Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

De Kathedraal van Lisse honderd jaar: PANIEK ROND ZWABBERENDE ‘POTLOODTOREN’

De Agathakerk viert in 2003 het honderdjarig bestaan. De geschiedenis van de eerste jaren wordt beschreven.

Door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

De nagenoeg geheel gerestaureerde Agathakerk viert in 2003 het honderdjarige bestaan. Waarschijnlijk zal het eeuwfeest samenvallen met de officiële oplevering van de gigantische restauratieklus, die jaren heeft geduurd en miljoenen euro’s heeft gekost en waarvan het geld gro­tendeels werd opgebracht door de parochianen, mensen die het kerkgebouw een warm hart toedragen, sponsors, overheden en diverse instellingen die subsidies verleenden.

De parochianen van de St. Agathaparochie zijn niet altijd in de ‘kathedraal van de bollenstreek’ ter kerke gegaan. In vroegere jaren (en dan hebben we het over zo ongeveer 1250) vormde men een parochie tezamen met Sassenheim en aldaar werd ook de kerk bezocht. Eerst echter zo’n honderd jaar na de Hoekse en de Kabeljauwse twisten wordt Lisse bij Pauselijke beschikking een zelfstandige kerk; deze verheffing vond plaats op 27 april 1461. De huidige Agatha-parochie bestaat dus meer dan 500 jaar!

Het is overigens niet helemaal duidelijk waarom de kerk aan St. Agatha werd gewijd. Vele vrome legenden zijn van haar bekend. Zij moet op Sicilië uit voorname ouders geboren zijn. Op allerlei manieren trachtte men haar af te brengen van haar geloof in Christus, echter tevergeefs. Scherpe pinnen, gloeiende kolen en andere afgrijselijke martelingen konden haar niet overre­den haar geloof op te geven. Tenslotte bezweek zij aan haar martelingen, zonder toegegeven te hebben.

Kerk

Het moet ongeveer op het tijdstip dat Lisse tot zelfstandige kerk verheven werd geweest zijn, dat op Het Groene Veld midden in het dorp en grenzend aan het Vierkant, een eenvoudige, vierkante kerk werd gebouwd. De Agathakerk, thans het bedehuis van de Nederlands Hervormde Gemeente. De toren (die waarschijnlijk wat later is gebouwd) speelde een dominerende rol in Lisse en wordt inmiddels, evenals het gehele kerkgebouw, gekoesterd door monumentenzorg. Nu dus de Nederlands Hervormde kerk, maar ooit de kerk van de St. Agathaparochie.

Bouwplannen

Na het overlijden van de in Lisse zeer geliefde pastoor van Vlasselaar, kwam pastoor Klekamp naar het dorp en die begon vrijwel onmiddellijk met de ontwikkeling en realisering van grootse bouwplannen. Eerst het Agathaklooster en de meisjesschool en op 8 april 1902 werd onderhands de bouw aanbesteed van de nieuwe Rooms Katholieke Agathakerk. Een opdracht die naar de bouwer ging voor het bedrag van f.136.051,-. Op 6 juni 1902 werd de eerste steen gelegd en op 7 augustus 1903 werd de kerk door Mgr. Van de Wetering uit Utrecht plechtig ingewijd en had Lisse de onder architectuur van Jean H. Groenendael gebouwde “Kathedraal van de Bollenstreek” binnen de dorpsgrenzen, met haar enorme toren van 75 meter. De kerk werd rijkelijk van allerhande versierselen voorzien en tijdens een rondgang door het gebouw kan eenieder zeer veel van dat fraais aantreffen.

Er werd echter nog een verandering aangebracht. De scherp spits toelopende “Potloodtoren” veroorzaakte diverse moeilijkheden. De haan kwam het laag bij de grond zoeken, want die denderde naar beneden, recht in het kippenhok van meneer pastoor, aldus de geschiedschrijvers. Ook bleek de toren niet zo degelijk en betrouwbaar als men mocht veronder­stellen. Tijdens stormen zwiepte het ding vervaarlijk en gevreesd werd dat het gevaarte ooit eens met een geweldige klap in z’n geheel omlaag zou komen. De toren werd vervangen door degene die we thans nog dagelijks kunnen aanschouwen. In hoeverre deze toren past bij de algehele uitstraling van het gebouw laten we ter beoordeling van de geleerden en architecten, maar duidelijk is wel dat deze toren in de loop der jaren zonder meer het sil­houet van de Bollenstreek heeft bepaald.

Kerk te klein

Laten we eens horen wat de plaatselijke perscorrespondent Arie Raaphorst tijdens zijn rondwandelingen door het dorp rond ongeveer 1910 over deze kerk in zijn inmiddels befaamde en gevraagde schriftjes neerpende. Raaphorst: “Reeds lang voordat er eindelijk een nieuwe R.K. kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw te klein voor de steeds toenemende Roomsch Katholieke kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkza­amheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar voor de krachten van de oude, zwakke en beminnelijke herder dezer parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H. Th. van Vlasselaar. Elkeen wist het dat de kerk veel te klein was maar ook elkeen was er ten volle van overtuigd dat zulk een omvangrijk werk niet op de steeds in kracht afnemende schouders van Pastoor Vlasselaar gelegd mocht worden en daarom ook wachtte men de tijd af……!

Eindelijk was die tijd daar, want op den eesten januari van het jaar 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Vlasselaar is dood. Hij, die jarenlang de beminnelijke, zachtmoedige en goede herder was geweest voor de parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij. Beweend, niet alleen door den katholieken, maar evenzeer door den niet-katholieken en van aller­lei rang en stand. Met hem daalde ten grave een stille weldoener der armen, een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen. Zonder onderscheid.

Zijn nagedachtenis zal blijven voortleven in de harten van allen die hem hebben gekend. Ja zelfs in de harten van hen die geen geloof beleden. Geen wonder dan ook dat een ontelbare massa zijn lijk hebben bezocht, dat lijk wat daar stil en onbeweeglijk neerlag in zijn laatste rustplaats, maar met dezelfden hemelsche glimlach om de lippen van altijd! Hij werd begraven in het priestergraf, rustend in de schaduw van het kruis. Een eenvoudige blauwe steen siert het graf van deze eenvoudige herder. Dat zijne ziel de hemelsche rust geniet was de innige wens van allen die hem hebben gekend.”

Noodkerk

Zodra pastoor van Vlasselaar was overleden, werden er direct plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk. De overleden pastoor werd opgevolgd door de Zeer Eerwaarde Heer BJ. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Raaphorst: “Doordat de nieuw te bouwen kerk moest gebouwd wor­den op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. Daarom dan ook werd er in het voorjaar van 1902 een groot houten gebouw gesticht op de plaats waar het Piusgesticht is verrezen. Zoodra deze noodkerk gereed was, werd zij plechtig ingewijd door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders, pastoor te Warmond. De oude kerk werd voor afbraak verkocht en spoedig gesloopt. Kort daarop werd begonnen met de betonstorting, want paalfundering was op die grondslag onnoodig. Met de bouw ging het voorspoedig, want reeds spoedig had de eerste steenlegging plaats door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen waarin zich de oorkonde bevindt, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuidertransept tegen de zijde van de St. Josephschool. Het opschrift luidt als volgt: Hiene primarium lapidium posuit R.dam Ds Nicolaas Johannes Smeulders Dec. Novice a.d. VI. Kla. Jeen MCMII”

Pastorij

Raaphorst vervolgt: “Wij hebben tot op heden steeds gesproken over den bouw van een nieuwe kerk, maar eigenlijk diendt gesproken te worden van kerk en pastorij. Het pastorij, een groot gebouw in de Oud Hollandsche stijl was voor de kerk reeds afgewerkt, omdat de pastoor was gehuisvest in het pas voltooide St. Agatha-gesticht en de beide kapelaans bij de kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen wij nog opmerken dat er een kwestie is ontstaan tusschen de pastoor en de Burgemeester, over het opschrift op de gedenksteen boven de portiek en de hoofdingang. Dit opschrift luide als volgt: ‘Dije dit niet an mogt staen, moet maar voorbije gaen!’ Deze spreuk was genomen uit de gedichten van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende in deze spreuk eene uitdaging te zien voor de niet-katholieken en daarom stond hij er op dat deze spreuk zou worden wegge­maakt. Ik voor mij vondt het een kleinzielig idee van de Burgemeester, hoewel ik ook moet zeggen dat de inhoud van dit opschrift enigszins onbe­grijpelijk was en volgens mijne bescheiden meening, ook met totaal geen enkele gebeurtenis of zaak in verband was te brengen. Genoeg, de steen werd weer glad gekapt en de andere dag prijkte deze weer met een ander opschrift en van de volgende inhoud: Anno Domino MCMII. Het jaartal der stichting zooals u ziet, anders niet, en daarmee was de kwestie uit.” (Overigens wordt het weghalen van de spreuk ook toegeschreven aan Mgr. Galliër uit Haarlem, die het allemaal te bont zou hebben gevonden. En ook is er het verhaal dat protestanten hadden gedreigd de ruiten in te zullen gooien…)

Orgel

De Agathakerk beschikt over een heel fijn orgel, dat wijd en zijd wordt geroemd en bewonderd. Het instrument werd ingewijd op 15 augustus 1914, de dag van het veertigjarige priesterjubileum van pastoor Klekamp. Het orgel werd gebouwd door de firma Adema uit Amsterdam en kostte rond de twaalfduizend gulden.

Daarnaast zijn er nog talloze ander zaken in de kerk aanwezig die het bek­ijken zeer waard zijn. De Agathakerk is een zogenaamde kruisbasiliek in vroeg gotische trant. Buiten ziet men de zeshoekige toren en de steunberen met pinakels en schoorbogen. Typisch zijn aan de binnenzijde de kapitelen (op de pilaren bij de aanzet van het gewelf) en de gewelfbeschilderingen in aan de neo gothiek ontgroeide, eigentijdse vormen. Wat deze kapitelen betreft: het lijkt er wel op of in de Middeleeuwen iedere beeldhouwer op de kapitelen zijn eigen gedachten en ideeën, vroomheid of spot helemaal mocht uitleven. Daardoor zijn de voorstellingen op de kapitelen vaak onverklaarbaar. De zoetelijke schilderingen van Kees Dunselman had men tien of twintig jaar geleden wel graag kwijt gewild. Thans echter, nu alles uit grootmoeders tijd weer in trek is, zou men ze toch niet meer willen missen.

Architect (en tevens uitvoerder) van de kerk en pastorie was J.H.H.Groenendael (1868-1942), een leerling van de vermaarde bouwmeester Pierre Cuypers. Hij had door de fraaie Sint Nicolaaskerk te Helvoirt grote bekendheid verkregen en ook het Sint Agathaklooster aan de overzijde van de Heereweg gebouwd.

Opgaan naar God

Het marmermozaiek op de vloer is van de kunstenaar A. J. Hooggreef te Amsterdam. ‘Ite ad Joseph’, “Gaat naar Jozef”, met opnieuw een lelietak en de timmermanswerktuigen. Het neo-gotische altaar staat vrijwel tegen de wand van de absis (het gebogen deel van het priesterkoor). Men gevoelde nog zeer sterk het “opgaan naar het altaar Gods” en zag in het priesterkoor met het verre altaar nog iets van het “Heilige der Heilige” van het Oude Verbond. In 1968 is het priesterkoor vergroot en verhoogd en te midden der gelovigen een eenvoudiger altaartafel geplaatst, omdat in de huidige liturgie het “gezeten zijn rond de tafel des Heren” meer ervaren wordt. Architect was ir. A.H. J. Paardekooper. Op de deur van het tabernakel staan de sym­bolen der vier evangelisten. De mens (Mattheus begint zijn evangelie met de menselijke afstamming van Christus), de adelaar (het evangelie van Johannes neemt al dadelijk een hoge vlucht), de leeuw (het evangelie van Marcus begint met “de stem van een roepende in de woestijn”) en de stier (Lucas begint met het offer in de tempel). Om tabernakel en expositietroon korenaren met korenbloemen en druivenranken. Aan weerszijden van het kruis engelen met de lijdenswerktuigen.

Preekstoel

Hoog in het priesterkoor ziet men nog een viertal schilderingen van Kees Dunselman, betrekking hebbende op het Heilig Sacrament.De preekstoel is in 1924 geschonken door Piet Verdegaal, de eigenaar van de boerderij “Poele-way”. Verder het doopvont, dat als neo gotisch kunstwerk zeker niet onverdi­enstelijk is en waarvan wordt verteld dat dit een geschenk is van Baron Heereman van Zuydtwijck, Heer van Dever en Lisse. Deze woonde in de omgeving van Munster in Westfalen, waar de gotiek een grote bloei beleefde.

En het is inmiddels wijd en zijd bekend: in de voorlaatste pilaar zou een fles jenever ingemetseld zijn. Dat zit zo: Pastoor Klekamp, de bouwpastoor, was een fel drankbestrijder en daarbij vrij ongemakkelijk. Hij had vanuit de pastorie gezien, hoe een der metselaars iets onder zijn jasje de kerk bin­nensmokkelde. De pastoor er achter aan. En de ladder op! De mannen zetten de fles gauw zo diep mogelijk weg. En metselden er vervolgens flink op los. En ze moesten blijven doorgaan, want die pastoor bleef er met z’n neus bovenop staan. Al met al zou die fles er nog altijd moeten zitten. . . !

De eerste toren van de Agathakerk noemde men de ‘potloodtoren.’
Hij zwabberde zo hevig in weer en wind dat hij moest worden vervangen.

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

VERLEDEN EN HEDEN VAN DE ZEMELPOLDERMOLEN

De geschiedenis van de molen wordt beschreven. Het oudste jaartal in de molen is 1743. Het is een wind schepradmolen met ijzeren bovenas en houten wieken. De Zemelpolder was 71 ha. In 1943 is de molen gekocht door de gemeente Lisse.

door Ignus Maes

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

In het begin van de zeventiende eeuw bestond de bedijkte Zemelpolder uit twee kleine poldertjes met een totale oppervlakte van 50 Rhijnlandsche morgen (circa 42,60 hectare). Deze beide poldertjes werden door twee kleine poldermolens bemalen. De vier aangestelde molenmeesters zorgden, dat de waterstand in die poldertjes en omringende polders op kunstmatige wijze met behulp van wind kon worden beheerst.

Op een oude tekening uit 1624, vervaardigd door Jan Pietersz.Dou, met daarop de bedijkte Poelpolder, staat in het cartouche geschreven: “Caerte van de Lisser Polder mette bijgelegen plaetsen, sulcx Inden Jare sesthienhondert drientwintich ende vierentwintich bedijckt is”. Twee poldermolens zorgden voor het op peil houden van deze Lisser Polder.

In het jaar 1662 mochten door een besluit van grondeigenaren, schout en schepenen van Lisse en met goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Rijnland de beide kleine molens van de Zemelpolder worden vervangen door één poldermolen.

Het polderwater van de Zemelpolder kon door een molen met scheprad worden opgepompt naar de Ringsloot om de bedijkte Lisser Poel. Wellicht konden de twee kleinere molentjes dat oppompen naar de Ringsloot niet meer aan, en werd gekozen voor een krachtiger molen.

Het kan ook zijn, dat het droogmalen en droog houden van de polder, inklinken van het veen tot gevolg had en de molens moesten worden vervangen.

Het oudste jaartal, hetgeen in het bovenwiel van de molen terug gevonden is 1743.

Op een in september 1767 ingekleurde getekende kaart van de Lisser Broeker Polder en de bedijkte Lisser Poel van 1767 van de gezworen landmeter M. Bolstra staat net over de Ringsloot, een pol-dermolen achter de kade van de Zemelpolder ingetekend.

In de achttiende en negentiende eeuw vonden er landmetingen plaats van de te bemalen polderoppervlakte, waarbij kleine verschil­len optraden, meestal het gevolg van afkalving of onzorgvuldige eerdere metingen.

Doorsnee van een achtkantige poldermolen

Windschepradmolen

In 1904 werd de molen beschreven en sprak men over een wind-schepradmolen met ijzeren bovenas en houten wieken. De polder werd bemeten op 71 hectare; je kunt je voorstellen dat dit een zodanige vermeerdering is geweest dat hiervoor op z’n minst aan­passingen aan de molen nodig moeten zijn geweest. In 1928 is het scheprad vervangen door een elektrisch aangedreven vijzel; daarbij is ook de gemetselde watergang verbreed. De functie van de molen, het bemalen van de Zemelpolder, is toen verloren gegaan. De wieken stonden vanaf die tijd stil.

In 1943 is de molen voor het symbolische bedrag van één gulden door de gemeente Lisse van het Hoogheemraadschap aangekocht. Door het wegvallen van elektriciteit in het jaar 1945, heeft een auto­motor de energie geleverd voor het op peil houden van de Zemelpolder.

Woningbouw

Vanaf de zestiger jaren in de twintigste eeuw is het rijksmonument helaas, door ontwikkelingen op stedebouwkundig gebied, niet die vrijheid (biotoop) geschonken die het voor de juiste windvang nodig heeft, zodat de woningbouw met bijbehorend groen de benodigde wind voor een groot gedeelte uit de zeilen heeft genomen.

Vrijwillige molenaars hebben vanaf 1973 de molen laten draaien en veel energie in onderhoud gestoken om dat ook technisch mogelijk te houden.

In de nacht van 3 op 4 november 1999 is de molen verbrand. Op initiatief van de Vereniging Oud-Lisse werd de “Stiching Herbouw Molen Lisse” opgericht. Op 19 juli 2001 besloot de gemeenteraad van Lisse tot herbouw van de molen.

De molen vóór de brand

Uit archieven is bekend, dat dit type molens in onze streek op een zeer groot aantal palen met balkenvloer werd opgebouwd. De buitenkant van de poldermolen heeft een lage achtkantige gemet­selde opbouw, waarin een toegangsdeur en een inspectie luik voor de motor van de vijzel waren opgenomen. Het lage metselwerk zorgde voor een laag zwaartepunt, droge voetjes en een gering gewicht op de meestal slappe, van oorsprong moerassige, ondergrond. Op dit lage metselwerk lag een eikenhouten balk, het z.g. ondertafelment, met daarop de enigszins gebogen achtkantige eikenhouten opbouw, die kenmerkend is voor de Zuid-Hollandse poldermolen. Dit alles werd gedekt met riet.

De draaibare kap met gietijzeren as met wieken en buitenkruier gaven de molen het gezicht zoals we dat allen kennen. De molen was voorzien van een z.g. buitenkruier, de juiste stand van de wieken werd vanaf het maaiveld ingesteld en geborgd.

De poldermolen is een z.g. grondzeiler, hetgeen betekent dat de wieken vlak over de grond draaien. Het vereenvoudigt het aanbrengen en afnemen van de zeilen op de wieken.

Het polderwater werd middels een elektrische vijzel, binnen de molen op de vloer opgesteld, naar het boezemwater opgepompt. De molen draaide “voor de prins”, hetgeen betekent dat hij geen echte bedrij fstechnische funktie meer bezat.

Herbouw molen

De molen wordt op dit moment gerestaureerd. De metalen vijzel, geplaatst in het jaar 1928 en opgesteld binnen de molen, zal door een historisch verantwoord houten scheprad van circa 4 meter doorsnede worden vervangen. Het metselwerk van de watergang wordt tot de breedte van het scheprad teruggebracht. De watergang tussen polder en ringsloot was voor de metalen schroefvormige vijzel verbreed. Om het onderwiel van circa 2.50 meter te laten draaien is de vloer in de molen uitgegraven en de daarbij (terug) gevonden gietijzeren kast kan worden hergebruikt om het onderwiel in te laten draaien. Deze kast was volgestort met puin en netjes dichtgestraat.

De molen zal een aanvullende bedrij f stechnische funktie gaan vervullen bij het op peil houden van de Zemelpolder en krijgt daar­voor een jaarlijkse vergoeding van het Hoogheemraadschap. Het water van de polder wordt, indien de molen niet draait, met behulp van een elektrische pomp die in de nabijheid van de molen staat opgesteld, op peil gehouden. Wanneer het water in de polder op peil is en er toch wordt gemalen, zal een wateromleiding voor voldoende wrijving van het mechaniek van de molen zorgen.

Een molen moet draaien om het houtwerk (o.a. het houtworm gevoelige iepenhout) in goede conditie te houden. Houtaantastende insecten zijn niet gecharmeerd van beweging (misselijkheid??).

Doorsnede van een poldermolen

Werking van een poldermolen

In de gietijzeren bovenas (1), die nieuw gegoten moest worden, zijn de roeden (wieken) met een lengte van 19.60 meter vastgespied. Om dezelfde as zit het bovenwiel (2), met eromheen een krans van wilgenhouten blokken: de vangrem, waarmee via de vangbalk en, aan

de buitenkant van de molen, de vangstok en het vangtouw, het wiekenkruis wordt geblokkeerd en tijdens het draaien tot stilstand kan worden gebracht.

De hardhouten kammen van het bovenwiel grijpen in de ronsel-staven van de bovenschijf (3) (ronsel) met daartussen de hardhouten ronselstaven en zo wordt de houten spil met een afmeting van 250 x 250 mm in beweging gebracht, waarop om het ondereinde de onder­schijf zit vastgewigd.

In de ronselstaven van de onderschijf (4) grijpen de kammen van het onderwiel (5) die voor de helft is ingelaten in de gietijzeren onderwielkast onder de vloer van de molen. Het onderwiel en het scheprad (6) zijn bevestigd op de houten (!!!) wateras met een doorsnede van 400 x 400 mm.

Het onderwiel (5) brengt de wateras en die op zijn beurt weer het scheprad (6) met circa 20 schoepen aan het draaien. De linksom-draaiende wieken zetten windenergie om in mechanische energie en zo kan het water omhoog naar het boezemwater ofwel de Ringsloot worden geschept.

Educatieve functie

In deze 21ste eeuw gaan moderne windmolens ons Nederlanders helpen het hoofd boven water te houden.

Het is te wensen dat de Zemelpoldermolen na de herbouw zijn edu­catieve funktie weer kan opnemen en ons historisch bewustzijn ver­sterken over hetgeen onze voorouders presteerden en voor de inricht­ing van ons dorp hebben betekend.

De “Stichting Herbouw Molen Lisse” met zijn voorzitter Hans Kok is er met dit initiatief in geslaagd binnen 2 jaar voldoende (poli­tiek) draagvlak te vinden in de gemeente Lisse om de nieuwe (oude) Zemelpoldermolen in 3 jaar te laten herrijzen. Een felicitatie waard!

 

De geschiedenis van Wassergeest: Deel 3:1900-heden


De periode van 1900 tot heden wordt beschreven. De bewoners van het Reigerbos passeren de revue. In 1965 werd een groot deel van het Reigerbos afgegraven.

Door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

HET DEFINITIEVE EINDE

Zo kwam het laatste stukje Grotenhof na veel omzwervingen dus toch bij Wassergeest. Maar het buiten was ten dode opgeschreven. Tegen het einde van de vorige eeuw verwierf makelaar Harry Mens het jachtopzienershuis. Hij verkocht dat en nu staat er een nieuw en prachtig Buitenhuis.

Vanaf 1875 woonde hier Arie van der Zaal met vrouw en kinderen. Arie van der Zaal heeft op 24 december 1923 het tijdige met het eeu­wige verwisseld. Naast het grote huis woonde in een zijvleugel vanaf circa 1910 nog een broer van Van der Zaal: Cor of Cornelis van der Zaal, gehuwd met Marytje Brussée.

Nu gaan we over de Achterweg zuidwaarts en slaan rechtsaf de Groene- of Sparrelaan in. Als we deze rijk beplante laan aflopen, komen we uiteindelijk in het Reigersbos uit. Aan de westrand van het bos, dichtbij de Loosterweg, bevond zich de jachtopzienerswoning (Loosterweg 14) die nu vervangen is door een groot buitenhuis.

Wij nemen u nu echter mee naar de periode omstreeks 1900. Tot 1908 woonde hier Adrianus Weyers met zijn vrouw Theodora Brama en 9 kinderen. Over hem is niet veel bekend. Dat is anders met Klaas Tanis, die we hier vanaf 1903 aantreffen als jager met zijn zus Hendrika. In een van de boeken van A. Raaphorst lezen we dat ds. van Linden-Tol, die de jacht op het landgoed Wassergeest in deze jaren in huur had, als jachtopziener op het landgoed had aangesteld een zekere Klaas Tanis.

We lezen verder: “Deze Tanis was terecht of ten onrechte, wij weten het niet, door toedoen van de familie Van Lynden uit zijne betrekking ontslagen. Hierover was hij allesbehalve in zijn schik, dat is begrijpe­lijk. Nu gebeurde het op zekere dag dat Tanis zich bevond op het gedeelte van de Loosterweg langs het kasteel (Keukenhof), dat voor het publiek was afgesloten en, zoals later bleek, met het doel een pro­ces-verbaal uit te lokken. Hetgeen dan ook geschiedde.”

De zaak liep voor Tanis goed af: hij werd in het gelijk gesteld, daar de Loosterweg op officiële kaarten als een publieke weg stond aange­geven. Tanis hoopte nu de familie Van Lynden een voet dwars te heb­ben gezet. Uiteindelijk is daar echter niets van terecht gekomen en was dus de wraakactie van de voormalige jachtopziener mislukt. Zo kwam dus de jachtopzienerswoning leeg te staan.

Stil en eenzaam

Er kwam echter al spoedig een nieuwe bewoner: Dirk Schipper met zijn vrouw Grietje Molenaar en twee kinderen.   Meestal gebeurde er in en rond de dienstwoning niet zo heel veel. Het was er stil en een­zaam. Wel werd er regelmatig gejaagd. Samen met boer De Wit (De Phoenix) en de boer van de nabijgelegen boerderij Achterduin aan de Loosterweg werd er dan een en ander aan wild afgeschoten in het Reigersbos. Na afloop werd er erwtensoep gegeten in het jagershuis dat tegen de eigenlijke dienstwoning was aangebouwd.

Het Reigersbos diende dus voornamelijk voor de jacht, al werden er ook wel eens zogenaamde “cross-countries” georganiseerd. Verder was het voor het publiek toch echt verboden toegang. Schipper wilde nog wel eens een uitzondering maken als er bijvoorbeeld studenten langs­kwamen om biologische inventarisaties op te stellen. Het was geen uit­zondering als er wel zo’n dertig soorten vogels geteld werden. Verder kwamen er uiteraard ook veel fazanten voor. Vooral dichtbij het huis waren er een aantal uitgezet, namelijk op een duintje waaromheen een afrastering was geplaatst. Als de jacht verhuurd werd aan een bepaald persoon, waren deze fazanten daar ook bij inbegrepen.

Hoewel het dus strikt verboden is zich zomaar in het Reigersbos te begeven, gaan we daar nu toch eens een kijkje nemen. We doen dat door de ogen van een zekere Kikkert, die eind 19de en begin 20ste eeuw in de buurt veel schetste. Nog steeds bevinden we ons dus in de periode rond 1900. Op een van zijn tekeningen, gedateerd 18 augustus 1895, zien we een brede laan lopen met aan weerszijden stukjes duin met veel bomen. Het huisje aan de linkerkant is mogelijk een dichter­lijke vrijheid of anders een van de schuren die midden in het bos stonden, waar onder meer gereedschap en andere spullen met betrekking tot het onderhoud van het bos in opgeslagen waren. Vaag zien we op het bospad nog een gestalte van een persoon die door het bos loopt. Mogelijk heeft de tekenaar hem daar geplaatst om de grootsheid van het gewas en vooral de bomen nog beter te doen uitkomen. Het is alles bij elkaar een fraaie tekening geworden.

Het doek viel

Nog jarenlang is het stil gebleven in het Reigersbos, totdat in 1965 tenslotte het doek viel: een groot deel van het bos werd afgegraven en veranderd in bollengrond. De bedoeling van de Gravin van Rechteren was het landgoed meer rendabel te maken, daar het tot dan toe te wei­nig had opgeleverd, terwijl grote bedragen jaarlijks moesten worden uitgegeven ten behoeve van onderhoud. Het bracht echter maar weinig verandering aan de financiële situatie waarin het landgoed zich bevond. Om die reden is de Gravin er na 1971 toe overgegaan delen van het landgoed te verkopen. De percelen tussen de Heere – en Achterweg werden in laatstgenoemd jaar aan de pachters aldaar over­gedragen. Hetzelfde was het geval met de gronden tussen de Achterweg en Loosterweg: in de jaren 1993-1996 werden ook deze overgedragen aan de pachters.

Het gedeelte van het landgoed dat lag in de Lageveense Polder werd in 1992 en 1993 verkocht aan de stichting Het Zuidhollands Landschap. Een verstandige keus want deze had natuurlijk meer mid­delen ter beschikking voor het onderhoud van een landgoed. Tenslotte werd ook de dienstwoning aan de Loosterweg met bijbehorend over­schot van het Reigersbos op l april 1997 overgedragen aan de bekende makelaar Harry Mens. Het landgoed Wassergeest zoals dat in de vori­ge eeuw door D.P.J. van der Staal was gesticht, was met deze laatste verkoop in verscheidene delen uiteengevallen.

Het huidige landgoed

We mogen het gedeelte van het vroegere landgoed Wassergeest dat lag in de Lageveense polder en dat op 15 december 1992 aan het Zuidhollands Landschap is overgedragen, beschouwen als de huidige opvolger van het 19de eeuwse landgoed. Zoals we reeds gezien hebben, is de Lageveense Polder eigenlijk niets anders dan een voormalige strandvlakte. Door deze relatief lage ligging is het vanouds een dras­sig terrein, waar dus oorspronkelijk weiland en daaraan gekoppeld veeteelt overheerste. Later, vanaf omstreeks 1750, is men bepaalde gedeelten gaan bebossen (de zogenaamde Loosterbossen) waardoor een coulissenlandschap ontstond: een landschap waarin stukjes bos en weiland elkaar afwisselen. De functie van deze hakhoutbossen was duidelijk: het hout kon gebruikt worden als boerengeriefhout voor in de kachel, voor het vervaardigen van bezemstelen of het maken van omheiningen. Doordat er maar weinig wegen door de hakhoutbossen lopen en ze voor het publiek niet toegankelijk zijn, zijn deze bossen tegenwoordig belangrijke natuurgebieden. Regelmatig vinden er dan ook excursies plaats en biologische inventarisaties. Ook worden er zo nu en dan onderhoudsdagen georganiseerd. Bij het onderhoud wordt er onder meer naar gestreefd zo hier en daar open plekken te creëren en het omgehakte hout te laten liggen om als schuilplaats te dienen voor allerlei dieren. De resultaten zijn al zeer bevredigend te noemen!

Conclusie

Het zal duidelijk zijn dat Wassergeest gedurende zijn meer dan drie eeuwen durende historie gunstige en minder gunstige periodes heeft gekend. In de gunstige perioden ontwikkelde Wassergeest zich tot een buitenplaats van naam: of doordat er lieden van stand op het buiten­goed woonden of doordat er belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden (zoals het planten van de Vrijheidsboom in 1795) of anders door een plotselinge grootschalige expansie zoals in het begin van de 19de eeuw onder D.P. J.van der Staal het geval is geweest.

In de minder voorspoedige perioden zien we dat Wassergeest wat betreft importantie moet inboeten. In de 18de eeuw komt dat doordat de eigenaren – de Van Wassenaer Obdams – waarschijnlijk nauwelijks interesse hadden voor het buitengoed en zich er dus maar zelden ophielden. In de tweede helft van de 19de (na 1852) en in de 20ste eeuw was de oorzaak vooral het ontbreken van een groot buitenverblijf of kasteel. Het huis Wassergeest was namelijk in 1856 gesloopt. Daardoor bestond er ook geen mogelijkheid meer voor een eventuele adellijke familie zich metterwoon op het landgoed te vestigen. (Slot).

 

Het huis van de rentmeester van het buitengoed Wassergeest, op de plaats waarvan nu het landhuis is gebouwd. (Foto: Ton Rouwhorst)

Lisse toen: De bloemistknechts op de barricaden

Rond 1900 werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. De nieuwe arbeidsorganisatie Flora in Hillegom werd in 1900 opgericht. Zij hadden diverse eisen, maar men kwam niet overeen met de werkgevers.


Tekst en foto: Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

 


Aan het begin van de twintigste eeuw, rond 1900 dus, werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. Meer en meer durfde men voor de eigen belangen op te komen. Niet altijd met succes overigens en soms zelfs met een desastreuze afloop, omdat de werkgever zo’n opspelende arbeider nogal eens gewoon op de keien zette. De neutrale arbeidsorganisatie Flora, die in 1900 in Hillegom werd opgericht, mocht al gauw enkele successen boeken. Zo kreeg men het voor elkaar dat men zaterdag niet meer tot ‘s avonds zeven uur moest werken, maar tot ‘s middags vier uur. Een hele verbetering. Na dit succes vloeide onmiddellijk meer leden toe en al gauw werd ook in Lisse een afdeling opgericht.
Een en ander had tot gevolg dat ook de werkgevers zich gingen aansluiten. De Patroonsvereniging werd opgericht. Dit had tot gevolg dat er meer kansen tot overleg tussen werkgevers en werknemers kwamen. Tot ernstige moeilijkheden kwam het aanvankelijk niet. Maar toen de werknemersorganisatie in 1913 enkele wensen kenbaar maakte, barstte de bom. De arbeiders wilden dat de nor­male arbeidsdag zou zijn van ‘s ochtends zes tot ‘s avonds zeven uur en in de donkere maanden, waarin men natuurlijk niet om zes uur kon beginnen en men eerder naar huis moest, omdat men niets meer kon zien, wilde men van ‘licht tot donker’ werken. Voor de periode van l november tot l maart vroeg men twee uur en voor de overige maanden twee en een halfuur schafttijd per dag. Bij ziekte zou dertien weken lang min­stens het halve loon doorbetaald moeten worden. Voor overwerk vroeg men een kwartje per uur. Dat was voor de werkgevers alle­maal te veel van het goede. Men bedankte voor de eer. Er zou nog heel wat water door de Rijn stromen voordat men tot elkaar kwam.

Het sorteren van de bollen na de oogst

PROBLEMEN MET BRUGGEN IN DE 16E EN 17E EEUW

In Lisse zijn vanaf de 16de eeuw veel bruggen over zandsloten gemaakt in de Heereweg en de Achterweg. Besproken worden De Engelenbrug, De Staalbrug, de Jannetjesbrug, De brug over de Vennesloot in de Achterweg, De Zemelbrug, en de Lisserbrug.

 

door R. J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Onderhoud bijzaak door desinteresse in wegtransporten

In Lisse zijn vanaf de 16de eeuw heel wat bruggen gelegd. Dat kwam omdat veel duingronden die Lisse toen rijk was, in die tijd zijn afgegra­ven. Daarvoor werden vaarten gegraven die bijna alle in oost-west rich­ting liepen naar de Haarlemmermeer, via welke het zand naar de ste­den werd getransporteerd voor ophoging van wegen en bouwplaatsen. Daarbij werden de noord-zuid lopende wegen zoals de Heereweg en de Achterweg doorsneden, waardoor er vanaf ongeveer 1550 een belangrijk aantal bruggen in deze wegen moest worden gelegd.

Aanvankelijk waren de bruggen van hout, maar vanaf de 17de eeuw werden ze bijna allemaal vervangen door gemetselde stenen bruggen. Dit vergde minder onderhoud. Dit laatste bleef echter wel noodzakelijk en maar al te dikwijls werd dit vergeten of veronachtzaamd. Daardoor vormden zij obsta­kels voor het verkeer. Dit temeer, omdat vele bruggen hoog lagen met tame­lijk steile op- en afritten. Zij moesten immers doorvaart mogelijk maken voor de zandschuiten en ander watertransport. Dergelijke constructies gaven problemen voor het zware wegtransport, zoals in de 19de eeuw de diligence­diensten van Van Gend en Loos. Vooral met betrekking tot een zestal brug­gen in Lisse zijn over deze problemen in de archieven gegevens bewaard gebleven, namelijk de Engelenbrug, de Wassergeester- of Staalbrug, de Jannetjesbrug , een brug over de Vennesloot (“Santvaert”) in de Achterweg, de Zemelbrug en de Lisserbrug (in 1810 Zandvlieterbrug genoemd).

De Engelenbrug, 1842

Zoals gezegd zijn bijna alle vaarten gegraven voor de afvoer van het afgegra­ven zand van de binnenduinen. Dat is echter niet het geval met het Mallegat, een watergang die in 1589 werd gegraven voor de afvoer van overtollig water uit de Lage Venen. De brug die in de Heereweg over deze “water­lozing” lag, heette de Engelenbrug, vernoemd naar de nabijgelegen buurt­schap De Engel. Wanneer deze brug tot een stenen brug is verbouwd, is niet bekend.

In een rapport van de Ingenieur van Waterstaat uit 1842 lezen we, dat twee rijtuigen elkaar niet konden opmerken “wanneer zij elkander bij de brug tegemoet komen” (omdat hij zo hoog was). Vooral na een reparatie in 1823 was een gevaarlijke situatie ontstaan. Er was toen ter versteviging een houten wegdek aangebracht, waardoor “de beide keermuurtjes (muurtjes langs de op- en afritten) evenredig verlaagd waren, zoodat kort geleden de paarden van eene diligence (…) over deze te lage muurtjes zijn gesprongen, en ware de boom (verbinding tussen wagen en paarden) als toen niet gebrooken, waardoor het rijtuig op de brug bleef staan, dan zouden de gevolgen zeer treurig zijn geweest”.

Zwaertens!

Van Gend en Loos, die deze lijndienst uitvoerde, is natuurlijk gaan klagen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De brug moest “onverwijld” door de gemeente Lisse, die de eigenaar was, worden verlaagd of diende aan het Rijk te worden afgestaan. Burgemeester Van der Berg van Lisse reageer­de verontwaardigd in een brief van 11 maart 1842 : “Die diligences zijn gewoonlijk zoo overdreven zwaar geladen, dat de afgematte paarden de kart onmoogelijk ten eenige hoogte optrekken kunnen”. Hij voegt er aan toe: “Zwaertens! waarvan bij de doorrijding het gehele dorp schud en venstergla­zen rinkelen”. Verder vraagt hij zich af, of het feit dat de paarden over het keermuurtje sprongen, niet aan “een slegte besturing van de rijder te danken is” en of het niet “aan de Directie van den Straatweg zouden bekomen” om de weg op zowel de op- als afrit wat hoger te maken. Op één punt geeft de burgemeester wel toe: hij wil de brug wel aan het Rijk afstaan. Na toestem­ming van het Hoogheemraadschap van Rijnland (die vlot wordt verkregen), vindt de overdracht aan de Rijksoverheid plaats. Nadien zijn geen meldingen van problemen meer bekend.

De Wassergeester- of Staalbrug 1810

Deel van een prent van de tuin van Wassergeest. Op de achtergrond de gemetselde Wassergeesterbrug (later Staalbrug) door B.H.Thier (GA Leiden prentverzameling)

De huidige Staalbrug werd in de 19de eeuw de Wassergeesterbrug genoemd, omdat hij bij de buitenplaats Wassergeest hoorde. In 1594 had Dignum Jansz. de Roo, pachter en later eigenaar van een boerenbedrijf ten zuiden van de landerijen van Dever, een vaart laten graven voor de afzanding van een duingebied tussen de Heereweg en de Achterweg. In de 17de eeuw liet Adriaen van der Laen, eigenaar van Wassergeest, de houten brug vervan­gen door een gemetselde.

In de periode dat D.R J. van der Staal van Piershil eigenaar van Wasser­geest was (begin 19de eeuw), ontstonden er problemen. In oktober 1810, de Franse Tijd, liet namelijk de prefect van Maasland in verband met een even­tueel bezoek van “de Keijzer der Franschen” een onderzoek instellen naar de gesteldheid van bruggen en wegen in zijn gebied. In dit rapport lezen we dat de Wassergeesterbrug een “reparatie behoeft in de kruin” en dat “aan een der hoeken het metzelwerk van het land-Hooft onder de kruin zeer ver­vallen is”. De landmeter van Rijnland voerde een tweede inspectie uit en vond dat het nog wel meeviel: “Alleen heb ik aan de brug van den Wei-Edelen Heer Van der Staal een klein defect gevonden aan de vleugel waarvan het repareren wel tot een volgend jaar uitgesteld zoude kunnen worden”. Rijnland bericht dan ook aan de prefect zich gaan zorgen te maken, maar voegt daaraan toe: “Echter de Eigenaar van deezen brug aangeschreeven te zorgen dat dezelve in een voortdurende bequame staat gehouden wordt”. In 1842 blijkt van een reparatie nog niets, want dan klaagt Van Gend en Loos niet alleen over de Engelenbrug, maar ook over de vervallen staat van de Wassergeesterbrug, die was gebleken “door uitzetting zich in eenen gebrekki-gen staat te bevinden”   Ook voor deze brug gold: “de gebreken ten spoedigsten naar behoeven te herstellen” of anders “zich bereid te verklaren of hij (de eigenaar) genegen mogt zijn (die brug) op billijke voorwaarden aan het Rijk af te staan”. Uiteindelijk koos Van der Staal voor de gemakkelijkste weg: hij stond de brug af en was daarmee verlost van het vervelende onderhoud.

De Jannetjesbrug 1666-1836 (‘Van der Laens Brugge’ of Zandertjesbrug)

Vanaf de 16de eeuw lag deze brug in de Heereweg over de Verlaner Zand-sloot (Vennesloot), die werd gegraven in opdracht van Cornelis van der Laen in 1554 voor het transport van zand afkomstig uit het gebied tussen de Heere­en Achterweg tegenover zijn huis Ter Specke. In 1604 werd deze sloot door­getrokken tot aan het Keukenduin, tegenover de huidige begraafplaats Duin­hof. In 1662 kwam het gebied in handen van Pieter Six en daarmee ook de latere Vennesloot, lopende van de afzanderij in het Keukenduin tot aan de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Six bezat de buitenplaats Grotenhof aan de Achterweg, juist op de plaats waar de Vennesloot deze weg kruist. Ook Six deed slechts weinig of niets aan het onderhoud van de brug “soodanigh dat door het continueel overrijden van de waegens te bedueghen staat dat daer een groot ongeluck soude kunnen gebeuren”. Van der Laen, eigenaar van het naburige Wassergeest, gold als een niet bijster gemakkelijk mens. Hij spande een proces aan over deze zaak, die zelfs reikte tot aan de Hoge Raad, maar “ongedecideerd” bleef hangen. Later is toch nog een akkoord bereikt, want: “onverminderd ende sonder prejudicie vant voorsz. proces is verdrae-gen dat bij den Suppliant seeckere Brugge, genaemt Van der Laens Brugge (…) soude werden gerepareert ende wederom bequam gemaekt”. Kennelijk is de reparatie goed uitgevoerd, want wij lezen niet meer over klachten.

In de 18de eeuw wordt voor het eerst de naam “Jannetjesbrug” gebruikt. Waar deze naam vandaan komt is onbekend: er is geen enkele eigenaar geweest met de naam Jan. Misschien betreft het een verbastering van “zandertjesbrug”.

In de 19de eeuw is ook deze brug eigendom van Van der Staal van Piershil. Deze had de brug eigenlijk alleen gekocht vanwege de daarmee verband houdende afzanding. Overigens had hij er kennelijk geen belangstelling voor, met het bekende gevolg: verwaarlozing en verval. In 1836 krijgt Van der Staal dan ook een brief van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, waarin hij werd verplicht de belangrijke brug direct te herstellen. Het bestek daarvoor diende snel opgestuurd te worden, wat zowaar gebeurde, waarna het binnen een week werd goedgekeurd. “Wordende de requestrant als nu uitgenodigd om aen den opziener des wegs de vereischte kennis te geven, zoo dra met het werk eenen aanvang wordt gemaakt”. Uit het bestek blijkt dat werd gekozen voor een vlakke brug: “In plaetse van een wulf (gemetsel­de boog) zal op dezen brug eenen houten dek worden gelegd”. Aan beide einden van de brug zal men ‘s avonds een lantaarn laten branden. Een wel heel wat romantischer beeld dan tegenwoordig!

De brug over de Vennesloot in de Achterweg, 1853

Toen de Vennesloot (Verlaener Zandsloot) werd verlengd tot achter het huis Ter Specke, werd een brug in de Achterweg over deze vaart noodzakelijk. Een en ander moet in de 16de eeuw hebben plaatsgevonden.

In de 19de eeuw hoort deze brug bij het uitgebreide landgoed Wassergeest. In 1853 is het landgoed in handen van Johan Frederik Steengracht, die het echter in huur afstaat aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt. Tegen die tijd was echter de bovenvermelde brug allang in verwaarloosde toestand. Baron Van Pallandt schrijft dan ook in 1853 aan het Hoogheemraadschap van Rijnland dat hij “het hoogst noodig acht den brug aan de Achterweg over de zandsloot van Wassergeest, zoo dra mogelijk te doen repareren”  De zoveelste brug die door nalatigheid van Van der Staal in slechte toestand ver­keerde. En dat voor iemand die in de Franse Tijd als maire (burgemeester) had gefungeerd.

 De Zemelbrug, 1804

De Zemelbrug in 1953. (Coll GA Lisse

Deze brug ontleent zijn naam aan de Zemelpolder, dat zich bevond tussen de Vennesloot en de Eerste Poellaan. De eerste brug op deze plaats werd gelegd in 1623 toen de Ringsloot werd gegraven ten behoeve van de droog­legging van de Lisserpoel.

Na de verwoesting door de overstroming van de Lisserpoel werd hij te laag over het water herbouwd, waardoor de zandschuiten niet meer konden passeren. De hiertegen protesterende Van der Staal werd in het gelijk gesteld, maar moest uiteindelijk zelf voor de kosten voor een verbetering opdraaien.

De Lisserbrug, 1810

Deze brug ligt in het zogenaamde Oosteinde, aan de noordzijde van Lisse en wordt in 1810 ook wel de Zandvlieterbrug genoemd. De vaart die onder deze brug doorliep werd in het begin van de 17de eeuw gegraven door Aert van der Hoogh. Deze kruiste met een bocht naar rechts de Heereweg, waar aldus de latere Lisserbrug werd gelegd. Later kwam deze brug onder het beheer van de buitenplaats Zandvliet en daarna onder dat van het ambachts-bestuur van Lisse. Bij de eerder genoemde inspectie van wegen en bruggen in 1810 werd ook de Zandvlieterbrug in slechte staat bevonden: “aan de brug (…) genaamd De Zandvlieterbrug (…) de metzelwerken zoo aan de Wulf (de overwelving) als aan de Landhoofden op onderscheidene plaatsen zijn uitgevallen en generaal de kalk der voegen uitgeteert, de houte leuningen zeer vervallen en een der vleugels van dezelve geheel is verrot”. Bij een tweede inspectie bleek dat “de zuidelijke hoek van de regtsstandse muur van het zoomerwater (het waterpeil in de zomer) af tot onder tegen de boog zeer ontramponeerd (vervallen) was, zoodat de brug op die plaats geen steun had, maar alleen gehouden werd door het bovenwerk”. Een voor het verkeer zeer gevaarlijke situatie dus. Rijnland meldt hierop aan de prefect van Maasland, dat het ambachtsbestuur van Lisse is aangeschreven met de opdracht de brug zo snel mogelijk te repareren. Het is onbekend wat het effect daarvan was.

De oorzaken

De uit de archieven blijkende klachten en problemen betreffende de bruggen binnen het gebied van Lisse zijn terug te voeren naar twee oorzaken. In de eerste plaats de geringe belangstelling van de igenareivl3eheerders van deze voor het transport te land  Anderzijds nam het wegverkeer vooral in de 19de eeuw sterk toe, zowel in intensiteit als gewicht van vervoerde vrachten en de gewenste snelheid waarmee dit diende te gebeuren (postkoetsen!), wat mede werd gestimuleerd door verbetering van de wegen en de verharding daarvan. Pas toen het beheer en onderhoud van de essentiële bruggen in handen kwam van hogere overheden, verbeterde de situatie afdoende.

 

HET TWEEDE LEVEN VAN DE GRACHTBRUG

Lisser Chris Balkenende bouwde prachtige replica. De oorspronkelijke bouwtekeningen van de ophaalbrug over de Gracht naar de Schoolstraat was aanleiding voor Chris Balkenende om een maquette te maken van de brug en omgeving. Chris vertelt ook over het ontstaan van de brug en school de Akker.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Er zijn veel inwoners van Lisse die oude ansichtkaarten van het dorp sparen. Ook zijn er velen die naast kaarten ook foto’s bij hun verzamel­ing voegen. En er zijn Lissers die nog verder gaan en ook oude verhalen bij elkaar sprokkelen en alles wat ze van de geschiedenis van Lisse in woord en beeld voor de voeten komt, vergaren. En: er zijn Lissers die dat alles al jarenlang doen, maar bovendien het enthousiasme en kunde hebben om een stukje oud Lisse te herbouwen. Tot die laatste categorie mag Chris Balkenende worden gerekend.

In zijn woning in de Lisbloemstraat is, nog zonder dat er één van de vele plakboeken tevoorschijn is gekomen, duidelijk waarneembaar dat hier een ‘Lisse freak’ bij uitstek woont. En degenen die deelgenoot van zijn enthou­siasme worden, zullen het dan misschien ook nog mogen beleven dat ze een blik wordt gegund op een stukje oud Lisse op de schaal van l : 20. Daar moet dan wel het nodige voor gebeuren, want het heeft heel wat voeten in aarde voordat Chris Balkenende de grote, door hem gebouwde replica van de voormalige brug over de Gracht naar beneden heeft getransporteerd. De brug die aan het begin van de vorige eeuw de huidige Schoolstraat met de Kapelstraat verbond en de enige verbinding vormde die leidde naar en van de school van de Gereformeerde Gemeente.

Lantaarns op schaal

Bij de viering van het tienjarige jubileum van de Vereniging Oud Lisse werd de ‘brug van Balkenende’ voor het eerst tijdens de expositie in De Gevulde Mand aan het grote publiek getoond en op verzoek van de redactie van de Nieuwsblad van Oud Lisse sjouwde Balkenende het gevaarte onlangs opnieuw naar beneden, stofte het geheel af, ontstak de niet van de oor­spronkelijke (weliswaar op schaal) te onderscheiden lantaarns en de tijd van het zich vergapen was aangebroken. Een prachtige replica, tot in de details nagebouwd en als je de visite zat bent, haal je gewoon de brug op en klaar is Kees. Maar dat is geenszins de bedoeling van de gastvrije Balkenende, die elke gelegenheid aangrijpt om zijn opgedane kennis over oud Lisse uit te dragen en zo mogelijk te verrijken met de verhalen en opmerkingen die de bezoekers over vroegere jaren op hem loslaten. Niets voor niets en in dank slaat hij die informatie op om deze ten gunste van zijn gigantische verzameling te gebruiken.

Brug boeide

Het herbouwen van de brug werd door Balkenende aangepakt omdat hij daartoe wegens omstandigheden in de gelegenheid kwam. Een schitterende tijdsbesteding. “De brug en ook de hele omgeving ervan, heeft me altijd erg geboeid. De school, de brug, de aan- en afvoer van goederen per schip van onder andere Mart van der Linden, de korenmolen, het gebied waar zich nu CNB en Hobaho bevinden en noem maar op. Noem het toeval of geluk, maar via een familielid kreeg ik de oorspronkelijke bouwtekening van de brug te pakken en zo ontstond al snel het plan om dat prachtstuk op de schaal na te bouwen. Vier maanden heeft de klus in beslag genomen. Vier maanden van meten, zagen, lijmen, timmeren, boren en wat al niet meer. Een bijzonder leuk werk en met een resultaat waarop ik trots ben.”

Gereformeerde school

Als verwoed verzamelaar van alles wat met het ‘Lisse van toen’ te maken heeft, ging Balkenende ook op jacht naar alle mogelijke gegevens over de brug die tot ergens in de twintiger jaren de school van de rest van Lisse scheidde. Als het ding tenminste openstond. “Ik kreeg inzage in het eerste notulenboek van de schoolvereniging, waarin is te lezen dat in maart 1904 een stuk grond werd gekocht van de weduwe C. Vreeburg. Deze grond was gelegen tegenover het slop (nu de Kapelstraat) en er werd een bedrag van 14.000 gulden voor neergeteld. Op 20 februari 1905 diende de Vereeniging tot oprichting en instandhouding van eene school voor lager onderwijs op Gereformeerde Grondslag, bij de gemeente het verzoek in om een brug over de Gracht te mogen bouwen, waardoor het terrein waarop de school zou verijzen, bereikbaar werd. De vergunning kwam los, maar om de een of andere reden mocht de brug er niet toe dienen om tijdens de bouw van de school het bouwverkeer van dienst te zijn. Er werd dus zo lang een nood-verbinding aangelegd via de achterzijde van het bedrijf van Van der Zaal in het Vierkant, thans het museum De Zwarte Tulp. Dat ging overigens niet voor niks, want Van der Zaal bedong dat hij de nieuwe school zou mogen bouwen. Die order wilde hij kennelijk erg graag binnenslepen, want hij beloofde ook nog tien procent van de door hem te behalen winst in de verenigingskas te storten. Zo kom je natuurlijk vrij snel tot zaken.

Gemaaid gras

Op 21 maart 1905 verleende Rijnland haar toestemming onder de voor­waarde dat de brug (niet bekend is om welke reden) voor l augustus van dat jaar opgeleverd zou worden. Dat is gelukt. Uit de boeken is ook te leren dat de hectare grond die van de weduwe Vreeburg werd gekocht, veel te groot was voor het schoolgebouw. Er werden stukjes verkocht en de opbrengst werd gebruikt om de bouw van de brug te bekostigen. Zelfs het gemaaide gras werd voor dat doel aan de man gebracht. Dat geld was zeer welkom, want het bouwen van de brug kostte 5312 gulden en dat was in die jaren een flink bedrag. In 1914 werd de brug door de gemeente overgenomen. De schoolvereniging bracht een nieuw verf] e aan en de gemeente verzorgde de herbestrating van de Kapelstraat en Gracht en vanaf dat moment was de brug voor iedereen te gebruiken.”

Keurig muurtje

Tot op heden heeft Balkenende niet kunnen achterhalen wanneer nu precies het stuk Gracht werd gedempt en de Schoolstraat ontstond. Op de betref­fende plaats is de tot aan het begin van de zestiger jaren bestaande Gracht van de straat afgescheiden geweest door een keurig muurtje en was aan niets meer de vroegere aanwezigheid van de brug te ontdekken. In de loop der jaren verdwenen vele andere nostalgische stukjes uit dit gebied en resten daarvan thans alleen nog de afbeeldingen op foto’s en ansichtkaarten.

Sneltreinvaart

Na het dempen van de Gracht tot aan de houtfabriek Elka ging het alle­maal in sneltreinvaart. De ene verandering en vernieuwing na de andere vond plaats. Niet altijd verbeteringen overigens. En anno 2002 staat dit stukje Lisse opnieuw aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Het nieuwe Masterplan Centrum kondigt rigoureuze veranderingen aan. Hoog tijd dus om hetgeen er nu (nog) is op de gevoelige laag vast te leggen en te bewaren. Voor de verlevendiging van de eigen herinneringen en ter lering van het nageslacht. Balkenende zal wat dat betreft ongetwijfeld de nodige stappen ondernemen.

Of er ooit nog iets wordt nagebouwd? “Ik kan dat nu niet met zekerheid zeggen. Maar als ik ooit in staat ben om de originele tekeningen en/of gegevens van de molen ‘De Korenbloem’ te bemachtigen, dan acht ik het niet uitgesloten dat ik ook daarvan een replica zal gaan bouwen.

Feiten over de Brug:

Grachtbreedte 12 meter; doorvaartbreedte brug 4.25 meter; doorvaartlengte 8.50 meter; onderbouw 18 heipalen; breedte brugdek 7.40 meter; opbouw geheel van staal; hoogste doorrijhoogte 5 meter; hoogte brug in dichte stand 6.40 meter; hoogte brug in geopende stand 10.40 meter. Architect L. Doedes te Rotterdam; Aannemer J.P. A. Nelissen te Haarlem.

Komt de Grachtbrug terug?

Zoals er Lissers zijn die ervan dromen dat Herberg De Witte Zwaan wordt herbouwd, zijn er ook die dromen van de terugkeer van de Gracht en de Grachtbrug. Zij wijzen er op dat Lisse een nieuw water­bekken behoeft voor de opslag van regenwater. Wat is er dan logischer om voor dat doel de Gracht weer uit te graven? Als men dan toch ondergronds gaat voor parkeergarages en supermarkten, slaat men vele vliegen in een klap. En als de Gracht weer terug is, dan versterk je natuurlijk het oude dorpse karakter met de wederopbouw van de brug!

Chris Balkenende bij de fraaie replica van de Grachtbrug. Hij maakte gebruik van de originele bouwtekeningen

Portret van de Lisser historicus A.M. Hulkenberg

Een interview met de 87-jarige Fons Hulkenberg. Hulkenberg begon zijn eerste onderzoek naar aanleiding van 500 jaar Agathakerk in 1960.

door Rob Pex en Paul ter Linde

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

‘ZOVEEL GING HELAAS VERLOREN!’

Hij schreef talloze boeken over lokaal-historische onderwerpen. Hij stond aan de basis van de oprichting van de Stichting Dever en de res­tauratie van deze unieke middeleeuwse woontoren. A.M.Hulkenberg groeide in een halve eeuw uit tot dé historicus van Lisse.   Interview met de 87-jarige oud-leraar van de tuinbouwschool.

Alphons Marie Hulkenberg is geboren te Hillegom op 11 juli 1915. Reeds als zestienjarige jongen stond hij voor de klas op de kweekschool in Beverwijk. Vanaf 18 juni 1934 was hij onderwijzer op de Joannesschool te Hillegom. In 1942 verhuisde hij, zevenentwintig jaar oud naar Zevenaar, waar hij aan de Mulo les gaf tot 1949. De Tuinbouwschool in Lisse vroeg in dat jaar of hij naar Lisse wilde komen. Hulkenberg was namelijk leraar tuinbouwkunde en leraar Duits en daar had men op de Tuinbouwschool op dat moment nu net behoefte aan.

“Bovendien was ik eigenlijk ook nog leraar Frans en Engels”, zo vertelt hij. “Dat kwam goed van pas bij de ontvangst en rondleiding van de diverse buitenlandse groepen studenten die elk jaar in de praktijktijd de bloembol-lenstreek bezochten”.

In het begin had hij er wel wat moeite mee naar Lisse te komen, “want”, aldus Hulkenberg, “de streek van Zevenaar vond ik heel mooi.” Om diverse redenen zag hij er echter wel wat in en zo gebeurde het dan dat hij in 1949 Zevenaar de rug toekeerde en in Lisse kwam wonen. Hulkenberg heeft Lisse altijd een bijzonder warm hart toegedragen, niet op de laatste plaats vanwege Dever en Keukenhof. Toch heeft hij niet alleen een positieve kijk op Lisse. Zo klaagt hij nog altijd over de sloop van het Grachthuisje in de jaren ’70: “Ik had alle raadsleden verteld dat de heer Van Hemert van Monumentenzorg aanbood om naar Lisse te komen. Die zei in mooi Engels om “at any place, at any time” alles over het Grachthuisje te komen vertel­len. Over de financiële gevolgen (van een eventuele restauratie), etc.”. Maar het is al weer jaren weg. “Het is verschrikkelijk jammer”, zo verzucht Hulkenberg.

A.M.Hulkenberg thuis op zijn praatstoel. Zijn historische carrière begon met een boek over de Agathaparochie (Foto Paul ter Linde)

Rond 1960 begon hij met zijn onderzoeken. Hoe kwam hij er toe om in de geschiedenis van zijn woongemeente te duiken? Daar blijkt een heel ver­haal achter te zitten. “Toen ik in 1949 naar Lisse kwam, was het de bedoe­ling dat de plaatsvervangend directeur, die in feite directeur van de school was, over zes jaar met pensioen zou gaan”. Hulkenberg zou hem dan opvol­gen. Hij keek er al naar uit. “Een jonge ingenieur meende echter dat hij er veel meer recht op had. Dit leidde tot een hoogst onaangenaam gekrakeel, in Lisse maar ook in Den Haag. Daar wilde men de ander niet en ik had er toen ook geen zin meer in”. Hulkenberg bleef dus “gewoon” leraar. In ieder geval had hij nu in de toekomst genoeg gelegenheid om zich in zijn vrije tijd ook met wat andere zaken bezig te houden. “Het was op dat moment dat het Parochiebestuur van de St. Agatha naar mij toekwam met het verzoek een boek te schrijven in verband met het 500-jarig bestaan van de St. Agathaparochie”. We schrijven dan het jaar 1960. Hij toog toen voor het eerst naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, waar hij onder meer de heer Fox en mevrouw Leemans-Prins leerde kennen. In het gemeentearchief Leiden ontmoette hij bovendien ir. A.F. de Graaff die hem het oude schrift leerde lezen. Spoedig bemerkten mevrouw Leemans en de heer Van der Klooster dat onderzoek doen hem zo lag en dat hij dat meer moest gaan doen.

Dever

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

Wetenschap?

Hulkenberg’s publicaties maken op veel mensen een wetenschappelijke indruk. Is dat terecht? Volgens Hulkenberg is het ook daadwerkelijk weten­schap, al heeft iemand ooit eens geschreven: “Wanneer men de boeken van de heer Hulkenberg leest, dan komt men meer te weten over de schrijver dan over de materie”. Overigens ziet hij zichzelf niet als wetenschapper: “Je mag je pas historicus noemen, als je academische studies hebt gemaakt en met succes hebt afgesloten”. Hij zou zichzelf eerder bestempelen als ama-teur-historicus en “doorgever van wetenschap” vanuit zijn vroegere hoeda­nigheid als leraar. Overigens worden zijn werken door wetenschappers zeer positief beoordeeld. Zo heeft hij van de Historische Vereniging Holland uit handen van professor Borger ooit de grote oorkonde ontvangen, die niet gauw wordt uitgereikt. Bovendien ontving hij ook de legpenning van de Bond Heemschut.

Details

De studies van de heer Hulkenberg worden over het algemeen gekenmerkt door gedetailleerdheid. Hulkenberg is niet bepaald kort van stof. Waar zit hem dat nu in? “Machiavelli heeft ooit eens gezegd: Geschiedenis wordt pas interessant als het uitgebreid is”. Dat houdt niet in dat je jezelf moet verliezen in details. De grote hoofdlijn is van belang, “maar daarnaast zijn zoveel interessante details er bij te vermelden dat het zonde zou zijn om dat niet te doen”. De lezer kan overigens gerust iets overslaan en iets uitkiezen van zijn gading “net als bij een koud buffet”.

De laatste jaren groeit de historische belangstelling. Hulkenberg is daar uiteraard enthousiast over. Maar hij weet ook als geen ander dat het ook heel anders is geweest. Zo weet hij nog goed hoezeer hij er bij de Lissese politiek op aandrong Herberg De Witte Zwaan te handhaven, toen er plan­nen bestonden voor sloop. “Ze lachten me niet helemaal uit, maar toch… ze beschouwden je wel als enigszins zonderling”. Samen met anderen, zoals Ir. A. Paardekooper en de heer Tissing, had Hulkenberg al veel eerder een plan gemaakt “hoe Lisse kon worden als er allerlei gebouwen gehandhaafd kon­den worden. Maar de burgemeester joeg je gewoon het gemeentehuis uit. Dat was waardeloos”. En dan nog de affaire met de beide leeuwenzuilen van Rosendaal: “Ik had van één van de burengehoord, dat ze ‘s nachts stille­tjes aangereden zouden worden. Ik heb meteen de burgemeester opgebeld. Ik hoor zijn stem nog: “De gemeente weet zeer goed hoe zij dient te hande­len en zij heeft er geen behoefte aan te worden opgebeld door, etc.” Hoe keek in de jaren zestig de plaatselijke politiek tegen de pas opgerichte Stichting De ver aan? “Oh, erg vreemd. Je bemoeide je met zaken waar je eigenlijk als burger niets mee te maken had. Het was wel aardig als je een artikeltje schreef, maar verder niet. Dat was wel moeilijk.” Later werd dat gelukkig anders: “Ze hadden bij De ver ook een bedrijventerrein gepland. Maar toen hebben ze waarachtig een hele ommezwaai gemaakt en het bedrijventerrein tegenover de Nachtegaal verwezenlijkt”.

Enthousiasme

Tegenwoordig zijn er meerdere enthousiaste mensen in het voetspoor van Hulkenberg getreden. Ook daar zitten schrijvers tussen, zoals Arie in ‘t Veld, Ed Olivier en Herman van Amsterdam. Ieder probeert op zijn manier iets bij te dragen aan de Lissese geschiedschrijving. Hulkenberg kan dat zeer waar­deren en ziet wat dat betreft de toekomst niet somber in. “Maar”, aldus Hulkenberg, “er is al eerder zo veel verloren gegaan…”.

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

 
 
 

DE MYTHE VAN DE WITTE ZWAAN

Naar aanleiding van Lisse 800 met de bouw van de Witte Zwaan filosofeert de schrijver over de geschiedenis van de Witte Zwaan. Er staat ook een gesprek met de laatste huurder van de Witte Zwaan vermeld

door Paul ter Linde

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Begin 1981 ben ik met mijn gezin verhuisd naar Lisse. Na de gebruikelij­ke hectiek die iedere verhuizing met zich meebrengt, besloot ik mijn nieu­we woonomgeving eens te verkennen.

Dankzij de prachtige statige huizen aan de Heereweg was ik direct verknocht aan dit dorp. Ik stapte langs het oude Politiebureau in de richting van de Agathakerk. Aan mijn linkerhand zag ik een prachtig herenhuis. Villa Rozenheim. Op de plaats waar nu het Opleidingsinstituut voor diepzeeduiken is gevestigd. Even later keek ik vol bewondering naar de Grote Kerk met zijn prachtige zonnewijzer. Daarvoor was ik langs het gemeentehuisje gekomen. Het maakte een kneuterige en wat gammele indruk op me. Staande aan de noordkant van de Grote Kerk observeerde ik het Vierkant. De naam kwam mij vreemd voort. Een wat driehoekig plein dat echter wel aan vier kanten te bereiken was. (Heereweg weg noord en zuid, Achterweg en Grachtweg) Langzaam liep ik langs het woonhuis van de boerderij van Vreeburg. Plotseling werd de doorgaande bebouwing onderbroken, alsof er een rotte kies was getrokken. Ik zag een aantal betonnen platen met daarop een enkele auto. Ik schoot een wat ouder echtpaar aan. Dat zei: “Die haben es nicht gewüsst!” Een dame van middelbare leeftijd vertelde me met een melancholieke blik in haar ogen dat daar het beroemde Hotel Restaurant De Witte Zwaan had gestaan.

Ik spoedde me naar boekhandel Merison en kocht de beide boekjes: Lisse in oude ansichten’. Vooral de begeleidende tekst van A.M.Hulkenberg fas­cineerde me; wat betekent die man veel voor Lisse! Thuisgekomen keek ik de boekjes direct in. Op een of andere manier ontroerde me de eerste foto van De Zwaan. De kiem was gelegd.

In 1988 trad ik toe tot de Historische Werkgroep van de Vereniging Oud Lisse. Samen met Eric Plantenberg kreeg ik de opdracht het Vierkant en De Zwaan rond 1900 beter in beeld te brengen.  Als eerste namen we contact op met de heren Co Lieverse en Frans Mooyekind van het Gemeenterachief. Zij voorzagen ons van erg veel informatie, o.m. het adres van de laatste pachter van de Zwaan, de familie Van Duinen. Momenteel runnen zij een hotel restaurant in Ootmarsum, genaamd Het Wapen van Ootmarsum.

Voor Eric Plantenberg, die een aardige, maar geografisch zeer armoedig onderlegde figuur is, was het een groot avontuur. Doodgemoedereerd vroeg hij terwijl wij het prachtige Twentse Ootmarsum binnenreden, of we nu vlakbij Berlijn waren. We draaiden de straat in waar Het Wapen van Ootmarsum zich bevond. Verbaasd keken we elkaar aan. Een prachtig hotel met een Zwaanachtige veranda.

Urenlang spraken we met mevrouw van Duinen en haar oudste zoon Henk (41). Anekdotes, prachtige, maar ook trieste verhalen gaven een goed beeld van de functie en het functioneren van de Zwaan in de Lissese gemeen­schap van vlak na de oorlog tot 1969.

Het is mijn bedoeling van dit gesprek een compilatie te maken en deze in verschillende afleveringen in ons Nieuwsblad te publiceren. Ik hoop dat u ernaar uitziet!

PS Wist u dat vroeger alle herbergen die de naam De Witte Zwaan droegen en dat zijn er nogal wat in Nederland, ook huizen van plezier waren?

In 1998 vierden we het 800-jarig bestaan van ons dorp. Op de dag dat de replica van De Zwaan werd onthuld, stond ik tussen de toeschou¬wers. Een schok ging door de menigte toen het zeil werd verwijderd. Ik keek om me heen: ge- en ontroerde gezichten, soms zelfs een traantje.
Achterweg-Zuid 35

De geschiedenis van Wassergeest. Deel 2:1804-1900: OPBLOEI EN NEERGANG

Deel 2 over Wassergeest behandelt de periode van 1804 tot 1900. De opbloei en neergang van het landgoed wordt besproken .

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

In het jaar 1804 kwam de buitenplaats Wassergeest in bezit van D.R J. van der Staal. Spoedig onderging het een grote gebiedsuit­breiding. Het werd nu een groot landgoed dat zich uitstrekte van de Heereweg in het oosten tot de Leidsevaart in het westen over niet minder dan 110 hectare.

De nieuwe heer van Wassergeest, D.P.J. van der Staal, begon het landgoed uit te breiden in de Lageveense polder, in het Keukenduin van Teylingen en in de Oude Duinbuurt. Al in het jaar 1804 kocht hij het latere Reigersbos met de daarbij behorende zanderij van Mr. Pieter Cornelis Hartsinck uit Amsterdam. In 1805 verkrijgt hij het eigendom van boerderij De Phoenix met 26 morgen grond. In de Lageveense Polder koopt hij in 1820 de zoge­naamde Bossen van Daams, die aan de westkant van de Loosterweg gelegen waren. In 1821 wordt hij eigenaar van boerderij Duinhof en bijbehorende landerijen.

Ook het huis Wassergeest zelf blijkt in 1812 uitgebreid te zijn, terwijl de directe omgeving van het huis veranderde in een zogenaamde Engelse Tuin, een parkachtige landschapsstijl, die men in deze zelfde periode ook wel op andere buitenplaatsen aantreft. De Catharijnelaan – of Trijnelaan zoals men hem in deze tijd nog noemde – werd zelfs enige tientallen meters naar het zuiden verlegd ten behoeve van deze tuin.

Boottochtjes

Na 1813 wordt het stil rond Wassergeest. Het gewone dagelijkse leven speelt zich af. Omstreeks mei kwam men vanuit Den Haag naar Wassergeest. Men vermaakte zich met boeken lezen, een tochtje met de boot of de jacht. Ook legde men in de zomer dikwijls bezoekjes af bij familie en/of kennissen. Omstreeks de maand oktober ging men weer terug naar Den Haag.

Jarenlang gebeurde er weinig, totdat Van der Staal, net als zijn voorgan­gers, in de schulden kwam. Dit leidde er tenslotte toe dat hij in 1852 – hij is dan inmiddels al bejaard, maar wil toch de leiding over zijn landgoed niet overlaten aan zijn zoon of iemand anders – Wassergeest moet verkopen. Het geheel werd overgedragen aan Johan Frederik Steengracht van Duyvenvoorde, die echter bij zijn broer Nicolaas Johan onder curatele stond. Er begon een geheel andere periode voor Wassergeest: een periode van neer­gang. Zo werd in 1856 het huis Wassergeest deels gesloopt, deels verbouwd tot boerderij. Een boerderij aan de Achterweg (tegenover het huidige tuin­centrum Overvecht) werd gesloopt. In plaats daarvan werd een kleine woning gebouwd waar voortaan de opzichter van Wassergeest in zou wonen: Pieter van Dijk.

Neergang

Ook als Wassergeest in 1862 na de dood van Johan Frederic, wordt nage­laten aan Cecilia Maria baronesse van Pallandt geboren Steengracht, zet de neergaande lijn zich voort. In 1877 komt zo een einde aan boerderij De Hoogewerf die al sinds oude tijden aan de Achterweg gelegen was schuin tegenover Wassergeest. In 1886 valt ook boerderij Duinhof onder de slopers­hamer en rond 1888 ook nog een woning aan de Leidsevaart, waar vanouds de zandbazen die werkzaam waren in de afzanderij bij het Reigersbos, in woonden. De laatste “zandman” die hier woonde, was Bastianus van Graven.

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Cecilia Maria baronesse van Pallandt geboren Steengracht overleed in 1899. Ze liet haar bezittingen na aan haar dochter Cornelia Johanna. “Freule Cornelie” was in 1861 getrouwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden. Deze laatste is op 22 januari 1900 te ‘s-Gravenhage overleden. Cornelia Johanna had een drietal kinderen. Ten eerste Jkvr. Cecile Marie barones van Lynden, die in 1885 te Lisse in het huwelijk trad met Jhr. Mr. Ocker Johan Repelaer, Heer van Molenaarsgraaf. De oudste zoon, Jan Maurits Dideric, huwde in 1895 Aurelia Elisabeth gravin van Limburg Stirum. Ze betrokken kort daarop het door hen aangekochte buitengoed Wildlust. Op Jonker Jan zou de grafelijke titel overgaan alsmede het buiten Keukenhof.

De tweede zoon van het echtpaar Van Lynden-Van Pallandt, Carel Anne Adriaan Willem baron van Lynden, trouwde in 1898 met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Hij heeft in latere tijden Wassergeest geheel in zijn bezit gekregen. Op 21 maart 1900 kreeg hij een dochter, Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Ze werd gebo­ren op huize Beukenhorst te Wassenaar. Carola trad in 1937 te Londen in het huwelijk met A.R.Z. graaf van Rechteren Limpurg. Zo kwam dus Wassergeest via dit huwelijk in handen van de familie Van Rechteren. Maar dan zitten we al in de jaren dertig.

Verkopen

Cornelia Johanna is niet lang eigenares gebleven van Wassergeest. Al gauw ging ze er toe over gedeelten van het uitgestrekte landgoed van de hand te doen en wel aan verschillende familieleden. Zo doet ze reeds op 18 juli 1900 de tuinmanswoning van Wassergeest met bijbehorende voormalige tuinderij en partijen weiland tussen de Heereweg en Achterweg over aan haar zoon C.A.A.W. baron van Lynden voor de prijs van ƒ 66.984,25. Een niet mis bedrag. Daar is echter wel bij inbegrepen de “partijen tuin en bloembollenland en water, gelegen in de zanderij van het landgoed Wassergeest”.

Op dezelfde dag in juli 1900 doet Cornelia Johanna een drietal percelen ten noorden van de boerderij De Phoenix over aan Jan Maurits Dideric, haar oudere zoon. De Phoenix zelf met bijbehorende gronden, ging tussen mei 1900 en oktober 1902 over in het gemeenschappelijke eigendom van de twee gebroeders Van Lynden, J.M.D. graaf van Lynden en C.A.A.W. baron van Lynden. Later, in 1914, hebben de twee broers dit bezit onder elkaar ver­deeld.

Hooibargen

Tegelijkertijd gaat de boerderij “genaamd ‘De Phoenix’ met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” naar Carel Anne Adriaan Willem baron van Lynden. Ook Cecile Marie baro­nesse van Lynden gehuwd met Ocker Johan Repelaer van Molenaarsgraaf, koopt van haar moeder een aantal percelen. Het betreft “twee Hofsteden (….) meterven, boomgaard, tuin-of bloembollenland, bekend onder de namen Grootenhof, Duinhof (moet Dijkhofzijn R. R), Abdij en Hoogewerf gronden, met daartussen gelegen gedeelte van de Groene of Sparrenlaan”.

Wat verder naar het noorden toe beginnen de gronden van de voormalige buitenplaats Grotenhof, al in het begin van de 19de eeuw door R.C.Affourtit opgedeeld in smalle, langwerpige percelen ten behoeve van de bollenteelt. En dan krijgen we vervolgens het huis Grotenhof zelf natuurlijk, door A. Raaphorst in 1922 nog “het groote witte huis, door hooge boomen omgeven” genoemd.

Al deze gronden gingen op 10 juni 1900 over in handen van Cecile Marie baronesse van Lynden, echtgenote van Ocker Johan Repelaar van Molenaarsgraaf.

Ook de boerderij Wassergeest werd (op 19 mei 1900) voor ƒ 57.045,- ver­kocht en wel C.A.A.W. baron van Lynden, een zoon van eigenaresse Cornelia Johanna, inclusiefi alle erbij behorende percelen grond tussen de Heereweg en de Achterweg, die zich uitstrekten tot de verlegde Catharijnelaan.

Lees hier deel 3

 

 
Achterweg-Zuid 35
Het huis Wassergeest zoals het er rond 1850 uitzag. Enkele jaren later moest D. van der Staal het buiten verkopen wegens schulden.

LISSE TOEN: BARBIER: 5 CENT

Aan het begin van de twintigste eeuw gaf de Federatie van Bloemistwerklieden  Verenigingen een lijst uit, waarop stond wat een gezin  per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.

Tekst en foto: Arie in t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Aan het begin van de vorige eeuw gaf de Federatie van Bloemist-werkliedenverenigingen een lijstje uit, waarop stond wat een gezin van een bloemistknecht, bestaan­de uit zes personen, per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.


Huur……                                    2,00

Steenkolen                                0,60

Turf……..                                   0,20

Petroleum…                             0,36

Brood…….                                 2,25

Margarine…                             0,60

Melk, l Itr per dag.                 0,56
Suiker……                                0,25

Koffie……                                 0,40

Aardappels..                           1,00
Vet, l,5ons/p.dag.                 0,80
Zeep………                               0,11

Wasmiddelen..                      0,10
Zout………                              0,06

Garen, band..                        0,15
Schoeisel….                           0,50

Ziekenfonds..                        0,20
Onderst.fonds.                     0,10
Begrafenisfonds                  0,17
Brandverzekering               0,02
Belasting….                          0,08

Schoolgeld (2 kinderen)    0,15

Contributie bond.               0,05

Lectuur…                              0,10

Tabak..                                  0,10

Barbier…                              0,05

Totaal                                   10,96

Op dit uitgezuinigde, beknib­belde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aarde­werk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kos­ten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook “iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de jus en bij sommigen een oneindig poffen, lenen bij leen-vrouwen. Ook bij het pandjes-huis was menigeen een bekende.

 
 
 
Bloemistknechts in hyacintenveld (1920)