Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Erepenning voor voormalig directiekantoor CNB

De erepenning voor een goed gerestaureerd gebouw is dit jaar voor Ernst Melssen voor het voormalig kantoorgebouw van de CNB aan de Tulpenstraat.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

De penning die door de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse jaarlijks wordt uitgereikt is ten deel gevallen aan Ernest Melssen. Deze nam de penning op de jaarvergadering in ontvangst uit handen van Cees Paardekooper, zoon van Aad Paardekooper, die vertelde dat zijn vader in de jaren 1950-1970 diverse gebouwen in Lisse en de regio ontwierp, waaronder het CNB gebouw waarvan nu nog Floralis en het voormalige kantoor rest.
Melssen heeft kosten noch moeite gespaard om het voormalige directiekantoor te herstellen en terug te brengen tot de oude staat en er een woonhuis van gemaakt. “Met respect voor ziel en oorsprong”, zoals Melssen daarover zegt. Bij de restauratie zijn veel andere gebouwen bestudeerd om de stijl te handhaven. En: “Er waren een paar heftige trajecten. We hebben á la Paardekooper gemetseld, nieuwe stalen kozijnen gezocht, de Mondriaan-achtige glas in lood gevel totaal gerestaureerd en sommige panelen verbleven zes maanden in Frankrijk. Bij de materiaalkeuze hebben we er rekening mee gehoud  het ooit een kantoorgebouw is geweest. Nu ervaar je overal nog het authentieke ontwerp. Bewust heb ik het oude industriële draadglas aan de straatzijde gekozen wat in de bouwtijd van dit gebouw naast glas in lood een luxe was en nu weer hip. De pas recent aangelegde stadstuin sluit goed aan bij het gebouw en ook dat was spannend, omdat er nooit een tuin was. Zelfs de beplanting heb ik er op afgestemd. Dus bij alles heb ik geprobeerd het zo te restaureren/renoveren dat de nieuwe situatie als vanzelfsprekend aanvoelt alsof je thuis komt.” Al met al heeft het project een anderhalf jaar geduurd. Inmiddels staat de nieuwbouw er omheen en heeft de wijk een mooi karakter gekregen, met in het voormalige hoofdgebouw van Paardekooper nu de nieuwe bioscoop en andere activiteiten op loopafstand. De inzet van Melssen wordt door de Vereniging Oud Lisse op de juiste waarde ingeschat en beloond met de penning die werd vervaardigd door Frans en Truus van der Veld. En natuurlijk de wens dat nog lang met veel plezier van dit pand gebruik gemaakt mag worden.

PRANGENDE VRAGEN

De impost was een belasting bij huwelijk en begrafenis. De hoogte van de impost geeft een indruk van de economische betekenis van de betrokkenen.

Arie de Koning

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Bijna iedereen die zijn afkomst wil laten onderzoeken hoopt stilletjes dat hij of zij afkomstig is van een rijke en invloedrijke familie. Meestal valt dat een beetje tegen. Er zijn dan ook veel vragen over geld en goederen welke onze voorouders in hun bezit zouden hebben gehad. Welnu, de vaststelling van stand en standing in economische begrippen van een bepaalde familie gebeurde bij het huwelijk en bij overlijden en is gemakkelijk af te lezen aan het bedrag van de Impost welke betaald moest worden bij datzelfde huwelijk of begrafenis.

Impost classificatie

Die Impost was een belasting, een soort leges en bestond uit vijf klassen. Klasse 1, de hoogste, was 30 gulden, klasse 2 was 15 gulden, klasse 3 was 6 gulden, in klasse 4 betaalde men 3 gulden en de laagste klasse 5 was gratis ofwel pro deo. Dit was op 15 november 1695 door de Staten van Holland en WestFriesland bij wet vastgesteld.

Pro Deo

De meeste inwoners van Lisse werden pro deo begraven en als men bedenkt dat een jaarinkomen van een ongeschoolde arbeider 220 gulden was, is dit niet zo vreemd. Het was het bestaansminimum in de jaren 1650-1700.
Daarbij komt dat men het ‘s zomers moest verdienen in de zonne-uren want ’s winters waren de dagen korter dus werd men minder betaald. Dit ging in op Sint Maartensdag de elfde van de elfde en duurde tot Sint Pietersdag, tweeëntwintig februari. Na 1700 stegen de lonen een heel klein beetje en verdiende men ’s zomers ca. 1 gulden per dag en ’s winters een kleine halve gulden. Kleine zelfstandigen zoals schoenmakers, kleermakers of spinnewielmakers leefden bij de gunst en gunning van de overige inwoners en kon men vaak straatarm noemen. Men nam er vaak baantjes bij waarvoor moest worden betaald, verkopers en uitslijters van sterke drank, zeep en zout of men pachtte een stukje land. Vaak was het afwachten of de investering werd terug verdiend en men leest regelmatig dat kleine neringdoenden failliet werden verklaard.

Conclusie

Ga er dus niet voetstoots van uit bij onderzoek, dat uw familie welvarend was, dan kan het nog altijd meevallen. U bent van harte welkom bij de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” iedere dinsdag van 10 tot 12 uur op Havendwarsstraat 4, dan kunnen we samen uw familieverleden bekijken.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XV: Zwerver Landman opnieuw in actie, 1847

Zwerver Landman komt in 1847 weer in de politierapprten voor. Hij schold zijn buurman uit en beloofde hem te vermoorden. Hij meende dat de buurman spullen van hem had gestolen.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Inleiding

We zijn er een tijdje tussen uit geweest, maar hier hervatten we weer de serie politierapporten!
Deze keer gaat het om een oude bekende: Jude Jacob Landman. Zoals de lezer zich misschien nog herinnert, was Landman aanvankelijk koopman van beroep en gehuwd met Schoontje Machielse de Brave.1 Rond 1830 wonen ze op huisnummer 110 aan de Heereweg. Het huwelijk botert niet goed en al gauw zet Landman zijn vrouw zonder pardon op straat, waarna zij gedwongen is door Lisse rond te zwerven. Ze brengt de nacht door op verschillende adressen. Ook Landman (‘What’s in a name’ zouden wij zeggen!) leidt al gauw een zwervend bestaan. Niemand wil hem echter in huis hebben, want hij had niet zo’n goede reputatie. En zo komt het dan dat een paar spelende kinderen in de middag van 13 november 1847 een lijk van een vrouwspersoon zien drijven in het water van de Gracht. Het blijkt te gaan om Schoontje de Brave, de echtgenote van Landman. Hoewel iedereen wist dat Landman de moord had gepleegd, kon men helaas geen steekhoudende bewijzen vinden. Hij vertrok daarop naar Leiden. In 1849 duikt hij op in Arnhem. Het armbestuur aldaar vraagt dan aan die van Lisse of ze hen willen ontheffen van de kosten van verstrekte kleding. Dat gaat niet zonder enig verzet, want de armenkas van de gemeente Lisse was niet bijzonder rijk gevuld. De burgemeester – J.C. van Rosse (18011875) – draait zich dan ook in alle mogelijke hoeken en gaten teneinde te voorkomen dat het Burgerlijk Armbestuur van Lisse voor de kosten van onderhoud moest opdraaien. En dat is het laatste dat we van Landman vernemen.
En is dit nu het hele verhaal van Jude Jacob Landman? Nee, want ergens in de papieren van de plaatselijke justitie bleek zich nog een politierapport te bevinden. Het is gedateerd 21 juli 1847, dus nog uit de tijd dat Landman een vast adres had en het koopmansberoep uitoefende.

Het gedeelte Heereweg waar zich het verhaal afspeelt, ook wel het Oosteinde genoemd. Het witgepleisterde huis geheel rechts werd in 1840 bewoond door Joseph Martinus Le Feber (later Lefeber), afkomstig uit Den Haag, van beroep broodbakker. Ter plaatse van het postkantoor even verderop bevond zich destijds een boerderij. Het is oorlog, want het bovenste deel van de lantaarnpaal links ontbreekt (vlgs. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I, Zaltbommel, zesde druk 1987, p. 15). Coll. auteur.

Even voorstellen…

In dit verhaal leggen de volgende personen een getuigenverklaring af: zo komen we allereerst Joseph van Diest (1786-1861), van beroep arbeider, tegen en zijn vrouw Trijntje (van Catharina) Coster (17861860). Hij woonde waarschijnlijk aan het gedeelte Heereweg dat in de bevolkingsregisters van die tijd staat aangeduid met de naam ‘Oosteinde’. Dit stukje Heereweg begon ter hoogte van de Stationsweg (‘De Steeg’) en liep door in de richting van Hillegom. Een andere getuige die naar voren treedt is Hendrik Willem Jelters, geboren te Haarlem en Rijkscommies van beroep. Waarschijnlijk was ook hij woonachtig in het ‘Oosteinde’. Guurtje Hovenier (overleden in de gemeente Haarlemmermeer in 1881), gehuwd met Pieter de Wals, arbeider van beroep, heeft ook een en ander gezien en gehoord. Zij woonde met haar man aan de huidige Kanaalstraat (in 1847 nog Broekweg genoemd), naast ’t Hofje. Ook de dienstmeid van Hendrik Josephus Huysmans, woonachtig op het buiten Rosendaal, genaamd Jansje van Opzeeland, was ter plaatse van het navolgende incident. Tenslotte legt de veldwachter, Petrus Johannes Wijting, ook een getuigenverklaring af.
De plek waar zich een en ander afspeelt, is waarschijnlijk het huidige Heereweg 172. In de volksmond staat deze woning bekend onder de naam ‘Bakkerij van Vaneveld’. In 1847 woonde hier echter de van Leeuwarden afkomstige koopman Eleazar Joseph de Vries. Hij woonde als zodanig in bij Petrus Hunnego, geboren te Delft omstreeks 1792, maar deze was na een paar jaar alweer vertrokken.2

Nog steeds bevinden we ons in het Oosteinde van Lisse. Geheel links de ‘bakkerij van Vaneveld’, tegenwoordig Heereweg 172, waar in 1847 koopman Eleazar de Vries woonde. Daarnaast zien we nog net de hekpalen van villa Rosendaal. Zie ook volgende afbeelding. Ansicht verstuurd in 1942. Coll. auteur.

Dief, afzetter, gauwdief!’

Eleazar Joseph de Vries en Jude Jacob Landman moeten elkaar goed gekend hebben: beiden waren koopman van beroep en deden dus waarschijnlijk zaken met elkaar, en bovendien waren ze allebei van Joodse afkomst. Op een gegeven ogenblik had Landman een aantal goederen gekocht, die hij voorlopig onderbracht bij collega De Vries. Hij dacht hem te kunnen vertrouwen, maar toen Landman zijn spullen weer kwam ophalen, wilde De Vries ze niet teruggeven! Daar moest je natuurlijk bij zo iemand als Landman niet mee aankomen! We lezen in de verklaring van De Vries dat van hem ‘gewelddadig waren weggenomen de navolgende goederen als 6 sloopen, 6 servetten, 3 kolfballen, 1 wollen deken, 2 ivoren ballen, 1 Bijbel, een vrouwerok.’ Bovendien schold Landman hem uit voor ‘dief, afzetter, gaauwdief, bankroetier, terwijl hij hem tevens gezegd heeft hem te zullen vermoorden. Dat hij zijn sergeant majoor vermoord had en hem zulks ook zoude doen. Dat het mes voor hem klaar lag’. Kennelijk had Jude Jacob, voordat hij in november 1847 zijn vrouw om het leven bracht, in de tijd dat hij diende in het leger, al eerder een moord begaan: zijn sergeant-majoor was het slachtoffer van de driftbuien van Landman. Geen wonder dus dat de angst bij zijn bedreigde collega er goed in zat! We lezen tenslotte: ‘Van welke daadzaken hij als getuigen opgeeft Vrouw Van Diest, vrouw De Wals, Jansje Opzeeland, de meid van dhr. Huysmans, de veldwachter Wijting’.

Gelijkluidende verklaringen

Men besluit alle getuigen te verhoren. Zo verklaart Trijntje Coster, echtgenote van Joseph van Diest, ‘gemelde Landman over de onderdeur 3 van gemelde De Vries te hebben zien heen stappen, daarna denzelven ontgrendelen en daaruit zien komen met een Bijbel met 2 of drie ballen en daarna nog met een arm met (linnen)goed en dat hij hem heeft uit horen schelden voor bankroetier en dat hij f 180 van hem moest hebben’.
Vervolgens zijn Guurtje Hovenier, huisvrouw P. de Wals, en de dienstmeid van de heer Huysmans op Rosendaal, Jansje van Opzeeland, aan de beurt om hun versie van het gebeurde mede te delen. Het volgt nagenoeg het getuigenis van De Vries.
‘Nog compareerde als boven Petrus Johannes Wijting, veldwachter te Lisse, verklarende dat hij door De Vries tot adsistentie in deszelfs huis is geroepen, waarin hij gevonden heeft gem. J.J. Landman gem. De Vries uit scheldende voor dief en afzetter. Hebbende hij hem geen (linnen)goed zien uitbrengen, maar belet om eenige daarliggende gordijnen weg te nemen. Welke verklaring na voorlezing is ondertekend’.

Villa Rosendaal, waar volgens de getuigenverklaringen in 1847 H.J. Huysmans woonde. Hij had het huis in 1844 gekocht van burgemeester Van den Bergh. Coll. auteur.

En wat heeft Landman daarop te zeggen…

Landman kon niet anders dan te bevestigen dat het zo inderdaad was gegaan: de verklaringen waren redelijk gelijkluidend en er waren maar liefst zes getuigen. Hij voegde er echter aan toe ‘dat hij de goederen had weggenomen, omdat die goederen van hem waren en hij daarvan de bewijzen heeft. Gevraagd welke die bewijzen waren, is door hem geantwoord dezelve te bestaan in nota’s of rekeningen van publieke verkoopingen die hij De Vries als kameraad te bewaren had gegeven, welke nota’s of briefjes door De Vries geweigerd zijn terug te geven’.

Conclusie

Het is niet duidelijk of Landman na deze verklaring vrijelijk over zijn gekochte artikelen kon beschikken, noch of hij de f 180,- heeft teruggekregen van De Vries. Maar om hem daarvoor uit te schelden voor ‘dief, afzetter, gauwdief en bankroetier’ en hem bovendien ook nog eens mede te delen ‘dat het mes voor hem klaar lag’, ging toch weer al te ver! Deze keer vielen er geen dodelijke slachtoffers te betreuren. Enige maanden later echter zou het anders lopen: toen benam hij zijn echtgenote van het leven. Nee, met Jude Jacob Landman viel niet te spotten!

Noten

1 Zie Nieuwsblad VOL, jaargangen VIII, nummer 3 (juli 2009) en X, nummer 4 (oktober 2011).

2 Dit was vaker zo met belastingbeambten, zoals hij genoemd wordt in de bevolkingsregisters (letterlijk ‘Rijks Commies’). Na een bepaalde tijd werden ze weer overgeplaatst naar een andere locatie, zodat het mogelijk was dat het verblijf in een bepaalde plaats maar van zeer korte duur was.

3 De voordeuren van de meeste huizen in deze tijd bestonden uit twee helften: een onderdeur en een bovendeur. Het kan dus goed zijn dat Landman gewoon over de onderdeur heen kon stappen, omdat de bovendeur geopend was.

Bronnen

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115. GA Lisse, bevolkingsregisters GA Lisse, doop-, trouw- en overlijdensregisters.

 

 

 

 

Gerrit van der Meij, een ongekend talent uit Lisse

De blinde Gerrit van der Meij was wis- en natuurkundige. Op 36 jarig leeftijd werd hij ook nog doof. Hij construeerde daarna de electische braillemachine.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

“Alles wat men met wit krijt alleen niet duidelijk kan maken kan ook met gekleurd krijt niet duidelijk gemaakt worden” 1)
Gerrit van der Meij, zoon van de bekende bloemist in Lisse, Johannes van der Meij en Elisabeth Sophia Francina Servaas, werd geboren op 5 januari 1914 in datzelfde Lisse. Door een open verbinding tussen buitenoor en middenoor, kreeg het ventje op vier en een half jarige leeftijd meningitis. Dit had desastreuze gevolgen voor de kleine Gerrit, want totale blindheid was het gevolg. Tegen een collega en vriend, Willem van der Poel, van wie Gerrit 27 jaar lang een van de medewerkers is geweest, heeft Gerrit later wel eens verteld dat hij nog herinnering had aan statische beelden van de zichtbare wereld, zoals rode daken of zeiltjes op de Kaag. Zijn lagere schoolopleiding kreeg hij op een Nederlandse blindenschool, maar de middelbare school volgde hij vanaf 1931 aan de Blindenstudienanstalt in Marburg, Duitsland. Hij had een ongekend talent voor wiskunde, welke onderkend werd door zijn leraar wiskunde, Friedrich Mittelsten Scheid en met deze leraar heeft Gerrit zijn leven lang contact gehouden. In 1936 kwam hij terug in Nederland en ging wis- en natuurkunde studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. De Duitse bezetter sloot deze in 1941 en Gerrit week uit naar de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij studeerde met lof af bij de professoren Koksma en Haantjes. Maar in januari 1945 sloeg het noodlot opnieuw toe, weer werd hij getroffen door meningitis. De medische wetenschap was nog niet zover dat de open verbinding met het middenoor effectief kon worden gerepareerd, en penicilline was nog niet beschikbaar. Er was eigenlijk niks in het hongerige uitgemergelde Holland. Deze keer verloor hij het totale gehoorvermogen en daarmee ook het evenwichtsgevoel. Het kostte hem een flinke tijd om op spiergevoel in de voeten te leren lopen. Na veel oefenen slaagde hij erin om weer zelfstandig met zijn geleidehond overal te komen. In die tijd hebben zijn ouders veel voor hem gedaan.

Met dit simpele apparaat konden zijn ouders met Gerrit van der Meij “praten”. Met de 6 toetsen konden de brailleletters gevormd worden

Zo ontstond in die tijd het brailledoosje, een zeer klein apparaatje met zes toetsen die direct de pennetjes in de vorm van een brailleletter omhoog brachten. Voor intimi is dit in de eerste tijd het middel bij uitstek geweest om met hem te praten. Uit Marburg kende hij ook het Lorm alfabet, een systeem van tekens met tikjes en streekjes op de vingers, dat vooral in Oostenrijk en Duitsland in gebruik is geweest voor doofblinden. Met Lorm was het mogelijk om zonder mechanische hulpmiddelen met hem te praten, althans voor intimi. Naast het leren lopen pakte hij ook zijn promotiestudie wiskunde weer op en nauwelijks een jaar later promoveerde hij in Leiden bij professor Van der Woude op het proefschrift “De resultant in de theorie der algebraïsche krommen”. Een proefschrift met meetkundige inslag mag voor een blinde bepaald opmerkelijk heten. Het was onduidelijk wat het leven hem na de promotie zou brengen. Op het Centraal Laboratorium van de P.T.T. construeerde men een eerste elektrische braillemachine, waarop een blinde steeds een ingetikte letter kon voelen. Om op eenzelfde plaats steeds een andere letter te voelen vergt natuurlijk oefening, maar zo kon Gerrit in ieder geval weer met iedereen “praten”.

Ondertussen waren studiegenoten van Gerrit gaan werken bij het Centrale Laboratorium der PTT in Leidschendam, later het dr. Neher Lab geheten en zij werkten aan het ontwikkelen van een elektronische rekenmachine. Zij polsten Gerrit of hij mee kon werken aan het progammeren van computers, welke toen overigens nog gewoon rekenmachines heetten. Het voordeel van het vak programmeren was dat het nog niet bestond, alles moest van de grond worden opgebouwd. Er was geen literatuur om te raadplagen. Men had bedacht dat al deze dingen een enorm voordeel zouden zijn voor een blinde welke ook nog doof was. Gerrit heeft zich van begin af aan met grote ijver gestort op het programmeren van de PTERA, de eerste volledig elektronische machine in Nederland. Voor deze machine, in bedrijf van 1953 tot 1958, moesten de eerste programma’s geschreven worden voor het gebruik van drijvende komma, met conversie van decimaal naar binair drijvende komma. Dat was hoofdzakelijk het werk van Gerrit. De Mathematische Afdeling van het lab gebruikte zijn programmeerwerk voor toepassingen als kabelberekeningen, filters voor multipele draaggolf verbindingen, en hemelmechanica. Een ieder had het klamme zweet gekregen maar Gerrit schreef de programma’s en meestal in één keer foutloos. Op het Lab bouwde men voor Gerrit een braille telefoon, de zes puntjes over zes verschillende frequenties over een gewone telefoonlijn. Alle techniek hiervoor had men immers in huis. De meester instrumentmaker van het lab, de heer Hellendoorn, bouwde een mechanische typemachine om tot een brailletypemachine en nu kon Gerrit met iedereen praten. In 1957 was het nieuws van de door het Lab ontwikkelde brailleapparaten ook doorgedrongen in Amerika en Gerrit, zijn vrouw Suzanne Melgerd en collega Willem van der Poel werden door de Helen Keller Stichting uitgenodigd voor hun eerste wereldconferentie.

Een merkwaardig verschijnsel trad op toen de boot naar Amerika twee dagen in zwaar weer terecht kwam. Het was voor Gerrit onmogelijk te lopen op het deinende schip zonder stevige begeleiding. Zijn nieuwe lopen berustte immers op het voeten gevoel en niet op het evenwichtsorgaan, dat liet hem volledig in de steek. Een voordeel hierbij was dat hij dus ook niet zeeziek kon worden. Zeven weken lang trokken zij langs allerlei instituten waar Gerrit voordrachten gaf.

Gerrit 3e van rechts met uit beeld zijn vrouw Suus in the Oval Office

Een van de hoogtepunten van deze reis was een bezoek aan president Eisenhouwer op het Witte Huis met de groep in de Oval Office.
Zijn verdere werkzame leven heeft Gerrit veel betekend voor de in de kinderschoenen staande toenmalige computers en hun programmeertalen, waaronder het gecompliceerde ALGOL 68. Na zijn pensionering heeft Gerrit het informaticavak los gelaten en alles opgeruimd. Samen met professor Ritsma, hoogleraar oorheelkunde in Groningen, heeft hij zijn ideeën, over wat hij noemde het oergehoor, verder ontwikkeld. In 1982 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau waarover hij zei: ”ik zie de ridderorde als een postuum eerbetoon aan mijn ouders en als blijk van waardering voor mijn vrouw, kinderen en mijn vrienden. Zonder hen had ik niet het leven kunnen leiden, wat ik nu leid.” In 1983 overleed onverwachts zijn vrouw Suus op 58 jarige leeftijd. Zij was altijd zijn steun en toeverlaat geweest. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door op Kalorama, in Beek bij Nijmegen, in het centrum voor doofblinden.

Gerrit van der Meij moest met zijn dubbele handicap natuurlijk volledig op zijn geleidehond kunnen vertrouwen. De hechte band straalt van de foto af. Op de achtergrond kijkt zijn moeder toe

In november 2002 overleed Gerrit, een briljant Lissenaar en markant mens. Hij had al lang van tevoren bepaald dat hij zijn lichaam aan de wetenschap ter beschikking wilde stellen en zo gebeurde het dat hij zelfs na zijn dood nog dienstbaar was aan de wetenschap.

Bronvermelding:

Poel, W. van der , ”Met Drieënzestig Symbolen”,

Nieuw Archief voor Wiskunde Unsung heroes in Dutch computing history

Noot 1. Deze stelling is van W. van der Poel, destijds hoogleraar zuivere en toegepaste wiskunde aan de Technische Hogeschool in Delft.(TH). Van der Poel werkte nauw samen met Gerrit van der Meij. Op zijn vakgebied zag hij dat wiskundigen graag hun toevlucht nemen tot vele letterfonts waaronder Grieks en Hebreeuws en dan nog met superscripts, subscripts, underliningen etcetera. Gerrit van der Meij deed zijn wetenschappelijke werk met slechts 63 tekens, de tekens van het brailleschrift!

Naschrift

Naar aanleiding van dit artikel kwam de redactie recent in contact met Machteld van der Meij, één van de dochters van Gerrit van der Meij. Gerrit van der Meij heeft zijn hele leven veel gecorrespondeerd. Er is nog veel van bewaard gebleven. Daar komt Lisse natuurlijk ook in voor. Oud Lisse mag het archief inzien. Waarschijnlijk zal dat aanleiding zijn voor een artikel in een volgend Nieuwsblad.
Mevrouw van der Meij schreef ons al iets over het bezoek aan Eisenhouwer. Zij schreef: “Daarover koesteren wij in de familie een prachtig verhaal. Eisenhouwer typte op dit machientje (zie foto boven) zijn roepnaam IKE. Mijn vader kende die roepnaam niet en begreep niet direct met wie hij sprak. In alle consternatie en waarschijnlijk ook wel een beetje door de zenuwen viel het machientje van tafel en liep een grote deuk op. Daarna was de spreektijd al grotendeels voorbij. Die deuk, daar zijn we natuurlijk toch wel trots op en heet bij ons de Eisenhouwerdeuk. Mijn zus heeft het typemachientje-met-deuk nu. Toen haar zoontje nog jong was, heeft hij het machientje een keer vol trots op school laten zien. “

Het predikantenbord

In het portaal van de grote kerk hangt een bord met de namen van alle predikanten. De geschiedenis van de eerste predikant wordt beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Wie in het portaal van de grote kerk aan het Vierkant het predikantenbord wel eens heeft bestudeerd, zit gelijk met een vraag. Was het de eerste predikant die op het bord vermeld staat? Of waren er daarvoor al predikanten geweest? De reformatie was al even geleden. Het gebeurde in die tijd dat de pastoor met een gedeelte van zijn parochie overging naar de nieuwe leer en daar dominee werd. Bij onderzoek in de Betuwe werd de pastoor van Valburg afgezet, daer hij niet regt in de leer was, hij vertrok naar Dordrecht waar hij zich aansloot bij de Jansenisten, de Oudkatholieke kerk. Uit rancune nam hij de doop-, trouw- en begrafenisboeken mee die tot groot verdriet van stamboomonderzoekers nergens meer te vinden zijn. Was de eerste dominee soms ook pastoor geweest? De eerste predikanten namen wel Latijnse namen aan. Uit gewoonte of toch voor meer status? Zo ook de eerste predikant in Lisse die vermeld staat als Johannes Cornelii. Hij stond in Lisse van 1594 tot 1597. Waarschijnlijk heeft niemand hem bij zijn echte naam gekend. Zijn volledige naam was Johannes Cornelisz. van der Schelling, en ja, hij was getrouwd met Meinsje Ockersdochter. Was dus geen priester geweest. Veel meer weten we niet van hem. In 1590 was hij al dienaer des H.Evangelyums en solliciteerde hij naar Lisse. De ambachtsheer moest daarvoor zijn toestemming geven en zijn handtekening zetten. Als hij je niet zag zitten kon je het vergeten, zijn wil was wet. Waarom hij jaren later pas kwam kunnen we met wat onderzoek achterhalen. De kerk was in 1572/74 uitgebrand en de restauratie duurde lang nadat het in de streek weer rustig was en er geen muitende soldaten rondtrokken en plunderden. In 1592/94 was het dak weer op de kerk en kwam de eerste dominee die hiervoor in Noordwijkerhout had gestaan van 1581 tot 1594. Op het predikantenbord staat een kruisje achter zijn naam. Hij zal in het jaar 1597 in Lisse zijn overleden en begraven. Volgens onderzoek van Hulkenberg is er van de pastoors niets meer vernomen en werden de eerste kerkdiensten in het pastoorshuis gehouden aan de gracht, later bekend als “het grachtenhuisje”. Bij de tweede predikant, die al woonde op de plek van ” de oude pastorie”, het pand waar tandarts Hoek woonde op Grachtweg 2, kwam het tot een proces met de toenmalige bewoners over teveel inkijk in zijn tuin. De boomgaard van de dominee grensde aan het pastoorshuis. Zijn eis om de ramen dicht te metselen om het gluren tegen te gaan werd verloren. Wat een simpele vermelding op een predikantenbord al niet teweeg kan brengen, dat er vijf eeuwen later nog onderzoek naar gedaan wordt.

Het predikantenbord vanaf 1594 in de grote kerk

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker

Opschriften door bollenarbeiders op Oud Zandvliet

Op een wand en op de zolder van de bollenschuur van boerderij Oud Zandvliet, Westelijke Randweg 2, zijn vele teksten van arbeiders gevonden. De foto’s geven een goede impressie.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘ Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen’

Inleiding

Het gebeurde vroeger nog weleens: het aanbrengen van allerlei opschriften op wanden, balken etc. Soms betrof het een aardig rijmpje. Een andere keer voelde men de behoefte bepaalde gebeurtenissen te vermelden. Weer een andere categorie bestaat uit namen van timmerlui die net een verbouwing hadden uitgevoerd en dat op de een of andere manier wilden vastleggen. In Lisse zijn er van alle categorieën wel voorbeelden te vinden. In dit artikel wil ik u bekend maken met teksten die ik, samen met F.W. van de Veen, in 2007 aantrof op Oud Zandvliet, tegenwoordig Westelijke Omleidingsweg 2. De foto’s van de opschriften die in dit artikel staan weergegeven, zijn van laatstgenoemde, waarvoor mijn dank. Ik wil ook de vorige eigenaar van de woning Oud Zandvliet dank zeggen voor het verlenen van zijn toestemming voor het fotograferen en publiceren van de teksten

De voormalige boerderij Oud Zandvliet in 2015. Foto Nico Groen

Locatie en geschiedenis

Oud Zandvliet bevindt zich aan de noordzijde van Lisse aan de Westelijke Omleidingsweg, niet ver verwijderd van de Bloemententoonstelling Keukenhof. Reeds in 1544 bevond zich hier een boerenwoning. Later werd hier een wat fraaier en ruimer huis tegenaan gebouwd, zodat de eigenaar van Zandvliet zich hier in de zomermaanden kon terugtrekken. In 1797 werd het buiten gesloopt, zoals dat met meer ‘hofsteden’ gebeurde in deze tijd (de Franse Tijd). Alleen de aloude boerderij bleef bestaan. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw was deze in handen van Coenraad Jacob Temminck, die ook het nabijgelegen Wildlust bezat. Na zijn overlijden in 1858 erfde zijn zoon Marinus het bezit, waardoor vanaf die tijd de boerenwoning in de Lissese volksmond ook wel ‘Marinus’ werd genoemd. In 1869 werd ‘Marinus’ aangekocht door de eigenares van Keukenhof, mevrouw Van Pallandt-Steengracht. In de boerderij woonde toen al heel lang de familie Van Graven. In 1892 vertrokken ze naar boerderij Middelburg. Al het land rondom de boerderij werd nu bollenland. Op de voormalige boerderij kwamen nu de landbazen van de nabijgelegen firma Gebr. Driehuizen te wonen, zoals Belder, De Kooker en Hein Evers. In 1925 kwam Piet Wassenaar naar Zandvliet vanaf de Stationsweg. We komen zijn naam tegen op één van de houten wanden van de bollenschuur (zie verderop in dit artikel). De Wassenaars hebben tot 1953 op Zandvliet gewoond. Daarna treffen we hier de familie Beelen aan, die het recentelijk verkocht aan de Bloemententoonstelling Keukenhof.

Over een houten wand in een bollenschuur (en wat erop te zien is…)

Ook op Oud Zandvliet hebben diverse bollenarbeiders in de loop der jaren allerlei teksten achtergelaten op een houten wand en op de bollenstellingen op de zolder van de schuur. De houten wand is hierbij het meest in het oog springende element, vanwege de vele opschriften. Deze laten we hier dan ook eerst aan bod komen.

‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’

De meeste opschriften dateren uit de jaren twintig en dertig. Ze maken soms gewag van bepaalde gebeurtenissen in die tijd. Zo schrijft een onbekende op 7 januari 1926: ‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’.

Een ander opschrift maakt melding van de ‘harddraverij tot Lisse’ op 1 oktober 1934. Er staat bij vermeldt: ‘Pracht weder’ (Prachtig weer).

In 1939 hangt er oorlog in de lucht. Duitsland valt in dat jaar Polen binnen en Engeland en Frankrijk verklaren daarop de oorlog. We lezen:
‘Mobilisatie. Engeland en Frankrijk verklaren den oorlog aan Duitsland’.

Een veel recenter opschrift, gedateerd 2 juni 1982, luidt:
‘Thijs bestelt 20 staalmatten te veel’.

Op 22 juli 1986 is er iemand ‘op z’n smoel’ gegaan ‘bij blote bertus’. Ook daar lezen we over.

Een andere categorie opschriften betreft allerlei bedrijfsgebonden activiteiten. Zo schrijft een onbekende:
‘1 November 1922 waren den laatsten bollen den schuur uit’.
Daaronder staat een slecht leesbare handtekening. Hij gaat verder: Pride of Haarlem [en] Bismarck waren de laasten’.

Op 11 september 1925 is men ‘begonnen met bollen klaarmaken voor de Planterij’. Eronder lezen we onder meer de naam van G. v. Meijgaarden. Helaas hebben we niet kunnen achterhalen wie deze persoon was.

Op 28 november van hetzelfde jaar zijn ‘de laaste bollen uit de schuur’ gegaan.

De volgende twee opschriften dateren uit 1939. Tenminste, als we het juist interpreteren:
‘Donderdag 20 October: schoffelen’.
Daaronder opnieuw een onleesbare naam. De betreffende persoon is echter zo vriendelijk om te vermelden dat hij ‘17 jaar oud’ is en geboren is op ‘2 mei 1922 te Lisse’.

Soms staan er alleen namen vermeld, zonder dat deze worden gekoppeld aan bepaalde gebeurtenissen.

Op ‘St. Franciskus’, dus 4 oktober, hebben de volgende personen hun namen vastgelegd voor het nageslacht:

‘A. Groen A. Grimbergen D. Evers G. Spaargaren’.
A. Grimbergen is mogelijk identiek aan Adrianus Grimbergen, die tussen 1910 en 1920 aan de Meer en Houtstraat woonde. Hij was geboren in 1888 en huwde in 1913 met Joanna van Opzeeland. Was D. Evers familie van Hein, die als landbaas op Zandvliet woonde in dienst van Gebr. Driehuizen (zie hiervoor)? En is G. Spaargaren identiek met een Gijsbertus Spaargaren die tussen 1900 en 1910 woonachtig was in ’t Hofje aan de Kanaalstraat?

Andere namen die we tegenkomen zijn onder meer een zekere J. Veldhoven en H. van Drunen. Met betrekking tot hen hebben we geen nadere gegevens kunnen vinden.

Wanneer de navolgende persoon nu precies geboren is, wordt uit de tekst niet geheel duidelijk: ‘L. v.d. Berg Lisserweg (huisnr. onleesbaar) oud 13 jaar geb. te Leiden 4 Juli 1934’.Heeft de betreffende persoon ondertekend met de op dat moment geldende datum (4 juli 1934) of is hij toen geboren?

Met het opschrift ‘P. Wassenaar’ lijkt de in de inleiding genoemde Piet Wassenaar, die zich op Zandvliet vestigde in 1925, te worden bedoeld. Vooral ook omdat er een (slecht leesbaar weliswaar) adres bij vermeld staat: Heereweg 26. Dit moet Zandvliet zijn geweest, daar nummer 28 de nabijgelegen villa Somalo betrof.

Het laatste opschrift op de houten wand dat we hier vermelden is een rijmpje, dat de landbaas van de firma Gebr. Driehuizen waarschijnlijk niet mocht zien:
‘Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen. Nu sta ik voor het open front te roepen aan mijn blote kondt’. Maakte de houten wand waarop dit gedichtje staat, oorspronkelijk deel uit van een toilet voor de arbeiders op Oud Zandvliet? Het heeft er alle schijn van…

Over houten planken op een zolder (en wat ze ons te vertellen hebben…)

Ansicht van de winkel van Van der Geest aan de Heereweg, verstuurd door ‘ P. Maat’, ca. 1905. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 13.

De activiteiten van het bollenbedrijf op Zandvliet strekten zich uit tot op de zolder van de bollenschuur. Ook daar hebben de harde werkers van zich doen spreken in de vorm van allerlei namen op de houten stellingen waarin de bloembollen bewaard werden. Ze zijn iets vroeger gedateerd dan de opschriften op de houten wand. Zo heeft een zekere ‘P. Maat’ (of is het ‘Maas’?) op 3 januari 1917 zijn naam geplaatst op één van de stellingen. Als het ‘Maat’ betreft (dus met een ‘t’) dan gaat het mogelijk om Piet Maat die omstreeks 1897 werd geboren. Zijn naam komt voor op een ansicht uit omstreeks 1900-1905. Ook ontmoeten we hem op een klassenfoto uit ca. 1905/06, genomen bij de ‘School van Meester Kingma’, oftewel de Openbare School tegenover de Grote Kerk. Tenslotte ontmoeten we hem ook nog op een foto van het personeel van Gebr. Driehuizen uit 1929, wat weer heel goed kan kloppen met de aanwezigheid van zijn naam op de zolder van Oud Zandvliet, daar veel personeel van Driehuizen daar werkte (zoals we reeds vermeldden). Ook hier op de zolder van de bollenschuur komen we weer oude bekenden tegen, zoals G. van Meijgaarden. Hij heeft samen met W. v. Blitterswijk op 25 oktober 1924 zijn naam aangebracht op één van de bloembollenstellingen.
Een aantal arbeiders zijn ook bezig geweest met ‘snotzoeken’2, zoals een zekere M. Kuyper (augustus 1919) en E.H. v.d. Snoek (6 augustus 1926).
Helaas geen leuke rijmpjes hier, zoals we op de begane grond van de bollenschuur aantroffen…

Foto van de eerste klas van de Openbare School uit 1905/06. Op de tweede rij van bovenaf, geheel links, zien we P. Maat (hij trekt een beetje een raar gezicht). Uit: A.M. Hulkenberg, Kent u ze nog…de Lissers (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 45.

 

Besluit

Allemaal namen uit het verleden. Allemaal hebben ze iets van henzelf achtergelaten; zeker op het vermeende toilet op de begane grond van de schuur… (Excuses voor de wat dubbele lading van deze uitspraak). Doorheen al die opschriften krijgen we toch een beeld van wat zo’n bollenarbeider nu zoal bezighield. Het zou wat dat betreft een interessant idee zijn indien met name de houten wand op de één of andere wijze voor het nageslacht behouden kan blijven. Kan er wellicht een plekje voor worden vrijgemaakt in Museum De Zwarte Tulp?
We hebben niet van alle arbeiders gegevens beschikbaar, zoals overduidelijk blijkt uit dit stuk. Misschien dat er bij de lezer van dit artikel nog iets te binnen schiet. Indien dat zo is, kunt u reageren via de redactie van dit nieuwsblad. Alvast hartelijk dank!
2 Snot is een bacterie die de bol aantast. Met behulp van een metalen koker werd de zieke bol verwijderd.

Naschrift.

De foto’s van de plankjes werden in 2007 gemaakt door F.W. van de Veen
In het Nieuwsblad van juli 2015 vertelde Laura Bemelman over de vondst van “Een plankje van honderd jaar geleden”. Ook al met ontboezemingen van personen gemaakt op hun werk. Het vermoeden bestaat dat er wel vaker door timmerlieden of, zoals in bovenstaand artikel, door bollenwerkers of anderen mededelingen werden vastgelegd. Hebt u daar een voorbeeld van, laat het ons weten!

Café ’t Haantje/De Haan omstreeks 1905/12

Cafe ’t Haantje of De Haan stond tegenover Heereweg 234. een ansigtkaart wordt getoond.In 1995 vstigde het Lisser Spijshuis zich hier.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding

Ansichtkaart van café De Haan, verstuurd in 1912. Coll. Ph. van Hoven.

Wie zich verdiept in het aantal drinkgelegenheden dat Lisse ooit heeft gekend, zal waarschijnlijk stijl achterover slaan. Het zijn er gewoon teveel om op te noemen. Een en ander was mogelijk het gevolg van het weinig florissante bestaan van de gewone man, waardoor men al gauw naar de drank greep. (Met alle gevolgen van dien… Zie de reeks politierapporten in vorige afleveringen van dit nieuwsblad). Het is echter niet zo dat er dus ook wel veel afbeeldingen van al die cafés zijn. Integendeel zelfs. Vandaar dat de recente vondst van een ansicht van café ’t Haantje (teg. Heereweg 234) het verdient om even in de schijnwerpers geplaatst te worden. Ik wil mijn dank betuigen aan Ph. van Hoven voor het mogen publiceren van deze kaart in het VOL-nieuwsblad.

Beschrijving van de ansicht

Het betreffende café heeft niet altijd ’t Haantje geheten. In de rechtermarge van de ansichtkaart lezen we althans over ‘café biljard De Haan’. We zien diezelfde haan terugkomen in het bovenlicht van de toegang tot het café. Daaronder op één van de deuren staat de naam van de uitbater van De Haan vermeld: C.L. Ruigrok van de Werve (1876-1914). De voorletters staan waarschijnlijk voor Casparus Leonardus. Door hem is de kaart vermoedelijk ook uitgegeven (in een zeer kleine oplage). We lezen verder op deze wel zeer boeiende deur het woord: ‘telefoon’. Het eigenlijke nummer stond waarschijnlijk op de andere deur, maar daar staat op het moment van opname een vrouw in het portiek: de echtgenote van C.L. Ruigrok, Joanna Catharina Damen (geb. in 1873) genaamd? De voorgevel van het café doet ons denken aan het einde van de negentiende eeuw. Ook de indeling van de ramen op de begane grond roept dezelfde gedachten op. De ramen op de bovenverdieping doen ons aan deuren denken, maar wellicht was dat ooit gebruikelijk. Aan de rechterzijde passeert zojuist een man met paard en wagen. We zien echter ook heel wat fietsen, die allemaal een plaatsje konden krijgen in een ‘Bergplaats voor Rijwielen’, zoals vermeld staat boven de toegang tot het steegje aan de linkerzijde.
Enige historische gegevens Zoals vermeld lijkt de voorgevel van De Haan te dateren uit de negentiende eeuw. Inderdaad vernemen we dat in 1892 het huis met een verdieping werd opgehoogd. Het lijkt aannemelijk dat toen het uiterlijk van het café zoals we dat op de ansichtkaart zien, tot stand kwam. Het is echter goed mogelijk dat de oorspronkelijke bebouwing hierachter schuil ging. De naam Ruigrok van de Werve komen we in de archieven reeds in 1883 tegen. Johannes Theodorus (1840-1918) koopt dan het huis (dat dus een verdieping lager was als tegenwoordig) en gaat er met zijn zoon, Casparus Leonardus, in wonen. Het is onduidelijk of hier toen al een uitspanning gevestigd was. Tot in 1955 komen we hier de familie Ruigrok van de Werve tegen. In laatstgenoemd jaar is er een nieuwe eigenaar: Pieter Geerlings. Er is dan ter plaatse sprake van een café met automatiek, wat ook onder de nieuwe eigenaar, Bernard de Vries, zo blijft (tot ca. 1964). Daarna is hier een restaurant gevestigd geweest met een heuse feestzaal onder M.G. de Vries en J.A. van Zuthem. In 1979 vestigt zich hier Zeeman Textiel, maar in 1986 is er weer sprake van een restaurant: Le Coq d’Or. Het Lisser Spijshuis vestigt zich op deze plek in 1995, gevolgd door Kookstudio Bon Chef. Tegenwoordig treffen we hier ‘Nexxt 1’ aan.

Besluit

Suikerzakje van café/automatiek ’t Haantje, ca. 1955-1964. Coll. Rob Pex

Er zullen wel meer ansichtkaarten gemaakt zijn van drinkgelegenheden in Lisse, doch in een zeer kleine oplage. Daardoor treffen we ze ook zelden aan. Een mooie vondst dus, deze ansicht. Het zal de lezer opgevallen zijn dat bij de bespreking van de afbeelding van De Haan we bijna geen namen noemden van de personen die we erop tegenkwamen. Indien u dus wellicht één of meerdere namen te binnen schiet, zijn we als redactie zeer geïnteresseerd!

Bronvermelding

Van Diemen, De Ridder en Wassenaar, ‘Lisse, parochianen van St. Agatha, 1813-1903’, in: Reeks Genealogische bronnen van de dorpen rondom Leiden X (z.p. 2007). – E. Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven 2007). – www.beeldbanklisse.nl Er is gebruik gemaakt van de ‘

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

EEN FOTO VAN ’T HUYS DEVER UIT 1847 Stand van het lopende onderzoek

Er is een melding van een genomen foto van Dever met voorhuis in 1847. De foto zelf is nog niet te vinden. Wie weet daar iets van?

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding

In de periode uit de geschiedenis van Dever dat het Huys in verval stond (ca. 1780-1857) is er een keur aan schetsen, prenten en schilderijen vervaardigd. Dever dat temidden van een bloeiende natuur zijn einde tegemoet ging, raakte de romantische ziel van die tijd. Schetsen, prenten en zelfs schilderijen dus, maar…geen enkele foto? Vreemd zou dat niet zijn, omdat de fotografie nog maar van 1839 dateert. Toch kreeg het vervallen Dever in 1847 bezoek van een fotograaf. Dat weten we omdat er melding van wordt gemaakt in een brief die de bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen in 1953 richtte aan J.W.A. Lefeber (1890-1973), bloemist en wethouder, woonachtig op villa Riesenbeck. De brief kwam te voorschijn tijdens mijn inventarisatiewerkzaamheden aan het archief van de stichting Vrienden van ’t Huys Dever.1 In dit artikel wil ik u op de hoogte brengen van de voorlopige stand van het onderzoek naar deze toch wel heel bijzondere foto.

Portret van Reinier Pieter van den Bosch (1835-1900), RKD (Coll. Iconografisch Bureau), Den Haag.

De brief

In 1953 was er nog niet zoveel bekend over de historie van ’t Huys Dever. Hulkenberg begon pas met het onderzoek daarnaar in de jaren zestig. De bovengenoemde heer Lefeber wilde er wat meer over te weten komen. Met name over de verschillende beleningen en over de stamboom van het geslacht Dever. Hij richtte zich tot de destijds bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen. Janssen ging voor hem op zoek. De resultaten deelde hij mede in een uitvoerige brief. Veel van wat hij daarin mededeelt, is ons nu wel bekend. Maar aan het einde van de brief schrijft hij: ‘Foto van ’t Huys Dever van R.P. van den Bosch te ’s-Gravenhage, 1847’. Deze foto had Janssen kennelijk tijdens zijn onderzoek aangetroffen. Het bevond zich echter niet bij de brieven die Janssen heeft geschreven en die later in het archief van de Vriendenstichting terecht zijn gekomen. Op dit moment is de foto nog niet te voorschijn gekomen. Wél is er een en ander te zeggen over de maker ervan: R.P. van den Bosch.

R.P. van den Bosch (1835-1900)

Reinier Pieter van den Bosch was in 1835 te Rotterdam geboren als zoon van Jacobus Herman (1792-1863) en Aletta Suzanna Elisabeth van de Kasteele (1797-1850).2 Vader Jacobus was Rijksontvanger te Overschie. Zoon Reinier bekleedde het ambt van hoofdcommies van het Departement van Koloniën. Vanuit die functie moet hij geïnteresseerd zijn geraakt in het koloniale verleden van Nederland. Hij liet althans in 1894 een publicatie het licht zien over de Kaap de Goede Hoop tijdens het Nederlandse bewind (1652-1806). Ook zijn genealogische belangstelling was opvallend. Zo komen we hem tegen als bestuurslid van het genealogisch heraldiek genootschap De Nederlandsche Leeuw. Met name in het maandblad van dit genootschap publiceerde hij een aantal artikelen. Na zijn overlijden in 1900 verscheen postuum het boek ‘Neêrlands verleden uit steen en beeld. Gedenkteekenen en grafgestichten uit den vroegeren en lateren tijd’ (Schiedam, 1901). Het boek bevat onder meer een beschrijving van het graf van Willem Adriaen van der Stel en zijn echtgenote Maria de Haase in de Grote Kerk te Lisse.

Huys Dever omstreeks 1845 door P.J. Lutgers. Uit: Hofdijk en Lutgers, ‘Gezigten in de omstreken van ’s-Gravenhagen en Leijden’ (1855). Tijdens het bouwhistorisch onderzoek dat naar aanleiding van de opgravingen van de resten van het voorhuis in de jaren 1985-1987 verricht werd, werd al snel duidelijk dat de hier getoonde steendruk één van de meest betrouwbare weergaven is van het grote voorhuis. Zou Lutgers bij het vervaardigen van deze afbeelding een zogenaamde Camera Obscura gebruikt hebben? Veel kunstenaars werkten in deze tijd daar al mee. Het principe was eenvoudig. Er werd gebruik gemaakt van een donkere ruimte. De enige verbinding met de buitenwereld was een kijker (een lens zouden wij tegenwoordig zeggen) die het beeld omgekeerd projecteerde op de tegenoverliggende wand. Vervolgens behoefte men de afbeelding slechts over te trekken. Later werden de donkere kamers vele malen kleiner en werd er geprojecteerd op een gevoelige plaat: het begin van de fotografie.

Bekendheid met de streek

Reinier moet goed bekend zijn geweest met de omgeving van Lisse. Zo trad hij in 1873 te Sassenheim (eerste link met Lisse e.o.) in het huwelijk met Elisabeth Johanna Kuys (geb. Voorschoten 1842). Zij was weduwe van Gerrit Blokhuis (1841-1870) die in Sassenheim burgemeester was geweest. Hij behoorde tot de Lissese tak van de gelijknamige familie en dat is alweer onze tweede link met Lisse! Verder had Reinier een oom, Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868), die net als zijn vader van 1840 tot 1860 Rijksontvanger was in…Lisse! De connecties met Lisse lijken overduidelijk.

Een kink in de kabel

Het schijnt dus allemaal prachtig te kloppen: Reinier Pieter had belangstelling voor het verleden, was bekend met de streek en had waarschijnlijk ook de middelen om zich aan een destijds kostbare hobby als fotografie te wijden.3 Er is echter een probleem: zijn plaats in de tijd! Het zal de lezer misschien al opgevallen zijn dat Reinier Pieter pas in 1835 het levenslicht zag, zodat hij dus in 1847 als jongetje van een jaar of twaalf één van de eerste foto’s nam die van deze streek bekend zijn, namelijk van het leegstaande huis Dever. Toch noemt Corneille Janssen hem duidelijk als maker van de foto. Of zou de kleine Reinier hulp hebben gekregen?

Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868)

Degene die wél goed in het ‘plaatje’ past van de mogelijke maker van de foto is Willem Bernardus van den Bosch. We noemden hem zoëven al als oom van Reinier en als Rijksontvanger. Zijn standplaats was van 1840 tot 1860 Lisse. Het jaar van opname van de foto (1847) past daar keurig in. Tot 1846 woonde hij met zijn echtgenote en vijf kinderen aan ’t Vierkant, waarschijnlijk ter plaatse van het restaurant Den Ouden Heere. Vervolgens kocht hij een huis dat er schuin tegenover was gelegen, namelijk in het rijtje huizen dat zich aan de westzijde van ’t Vierkant bevond. Hij verkoopt het weer door in 1857 aan Elisabeth (de) Kruyff, maar blijft nog tot in 1860 in het huis wonen. Op 27 april van dat jaar is hij met zijn gezin naar Culemborg vertrokken, alwaar hij acht jaar later zijn laatste adem uitblies.
Willem Bernardus kan, zeker gezien zijn maatschappelijke positie en dus de middelen waar hij over beschikte, heel goed ‘onze’ fotograaf zijn geweest, die zijn neefje Reinier behulpzaam is geweest bij het maken van zoiets ingewikkelds als een foto. De vraag is echter of zijn oom inderdaad iets van fotografie af wist. Daarover meer in een volgend deel…

Aanslagbiljet van de personele belasting uit 1852. In het midden rechts zien we de naam vermeld staan van ‘De Ontvanger der Directe Belastingen, VAN DEN BOSCH’, ofwel Willem Bernardus van den Bosch, die zijn kantoor/ woning aan ’t Vierkant had. De aangeslagene is D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van het landgoed Wassergeest (waarover u meer verneemt in het boek ‘Wassergeest te Lisse’ (Lisse, 2004) van de schrijver van dit artikel). Nationaal Archief, familiearchief Van der Staal van Piershil inv.nr. 115.

Besluit

Het lijkt haast te mooi om waar te zijn: een foto van het vervallen Dever, genomen in een periode dat het voorhuis nog niet gesloopt was. Zou zich dan toch nog ergens een foto bevinden die één van de eersten van de streek is, maar misschien lange tijd op één of andere zolder heeft doorgebracht? Het is met recht zoeken naar de bekende speld in de hooiberg. Maar met geduldig zoeken en wellicht wat suggesties van uw kant, komen we er uit!

Bronvermelding

1. Plaatsingslijst van het archief van de stichting Vrienden van ‘t Huys Dever, voorl. nr. 61.

2. Gegevens betreffende de familie Van den Bosch ontleend aan Nederland’s Patriciaat 1915.

3. Er was zelfs een familielid, Hendrik Johan Christoffel van den Bosch, geboren te Amsterdam, 1845, die enige bekendheid genoot als fotograaf. Helaas is over hem weinig bekend.