de bollen verhandeld. Gerrit loopt dan langs de veiling en merkt op hoe mooi Tonny hem langs vrachtauto’s loodst die geladen of gelost worden. Het Geleidehonden Fonds is afhankelijk van giften. Daarom vraagt Gerrit propagandamateriaal voor de scholen in Hillegom en Lisse. Ook oud papier wordt ingezameld voor dat doel.

Verhuizing

Veldhorststraat en Stationsweg 1928 Vooraan villa Veldhorst met bollenschuur

Sinds 1952 heeft Gerrit een baan als programmeur bij de PTT. Bovendien is hij inmiddels verloofd, dus het gaat hem prima. Programmeerwerk is geheel nieuw in die tijd en door de nieuwste technieken, zoals de brailletelefoon, kan hij dat thuis doen. Een wandeling door het bos is voor Gerrit ideaal om over puzzels voor het werk na te denken. Gerrit is zeer begaan met de geleidehondenschool. Hij is er dan ook bij wanneer er voor de opleiding van pups een vooropleidingsschool op de Middenweg wordt geopend. Wanneer zijn eigen hond ruim 12 ½ jaar oud is, schrijft hij hoe goed het nog gaat: “We lopen met gemak naar brievenbus en kapper enz. en maken onze dagelijkse wandeling in en nabij Keukenhof”. In 1954 verhuist familie van der Meij weer van Stationsweg 158 (villa Veldhorst) naar Veldhorststraat 28. Daar hebben ze vroeger (tot 1942) ook gewoond. Het huis ligt iets gunstiger omdat Gerrit dan, zonder hulp van anderen, het bos kan bereiken. Gerrit schrijft het fonds: “Het land hier was vroeger van boer Veldhorst. Later kwam het in het bezit van onze zaak en werd tenslotte bouwgrond, vandaar de naam Veldhorst”. In nov. 1954 legt Gerrit een probleem aan het fonds voor. Hond Tonny is dan 13 jaar, maar kan eigenlijk niet goed meer werken. Vader is onlangs overleden en ze zijn net verhuisd. Gerrit heeft trouwplannen dus er moet gespaard worden en dan is de aanschaf van een hond van fl 350 eigenlijk te veel en zou zo lang mogelijk uitgesteld moeten worden. Maar hij heeft wel een hond nodig en het zou het beste zijn om die in zijn nieuwe woonplaats pas te krijgen. Want ze gaan meer in het oosten wonen. Hier wordt het toch wel erg druk en lastig om vrij te wandelen. Maar hond Tonny weg doen is natuurlijk uitgesloten. En twee grote honden in huis is wel bezwaarlijk. Toch gooit hij maar vast een balletje op over een volgende geleidehond. Antwoord van het fonds: geen zorgen over betaling.

Toch nieuwe hond.

Via de huisvestingsdienst van PTT wordt dus gezocht naar een woning meer in het oosten. Dat is nog niet zo eenvoudig, want Gerrit moet werkruimte thuis hebben en zijn boeken en elektrische apparatuur beslaan al een hele kamer. Naar het fonds meldt Gerrit “Het verkeer wordt steeds drukker en in het voorjaar is het hier een halsbrekende tour.” Het ziet er naar uit dat een woning in Amerongen kans van slagen heeft. Wanneer je trouwt wordt de kans op een woonvergunning groter. In december ’54 trouwt Gerrit met Suus. Zij is verpleegster in Rotterdam en hij heeft haar leren kennen omdat zij voor hem brailleerde. In jan ‘55 wordt de woonvergunning in Amerongen verkregen. De woning is nog niet klaar en ze weten dan ook nog niet precies welk huis ze krijgen. Suus blijft nog in Rotterdam als verpleegster en Gerrit blijft in Lisse wonen en werken. Van het geleidehonden Fonds horen ze al voor hun huwelijk dat een te zoeken nieuwe hond het huwelijksgeschenk wordt van het Geleidehonden Fonds. Nog steeds maakt Gerrit dagelijks wandelingen met hond Tonny. Ook bijvoorbeeld naar de tandarts kan Tonny hem nog goed geleiden. Maar Ton wordt doof. Ze merken dat ze niet meer reageert op achteropkomende bromfietsen. Intussen bereiden ze zich voor op Amerongen. Ze gaan er dikwijls heen en oefenen dan systematisch de straten. De zus van Gerrit past een plattegrond van de boekwinkel voor Gerrit aan door wegen met een naaimachine op de kaart te naaien. Suus borduurt op die manier een plattegrond van Amerongen zodat de straten op voorhand bekend zijn. In april vraagt Gerrit of er al begonnen is aan de dressuur van zijn toekomstige hond. Maar de gezochte hond voor Gerrit blijkt er nog niet te zijn. Een nieuwe geleidehond vinden is een hele toer, vooral ook omdat Gerrit een 3 dubbele handicap heeft. Het Fonds stelt een dog voor. Maar de tijd begint te dringen want er is altijd nog een periode nodig om de hond op te leiden. Gerrit laat het Fonds weten: “Liever middelmatige hond dan maanden wachten op geniale hond.”

Het certificaat van Tonny

Een paar dagen voor verhuizing naar Amerongen, op 9 juni, sterft de trouwe hond Tonny. En dan komt in Amerongen de vraag of ze naar Amsterdam willen komen. Voor een tijdelijke oplossing wat mogelijk de oplossing is. Die tijdelijke oplossing wordt een blijvertje. Half september komt Cita, hond nr. 1086. Op 22 september schrijft Gerrit aan het bestuur van de Kon. Ned. Geleidehondenschool: ”Op het ogenblik dat ik deze brief aan u schrijf, om u voor het geschenk te danken dat het geleidehondenfonds mij n.a.v. mijn huwelijk gaf, ligt het bedoelde geschenk naast mij te slapen………  Cita voelt zich bij ons al volkomen thuis…”

Zijn leven na Lisse

Het bestek van dit Nieuwsblad is te kort om uitgebreid op de volgende 47 jaar van het leven van Gerrit van der Meij in te gaan. Een hond heeft Gerrit nodig om aan de maatschappij mee te kunnen doen, om te kunnen “zien en horen”, om de problemen met het evenwicht in balans te houden, om zelf goed te blijven spreken en bovenal als maatje. Na Tonny volgen nog Wenny, Edith , Happy en Rayah. Behalve Rayah allemaal herders. Tegenwoordig heeft men bij het Blindengeleidehonden Fonds eigen fokprogramma’s. In 1986 werd de laatste “straathond” afgeleverd. Herders zijn zeldzaam geworden als geleidehond. In de loop der jaren heeft Gerrit van der Meij diverse toespraken, in verschillende landen, gehouden waarin hij zijn bijzondere levensloop belichtte. Hij benadrukte steeds hoe blij hij was met zijn honden en met de kansen die hem geboden zijn en het geluk dat hij heeft gehad een gezin en liefhebbende, trouwe mensen om zich heen te hebben. Dat zal hij zeker ook verdiend hebben aan zijn eigen inzet. Reclame maakte hij altijd voor het Geleidehonden Fonds en bij werd nooit moe om te benadrukken hoe een hond van die organisatie de gebruikers een hoop kansen en levensvreugde zou schenken. Want, om Gerrit van der Meij nog een keer te citeren: “…dat het tot ’s mensen grootste goed behoort zich een doel in het leven te stellen en te proberen dat doel te bereiken, en tevens dat het van het grootste belang is om zich nuttig te voelen in het leven en om verantwoordelijkheid te dragen………”

Bronnen

Voor het artikel over Gerrit van der Meij is naast de gegevens uit het archief van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds, beschikbaar gesteld door mevr. van der Meij, ook gebruik gemaakt van gegevens uit het boek “De geleidehond. Een vriendschap die ergens toe leidt” van Irma Metzger.