Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

LISSE TOEN: MACHINES? JE KON EEN GRAAF IN JE NEK KRIJGEN!

Verreweg de meeste arbeid moest vroeger met de hand gebeuren bij de bollenteelt. Ook in de bollenschuren kwamen machines nauwelijks voor. Bollen mocht je alleen met de handen als eieren aanraken. Machines verpestten de structuur van de grond. Hoofdschuddend zullen ondernemers en hun personeel de eerste plant- en rooimachines op de percelen tekeer hebben zien gaan.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Wie tijdens de werkperiode eens over de bollenvelden kijkt, zal con­stateren dat de ondernemers gebruik maken van de meest geavanceerde machines. Dat was in vroegere jaren wel anders, want verreweg de meeste arbeid moest met de hand worden verricht. Een machine kwam in de bollenschu­ren nauwelijks voor en op het veld was zo’n ding helemaal uit den boze. Men vond dat er machines er waren voor de industrie. Niet voor een van de hoogste sporten op de tuinbouwladder: de bollenteelt. Bollen mocht je alleen met de han­den aanraken. Voorzichtig behande­len. Als eieren. Dan was beschadi­ging nauwelijks mogelijk en bovendien zag je het product en kon je het beoordelen. Op teeltgronden wilde men zo’n herriemakend monster niet zien, omdat het ding steevast de struc­tuur van de grond naar de galle-miezen hielp. En die structuur was en is het allerbelangrijkste voor een goed teeltresultaat. In bloembollenkringen doet nog altijd het verhaal de ronde over de “uit de noord” afkomstige jongelui, die in de bollenstreek de kost kwamen verdienen. Zij werden door hun werkgever echter naar hun kosthuis teruggestuurd met de boodschap, dat er maar eerst een paar schoe­nen aangeschaft diende te worden. Onder geen voorwaarde mocht het land met hun eigen schoeisel (klompen) worden betreden wegens gevaar voor “platlopen”. Laat staan dus dat er een machine op de tuinen kwam. Bovendien “verdreven machines de mensen uit het werk”. Wie zich desondanks ergens met een vinding op het erf durfde te vertonen liep dan ook de kans “een graaf(schep) in zijn nek te krijgen”.

Desalniettemin woekerde het “kwaad” voort. De techniek ont­wikkelde zich overal en dus moest noodzakelijkerwijs het bollenvak er ook aan geloven. Hoofdschuddend zullen velen ondernemers en hun personeel hun eerste plant- en rooimachines op de percelen tekeer hebben zien gaan. Die dingen trok­ken sporen, die pijn aan de ogen deden en stampten bovendien de grond ook nog stevig in elkaar. “Dat kan nooit goed gaan”, werd er dan ook veel gezegd. “Het zou het einde van het bloembollenvak betekenen “.

Het rooien van Bloembollen. Foto Arie in ‘t Veld

DANKZIJ GRONDRUIL VOOR BEGRAAFPLAATS: RESTAURATIE KOETSHUIS KEUKENHOF

De restauratie van het koetshuis van Landgoed Keukenhof is in 2003 gestart.

door Ignis Maes

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

In diverse publicaties heeft u kunnen lezen dat de begraafplaats Duinhof zal worden uitgebreid met een perceel bos dat eigendom is van Graaf J.C.L. van Lynden. Het is bijzonder te bedenken dat de gemeente Lisse jarenlang woningen heeft gebouwd en stedebouwkundig niet heeft gedacht aan een nieuwe – of uitbreiding van een begraafplaats. Door de welwillende medewerking van Graaf van Lynden, is nu een convenant gesloten dat alsnog in een uit­breiding van de huidige begraafplaats voorziet.

Dit convenant betekent dat een stuk grond voor uitbreiding van de huidige begraafplaats Duinhof beschikbaar wordt gesteld in ruil voor de restauratie van het Koetshuis, dat gelegen is op het Landgoed Keukenhof. Aan de onderlinge aanbesteding van de eerste fase is in totaal door vijf aannemers deelgenomen, waaronder twee plaatselijke bedrijven. Bouwmij Woerden, die wij kennen van de recente restauratie van de Agathakerk, is er als laagste uitgekomen. Het werk is vanaf 1 maart 2003 van start gegaan. Het betreft het herstel van de daken en goten.

Bouwgeschiedenis

Het koetshuis nabij het kasteel is gebouwd in 1857 /1858. De opdrachtgevers waren de eigenaren van het huis en landgoed Keukenhof Baron Carel Anne Adriaan van Pallandt en Jonkvrouw Cecilia Maria van Pallandt geb. Steengracht. De architect was Eli Saraber die op 23 oktober 1856 een ontwerptekening met begroting indiende voor een bedrag van ƒ 30.000,-. Bij de aanbesteding namen de Lissese timmerman C. van der Zaal en zijn compagnon het werk aan voor ƒ 27.890,-

In artikel 9 van de bouwopdracht werd gesteld dat: De aannemer verantwoordelijk is voor de handelwijze zijner werklieden; die, welke zich ongeschikt gedragen, zal hij, op de eerste aanzegging van den architect van het werk verwijderen en door geschikter doen vervangen. Er zal op het werk noch gerookt, noch sterken drank mogen gebruikt worden. Op ene boete van vyf gulden. De boeten zijn ten voordele van de armen van de Gemeente Lisse. Links van het koetshuis bevonden zich de tuigenkamer en het woonhuis voor de tuinman met twee bedsteden, kelder, keuken met pomp en inpandig secreet, hetgeen voor die tijd een luxe was. Een waschkamer, jager en nog een secreet completeerden de linkervleugel. Momenteel zijn dit twee woonhuizen.

De kat die ik in het begin uitdeelde aan de ‘oude’ beleids­makers der gemeente Lisse, heeft in ieder geval een positief gevolg voor het Koetshuis. Dank aan alle betrokkenen die dit Monument hebben helpen behouden.

Sinds begin maart staat het oude Koetshuis van Kasteel Keukenhof  in de steigers. Het dak en de goten worden vernieuwd. De gemeente Lisse betaalt de restauratie in ruil voor een stuk grond van Keukenhof ter uitbreiding van de begraafplaats Duinhof.

BEGRAFENISVERENIGING ST. BARBARA JUBILEERT

In 1902 werd de begrafenisvereniging Sint Barbara opgericht. De geschiedenis van de vereniging wordt besproken.

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

Arie in ‘t Veld

Foto’s uit het archief van Sint Barbera

Op 18 november 1902 werd op initiatief van kapelaan De Korte in Lisse een vereniging opgericht waarbij van begin af aan bekend was dat het geen vrolijke boel zou worden. Het was de begrafenis­vereniging St. Barbara. Uit nood geboren eigenlijk, want meer en meer bleek dat het welhaast on­doenlijk werd om bij een overlijden alleen maar te kunnen steunen en vertrouwen op de zogenoemde burenhulp.

Alleen wat het begraven op zichzelf betrof hoefde dat niet. Dat kon goed worden geregeld, want meestentijds fungeerde de koster tevens als uitvaartverzorger en was er vaak wel een tuinman in de buurt die een graf kon delven. Maar al met al bleef het behelpen. Tot de Begrafenisvereniging St. Barbara werd opgericht. Een geweldig initiatief en alhoewel niemand graag stil staat bij het gegeven dat de enige zekerheid in dit leven is dat de dood er een einde aan maakt, werd in menig huishouden over het lidmaatschap nagedacht. Goed, het kostte (letterlijk) een paar centen per week, maar dan was je er ook van verzekerd dat als het moment was aange­broken, er een beroep gedaan kon worden op de inzet en kennis van zaken van een vereniging die zonder winstoog­merk de gehele uitvaart kon verzorgen. Voor een kwartje per jaar, in één of twee termijnen te betalen, werd je lid. Dat sloeg aan, want onmiddellijk schreven zich 55 mensen in als lid. Om niet helemaal met lege handen te staan, werd op de eerste bestuursvergadering van maart 1903 besloten om een voorschot uit de afdelingskas van de Rooms Katholieke Volksbond te aanvaarden voor de aanschaf van hand­schoenen en rouwstrikjes voor de dragers.

Heden overleed...

Organisatorisch viel er echter nog heel wat te doen, want men beschikte wel over een flink portie enthousiasme, maar de verenigingskas was leeg. Er moest worden gespaard voor de nodige voorzieningen. In het begin was dat overigens niet veel anders dan een paar capes die iedereen, groot of klein, pasten en een kamerscherm waarachter de overledene, meestal thuis, werd opgbebaard. En dat thuis opbaren was geenszins gemakkelijk. Sommigen beschikten

over een gescheiden voor- en achterkamer, zodat men de overledene in een aparte ruimte kon opbaren. Heel veel huizen hadden echter niet eens een slaapkamer. De bedstede was voor het opbaren van een overledene natuurlijk niet geschikt. Twee stoelen en daartussen een deur boden dan uitkomst. Timmerman van Zon uit De Engel kwam dan langs om de maten van de overledene te nemen en korte tijd later werd die reis herhaald. Maar dan met de handkar en daarop de kist. En: de klok moest stil, de kachel uit en als het even kon de ramen open. En als het allemaal niet uitkwam, dan werd de overledene bij een buur of familie­lid opgebaard. En vervolgens ging de aanzegger de deuren af. In plaats van kaarten… In vol ornaat en met de steek op het hoofd werd in de omgeving aangebeld en op statige wijze de overlijdensboodschap verkondigd. Te beginnen met de woorden: ‘Heden overleed…’

De deur én het boek dicht

Drager wordt je niet uit roeping. Het is ook geen vak en geen liefhebberij. Drager word je in verreweg de meeste gevallen, omdat je dat wordt gevraagd. Een oud-drager van de St. Barbara vereniging weet zich te herinneren: ‘En we hebben het meegemaakt dat we met twee man de kist met een overledene moesten transporteren. Dat was kunst­en vliegwerk. De hele familie stond in de gang toe te kijken en allerhande opmerkingen te maken, maar niemand stak ook maar een enkele vinger uit. Sterker nog: bij de voordeur hield het helemaal op. De deur werd achter ons gesloten en daarmee was voor de familie kennelijk het boek dicht, want niemand getroostte zich de moeite om naar het mor­tuarium te gaan en de werkelijke begrafenis mee te beleven. Natuurlijk hebben we over zoiets wel een mening, maar dat, laten we nooit blijken en we laten ons er ook niet tegenover derden over uit’. Er brak een keer paniek uit in het bejaardentehuis de Pius (waar nu het Uitvaartcentrum Lisse staat). De drager: ‘Op een gegeven moment bleek dat de rouwkamer finaal in elkaar was gezakt en dat de overledene nog maar nauwelijks was terug te vinden. De zaak stond (het was allemaal  armoe en dus behelpen in die tijd) opgestapeld op kisten en werd hier en werd daar een beetje gesteund. Kennelijk heeft iemand bij het weggaan tegen zo’n kist gestoten of per ongeluk geschopt, waardoor de zaak is gaan wiebelen, om uiteindelijk helemaal om te vallen.’ Het gezegde luidt dat rangen en standen met de dood vervallen, maar met name in vroegere jaren was dat bepaald niet het geval. Ook niet bij het begraven. Verschil in de financiële mogelijkheden was natuurlijk al snel zichtbaar aan het gebruikte transportmiddel voor het vervoer van de overledene. Dat was bijvoorbeeld de koets. Verschil in klasse (en dus in geld) was er tevens in het aantal dragers en de kerk kende eveneens de diverse klassen. Aan de bewoners van het bejaardenhuis Huize Pius werd indertijd bijvoorbeeld meegedeeld dat Klasse 1A het hoogst was en dus ook het kostbaarst. Daar waar de Missen in de andere klassen als gezongen H. Mis werden aangekondigd, werd in deze klasse gesproken over de ‘plechtig’ gezongen H. Mis. Dat betekende concreet: Drie heren en een koor en ook zingen tijdens het wegdragen van de kist. En bij Klasse 1A werd ook het altaar geheel in het zwart overtrokken en alles sfeervol aangekleed met gordijnen en lopers, alsmede het plaatsen van 48 kaarsen. Kosten: 350 gulden, inclusief klokluiden, beaarding op het kerkhof, grafrecht en grafmaken. Klasse 1B was nagenoeg hetzelfde, maar het woordje ‘plechtig’ was niet aan de orde. En dat kostte dan vijftig gulden minder. Het goedkoopst was Klasse 3B, met een gezongen H. Mis, het altaar gedeeltelijk zwart bekleed en tien kaarsen. Daar moest men het dan maar mee doen.

Een foto uit de oude doos (1955): zo werd Henri Kuijpers begraven, de grondlegger van de Katholieke Illustratie, een tijdschrift dat in geen enkel katholiek gezin ontbrak. De overledene werd plechtig ten grave gedragen op de  begraafplaats achter de Agathakerk. Voorop een kapelaan met het kruis, daarachter vier misdienaars met wierook en wijwater, daar achter de pastoor en een tweede kapelaan. De
kist is op de schoudersbgenomen door zes dragers. Achter de pastoor lopen enkele zangers.

Hoge zijden

De statige ‘kachelpijpen’ die de hoofden van de dragers sierden, de hoge zijden hoeden, zorgden overigens wel vaker voor (ingehouden) hilariteit. Zoals de hoed van de drager die kennelijk wat te royaal op z’n hoofd zat en pardoes het graf inwaaide net voordat de kist zou zakken. Een pijnlijk moment natuurlijk, maar desalniettemin werd de procedure gestopt, zodat de ongelukkige man in het graf kon klauteren om zijn hoofddeksel terug te halen.

Wijwaterballet

Als drager speel je een rol. Onbekommerd laat je alles wat je hoort en wat je ziet over je heen gaan. Het tonen van emotie is niet aan de orde. En dat is wel eens moeilijk. Zoals die keer dat meneer pastoor pittig met de wijwaterkwast zwaaide en door de een of andere oorzaak het wijwater in niet geringe hoeveelheden alle kanten uit spetterde. De in zijn nabijheid staande rouwenden waren kletsnat. De overvloed werd veroorzaakt door een drager die hulpvaardig het emmertje wijwater vasthield, maar het ding even iets omhooghaalde op het moment dat de pastoor de kwast er in doopte. Het behoeft geen betoog dat deze drager achteraf stevig door het bestuur is onderhouden over zijn kunstje. Maar soms gaan de dingen ook als vanzelf. Zoals die keer dat de St. Barbara vereniging een begrafenis in Haarlem verzorgde. Niks aan de hand natuurlijk, want de vereni­ging had op het moment dat dit verzoek kwam, al heel veel ervaring opgedaan. Maar je kon natuurlijk wel eens van het pad raken. Zoals in Haarlem letterlijk gebeurde. Tot buiten de kerk ging alles goed, maar daarna ging het mis met de drager die voor de stoet uit het kruis torste. Een taak die het nodige aan respect en concentratie vergt. Je ziet en hoort dus niet alles. Zeker niet, zoals deze drager, als je ook nog aan de doverige kant bent. Eenmaal op het kerkhof liep de man in de richting van een hoop zand in de veronderstelling dat zich daar het pas gedolven graf zou bevinden. Het gesis en de op zachte toon aangegeven waarschuwingen hoorde hij niet. Op een gegeven moment ging het rouw­gezelschap dan ook een andere kant uit terwijl de kruis­drager rechtstreeks richting zandhoop bleef koersen. En daar stond hij dan. Geheel alleen.

In de kist

De dood en begrafenissen spreken ons levenden niet zo aan. Het liefst gaan we er in een grote boog omheen, ondanks de wetenschap dat de dood onvermijdelijk is. Maar er zijn ook mensen die er geen enkele moeite mee hebben om tijdens het leven alvast de nodige maatregelen voor hun overlijden te nemen. Zoals die man die alvast op zoek ging

Een vooroorlogse lijkkoets in vol ornaat getrokken door twee omfloerste aarden
op de Heereweg met op de achtergrond het oude stadhuis van Lisse. Daarnaast de kosterswoning van de Hervormde Kerk. Die heeft de slooplust in de jaren zestig wel doorstaan.

naar een kist naar zijn smaak en deze liet opslaan. Een tijdje later kwam hij terug met het beslag en toen was wat hem betreft de zaak voor elkaar. Er is zelfs ooit eens een persoon geweest die ver voor zijn verscheiden een kist aanschafte, deze naar Lisse liet komen en in de kist klauterde om te ervaren of het allemaal wel paste en hij comfortabel kwam te liggen.

Maar niet alles is van tevoren te regelen. Zoals bij de man die oorspronkelijk in Lisse woonde, maar naar Australië was geëmigreerd. Najaren werd Nederland weer bezocht. Maar daar waar vreugde over het weerzien moest heersen, kwam groot verdriet, want de emigrant overleed in zijn geboorte­dorp. De kinderen wilden het stoffelijk overschot persé in Australië hebben. Dat gaat echter niet zo maar. Besloten werd toen om vader te cremeren, waarna de urn met daarin de as op de retourticket van de overledene in de cockpit van het vliegtuig is teruggevlogen.

 

NOSTALGISCHE WANDELING DOOR LISSE VIA OUDE ANSICHTEN VAN WIM VAN HAGE

In een interview met de heer Hage worden veel ansichtkaarten over Lisse besproken. Hij heeft ook elf ingelijste tekeningen van Mandemakers.

door Ine Elzinga 

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

Wim van Hage, bekend Lissenaar, want ooit de populaire uitbater van café-restaurant De Beurs aan de Haven, heeft in zijn lange leven heel wat ansicht­kaarten van Lisse verzameld. Hij is terecht trots op zijn collectie en droomt ervan dat ze nog eens op een cd-tje gezet zullen worden.

Ansichtkaartenverzamelaar Wim van Hage, bepaald geen onbekende in Lisse, is zelf heel bescheiden over zijn verza­meling:

‘Er zijn in Lisse mensen met veel meer kaarten dan ik.’ Op deze manier een wandeling door Lisse maken, maakt een mens haast weemoedig. Lisse wordt nu door velen als een mooi dorp gezien. Maar een nostalgische kaart van een lom­merrijk Vierkant, met muziektent en authentieke pomp, waar de stoomtrein wacht op reizigers, doet dromen over tijden van weleer.

CD voor liefhebbers

Van Hage zou graag meer mensen laten meegenieten van zijn verzameling: ‘Mijn broer heeft wel eens gezegd: Waarom zet je ze niet op cd? Dat wil ik best, maar ik weet niet zo goed hoe dat moet en ik heb er trouwens de apparatuur niet voor. Misschien dat iemand mij daarmee kan helpen? Dan zou het ook leuk zijn eens een avond te organiseren met lief­hebbers. Dan zul je zien dat er nog veel meer verhalen boven tafel komen,’ voegt hij er enthousiast aan toe.

Ingelijste prenten

Het verzamelen van kaarten begon een beetje per ongeluk: ‘Mensen namen wel eens kaarten voor mij mee en ik vond dat erg leuk, zo is het eigenlijk begonnen. Ik ben wel eens naar een ruilbeurs geweest, maar echt handelen in kaarten heb ik nooit gedaan.’ Van Hage beperkt zich niet alleen tot ansichtkaarten. Trots toont hij een serie van elf ingelijste prenten, tekeningen van Rademakers: ‘Die heb ik ooit gekocht, het zijn de originelen. Later is het boek Rijnlands Gezichten samengesteld, in dat boek staan de duplicaten.’

Hij slaat het oude kaartenboek open en we beginnen de wandeling in Lisse noord, nu de Oranjelaan die in zuide­lijke richting overgaat in de Heereweg. De kaarten dateren uit het begin van de 20e eeuw. Huize Rutsbo lag aan een weg die met kinderhoofdjes was geplaveid. De auteurs van kaarten waren het er, de aanduidingen lezende, kennelijk niet helemaal over eens, hoe deze weg heette. Kaarten die vrijwel eenzelfde stukje Lisse tonen, heten beurtelings Rijksweg, Hillegommerweg, Rijksstraatweg, en meer naar het zuiden Dorpsstraat en Heerenweg.

De Eendenbuurt

Wim van Hage: ‘Op de Dorpsstraat zat garage Kamminga en het woongebied daartegenover noemden we de Eenden-buurt (het huidige Vreewijk). Ik weet eigenlijk niet waarom. Op de plek waar de Kanaalstraat overgaat in de Berkhout­laan stond een prominent gebouw waarin het postkantoor was gevestigd. Met daarnaast De Steeg, je liep zo het land in.’

Tegen het postkantoor aan is op de ansicht een klein, haast vierkant gebouwtje zichtbaar: ‘Dat was toen een hulp-kantoortje van de politie.’ Van Hage wijst de lunchroom aan, het kledingmagazijn Klaver, het Vierkant waar op de plek van de huidige makelaar een kaasboer was gevestigd. Het Heda Modehuis heeft plaats gemaakt voor een restaurant. En er was een groot gebrandschilderd raam op het Vierkant.

De kaartenwandeling loopt langs het gemeentehuis: Toch eeuwig zonde dat dit ooit is afgebroken. Op deze kaart zie je nog dat het gemeentehuis ooit een balustrade had, die steunde op marmeren pilaren. De trap liep recht naar voren. Eronder was de politiecel.’ Later is die balustrade wegge­haald en laten de ansichten een gemeentehuis zien met de trap een kwartslag gedraaid.p school in Lisse

Na een koffiepauze besluiten we nu vanaf de Ringvaart Lisse in te wandelen. Mevrouw Van Hage groeide op in de Haarlemmermeer. In de vorige eeuw waren de kinderen uit de Haarlemmermeer ook al aangewezen op de scholen in Lisse: ‘Ik herinner me dat het een behoorlijk koud stukje was, vanaf de Lisserbrug de Kanaalstraat door. De school was vanaf thuis een halfuurtje lopen. In die tijd stonden er alleen aan de zuidzijde van de Kanaalstraat woningen. Je keek in noordelijke richting zo het polderland in.’

Van Hage vult aan: ‘De Lisserbrug was toen een draaibrug. Van de brugwachter mochten er soms een paar kinderen op blijven staan als hij met de hand de brug opendraaide. Dat was echt feest! Midden op het water staan kijken naar de boten die passeerden.’

De Haven was indertijd een echte haven, veel water dus. Van Hage herinnert zich de kermisklanten die per boot arriveerden en aan de kade voor café De Beurs aanlegden. Met de handkar werden de spullen naar het weiland achter de huidige Digros vervoerd om de kramen en de attracties op te bouwen.

De bollenrijders, maar ook de schippers die bollen vervoer­den, kwamen geregeld een bakkie doen in De Beurs en ook zij namen wel eens ansichtkaarten mee. De Beurs was een centraal ontmoetingspunt in oud Lisse, evenals het op een handworp afstand gelegen eeuwenoude établissement De Witte Zwaan (op het Vierkant), waar de tramreizigers wachtten en de notabelen elkaar ontmoetten.

Trapveldje

Het betegelde terrein tegenover de Gewoonste Zaak gelegen, nu een parkeerterrein, lag ooit braak. Van Hage voetbalde er in zijn jonge jaren: ‘Het was toen een asveld, dat wil zeggen dat de as uit de haarden er werd gestort. Voor ons een prachtig voetbalveld, maar eerlijk gezegd wel pijnlijk als je viel.’Uit de verzameling kaarten blijkt dat Woonzorgcentrum Berkhout is gebouwd op een veld prachtig paarse hyacin­then. Tenminste op deze kaart zijn de bloemen vakkundig paars ingekleurd! Het zullen ook wel eens roze of witte zijn geweest. Van Hage heeft heel wat met de hand ingekleurde ansichtkaarten.

Wie de ansichtkaarten van Van Hage eenmaal heeft gezien en de bijbehorende verhalen heeft gehoord, loopt ook als niet-Lisser met andere ogen door het dorp. Eigenlijk staan er zo tussen de dorpsvernieuwingsprojecten in nog best veel woningen uit het begin en het midden van de vorige eeuw. Zo kun je je toch nog een beetje een beeld kunt vormen van het dorpse leven in ooit een echte plattelandsgemeente, in de ware betekenis van het woord.

Het is te hopen dat het lukt de ansichtkaarten van Wim van Hage op een cd uit te brengen. Daar zal in het dorp zeker belangstelling voor zijn.

Wim van Hage heeft zijn collectie ansichtkaarten ondergebracht in grote speciale verzamelalbums.
Graag neemt hij geïnteresseerde bezoekers mee op een wandeling door (oud) Lisse aan de hand van zijn verzamel

 

 

STOLPBOERDERIJ VAN LANGEVELD IN OUDE GLORIE HERSTELD

De stolpboerderij van Langeveld in de Poelpolder is in 1642 bebouwd. Bij de restauratie aan het einde van de twintigste eeuw komen veel originele objecten voor in de erg vervallen boerderij.

door Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Dankzij het feit dat de 17e-eeuwse stolpboerderij aan ‘t Lange Rack 2 (vroeger aan de Ruishornlaan) op de rijksmonumenten-lijst is geplaatst, is zij voor de verre toekomst behouden. De restauratie van het vervallen pand was een immens project, dat dankzij de volharding van eigenaar Cees Horsman in samenwerking met de restauratiearchitect Bob C. van Beek is gerealiseerd. Op het terras achter de voormalige schuur van het complex, met uitzicht op de appelboom, vertelt hij graag over hoe een en ander tot stand is gekomen.

In de jaren negentig koopt de gemeente Lisse de als Rijksmonument aangewezen stolpboerderij met het bijbehorende terrein van krap vijf duizend vierkante meter van de heer Langeveld. De stolpboerderij moet gerestaureerd worden en een openbare bestemming krijgen. Het architectenbureau Bob C. van Beek wordt in de arm genomen om te bekijken wat de mogelijkheden zijn. Wanneer hij zijn rapport presenteert, schrikt het gemeentehuis. De boerderij en een aantal omliggende schuren die hoewel geen rijksmonument, maar wel het bewaren waard zijn, verkeren in een zeer slechte staat. Restauratie zal veel geld vragen, wat voor een gemeente niet is op te brengen. In september 1997 biedt de gemeente Lisse de stolpboerderij te koop aan en legt in een brochure uit wat de aankoop inhoudt. De nieuwe koper is verplicht de boerderij te restaureren, naar de normen van het rapport van Van Beek. In samenwerking met hem moet deze zoveel mogelijk in authentieke staat worden teruggebracht, inclusief de tuin. Vlakbij de boerderij staan immers de oudste bomen van de Poelpolder.

Doodschrik

Gemeente Lisse belegt vervolgens een bijeenkomst waarin belangstellenden de boerderij kunnen bezichtigen. Horsman: ‘We, ik denk vijftien personen, kregen een rondleiding door de gebouwen. Het zag er echt heel slecht uit en ik stak dat niet onder stoelen of banken. Toenmalig burgemeester Van der Kroft meende dat ik expres met mijn opmerkingen de andere gegadigden had weggejaagd, maar ik meende echt wat ik zei.Horsman aarzelt en vraagt zijn broer een oordeel te geven: ‘Mijn broer zei helemaal niets tijdens de bezichtiging. In de auto vroeg ik hem ‘Wat vind je ervan’ en hij zei dat hij zich dood-geschrokken was van de staat van de gebouwen. Hij vroeg zich af wat ik ermee wilde.’ Cees Horsman wil er gewoon wonen en zijn broer meent: ‘Als je dat echt wilt, dan is alles mogelijk.’ Uiteindelijk blijkt Cees Horsman de enige bieder: ‘Later hoorde ik dat het in 1800 al onbewoonbaar is verklaard. Mijn vrouw Ineke is van mening dat het sindsdien onverklaar­baar bewoond is geweest.’ De boerderij heeft weliswaar elektriciteit, maar is niet aangesloten op leidingwater, noch op de riolering. Horsman: ‘De vorige eigenaar heeft zijn water altijd uit een wel bij de boerderij betrokken.’ 

Tekeningen

De muren van het woon- en slaapgedeelte zijn in de oorspronkelijke stijl gebouwd. Je ziet dan ook duidelijk dat de gevel niet loodrecht is, maar van onder naar boven naar rechts afwijkt.

Horsman weet bij de aankoop min of meer waar hij aan toe is. Van Beek heeft de gebouwen nauwgezet opgemeten. De nieuwe eigenaar bezit de tekeningen waarop alle zijden van de te behouden gebouwen staan, zelfs de scheuren staan ingetekend. Van de stolpboerderij staat alles per centimeter op papier, alle balken, maar ook de vroegere voergoot en mestgoot van de koeienstal. Horsman: ‘De stolpboerderij dateert uit 1642, de schuren zijn in 1848 gebouwd en vallen niet onder het Rijksmonument, net zo min als de hooiberg. Vroeger bewaarde men het hooi immers onder de stolp. De hooiberg is veel later gebouwd, met een dak wat in hoogte verstelbaar was, afhankelijk van de hoeveelheid hooi. Van Beek vond het belangrijk het ‘ensemble’ te bewaren, dus ook een deel van de ontwikkelingsgeschiedenis rond de boerderij.Horsman vertelt enthousiast: ‘Wist je trouwens dat een drietal kerkorganisaties uit Leiden ooit een claim legden op het water van deze polders? Zij hebben toen de polders droog laten leggen en verkochten vervolgens de gronden. Daarmee werden de kerkgenootschappen min of meer indirect gesubsidieerd. Uit die tijd stamt ook deze boerderij.’  Met de tekeningen in de hand wordt een plan van aanpak opgesteld. Het zal drie jaar duren voordat Horsman opgelucht en trots kan zijn op zijn stolpboerderij.

Verrassingen

‘We konden niet direct aan de slag. Voor de vorige eigenaar moest eerst een nieuwe woning worden gebouwd en dat duurde langer dan gehoopt.’ Het plan ligt in grote lijnen klaar, maar het is onduidelijk hoeveel verrassingen de boerderij nog in petto heeft. Eerst zullen de schuren worden afgebroken, de grond aldaar opgehoogd en twee ervan opnieuw opgebouwd. Van Beek heeft tekeningen gemaakt over een mogelijke indeling:

‘De eerste tekeningen waren nogal uitgebreid, zoveel ruimte hadden we niet nodig. We hebben een lijstje gemaakt: woonruimte, keuken, een grote en twee kleinere slaapkamers, bad en doucheruimte en een werkkamer. Over de deel, de vroegere koeienstal, was nog geen besluit genomen. Als

woonruimte was dat veel te groot Wel overwoog ik de mogelijkheid er een expositieruimte van te maken. Ik kende een aantal Poolse kunstenaars voor wie ik op die manier misschien iets kon betekenen. En dat zou passen binnen het idee van ‘openbare bestemming’ wat de gemeente ooit had.’

Schuiframen

In augustus 1999 is het zover, de schuren kunnen worden af­gebroken en weer opgebouwd aan de hand van de gemaakte tekeningen in oorspronkelijke stijl. Deze bijgebouwen krijgen als bestemming het slaap- en woongedeelte. ‘In mei 2000 konden we die gebouwen betrekken. In de kozijnen zijn weer schuiframen gezet, maar nu met veren in plaats van het altijd zo onhandige brok ijzer, om de ramen open te houden. De keuken zou een plek krijgen in de stolpboerderij, we hebben tijdelijk een keukenblok in de slaapschuur geplaatst.’

Oude plavuizen

De stolpboerderij zelf is nu aan de beurt. Uit onderzoek is gebleken dat het pand opnieuw onderheid moet worden. ‘De muren van de boerderij stonden op een gemetselde fundering. We hebben binnen de grond tot tachtig centimeter uitgegraven. Bij het verwijderen van de houten vloer kwamen we nog plavuizen tegen die bewaard zijn en later opnieuw gelegd. Er bleken er niet voldoende te zijn, vandaar dat we een rand van andere, overigens ook oude, plavuizen hebben gemaakt. We ontdekten ook restanten van de fundering van een open haard die midden in de keukenruimte moet hebben gestaan. Omdat we er niet achter konden komen hoe die er ooit heeft uitgezien, hebben we daar verder niets mee gedaan. Ook rond het gebouw is een een meter brede strook van tachtig centimeter diep weggehaald. Dat was een heel spannend moment. Er zat beweging in het gehele pand, er bestond een reëel risico dat het zou instorten. En een ingestort gebouw is geen monument meer.

We moesten ondersteuning aanbrengen op allerlei plekken en op regelmatige afstanden gaten maken in de gemetselde fundering, zodat de dertig centimeter dikke laag beton die we zouden storten naar buiten door die gaten kon lopen. Overal is bekisting aangebracht zodat het beton niet verder kon dan waar we het wilden hebben’.

Bekisting

Maar behalve de betonnen vloer is heien noodzakelijk. Voordat het beton wordt gestort, is er op maar liefst tachtig plaatsen een houten bekisting aangebracht als uitsparing voor de heipalen. Ook dat heien is een klus op zich. Ouderwets heien is uiteraard niet mogelijk vanwege het trillingsgevaar en het feit dat een hei-installatie niet binnen in een gebouw zijn werk kan doen: ‘Holle buizen met een lengte van anderhalve meter werden de grond ingebracht, door deze te verzwaren. Wanneer ze nog een randje boven de grond uitstaken, werd er een nieuw stuk aangetast en vervolgens ook weer de grond ingebracht’. En dat tachtig maal tot een lengte van ongeveer veertien meter per buis! De monumentale stolpboerderij heeft nu een degelijk basis. Een nieuwe fase in de werkzaamheden breekt aan.

Rotte sporen

Driekwart van het metsel werk wordt hersteld, een tijdrovend werk: ‘Alle kozijnen gingen eruit en opnieuw erin. Alle scheu­ren zijn hersteld’. Het houtwerk wordt grotendeels vervangen. Horsman: ‘Toen het rieten dak, of wat daar nog van over was, eraf ging, bleken ook alle sporen verrot (sporen zijn de balken die het rieten dak dragen). Dat was wel te verwachten, het rieten dak was zo slecht dat het binnen vrijwel net zo hard regende als buiten. Bovendien hebben deze balken altijd veel last van vocht gehad, een koeienstal is nu eenmaal vochtig’.  De zware houtconstructie blijkt erg aangetast door ondermeer boktorren en alles wat graag in hout zetelt, maar nog wel bruikbaar: ‘Het was gatenkaas. Maar de torren tasten de randen aan en komen nooit in de harde kern van het hout. Omdat die grenen balken zo dik waren, was er geen risico. We hebben die balkenconstructie kunnen behouden, behandeld en hersteld. Er is een nieuw geïmpregneerd rieten dak opgelegd volgens de huidige normen van het bouwbesluit. En de muren zijn voorzien van een vochtwerend middel’.

 

De zuid- en de noordkant na de renovatie van de boerderij

Opkamer

En dan volgt de ‘inrichting’. De binnenmuren worden hersteld, het houtwerk in de verf gezet. De prachtige gewelven van de kelder missen een gedeelte, ooit ingestort. Ook dat ontsnapt niet aan de aandacht en wordt hersteld, drie van de treden naar beneden zijn authentiek. De opkamer, huidige werkkamer van Cees Horsman, heeft nog steeds zijn voor de Nederlander van tegenwoordig te lage deur, maar wel de echte, die uit liefde een extra laagje verf heeft gekregen. De hard stenen drinkbakken in de paardenstal hebben voor het huishouden van Horsman geen functie meer, maar worden wel in ere gehouden. Ineke Horsman verzorgt de maaltijden op de plek waar dat eeuwenlang is gedaan. Er wordt echter geen kaas meer gemaakt en de bak waar de melkbussen stonden, ontbreekt. Ook de tuin doet denken aan vroeger, de moestuin bijvoorbeeld, het weitje. Horsman: ‘Wat kon, is gebleven. We zijn hier ontzettend blij mee, dit is een geweldige plek’.

EIGENAAR CEES HORSMAN RESTAUREERDE SEDERT 1800 ONBEWOONBAAR VERKLAARDE BOERDERIJ DIE AL DIE TIJD ONVERKLAARBAAR BEWOOND IS GEWEEST

DE WILLEMSHOEVE, EEN PARADIJS

De boerderij van Heemskerk, Heereweg 443, heette vroeger De Willemshoeve. Op een kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat reeds een gebouw getekend. De familiegeschiedenis wordt besproken.

door Ine Elzinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Op tweehonderd meter vanaf de Heereweg ligt één van Lisses oudste boerderijen, de ‘Willemshoeve’. Op de kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat hij reeds aangegeven. Er is een tijd geweest dat de bewoners het vrije uitzicht hadden op ‘t Huys Dever, maar die tijd kan de huidige bewoner Jos Heemskerk zich niet herinneren. Tegenwoordig spreekt de familie over boerderij ‘Heemskerk’, gelegen aan Heereweg 443. Jos Heemskerk: ‘De boerderij valt onder monumentenzorg. De buitenkant is nog goed intact Ik vind het prachtig dat er nu eens aandacht wordt besteed aan één van de oudste panden van Lisse.’

Uit het voorouderonderzoek van de familie Heemskerk blijkt dat de streek waarschijnlijk al sinds 1053 door families Heemskerk is bewoond, maar de eersten die op schrift staan, dateren uit 1570. De naam Heemskerk wordt voor de eerste maal in verband gebracht met de Willemshoeve in 1840. In het bevolkingsregister van de gemeente Lisse staat vermeld dat Johannes Verdegaal na de dood van zijn vader op Willemshoeve blijft wonen en in 1840 trouwt met Agnes Heemskerk. Het echtpaar laat alleen dochters na, waarmee de naam Heemskerk de boerderij weer verlaat. In 1894 koopt Willem Heemskerk boerderij Willemshoeve, hij blijft kinderloos en de boerderij wordt in 1920 verpacht aan neef Willem, de grootvader van Jos Heemskerk. Grootvader wordt eigenaar van de boerderij in 1941. Jos Heemskerk heeft de boerderij acht jaar geleden van zijn vader Wim, oorspronkelijk veehouder, gekocht die het beslist in familiehanden wil houden. Jos zowel als vader Wim zijn er geboren en getogen, en ook de kinderen van Jos en zijn vrouw Petra zullen er hun jeugd doorbrengen: Wij gaan hier nooit meer weg en ik hoop dat een van onze kinderen hier later zal blijven wonen.’ De boerderij die dertig meter lang is, heeft in de loop der eeuwen aan velen onderdak geboden. Begin 1900 is het ook de gewoonte dat het personeel inwoont op de stal- of voorzolder. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er veel aan de boerderij verbouwd om onderdak te bieden aan verschillende gezinnen. Maar de buitenkant blijft grotendeels intact. Hoewel de kenner bouwsporen kan vinden van veranderingen die gevolgen hadden voor de buitenkant. De voorgevel staat gericht naar de Heereweg, met links de opkamer met T-venster en daaronder gelegen het kelderraam met diefijzers en luik. Het middelste raam was ooit een deur met bovenlicht gezien de bouwsporen achter de luiken. Deze deur zou toegang hebben gegeven tot de kaaskamer. Het rechter venster was oorspronkelijk kleiner. Het metselwerk van de tuitgevel is in kruisverband gemetseld. De linkerzijgevel heeft twee vensters in de opkamer, waarvan het linker venster in de jaren 1938-1940 is toegevoegd. Verschillende verticale bouwnaden laten zien dat er ook in de jaren daarna regelmatig is verbouwd of uitgebreid.

Bewoonbaar

Als Jos Heemskerk de woning van zijn vader koopt is er ook voor hem werk aan de winkel om het huis naar de eisen van deze tijd bewoonbaar te maken. Zo zijn ondermeer alle elektriciteitsleidingen vervangen. De buitenkant houdt hij zoveel mogelijk in tact: ‘Binnen hebben mijn vrouw en ik wel verbouwd, om er een bewoonbaar huis van te maken. Binnen waaide het nog harder dan buiten.’ Hij wijst op de glas in lood bovenramen: ‘Hef glas in lood zit er nog, maar we hebben er wel dubbelglas achter geplaatst’. Hij loopt door de huidige woonkamer: ‘Vroeger was dit gedeelte de zondagse kamer, daar mocht je doordeweeks echt niet komen. Hier halverwege stond een steunmuur, de zondagse kamer was eigenlijk maar klein’. De steunmuur is met behulp van een aannemer verwij­derd: ‘Daar zag ik zelf geen kans toe, er moest in het plafond een stalen ‘balk worden gemaakt. De rest hebben we allemaal zelf gedaan’. Een half jaar lang zijn hij en zijn vrouw elke avond en elk weekend bezig met de verbouwing, die ondermeer resulteert in een grotere leefruimte met open keuken. Hij wijst op een zijraam: ‘Dit raam is niet oorspronkelijk. Hier was vroeger een kamertje, waar mijn grootmoeder nog een tijd heeft gewoond. Wij hebben er een keuken aangelegd. Het parket heb ik ook zelf gelegd’. Hij stampt op de vloer: ‘Je kunt horen waar de zondagse kamer was, daar ligt een houten vloer onder, de rest is beton.1 Een aantal deuren verdween, of moest worden vervangen: ‘De deur van de wc is nog een authentieke deur, ik heb hem natuurlijk wel geverfd, maar je kunt wel zien dat hij erg oud is, deze deur gaat er dan ook nooit uit. Vroeger gaf hij toegang tot de drankkast, nu dus naar het toilet’.

Rieten zadeldak

De boerderij heeft een rieten zadeldak, aan de zuidkant is het dak bedekt met Oestgeester dakpannen: ‘Vroeger stond hier namelijk een enorme boom, die is begin 1900 omgewaaid. Om een huis met een rieten dak mogen nooit bomen staan, dat is heel slecht voor het riet, riet moet zon hebben. Naast de boerderij staat het zogeheten zomerhuis ook met een tuitgevel, waarvan de voorgevel in de oorlogsjaren is vernieuwd. Jos Heemskerk: ‘Ik weet eigenlijk niet waarom het een zomerhuis wordt genoemd. Wij verhuren het nu aan jong stelletje’. Daarnaast staat een koeienstal, ook hoogbejaard, momenteel in gebruik als hobbyruimte. Jos Heemskerk boert niet, hoewel er wel een paardje staat in een stal van recentere datum en een flink kippenhok. De leilinden voor de boerderij zijn Jos Heemskerk heilig, zoals hij zelf zegt: ‘Ik denk dat ze rond 1750 zijn geplant. Een paar jaar terug maakte ik mij zorgen over een van die bomen, ik heb er Van der Kaaden (hoofd plantsoenendienst gemeente Lisse. red.) bijgehaald. Ik ben hovenier van mijn vak, maar ik weet ook niet alles. Gelukkig viel het mee. De fruitbomen zijn door mijn grootvader geplant, in 1928, vooral moesappelen’.Heemskerk is bijzonder gesteld op zijn boerderij. In zijn woon­kamer vallen twee schilderijtjes van Mustert op, boerderij Heemskerk vanuit twee verschillende gezichtshoeken geschil­derd. Het terrein voor de boerderij heeft hij aangelegd in de stijl van een Engelse formele tuin. Een volkomen symmetrische tuin, met lage ‘heggetjes’, grindpaden en een fontein in het midden: ‘Dat is mijn vak. Maar ook mijn hobby. Ik vind deze echt bij de boerderij passen. En hij is het hele jaar mooi’. Hij troont trots foto’s van de tuin in de sneeuw en volop in bloei: ‘Ik geniet enorm van mijn boerderij en de tuin.’

 

HET EENVOUDIGE DUBBELHOVEN HAD SLECHTS DRIE HAARDSTEDEN

Hulkenberg schrijft in zijn boek ‘t Roemwaard Lisse over buitenplaats Dubbelhoven, dat vroeger een eenvoudige boerderij was. Het gebied heette de Westgeest.

door A.M.Hulkenberg

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De Lissese historicus A.M. Hulkenberg (thans 87 jaar) schrijft in zijn boekje “t Roemwaard L/sse’ het volgende over de boerderij Dubbelhoven aan de Achterweg, hoek Spekkelaan:

Daar zie ik ‘t sierlijk Dubbelhoven, Welks aangename stand verdient een dubbeld loven, Zo om de fraaiheid van ‘t gebouw dat het versiert, Als om ‘t geboomt, waarin ‘t gevogelte tiereliert en ‘t hart van Groeneveld, wanneer hij neergezeten In zijne schaduw, leert al zijn zorgen vergeten

Het sierlijk Dubbelhoven lag aan de noordwestzijde van de kruising Spekkelaan-Achterweg. In 1666 blijkt het nog een eenvoudige woning te zijn. Ze heeft slechts drie haardsteden, waarvoor ƒ 6,- ‘haardsteegeld’ betaald moet worden, veel minder dan voor de andere buitens. Als eigenaar wordt genoemd de heer Doublet. Op de boerderij, misschien wel op de plaats van het huidige Dubbelhoven, woont Teeuwis Heyndricx, twee haardsteden (2 gulden). Dubbelhoven is tot omstreeks 1740 eigendom van de familie Doublet, heren van Groeneveld, gebleven. In 1666 was dit Philips Doublet, rekenmeester van Holland, wagenmeester-generaal, ontvanger-generaal van de Unie etc., die in 1672 overleed. Het gaarderboek van het morgengeld vermeldt in 1698 ‘in de Westgeesten aan de Lijtweg1 opnieuw heer Philips Doublet. In 1708 verkoopt jkvr. Cornelia Doublet hout op Dubbelhoven en in 1723 Francois Doublet, heer van Groeneveld en Meerkerken. Tuinman is dan Quirin Roodenburg. In 1725 ‘mevrouw Doublet, vrouwe van Groeneveld1 en in 1733 weer ‘c/e heer van Groeneveld1. In de komende jaren is Dubbelhoven in het bezit van mr Simon Garbijn van Strijen, burgemeester van Haarlem, die in 1749 hier overlijdt en wiens lijk naar Haarlem wordt ‘uitgevoerd’. Dubbelhoven vererft op de zuster van de overledene, Maria Garbijn, huisvrouw van Quirijn Dabenis of d’Abenes, ‘kapitein ter zee ten dienst dezer landen1. Zij kopen op 14 oktober 1749 het land tussen de Viersteeg en de Lyd- of Achterweg’ en de Heereweg. Daarna richten ze een schrijven tot Hoogheemraadschap Rijnland met het verzoek achter hun buitenplaats een voetpad te mogen aanleggen. Bovendien echter om een ‘zeker laantje aldaar, genaamd de Vijf- of Viersteeg ende aan haar plaats gehorende, met een boom te doen afsluiten teneinde de passage met rijtuigen te beletten1.

Vuursteeg is Viersteeg

Het is opvallend dat hier van de Vijf- of Viersteeg gesproken wordt. Men meende altijd dat vuur werd bedoeld en vertelde zelfs dat tijdens ‘de troebelen’ van deze plek de spits van de kerktoren zou zijn geschoten!

In 1762 wordt op Dubbelhoven een boelhuis gehouden van allerlei boeren- en tuinderijgereedschappen. Ook worden grote hoeveelheden bloembollen verkocht die heel mooie namen dragen: Lieflijke Morgenstond, Rose Illustre, Agatha, Parel van Amsterdam, Feu Amoureux en vele andere meer. Ook bollelaadjes en bakken worden geveild en tentzeil en toebehoor voor de ‘hyacinthenpronkbedden1, die toen zo in zwang waren. ‘Alles saemen bracht ƒ 3.883 en 16 stuivers op. Onder de kopers bevond zich ook de vermaarde kweker George Voorhelm.

Na de dood van zijn vrouw is de kapitein ertoe overgegaan zich delen van   zijn bezit te ontdoen.  In 1767 betreft dit de boerderij Welgelegen, in huur bij Gijsbert Schramade, aan de Heereweg (naast het voormalige politiebureau). Koper is Simon Verdergaal, geboren te Rijnsburg en bouwman in de Zilk. Deze wordt opgevolgd door zijn zoon Jan, gehuwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaans dr. Hun oudste dochter trouwde met Jan Riggel en tot 1923 is Welgelegen in het bezit der familie Riggel gebleven.

 

De boerderij van het voormalige buiten Dubbelhoven staat nog steeds aan de Achterweg. Het pand werd waarschijnlijk omstreeks 1660 gebouwd. Het rietgedekte huis was aan het begin van de 18e eeuw in het bezit van Simon Garbijn, de burgemeester van Haarlem die hier in 1749 overleed.

 

BOERDERIJ MIDDELBURG: LISSESE BOEREN DE GROOTSTE SLACHTOFFERS VAN BRANDSCHATTENDE SPANJAARDEN

De geschiedenis van Boerderij Middelburg wordt besproken. Het is een verkort verhaal van Hulkenberg, dat in het Leidsch jaarboekje stond. De geschiedschrijving begint in 1585 met de troebelen. Het heette daar de Hooge Moschveenen. Middelburg heette toen Moschveen of Mosveen.

Door A.M. Hulkenberg      

bewerking: Arie in ‘t Veld

De boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord ligt buiten de bebouwde kom van Lisse, redelijk verscholen en door weinigen bij het passeren opge­merkt. Het is een hofstede met een geschiedenis van meer dan 5OO jaar. De Lissese geschiedschrijver A.M. Hulkenberg heeft ook over Middelburg gepubli­ceerd en wel in het plaatselijke blad ‘Ons Weekblad’ en in het ‘Leidsch Jaarboekje’. Het oorspronkelijke verhaal van Hulkenberg volgt hier, maar moest helaas worden ingekort.

De geschiedschrijving begint op 17 september 1585, toen Maarten Ruychaver, poorter van Haarlem, een woning met ongeveer 30 morgen land, ruim 25 hectare, in de ‘Hooge Moschveenen’ te Lisse verkocht. Ruychaver had de landerijen in 1579, 1580, 1582 en 1584 gekocht en daarop een boerderij gebouwd. Vroeger heette deze boerderij Mosveen of Mors(ch)veen en de polder waarin hij was gelegen werd de

‘Hooge Morschveenen’ of ‘Hooge Mos(ch)veenen’ genoemd. Na het verdwijnen van de Buitenplaats ‘Middelburg’ is deze naam op de boerderij overgegaan. De boerderij ziet er met zijn gekleurde luiken thans heel fleurig uit, maar zo is het niet altijd geweest. Ruychaver had het geheel gekocht uit drie ‘desolate boedelen1. Ze waren gedesoleerd geraakt ten tijde van het beleg van Haarlem en Leiden of kort daarna, omstreeks 1575, een tijd die wel de meeste trieste genoemd moet worden uit de hele geschiedenis van het dorp Lisse.

Troebelen

Sinds 11 december 1572 werd Haarlem door de Spanjaarden belegerd. De Prins van Oranje had zijn hoofdkwartier op Teijlingen. Beide partijen kampten met chronisch geldgebrek. De wanordelijke huurtroepen stroopten brandschattend het land af. Alle dorpskerken behalve die van Voorhout en Noordwijk brandden uit en boerenhofsteden gingen in vlammen op. Een verschrikkelijke tijd. Geen bescherming, geen vergoeding, zelfs geen medeleven. Men juichte om het ontzet van Leiden, maar de ellende der plattelandsbevolking werd niet geteld. ‘Mer kijk, als ik begin te denken, om mijn voorleden dagen, Zo borst mijn hart van druk. aldereerst, doen Haarlem was beleid, Zat ik op een schone woning te Lis. Daar zag ik al mijn beesten of jagen. Van de papouwen (door de Spanjaarden), daarna mijn woning verbranden. O, droevigheid: Griet, mijn dochter, worde verkracht; Claas, mijn zoon, vermoord; mer ‘t meeste lijd Geschiedde aan mijn wijf, dat ik zag1. Men vraagt zich met ontzetting af, wat er nog erger zou kunnen zijn dan verkrachten en vermoorden. Maar hieromtrent laat Bouwer ons in het ongewisse. ‘D/e schelme vol schande Pijnigden mij nog om mijn geld. Ik mocht ‘f niet, ik heb ‘f er gezeid. Zij namen ‘f altemalen weg en bonne mij wel stijf met bande Aan een paardestaart, mer met groot geluk ontkwam ik haar handen. En raak ik lt Sassem in ‘f leger…1 Deze bouwer (boer)werd ‘patnier1, pionier, waarschijnlijk schansgraver, bij Teijlingen.

De eerste boedel die te koop komt, is die van Willem Jorys, waaruit Ruychaver vijf morgen land opkoopt. Die zijn gelegen tussen Veenenburg dat bezit was van de Haarlemse burgemeester Nicolaas van der Laan, het land van Lysbeth Jacobsdr. van Nyenrode (van Hillegom) en de ‘wildernissen’. De publieke verkoop vond plaats in ‘t huis van Jan Gerrit van Kessel, de herberg De Zwaan aan de huidige Haarlemmer­straat in Leiden. In de deur van de herberg klonk het met luider stem: ‘Sta bij koopluiden, hoort de voorwaarden1. En ‘met open deuren en vensters en brandende kaarsen1, zoals bij een gerechtelijke verkoop gebruikelijk, werd de gehele boedel verkocht. Uiteindelijk wordt Maarten Ruychaver uit Haarlem voor 331 gulden eigenaar.

Middelburg

Ruige Neel

Er is een tweede failliete boedel. Het betreft 18 en een halve morgen land, gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Florysz, die waarschijnlijk vanwege zijn uiterlijke verschijning de bijnaam droeg van ‘Ruygeneel’, Ruige Neel. Hij was getrouwd met Claesje Pauwelsdochter en woonde aan de Heereweg in ‘t Dorp van Lisse. Ook bezat hij land in de Lisserbroek en wel aan de Quadeweg, de huidige Broekweg. In 1579 wordt gesproken van de ‘verlaten en onbeheerde boedel van Cornelisz Jan Florysz, bijgenaamd Ruygeneeltje in de Mosveen’. Waarschijnlijk ligt de huidige boerderij Middelburg op de percelen van Ruige Neel. Kennelijk had Ruige Neel het in 1568 niet al te goed. Hij kon de jaarrente niet opbrengen. Ruige Neel heeft zijn schulden niet kunnen voldoen. Ze zijn later door Maerten Ruychaver afbetaald. Die kreeg in 1584 ook nog in zijn bezit 9 en een halve morgen land uit de boedel van Cornelis Ysbrants Rootgen.

Jan Gerrits Hits

Tenslotte gaat tot het latere Mosveen of Middelburg ook behoren ‘anderhalve hont lants ofte daaromtrent1, een klein stukje dus, dat eigendom was van de duinmeier Han Gerrits Hits. Het grensde aan het bezit van Ruychaver en aan het Nijenrode’s duin, het tegenwoordige tentoonstellingsterrein van Keukenhof. Bovendien lag ‘t naast de desolate boedel van Cornelis Ysbrants Rootgen. Op 29 mei 1582 kocht Maerten

Ruychaver het lapje grond voor ‘een somma van 35 guldenen, c/’een helft gereed (contant) ende danderhelft over ‘n jaar na datum*. Maerten Ruychaver, handelaar in buskruit en een vermogend man, verscheidene malen burgemeester van Haarlem en vanwege die stad ook hoogheemraad van Rijnland, werd geboren in 1547. Hij was de stichter van de hofstede Mos- of Morsveen in üsse. Maerten was een zoon van Willem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem en Guerte Pauwels-dochter van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij te Hillegom getrouwd met Alijt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen, de bekende burgemeester van Haarlem en eigenaar van de hofstede Veenenburg, niet ver van Morsveen verwijderd. Op 25 december 1626 is Ruychaver op zijn buitenverblijf, de hofstede Oostende bij Hillegom overleden. De nieuwe eigenaar van Morsveen, jhr. Arent van Duivenvoorde, was een natuurlijke zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht.

Boer Langeveld

Natuurlijk woonde noch Ruychaver, noch Duivenvoorde zelf op de boerderij. Die was verpacht aan Hendrik Langeveld, zoon van Adriaan Hendriksz Langeveld en Haesje Claasdr. Het is aannemelijk dat de familie Langeveld afkomstig was uit ‘t Langeveld, een paar kilometer ten westen van Lisse. Hendrik Langeveld was getrouwd met Aagje Dirksdr. Het echtpaar had vijf kinderen: Adriaan, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Na de dood van haar man treedt de weduwe als ‘bruikster’, dit is pachteres, op (1612). In 1624 is de pachter haar schoonzoon Adriaan Adriaansz Den Boer uit Noordwijk, met wie dochter Aagje op 11 augustus 1619 te Lisse in het huwelijk was getreden. In 1628 wordt Lenaert Hendriksz als pachter genoemd. De familie Langeveld is lang pachter van Morsveen gebleven.

Cousebant

Morsveen kwam vervolgens in het bezit van de familie Cousebant uit Haarlem. De eerste was de welgestelde katho­lieke Haarlemse brouwer Frans Barendsz Cousebant, die

trouwde met Adriana de dochter van Gerrit Jacobsz Huift die de boerderij met landerijen in 1633 op een veiling kocht. De familie Cousebant bleef tot 1722 eigenaar.

Middelburg en Mo(r)sveen

Op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse den heer, Adriaen Franqoys Cousebant en verklaarde aan de heren Nicolaas en Piter Tjarck te Leiden verkocht te hebben ‘een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse1 waarbij inbegrepen ‘een groter en kleiner bos1. Daar hoorde ook nog een huis met een lapje grond bij aan de Leidse Vaart (thans Stationsweg 180), een loosterkamp en ‘De Breede Boekamp’ in de Lisserbroek, Alles te samen voor 8000 gulden ‘in gereden gelde1. Pachter van Mo(r)sveen was thans Jacob Janse Naardenburg, die zijn bejaarde vader in dezen was opgevolgd. Op 18 mei 1717 was Jacob Janse ‘wettelijk getrouwd in ‘t Rechthuis te Lisse’ (De Witte Zwaan) met Weyntje Maartens van der Meer uit Voorhout. De volgende dag wordt in de schuurkerk aan het Mallegat ‘in facie ecclesiae’ het huwelijk kerkelijk gesloten. Jacob Janse is echter niet zeer oud geworden. Weyntje hertrouwt – maar dan niet in gemeenschap van goederen – met de welgestelde Warbout Jurriaense Vreeburg, van wie men overal in Lisse percelen aantreft, ook in de Hooge Mosveenen.

Op 4 oktober 1745 is mr. Pieter Tjark te Leiden overleden. Onder zijn nalatenschap, gedateerd 20 april 1750, lezen we ook onder punt 5 van de inventaris: Hofstede Middelburg met woning en 73 morgens & 20 1/4 roe lands. Mr. Nicolaas Tjark, met wie hij het bezit aanvankelijk had gedeeld, is nog in leven, maar wordt niet meer als mede-eigenaar genoemd. Mr. Pieter had twee dochters. De oudste, Petronella Geertruida, kwam in 1749 op de buitenplaats Middelburg te overlijden. Zo bleef nog over de jongste, Maria Jacoba Johanna, die op de genoemde 20ste april 1750 huwde met Jean Baptiste Francois George graaf van Oultremont de Warfusee.

Op 20 januari 1781 wordt Middelburg oftewel Morschveen verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, ‘in gereden en contanten gelde, alles zonder bedrog’. Egbert Bosch (geboren op 25 juni 1721) was de zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Zijn ouders waren in 1718 getrouwd en twintig jaar later, na het overlijden van zijn eerste echtgenote, hertrouwde de weduwnaar met Cornelia Veer. Egbert is altijd ongehuwd gebleven. Wel was hij als doopsgezinde van de lucratieve bestuursbanen uitgesloten, maar hij had het toch tot een aanzienlijke staat van welzijn gebracht. In Lisse bezat hij de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart niet ver van de brug bij Halfweg, waar hij ‘s zomers gaarne vertoefde. Hij was dus bijna zestig jaar oud toen hij de boerderij Middelburg kocht. Op 2 mei 1788 is de heer Bosch in zijn huis aan de Keizersgracht in Amsterdam overleden.

Morsveen en Zandvliet

De heer Bosch is overigens niet lang in het bezit van Morsveen/ Middelburg geweest. Op 11 december 1783 heeft hij de boerderij voor 6000 gulden verkocht aan Matthijs Ooster. Die was op 28 oktober 1747 te Amsterdam geboren als zoon van Matthijs Ooster en Maria Cornelia Quenelon. Stamvader van de familie was Matthijs Ooster, die zich in 1610 als laken-rapenier vestigde in Leiden.

Zijn kleinzoons, Matthijs en Wouter, trokken naar Amsterdam en daar is de familie tot grote welstand gekomen. ‘Onze’ Matthijs Ooster was een voornaam koopman en assuradeur op de Heerengracht, commissaris, schepen in 1777 en als oud-schepen door de erfstadhouder Willem V op 17 november 1787 geremoveerd. Verder was hij regent van het Leprozenhuis, directeur van de Levantse Handel en sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Sandvliet of Zandvliet te Lisse, waarvan de landerijen zich uitstrekten van de Heereweg tot aan de Leidse Vaart. Ooster was in 1772 getrouwd met Clara Hillegonda Hooft (1749-1800). Hun drie kinderen, waaronder opnieuw een Matthijs, zijn niet oud geworden. Ooster huwde nog tweemaal en is als een krasse oude baas in 1842 te Utrecht overleden. Door de aankoop van Middelburg is het terrein van Zandvliet nog meer uitgebreid en afgerond.

Het einde van Zandvliet

Op 14 mei 1797 heeft Matthijs Ooster Middelburg verkocht aan Lucas JMzn Boon, koopman te Rotterdam. Een week eerder was Zandvliet, inclusief Middelburg zoals het nu genoemd wordt, reeds in de veiling gebracht. Boon kocht Middelburg met ‘zijne paarde- en beestestallen, schuur en barg, bossen, wei-,hooi-, en teeltlanden’, circa 62 morgen grond voor ƒ 8.000,- en een custingbrief (schuldbrief) van ƒ 5.000,-. Verscheidene malen kocht Boon – al of niet insolvente – boedels op, die hij later weer doorverkocht. Ook van zijn Lissese goederen heeft hij zich spoedig weer ontdaan. Op 22 april 1800 wordt Middelburg verworven door Simon Petrus Joosten. Nu is Middelburg, zoals de boerderij thans haast altijd wordt genoemd, los van Zandvliet, waarmee het sinds 1784 verbonden was, en het nadert nu Keukenhof. Joosten was namelijk gehuwd met Sara van Hoboken, een dochter uit het eerste huwelijk van de weduwe Eyssing-Scheltes, de eigenaresse van Keukenhof.

Boer Leenslag

In november 1806 overleed de pachter van Middelburg, boer Wouter van der Zwet. Zijn zoon Simon was pachter van het ‘bouwhuisje1 aan de Delfweg (Stationsweg) “t Lammetje Groen’, dat ook door Joosten was aangekocht. Voor Middelburg was er geen opvolger. Op 9 april 1807 werd boelhuis gehouden en als pachter vestigde zich er nu Jacob Leenslag.

Op 2 juli 1808 overleed in haar huis aan de Keizersgracht te Amsterdam de eigenaresse van Keukenhof, Anna Scheltes. Van haar beide dochters was de oudste nog in leven, maar het was bepaald, dat de jongste, Sara van Hoboken, Keukenhof zou erven. Op 28 oktober 1796 was Sara getrouwd met Simon Petrus Joosten, zoon van Jan Hendrik Joosten. Sara stierf in 1870 en ofschoon zij niet in gemeenschap van goederen waren getrouwd, was Joosten toch testamentair haar universele erfgenaam. Op 2 juli 1808 zijn dus Middelburg en Keukenhof verenigd. Nauwelijks is echter Joosten in zijn rechten getreden, of hij biedt Keukenhof en al zijn verdere eigendommen te Lisse weer te koop aan.

Schatrijk

Op ‘c/en 2e van Weijnmaend 1809′ werd Keukenhof met alles wat ertoe behoorde, dus ook Middelburg, aangekocht door de schatrijke mr. Johan Steengracht van Oostcapelle (1782-1846), een Haagse patriciër van Zeeuwse herkomst. In zijn handen en in die van zijn nazaten is Keukenhof behouden gebleven. Van 1846 tot 1899 was dit jkvr. Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne baron van Pallandt. Daarna haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt, gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden. Na haar dochter in 1923 volgde haar zoon Jan Maurits Dideric graaf van Lynden, gehuwd met Aurelia Elisabeth gravin van Limburg-Stirum. Na het overlijden van zijn vader op 25 november 1930 kwam Keukenhof met Middelburg in het bezit van de zoon Jan Carel Eilas van Lynden. Reeds dadelijk is mr. Steengracht ertoe overgegaan zijn gebied uit te breiden en af te ronden. Het is de Franse Tijd, een moeilijke tijd, maar geld schijnt bij hem bij de aankopen geen rol te spelen.

In de geschiedschrijving is er vervolgens een leemte. Tot 1982. In dat jaar meldt de familie Van Graven zich op Middelburg om daar een bestaan als boer op te bouwen. En sindsdien zijn het de generaties Van Graven die op Middelburg met trots de scepter zwaaien.

Boerderij Middelburg aan de Loosterweg-Noord net buiten Lisse in al zijn glorie. De hoeve heeft een historie van meer dan vijfhonderd jaar

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS STAKEN VOOR 16 GULDEN LOON PER WEEK

Besproken wordt het resultaat van diverse stakingen in 1913 en 1914. Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van 16 euro. De staking duurde 14 dagen.

Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De arbeiders in de bloembollen-sector (de bloemistknechts) heb­ben vele jaren op de barricades vertoefd om betere arbeidsvoor­waarden te bereiken. Dat ging lang niet altijd zonder slag of stoot en ook hadden die inspanningen niet altijd succes, maar de arbeiders hadden een machtig wapen ont­dekt en wierpen dat in de strijd. Er werd gestaakt! En voor dat fenomeen hadden de werkgevers begin 1900 respect. En na de staking in 1913 en de bijna-staking in 1914 klauterden de arbeiders opnieuw op de barri­caden. Eerste Wereldoorlog is uit­gebroken. Nederland staat daar buiten, maar aan de omhoog schietende prijzen zou je dat niet zeggen. De lonen zullen dus ook moeten stijgen.

Eis: 17,75 gulden per week

In 1917 componeren de drie landarbeidersbonden een voorstel dat opnieuw een loons­verhoging beoogt. Men wilde een loon van ƒ 17,75 per week. De werkgevers menen dat vijftien gulden genoeg is, maar zijn later bereid tot ƒ 15,50 te gaan. De arbeiders zakken naar ƒ 17,- en als de ondernemers dan verklaren dat ze niet verder wensen te gaan dan ƒ 16,- barst de bom. Op 10 april 1918 is de staking een feit. De werkgevers laten weten dat de staking vóór de 15e april opgeheven dient te zijn, want anders zal men voor het

gehele gewest de ‘uitsluiting’ afkon­digen. Het helpt niet veel. De werk­gevers vormen geen eenheid. De ene firma doet wel mee aan de uit­sluiting van arbeiders die gestaakt hadden en de ander niet. Bij de sta­king zijn ongeveer 1100 arbeiders betrokken.

Twee weken

Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van ƒ 16,-. Het conflict dat in totaal veertien dagen duurde, behoorde hiermee tot het verleden.

Bloemistknechts aan het werk op het veld. Ze verwijderen kwaadbodems, abnormaal groeiende hyacinthen met een houtje, snotkoker, emmers en afgedekte kruiwagens, (foto: collectie Arie in ‘t Veld, mei 1923)

WELGELEGEN WAS EERST EEN ZOMERHUIS

Boerderij Welgelegen behoorde ooit tot buitenplaats Dubbelhoven. Het lag op de hoek van de Heereweg en Vuursteeglaan. De bewoners vanaf 1767 worden besproken.

Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Boerderij Welgelegen, aan de Heereweg gelegen, heeft vele bewoners gekend. In de boeken “t Roemwaard Lisse’ en ‘Keukenhof van A.M. Hulkenberg staan hun namen opgetekend, evenals de wijze waarop de boerderij in andere handen overging, door verkoop of vererving. Ooit behoorde Welgelegen bij buitenplaats Dubbelhoven, dat gelegen was aan de noordwestzijde van de kruising Spekkelaan-Achterweg.

Dit buiten is geruime tijd in bezit geweest van kapitein Quirin Dabenis of d’Abenes. Na het overlijden van zijn vrouw heeft hij delen van zijn bezit van de hand gedaan waaronder in 1767 boerderij Welgelegen aan koper Sijmon Verdegaal. Rond 1800 laat Jaap Biggel het pand naast boerderij Welgelegen bouwen op de hoek Heereweg – Vuursteeglaan (nu nog bekend als het voormalig politiebureau), waar hij gaat wonen. Zijn buurman is de zoon van Sijmon Verdegaal, Jan Verdegaal. Deze is getrouwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaansdr en heeft twee dochters. De oudste dochter Marietje trouwt met Jan Riggel en de boerderij zal tot 1923 in bezit van de familie BRiggel blijven. Marietje en Jan hebben geen kinderen en laten boerderij Welgelegen na aan hun nicht, Agnes van Buiten. Zij trouwt met Jan van der Salm, de grootvader van de huidige bewoner Jos van der Salm. Boerderij Welgelegen is in 1983 gesloopt, alleen het bijbehorende zomerhuis is bewaard gebleven. Uit welke tijd boerderij en zomerhuis precies dateren is niet bekend.

Jos van der Salm is in het zomerhuis van boerderij Welgelegen geboren. Zijn grootouders hebben het boerenbedrijf lang in stand gehouden en bezaten land in de Poelpolder. Van der Salm: ‘ík weet dat er in het winterhuis later ook een flessen-spoelerij is geweest. Om die reden is het rieten dak toen vervangen door een pannendak. De boerderij is verkocht aan de gemeente en in 1983 gesloopt.’  Op deze plek tussen het voormalig politiebureau en het zomerhuis verschijnt het moderne gebouw van het arbeidsbureau, tegenwoordig Centrum voor Werk en Inkomen geheten. Liesbeth van der Salm: ‘Ik vind het eerlijk gezegd nog altijd een gebouw dat hier niet op zijn plaats is. De heg tussen de boerderij en het CWI-gebouw bewaakt de sfeer van het landelijke karakter rond de boerderij.

Een aantal jaren eerder is Jos van der Salm bang geweest dat de boerderij in zijn geheel het veld zou moeten ruimen: ‘Ze hadden de Westelijke Randweg precies door de boerderij getekend! Ik heb er nachtenlang niet van geslapen. Dat het het gemeentebestuur ernst is geweest, blijkt uit een plattegrond van Lisse uit 1978. Op deze kaart staat de Westelijke Randweg met stippels aangegeven en inderdaad dwars over het terrein van boerderij Welgelegen. Gelukkig komt het gemeentebestuur tot inkeer en krijgt de Westelijke Randweg een zuidelijker aansluiting op de Heereweg.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog betrekken de ouders van Jos van der Salm het zomerhuis van Welgelegen na een grondige verbouwing om het voor wonen geschikt te maken: ln een van de voorkamers stond een ketel waarin het voer voor de koeien werd gekookt. Er was nooit gewoond.De huidige huiskamer, met het authentieke balkenplafond, bestaat dan nog uit twee vertrekken: “toen wij de woning betrokken, hebben we er één woonkamer van gemaakt, met behoud van het balkenplafond.’  De deur aan de noordzijde van het pand leidt naar de bijkeuken, waar allerlei details nog wijzen op een ver verleden. De grote waterbak is nog steeds in gebruik. Vroeger is deze, gevuld met koud water, gebruikt om de bussen melk te koelen die enkele dagen later werden opgehaald. Nu is zo’n grote bak heel handig wanneer je bijvoorbeeld met vuile laarzen thuiskomt. Het houten rek er boven biedt ook nu nog plaats aan emmers, maar die bevatten tegenwoordig geen melk meer.

Van der Salm doet er veel voor om de boerderij, die in tegenstelling tot de woningen aan de overkant van de Heereweg op een strandwal is gelegen, zoveel mogelijk in stand te houden. Hij houdt van het huis en wil het zo authentiek mogelijk houden. En dat is veel werk. De muren bestaande uit vier centimeter smalle steentjes, het zogeheten waalformaat, vertonen nog geen enkele scheur, maar moesten nog niet zolang geleden opnieuw worden gevoegd. De dakpannen zijn vernieuwd, nadat er door een zware storm, twaalf jaar geleden, menig dakpan naar beneden kwam: ‘Er lagen oudhollandse dakpannen op, maar daar kan de wind gemakkelijk onder komen en dat gebeurde in die hoek nogal eens. Er liggen nu nieuwe verbeterde Hollandse pannen op en natuurlijk rode.

De stallen aan de achterzijde van de boerderij onder hetzelfde dak gelegen zijn nog voorzien van de authentieke houten pen verbindingen. De dakkapellen horen eigenlijk niet zo bij dit oude pand, maar die laat Van der Salm maar zo. De zolder is immers als woonruimte in gebruik. Hij vindt het wel erg spijtig dat het hek met de naam Welgelegen bij de sloop van het noordelijke pand ten onder is gegaan: ‘We kwamen thuis en het hek was verdwenen, gewoon meegesloopt’ . De losstaande schuren die bij de boerderij behoren, zijn niet zo oud. Maar de sfeer van het oude boerenerf is nog in geheel intact en wordt door Van der Salm in ere gehouden.

Het echtpaar is erg blij met hun woning niet in de laatste plaats omdat het zomerhuis een geschiedenis heeft en al lange tijd in handen is van de familie. Liesbeth van der Salm, die zelf in Den Haag opgroeide: ‘Mede door het weitje is het hier uniek en heel landelijk wonen. En we boeren nog steeds, kleinschalig en als hobby. We hebben vier koeien en een aantal schapen. In het voorjaar staan de lammetjes in de wei. Ik vind dat geweldig. De waterput voor het huis is een tijdlang buiten gebruik geweest, maar hij doet het weer, en ik gebruik dat water ‘s zomers voor de planten.

De boerderij Welgelegen aan de Heereweg, naast het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), dat vroeger het Arbeidsbureau heette. Op de boerderij wordt tegenwoordig kleinschalig geboerd. Oorspronkelijk behoorde het pand tot het buiten Dubbelhoven dat het in gebruik had als zomerhuisje.