Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

PROBLEMEN MET BRUGGEN IN DE 16E EN 17E EEUW

In Lisse zijn vanaf de 16de eeuw veel bruggen over zandsloten gemaakt in de Heereweg en de Achterweg. Besproken worden De Engelenbrug, De Staalbrug, de Jannetjesbrug, De brug over de Vennesloot in de Achterweg, De Zemelbrug, en de Lisserbrug.

 

door R. J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Onderhoud bijzaak door desinteresse in wegtransporten

In Lisse zijn vanaf de 16de eeuw heel wat bruggen gelegd. Dat kwam omdat veel duingronden die Lisse toen rijk was, in die tijd zijn afgegra­ven. Daarvoor werden vaarten gegraven die bijna alle in oost-west rich­ting liepen naar de Haarlemmermeer, via welke het zand naar de ste­den werd getransporteerd voor ophoging van wegen en bouwplaatsen. Daarbij werden de noord-zuid lopende wegen zoals de Heereweg en de Achterweg doorsneden, waardoor er vanaf ongeveer 1550 een belangrijk aantal bruggen in deze wegen moest worden gelegd.

Aanvankelijk waren de bruggen van hout, maar vanaf de 17de eeuw werden ze bijna allemaal vervangen door gemetselde stenen bruggen. Dit vergde minder onderhoud. Dit laatste bleef echter wel noodzakelijk en maar al te dikwijls werd dit vergeten of veronachtzaamd. Daardoor vormden zij obsta­kels voor het verkeer. Dit temeer, omdat vele bruggen hoog lagen met tame­lijk steile op- en afritten. Zij moesten immers doorvaart mogelijk maken voor de zandschuiten en ander watertransport. Dergelijke constructies gaven problemen voor het zware wegtransport, zoals in de 19de eeuw de diligence­diensten van Van Gend en Loos. Vooral met betrekking tot een zestal brug­gen in Lisse zijn over deze problemen in de archieven gegevens bewaard gebleven, namelijk de Engelenbrug, de Wassergeester- of Staalbrug, de Jannetjesbrug , een brug over de Vennesloot (“Santvaert”) in de Achterweg, de Zemelbrug en de Lisserbrug (in 1810 Zandvlieterbrug genoemd).

De Engelenbrug, 1842

Zoals gezegd zijn bijna alle vaarten gegraven voor de afvoer van het afgegra­ven zand van de binnenduinen. Dat is echter niet het geval met het Mallegat, een watergang die in 1589 werd gegraven voor de afvoer van overtollig water uit de Lage Venen. De brug die in de Heereweg over deze “water­lozing” lag, heette de Engelenbrug, vernoemd naar de nabijgelegen buurt­schap De Engel. Wanneer deze brug tot een stenen brug is verbouwd, is niet bekend.

In een rapport van de Ingenieur van Waterstaat uit 1842 lezen we, dat twee rijtuigen elkaar niet konden opmerken “wanneer zij elkander bij de brug tegemoet komen” (omdat hij zo hoog was). Vooral na een reparatie in 1823 was een gevaarlijke situatie ontstaan. Er was toen ter versteviging een houten wegdek aangebracht, waardoor “de beide keermuurtjes (muurtjes langs de op- en afritten) evenredig verlaagd waren, zoodat kort geleden de paarden van eene diligence (…) over deze te lage muurtjes zijn gesprongen, en ware de boom (verbinding tussen wagen en paarden) als toen niet gebrooken, waardoor het rijtuig op de brug bleef staan, dan zouden de gevolgen zeer treurig zijn geweest”.

Zwaertens!

Van Gend en Loos, die deze lijndienst uitvoerde, is natuurlijk gaan klagen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De brug moest “onverwijld” door de gemeente Lisse, die de eigenaar was, worden verlaagd of diende aan het Rijk te worden afgestaan. Burgemeester Van der Berg van Lisse reageer­de verontwaardigd in een brief van 11 maart 1842 : “Die diligences zijn gewoonlijk zoo overdreven zwaar geladen, dat de afgematte paarden de kart onmoogelijk ten eenige hoogte optrekken kunnen”. Hij voegt er aan toe: “Zwaertens! waarvan bij de doorrijding het gehele dorp schud en venstergla­zen rinkelen”. Verder vraagt hij zich af, of het feit dat de paarden over het keermuurtje sprongen, niet aan “een slegte besturing van de rijder te danken is” en of het niet “aan de Directie van den Straatweg zouden bekomen” om de weg op zowel de op- als afrit wat hoger te maken. Op één punt geeft de burgemeester wel toe: hij wil de brug wel aan het Rijk afstaan. Na toestem­ming van het Hoogheemraadschap van Rijnland (die vlot wordt verkregen), vindt de overdracht aan de Rijksoverheid plaats. Nadien zijn geen meldingen van problemen meer bekend.

De Wassergeester- of Staalbrug 1810

Deel van een prent van de tuin van Wassergeest. Op de achtergrond de gemetselde Wassergeesterbrug (later Staalbrug) door B.H.Thier (GA Leiden prentverzameling)

De huidige Staalbrug werd in de 19de eeuw de Wassergeesterbrug genoemd, omdat hij bij de buitenplaats Wassergeest hoorde. In 1594 had Dignum Jansz. de Roo, pachter en later eigenaar van een boerenbedrijf ten zuiden van de landerijen van Dever, een vaart laten graven voor de afzanding van een duingebied tussen de Heereweg en de Achterweg. In de 17de eeuw liet Adriaen van der Laen, eigenaar van Wassergeest, de houten brug vervan­gen door een gemetselde.

In de periode dat D.R J. van der Staal van Piershil eigenaar van Wasser­geest was (begin 19de eeuw), ontstonden er problemen. In oktober 1810, de Franse Tijd, liet namelijk de prefect van Maasland in verband met een even­tueel bezoek van “de Keijzer der Franschen” een onderzoek instellen naar de gesteldheid van bruggen en wegen in zijn gebied. In dit rapport lezen we dat de Wassergeesterbrug een “reparatie behoeft in de kruin” en dat “aan een der hoeken het metzelwerk van het land-Hooft onder de kruin zeer ver­vallen is”. De landmeter van Rijnland voerde een tweede inspectie uit en vond dat het nog wel meeviel: “Alleen heb ik aan de brug van den Wei-Edelen Heer Van der Staal een klein defect gevonden aan de vleugel waarvan het repareren wel tot een volgend jaar uitgesteld zoude kunnen worden”. Rijnland bericht dan ook aan de prefect zich gaan zorgen te maken, maar voegt daaraan toe: “Echter de Eigenaar van deezen brug aangeschreeven te zorgen dat dezelve in een voortdurende bequame staat gehouden wordt”. In 1842 blijkt van een reparatie nog niets, want dan klaagt Van Gend en Loos niet alleen over de Engelenbrug, maar ook over de vervallen staat van de Wassergeesterbrug, die was gebleken “door uitzetting zich in eenen gebrekki-gen staat te bevinden”   Ook voor deze brug gold: “de gebreken ten spoedigsten naar behoeven te herstellen” of anders “zich bereid te verklaren of hij (de eigenaar) genegen mogt zijn (die brug) op billijke voorwaarden aan het Rijk af te staan”. Uiteindelijk koos Van der Staal voor de gemakkelijkste weg: hij stond de brug af en was daarmee verlost van het vervelende onderhoud.

De Jannetjesbrug 1666-1836 (‘Van der Laens Brugge’ of Zandertjesbrug)

Vanaf de 16de eeuw lag deze brug in de Heereweg over de Verlaner Zand-sloot (Vennesloot), die werd gegraven in opdracht van Cornelis van der Laen in 1554 voor het transport van zand afkomstig uit het gebied tussen de Heere­en Achterweg tegenover zijn huis Ter Specke. In 1604 werd deze sloot door­getrokken tot aan het Keukenduin, tegenover de huidige begraafplaats Duin­hof. In 1662 kwam het gebied in handen van Pieter Six en daarmee ook de latere Vennesloot, lopende van de afzanderij in het Keukenduin tot aan de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Six bezat de buitenplaats Grotenhof aan de Achterweg, juist op de plaats waar de Vennesloot deze weg kruist. Ook Six deed slechts weinig of niets aan het onderhoud van de brug “soodanigh dat door het continueel overrijden van de waegens te bedueghen staat dat daer een groot ongeluck soude kunnen gebeuren”. Van der Laen, eigenaar van het naburige Wassergeest, gold als een niet bijster gemakkelijk mens. Hij spande een proces aan over deze zaak, die zelfs reikte tot aan de Hoge Raad, maar “ongedecideerd” bleef hangen. Later is toch nog een akkoord bereikt, want: “onverminderd ende sonder prejudicie vant voorsz. proces is verdrae-gen dat bij den Suppliant seeckere Brugge, genaemt Van der Laens Brugge (…) soude werden gerepareert ende wederom bequam gemaekt”. Kennelijk is de reparatie goed uitgevoerd, want wij lezen niet meer over klachten.

In de 18de eeuw wordt voor het eerst de naam “Jannetjesbrug” gebruikt. Waar deze naam vandaan komt is onbekend: er is geen enkele eigenaar geweest met de naam Jan. Misschien betreft het een verbastering van “zandertjesbrug”.

In de 19de eeuw is ook deze brug eigendom van Van der Staal van Piershil. Deze had de brug eigenlijk alleen gekocht vanwege de daarmee verband houdende afzanding. Overigens had hij er kennelijk geen belangstelling voor, met het bekende gevolg: verwaarlozing en verval. In 1836 krijgt Van der Staal dan ook een brief van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, waarin hij werd verplicht de belangrijke brug direct te herstellen. Het bestek daarvoor diende snel opgestuurd te worden, wat zowaar gebeurde, waarna het binnen een week werd goedgekeurd. “Wordende de requestrant als nu uitgenodigd om aen den opziener des wegs de vereischte kennis te geven, zoo dra met het werk eenen aanvang wordt gemaakt”. Uit het bestek blijkt dat werd gekozen voor een vlakke brug: “In plaetse van een wulf (gemetsel­de boog) zal op dezen brug eenen houten dek worden gelegd”. Aan beide einden van de brug zal men ‘s avonds een lantaarn laten branden. Een wel heel wat romantischer beeld dan tegenwoordig!

De brug over de Vennesloot in de Achterweg, 1853

Toen de Vennesloot (Verlaener Zandsloot) werd verlengd tot achter het huis Ter Specke, werd een brug in de Achterweg over deze vaart noodzakelijk. Een en ander moet in de 16de eeuw hebben plaatsgevonden.

In de 19de eeuw hoort deze brug bij het uitgebreide landgoed Wassergeest. In 1853 is het landgoed in handen van Johan Frederik Steengracht, die het echter in huur afstaat aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt. Tegen die tijd was echter de bovenvermelde brug allang in verwaarloosde toestand. Baron Van Pallandt schrijft dan ook in 1853 aan het Hoogheemraadschap van Rijnland dat hij “het hoogst noodig acht den brug aan de Achterweg over de zandsloot van Wassergeest, zoo dra mogelijk te doen repareren”  De zoveelste brug die door nalatigheid van Van der Staal in slechte toestand ver­keerde. En dat voor iemand die in de Franse Tijd als maire (burgemeester) had gefungeerd.

 De Zemelbrug, 1804

De Zemelbrug in 1953. (Coll GA Lisse

Deze brug ontleent zijn naam aan de Zemelpolder, dat zich bevond tussen de Vennesloot en de Eerste Poellaan. De eerste brug op deze plaats werd gelegd in 1623 toen de Ringsloot werd gegraven ten behoeve van de droog­legging van de Lisserpoel.

Na de verwoesting door de overstroming van de Lisserpoel werd hij te laag over het water herbouwd, waardoor de zandschuiten niet meer konden passeren. De hiertegen protesterende Van der Staal werd in het gelijk gesteld, maar moest uiteindelijk zelf voor de kosten voor een verbetering opdraaien.

De Lisserbrug, 1810

Deze brug ligt in het zogenaamde Oosteinde, aan de noordzijde van Lisse en wordt in 1810 ook wel de Zandvlieterbrug genoemd. De vaart die onder deze brug doorliep werd in het begin van de 17de eeuw gegraven door Aert van der Hoogh. Deze kruiste met een bocht naar rechts de Heereweg, waar aldus de latere Lisserbrug werd gelegd. Later kwam deze brug onder het beheer van de buitenplaats Zandvliet en daarna onder dat van het ambachts-bestuur van Lisse. Bij de eerder genoemde inspectie van wegen en bruggen in 1810 werd ook de Zandvlieterbrug in slechte staat bevonden: “aan de brug (…) genaamd De Zandvlieterbrug (…) de metzelwerken zoo aan de Wulf (de overwelving) als aan de Landhoofden op onderscheidene plaatsen zijn uitgevallen en generaal de kalk der voegen uitgeteert, de houte leuningen zeer vervallen en een der vleugels van dezelve geheel is verrot”. Bij een tweede inspectie bleek dat “de zuidelijke hoek van de regtsstandse muur van het zoomerwater (het waterpeil in de zomer) af tot onder tegen de boog zeer ontramponeerd (vervallen) was, zoodat de brug op die plaats geen steun had, maar alleen gehouden werd door het bovenwerk”. Een voor het verkeer zeer gevaarlijke situatie dus. Rijnland meldt hierop aan de prefect van Maasland, dat het ambachtsbestuur van Lisse is aangeschreven met de opdracht de brug zo snel mogelijk te repareren. Het is onbekend wat het effect daarvan was.

De oorzaken

De uit de archieven blijkende klachten en problemen betreffende de bruggen binnen het gebied van Lisse zijn terug te voeren naar twee oorzaken. In de eerste plaats de geringe belangstelling van de igenareivl3eheerders van deze voor het transport te land  Anderzijds nam het wegverkeer vooral in de 19de eeuw sterk toe, zowel in intensiteit als gewicht van vervoerde vrachten en de gewenste snelheid waarmee dit diende te gebeuren (postkoetsen!), wat mede werd gestimuleerd door verbetering van de wegen en de verharding daarvan. Pas toen het beheer en onderhoud van de essentiële bruggen in handen kwam van hogere overheden, verbeterde de situatie afdoende.

 

HET TWEEDE LEVEN VAN DE GRACHTBRUG

Lisser Chris Balkenende bouwde prachtige replica. De oorspronkelijke bouwtekeningen van de ophaalbrug over de Gracht naar de Schoolstraat was aanleiding voor Chris Balkenende om een maquette te maken van de brug en omgeving. Chris vertelt ook over het ontstaan van de brug en school de Akker.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Er zijn veel inwoners van Lisse die oude ansichtkaarten van het dorp sparen. Ook zijn er velen die naast kaarten ook foto’s bij hun verzamel­ing voegen. En er zijn Lissers die nog verder gaan en ook oude verhalen bij elkaar sprokkelen en alles wat ze van de geschiedenis van Lisse in woord en beeld voor de voeten komt, vergaren. En: er zijn Lissers die dat alles al jarenlang doen, maar bovendien het enthousiasme en kunde hebben om een stukje oud Lisse te herbouwen. Tot die laatste categorie mag Chris Balkenende worden gerekend.

In zijn woning in de Lisbloemstraat is, nog zonder dat er één van de vele plakboeken tevoorschijn is gekomen, duidelijk waarneembaar dat hier een ‘Lisse freak’ bij uitstek woont. En degenen die deelgenoot van zijn enthou­siasme worden, zullen het dan misschien ook nog mogen beleven dat ze een blik wordt gegund op een stukje oud Lisse op de schaal van l : 20. Daar moet dan wel het nodige voor gebeuren, want het heeft heel wat voeten in aarde voordat Chris Balkenende de grote, door hem gebouwde replica van de voormalige brug over de Gracht naar beneden heeft getransporteerd. De brug die aan het begin van de vorige eeuw de huidige Schoolstraat met de Kapelstraat verbond en de enige verbinding vormde die leidde naar en van de school van de Gereformeerde Gemeente.

Lantaarns op schaal

Bij de viering van het tienjarige jubileum van de Vereniging Oud Lisse werd de ‘brug van Balkenende’ voor het eerst tijdens de expositie in De Gevulde Mand aan het grote publiek getoond en op verzoek van de redactie van de Nieuwsblad van Oud Lisse sjouwde Balkenende het gevaarte onlangs opnieuw naar beneden, stofte het geheel af, ontstak de niet van de oor­spronkelijke (weliswaar op schaal) te onderscheiden lantaarns en de tijd van het zich vergapen was aangebroken. Een prachtige replica, tot in de details nagebouwd en als je de visite zat bent, haal je gewoon de brug op en klaar is Kees. Maar dat is geenszins de bedoeling van de gastvrije Balkenende, die elke gelegenheid aangrijpt om zijn opgedane kennis over oud Lisse uit te dragen en zo mogelijk te verrijken met de verhalen en opmerkingen die de bezoekers over vroegere jaren op hem loslaten. Niets voor niets en in dank slaat hij die informatie op om deze ten gunste van zijn gigantische verzameling te gebruiken.

Brug boeide

Het herbouwen van de brug werd door Balkenende aangepakt omdat hij daartoe wegens omstandigheden in de gelegenheid kwam. Een schitterende tijdsbesteding. “De brug en ook de hele omgeving ervan, heeft me altijd erg geboeid. De school, de brug, de aan- en afvoer van goederen per schip van onder andere Mart van der Linden, de korenmolen, het gebied waar zich nu CNB en Hobaho bevinden en noem maar op. Noem het toeval of geluk, maar via een familielid kreeg ik de oorspronkelijke bouwtekening van de brug te pakken en zo ontstond al snel het plan om dat prachtstuk op de schaal na te bouwen. Vier maanden heeft de klus in beslag genomen. Vier maanden van meten, zagen, lijmen, timmeren, boren en wat al niet meer. Een bijzonder leuk werk en met een resultaat waarop ik trots ben.”

Gereformeerde school

Als verwoed verzamelaar van alles wat met het ‘Lisse van toen’ te maken heeft, ging Balkenende ook op jacht naar alle mogelijke gegevens over de brug die tot ergens in de twintiger jaren de school van de rest van Lisse scheidde. Als het ding tenminste openstond. “Ik kreeg inzage in het eerste notulenboek van de schoolvereniging, waarin is te lezen dat in maart 1904 een stuk grond werd gekocht van de weduwe C. Vreeburg. Deze grond was gelegen tegenover het slop (nu de Kapelstraat) en er werd een bedrag van 14.000 gulden voor neergeteld. Op 20 februari 1905 diende de Vereeniging tot oprichting en instandhouding van eene school voor lager onderwijs op Gereformeerde Grondslag, bij de gemeente het verzoek in om een brug over de Gracht te mogen bouwen, waardoor het terrein waarop de school zou verijzen, bereikbaar werd. De vergunning kwam los, maar om de een of andere reden mocht de brug er niet toe dienen om tijdens de bouw van de school het bouwverkeer van dienst te zijn. Er werd dus zo lang een nood-verbinding aangelegd via de achterzijde van het bedrijf van Van der Zaal in het Vierkant, thans het museum De Zwarte Tulp. Dat ging overigens niet voor niks, want Van der Zaal bedong dat hij de nieuwe school zou mogen bouwen. Die order wilde hij kennelijk erg graag binnenslepen, want hij beloofde ook nog tien procent van de door hem te behalen winst in de verenigingskas te storten. Zo kom je natuurlijk vrij snel tot zaken.

Gemaaid gras

Op 21 maart 1905 verleende Rijnland haar toestemming onder de voor­waarde dat de brug (niet bekend is om welke reden) voor l augustus van dat jaar opgeleverd zou worden. Dat is gelukt. Uit de boeken is ook te leren dat de hectare grond die van de weduwe Vreeburg werd gekocht, veel te groot was voor het schoolgebouw. Er werden stukjes verkocht en de opbrengst werd gebruikt om de bouw van de brug te bekostigen. Zelfs het gemaaide gras werd voor dat doel aan de man gebracht. Dat geld was zeer welkom, want het bouwen van de brug kostte 5312 gulden en dat was in die jaren een flink bedrag. In 1914 werd de brug door de gemeente overgenomen. De schoolvereniging bracht een nieuw verf] e aan en de gemeente verzorgde de herbestrating van de Kapelstraat en Gracht en vanaf dat moment was de brug voor iedereen te gebruiken.”

Keurig muurtje

Tot op heden heeft Balkenende niet kunnen achterhalen wanneer nu precies het stuk Gracht werd gedempt en de Schoolstraat ontstond. Op de betref­fende plaats is de tot aan het begin van de zestiger jaren bestaande Gracht van de straat afgescheiden geweest door een keurig muurtje en was aan niets meer de vroegere aanwezigheid van de brug te ontdekken. In de loop der jaren verdwenen vele andere nostalgische stukjes uit dit gebied en resten daarvan thans alleen nog de afbeeldingen op foto’s en ansichtkaarten.

Sneltreinvaart

Na het dempen van de Gracht tot aan de houtfabriek Elka ging het alle­maal in sneltreinvaart. De ene verandering en vernieuwing na de andere vond plaats. Niet altijd verbeteringen overigens. En anno 2002 staat dit stukje Lisse opnieuw aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Het nieuwe Masterplan Centrum kondigt rigoureuze veranderingen aan. Hoog tijd dus om hetgeen er nu (nog) is op de gevoelige laag vast te leggen en te bewaren. Voor de verlevendiging van de eigen herinneringen en ter lering van het nageslacht. Balkenende zal wat dat betreft ongetwijfeld de nodige stappen ondernemen.

Of er ooit nog iets wordt nagebouwd? “Ik kan dat nu niet met zekerheid zeggen. Maar als ik ooit in staat ben om de originele tekeningen en/of gegevens van de molen ‘De Korenbloem’ te bemachtigen, dan acht ik het niet uitgesloten dat ik ook daarvan een replica zal gaan bouwen.

Feiten over de Brug:

Grachtbreedte 12 meter; doorvaartbreedte brug 4.25 meter; doorvaartlengte 8.50 meter; onderbouw 18 heipalen; breedte brugdek 7.40 meter; opbouw geheel van staal; hoogste doorrijhoogte 5 meter; hoogte brug in dichte stand 6.40 meter; hoogte brug in geopende stand 10.40 meter. Architect L. Doedes te Rotterdam; Aannemer J.P. A. Nelissen te Haarlem.

Komt de Grachtbrug terug?

Zoals er Lissers zijn die ervan dromen dat Herberg De Witte Zwaan wordt herbouwd, zijn er ook die dromen van de terugkeer van de Gracht en de Grachtbrug. Zij wijzen er op dat Lisse een nieuw water­bekken behoeft voor de opslag van regenwater. Wat is er dan logischer om voor dat doel de Gracht weer uit te graven? Als men dan toch ondergronds gaat voor parkeergarages en supermarkten, slaat men vele vliegen in een klap. En als de Gracht weer terug is, dan versterk je natuurlijk het oude dorpse karakter met de wederopbouw van de brug!

Chris Balkenende bij de fraaie replica van de Grachtbrug. Hij maakte gebruik van de originele bouwtekeningen

Portret van de Lisser historicus A.M. Hulkenberg

Een interview met de 87-jarige Fons Hulkenberg. Hulkenberg begon zijn eerste onderzoek naar aanleiding van 500 jaar Agathakerk in 1960.

door Rob Pex en Paul ter Linde

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

‘ZOVEEL GING HELAAS VERLOREN!’

Hij schreef talloze boeken over lokaal-historische onderwerpen. Hij stond aan de basis van de oprichting van de Stichting Dever en de res­tauratie van deze unieke middeleeuwse woontoren. A.M.Hulkenberg groeide in een halve eeuw uit tot dé historicus van Lisse.   Interview met de 87-jarige oud-leraar van de tuinbouwschool.

Alphons Marie Hulkenberg is geboren te Hillegom op 11 juli 1915. Reeds als zestienjarige jongen stond hij voor de klas op de kweekschool in Beverwijk. Vanaf 18 juni 1934 was hij onderwijzer op de Joannesschool te Hillegom. In 1942 verhuisde hij, zevenentwintig jaar oud naar Zevenaar, waar hij aan de Mulo les gaf tot 1949. De Tuinbouwschool in Lisse vroeg in dat jaar of hij naar Lisse wilde komen. Hulkenberg was namelijk leraar tuinbouwkunde en leraar Duits en daar had men op de Tuinbouwschool op dat moment nu net behoefte aan.

“Bovendien was ik eigenlijk ook nog leraar Frans en Engels”, zo vertelt hij. “Dat kwam goed van pas bij de ontvangst en rondleiding van de diverse buitenlandse groepen studenten die elk jaar in de praktijktijd de bloembol-lenstreek bezochten”.

In het begin had hij er wel wat moeite mee naar Lisse te komen, “want”, aldus Hulkenberg, “de streek van Zevenaar vond ik heel mooi.” Om diverse redenen zag hij er echter wel wat in en zo gebeurde het dan dat hij in 1949 Zevenaar de rug toekeerde en in Lisse kwam wonen. Hulkenberg heeft Lisse altijd een bijzonder warm hart toegedragen, niet op de laatste plaats vanwege Dever en Keukenhof. Toch heeft hij niet alleen een positieve kijk op Lisse. Zo klaagt hij nog altijd over de sloop van het Grachthuisje in de jaren ’70: “Ik had alle raadsleden verteld dat de heer Van Hemert van Monumentenzorg aanbood om naar Lisse te komen. Die zei in mooi Engels om “at any place, at any time” alles over het Grachthuisje te komen vertel­len. Over de financiële gevolgen (van een eventuele restauratie), etc.”. Maar het is al weer jaren weg. “Het is verschrikkelijk jammer”, zo verzucht Hulkenberg.

A.M.Hulkenberg thuis op zijn praatstoel. Zijn historische carrière begon met een boek over de Agathaparochie (Foto Paul ter Linde)

Rond 1960 begon hij met zijn onderzoeken. Hoe kwam hij er toe om in de geschiedenis van zijn woongemeente te duiken? Daar blijkt een heel ver­haal achter te zitten. “Toen ik in 1949 naar Lisse kwam, was het de bedoe­ling dat de plaatsvervangend directeur, die in feite directeur van de school was, over zes jaar met pensioen zou gaan”. Hulkenberg zou hem dan opvol­gen. Hij keek er al naar uit. “Een jonge ingenieur meende echter dat hij er veel meer recht op had. Dit leidde tot een hoogst onaangenaam gekrakeel, in Lisse maar ook in Den Haag. Daar wilde men de ander niet en ik had er toen ook geen zin meer in”. Hulkenberg bleef dus “gewoon” leraar. In ieder geval had hij nu in de toekomst genoeg gelegenheid om zich in zijn vrije tijd ook met wat andere zaken bezig te houden. “Het was op dat moment dat het Parochiebestuur van de St. Agatha naar mij toekwam met het verzoek een boek te schrijven in verband met het 500-jarig bestaan van de St. Agathaparochie”. We schrijven dan het jaar 1960. Hij toog toen voor het eerst naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, waar hij onder meer de heer Fox en mevrouw Leemans-Prins leerde kennen. In het gemeentearchief Leiden ontmoette hij bovendien ir. A.F. de Graaff die hem het oude schrift leerde lezen. Spoedig bemerkten mevrouw Leemans en de heer Van der Klooster dat onderzoek doen hem zo lag en dat hij dat meer moest gaan doen.

Dever

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

Wetenschap?

Hulkenberg’s publicaties maken op veel mensen een wetenschappelijke indruk. Is dat terecht? Volgens Hulkenberg is het ook daadwerkelijk weten­schap, al heeft iemand ooit eens geschreven: “Wanneer men de boeken van de heer Hulkenberg leest, dan komt men meer te weten over de schrijver dan over de materie”. Overigens ziet hij zichzelf niet als wetenschapper: “Je mag je pas historicus noemen, als je academische studies hebt gemaakt en met succes hebt afgesloten”. Hij zou zichzelf eerder bestempelen als ama-teur-historicus en “doorgever van wetenschap” vanuit zijn vroegere hoeda­nigheid als leraar. Overigens worden zijn werken door wetenschappers zeer positief beoordeeld. Zo heeft hij van de Historische Vereniging Holland uit handen van professor Borger ooit de grote oorkonde ontvangen, die niet gauw wordt uitgereikt. Bovendien ontving hij ook de legpenning van de Bond Heemschut.

Details

De studies van de heer Hulkenberg worden over het algemeen gekenmerkt door gedetailleerdheid. Hulkenberg is niet bepaald kort van stof. Waar zit hem dat nu in? “Machiavelli heeft ooit eens gezegd: Geschiedenis wordt pas interessant als het uitgebreid is”. Dat houdt niet in dat je jezelf moet verliezen in details. De grote hoofdlijn is van belang, “maar daarnaast zijn zoveel interessante details er bij te vermelden dat het zonde zou zijn om dat niet te doen”. De lezer kan overigens gerust iets overslaan en iets uitkiezen van zijn gading “net als bij een koud buffet”.

De laatste jaren groeit de historische belangstelling. Hulkenberg is daar uiteraard enthousiast over. Maar hij weet ook als geen ander dat het ook heel anders is geweest. Zo weet hij nog goed hoezeer hij er bij de Lissese politiek op aandrong Herberg De Witte Zwaan te handhaven, toen er plan­nen bestonden voor sloop. “Ze lachten me niet helemaal uit, maar toch… ze beschouwden je wel als enigszins zonderling”. Samen met anderen, zoals Ir. A. Paardekooper en de heer Tissing, had Hulkenberg al veel eerder een plan gemaakt “hoe Lisse kon worden als er allerlei gebouwen gehandhaafd kon­den worden. Maar de burgemeester joeg je gewoon het gemeentehuis uit. Dat was waardeloos”. En dan nog de affaire met de beide leeuwenzuilen van Rosendaal: “Ik had van één van de burengehoord, dat ze ‘s nachts stille­tjes aangereden zouden worden. Ik heb meteen de burgemeester opgebeld. Ik hoor zijn stem nog: “De gemeente weet zeer goed hoe zij dient te hande­len en zij heeft er geen behoefte aan te worden opgebeld door, etc.” Hoe keek in de jaren zestig de plaatselijke politiek tegen de pas opgerichte Stichting De ver aan? “Oh, erg vreemd. Je bemoeide je met zaken waar je eigenlijk als burger niets mee te maken had. Het was wel aardig als je een artikeltje schreef, maar verder niet. Dat was wel moeilijk.” Later werd dat gelukkig anders: “Ze hadden bij De ver ook een bedrijventerrein gepland. Maar toen hebben ze waarachtig een hele ommezwaai gemaakt en het bedrijventerrein tegenover de Nachtegaal verwezenlijkt”.

Enthousiasme

Tegenwoordig zijn er meerdere enthousiaste mensen in het voetspoor van Hulkenberg getreden. Ook daar zitten schrijvers tussen, zoals Arie in ‘t Veld, Ed Olivier en Herman van Amsterdam. Ieder probeert op zijn manier iets bij te dragen aan de Lissese geschiedschrijving. Hulkenberg kan dat zeer waar­deren en ziet wat dat betreft de toekomst niet somber in. “Maar”, aldus Hulkenberg, “er is al eerder zo veel verloren gegaan…”.

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

 
 
 

DE MYTHE VAN DE WITTE ZWAAN

Naar aanleiding van Lisse 800 met de bouw van de Witte Zwaan filosofeert de schrijver over de geschiedenis van de Witte Zwaan. Er staat ook een gesprek met de laatste huurder van de Witte Zwaan vermeld

door Paul ter Linde

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Begin 1981 ben ik met mijn gezin verhuisd naar Lisse. Na de gebruikelij­ke hectiek die iedere verhuizing met zich meebrengt, besloot ik mijn nieu­we woonomgeving eens te verkennen.

Dankzij de prachtige statige huizen aan de Heereweg was ik direct verknocht aan dit dorp. Ik stapte langs het oude Politiebureau in de richting van de Agathakerk. Aan mijn linkerhand zag ik een prachtig herenhuis. Villa Rozenheim. Op de plaats waar nu het Opleidingsinstituut voor diepzeeduiken is gevestigd. Even later keek ik vol bewondering naar de Grote Kerk met zijn prachtige zonnewijzer. Daarvoor was ik langs het gemeentehuisje gekomen. Het maakte een kneuterige en wat gammele indruk op me. Staande aan de noordkant van de Grote Kerk observeerde ik het Vierkant. De naam kwam mij vreemd voort. Een wat driehoekig plein dat echter wel aan vier kanten te bereiken was. (Heereweg weg noord en zuid, Achterweg en Grachtweg) Langzaam liep ik langs het woonhuis van de boerderij van Vreeburg. Plotseling werd de doorgaande bebouwing onderbroken, alsof er een rotte kies was getrokken. Ik zag een aantal betonnen platen met daarop een enkele auto. Ik schoot een wat ouder echtpaar aan. Dat zei: “Die haben es nicht gewüsst!” Een dame van middelbare leeftijd vertelde me met een melancholieke blik in haar ogen dat daar het beroemde Hotel Restaurant De Witte Zwaan had gestaan.

Ik spoedde me naar boekhandel Merison en kocht de beide boekjes: Lisse in oude ansichten’. Vooral de begeleidende tekst van A.M.Hulkenberg fas­cineerde me; wat betekent die man veel voor Lisse! Thuisgekomen keek ik de boekjes direct in. Op een of andere manier ontroerde me de eerste foto van De Zwaan. De kiem was gelegd.

In 1988 trad ik toe tot de Historische Werkgroep van de Vereniging Oud Lisse. Samen met Eric Plantenberg kreeg ik de opdracht het Vierkant en De Zwaan rond 1900 beter in beeld te brengen.  Als eerste namen we contact op met de heren Co Lieverse en Frans Mooyekind van het Gemeenterachief. Zij voorzagen ons van erg veel informatie, o.m. het adres van de laatste pachter van de Zwaan, de familie Van Duinen. Momenteel runnen zij een hotel restaurant in Ootmarsum, genaamd Het Wapen van Ootmarsum.

Voor Eric Plantenberg, die een aardige, maar geografisch zeer armoedig onderlegde figuur is, was het een groot avontuur. Doodgemoedereerd vroeg hij terwijl wij het prachtige Twentse Ootmarsum binnenreden, of we nu vlakbij Berlijn waren. We draaiden de straat in waar Het Wapen van Ootmarsum zich bevond. Verbaasd keken we elkaar aan. Een prachtig hotel met een Zwaanachtige veranda.

Urenlang spraken we met mevrouw van Duinen en haar oudste zoon Henk (41). Anekdotes, prachtige, maar ook trieste verhalen gaven een goed beeld van de functie en het functioneren van de Zwaan in de Lissese gemeen­schap van vlak na de oorlog tot 1969.

Het is mijn bedoeling van dit gesprek een compilatie te maken en deze in verschillende afleveringen in ons Nieuwsblad te publiceren. Ik hoop dat u ernaar uitziet!

PS Wist u dat vroeger alle herbergen die de naam De Witte Zwaan droegen en dat zijn er nogal wat in Nederland, ook huizen van plezier waren?

In 1998 vierden we het 800-jarig bestaan van ons dorp. Op de dag dat de replica van De Zwaan werd onthuld, stond ik tussen de toeschou¬wers. Een schok ging door de menigte toen het zeil werd verwijderd. Ik keek om me heen: ge- en ontroerde gezichten, soms zelfs een traantje.
Achterweg-Zuid 35

De geschiedenis van Wassergeest. Deel 2:1804-1900: OPBLOEI EN NEERGANG

Deel 2 over Wassergeest behandelt de periode van 1804 tot 1900. De opbloei en neergang van het landgoed wordt besproken .

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

In het jaar 1804 kwam de buitenplaats Wassergeest in bezit van D.R J. van der Staal. Spoedig onderging het een grote gebiedsuit­breiding. Het werd nu een groot landgoed dat zich uitstrekte van de Heereweg in het oosten tot de Leidsevaart in het westen over niet minder dan 110 hectare.

De nieuwe heer van Wassergeest, D.P.J. van der Staal, begon het landgoed uit te breiden in de Lageveense polder, in het Keukenduin van Teylingen en in de Oude Duinbuurt. Al in het jaar 1804 kocht hij het latere Reigersbos met de daarbij behorende zanderij van Mr. Pieter Cornelis Hartsinck uit Amsterdam. In 1805 verkrijgt hij het eigendom van boerderij De Phoenix met 26 morgen grond. In de Lageveense Polder koopt hij in 1820 de zoge­naamde Bossen van Daams, die aan de westkant van de Loosterweg gelegen waren. In 1821 wordt hij eigenaar van boerderij Duinhof en bijbehorende landerijen.

Ook het huis Wassergeest zelf blijkt in 1812 uitgebreid te zijn, terwijl de directe omgeving van het huis veranderde in een zogenaamde Engelse Tuin, een parkachtige landschapsstijl, die men in deze zelfde periode ook wel op andere buitenplaatsen aantreft. De Catharijnelaan – of Trijnelaan zoals men hem in deze tijd nog noemde – werd zelfs enige tientallen meters naar het zuiden verlegd ten behoeve van deze tuin.

Boottochtjes

Na 1813 wordt het stil rond Wassergeest. Het gewone dagelijkse leven speelt zich af. Omstreeks mei kwam men vanuit Den Haag naar Wassergeest. Men vermaakte zich met boeken lezen, een tochtje met de boot of de jacht. Ook legde men in de zomer dikwijls bezoekjes af bij familie en/of kennissen. Omstreeks de maand oktober ging men weer terug naar Den Haag.

Jarenlang gebeurde er weinig, totdat Van der Staal, net als zijn voorgan­gers, in de schulden kwam. Dit leidde er tenslotte toe dat hij in 1852 – hij is dan inmiddels al bejaard, maar wil toch de leiding over zijn landgoed niet overlaten aan zijn zoon of iemand anders – Wassergeest moet verkopen. Het geheel werd overgedragen aan Johan Frederik Steengracht van Duyvenvoorde, die echter bij zijn broer Nicolaas Johan onder curatele stond. Er begon een geheel andere periode voor Wassergeest: een periode van neer­gang. Zo werd in 1856 het huis Wassergeest deels gesloopt, deels verbouwd tot boerderij. Een boerderij aan de Achterweg (tegenover het huidige tuin­centrum Overvecht) werd gesloopt. In plaats daarvan werd een kleine woning gebouwd waar voortaan de opzichter van Wassergeest in zou wonen: Pieter van Dijk.

Neergang

Ook als Wassergeest in 1862 na de dood van Johan Frederic, wordt nage­laten aan Cecilia Maria baronesse van Pallandt geboren Steengracht, zet de neergaande lijn zich voort. In 1877 komt zo een einde aan boerderij De Hoogewerf die al sinds oude tijden aan de Achterweg gelegen was schuin tegenover Wassergeest. In 1886 valt ook boerderij Duinhof onder de slopers­hamer en rond 1888 ook nog een woning aan de Leidsevaart, waar vanouds de zandbazen die werkzaam waren in de afzanderij bij het Reigersbos, in woonden. De laatste “zandman” die hier woonde, was Bastianus van Graven.

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Cecilia Maria baronesse van Pallandt geboren Steengracht overleed in 1899. Ze liet haar bezittingen na aan haar dochter Cornelia Johanna. “Freule Cornelie” was in 1861 getrouwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden. Deze laatste is op 22 januari 1900 te ‘s-Gravenhage overleden. Cornelia Johanna had een drietal kinderen. Ten eerste Jkvr. Cecile Marie barones van Lynden, die in 1885 te Lisse in het huwelijk trad met Jhr. Mr. Ocker Johan Repelaer, Heer van Molenaarsgraaf. De oudste zoon, Jan Maurits Dideric, huwde in 1895 Aurelia Elisabeth gravin van Limburg Stirum. Ze betrokken kort daarop het door hen aangekochte buitengoed Wildlust. Op Jonker Jan zou de grafelijke titel overgaan alsmede het buiten Keukenhof.

De tweede zoon van het echtpaar Van Lynden-Van Pallandt, Carel Anne Adriaan Willem baron van Lynden, trouwde in 1898 met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Hij heeft in latere tijden Wassergeest geheel in zijn bezit gekregen. Op 21 maart 1900 kreeg hij een dochter, Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Ze werd gebo­ren op huize Beukenhorst te Wassenaar. Carola trad in 1937 te Londen in het huwelijk met A.R.Z. graaf van Rechteren Limpurg. Zo kwam dus Wassergeest via dit huwelijk in handen van de familie Van Rechteren. Maar dan zitten we al in de jaren dertig.

Verkopen

Cornelia Johanna is niet lang eigenares gebleven van Wassergeest. Al gauw ging ze er toe over gedeelten van het uitgestrekte landgoed van de hand te doen en wel aan verschillende familieleden. Zo doet ze reeds op 18 juli 1900 de tuinmanswoning van Wassergeest met bijbehorende voormalige tuinderij en partijen weiland tussen de Heereweg en Achterweg over aan haar zoon C.A.A.W. baron van Lynden voor de prijs van ƒ 66.984,25. Een niet mis bedrag. Daar is echter wel bij inbegrepen de “partijen tuin en bloembollenland en water, gelegen in de zanderij van het landgoed Wassergeest”.

Op dezelfde dag in juli 1900 doet Cornelia Johanna een drietal percelen ten noorden van de boerderij De Phoenix over aan Jan Maurits Dideric, haar oudere zoon. De Phoenix zelf met bijbehorende gronden, ging tussen mei 1900 en oktober 1902 over in het gemeenschappelijke eigendom van de twee gebroeders Van Lynden, J.M.D. graaf van Lynden en C.A.A.W. baron van Lynden. Later, in 1914, hebben de twee broers dit bezit onder elkaar ver­deeld.

Hooibargen

Tegelijkertijd gaat de boerderij “genaamd ‘De Phoenix’ met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” naar Carel Anne Adriaan Willem baron van Lynden. Ook Cecile Marie baro­nesse van Lynden gehuwd met Ocker Johan Repelaer van Molenaarsgraaf, koopt van haar moeder een aantal percelen. Het betreft “twee Hofsteden (….) meterven, boomgaard, tuin-of bloembollenland, bekend onder de namen Grootenhof, Duinhof (moet Dijkhofzijn R. R), Abdij en Hoogewerf gronden, met daartussen gelegen gedeelte van de Groene of Sparrenlaan”.

Wat verder naar het noorden toe beginnen de gronden van de voormalige buitenplaats Grotenhof, al in het begin van de 19de eeuw door R.C.Affourtit opgedeeld in smalle, langwerpige percelen ten behoeve van de bollenteelt. En dan krijgen we vervolgens het huis Grotenhof zelf natuurlijk, door A. Raaphorst in 1922 nog “het groote witte huis, door hooge boomen omgeven” genoemd.

Al deze gronden gingen op 10 juni 1900 over in handen van Cecile Marie baronesse van Lynden, echtgenote van Ocker Johan Repelaar van Molenaarsgraaf.

Ook de boerderij Wassergeest werd (op 19 mei 1900) voor ƒ 57.045,- ver­kocht en wel C.A.A.W. baron van Lynden, een zoon van eigenaresse Cornelia Johanna, inclusiefi alle erbij behorende percelen grond tussen de Heereweg en de Achterweg, die zich uitstrekten tot de verlegde Catharijnelaan.

Lees hier deel 3

 

 
Achterweg-Zuid 35
Het huis Wassergeest zoals het er rond 1850 uitzag. Enkele jaren later moest D. van der Staal het buiten verkopen wegens schulden.

LISSE TOEN: BARBIER: 5 CENT

Aan het begin van de twintigste eeuw gaf de Federatie van Bloemistwerklieden  Verenigingen een lijst uit, waarop stond wat een gezin  per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.

Tekst en foto: Arie in t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Aan het begin van de vorige eeuw gaf de Federatie van Bloemist-werkliedenverenigingen een lijstje uit, waarop stond wat een gezin van een bloemistknecht, bestaan­de uit zes personen, per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.


Huur……                                    2,00

Steenkolen                                0,60

Turf……..                                   0,20

Petroleum…                             0,36

Brood…….                                 2,25

Margarine…                             0,60

Melk, l Itr per dag.                 0,56
Suiker……                                0,25

Koffie……                                 0,40

Aardappels..                           1,00
Vet, l,5ons/p.dag.                 0,80
Zeep………                               0,11

Wasmiddelen..                      0,10
Zout………                              0,06

Garen, band..                        0,15
Schoeisel….                           0,50

Ziekenfonds..                        0,20
Onderst.fonds.                     0,10
Begrafenisfonds                  0,17
Brandverzekering               0,02
Belasting….                          0,08

Schoolgeld (2 kinderen)    0,15

Contributie bond.               0,05

Lectuur…                              0,10

Tabak..                                  0,10

Barbier…                              0,05

Totaal                                   10,96

Op dit uitgezuinigde, beknib­belde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aarde­werk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kos­ten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook “iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de jus en bij sommigen een oneindig poffen, lenen bij leen-vrouwen. Ook bij het pandjes-huis was menigeen een bekende.

 
 
 
Bloemistknechts in hyacintenveld (1920)

LISSE HEEFT WEER EEN BUITENPLAATS: Midden in het Reigersbos aan de Loosterweg Zuid

In het Reigerbos, op de plaats waar vroeger het huis van de rentmeester van het buitengoed Wassergeest stond, is een schitterend landhuis verrezen

Tekst: Ine Elzinga Fotografie: Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Op de plaats waar ooit het huis stond van de rentmeester van het befaamde buitengoed Wassergeest, is een schitterend landhuis verrezen. Heel Lisse kan trots zijn op deze nieuwe buitenplaats.

Het Reigersbos, een stukje oerduin in de Randstad. Rust en vogels. Een pad van grind en bladeren leidt met een bocht langs hoge steile duintjes, begroeid met hakhout, naar het landhuis. Ooit woonde de rentmeester van Wassergeest op deze plek. Een aantal jaren geleden is zijn woning en de grond verkocht. Dat veroorzaakt veel commotie in de gemeente Lisse. De kersverse koper, tevens een bekend hande­laar, vraagt namelijk direct een sloopvergunning aan voor de bestaan de woning en vervolgens een bouwvergunning voor een groter nieuw huis

De Lisses gemeenteraad, natuurverenigingen o.a. Zuid-Holland Landschap, het Milieu Overleg Duin- en Bollenstreek en de Vereniging Oud Lisse vrezen het einde van het waardevolle stukje oerduin. Behalve het Keukenhofbos is dit het enige oerduin dat nog in redelijk authentieke staat verkeert. Discussies in de gemeenteraad. De handelaar ziet er geen been meer in. Hij verkoopt de grond, tien hectare, met de bouwtekening van het landhuis aan het echtpaar Peters.

Beschermd oerduin

Zij wonen er nu een jaar en de heer des huizes, Frits Peters, zegt: „We voelen ons bijzonder bevoorrecht dat we hier kunnen wonen. Ik wil niet meer verhuizen. Er is al zoveel van het oude duin weg, dat mag niet verder beschadigd worden. En wat dit betreft, regeer ik over mijn graf heen. Alles is zo geregeld en afgedekt dat ook mijn kinde­ren later geen gekke dingen zullen kunnen doen.”

Peters is geboren en getogen in Hillegom: „Mijn grootmoeder bezat het café Zomerzorg (nu de Doofpot) in De Zilk. Ik was daar graag en vaak en kende het duin op mijn duimpje. Mijn vrouw en ik hebben een aantal jaren onder andere in Hoorn gewoond, maar op een bepaald moment wilde ik terug naar de Duin- en Bollenstreek. Het idee ‘terug naar mijn roots’ is wat overdreven, maar ik voel mij wel emotioneel aan deze streek gebonden. Als ik iets dergelijks in bij­voorbeeld de Achterhoek had kunnen kopen, had ik dat niet gedaan.

Groene omgeving

Het komt het echtpaar ter ore dat Loosterweg zuid 14 te koop is: „Waarom we hiervoor hebben gekozen? Wel, omdat het is wat het is!. We hadden geen enkele moeite met de voorwaarden omtrent het beheer van het terrein. Zelf stel ik een groene omgeving bijzonder op prijs en begrijp ten volle dat dit gebied beschermd moet worden. Het vervult ook een rol in de ecologische verbindingszones. Ik heb uit­voerig met het MODB (Milieu Overleg Duin en Bollenstreek) gesproken. Men was bang dat ik paden zou aanleggen. Neen, ik wan­del graag in dit bos, maar niet via aangelegde paden. Mijn neefjes vinden het prachtig, ze zijn zelfs een keer verdwaald.” Bosonderhoud vraagt specifieke kennis: „Ik onderhoud intensief con­tact met Zuid-Hollands Landschap. Na een hevige storm laatst stond er een boom vreselijk scheef. Ik wist even niet wat ik het beste kon doen, een boom behoort rechtop te staan of om te vallen, en dat laat­ste heeft hij uiteindelijk ook gedaan.” Peters is tevens lid ‘voor het leven’ van de Stichting Behoud Natuur en Landschap.

Bollenburen

We zitten in de keuken met uitzicht op de nu nog met stro bedekte bollenvelden: „Een van de eerste acties die ik verder heb onderno­men, was kennis maken met mijn buren, bollenkwekers en de eigena­ren van het aangrenzende land. Dat was wederzijds erg plezierig, zij wilden ook graag weten wie er hier kwam te wonen. Ze hadden al minder goede ervaringen elders, mensen klaagden omdat de hyacin­then te sterk roken!” Zulke problemen zullen ze met het echtpaar Peters niet krijgen. Peters wil er zeker van zijn dat hij de bollenburen houdt: „Zo’n bedrijf als van Beelen bestaat al honderd jaar, die zijn zo aan hun grond gebonden. Maar ik heb wel gevraagd dat als hij die grond ooit wil verkopen, hij eerst naar mij toekomt. Ik kan het niet hebben dat een of andere projectontwikkelaar er iets mee gaat doen.” Aan de houding van Peters is te zien dat hij het niet zo op heeft met projectontwikkelaars: „Als ze een lege vierkante meter zien,

krijgen ze het vreselijk warm en pakken ogenblikkelijk het teken­boek. De Randstad is al vol genoeg, dit gebied moet zo blijven. Wat dat betreft ben ik blij dat ook de streek zich daar sterk voor maakt, ondermeer in het Pact van Teylingen.”

Mooi ontwerp

Peters koopt het landhuis, ontworpen door de Noordwijkse architect Van Manen, op tekening: „Even hebben we met de gedachte gespeeld zelf een woning te laten ontwerpen. Eigenlijk was ik op zoek naar zo’n bollenkwekersvilla, groot en recht en hoog. Ik had het beeld op mijn netvlies staan. Maar die gedachte hebben we laten varen. Een nieuw idee vraagt ook opnieuw overleg met de gemeente, er waren immers beperkingen wat betreft het bouwvolume en de nokhoogte. En dit ontwerp vonden we toch best mooi. We hebben wel wat din­gen veranderd om het huis meer passend bij ons te maken. De garage­deur zit in een andere gevel zodat ik er gemakkelijker in en uit kan.

Mijn hobby is het sleutelen aan antieke auto’s en die hebben geen stuurbekrachtiging. We hebben voor ander materiaalgebruik gekozen en de kleuren aangepast. Op tekening had het landhuis een dak van zwarte pannen en wittige stenen, het leek net een puist in het bos. We vinden dat een huis in zijn omgeving moet passen en hebben voor natuurlijker, meer aardekleuren gekozen. We wonen er nu een jaar en dat nieuwe, glimmende gaat er nu gelukkig een beetje vanaf, het huis wordt langzaam in zijn omgeving opgenomen.” Vóór het landhuis is een rozenboog aangelegd: „Met open vakken, omdat we wel ons uit­zicht willen behouden.”

Duinhuis

Misschien is dit landhuis beter een duinhuis te noemen. De ‘dakkapel­len’ hebben gebogen vormen als ronde duintoppen. Een lijnvoering die steeds weer terugkomt, ook de ramen beneden eindigen in een boogvorm en zelfs de brede binnendeuren die toegang geven tot de woonkamer. Centraal in de woonkamer de grote open haard, uitzicht op de bollenvelden, aan de andere zijde zicht op het oerduin met toe­gang naar een terras dat aan een galerij doet denken. Lichte ruimtes, maar nergens wit. Wel deuren met glazen panelen die veel licht en een groot gevoel van ruimtelijkheid geven. De deur die toegang naar de rondom lopende gang geeft, is in acht vakken ingedeeld met een glas-in-lood motief: „Dat motief met rode tulpen heeft mijn vrouw ontworpen,” meldt Peters niet geheel zonder trots. De knusse studeer­kamer met kleine open haard, aan de andere zijde van de woning kijkt eveneens uit op het bollenland, in het midden het bureau met aan weerskanten voor zowel meneer als mevrouw de pc. Als screen-saver dienen twee foto’s van het huis, één vorig jaar in de sneeuw genomen en één met zomertafereel. Peters: „Voor de inrichting is mijn vrouw geheel verantwoordelijk.”

Baronesse

Er is veel tijd besteed aan details. Ter weerszijden van de voordeur is een kleine grijze natuursteen ingemetseld: „Deze steen is bij de sloop van de rentmeesterswoning gered. Te lezen zijn de initialen van baro­nesse Cecilia Maria van Pallandt (geb. Jvr. Steengracht) met daaron­der de datum 1856. Dat vond ik erg leuk. Ik heb met moderne hedendaagse technieken een foto van haar uit een boek gekopieerd, die krijgt ingelijst nog eens een prominent plaatsje. Aan de andere zijde hebben we zo’n zelfde steen laten inmetselen met de initialen van mijn vrouw en mij en de datum 1999.” Ook de toegangspoort vraagt bijzondere aandacht. Peters: „Het gemetselde deel is in de stijl van het huis. Het ijzeren hekwerk is voor het grootste gedeelte nagemaakt naar voorbeeld uit een Duits architectenboek uit begin 1900, Art Deco en een beetje uit eigen koker. Een smid heeft dat voor ons gemaakt, dat hek is echt uniek in Nederland. Maar het staat ook bij een unieke plek.”

Vos

„Jammer genoeg is er weinig wild, geen konijnen, fazanten of patrij­zen. Ik zie wel regelmatig een vos en ik denk dat die de oorzaak daar­van is. Zo’n beest vreet alles wat op de grond leeft of broedt, en heeft zelf geen natuurlijke vijanden. Ik heb hier wat kippen en een paar hanen rondlopen, die haal ik ‘s avonds dus wel naar binnen.”

Het oude duinloofbos

Het natuurkerngebied Reigersbos is een restant van een droge en geaccidenteerde strandwal met oud eikenbos,liggend naast de natte en vlakke strandvlakte vanWassergeest. Het gebied heeft hiermee een belangrijkecultuurhistorische betekenis, omdat de vroegere landschapstypen hier op korte afstand en in relatiemet elkaar te vinden zijn. Het Reigersbos bevatbelangrijke cultuurwaarden, met name hetoude duinloofbos en de hierin voortkomendekwetsbare broedvogels als roofvogels en spechten.

Het huis van de rentmeester van het buitengoed Wassergeest, op de plaats waarvan nu het landhuis is gebouwd. (Foto: Ton Rouwhorst)

Pand van Lefeber aan de Achterweg: BOLLENSCHUUR WORDT WONING

De verbouwing van een bollenschuur tot woning aan de Achterweg kan beginnen. Het is de oude schuur van Lefeber. Het uiterlijk van de schuur moet.

door Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

Na ruim een jaar van oponthoud kan de heer Leo van Schooten uit Noordwijkerhout (een oud-inwoner van Lisse) nu eindelijk beginnen met de verbouwing tot woning van de oude bollenschuur van Lefeber aan de Achterweg in Lisse.

Wegens ernstige bezwaren tegen de plannen van omwonenden, waarbij onder meer een dam door de sloot aan de Acacialaan aange­legd moet worden, diende de Bestuursrechter er aan te pas komen. De rechterlijke molens malen langzaam in dit land, maar eind oktober van het afgelopen jaar kwam voor de heer Van Schooten dan toch eindelijk het verlossende woord: de bezwaren werden niet ontvanke­lijk verklaard. Hij kon gaan verbouwen.

Aanvankelijk wilde de heer Van Schooten de bollenschuur slopen en vervangen door nieuwbouw, maar daarvoor kreeg hij van de gemeente Lisse geen toestemming. Hij kan nu de bollenschuur tot woning verbouwen op voorwaarde dat het uiterlijk van de schuur intact blijft.

Gezicht op de Lefeberschuur vanaf de Acacialaan.

DE GESCHIEDENIS VAN WASSERGEEST: Deel 1:1660 -1804

Rob Pex verricht al enige jaren onderzoek naar het landgoed Wassergeest, dat gelegen was in het zuidelijk deel van de gemeen­te Lisse tussen de Heereweg en Leidsevaart. Doel is natuurlijk een boekwerk. Vooruitlopend daarop schreef Rob voor ons nieuwsblad een samenvatting.

door Rob Pex

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

In dit nummer deel 1: Wassergeest van 1660 tot 1804.

Omtrent het midden van de 17de eeuw bestond het gebied tussen de Heere- en Achterweg nog slechts uit verspreid liggende perceeltjes weiland en teelland, die in handen waren van verschillende eigenaren zoals de Abdij van Leeuwenhorst, de Heren van Dever en Lisse en allerlei boeren en tuinders. Het gebied werd in de volksmond ook wel de Westgeest genoemd. Hier werden doorgaans de zandige gronden tussen (grofweg) de Heereweg en de Achterweg mee aangeduid. Deze bevonden zich ten zuiden van het dorp Lisse. Voor de toenmali­ge begrippen lagen deze echter westelijk, daar men het oosten in vroeger tijden altijd rekende daar waar de zon opkwam. (Meer naar het noorden dus).

Grondaankopen

Al gauw treedt een belangrijk persoon ten tonele: Jonkheer Adriaen van der Laen, lid van een familie die hier vele bezittingen had, zoals het Huis ter Specke. In 1656 begint hij in de Westgeest met de eerste grondaankopen. In latere jaren breidt hij dit bezit steeds meer uit, zodat in 1667 het hele gebied tussen Heere- en Achterweg, gaande van de gronden van het huidige tuincentrum Overvecht tot en met de huidige Catharijnelaan bij de buurtschap De Engel, in zijn handen is: dit nu is de buitenplaats Wassergeest en tot 1804 zou het bovenge­noemde omvang blijven behouden, om daarna fors uit te breiden.

De ligging van het oorspronkelijke landgoed Wassergeest in de gemeente Lisse tussen de Heereweg en de grens in het westen die ongeveer gelijk loopt met de huidige spoorbaan.
Gezigt van de groote Beuken en Dennenlaan op de hofstede Wassergeest met de vrijheidsboom.” Anno 1795. (G.A.Leiden)

Buitenverblijf

Inmiddels had Van der Laen in 1660 ter hoogte van de huidige Staalsloot, vlak ten zuiden van het huidige bedrijf Onderwater, een buitenverblijf opgetrokken, eigenlijk meer een soort herenboerderij. Volgens een aantekening doopte hij dit huis in oktober van het jaar 1660 om in Wassergeest: de eerste keer dat we de naam in de archie­ven tegenkomen.

Waar nu de naam Wassergeest vandaan komt blijft vrij onduidelijk; er is al veel over gespeculeerd. Het woordje “geest” is wel duidelijk: vermoedelijk is dit een verwijzing naar de geestgronden die hier voorkwamen. Waar het woordje “wasser” echter op slaat is veel min­der duidelijk. Men is geneigd te denken aan “water”, aangezien zich vlakbij het huis Wassergeest vanouds een drassig gebied uitstrekte, dat ook wel de Liesbroek werd genoemd. De naam “wasser” echter werd in de 17de eeuw niet gebruikt in plaats van het woord water.

Jonkvrouw

Na het overlijden van Jonkheer Adriaen in 1681 werd Wassergeest geërfd door Jonkvrouw Agnes van Wassenaer Obdam, lid van een belangrijke en machtige familie, die Wassergeest tot 1783 in handen zou hebben. Wassergeest aan een rijke familie nalaten was een goede keuze van Van der Laen , want de tak van de familie waartoe hij behoorde was bijna uitgestorven: met Magdalena van der Laen, zijn nicht, zou die tak in 1691 in vrouwelijke lijn uitsterven. Magdalena kreeg dan ook alleen het vruchtgebruik van Wassergeest toebedeeld, terwijl het eigendom naar Jonkvrouw Agnes ging. Als vruchtgebruik-ster heeft Jonkvrouw Magdalena ook op Wassergeest gewoond: de testamenten die ze opstelde in de jaren 1683 en 1687 zijn allen op Wassergeest geschreven en bevatten interessante bijzonderheden over het buiten in deze jaren.

Ter Specke

Magdalena van der Laen heeft in haar leven de buitenplaats Wassergeest niet verder uitgebreid. Alleen heeft ze van de erfgena­men Block in 1687 Ter Specke gekocht, waardoor het weer terug inde familie kwam. Aldus werd een oude schande, veroorzaakt door haar oom Jonkheer Adriaen, die het door schulden had moeten ver­kopen, uitgewist. Op 28 december 1691 is Jkvr. Magdalena op Ter Specke overleden.

Vrijwel onbewoond

De familie Van Wassenaer Obdam heeft zich, tot de verkoop van Wassergeest in 1783, weinig met hun Lissese buitenverblijf bemoeid en heeft er waarschijnlijk maar zelden vertoefd. Kasteel Twickel en andere bezittingen in het oosten des lands waren immers veel statiger en voornamer! En paste deze gebouwen ook niet veel meer bij hun eigen status? Het is juist hiermee dat Jonkheer Adriaen van der Laen bij zijn dood geen rekening gehouden heeft. Gebouw en bijbehorende tuinmanswoning daalden omstreeks 1730 in waarde: op Wassergeest woonden in deze jaren alleen nog tuinmannen, die de tuinen onder­hielden voor de familie Van Wassenaer Obdam en de gelden ontvin­gen van de houtverkopen die ieder jaar weer plaatsvonden. De familie Van Wassenaer Obdam zelf bewoonde de buitenplaats waarschijnlijk nog maar zeer zelden.

Schulden

Een en ander kan er de oorzaak van zijn geweest dat de status van Wassergeest als buitenplaats minder werd, hetgeen mogelijk zijn invloed kan hebben gehad op de verponding (belasting). In 1783 heeft Carel George van Wassenaer Obdam Wassergeest wegens schulden moeten overdoen aan A.J.C. Lampsins, die eenjaar eerder eigenaar was geworden van de naburige buitenplaats Grotenhof, dat ook aan de Achterweg lag. Ook deze eigenaar zal zich vermoedelijk niet zeer veelvuldig met Wassergeest hebben beziggehouden. We lezen althans in 1785 dat hij door zijn functie als schepen van Amsterdam “niet veel te Lisse kan koomen”. En als hij er toevallig wel was, zal hij zich voornamelijk op het veel statiger Grotenhof heb­ben opgehouden.


Reigersbos

Lampsins heeft zijn bezit in 1785 nog uitgebreid met het latere Reigersbos en bijbehorende afzanderij, doch zeer kort erna zit hij diep in de schulden: op l januari 1786 komt hij voor schout en sche­penen van Lisse verklaren dat hij van een tweetal bankiers het kapitale bedrag van 50.000 gulden heeft geleend. Als borg verbindt hij zijn gehele Lissese bezit: Wassergeest en Grotenhof.

Verkocht

Hoe moet dat aflopen? Lampsins kan het nog een paar jaar volhou­den, doch is dan toch genoodzaakt Wassergeest en Grotenhof te ver­kopen. Grotenhof vond zijn weg naar Pieter van Walré, terwijl Wassergeest werd verkocht aan Izaak van Buren uit Leiden. Onder Van Buren ging Wassergeest betere tijden tegemoet: hij nam er zelf zijn intrek en bracht kort na 1191 zijn speeltuin “Amerika” vanuit Leiden over naar Wassergeest.

Tot 1795 leidt Van Buren een luxe leventje op zijn nieuwe buiten­goed. Er wordt in 1792 ook een zoon, genaamd Hendrik, ter wereld gebracht, die in februari van het volgende jaar te Lisse wordt gedoopt. Van Buren laat zich bij deze gelegenheid nog heel feodaal Heer van Wassergeest noemen.

Vrijheidsboom

In 1795, als de Fransen ons land binnenvallen, worden vele bestuur­ders van hun functies ontheven. Zo ook Izaak van Buren als schout van Zoeterwoude. Wellicht om bij de bezetters in een goed blaadje te komen, richt hij op 15 mei 1795 samen met de jeugd van de vier ambachten Lisse, Sassenheim, Voorhout en Noordwijkerhout, waar­van hij nog maar kort tevoren baljuw was geworden, een grote Vrijheidsboom op het plein voor zijn huis.

Het heeft alles bij elkaar weinig mogen baten, want spoedig kwam Van Buren in de schulden, wat er toe leidde dat hij in 1804 zijn gehe­le bezit moest overdoen aan D.P.J. van der Staal.

Met deze verkoop begon voor Wassergeest een geheel nieuwe periode.

Lees hier het tweede deel

REMBRANDT EN HET BRUGGETJE VAN SIX

Schilder Rembrandt van Rijn schilderde ‘Het bruggetje van Six’ over waarschijnlijk de Elsbroekervaart. Het torentje zou dan de Maartenskerk moeten zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

Tot 1867 bevond zich ten zuiden van Hillegom het uitgestrekte land­goed Elsbroek. Het bijbehorende herenhuis bevond zich net iets ten zuiden van de Elsbroekerlaan. Van 1642 tot 1801 is de naam van de familie Six onlosmakelijk aan deze buitenplaats verbonden geweest. Eén van de leden van deze familie was Jan Six (1618-1700) die zich in zijn vrije tijd naast het schrijven van gedichten en toneelstukken ook met schilderen bezighield. Misschien vanwege dit laatste stond hij op goede voet met de beroemde schilder Rembrandt van Rijn. Op een mooie lentedag in het jaar 1645, zo gaat het verhaal, logeerde Rembrandt bij zijn vriend Six op het buiten Elsbroek. Laatstgenoemde was vroegtijdig op pad gegaan om in Haarlem zaken te doen. Rembrandt toog naar buiten om in de landelijke omgeving van Elsbroek het een en ander vast te leggen in zijn schetsboek. Nu had hij ‘s morgens van zijn vriend vernomen dat het de 17de juni was, de sterfdag van zijn geliefde Saskia, zodat hij die ochtend in een iet­wat droevige stemming verkeerde. Zijn tekenwerk wilde dan ook maar niet vlotten. Tegen half twaalf kwam Six de laan naar het huis op wandelen, waar Rembrandt nog steeds achter zijn schetsboek zat te mijmeren. “En”, vroeg Six, “hebt gij uw schetsboek met eenige mooie schetsen voor schoone schilderijen verrijkt ?”, waarop Rembrandt antwoordde dat hij die ochtend niets had uitgevoerd. “Alle duivels te paard op een houtvlot! Wat zijt ge dan lui geweest! Dat zijn we niet gewend. Maar het is jammer van die mooie dag”, zei Six. Zijn vriend wilde het echter niet opgeven en wilde met hem wedden om vijf gouden ducaten dat hij in een half uur tijd nog een mooie schets kon maken. Die weddenschap is door Rembrandt nog juist op tijd gewonnen en heeft ons de ets, bekend als “het bruggetje van Six” opgeleverd. Het betreffende bruggetje zou over de Elsbroekervaart gelegen hebben, terwijl dan het torenspitsje aan de horizon de Hillegomse St. Maartenskerk moet zijn. Bovengenoemd verhaal is ons overgeleverd door Van Loenen’s Beschrijving en kleine Kroniek van de Gemeente Hillegom dat in 1916 verscheen. Van Loenen dankte het verhaal op zijn beurt aan Ds. W.P. Wolters, leraar op de H.B.S. te Leiden, die het ietwat uitgebrei­der publiceerde in de Volksalmanak van “het Nut” van 1883. “Of het op historie berust is niet uit te maken”, zo lezen we aan het einde van het verhaal, al zal Rembrandt ongetwijfeld als goede vriend van Six, vaak diens buitenplaats te Hillegom bezocht hebben. In hetzelfde boek van Van Loenen lezen we verder met betrekking tot Elsbroek: “In den j are 1867 is dit groote landgoed, dat met zijn ap­en dépendenties niet minder dan 782.70.06 H.A. groot was, uiteenge-spat, door verkoop, onder leiding van den (Lissese) notaris Van Stockum”. In 1870 viel tenslotte het landhuis onder de slopershamer. Het eens zo machtige Elsbroek was niet meer…

Het bruggetje van Six door Rembrandt van Rijn. Uit: Beschrijving en kleine Kroniek van de Gemeente Hillegom door J.B. van Loenen.