Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

“Welbedrogen”, een drama in vier lettergrepen

Een bloembollenschuur aan de Heereweg heet Welbedrogen .Schuur, huis en grond werden begin 1900 gekocht door Nieuwenhuis. Hij kon het echter niet betrekken, omdat het pand bewoond werd door Rutger van Zanten. Hij was niet te bewegen om te vertrekken. De pacht werd afgekocht, vandaar de naam Welbedrogen.

Villa Somalo 1914

Lisse Toen: Sigaar op het werk? Op het matje! controleren

Door afzanding van de binnenduinen zagen steeds meer landbouwers in Lisse brood in de bollenteelt. Met name langs de Heereweg verrees het ene na het andere bloembollenbedrijf met prachtige bollenvilla’s. De werknemers hadden niet veel rechten.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

De bloembollenteelt in Lisse stamt van begin 1800.Langzaam werd de teelt uitgebreid, hetgeen mede mogelijk werd door de afzanding van de Binnenduinen. Ook zagen meer en meer landbouwers brood in de bollenteelt, niet in het minst omdat ze constateerden dat het de bollenmensen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden.

Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend voor de hyacintencultuur geschikt waren, ofschoon de beoefenaren van het vak uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover dat, wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die ten gevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van ‘Lissers’.
Het ging de ‘nieuwe kwekers’ ondanks de na-ijver evenwel voor de wind. Met name langs de Heereweg verrees het ene grote bloembollenbedrijf na het andere, veelal samen met prachtige ‘bollenvilla’s’. En natuurlijk een flinke koppel personeel op de kwekerij. Bloemistknechts, die het qua pegulanten heel wat minder royaal hadden dan hun patroons. En mocht het er dan eens op lijken dat er eentje in goeden doen was omdat hij vanwege bijvoorbeeld een bepaalde feestelijkheid met een sigaar in het hoofd op het werk verscheen, dan liep deze de kans op het matje geroepen te worden en opgemerkt te krijgen, dat gezien de sigaar ook de knecht kennelijk in goede doen was en opslag dus wel kon vergeten.

 

 

Villa Somalo 1914

Samalo is één van de gemeentelijke monumenten en van oorsprong een bollenvilla.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

LISSE TOEN: OVERWERKEN VOOR TWAALF CENT PER UUR

De werkomstandigheden van bloemistknechten rond 1914 worden besproken. Er waren zeer lange werkdagen van 6.00 uur tot 17.00 uur.

door Arie  in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

De oprichting van de arbeiders­organisaties deed ook in de bollenstreek de nieuwe tijd de intrede. Weliswaar veranderde er aanvankelijk niet veel en was de invloed van de organisaties zeer gering, doch in 1914 had men de eerste etappe achter de rug. Nu was het in 1914 ondanks de oorlog trouwens al heel wat beter gesteld dan in de laatste jaren van de negentiende eeuw. In Haarlem en omgeving bijvoorbeeld, werd het als iets minderwaardigs beschouwd als men moest bekennen een ‘bloemistknecht’ te zijn. Toen vluchtten vele jonge­mannen uit het bollenbedrijf. Naar de spoorwegen, of ze werden brugwachter of nachtwaker en dan nog verdienden ze nauwelijks meer dan in de bollen. In Haarlem, Overveen en Heemstede was het droevig gesteld.

Werken van 6.00 tot 19.00 uur

Men weigerde daar zelfs om aardappelland aan de arbeiders beschikbaar te stellen, hetgeen in Hillegom en Lisse vrij algemeen geschiedde. De normale arbeidsdag was toen van ‘s morgens zes tot ‘s avonds zeven uur, voorzover het daglicht dit toeliet. In de praktijk kwam het erop neer dat de arbeider meestal verplicht was vanaf half juni twee uur per dag over te werken. Daarvoor werd dan een dubbeltje of twaalf cent per uur extra uitbetaald. In Lisse, Sassenheim en Hillegom betaalde men gedurende acht/ negen maanden per jaar ƒ 7,= tot ƒ 8,= per week.

Te voet

En voor dat loon konden ze net zoveel arbeiders krijgen als ze wilden, want in Noordwijk, Noorwijkerhout en Voorhout betaalde men zelfs nog minder! Het spreekt overigens vanzelf dat men te voet naar het werk ging. Slechts een enkeling beschikte over de rijkdom van een rijwiel, leder ander moest lopen.

En dat betekende dan dat je vroeg van huis moest, want je had er maar voor te zorgen dat je op tijd bij de baas aanwezig was! En op tijd was in de zomermaanden vijf uur ‘s morgens. De ‘knecht’ moest soms zes kilometer of meer tippelen en ging dus ‘s morgens ver voor vieren van huis. ‘s Avonds om zeven uur maakte hij hetzelfde ‘ritje’ weer terug.

Het planten van narcissenbollen in vroeger tijden, toen alles nog met de hand gedaan moest worden. Voor elke cent per uur mee moesten de bloemistknechts knokken, foto: Arie in ‘t Veld

Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht

Post

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

In de eerste helft van oktober 2003 verschijnt bij uitgeverij Primavera Pers in Leiden ‘De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht. Landschap, leven en werken omstreeks 1800.’ Dit rijk geïllustreerde boekwerk vult een gapende leemte: eindelijk is daar de handzame en leesbare historische overzichtstudie van de streek tussen Haarlem en Leiden die door haar bollen en bloemen zo beroemd is in binnen- en buiten­land. Verschillende auteurs schrijven over landschap, agrarisch bedrijf, architectuur, middelen van bestaan, kerkelijk leven en beroemde bewoners en bezoekers van de streek. Prijs € 13,50. Hillegom, Reinout Rutte, secretaris Cultuur Historisch Genootschap.

Villa Somalo 1914

Eendenbuurt

Post

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Eendenbuurt

Het gedeelte van de Heereweg dat ligt tussen Uitvaartverzorging Van der Putten en de Nassaustraat/Keukenhofdreef werd vroeger de Eendenbuurt genoemd. In de herenhuizen die daar stonden woonden de zogenoemde bollenreizigers die hun werkgebied in Amerika had­den. Vanuit Amerika namen deze handelsreizigers schoenen mee in de kleur geel. Deze werden dan ook in Lisse gedragen. Spoedig werd het aangeduide stukje van de Heereweg omgedoopt in de ‘Eendenbuurt’.

T. van Wieringen – e-mail

Eendenbuurt 2

De Eendenbuurt in Lisse waren de huizen tegenover de Nieuwstraat vanaf Van der Putten richting dorp tot aan de huizen tegenover de Julianastraat. Deze buurt heette zo, omdat er in de jaren twintig van de vorige eeuw bollenreizigers woonden. Zij gingen op reis naar Amerika en kwamen met zeer moderne schoenen terug. Deze schoe­nen waren licht geel, wat sterk aan eendenpoten deed denken. Deze buurt werd snel de Eendenbuurt gedoopt.

Corrie Grimme – e-mail

GROENE KRUIS IN LISSE HONDERD JAAR JONG

Het Groene Kruis in Lisse bestaat 100 jaar. Naar aanleiding hiervan is er een expositie in de bibliotheek. Pipetten, canules, borstkolven,katheders, ondersteken, enz. Een compleet ziekbed met patiënt en verpleegster is te zien. Dokter Blok stichtte in 1903 het Groene Kruis in Lisse. De kruisvereniging was initiatiefnemer om waterleiding in Lisse aan te leggen. In 1910 zijn berekeningen gedaan om te onderzoeken wat een waterleiding van Haarlem naar Leiden zou kosten. Na de eerste wereldoorlog is de aanleg begonnen.

door Ine Elzinga   

Fotografie: Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Piëta Bouwman ligt de wijkverpleging na aan het hart. Zij exposeert bijzondere collectie in Openbare Bibliotheek. Haar eigen loopbaan in deze vindt ze niet belangrijk, maar legt wel de basis voor haar interesse in de geschiedenis van het vak. Ze werkt midden twintigste eeuw in de volkswijken van Rotterdam, later op het platteland in de Achterhoek waarna ze voor lange tijd naar Afrika gaat. Terug belandt ze in Wassenaar en in 1991 in Lisse in de Wilhelminastraat: ‘Daar bemerkte ik dat er veel spullen bewaard waren, maar er werd niets mee gedaan.’

Piëta Bouwman zegt: ‘Ik vind het heel belangrijk de materialen van vroeger te bewaren . Het is een herinnering aan de tijd dat de mensen heel solidair met elkaar waren’ Piëta heeft een ziekenfondsbril uit 1920 op haar neus gezet.

Dat was het begin van haar verzameling: ‘Ik vroeg en kreeg toestem­ming om in een opslagruimte van de Valent/RDB, mijn werkgever, een verzameling aan te leggen. Ik vind het heel belangrijk dit te bewaren als herinnering aan de tijd dat de mensen heel solidair met elkaar waren en hard werkten om een goede gezondheidszorg van de grond te krijgen. Er is in een relatief korte tijd ontzettend veel veranderd.’ Het is op 19 augustus 2003 honderd jaar geleden dat Het Groene Kruis in Lisse door dokter D. Blok werd opgericht. Piëta Bouwman werkt aan een expositie met dit thema die eind augustus gepland is in de Openbare Bibliotheek. Niet alleen zullen er uitleenmaterialen te zien zijn. Zij hoopt ook vitrines in te kunnen richten met de oude documenten die ze in Lisse vond.

Dokter D. Blok neemt in 1903 het initiatief om in Lisse een Groene Kruisvereniging op te richten, samen met onder anderen M.de Graaf en F.G.M. Haase. Een belangrijke doelstelling van de vereniging is het voor­komen van ziekten ‘door het opsporen en ter kennis brengen van gemeentebestuur en publiek van invloeden, die de gezondheid der ingezetenen kunnen benadelen en de bevordering van reinheid en ontsmetting.’

 

1903: Dokter Blok sticht Groene Kruis in Lisse

Rond 1900 heerst er enorm veel armoede, de hygiëne is volstrekt onvoldoende. In 1875 heeft de inspecteur van de volksgezondheid, de heer Penninck, in dienst van de regering in Noord-Holland een Witte Kruis vereniging opgericht. Die heeft aanvankelijk vooral tot taak veel voorkomende ziekten als cholera, tyfus en tbc te bestrijden. Het zal vijfentwintig jaar duren voordat kruisverenigingen in andere provincies worden opgericht. Huisarts W. Poolman, bekend met het Witte Kruis, besluit spoedig na zijn vestiging in het Zuid Hollandse Lange Ruigweide iets dergelijks op te zetten. Poolman wint 97 dorpsbewoners voor zijn plannen en op 3 november 1900 heeft Zuid Holland de eerste Groene Kruisvereniging. In 1903 richt dokter B. Blok in Lisse het Groene Kruis op. De verzuiling slaat toe. De katholieken richtten in 1916 het Wit-Gele kruis (de pau­selijke kleuren) op, de protestanten veel later in 1946 het Oranje Groene kruis. Pas in 1980 wordt het kruis ‘ontkleurd’, het kruiswerk is overgebleven.

Urinalen, linnengoed, krukken        

Een heel klein deel van de Bouwman-collectie. Van links naar rechts: een trechter, een verbindingsstuk, een borstkolf, een borstglas (werd gedragen onder de bh om weglekkende moedermelk op te vangen), een irrigatiecanule en een katheter.

De notabelen worden benaderd om geld in te zamelen en de bevolking kan voor enkele centen per jaar lid worden. Allereerst worden verpleegartikelen aangeschaft om uit te lenen. Te denken valt daarbij aan urinalen, krukken, was-kommen en linnengoed. Het eerste magazijn voor uitleenmaterialen is bij mevrouw Van der Veld thuis. Later stelt P.de Vries een deel van zijn woning ter beschikking. Het aantal artikelen groeit. Mejuffrouw C. Scheepmaker die ver­volgens het magazijn beheert, gebruikt zelfs een hooizolder om ligstoelen en ledikanten te bergen. Dat is lastig, omdat men er in het donker niet goed bij kan. In 1923 gaat men in gesprek met de gemeente. Er moet een eigen gebouw komen, het liefst een stenen gebouw met wijklokaal. En een ijskelder. Piëta Bouwman: ‘Een ijskelder was heel belangrijk. IJs werd gebruikt bij iedere ont­steking, er waren nog geen antibiotica. Het ijs werd ‘s winters uitgehakt en zo koel mogelijk bewaard, in dubbelwandige ijskisten. Veel kastelen hadden ijskelders. Later kwamen er ijsmachines, maar die waren erg duur.’ De activiteiten van een speciaal in het leven geroepen commissie leidt in 1927 tot de oprich­ting van de aparte Stichting Wijkgebouw Lisse en er komt een gebouw, waar­schijnlijk in de Wagenstraat. Bouwman hoopt dat iemand weet waar het precies was.

Lighalcommissie

Het Groene Kruis is op veel terreinen actief. In 1920 ontvangt de lighalcommissie een subsidie van het gemeentebestuur van maar liefst f 2000,-: ‘Een lighal werd gebruikt voor tuberculose patiënten. Veel Groene Kruis-gebouwen hadden zo’n ruimte bij het wijkgebouw. Je ziet nog wel eens boerderijen die een soort achtkantige glazen uitbouw hebben, dan weetje, daar heeft vroeger een tbc-patiënt gekuurd.’ Het Rooms Katholiek Armenbestuur heeft aan de Schoolstraat een terrein van 50 roeden (l roede is 14 vierkante meter) beschik­baar voor tenminste vijfjaar. Er is f 1700,- nodig om het op te hogen. In juli 1921 wordt het werk aanbesteed. In het jaarverslag over 1923 staat te lezen dat men inmiddels al 25 patiënten heeft ontvangen waarvan er ‘ 13 verbeterd zijn ontslagen’. Men is erg blij met het goede werk dat de eerwaarde zusters van de Rooms Katholieke wijkverpleging verrichten. Bouwman vertelt dat er rond 1850 al door katholieke groeperingen aan ziekenzorg werd gedaan: ‘Maar daar heb ik niets van op papier, ik beschik alleen over de notulen van kruisverenigingen.’

Welgestelden in Klasse I                                                 
Enthousiast bladert ze in de stapel vergeelde, soms getypte, maar meestal met de hand geschreven documenten: ‘Eigenlijk zou ik handschoenen moeten dra­gen. Kijk hier eens wat leuk, een lijst van namen van mensen die in 1912 lid waren van het Groene Kruis. Er waren drie klassen. In klasse I, de welgestelden en donateurs, betaalde een gezin tussen f 5,- en f 25,- per jaar, in klasse II van f  1- en f 5,- en klasse III waren de minvermogenden. Dat waren er in 1912 respectievelijk 29, 220 en 40, voor het jaar 1911 staan in dezelfde volgorde 47, 217 en 35 leden genoteerd.’ Maar voor een goede zorg is er ook in die tijd onvoldoende geld. Het Groene Kruis organiseert allerlei activiteiten om de pot te spekken, zoals oliebollen bakken, fancy fairs en men krijgt geld van de Emmabloemcollecte. In 1911 brengt deze f 11,84 op, in bet meer succesvolle 1912 f59,08: ‘De Lissese collectanten waren zeer actief en collecteerden zelfs in Nieuw Vennep. Dat werd ruzie toen de Noord Hollandse collectanten voor het Witte Kruis op hun beurt ook in Lisse langs de deuren gingen. Men diende elkaars grondgebied te respecteren!’

Ze geniet van het taalgebruik in de oude documenten: ‘In dit stuk wordt er gemopperd over de manier waarop de mensen met de uitleenmiddelen omgaan.

In een rubberen IJszak mogen geen grote stukken ijs worden fijngeslagen, en bij de windringen, dat waren met lucht gevulde ringen om doorzitten te voorko­men, staat vermeld dat deze niet tegen speldenprikken kunnen! Er is toen besloten dat er voortaan f l,-  staangeld’ moest worden betaald, dat was een soort van borg. Daarna is het beter gegaan.’

Radarbrancard

Overal in het land zijn kruisverenigingen heel actief op een breed terrein om de doelstellingen te bereiken, maar het tempo waarin zaken worden gerealiseerd, is afhankelijk van de gemeentelijke omstandigheden. In 1907 doet in Lisse al een brancard haar intrede, een soort bakfiets waarvan de bak een afneembare brancard is. Vanaf 1908 is er gezinsverpleging, in 1916 wordt kraamzorg gere­aliseerd en kunnen geïnteresseerde vrouwen een bakercursus volgen. Het zal nog tot 1926 duren voordat Lisse een consultatiebureau voor zuigelingen heeft. De gemeente Den Haag opende als eerste in Nederland in 1901 al zo’n bureau. Men is tevreden over het bezoek: ‘De moeders nemen de adviezen ter harte,’ staat in een verslag genoteerd.

Drinkwater

Begin twintigste eeuw is er nog geen sprake van waterleiding en riolering. Bouwman: ‘Het Groene Kruis heeft zich ook wat dat betreft ingezet om verbe­teringen aan te brengen.   Het Groene Kruis concludeerde uit zelfgenomen steekproeven met watermonsters uit de regenwaterputten dat de kwaliteit beslist onvoldoende was. In 1910 zijn er voorstellen gedaan om te berekenen wat de aanleg van waterleiding van Haarlem tot Leiden zou moeten kosten., maar er gebeurde niet veel. Pas na de Eerste Wereldoorlog is men aan de slag gegaan. Men was geschrokken van de vele maag- en darminfecties in Lisserbroek ten gevolge van het slechte drinkwater.’ De inhoud van de beerput werd een eeuw geleden evenals de vuilnis in een open kar met paard vervoerd: ‘De regel was wel dat dit bij windstil weer diende te gebeuren. Pas later vervoerde men de fecaliën in een afgesloten wagen naar een ommuurd terrein. Uit stukken van 1928 blijkt dat dit vervoer toen ‘s nachts gebeurde, daags erna kon men aan de sporen die op straat waren achtergebleven, nog wel nagaan wie er met een bezoek van de ophaaldienst was vereerd.’

Solidariteit

De verworvenheden van vandaag zijn in belangrijke mate gebaseerd op de breed gedragen solidariteitsgedachte van de mensen onder elkaar en de bijzon­dere inspanningen van de mensen in de gezondheidszorg. Honderd jaar geleden begonnen, zij hebben wat te weeg gebracht.

SCHELM, GUYT, BEEST BLOEDSUYGER! Jakob van Dorp (ca 1663-1746)

Tijdens de restauratie van de grote kerk kwamen van onder de vloer veel grafzerken te voorschijn. Onder ander van Schout Jacob van Dorp (ca 1663-1746). Rob Pex gaat in op de stormachtige loopbaan, die begon in 1683. In 1707 werd hij Scout van Lisse. Vele strubbelingen in Lisse en diverse grondaankopen

door: R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Om hoeveel zerken het precies ging in de Nederlands Hervormde Kerk oftewel de Grote Kerk in Lisse bleef lange tijd onduidelijk. Totdat tijdens de jongste restauratie de houten vloer werd verwijderd en bleek dat zich eigenlijk overal in de kerk wel zerken bevonden! Een zerk die de aandacht trok was gelegen naast de verhoging bij de preekstoel. Een dubbel graf voor de schouten Jakob van Dorp en Jan van der Jagt.

Het opschrift op de steen luidt: grafstede/van den heer/ jakob van dorp/ in zijn leven/ schout en secretaris/ van/ lisse en hillegom / overleden den 3 october 1746/ oud 83 jaren/ en/ van den heer/ jan van der jagt/ in zijn leven/ schout en  secretaris/ van/ lisse en hillegom/ overleeden den 31 december 1762/ oud 57 jaaren.

In dit artikel willen we ingaan op Jakob van Dorp. In een volgend artikel zal ook zijn opvolger als schout en secretaris van Lisse en Hillegom, Jan van der Jagt, aan bod komen.

Stormachtige loopbaan

De loopbaan van Van Dorp neemt een aanvang in 1683. In dat jaar wordt hij benoemd tot notaris. Schiedam was zijn eerste residentie, doch lang is hij hier niet gebleven: reeds in 1685 treffen we hem aan als notaris van het ambacht Nieuwveen. Dit ambt bekleedde hij tot 1693. Vervolgens was hij van 1694 tot 1707 notaris van het naburige Alphen aan den Rijn. Daar het secretaris- en notarisambt dikwijls door één en dezelfde persoon werd bekleed, is het aanne­melijk dat hij in deze jaren tevens als secretaris van genoemde dorpen heeft gefungeerd. Bovendien nam hij ook het schoutambt van Alphen waar voor de jeugdige Adriaan Rosenboom, in welke hoedanigheid hij voor het laatst vermeld wordt in 1711. In de notariëlen van Van Dorp komen vanaf 1688 opvallend veel Lissese inschrijvingen voor. Hieruit mag men concluderen dat hij vanaf dat jaar tevens als secretaris en notaris van Lisse fungeerde.

Schout van Lisse, 1707

In 1704 was schout Pieter van der Codde overleden. Als voorlopig schout werd nu secretaris Jakob van Dorp aangesteld. Uiteraard was het zijn wens dat deze voorlopige benoeming na verloop van tijd in een definitieve zou worden omge­zet. Extra inkomsten waren altijd welkom! Maar daar werd Van Dorp al spoedig in teleurgesteld toen de ambachtsheer, Adriaan de Wael van Vronesteyn, een heel andere kandidaat naar voren schoof: Nicolaas de Graaf. In april 1705 werd hij voorgesteld aan de voorlopige schout en schepenen van Lisse. Al spoedig deden zich allerlei moeilijk-heden voor. Zo had de nieuwe schout de grootste moeite zich in de Lisser dorpszaken in te werken, omdat de secretaris weigerde hem daarover helderheid te verschaffen. De Graaf schrijft later aan de ambachtsheer dat hij het als “een van de grootste quellinge des waerelts” ervaarde door zo iemand verraden te worden. Op 10 augustus had de nieuwe schout de secretaris nog in de rechtkamer (in De Witte Zwaan) “in bijwesen van Burgemeesteren (schepenen) uytgescholden voor een schelm, guyt, beest, bloedsuyger van de gemeente, Judas, Pharizeer, ende diergelijke…!” Ook met het vinden van een woning in Lisse had de schout de grootste moeite gehad. Nee, hij had het niet getroffen met zijn secretaris. Al gauw is schout Nicolaas de Graaf dan ook vertrokken. Hij werd opgevolgd door Reynier Brand. Doch ook deze heeft het in Lisse maar eenjaar volgehouden. Toen kreeg Van Dorp eindelijk zijn zin: hij werd aangesteld tot schout en is dat tot 1746 gebleven. Andere functies die Van Dorp bekleedde waren die van secretaris van het bal­juwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout en schout en secretaris van Hillegom. Met al die ambten had hij het dus maar druk!

Moeilijkheden met de kerkenraad, 1709

Twee jaar na zijn aanstelling tot schout van Lisse doen zich weer nieuwe strub­belingen voor. Dit keer met de kerkenraad. Ds. Velsen vertrok naar elders en er moest een nieuwe predikant in diens plaats worden beroepen. Van Dorp had kans gezien alle kerkelijke aangelegenheden aangaande deze zaak naar zich toe te trekken. De kerkenraadsleden waren pas later gaan nadenken over de gang van zaken en vonden het wel erg vreemd dat de schout hierin zo’n grote invloed had gehad. Al gauw brak er dan ook een discussie los over deze zaak. Van Dorp eigende zich met name het recht toe om de brief op te stellen waarin de ambachtsheer door de predikant op de hoogte werd gesteld van diens beroeping naar elders. De predikant was dus in dit geval ds. Velsen en hij werd beroepen naar Deventer.

De reden waarom Van Dorp zo dacht was simpelweg gelegen in het feit dat het met de voorganger van ds. Velsen (ds. Vonk) ook zo was gegaan! De ware toe­dracht van zaken was echter dat ds. Vonk op een goede dag toevallig de schout tegen het lijf was gelopen en hem gevraagd had of hij binnenkort nog aan de ambachtsheer moest schrijven en of hij hem dan tevens op de hoogte kon stel­len van diens beroeping. Die opdracht had de sluwe Van Dorp natuurlijk met dank aanvaard en nu beweerde hij dus dat het opstellen van een dergelijke brief tot zijn taken behoorde! Zo beweerde hij ook dat hij aanwezig moest zijn bij het opstellen van de beroepingsbrief, waarbij de opvolger van ds. Velsen naar Lisse werd beroepen. Ook hierin had de kerkenraad bij het vorige beroep verkeerd gehandeld door de schout wél aanwezig te laten zijn bij het opstellen van die brief. En zo waren er meer gelegenheden geweest waarin de kerkenraad door gebrek aan kennis en ervaring verkeerd had gehandeld en waar vervolgens Van Dorp handig op had ingespeeld door zich rechten toe te eigenen die hij niet had. Maar het mooiste moest nog komen. Toen de kerkenraad naar de classis toog om goedkeuring te verkrijgen voor de beroeping van de nieuwe predikant, ging ook de bemoeizuchtige Van Dorp mee. In de notulen van de kerkenraad lezen we: “de schout was bij ‘t inleveren van het beroep tegens de sin van de kerken­raad en aller voorgaande gewoontes ook binnengelopen” en werd nu door de classis “nevens de anderen” als kerkenraadslid aangetekend! Hoe het bij latere beroepingen is gegaan, staat helaas niet vermeld. Wellicht hebben de kerkenraadsleden van de gang van zaken bij het vertrek van ds. Velsen en de beroeping van ds. Ruys geleerd. Ja, men kon maar beter voorzich­tiger zijn met zo’n sluwe schout-secretaris in de buurt…

Grondaankopen, 1698-1740

Jakob van Dorp verdiende aardig wat aan de vele ambten die hij bekleedde. Zijn neef, Jakob Krighout, vermeldt in 1746 of 1747 aangaande de “revenuen” van de ambten die zijn oom jaarlijks genoot, “dat onderstelt word, dat se jaar­lijks wel 1500 guldens zouden beloopen hebben”. Hij belegde deze gelden in vele obligaties en in grond. Overal bezat hij wel huizen en landerijen. In Hillegom had hij “Een Huysmans woning genaamd het Huys in’t Veld (…) in de Oostpolder of Zandlanerpolder”, in Voorhout een huis “aan den Heereweg en de Dingsdaagse Schoubare watering” en “onder Alfen” een huis met steenoven in de Steekterpolder. Voorts verscheidene huizen en landerijen in Waverveen, Alkemade, Roelofarendsveen, Nieuwe Wetering, Moordrecht, etc, etc. Ook in Lisse zien we hem na diens aanstelling tot schout in 1707 overal gronden aan­kopen. In 1716 koopt hij “Een Huys en Erve aan den Heereweg in de Poelpolder tegen over de Parochiale kerk in Lisse”. Het was een vrij ruime woning, want hij betaalt er in de verponding (belasting) van 1725 het bedrag van 6 gulden en 3 stuivers voor, terwijl het meest gebruikelijke bedrag voor een doorsnee woonhuis ongeveer l of 2 gulden was. Het blijkt te gaan om de bui­tenplaats Mossenhof. Zo’n huis midden in het dorp gelegen, was voor de schout natuurlijk bijzonder aantrekkelijk. Mogelijk heeft Van Dorp het buiten dan ook zelf bewoond. Ook Willem Jakobus Sennepart (schout van 1763 tot 1777) bewoonde “het lustig Mossenhof”, zoals Jan de Graaff het in zijn Lisser Arkadia noemt. In 1726 koopt Van Dorp een huis in De Engel, in 1732 een huis in de “Oostpolder” van Lisse, dus in het Oosteinde (richting Hillegom). In het­zelfde jaar koopt hij “Een Huysmanswoning, Zomerhuys” etc. aan, tezamen met een groot aantal percelen in de Lisserpoelpolder en Roversbroek. Tenslotte verwerft hij op l maart 1740 het eigendom van de helft van “een woning met hare Boomgaard, Elssingelen, Teelland” etc. gelegen tussen de Heereweg en Achterweg. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de “Viersteeg”. In de 16de eeuw was deze woning een dependance geweest van het Sint Elisabethgasthuis te Haarlem, l Een andere aankoop is van heel andere aard, namelijk die van een “grafstede” in de Grote Kerk van Lisse.

Het graf in de Lisser dorpskerk, 1739

Van Dorp wordt oud en op 3 februari 1739 heeft hij dan ook een graf in de kerk van Lisse gekocht. Het graf was afkomstig uit de failliete boedel die Cornelis Adriaanse Molin had nagelaten, waarover Van Dorp sinds 1738 het bewind voerde. Al gauw ging hij ertoe over de nalatenschap te verkopen, teneinde de schulden die erop rustten te kunnen voldoen. De schout nam zijn kans waar en kocht het graf “aan en ten behoeve van hem eijgen selfs in sijn particulier”. Inmiddels was in het graf reeds het het stoffelijk overschot van Cornelis Molin bijgezet. Vanwege dit laatste wordt de voorwaarde gesteld dat de koper de begrafene “daar in sal moeten laten rusten ten minste den tijd van vier jaren”. Daarna mocht het graf dus geruimd worden en moest de overledene maar op een andere plek begraven worden. Het graf wordt omschreven als “een bemesselde dubbelde grafsteede aan de suydmuur van de kerk, bij den Toorn, beneden het glas daar het wapen van Adriaan van Gorcum schout tot Lisse in geschildert is”. Aanvankelijk lijkt dus het bewuste graf op een heel andere plek (meer rich­ting de toren) gelegen te hebben dan zoals dat recentelijk is vastgesteld (min of meer in het centrum van de kerk, nabij de preekstoel). Nu, laatstgenoemde locatie was ook veel meer overeenkomstig de rang en status van een schout als Van Dorp. Het zal dus ongetwijfeld met zijn instemming gebeurd zijn.

Laatste levensjaren, 1742-1746

In zijn laatste levensjaren woonde Van Dorp op het buiten Mossenhof “tegen­over de Parochiale Kerke” aan de Heereweg. Volgens een kohier van de perso­nele quotisatie (personele belasting) uit 1742 had hij hier een “meijd” in dienst. Daarnaast woonde bij hem een weduwe in genaamd Catarina van Slingeland en Jan van der Jagt, “Schout, ende Secretaris van Voorhout”, die hem als schout en secretaris van Lisse en Hillegom zou opvolgen. De Lissese schout staat aangeslagen in klasse 10, wat betekent dat hij f60 moet betalen, veel meer dan wie ook. Hierbij zijn echter meegeteld de inkomsten die hij vanuit zijn ambt als schout en secretaris van Lisse en Hillegom genoot. Daarnaast schijnt Van Dorp ook gedurende korte tijd het schout- en secretarisambt van Bennebroek bekleed te hebben. In december 1742 werd hij hierin opgevolgd door Matheus Gruepin. Echter, de ambtelijke molens werkten ook toen al zeer traag. Nog tot in 1744 stond Van Dorp aangeslagen in de tiende klasse, terwijl hij toen al bijna twee jaar geen schout en secretaris van Bennebroek meer was! Hij klimt dan ook in de pen en schrijft in het wat wollige taalgebruik van die tijd: “Den getaxeerde allenieert onder Eerbiedigste reverentie nu nog dat hij in de Quotisatie van den 16. Novemb. 1744 uytdrukkelijk is geconsidereert als schout ende secretaris van Bennebroek, welke twee ampten hij bekleede in den Jare 1742 maar dat hij al in decemb. 1742 ende sulks lange voor het arresteren van dese personele quotisatie van het bekleeden van die ampten, ende genot van de revenu is gediscontineert”, etc. Het komt erop neer dat “dese quotisatie van 60 gis. werden gediminieert (verminderd) ende gebragt onder de agste classe”, wat uiteindelijk in 1746 dan ook is gebeurd (al werd hij getaxeerd in de negen­de klasse). De nieuwe aanslag bedroeg nu f 50.

Jakob van Dorp is op 3 october 1746 op de hoge leeftijd van 83 jaar overleden.

De nalatenschap, 1746

Maria van Dorp, een zuster van de overleden schout werd benoemd tot algeheel erfgename. Wat dat voor haar betekende wordt onmiddellijk duidelijk als we de uitgebreide lijst of “memorie” bekijken die Jakob Krighout, een zoon van Maria van Dorp, van de erfenis van zijn overleden oom heeft opgesteld. Krighout heeft er een hele kluit werk aan gehad. Allereerst blijken zich in de nalatenschap talrijke obligaties te bevinden. Gezamenlijke waarde zo’n 115.000 gulden. Een enorm bedrag voor die tijd! Volgt een uitgebreide lijst van de onroerende goederen die de overledene had bezeten. Ook deze categorie vult ettelijke pagina’s. We hebben zijn bezittingen reeds in vogelvlucht besproken. De lijst is ondertekend door Jakob Krighout en gedateerd op 5 januari 1747. Op diezelfde datum zijn genoemde goederen getaxeerd voor de successiebelasting. De Lissese goederen leveren hierin f4.290 op.

Van Dorp vond zijn laatste rustplaats in het graf dat hij in 1739 had gekocht. In de Grote Kerk.

Bronnen:

  • Notariële archieven Nieuwveen en Alphen aan de Rijn in streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan de Rijn
  • A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse
  • ‘Uit het kerkelijk archief van Lisse’. Eenendertigdelige reeks door W. Marinus in Hervormd Lisse van 21-2-1959 tot 04-02-1961
  • Gemeentearchief Lisse inv.nr.225

1 Bij de aanleg van de Westelijke Omleidingsweg in 1983/84 zijn hier nog interessante archeologische vondsten gedaan.

2 Krighout was professor in de theologie aan het remonstrantse seminarium te Amsterdam.

De grafsteen van Jakob van Dorp, schout en secretaris van Lisse en Hillegom. De steen lag in de Nederlands Hervormde Kerk nabij de preekstoel. Na de renovatie van het kerkgebouw is de steen neergelegd in het middenschip. Op de steen is te lezen dat Jakob van Dorp overleed in 1762, in de ouderdom van 83 jaar.
Foto: Hans Smulders

Erepenning voor Bart en Stephanie Griekspoor van HEEREWEG 291:

De erepenning van de Vol in 2003 is voor de familie Griekspoor van Heereweg 291. De woning is uit 1860, gebouwd door W. Slegtkamp. Vroeger werden hier de paarden gewisseld voor de paardentram.

door: Ine Elzinga    

Fotografie: Hans Smulders

Nieuwsblad jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Bart en Stephanie Griekspoor hebben vier kinderen. Tijdens de fotosessie lag Torn te pitten. De andere drie (Ted, Klaartje en Boortje) poseerden giechelend in de keuken, die geheel in de oude stijl is herbouwd en daardoor veel nostalgie uitstraalt.

Bart en Stephanie Griekspoor hebben in 2003 de erepening van de Vereniging Oud Lisse ontvangen. Ze renoveerden de vrijwel vervallen woning aan de Heereweg 291 tot een respectabel woonhuis, authentiek met persoonlijke stijl: ‘We voelen een sterk persoonlijke band met dit huis en niet alleen omdat opa Griekspoor er een leven lang woonde.’

Rond 1860 bouwt bollenboer W. Slegtkamp een woonhuis op Heereweg 291. Achter de woning komen twee bollenschuren en een dienstwoning voor de knecht. Een flink stuk van het achterliggende land, waarop onder meer een boomgaard, behoort ook tot zijn domein. De huidige eigenaar Bart Griekspoor weet niet precies wanneer opa C. Griekspoor het pand kocht, waarschijnlijk in 1930. Opa zal er tot zijn overlijden op 94 jarige leeftijd in 1990 blijven wonen. Griekspoor: ‘Opa was aannemer en had een groot grondverzet bedrijf. Hij hield kantoor aan huis en gebruikte een schuur voor de opslag van klein materieel. De grote wagens stonden elders. Een van de schuren was omgebouwd tot paardenstal. In de tijd dat er in Lisse nog een paardentram reed, werden hier de paarden gewisseld en konden ze uitrusten. Het laantje naast het huis werd toen het laantje van Griekspoor genoemd, maar ik noem het gewoon onze poort.’ Na opa’s overlijden blijft het huis acht jaar leegstaan. Griekspoor: ‘Opa heeft de laatste twintig jaar van zijn leven weinig aandacht aan het huis besteed. En de leegstand deed ook geen goed. Niemand wist eigenlijk wat er met het pand moest gebeuren, en iedereen zag op tegen renovatie en onderhoud.’ In 1998 hakken kleinzoon Bart en zijn vrouw Stephanie de knoop door en besluiten het huis te kopen om het weer als woonhuis in ere te herstellen. Ze betrekken de dienstwoning en gaan aan de slag.

Rijp voor de sloop

Griekspoor: ‘In feite was het rijp voor de sloop. We zijn bovenaan begonnen, het huis waterdicht maken!’ Het dak eraf, de balken waren verrot, al het houtwerk trouwens. Alle houtwerk is vervangen en er kwamen nieuwe dakgoten. Vervolgens zijn de muren gestraald en opnieuw gevoegd en is het houtwerk meteen goed in de verf gezet. De glas-in-lood ramen hebben tochtig lood en missen stukken glas. Het groene glas is een heel zeldzaam groen kathedraal glas. Stephanie Griekspoor: ‘Het glas was gesigneerd door glazenier Bogtman uit Haarlem. Dat bedrijf bestaat nog steeds en was ook betrokken bij de glazenierwerkzaamheden voor de St. Agathakerk. Het bedrijf wordt nu geleid door de kleinzoon. Grootvader Bogtman had een archief had bijgehouden. Hij kende de ramen en had nog een reserve stuk glas staan!.’ De ramen worden hersteld en ter bescherming en ter isolatie laat Griekspoor er aan beide zijden ven­sterglas voor plaatsen, driedubbel glas in Huize Griekspoor. De buitenkant ziet er dan al aardig uit, maar binnen is het een puin­hoop. De zolder krijgt een vloer die beloopbaar is. ‘Als kind mocht ik nooit op de zolder van opa komen, die stond deels vol met overtollige spullen en je kon door het achterste gedeelte heen zakken.’ Van de eerste verdieping worden de tussenmuren weggehaald: ‘Bij die sloop kwamen we erachter waar de oorspronkelijke muren en deuren waren geweest, er waren bijvoorbeeld aparte voorkamertjes. Stephanie en ik hebben besloten de originele indeling zoveel mogelijk terug te bren­gen.

CV op kolen!

We ontdekten ook dat opa zijn tijd vooruit was. In, ik schat 1940, had hij al centrale verwarming in het huis laten aanleggen, op kolen gestookt, alle leidingen en bedradingen zaten er nog, evenals een asbesthoudend schoorsteenkanaal. In de beginjaren zestig heeft hij de cv laten vervangen door gaskachels, logisch dat was makkelijker en goedkoper.’ Het behoeft geen betoog dat er heel wat te slopen is, voordat de bovenverdieping opnieuw kan worden ingericht. Alles wat bruikbaar is en het huis oorspronkelijk toebehoort krijgt weer een plek, zoals de oude wastafel. Tegelijk wordt het huis ingericht voor de eenentwintigste eeuw, het liftje in de badkamer bespaart bijvoorbeeld heel wat loopjes met volle wasmanden over de degelijk houten trap naar de wasmachine beneden. En ook Griekspoor junior heeft een vooruitziende blik: ‘Ik heb wel meteen kabels gelegd voor pc en tv later op elke kinderkamer.’

Plafondschilderingen

De houten trap naar beneden heeft mooi vormgegeven deels gedraaide houten spijlen. Er zijn er echter nog maar een paar intact. Het valt niet mee iemand te vinden die deze kan namaken, Griekspoor moet er de grens voor over. Hij laat er flink wat extra maken: ‘De houten ladder naar zolder willen we door een echte trap vervangen. Om één geheel te krijgen wordt die trap van dezelfde type spijlen voorzien als de trap naar beneden. In een later stadium over­weeg ik dakkapellen op zolder. Ik heb van een deskundige begrepen dat er wel mogelijkheden zijn om bij deze woning passende kapellen aan te brengen.’ Bij de renovatie van de benedenverdieping wachten opnieuw ontdekkingen. Op het plafond is ooit een Jugendstilschildering aangebracht. Wanneer de muurbekleding is verwijderd, op dunne latjes (tengels) aangebrachte houtpanelen, wacht eveneens zo’n schildering. Griekspoor: ‘Die muurbekleding diende als isolatie, erachter is immers stilstaande lucht, en dat isoleert perfect.’ Stephanie vertelt dat ze vroeger nooit zo van Jugendstil hield: ‘Toen we die schilderingen tegenkwamen, ben ik mij in die stijl gaan verdiepen, ik vind het nu prachtig.’ Ze neemt zelfde kwast ter hand om ze allen over te schilderen. En misschien komt er op de bovenverdieping naast de trap ook wel zoiets op de muur. De houten vloer in de benedenkamers gescheiden door een forse schuifdeur is nog in tact, hoewel niet geheel waterpas meer. De prachtige schouwen zijn vernieuwd, maar wel in stijl. De serre is een ramp. Het dak lek, de houten vloer niet meer te redden. Opnieuw worden de mouwen opgestroopt.

Geheime kelder

Het echtpaar Griekspoor heeft inmiddels elke centimeter van hun huis is handen gehad. Al pratende, komen er steeds weer nieuwe verhalen boven. Over de riolering: ‘Toen we die wilden aanleggen, konden we niet onder het huis door naar de voorkant in verband met de funde­ring. De riolering is nu achter het huis langs om naar voren gelegd. Al gravende stuitten we op steen. Dat bleek het plafond van een grote gewelfde kelder, met verschillende ruimtes. Deze stond vol water en er is dagen gepompt om die leeg te krijgen. We hebben alles netjes dichtgemaakt. Misschien maak ik hem ooit nog wel eens open. Een buurman heeft ook zo’n kelder als wijnkelder in gebruik, best een goed idee.’

Bliksem in de soep

Stephanie: ‘Er kwamen ooit twee oude dames, die het huis uit opa’s tijd kenden, nieuwsgierig langs. Ze vertelden het verhaal van de blik­sem die ooit was ingeslagen in de pan soep die achter het raam op de kookplaat op dit aanrecht stond.’ En dan is er de herontdekte vijver vlak achter het terras, die weer min of meer in gebruik is genomen. Stephanie en Bart wonen inmiddels met hun vier kinderen al weer geruime tijd in het huis. Maar nog lang niet alles is klaar wat het echt­paar in gedachten heeft. Griekspoor: ‘We gaan nu de dienstwoning verbouwen, ook die blijft zo authentiek mogelijk. De toegangsweg, de poort, is al geplaveid met waaltjes. Zulke stenen passen het beste bij dit type huis. Die waaltjes lagen ooit op de Vinkenlaan in Hillegom. Toen ze die weg gingen renoveren, heb ik de gehele straat opgekocht!’

‘We wonen hier heerlijk en hebben er geen spijt van dat we die klus ooit zijn begonnen. We voelen echt een band met dit huis.’

De hele familie Griekspoor in de fraaie achtertuin met een bijzondere vijver. Hiervandaan is goed te zien hoe fraai de achtergevel is gerestaureerd.

Katholiek naslagwerk: register van 1687-1812 van de Agathakerk

De archiefgroep van de Agathaparochie heeft een register samengesteld op doop-, huwelijks- en overlijdensboeken van 1687 tot 1812.Het is een naslagboek van 375 pagina’s geworden. Het boek is uitgegeven door de afdeling Rijnland van de van de Nederlandse Genealogische Vereniging.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

De Archiefgroep van de Agathaparochie, bestaande uit de heren P. de Ridder, J.L. van Diemen en P.A.M. Wassenaar, heeft een register samengesteld op de doop-, huwelijks- en overlijdensboeken van de parochie over de periode van 1687 tot aan de invoering van de bur­gerlijke stand in 1812. Hiermee is de groep zeven jaar doende geweest! Maar het resultaat is er naar. Het naslagwerk van 375 blad­zijden bevat alle namen van katholieke Lissenaren die in de parochie in bovengenoemde periode zijn gedoopt, gehuwd en/of overleden. Het boek is uitgegeven in samenwerking met de afdeling Rijnland van de Nederlandse Genealogische Vereniging. Het eerste exemplaar is in het Kerkelijk Centrum in de Poelpolder uitgereikt aan pastor J.H. van Leeuwen

DE BOLLENSCHUUR OP ZANDVLIET

De geschiedenis van de boerderij Nieuw Zandvliet wordt weergegeven vanaf 1910. Tegenwoordig woont de familie van der Mark daar.

door Sjaak Smakman 

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

Hoewel het nog altijd niet zeker is, is er toch een gerede kans dat het museum De Zwarte Tulp gaat verhuizen in de richting van de Keukenhof. In elk geval, Keukenhof zelf voelt er wel voor om een publiekstentoonstelling van de grond te tillen in de nu bijna een eeuw oude bollenschuur op Zandvliet en de daarachter gelegen voormalige boerderij, tegenwoordig het woonhuis van Blokhuisdirecteur Rob van der Mark. Opvallen doet de schuur niet, waaraan vooral de naam is verbonden van de firma Smakman. Jaap Smakman (1882-1965) en zijn zoons Co en Henk hebben daar ruim een halve eeuw, tot halverwege de jaren tachtig, een bloembollenkwekerij gehad. De huidige schuur heeft er niet altijd gestaan. Op de plaats van de schuur stond oorspronkelijk een stal, die behoorde bij een – door een paar grondige verbouwingen  voor de familie Van der Mark schier onherkenbaar – boerenwoonhuis. Toen omstreeks 1910 de schuur afbrandde, werd hij niet herbouwd, maar verscheen op die plaats een bollenschuur. De bollenteelt was immers veel lucratiever en kwam in opkomst ten koste van het oorspronkelijk gebruik. Bouwer was de graaf van Lynden, die de schuur ging verhuren.

Bloembollenkwekerij

Wie de eerste huurders van de bollenschuur waren, is niet bekend. Maar in de jaren dertig trok Jaap Smakman er in met zijn bloembollenkwekerij. Jaap was toen al een kleine twintig jaar kweker in het gebied van boerderij De Wolf, aan de overkant van de Stationsweg. Co Smakman, inmiddels 77 jaar, kan zich nog herinneren dat hij als kleine jongen zijn vader al meehielp op De Wolf. Hoewel het bedrijf maar 2,5 hectare groot was, liepen er toch zeven mensen, en in het hoogseizoen negen mensen rond. Naast eigenaar Jaap Smakman zelf en zijn vier zoons Riem, Cor, Henk en Co waren er twee man in vaste dienst: Leen Winsum en Arie de Leeuwe. Daarnaast waren er in de zomer altijd nog twee seizoenskrachten in dienst.

Verwonderlijk is de grote hoeveelheid menskracht niet, want vrijwel alles gebeurde met de hand. Van het planten en rooien tot aan het zogeheten loodzware diepdelven, het met de hand twee scheppen diep ‘verversen’ van de bovenste laag grond. Wisselteelt was toen in de bloembollenwereld nog een onbekend begrip. Bovendien betekende het ‘onder­spitten’ van de bovenste laag grond dat het onkruid (zaad) nooit de kans kreeg om tot wasdom te komen. Na de Tweede Wereldoorlog deed vader Jaap in 1951 het bedrijf over aan zijn zoons Co en Henk.

Mechanisatie

Aanvankelijk hadden Co en Henk nog drie man personeel, de broers Piet, Gerard en Panc Beelen. De mechanisatie zette echter langzaam maar zeker in. Na een paar jaar kochten de twee broers een sorteermachine en een plant-machine voor twee rijen bollen. Later kwamen er meer machines, onder meer om bollen te rooien, om stro vast te rijden, om bestrijdingsmiddelen te spuiten en zelfs een kleine pick-up om bollen van en naar de bollenschuur te rijden. De mechanisatie leidde tot een kleinere behoefte aan vast personeel. De laatste vaste kracht was Panc Beelen, maar die vertrok – heel toepasselijk – om bij een loonwerker in dienst te treden.

Een belangrijk verschil met het bedrijf van Jaap Smakman was dat zijn zoons Co en Henk veel meer soorten teelden. Naast narcissen waren er ook crocussen, tulpen en hyacin­then. Om een nog grotere vruchtwisseling te krijgen ‘ruilden’ de broers ook regelmatig stukken grond met ‘buurman’ Jan Clemens, die vooral dahliasoorten teelde. Die vele soorten hadden als groot voordeel dat er veel met wisselteelt kon worden gewerkt, waardoor de grond de kans kreeg om zich te herstellen. Overigens moesten ook mét die wisselteelt stukken grond soms een jaar braak blijven liggen. Begin jaren zestig kochten Co en Henk de schuur van de graaf, terwijl Kees van der Mark de boerderij kocht om hem grondig te verbouwen tot een luxueuze woning. Zijn zoon Rob woont er nog altijd en heeft het pand nog verder uitge­breid.

Gaasbakken

Maar ook de schuur ontkwam niet aan de modernisering. De karakteristieke stellingen werden uit de benedenverdieping gesloopt en maakten plaats voor cellen. Daar hoefden de bollen niet langer hoog te worden opgetild om ‘gestort’ te worden, maar konden ze in gaasbakken worden gedaan die vervolgens werden opgestapeld.

Het nam niet weg dat de zware fysieke belasting zijn tol ging eisen. Co moest begin jaren tachtig stoppen met het bedrijf, dat hij dertig jaar lang met zijn broer had gerund, vanwege een versleten rug. Henk zette het bedrijf nog enkele jaren voort, maar geplaagd door reumatische klachten moest hij toen ook de pijp aan Maarten geven. De schuur werd verkocht aan bloembollenkweker Leo Schoorl, tot dan toe onderhuurder van de schuur.

De bollenteelt in de directe omgeving van Zandvliet is inmiddels zo goed als verdwenen. Hij ligt inmiddels vrijwel geheel ingesloten door de parkeerterreinen van Keukenhof. Daarmee is de schuur eigenlijk nu al een symbool van een andere tijd. Maar als er een museum in komt, blijft er toch nog iets van bewaard.

bronnen:

Gemeentegids Lisse,

interview met voormalig bloembollenkweker  Co Smakman.

de totaal verbouwde boerderij met daarnaast de grote bollenschuur op Zandvliet.
De gebouwen zijn midden in het land gelegen, maar terzijde rukt de bebouwing van de bloementuin Keukenhof gestaag op.