Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 1)

Anna (1869-1960) woonde in Lisse tot 1903 in het pand Heereweg 296. Zij schreef in 1904 een boek met de titel ‘In het bloembollenland’. Het speelt in de Bollenstreek en beschrijft op een eenvoudige manier de bollenteelt.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Veelal zijn het schenkingen van leden van de VOL. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

De schrijfster zelf was geen vreemde in het bloembollenland. Zij trouwde in 1899 met bollenkweker Willem J. van Gogh, een neef van Vincent. Willem was politiek actief als lid van de SDAP en ook Anna was een overtuigd socialiste. Het paar bewoonde tot 1903 het pand Heereweg 296 in Lisse.

Tekening uit het boek In het bloembollenland  van W.K. de Bruin

In het boekje geeft zij in verhaalvorm een realistisch beeld van de gang van zaken in het bollenvak. Alle facetten van de bollenteelt komen voorbij in een voor kinderen begrijpelijke taal. De dertienjarige weesjongen Dirk uit Amsterdam, bleek, met grote blauwe ogen, komt in huis bij zijn oom Niezand, meesterknecht op kwekerij “Bloemlust” bij bollenkweker Van Erk. Dirk heeft nooit een bol gezien, maar de goedige oom neemt zich voor de jongen het vak te leren en op te leiden tot een flink werkman. Zijn aanvangsloon is drie gulden vijftig in de week met de afspraak dat dat op kan lopen tot vijf gulden vijftig. In het vorige nummer van het Nieuwsblad vermeldde Arie in ’t Veld het gemiddelde loon van een bollenarbeider in 1903: acht gulden vijftig per week. Voor een dertienjarige lijkt Dirks loon naar verhouding niet slecht. Dirk betaalt zijn oom kostgeld en heeft een dubbeltje zakgeld in de week. Wil hij het boekje In het bloembollenland kopen, dan zal hij vijftien weken moeten sparen. Dirk is een leergierige jongen. De vele vragen die hij zijn oom stelt, beantwoordt deze uitgebreid. Via Dirk krijgt de lezer informatie over dwaallingen, bollenziekten, rattenplagen.

Anna huwde de Lissese bollenkweker Willem van Gogh en zij woonden op Heereweg 296.

Vangt Dirk voor de patroon een rat, dan wordt hij beloond met twintig cent. Voor het Amsterdammertje, gewend te leven in een zonloze, donkere steeg, is het voorjaar met zijn bloemenpracht een feest van kleur en geur. Staan de bollen in bloei, dan komen de andere bloemisten kijken. Ze lopen tussen de bloembedden “als groote donkere torren op een kleurig kleed”. Druk is het in deze tijd op de straatweg met een uitpuilende stoomtram en overvolle wegen met fietsen, rijtuigen, wandelaars en automobielen. In het vroege voorjaar laat Van Erk zijn mensen werken van zes tot zes, bij andere kwekers werkt men door tot het donker is. De bollenrooitijd is zeer vermoeiend en zwaar: “Ze werkten ’s morgens en ’s avonds òver en lagen den heelen dag in het heete zand, met de zon brandend op hun rug, terwijl de heggen elk windzuchtje afweerden. Ze kregen eelt op hunne knieën, en door het voortdurend wroeten in het zand, werden hunne vingers vreemd-wit, waarbij scherp de gebruinde handen afstaken”. Dirk werkt dapper mee, maar “in zijne beenen kwam soms zoo’n vreemde tinteling alsof ze zijn lichaam niet meer konden dragen”. De jonge jongen verliest zijn eetlust, maar smacht de hele dag naar drinken. In tegenstelling tot andere kwekers, die hun personeel nu tweemaal per dag een borrel schenken, geeft Dirks baas de arbeiders koffie en bessensap met water. Sterke drank werkt verwoestend in de uitgeputte lichamen, vindt hij.Na het rooien volgt het hollen, pellen en planten en als het vriest het dekken. Maar juist strenge vorst zorgt even voor een adempauze in dit harde bestaan. Dan kan op het veld niet gewerkt worden en geeft Van Erk zijn arbeiders ’s middags vrij. Of er wordt doorbetaald, lezen we niet. In het bloembollenland is na meer dan honderd jaar nog zeer leesbaar. Hoe het ontvangen werd door tijdgenoten, daarover een volgende keer. ►

Geboren te Velzen op 31 december 1869, overleden te Haarlem op 28 januari 1960

 

WAT LIGT ER ONDER HET GRASTAPIJT?

Luchtfoto’s van de Poelpolder na de zeer droge zomer van 2018 geven merkwaardige droge plekken in de weilanden bij het Geriefbosje van Langeveld. De schrijver suggereert dat hiet mogelijke bebouwing of iets dergelijks gestaan heeft. Het is in de buurt van donjon Dever.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Actueel deze zomer op archeologisch gebied was dat door de extreme droogte verborgen verleden zichtbaar werd. Oude funderingen die onder het maaiveld verstopt liggen, werden zichtbaar doordat het grastapijt erboven eerder verdorde dan de rest van het weiland. Ook in Lisse?

Vijf jaar geleden maakte ik deze foto vanaf de Poeldijk. Het viel mij toen op dat er door droogte een onnatuurlijk lijnenspel te zien was.

Met gevaar voor eigen leven, klom ik bovenop het wiebelende hek, met het fototoestel hoog boven mijn hoofd geheven. Resultaat, zes zeer bewogen foto’s en één geslaagde. Die ziet u hierboven. In het verlengde van het hek een diepe greppel die dwars door de polder snijdt. Deze greppels zie je in de hele polder, ze staan in verbinding met de lange vaart die door het midden van de polder loopt. Van daaruit werd de polder leeg gemalen door diverse molens. De greppel die we op de foto zien is op de bodem ongeveer 4,2 meter onder NAP. Dat is kunnen we zeggen best diep, de kruin van de dijk staat op een nul waarde. Die diepte is van belang en daar kom ik op terug. Nadat ik deze foto had gemaakt, hoopte ik erop ooit een goede luchtfoto van het gebied te kunnen maken.

Die mogelijkheid had ik al een tijdje geleden besproken met Marc Slootweg, die in het bezit is van een drone uitgerust met een camera. Tijdens de afgelopen droogte was er de mogelijkheid om wat shots te maken, zie het resultaat.

Dronefoto begin juli 2018, dezelfde structuur werd nu ook weer zichtbaar, hier heeft duidelijk wat gestaan, maar wat?

Detail uit de kaart van Floris Balthasarsz. 1610. De rode stip geeft aan waar de foto’s zijn gemaakt. Strategisch gezien een slimme plek achter de hoge rietkragen van de Roversbroock, met uitzicht op de toegangen de Grevelyng en het Hellegat. Met een toren als op het plaatje van Cornelis van Alkemade zou het mogelijk zijn om veel meer dan alleen de naaste omgeving in de gaten te houden.

Wat heeft hier gestaan?

Geruchten uit het verleden melden ons dat tijdens het graven van de Ringsloot (1623) om het Poelwater droog te leggen er een achtkantig fundament is opgegraven op grote diepte. Dit schrijft Mr. Simon van Leeuwen in 1667 in zijn Costumen, keuren ende ordonnantiën van het baljuwschap ende lande van Rijnland en Leyden. “in den Ringsloot gevonden ende uytgegraven is, de ruyne van een agtkanten Toorn” Hij schrijft dit toe aan de resten van het oude Ridderlijke Stamhuys. Veel later wordt er door andere schrijvers de afstand van 400 meter ten ZO van het huidige Dever als gegeven bijgevoegd. Waarop zij dit baseerden is niet duidelijk. Op een kaart van Steven van Broeckhuyzen uit 1645 is op die plek wel een boerenhoeve te zien. Het land behoorde voor de drooglegging nog bij Dever. De boerderij van Langeveld en boerderij “de Poeleway”, alsook het huis “de Uytermeer” zijn vrijwel direct na de drooglegging gebouwd. Van de boerderij op de kaart van Broeckhuyzen is weinig bekend. Het lijkt erop dat de tekenaar hier een zuivere voorstelling geeft van de hoeve en geen standaard boerderij heeft getekend omdat andere objecten op de kaart ook verschillend van vorm zijn.

Actuele Hoogte Verschillen Nederland is een site die opmerkelijke dingen kan laten zien doordat ze een reliëfbeeld maakt van de kleinste hoogteverschillen in het landschap in kleur en zwart/wit. Waar je de cursor plaatst laat ze direct een meting zien. Hier een groot deel van Lisse en omstreken in zo een reliëfbeeld. Hoe roder hoe hoger, geel is rond het nulpunt NAP, wat naar groen neigt is er onder. De hoogste delen van Lisse vind je bij de Dorpskerk en uiteraard in het bos. Je ziet ook de glooiing van diverse bruggen. Kijk ook naar de oude stroomgeulen in de Haarlemmeerpolder, die zijn zelfs nu nog zichtbaar na zoveel ploegen, eggen en andere grondbewerkingen. Hieronder

Als we naar de dronefoto kijken ligt daar een schaallat van 5 meter op een stuk waaronder iets te vinden zou zijn. Wat kan een basis van die breedte hebben? Een boerderij zou zo een groot fundament niet nodig hebben. Als we naast de greppel kijken, zien we een hoekige structuur die voor een deel lijkt te zijn onderbroken door het graafwerk. Zouden we de lijnen van die structuur doortrekken dan kun je er een achthoek mee vormen.

Oude Prenten

Er zijn prenten van een ouder Dever. De aller oudste van deze prentjes was van Cornelis van Alkemade, Noordwijk 11-05-1654 – R’dam 12-05-1737. Was de prent met de hoekige toren een verzinsel door de beschrijving van de eerder genoemde vondst tijdens de aanleg? De tekening lijkt totaal niet op het huidige Dever. We weten dat Van Alkemade een Nederlandse geschiedschrijver was en een gepassioneerd verzamelaar van oudheden, zowel van munten als van oude manuscripten.

Op een afstand van 400 meter van het huidige Dever zijn er meer plekken waar de Ringsloot een denkbeeldige cirkel zou doorsnijden. Dat laat ik zien met de bovenstaande illustratie. Door zijn  vele publicaties verwierf Van Alkemade in zijn tijd een groot gezag als kenner van oudheden. Dus niet zomaar iemand die flauwe fratsen uithaalde, zou je zeggen. Men kopieerde wel prenten die toen al antiek waren en niet lang meer zouden bestaan. Doel was oudheden voor de toekomst veilig te stellen. Eigenlijk doen wij nu niet anders met het digitaliseren van onze oude bronnen.

Heer van Lys

Lisse was een heerlijkheid en werd door de heren van Lisse bestuurd. De vroegste “d’Ever” komen we tegen als Graaf Willem I van Holland trouwt met Maria de dochter van de Hertog van Brabant. Bij deze “uitruil” krijgt Willem I een groot gedeelte van het goed
“Schakerloo” bij de stad Tholen in Zeeland in bezit. De in het Latijn opgestelde akte (1221) aangaande deze schenking geeft ook aan wie er als getuigen bij waren. Opvallend is dat ze allemaal afkomstig zijn uit onze streek, Egmont, Teylingen, Raaphorst, Van Oegstgeest en Van Duivenvoorde. Ook Conradus Aper, wat Latijn is voor Conrad d’ Ever was van de partij. Deze Conrad werd ook wel betiteld als één der eersten met, “Heer van Lys”. Zo’n heer moest wel ergens wonen. Reinier d’Ever liet het huidige Dever in 1375 bouwen. Hij was toen 29 jaar. Waar verbleven hij en zijn familie voor die tijd? Eerder rijmt Melis Stoke in zijn kroniek dat hier in Lisse het huwelijk plaats vond van Margaretha, de dochter van Graaf Floris, en Diederick van Cleef in 1182 met uitgebreide banketten, feestelijke toernooien en jachtpartijen. Dit soort feesten van een paar dagen flinke lol, organiseerde je niet in een achteraf boerderijtje. Dat hoorde in stijl bij een hof of burcht met genoeg ruimte voor de kampementen om de hoge adel en hun gevolg onder te brengen. Dan komt zo een kasteel als op het prentje goed van pas, zo centraal gelegen. Goed bereikbaar over land en over water, centraal gelegen tussen twee belangrijke steden. Des Gravenwater gaf de verse vis, des Gravenwildernisse het wild. Tussen meer en duin liepen op de sappige weidegronden zoveel malse stukjes vlees, ganzelevertjes en andersoortige middeleeuwse snacks wat je zelfs met het grootste feest niet op kon maken. Daarbij waren er genoeg boomgaarden met veelsoortig fruit en groenten in overvloed. Lys was niet zomaar een heerlijkheid, Lys was om op te vreten, een paradijsje! Nog steeds trouwens! Zo een klein dorp met zoveel horeca, waar vind je dat?

Oproep

De grond waar de lijnen telkens door de droogte zichtbaar worden, is van STEK zo heb ik mij laten vertellen. Of de polderdijk en de Ringsloot daar ook toe behoren, dat weet ik niet. Je zou haast zeggen dat Hoogheemraadschap daar de zeggenschap over heeft. Maar het is natuurlijk wel zo dat “STEK gronden” veranderen in woonwijken. Daar is niets mis mee, dat is hun taak en mensen moeten nu eenmaal kunnen wonen. Maar aan de hand van wat er te zien is, mogen we concluderen dat daar iets aan ons zicht is onttrokken en dat daar iets is van behoorlijke afmetingen. Wat voor de geschiedenis van Lisse in het bijzonder belangrijk kan zijn. DUS!!! Voordat er ooit definitieve bouwplannen op tafel komen, wil ik hierbij de nodige instanties oproepen om deze “STEK” veilig te stellen voor nader onderzoek. Gezien ook het feit dat het paardenbosje deel uitmaakt van dat stukje grond, is het goed om instanties hierop te wijzen. Het paardenbosje mogen we scharen onder de noemer monumentaal en beeldbepalend groen. Dus iets waar we zuinig op moeten zijn! In eerste instantie zal ik de gemeente op de hoogte brengen van mijn bevindingen, wellicht opent dat deuren voor een archeologisch veldonderzoek. De ons bekende archeoloog Jeroen van Zoolingen reageerde als volgt op hetgeen ik hem stuurde; “Maar, wat een prachtige vondst! Ik werd direct enthousiast bij het lezen van je verhaal “. Hij stelt het volgende: “Ik zou willen voorstellen om eerst een non-destructief prospectie onderzoek te doen, middels het zetten van een aantal karterende boringen en vervolgens de bevindingen in kaart brengen. Maar wel toestemming vragen bij al je voorgenomen activiteiten en blijven rapporteren”. Fijn ook te weten dat hij graag wil meedenken om één en ander in goede banen te leiden. ■

Bronvermeldingen

‘t Roemwaard Lisse A.M. Hulkenberg 1998 Het huis Dever te Lisse,

A.M. Hulkenberg 1965 Dichterbij Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 10 jaar Dever bulletin 2009 Rondom Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 1988

25 jarig bestaan Gemeente Archief Lisse

Archief Vereniging Oud Lisse

Actuele Hoogteverschillen Nederland

AHN Wikipedia

Met dank aan: Marc Slootweg de drone piloot Jeroen van Zoolingen Archeologisch advies

OUD NIEUWS: WAARDE PAPIEREN DROGEN OP TER SPECKE

In tijd van oorlog een plunderingen werden munten en waardepapieren voor de veiligheid begraven. Zo was een koffer met waardepapieren begraven van de erfgenamen van Gerard van der Laen in 1567. Na opgraving van de koffer bleken de paieren voor een deel erg nat e zijn. Zij werden op Landgoed Ter Specke gedroogd.

Door Dirk Flo0rijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Zo nu en dan verschijnt het in het nieuws, iemand met een metaaldetector vindt een schat aan gouden en zilveren munten. Misschien dat je bij het lezen van zo’n bericht je afvraagt hoe het komt dat die munten daar zijn begraven. Waarom begraaft iemand zijn bezit?

Vroeger werd alles contant, met voornamelijk muntgeld en waardepapieren zoals obligaties, betaald. Kocht je bijvoorbeeld een huis van 500 gulden dan werd 250 gulden contant betaald en 250 gulden met een custingbrief (schuldbrief). Dit zorgde ervoor dat er regelmatig met veel geld en waardepapieren heen en weer werd gesleept. Daarnaast waren het in 1567 roerige tijden tussen Den Haag, Leiden en Haarlem. Moorden, plunderingen en brandstichting door rondtrekkende soldaten waren aan de orde van de dag. Menige hofstede rond Lisse moest het ontgelden en lag in de as. Maar hoe stel je dan, in dit soort tijden, je bezit veilig? Je kocht onroerend goed en het geld wat je contant had werd, zodra er onraad in de buurt was, begraven. Overleefde je de plunderingen niet dan wist verder niemand iets af van je begraven bezit. Zo komt het soms voor dat zo’n schat wordt gevonden. In de transportacten van het rechtelijk archief kwam ik een mooi verhaal tegen: “een iegelijk alhier in Den Hage deed zijn goed herwaerts en derwaerts versondt daer zij meende best bewaert te zijn”.

De welgestelde familie Van der Laen van Ter Specke die het landgoed Ter Specke in 1535 aangekocht had was bang voor een aanval op Den Haag. De voorname familie die al honderd jaar deel uitmaakte van het stadsbestuur van Haarlem, zat met de erfenis van wijlen mr. Gerard van der Laen. Zo vraagt de zoon Nicolaes van der Laen namens zijn broers en zusters aan curator mr. Anthonius Hoffplach, advocaat bij de hove van Holland in Den Haag het volgende;
“omme der waarheid en getuijgenisse te geven, dat deposant voorstaat dat ingeval de vrees van een invasie van de knechten van de heeren van Bredenvoorde en rapallie die tot Vianen lagen en subiet naar Amsterdam getogen waren en gezonden”

De erfgenamen van Gerard van der Laen hadden in Den Haag waardepapieren bij curator mr. Hoffplach in beheer gegeven; “Een coffer met platte kanten”. De curator werd verzocht om deze zo spoedig mogelijk naar Voorhout te brengen en daar te begraven in een boomgaard. Zodra de kust veilig was en de Bredevoortse knechten omtrent Medemblik uit Holland waren vertrokken, kon de koffer weer worden opgegraven. Er staat te lezen:
“en dat zij aldoende in Voorhout gekomen waren dat zij deselfde coffer voor hem naar t huijs gebracht op ter Specke”.
“De coffer werd open gemaakt ende de bevondende diezelfde brieven waren door nattigheid bedorven en aangetast”. Er is grote moeite gedaan om de coffer met brieven en waardepapieren te drogen. De helft van de koffer had in de grond van de boomgaard in het water gelegen. De onderste helft in de koffer was nat geworden. In de acte is niet terug te vinden of er veel van de nat geworden waardepapieren verloren zijn gegaan en of de waarde van de koffer het zelfde is gebleven als voor het begraven. Dat familie Van der Laen bezit had in Voorhout is tot op heden niet bekend en ook over de locatie van de boomgaard wordt met geen woord gerept. ■

Plattegrond van het huis Ter Specke

 

Oud Nieuws: BOELHUIS IN DE PASTORIE 1612

Dominee Gilbertus Ophenium stond in Lisse van 1604 tot 1610. De inventarislijst van zijn bezittingen wordt weergegeven.

Door Dirk Flo0rijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De plek van “de Oude Pastorie” nu Grachtweg 2 werd in 1612 nog tot de Heereweg gerekend.Dominee Egbertus Aemelius die in Lisse predikant was van 1599 tot 1604 was net vertrokken naar zijn nieuwe standplaats in Leiden. De pastorie moest een grondig onderhoud ondergaan om de nieuw beroepen predikant dominee Gilbertus Ophenius, die als kandidaat naar Lisse kwam, te ontvangen. De werkzaamheden kostten een lieve duit waar je toentertijd een woning voor bouwde, voor 225 gulden. Dit alles vond plaats in 1604. We laten de akte even voor zich spreken.

De acte

“Wij ondergetekenden schout ende schepenen des ambachtsheerlicheijts van Lisse doen condt eenen iegelicken ende attesteren bij desen, ter instantie van den eerw: Gilbertus Ophenius onsen kerck dienaer des heijligen evangeliums soo dat wij naer gedaen inspectie vercklaer van t pastorijen huijs tot Lisse voorseijt bevonden hebben seeckere nootwendige reparatie die daer aen van bedertse te doen overmits d zelve een zeer ende groote huijsinge is wesende voor desen tijt nijet wel bequaem voor een dienaar te bewonen, dat daeromme mitten eersten costen een dack opgaende welck dack gansch ende all vergaen is, als van een nijewe wenteltrappe aende camer ende solder over een te maecken, mit een kelderdeur ende eenige reparatie aent achterhuijs mitte bornputh, ende heijninge, mitsgaders ramen op te camer ende beneden oock eenijge deuren op ten solder ofte andersints ende diergelijcke daer aen clevende t welck bij raminge soo den timmerman ende decker gissen estineren ende vercklaeren, al ‘ t samen te zullen costen ter somme van tweehondertvijfenteintig karoli guldens”

Dominee Gilbertus Ophenius

Dominee Gilbertus Ophenius stond in Lisse van 1604 tot 1610. Hij trouwde met Annetghen Pietersdr. en overleed voor 1612. Na zijn overlijden werd er door zijn weduwe met haar borg, tevens haar stiefvader Reijn Wiggertsz. boelhuis gehouden en zien we een honderd gegadigden met hun namen en wat ze kochten uit de boedel van de pastorie en voor welk bedrag. Zodanige meubelen en goederen als worden ingebracht.

Hieronder wat namen en wat zij kochten.

Claer Jacobsz van Oosten, een manshoed voor 3 gulden Pietertje Pouwels, twee oorcussens gemijnd op 6 gulden en 4 stuivers Lisein van der Bles, een comfoir voor 3 gulden Pietertje Pouwels, twee aarden kruiken voor 16 stuivers Oude Jan van Geel, drie kommetjes voor drie stuivers en act penn. Magdalena van Beresteijn, een trechter voor 6 stuivers Grietje Jans, een schuimspaan met een schier snijter voor 12 stuivers Claes Schenaert, een ijzeren hecel Magdalena van Beresteijn, een pannetje en een zandloper voor 13 stuivers Cornelis van Larum, een coperen blacer voor 15 stuivers Jonge Jan Jansz van Geel, een beddepan voor 4 gulden 10 stuivers Magdalena van Beresteijn, een tafel voor 2 gulden en 4 stuivers *Jan Michielsz onzen predikant een pultrien voor 6 stuivers Claes Cornelis velserman, een vleiscuijp voor 18 stuivers Cornelis Henricx tot Catwijck, koperwerk voor 2gulden 4 stuivers.

Bron

NA transportakten nr. 127

Familie Den Heyer die nu haar intrek heeft gedaan in dit pand vraagt naar de vroegste geschiedenis van dit adres. Weet u raad?

De Oude pastorie, Grachtweg 2

 

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 2)

 

We vervolgen het verhaal in 1944. Vader Rudz is inmiddels tankschutter bij het Poolse 2e korps en via allerlei omzwervingen in Italië beland. Hoe Polen een speelbal werd tussen de grootmachten en gewone mensen daar de dupe van werden en ontbering op ontbering moesten doorstaan. Na de oorlog kwamen vader en moeder naar Lisse.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De strijd in Italië

De strijd van de geallieerden tegen naziDuitsland was al geruime tijd gaande maar ze ondervonden enorme problemen om Monte Cassino te nemen. Dit was een bijna onneembare vesting, die overwonnen moest worden wilde men vanuit het zuiden de Italiaanse hoofdstad Rome kunnen bereiken. Vanaf mei’44 voegden de Poolse strijdkrachten zich actief bij de strijdende geallieerden. Zodra de Duitsers in de gaten kregen dat er Polen meestreden volgden er via luidsprekers oproepen in het Pools om de Polen over te halen om over te lopen naar het Duitse kamp met de belofte naar Polen terug te kunnen. Dat had geen enkel effect, hoewel het voor de Polen wel langzamerhand duidelijk werd dat de geallieerden het acceptabel vonden dat het oostelijk deel van Polen in Russische handen zou blijven. Maar de hoop op een vrij Polen bleef. Dankzij de Polen kwam er een doorbraak bij Monte Cassino. De enige weg naar Rome voerde onderlangs het bergmassief waar de abdij van Monte Cassino op ligt. Daar lagen de Duitsers en de geallieerden hadden de vijand in het kloostergebied niet kunnen bereiken en overmeesteren doordat het er steil omhoog gaat. Tanks omhoog krijgen zou mogelijk een doorbraak forceren. De tan
keenheid, waarbij vader Rudz tankschutter was, paste een soort truc toe. Zelfstandig konden de tanks niet omhoog komen. Een vrachtauto ging een stuk omhoog, een lier werd gebruikt en zo werd de tank omhoog getrokken. Vervolgens op dezelfde manier weer een stuk omhoog. Zo kwamen de tanks omhoog en konden zij de infanterie ondersteunen. De abdij was door voorafgaande bombardementen al volledig verwoest. Wat vader Rudz altijd vertelde was dat, terwijl er van de abdij nauwelijks iets over was, het altaar ongeschonden was gebleven. De strijd was zeer hevig. Onder de Duitsers deed het gerucht de ronde dat de Polen geen krijgsgevangenen zouden maken. Onzin natuurlijk, maar door deze propaganda was het voor de Duitsers nog meer een wanhoopgevecht geworden. Op 18 mei veroverden de Poolse troepen de abdij en werd de Poolse vlag op de ruïnes van de abdij gezet. Dat duurde maar een paar dagen want de Engelse vlag moest in top. De Poolse vlag werd er wel bij geplaatst. De strijd had veel slachtoffers gekost. Ongeveer 4.000 Poolse soldaten sneuvelden bij deze verovering.

Rode klaprozen

Het was mei, de klaprozen bloeiden volop op de hellingen waar deze heroïsche, maar bloedige strijd zich voltrok. Zo ontstond het lied waarvan het refrein hierboven staat. Op de helling van de Monte Cassino is een enorm Pools ereveld. Dit veld en het monument werd op 10-sept.’45 de 6e gedenkdag van de Duitse inval in Polen, geopend. De gewonnen slag was de opmaat naar de overgave van Rome, waar de hiërarchie van de winnende eenheden duidelijk werd bij het binnentrekken: eerst de Amerikanen, daarna Engelsen, dan de Polen en dan volgden nog andere eenheden die meegevochten hadden zoals de Gurkha’s. Het Poolse leger was onderdeel van de geallieerde strijdkrachten die de Duitsers verder noordwaarts dwongen. Ancona werd veroverd. Voor de Poolse strijdkrachten was de zegening door Paus Pius XII heel belangrijk. In de herfst van 1944 was de taak voor de Polen in Italië volbracht. Vader Rudz was nog even in de Alpen, in een kazerne van de Franse bergjagers, om wat aan te sterken. Daar kocht hij een Zwitsers horloge waar hij heel trots op was. Op politiek gebied liep het voor de Polen heel slecht. Het werd steeds duidelijker dat Rusland met een eigen programma met de geallieerden meedeed en dat een vrij Polen er niet zou komen. Terwijl de nazi’s uit Polen waren verdreven, werd over het lot van het land beslist aan de onderhandelingstafel, op 4 februari 1945 op de Krim. Er werd besloten tot het vaststellen van nieuwe grenzen (oost- en westgrens). Bovendien zou een groot gebied van Polen aan de Russen toevallen.

De strijd is over

De Poolse troepen bleven hun taak doen, hoe wrang de afloop ook zou zijn. Er volgden nog verscheidene veldslagen. Het werd geen V-day voor de Polen. Toen de capitulatie een feit was werden de Poolse troepen bijna genegeerd. Er was alleen het “Russische” Polen. Het was zelfs zo dat toen in Londen in juni 1946 een overwinningsparade werd georganiseerd, waaraan troepen van alle landen die mee hadden geholpen aan de overwinning mochten deelnemen, de Poolse troepen niet werden uitgenodigd. De toekomst voor de Poolse strijdkrachten was zeer onzeker. Ze konden naar Polen terugkeren, maar dat zou betekenen terug naar het gehate Rusland of naar het deel van Polen dat onder direct regime van Rusland viel. Het grootste gedeelte gaf hier geen gehoor aan. Ook gevluchte burgers die niet meer terug konden naar Polen meldden zich bij de Poolse legereenheden toen ze nog in Italië waren. Het Poolse leger zou worden gedemobiliseerd en naar Engeland worden overgebracht. In ’45 kwam vader Rudz in Engeland aan en heeft daar nog 2 jaar op het hoofdkwartier gediend. Ze kregen voedsel, onderdak en zakgeld, geen salaris. In september 1946 startte men met de demobilisatie. In 1947 werd het Poolse legercorps opgeheven. Maar hoe ging het nu met al die Polen. Er waren behalve de Poolse militairen nog veel andere groepen “displaced persons”, van allerlei nationaliteiten, waarvoor een oplossing bedacht moest worden. Er werd besloten dat de Poolse militairen konden emigreren naar een van de westerse landen en zo kwam vader Rudz in Lisse in Nederland terecht.

Moeder Rudz in Polen De moeder van Jozef Rudz werd geboren in zuid Polen. Daar hadden haar ouders een boerderij. Ze trouwde en verhuisde door haar huwelijk naar Lemberg, wat in die tijd Lwów heette. Deze stad heet nu Lviv en ligt in de Oekraïne. Misschien herinnert u zich die naam omdat er het EK voetballen 2012 werd georganiseerd. Lemberg was voor de oorlog een kosmopolitische stad. Zeer welvarend en de verschillende bevolkingsgroepen als Galiciërs, Polen, Joden, Duitsers, Russen, Armeniërs en Oekrainers leefden naast elkaar. Wel met eigen scholen en culturele instellingen. Lemberg had het oudste Joodse gebedshuis van Europa. Door de oorlog met Rusland in 1939 werd deze samenleving totaal anders. De stad werd Russisch. Veel Duitse joden vluchtten zelfs naar Lemberg toe om aan het nazibewind te ontkomen. Maar met de Duitse aanval op Rusland in 1941 veranderde de situatie weer helemaal. De echtgenoot van moeder Rudz werd waarschijnlijk in het begin van de Poolse oorlog met Rusland al krijgsgevangen gemaakt en naar Rusland afgevoerd. Zijn vrouw wist niet of hij nog leefde en waar hij zou kunnen zijn. Voor haar was het overleven onder zeer moeilijke omstandigheden. Het drama sloeg helemaal toe toen zij in 1942 verraden werd omdat zij 2 joodse kinderen hielp onderduiken. Dat werd bestraft met gevangenschap in Dachau.

Dachau

Concentratiekamp Dachau ligt zo’n 20 km. van München. Oorspronkelijk was het voornamelijk een kamp voor politieke tegenstanders. De gevangenen werden later veelal gedwongen ingezet voor de oorlogsindustrie. De Poolse vrouwen moesten een P op hun kleding dragen. Ook moeder Ludz werd ingezet als dwangarbeidster. Ze werd tewerkgesteld bij een afdeling van Siemens waar ze isolatoren maakten. Het leven in het kamp was heel slecht. Weinig voedsel en dan moesten ze te voet naar de fabriek op zo’n 15 km afstand. Van Duitse vrouwen die ook in de fabriek werkten kregen ze soms een stukje brood, er waren ook nog goede mensen. Op appel werden de vrouwen geteld en wanneer er een probleem was moesten ze blijven staan, soms wel 15 uur in de vrieskou. In april 1945 bevrijdden de Amerikanen het kamp. Pal voor de bevrijding kwamen in Dachau nog transporten aan uit andere kampen. De gevangenen van Dachau, waaronder Jozef’s moeder, mochten niet kijken toen de Amerikanen de deuren van de wagons eindelijk konden openen. Het mensonterende wat te zien was is niet te beschrijven. Jozef’s moeder kreeg er ondanks het verbod toch heel veel van mee.

Amerikaanse leger

Het Amerikaanse leger zorgde er voor dat ze weer een betere conditie kregen. Voedsel werd uitgedeeld en daar moesten ze voorzichtig mee zijn, want ze waren behoorlijk ondervoed. Langzamerhand wordt men weer ‘mens’. Voor het eerst van haar leven ziet moeder Rudz een neger, een Amerikaanse militair die meegevochten heeft met de bevrijding. Moeder Rudz is een van de vele vrouwen die eigenlijk niet terug kunnen naar hun vaderland. Het is Russisch gebied en ze weet over het lot van haar man niks. Zij kan gelukkig aan het werk als serveerster in de officiersmess in Ingolstadt. In deze stad was een “displaced persons” kamp ingericht. In 1947 kwam er een eind aan haar werk bij het Amerikaanse leger; zij kreeg een nieuwe taak in Nederland.

Naar de Mariastichting

Waarom het voor moeder Rudz Nederland en de Mariastichting werd is niet helemaal duidelijk. Wellicht speelde een rol dat het RK. ziekenhuis in Haarlem geleid werd door een Duitse orde van de Franciscanessen en het ziekenhuis in de oorlog een prominente rol had gespeeld in de opvang van onderduikers en joden. Het probleem van de duizenden ontheemden was gigantisch. Mei 1947 kopt een krantenbericht: “Verplaatste personen in bedrijf of huishouding”. We lezen verder dat er een onderzoek is ingesteld bij de arbeidsbureaus. Het Haarlemse bureau meldt dat er 50 meisjes uit de Baltische staten worden verdeeld over de Amsterdamse ziekenhuizen en dat daarna de inrichtingen in Haarlem aan de beurt zijn. Ook in de Bollenstreek is men dan al bezig, We lezen: “In Hillegom en ook elders heeft al een lijst gecirculeerd, waarop de ‘dienstbodeloze’ huisvrouwen hun verlangens over Godsdienst e.d. van de buitenlandse hulp kenbaar kunnen maken”. Nederland helpt. We zaten midden in de opbouwperiode na de ellende van de oorlog, maar dat bracht ook met zich mee dat er veel arbeidskrachten nodig waren. Dus werd er een beroep gedaan op bedrijven om ontheemde mensen op te vangen. Wat vaak lastig was omdat het mensen waren zonder opleiding, een andere taal spraken (soms wat Duits of Engels) en flink beschadigd door alles wat ze hadden meegemaakt. Bovendien is er het probleem van de huisvesting. Er zijn al onvoldoende woningen! Daarom gaat men proberen ze als kostgangers onder te brengen. Haarlems Dagblad meldt in een bericht van 12 augustus 1947 dat ambtenaren van arbeidsbureaus verschillende kampen voor ontheemden in Duitsland zullen bezoeken en dat er 8000 zullen worden uitgekozen voor werk in de Nederlandse industrieën. Dezelfde krant meldt op 19 sept. de komst van de eerste trein met D.P.’s (Displaced persons) in Venlo, 230 mannen en vrouwen die 36 uur reizen achter de rug hadden, nauwelijks hadden gegeten en niet geslapen. De meesten bezaten alleen de kleren die ze aanhadden. Het Rode Kruis van Venlo verzorgde een buffet op het stationsplein en er waren mensen van de arbeidsbureaus en van diverse bedrijven aanwezig ter verwelkoming. 107 mensen gingen naar de mijnstreek. De rest
ging verder naar Amsterdam, Haarlem, Leiden en Twente. Er werden ook nog wat verstekelingen ontdekt, maar die werden weer over de grens gezet. De Nederlandse selectiecommissie was streng. Het Parool schrijft in 1947: “Nederland is ook kieskeurig. Kandidaten worden grondig ondervraagd naar hun morele en politieke gezindheid, maar vooral ook naar vakbekwaamheid. Ons land wil uitsluitend vakarbeiders gastvrijheid bieden.” Na die eerste trein met ontheemden volgden er meer. Bij welke groep de moeder van Jozef naar Nederland kwam weten we niet. Er waren in ieder geval nog 3 Poolse vrouwen die in de Mariastichting als schoonmaakster aan de slag gingen.

Vader Rudz naar Lisse

Of vader Rudz ook door een selectiecommissie is ondervraagd is niet bekend. Hij kwam in de kost bij mevr. van der Doe-Dijkman aan de Heereweg op nr. 106. Daar had al een andere Pool onderdak gevonden, nl. Cas Hoek die in de Bollenstreek bekend zou worden als keeper van Hillegom. Hij werkte bij garagebedrijf Jan Mens in Lisse. Er kwam nog een derde Pool in de kost, Jan Pazola die bij bollenbedrijf De Graaff aan het werk kwam. Ook Jan Pazola had gediend in het Poolse 2e legerkorps en had ook bij Monte Cassino gevochten. Hij was bij de infanterie. Zij waren niet de eerste Polen die in Lisse of in Nederland kwamen wonen. Al voor de 2e wereldoorlog was Frans Godilla in Lisse neergestreken. Hij was schoenmaker in de Kanaalstraat en had later een dumpzaak. Ook in Limburg werkten voor de oorlog een heleboel Polen. Dat waren een soort gastarbeiders. En dan was er nog die Pool die noodgedwongen in het Duitse leger diende, bij de Ruigenhoek deserteerde, een meisje uit De Engel trouwde en in onze streek bleef.

 

Vader Rudz kwam bij Sikkens (nu Akzo-Nobel) in Sassenheim te werken. Hij was bij het onderhoudsteam. Dat zal wel te maken hebben gehad met de ervaring die hij had opgedaan als tankschutter. In het proces van verf maken werden verschillende zeven gebruikt, klontjes tijdens het proces zijn uit den boze. Vader Rudz stond bekend om het fijne soldeerwerk dat hij afleverde. Blijkbaar beviel het werk, van beide kanten, prima. Met de bus ging hij naar zijn werk, fietsen heeft hij nooit geleerd. Zijn werk was wel zijn houvast. Het gebeurde een keer dat het zo glad was dat de bus zelfs niet reed. Maar wie was er als eerste van zijn ploeg op het werk: vader Rudz. Komen lopen vanuit Lisse, zo hoorde het gewoon! Hij heeft er tot zijn pensionering, 27 jaar later, gewerkt. Die pensionering was niet goed voor hem, hij viel echt in een zwart gat. Gelukkig kon hij wel erg genieten van de kleinkinderen die hij zou krijgen.

Getrouwd

Er waren dus nogal wat Poolse ontheemden in deze regio opgenomen. Hoewel, in Haarlems Dagblad van maart ’48 werd opgemerkt “dat er in Haarlem 30 mannen en vrouwen waren opgenomen, een mager aantal”. Maar met de regio er bij geteld zijn het er toch heel wat. Er waren ook Poolse priesters in de regio. Die zorgden voor het geestelijk welzijn. Een van hen, kanunnik Kowalski, droeg in de Mariastichting een Heilige Mis op. Ook Rudz uit Lisse woonde de mis bij. En zo is het gekomen, vader en moeder Rudz ontmoeten elkaar daar en besluiten al snel samen verder te gaan. Door al die oorlogsellende zijn er al veel jaren voorbij gegaan. Ze worden in 1949 in de Agathakerk getrouwd door kapelaan J. Keet. Mevrouw Rudz werkt nog tot 1950 in de Mariastichting en ze werkt ook nog in de huishouding in Heemstede. Maar wanneer zoon Jozef in 1950 wordt geboren wordt ze huisvrouw.

Huis

De Blauwe druif Heereweg behorende bij 131 gesloopt ca.1951.Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

Er was een gigantische woningnood in die tijd. In veel woningen had men verplicht inwoning en ook panden, die eigenlijk slooprijk waren, werden bewoond. Familie Rudz gaat wonen in “De Blauwe Druif”, bij Heereweg 131. Dat was eerder een café geweest, maar op dat moment woonden er in het pand wel 5 gezinnen. (in 1950 kocht de gemeente het pand en voor 1954 was het gesloopt). De familie Rudz huurde van Johannes Nicolaas van der Splinter, de vroegere uitbater en woonde beneden. Er stonden steunpalen in de kamer omdat de zaak anders wel eens in kon storten. Op een gegeven moment kraakte het zo vervaarlijk dat mevr. Rudz niet meer durfde te gaan slapen. De maatschappelijk werkster van Sikkens kwam poolshoogte nemen en constateerde dat wonen niet verantwoord was. Ze toog naar burgemeester De Graaf. Die vond het nog niet zo schrikbarend. Bovendien waren er geen huizen. Maar de maatschappelijk werkster was vasthoudend en De Graaf moest bakzeil halen.

De Irenestraat

In de Irenestraat kwamen woningen beschikbaar. Deze waren al toegezegd aan woningzoekenden. Maar vanwege de urgentie moest de familie Rudz een woning toegewezen worden. Het werd nr. 51. Er was weinig begrip voor de tragische achtergrond van de familie Rudz. Van oorlogstrauma’s had niemand nog gehoord en psychologische hulp bestond niet. Gewoon doorgaan en werken, dat was de norm. Dat er later een Duitse buurvrouw in de Irenestraat kwam wonen maakte heel wat los bij moeder Rudz. De haat tegen de Duitsers zat heel diep.►

Wordt vervolgd in het herfstnummer. 

 

De grenspaal van Sypesteyn aan de Essenlaan

De grenspaal van Sypesteyn aan de Essenlaan is opgenomen op de website van Kasteel Sypesteyn in Nieuw Loosdecht.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De grenspaal van Sypesteyn aan de Essenlaan is opgenomen in de beeldbank en website van Kasteel Sypesteyn in Nieuw Loosdrecht. Na een bezoek in mei 2018 aan Kasteel Sypesteyn in Nieuw Loosdrecht werd de conservator van het kasteel drs. Rik van Wegen enthousiast, toen we hem vertelden dat er in Lisse een oude grenspaal uit 1768 van Sypesteyn stond (spreek dit uit als Siepesteyn adviseerde hij ons). Zie op de volgende pagina de foto van de grenspaal uit het boek ‘Grenspalen te Lisse’ van Bert Kölker dat Rik van Wegen werd toegestuurd.

Grenspaal met Sypensteyn en Van der Lyn.

 

DAAR BIJ DIE MOLEN: stukje Lisse in Nieuw-Zeeland

Sientje en Cor Slobbe emigreerden begin vijtiger jaren naar Nieuw-Zeeland. Na zijn pensionering bouwde hij een molen, Die lijkt op de korenmolen van Lisse. Hij woonde oorspronkelijk op Vreeburg.

Deen Boogerd – Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

In de jaren vijftig van de vorige eeuw verlieten veel mensen Nederland om elders hun geluk te beproeven. In de periode 1947-1963 bereikte het aantal overzeese emigranten een peil van 410.000. zo’n 3,5% van de Nederlandse bevolking. De meerderheid (147.000) ging naar Canada. Australië (119.000) en de Verenigde Staten (76.000) waren populair. Overige emigranten vestigden zich in Zuid-Afrika, Brazilië maar ook gingen er veel naar Nieuw-Zeeland. Zo ook onze buren van Vreewijk 35.

A. Leentje Vrijburg-Blom met dochter Ida op schoot, Cobie Boogerd staat te kijken links op schommel Sientje Slobbe. B. Links Deen en Cobie Boogerd en rechts Hans Slobbe. Het werkplaatsje achterin. C. Vreewijk richting Heereweg D. Vreewijk richting Wilhelminastraat E. Poort tussen Vrijburg 37 en de Rooi 39 F. De “werft“, in onze tijd moest je in de schuur naar de poepdoos.

“Beste buurtjes we komen jullie vertellen dat we gaan emigreren naar Nieuw-Zeeland en komende maand is het al zover”. Zo ongeveer zullen Sientje en Cor Slobbe het in ons buurtje verteld hebben. Zij woonden toen ongeveer vijf jaar naast ons in Vreewijk. Ik (Deen) kan mij nog herinneren dat buurman Cor altijd bezig was in zijn schuurtje achter in de tuin. Hij was timmerman en bouwde daar o.a. een roeiboot. Toen de boot klaar was sjouwde een groepje buurtbewoners de boot via de Willemskade naar de Nieuwsloot voor een proefvaart. Wij mochten een stukje meevaren, er was geen lekje te bekennen, stukje vakwerk. Dat vakmanschap was welkom in Nieuw-Zeeland. Met een bal in de hand legden ze ons uit dat ze ongeveer aan de andere kant van die grote ronde aardbol gingen wonen. Best wel raar want daar aan de onderkant loop je wel op z’n kop, dat is toch stom! Een maand later vertrokken zij uit Rotterdam met nog heel veel meer Nederlanders die hun geluk ergens anders gingen zoeken. Cor had al zeebenen want in 1951 kwam hij terug van een 10 maanden durende missie langs de Koreaanse kust. Hij was toen uitgezonden op één van de schepen van de Nederlandse Marine die deelnamen aan de Koreaanse oorlog onder de vlag van de V.N. Net na zijn terugkomst trouwde hij met zijn Sientje (Stien) en ze gingen wonen in Vreewijk, daar werden hun eerste twee kinderen geboren, in Nieuw-Zeeland kregen ze nog twee kinderen. Hans kan ik me nog wel voor de geest halen, hij had een vergroeiing in zijn rug en moest iedere avond in een krom bedje vast gelegd worden om die vergroeiing te verhelpen. We hebben vernomen dat hij nu in Thailand woont, de rest van het gezin woont wel in Nieuw-Zeeland; ook onze oude buurvrouw Sientje zou nog in leven zijn. Buurman Cor is in 2007 gestorven op 78-jarige leeftijd. Cor Slobbe heeft daar wel iets heel moois mogen bouwen. Een prachtige stellingmolen die wel heel erg veel gelijkenis heeft met de graanmolen van Beelen “De Korenbloem”.

Waarom emigreren

Belangrijke motieven om te emigreren vormden het sombere economische toekomstperspectief, het huizentekort en de dreiging van een 3e wereldoorlog. Nieuw-Zeeland ontving de emigranten met open armen terwijl voor andere landen strengere regels waren. Gezinnen mochten alleen de oversteek naar Canada maken als ze gezond waren. Nederlanders leken veel op Engelsen en assimileerden snel. Eenmaal aangekomen in het land begon er een nieuw leven wat toch minder rooskleurig was dan voorgesteld. Veel emigranten kwamen in opvangkampen. De Nederlanders werkten hard om een nieuw bestaan op te bouwen. Heimwee was een serieus probleem, veel mensen kregen daar erg veel last van. Om die reden keerde uiteindelijk een vijfde deel van de emigranten terug naar Nederand. Velen bleven hun leven lang spijt houden van de beslissing om te emigreren. Het gezin van Cor Slobbe was een blijvertje en zij hebben daar een nieuw bestaan opgebouwd.

Overgehaald

Helena, de zus van Cor, was al in 1951 samen met haar man Jan Turk uit Sassenheim vertrokken naar Nieuw-Zeeland. Jan Turk werkte zich in Nieuw-Zeeland op van melkboer tot eigenaar van één van de grootste kippenbedrijven van dat land. Zij haalde Cor over om ook te komen en ze vertelde dat het er economisch gezien een stuk beter was. De impressie van Vreewijk op de vorige pagina laat wel een beetje zien dat het niet de meest florissante straat van Lisse was. Er was wel saamhorigheid, men zat immers allemaal in hetzelfde schuitje. Niemand had een cent te makken, als vrijdags het loonzakje van pa binnen kwam moest er eerst afgerekend worden bij de buurtsuper van Knook. Zomeravonden speelden zich buiten af  op de “werft”. Je kon er vanuit je bed tot laat in de avond sterke verhalen meeluisteren en ook soms serieuze praatjes horen van de buurtjes onder elkaar. Cor en Sientje woonde met hun 2 kinderen naast ons op Vreewijk 35. In 1957 is het gezin ook geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. De zussen van Cor, Ria en Greet, kunnen zich niet zoveel herinneren, ze waren te jong om het goed te begrijpen. Ze wisten nog wel dat er een grote touringcar in De Engel stond met heel veel mensen erin. Daar werden ze uitgezwaaid door de familie, ruim een maand later kwamen ze aan in Wellington waar ze verwelkomd werden door zus Helena met haar man. In Wellington werden nog twee kinderen geboren en later vestigde het gezin zich in Foxton, gelegen aan de grote verkeersweg van Auckland naar Wellington op het Noorder Eiland. Cor was een timmerman en een harde werker, door zijn vakmanschap en studie is hij opgeklommen tot adjunct-directeur van de Gemeentewerken aldaar.

Dirk van Til en Jan Langen

Dirk en Jan waren ook geëmigreerde bollenstrekers. Dirk kocht een stuk grond bij Foxton om samen met Jan Langen een bloembollenkwekerij te beginnen. De streek deed ze sterk aan Holland denken, zo kwamen zij op het idee om daar een echte Hollandse molen te bouwen. Het bollenavontuur kwam niet van de grond een virus in de bollen was niet klein te krijgen en het klimaat werkte ook niet mee. Dirk van Til gooide het bijltje er bij neer en vertrok naar Australië. Jan Langen bleef achter met nog steeds die belofte een molen te gaan bouwen. Eigenlijk had hij er niet zo veel zin meer in. Maar Corrie, de vrouw van Jan, zei tegen hem dat hij toch niet iedereen zo kon laten vallen. Er waren mensen die er al veel energie in hadden ingestoken. Ook was al heel wat geld binnen gekomen om dit project te steunen. Zo motiveerde zij haar man om er toch weer mee aan de slag te gaan. Hij zocht hulp bij familie, vrienden en kennissen in Nederland. Via hen kwam hij in contact met molenrietdekker Kleinjan uit Den Ham. Zo kreeg Jan zijn bouwtekeningen.

Timmerman en molenmaker Cor Slobbe

Replica van de korenmolen De Korenbloem

Het vakmanschap van Cor Slobbe was daar ook niet ongezien gebleven en als adjunct directeur wist hij hoe je mensen moest aansturen en organiseren. Daarom peilde Corrie Langen Sientje, de vrouw van Cor Slobbe, want ze wist dat Cor met pensioen zou gaan. Dus Cor werd aan het denken gezet en vroeg aan Jan de tekeningen en het bestek van de molen. Na een grondige studie zei hij “ik maak deze molen”. Zo zijn de raderen weer gaan draaien. Er werden vrijwilligers enthousiast gemaakt om de klus te klaren. Terwijl Cor begon met een molen op schaal te bouwen ging Jan Langen aangespoord door zijn vrouw op subsidiejacht en klopte hij bij allerlei instanties en bedrijven aan. Cor ging niet over één nacht ijs maar bouwde eerst een schaalmodel 1:5. Helaas bleek het schaalmodel te groot en moest de vloer worden uitgediept om het model naar buiten te krijgen. Niet veel later begon hij aan de bouw van de echte molen. Door het grote vakmanschap van Cor kon de molen wel tegen een stootje en is een lust voor het oog. Het is een toeristentrekker geworden. Tegenwoordig is er een winkeltje in gevestigd. Daar worden Hollandse produkten verkocht, zoals hagelslag dropjes, delftsblauw en natuurlijk klompen. Sinds kort is er ook een Hollands restaurant “The Dutch Oven”, waar worstenbroodjes en allerlei stamppotjes op de menukaart staan. Cor is inmiddels overleden, zijn vrouw Sientje leeft nog. Sientje is daar bekend als Cecillia Slobbe en woont in East Foxton Beach. De molen zal nog lang aan Cor Slobbe doen denken. ■
Nostalgie op Queen’s Day in Wellington

Klein stukje uit een interview door Hans van Kregten
Dit portret van Cor hangt in de entree van “De Molen”. Een trotse man die bezoekers welkom heet in een stukje Holland aan de andere kant van onze aarde. Een Lisser!
,,Ja, dat doet je toch wat”, zegt John Turk na het zingen van het Wilhelmus. ,,We voelen ons Kiwi, maar op zo’n moment ben je toch weer Nederlander”, zegt de eigenaar van een pluimveebedrijf in Foxton, 100 kilometer van Wellington. Turk zegt een speciale band met koningin Beatrix te hebben. ,,Ik heb haar als prinses samen met prins Claus in Nieuw-Zeeland ontmoet. Daar heb ik nog een foto van. Daar kun je in Nederland deuren mee openen.”
Zijn plaatsgenoot Cor Slobbe, net als Turk een halve eeuw in Nieuw-Zeeland, glimlacht. In zijn pensioenjaren leidde Slobbe de bouw van een heuse Nederlandse molen in zijn dorp. ,,Molens zijn toch typisch iets van Nederland en we hadden hier een symbool van onze immigratie nodig. ‘  NRC 30-april-2004.

Klein stukje familiegeschiedenis

Cornelis Petrus Nicolaas Slobbe geboren te Lisse op 06-12-1929. Als kind van Johannes Hubertus Slobbe geboren te Lisse op 16-04-1901, overleden te Lisse op 10-12-1968, en van Johanna de Vries, geboren te Haarlemmermeer 02-10-1904 overleden op 23-05-1985 te Lisse. Cor kwam uit een gezin met 13 kinderen. 1. Petrus Jacobus geboren 1927 2. Johanna Maria geboren 1928 3. Cornelis Petrus Nicolaas geboren 1929 4. Helena Johanna geboren 1931, overleden 1932. 5. Helena Johanna geboren 1932 getrouwd 1953 met Johannes Turk geboren 1930 6. Jacobus Petrus Joannes geboren 1934 7. Thomas Joannes geboren 1935 8. Johannes Franciscus geboren 1939, overleden 1947 9. Bernardus Jacobus geboren 1938 10. Hendrikus Johannes geboren 1939 11. Fransiscus Johannes geboren 1942 12. Maria Johanna Apolonia geboren 1945 13. Margaretha Maria geboren 1946. Van dit gezin zijn 4 kinderen geëmigreerd.

Interieur van “The Dutch Oven”, zuurkool met worst, jus in een kuiltje erbij meneer? “De Molen” lijkt echt op die van Beelen.

 

“HOLLAND’S GLORIE” 1949 LISSE: Lissese middenstandsshow werd groot succes

De middenstandsbeurs ‘Hollands Glorie’ was in 1949 de eerste na de oorlog. De problemen rond de organisatie komen aan de orde.

Door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

De in 1949 gehouden middenstandsbeurs “Holland’s Glorie” was de eerste grote naoorlogse beurs op dit gebied, maar kreeg bij de introductie niet direct de aanhang die men verwachtte. Met name de gemeente liet het in eerste instantie afweten en weigerde subsidie te verlenen. In de raadsvergadering van februari 1949 die maar liefst 32 agendapunten had en tot ’s nachts half een duurde, kwam de beurs ter sprake.

De man met de verfspuit is Nick Bemelman en ook weer niet, het is een “billboard Bemelman”. Vader Jan Bemelman schilderde ook nog in zijn vrije tijd. Aan de wand zie je een paar van zijn nageschilderde werken van grote meesters hangen.

Het Comité voor de Tentoonstelling van Handel, Industrie en Ambacht had het gemeentebestuur verzocht bij een eventueel nadelig saldo de vermakelijkheidsbelasting die men van de entrees verschuldigd is terug te ontvangen tot een maximum van de betaalde belasting. De correspondent van Ons Weekblad meldt vervolgens dat raadslid Randsdorp hier wel iets over wilde zeggen. “Hij begint met wat geschiedenis. Voor de oorlog waren er in Lisse drie middenstandsverenigingen, namelijk de Hanze; de Christelijke Middenstandsvereniging en de Koninklijke. Deze drie hadden in “Lisse Vooruit” een comité van actie. Na de oorlog is alleen de Hanze weer aan het werk gegaan. Ook toen is weer een comité “Lisse Vooruit” opgericht in samenwerking met Hanzeleden.

Sport en roken was toen nog een prima combinatie.

Dit comité zou voor eventuele acties zorgen. De heren hebben hun mandaat nooit teruggegeven maar zijn buiten “Lisse Vooruit” om, op eigen houtje een nieuwe actie begonnen, en wel die aangekondigde tentoonstelling. Die actie is op zich goed aldus Randsdorp maar de kleine man wordt uitgesloten doordat een waarborgsom van ƒ 250,- wordt gevraagd. De traditie wordt vertrapt. Er wordt geen rekening gehouden met het bestaande organisatorische verband. En daarom wilde Randsdorp de gevraagde subsidie niet verlenen. Raadslid Blitterswijk wil er ook niet aan, zo vertelt Ons Weekblad verder. Honderd gulden zou in zijn ogen als waarborgsom wel voldoende zijn geweest.

Mr. W. H. J. M. Lambooy pleitbezorger

Kantoorboekhandel met het snufje onder de tekstverwerkers en calculators: iets groter dan zakformaat en niet te tillen.
Mijnders

Burgemeester Lambooy verbaasde zich vervolgens over die eis van ƒ 250,- waarborgsom voor elke deelnemer. Dat was hem niet bekend. Ook de hr. Van Leeuwen had daar niets van gehoord, hij had nog wel zijn licht opgestoken bij een der kopstukken van het tentoonstellingscomité. Deze had hem bovendien verzekerd dat het conflict met de Hanze al was opgelost. Echter: “Geen kwestie van” zei Randsdorp, waarop Van Leeuwen (volgens de krant) uit z’n slof schoot en heftig verklaarde niet voor leugenaar gezet te willen worden. De burgemeester vond echter dat al dat gekrakeel de raad niet behoefde te interesseren. Hier geldt alleen wie kan er mee doen en hoe. De burgemeester stelt voor om als suggestie van de raad aan het comité voor te stellen dat de kleinere ondernemers zich kunnen combineren en per ƒ 250,- een stem zullen krijgen.

Mijnders van de “Kijkgrijp” had zijn artikelen prachtig uitgestald. Alle standhouders hadden er echt wat moois van gemaakt.

De burgemeester kreeg echter nauwelijks bijval vanuit de gemeenteraad. De hr. Randsdorp blijft er op hameren dat het georganiseerd overleg in de hoek getrapt is. De heren wensen dat niet en moet nu de raad aan zoiets meewerken? Maar de reclame op zichzelf zei Randsdorp wel goed te vinden. De raadsleden Koning en Van Kesteren vallen Randsdorp bij. Vervolgens golft het debat over en weer maar veel steun voor zijn voorstel kan de burgemeester niet vinden. Heel nuchter vraagt raadslid Romein terloops wat bij een tekort het eerst aan de beurt komt: het Garantiefonds of de teruggave van de vermakelijkheidsbelasting. Garantieefonds natuurlijk zegt de burgemeester daar op. Maar, zo meent de hr. De Koning dat zal waarschijnlijk niet de bedoeling zijn.

Foto Koning maakte alle foto’s

Volgens Ons Weekblad probeert de burgemeester nog eens de leden van de raad over te halen het voorstel goed te keuren met het beding dat eerst het Garantiefonds zal moeten worden aangesproken en dat de kleinere deelnemers per ƒ 250,- een stem zullen hebben. Maar neen, de raad laat zich niet overhalen. De hr. Blitterswijk dringt erop aan dat het voorstel wordt teruggenomen voor nader beraad. Dat gebeurt tenslotte, maar pas nadat de burgemeester met stemverheffing heeft gezegd dat hij het jammer vindt dat aan die flinke initiatiefnemers de steun waarop zij recht hebben wordt onthouden. In de volgende raadsvergadering bleek dat er meer duidelijkheid was geschapen. De burgemeester verwoordde het alzo: “De club van actieve winkeliers en de Katholieke Middenstandsvereniging hebben overeenstemming bereikt. Van de Hanze zullen twee leden in het werkcomité zitting nemen.” De raad had vervolgens geen bedenkingen tegen het verlenen van een garantiesubsidie.

Aan de slag met “HOLLAND’S GLORIE” 1949 LISSE

De machinerie draaide als een tierelier en op vrijdagmiddag 13 maart werd de tentoonstelling geopend. Burgemeester Lambooy sprak zijn bewondering uit voor wat er tot stand was gebracht. Van tekeningen tot de werkelijke uitvoering. “Naarmate uw plannen vorm kregen werd ik door uw enthousiasme gegrepen. Vooral toen ook nog bleek dat de Lissese middenstand snel en fel reageerde op de publicaties door gretig de mogelijkheid tot inschrijven aan te grijpen.” De burgemeester constateerde tevens dat in het voortraject al spoedig bleek dat het gedachte tentoonstellingsoppervlak te gering was en men tot aanmerkelijke uitbreiding diende over te gaan. “Zodat u thans 4000 vierkante meter ter beschikking heeft, hetgeen u maanden geleden alleen maar in uw schoonste luchtkastelen durfde dromen. Een prachtig initiatief van de middenstand uit een plaats van 11.000 inwoners, ontstaan door samenbundeling van krachten.” De hr. W. Tissing, voorzitter van de “Vereniging Actieve winkeliers” richtte zich in een kort woord tot beide voorgaande sprekers die van meet af aan veel belangstelling voor het project aan de dag hadden gelegd. “En dank ook aan de directie van Hobaho voor de belangeloze medewerking en dank aan de gemeente voor de ondervonden steun, mede in de vorm van de gegeven garantie.” Vervolgens kregen de genodigden een rondwandeling door wat de krant het Zaken station van Lisse noemde. De correspondent constateerde dat er kennelijk nauwelijks genoeg ruimte was om elke standhouder onder te brengen en op alle gebied er snufjes aanwezig waren om het publiek ervan te overtuigen dat men niet naar de stad hoeft te gaan om inkopen te doen. “En dat alles is zodanig uitgestald dat u de lust bekruipt om te kopen wat al zo lang op het verlanglijstje staat. Van de mooiste auto, wasmachine of radio tot de kleinste artikelen als uit de textielbranche kan men hier terecht. En krijgt men tijdens de rondwandeling trek dan is er ruimschoots gelegenheid om wat te gebruiken. De banketbakkers en consumptiebedrijven plus de Theetuin zorgen met hun beste producten voor de maag,” aldus Ons Weekblad waarvan de redactie het ondoenlijk vond om alle 63 deelnemers te benoemen. “Komt zelf. Het is de moeite waard!”

Publiekstrekker en voor herhaling vatbaar!

En het publiek kwam. In groten getale. Een dikke week later (25 maart 1949) meldde Ons Weekblad dat al 20.000 bezoekers waren geteld. Uiteindelijk werden dat er zo rond de 25.000. En men kwam van heinde en verre. “De bussen zitten vooral tegen de avond tjokvol met bezoekers. Na het uitstappen hoeven ze niet te zoeken waar de tentoonstelling is, want de lichtlijn wijst de weg. De enorme ingang met het schitterende licht ornament en de gekleurde fonteinen vormen een indrukwekkende entree.” De krant tekende ook op dat de standhouders dik tevreden waren. “We hebben met sommigen een praatje gemaakt en de uitkomst daarvan is: tevredenheid. Niet alleen enthousiast over het aantal bezoekers dat boven alle verwachtingen is, maar ook over de relaties welke konden worden aangeknoopt.” Een der thuisblijvers zei eerlijk, “Ik kan mij de haren wel uit het hoofd trekken dat ik niet meegedaan heb.” Wij zouden zeggen een volgend keer beter. Reeds nu bereikten het Comité Actieve Winkeliers van verschillende grote firma’s het verzoek een volgend keer vooral mee te mogen doen. Dat belooft wat voor een volgend keer!” Aldus Ons Weekblad.■

Bron

Dank aan Truus Hagen voor het fotoalbum met alle stands

De gebruikte foto’s zijn allemaal gemaakt door Foto Koning

Met deze foto krijg je een aardig beeld van wat er zo’n 70 jaren geleden rond reed, deze auto’s waren ook eens modern.

EEN GENERAAL OP BERKHOUT

De bewoningsgeschiedenis van Huize Berkhout wordt beschreven.Het huis lag waar waar nu woonzorgcetrum Berkhout is gevestigd. De generaal was J.A. von Barner. Hij koopt Berkhout in 1722.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Voor schout Jacob van Dorp en de schepenen Cornelis Adriaansz van der Saal en Arent Meese van Velsbrugge verkoopt op 17 mei 1722 Pieter Colaard, koopman in Haarlem, aan luitenant generaal Joan Albregt von Barner, Generaal van de Holsteinse troepen in dienst van koning Willem III, een schoone vermakelijke hofstede genaamt Berkhout, met desselfs huijsinge, boomgaarden, tuijnen, bloem en moesperken, binnen en buijtenlanen, bepotingen, beplantingen en al het gene daarin aard en nagelvast is. Begroot op twee morgen en vierhonderd veertien roeden, belend ten noordwesten de landerijen van mr. Isbrand de Bije oud burgemeester der stad Leijden en mr. Pieter Six, oud schepen der stad Amsterdam en ten noordoosten de Veenderlaan. De koop wordt gesloten voor een bedrag van 5000 gulden waarvan de helft gelijk wordt betaald en de wederhelft binnen twee maanden met een wisselbrief. Dit alles zonder bedrog voor schout en schepenen gepasseerd. Hier hoorde nog bij 550 roeden lands recht voor de hofstede gelegen, voorts nog twee morgen land genaamd den hooge Kroft, ende akerenbos met den halven weg.

De Generaal was zo verknocht aan zijn buitenplaats, dat hij op verzoek en met goedkeuring van de Staten van Holland op zijn buitenplaats op Berkhout begraven mocht worden ipv in de kerk waar hij wel grafrechten aan moest betalen. Nog geen jaar voor zijn overlijden kocht hij in december 1724 nog 3 morgen en 130 roeden land van mr. Pieter Six op de oude venen aan de Veenderlaan voor 2600 gulden. Ook koopt hij op 30 januri 1725 nog een huis met 44 roeden land in de oostgeest in de oude mosvenen voor 365 gulden, misschien voor zijn personeel? Hij heeft maar drie jaar van Berkhout mogen genieten. Zijn zoon Siegfried was nog minderjarig, voor hem werden voogden aangesteld, de halfbroers van zijn moeder Dorothea von Plessen. Het totale bedrag van de aankoop van Berkhout werd pas afgelost op 24 maart 1730 bij secretaris Jacob van Dorp, twee jaar nadat Cristiaan Jonk, koopman te Amsterdam de buitenplaats had gekocht. En nog steeds rust zijn gebeente in de buurt van het verzorgingshuis Berkhout.

Bouwer, eigenaars en bewoners

Ligging Volgens de Verponding van 1735 lag buitenplaats Berkhout in de Oude Mosveense buurt, als nr. 60. Ten westen van de Heereweg, ten zuiden van de Veenderweg, ten noorden van het afgegraven Berkhouter Duintje. De huidige locatie is om en nabij woonzorgcentrum Berkhout, Berkhoutlaan 15. Oostelijk van Berkhout lag de moestuin, westelijk het bos van Berkhout, vóór hofstede De Wolff.

Hendrik Valkenaer (Poortugal 1600/1669) ambachtsheer van Duyckenburg en Portengen, schout van de stad Utrecht (van 1633 tot 1662 ambachtsheer van Lisse) getrouwd met Florentina van Mathenesse (Putten 1604/1670), vrouwe van Giessen, dochter van Karel van Mathenesse (Schiedam 1570/1625) en Johanna Piek (Giessen 1568/1625). Bewoner: Adriaen van Gorcum (Lisse 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1669: Carel Valckenaer (1638-1686), heer van Valckenaer en Duyckenburg, ambachtsheer van Valckenaer, Lisse en Giessen, watergraaf van Bies veld, maarschalk van Montfoort en van het Nederkwartier van Utrecht, zoon van Hendrick Valckenaer en Florentina van Mathenesse; Carel Valckenaer reisde in 1660/1661 op het schip “Middelburg“ met een gezelschap hoogwaardigheidsbekleders naar het Koninklijk Hof in Spanje; hij is, evenals zijn vader, ambachtsheer van Lisse (1670-1686), zijn zuster, Florentina Valckenaer volgt hem in 1686 op als ambachtsvrouwe. Bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-Lisse, 1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge.

Gravure Berkhout door Abraham Rademaker 1732 RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN “Een zeer deftige huizing, waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhuizen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmerd, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen, daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek“.

1679 eigenaar/bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge. Hannard van Gorcum kocht Berkhout van Carel Valckenaer voor “vier duijsent sevenhondert gulden“. Eigenaar/bewoner: 1682 Adriaen van Gorcum (Lisse, 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1698 Pieter Colaert, koopman te Haarlem 1705 herinrichting van de tuin van buitenplaats Berkhout; werklieden:Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Gerritsz Brero en Ariaentje Floris, Cornelis Pietersz Cole (Lisse, 1672), zoon van Pieter Cornelisse Cole en Jaepje van der Codde Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1722 Johan Albrecht von Barner (Lisse, 1725), begraven op zijn buitenplaats, luitenant-generaal van de Holsteinse troepen , in dienst van stadhouder– koning Willem III; Johan Albrecht von Barner is getrouwd met Dorothea Elisabeth von Plessen, dochter van Christian Siegfried von Plessen en Clara Eleonore von Bülow Wedendorf

Berkhout heeft een lange geschiedenis en het verzorgingshuis verwijst naar deze mooie buitenplaats en houdt deze naam in ere. Berkhout stond daar van 1645 tot 1775. Cornelis Pronk tekende het in 1715 zo

1725 Christian Ludwig von Plessen (Schwerin, 1676 -Kopenhagen, 1752) en Carl Adolph von Plessen (1678-1758), geheimraden van de koning van Denemarken en Noorwegen. Beide halfbroers van Dorothea von Plessen krijgen de voogdij over Christiaan Siegfried von Barner, minderjarige zoon van Johan Albrecht von Barner en Dorothea Elisabeth von Plessen. Daghuurders: getuigen inzake een afgedamde en dichtgegooide sloot: Pieter Pietersz Berendregt (1657), getrouwd met Hillegont Korsse, Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Brero en Ariaentje Floris; woont nr. 96/181,Cornelis de Zwart (Lisse, 1669-Lisse, 1732), getrouwd met Baafje van Tol (Lisse, 1734), Willem Willemse van der Meer (1671), getrouwd met Grietje Langevelt (Wassenaar, 1669), Cornelis Persijn (1691), getrouwd met Marijtje van Steijn, Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr. den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1728: Christiaan Jonk,koopman te Amsterdam. Eigenaar/bewoner: 1735 Justus Westerveen (A’dam, 1670), woont aan de Keizersgracht 276, Amsterdam, zoon van Jacobus Westerveen en Elisabeth Nielis, getrouwd met Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: Pieter Jan Fremeaux (A’dam, 1738), zoon van Isaac Fremeaux (Izmir (TR), 1710 A’dam, 1771) en Geertruida Johanna La Clé (1716), getrouwd met Catharina Jacoba Westerveen (A’dam,1712 ), dochter van Justus Westerveen en Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: 1765 Jan Isaac Fremeaux, koopman, woont aan de Keizersgracht 284, A’dam, getrouwd met Johanna Catharina van Velzen. Berkhout wordt in 1775 gesloopt, de gronden worden in percelen publiek geveild. ■

Bronnen

Hulkenberg: ’t Roemwaard Lisse, blz. 20–21

ARA, Rechterlijk Archief Lisse nr. 104 Gemeentearchief Lisse nr. 221

Haardsteegeld Lisse, 1666 Gemeentearchief Lisse, nr. 502 en 365

Rechterlijk Archief Lisse nr. 63, fol. 19. 68

Met dank aan Alfons Verstraeten.