Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

STOLPBOERDERIJ VAN LANGEVELD IN OUDE GLORIE HERSTELD

De stolpboerderij van Langeveld in de Poelpolder is in 1642 bebouwd. Bij de restauratie aan het einde van de twintigste eeuw komen veel originele objecten voor in de erg vervallen boerderij.

door Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Dankzij het feit dat de 17e-eeuwse stolpboerderij aan ’t Lange Rack 2 (vroeger aan de Ruishornlaan) op de rijksmonumenten-lijst is geplaatst, is zij voor de verre toekomst behouden. De restauratie van het vervallen pand was een immens project, dat dankzij de volharding van eigenaar Cees Horsman in samenwerking met de restauratiearchitect Bob C. van Beek is gerealiseerd. Op het terras achter de voormalige schuur van het complex, met uitzicht op de appelboom, vertelt hij graag over hoe een en ander tot stand is gekomen.

In de jaren negentig koopt de gemeente Lisse de als Rijksmonument aangewezen stolpboerderij met het bijbehorende terrein van krap vijf duizend vierkante meter van de heer Langeveld. De stolpboerderij moet gerestaureerd worden en een openbare bestemming krijgen. Het architectenbureau Bob C. van Beek wordt in de arm genomen om te bekijken wat de mogelijkheden zijn. Wanneer hij zijn rapport presenteert, schrikt het gemeentehuis. De boerderij en een aantal omliggende schuren die hoewel geen rijksmonument, maar wel het bewaren waard zijn, verkeren in een zeer slechte staat. Restauratie zal veel geld vragen, wat voor een gemeente niet is op te brengen. In september 1997 biedt de gemeente Lisse de stolpboerderij te koop aan en legt in een brochure uit wat de aankoop inhoudt. De nieuwe koper is verplicht de boerderij te restaureren, naar de normen van het rapport van Van Beek. In samenwerking met hem moet deze zoveel mogelijk in authentieke staat worden teruggebracht, inclusief de tuin. Vlakbij de boerderij staan immers de oudste bomen van de Poelpolder.

Doodschrik

Gemeente Lisse belegt vervolgens een bijeenkomst waarin belangstellenden de boerderij kunnen bezichtigen. Horsman: ‘We, ik denk vijftien personen, kregen een rondleiding door de gebouwen. Het zag er echt heel slecht uit en ik stak dat niet onder stoelen of banken. Toenmalig burgemeester Van der Kroft meende dat ik expres met mijn opmerkingen de andere gegadigden had weggejaagd, maar ik meende echt wat ik zei.Horsman aarzelt en vraagt zijn broer een oordeel te geven: ‘Mijn broer zei helemaal niets tijdens de bezichtiging. In de auto vroeg ik hem ‘Wat vind je ervan’ en hij zei dat hij zich dood-geschrokken was van de staat van de gebouwen. Hij vroeg zich af wat ik ermee wilde.’ Cees Horsman wil er gewoon wonen en zijn broer meent: ‘Als je dat echt wilt, dan is alles mogelijk.’ Uiteindelijk blijkt Cees Horsman de enige bieder: ‘Later hoorde ik dat het in 1800 al onbewoonbaar is verklaard. Mijn vrouw Ineke is van mening dat het sindsdien onverklaar­baar bewoond is geweest.’ De boerderij heeft weliswaar elektriciteit, maar is niet aangesloten op leidingwater, noch op de riolering. Horsman: ‘De vorige eigenaar heeft zijn water altijd uit een wel bij de boerderij betrokken.’ 

Tekeningen

De muren van het woon- en slaapgedeelte zijn in de oorspronkelijke stijl gebouwd. Je ziet dan ook duidelijk dat de gevel niet loodrecht is, maar van onder naar boven naar rechts afwijkt.

Horsman weet bij de aankoop min of meer waar hij aan toe is. Van Beek heeft de gebouwen nauwgezet opgemeten. De nieuwe eigenaar bezit de tekeningen waarop alle zijden van de te behouden gebouwen staan, zelfs de scheuren staan ingetekend. Van de stolpboerderij staat alles per centimeter op papier, alle balken, maar ook de vroegere voergoot en mestgoot van de koeienstal. Horsman: ‘De stolpboerderij dateert uit 1642, de schuren zijn in 1848 gebouwd en vallen niet onder het Rijksmonument, net zo min als de hooiberg. Vroeger bewaarde men het hooi immers onder de stolp. De hooiberg is veel later gebouwd, met een dak wat in hoogte verstelbaar was, afhankelijk van de hoeveelheid hooi. Van Beek vond het belangrijk het ‘ensemble’ te bewaren, dus ook een deel van de ontwikkelingsgeschiedenis rond de boerderij.Horsman vertelt enthousiast: ‘Wist je trouwens dat een drietal kerkorganisaties uit Leiden ooit een claim legden op het water van deze polders? Zij hebben toen de polders droog laten leggen en verkochten vervolgens de gronden. Daarmee werden de kerkgenootschappen min of meer indirect gesubsidieerd. Uit die tijd stamt ook deze boerderij.’  Met de tekeningen in de hand wordt een plan van aanpak opgesteld. Het zal drie jaar duren voordat Horsman opgelucht en trots kan zijn op zijn stolpboerderij.

Verrassingen

‘We konden niet direct aan de slag. Voor de vorige eigenaar moest eerst een nieuwe woning worden gebouwd en dat duurde langer dan gehoopt.’ Het plan ligt in grote lijnen klaar, maar het is onduidelijk hoeveel verrassingen de boerderij nog in petto heeft. Eerst zullen de schuren worden afgebroken, de grond aldaar opgehoogd en twee ervan opnieuw opgebouwd. Van Beek heeft tekeningen gemaakt over een mogelijke indeling:

‘De eerste tekeningen waren nogal uitgebreid, zoveel ruimte hadden we niet nodig. We hebben een lijstje gemaakt: woonruimte, keuken, een grote en twee kleinere slaapkamers, bad en doucheruimte en een werkkamer. Over de deel, de vroegere koeienstal, was nog geen besluit genomen. Als

woonruimte was dat veel te groot Wel overwoog ik de mogelijkheid er een expositieruimte van te maken. Ik kende een aantal Poolse kunstenaars voor wie ik op die manier misschien iets kon betekenen. En dat zou passen binnen het idee van ‘openbare bestemming’ wat de gemeente ooit had.’

Schuiframen

In augustus 1999 is het zover, de schuren kunnen worden af­gebroken en weer opgebouwd aan de hand van de gemaakte tekeningen in oorspronkelijke stijl. Deze bijgebouwen krijgen als bestemming het slaap- en woongedeelte. ‘In mei 2000 konden we die gebouwen betrekken. In de kozijnen zijn weer schuiframen gezet, maar nu met veren in plaats van het altijd zo onhandige brok ijzer, om de ramen open te houden. De keuken zou een plek krijgen in de stolpboerderij, we hebben tijdelijk een keukenblok in de slaapschuur geplaatst.’

Oude plavuizen

De stolpboerderij zelf is nu aan de beurt. Uit onderzoek is gebleken dat het pand opnieuw onderheid moet worden. ‘De muren van de boerderij stonden op een gemetselde fundering. We hebben binnen de grond tot tachtig centimeter uitgegraven. Bij het verwijderen van de houten vloer kwamen we nog plavuizen tegen die bewaard zijn en later opnieuw gelegd. Er bleken er niet voldoende te zijn, vandaar dat we een rand van andere, overigens ook oude, plavuizen hebben gemaakt. We ontdekten ook restanten van de fundering van een open haard die midden in de keukenruimte moet hebben gestaan. Omdat we er niet achter konden komen hoe die er ooit heeft uitgezien, hebben we daar verder niets mee gedaan. Ook rond het gebouw is een een meter brede strook van tachtig centimeter diep weggehaald. Dat was een heel spannend moment. Er zat beweging in het gehele pand, er bestond een reëel risico dat het zou instorten. En een ingestort gebouw is geen monument meer.

We moesten ondersteuning aanbrengen op allerlei plekken en op regelmatige afstanden gaten maken in de gemetselde fundering, zodat de dertig centimeter dikke laag beton die we zouden storten naar buiten door die gaten kon lopen. Overal is bekisting aangebracht zodat het beton niet verder kon dan waar we het wilden hebben’.

Bekisting

Maar behalve de betonnen vloer is heien noodzakelijk. Voordat het beton wordt gestort, is er op maar liefst tachtig plaatsen een houten bekisting aangebracht als uitsparing voor de heipalen. Ook dat heien is een klus op zich. Ouderwets heien is uiteraard niet mogelijk vanwege het trillingsgevaar en het feit dat een hei-installatie niet binnen in een gebouw zijn werk kan doen: ‘Holle buizen met een lengte van anderhalve meter werden de grond ingebracht, door deze te verzwaren. Wanneer ze nog een randje boven de grond uitstaken, werd er een nieuw stuk aangetast en vervolgens ook weer de grond ingebracht’. En dat tachtig maal tot een lengte van ongeveer veertien meter per buis! De monumentale stolpboerderij heeft nu een degelijk basis. Een nieuwe fase in de werkzaamheden breekt aan.

Rotte sporen

Driekwart van het metsel werk wordt hersteld, een tijdrovend werk: ‘Alle kozijnen gingen eruit en opnieuw erin. Alle scheu­ren zijn hersteld’. Het houtwerk wordt grotendeels vervangen. Horsman: ‘Toen het rieten dak, of wat daar nog van over was, eraf ging, bleken ook alle sporen verrot (sporen zijn de balken die het rieten dak dragen). Dat was wel te verwachten, het rieten dak was zo slecht dat het binnen vrijwel net zo hard regende als buiten. Bovendien hebben deze balken altijd veel last van vocht gehad, een koeienstal is nu eenmaal vochtig’.  De zware houtconstructie blijkt erg aangetast door ondermeer boktorren en alles wat graag in hout zetelt, maar nog wel bruikbaar: ‘Het was gatenkaas. Maar de torren tasten de randen aan en komen nooit in de harde kern van het hout. Omdat die grenen balken zo dik waren, was er geen risico. We hebben die balkenconstructie kunnen behouden, behandeld en hersteld. Er is een nieuw geïmpregneerd rieten dak opgelegd volgens de huidige normen van het bouwbesluit. En de muren zijn voorzien van een vochtwerend middel’.

 

De zuid- en de noordkant na de renovatie van de boerderij

Opkamer

En dan volgt de ‘inrichting’. De binnenmuren worden hersteld, het houtwerk in de verf gezet. De prachtige gewelven van de kelder missen een gedeelte, ooit ingestort. Ook dat ontsnapt niet aan de aandacht en wordt hersteld, drie van de treden naar beneden zijn authentiek. De opkamer, huidige werkkamer van Cees Horsman, heeft nog steeds zijn voor de Nederlander van tegenwoordig te lage deur, maar wel de echte, die uit liefde een extra laagje verf heeft gekregen. De hard stenen drinkbakken in de paardenstal hebben voor het huishouden van Horsman geen functie meer, maar worden wel in ere gehouden. Ineke Horsman verzorgt de maaltijden op de plek waar dat eeuwenlang is gedaan. Er wordt echter geen kaas meer gemaakt en de bak waar de melkbussen stonden, ontbreekt. Ook de tuin doet denken aan vroeger, de moestuin bijvoorbeeld, het weitje. Horsman: ‘Wat kon, is gebleven. We zijn hier ontzettend blij mee, dit is een geweldige plek’.

EIGENAAR CEES HORSMAN RESTAUREERDE SEDERT 1800 ONBEWOONBAAR VERKLAARDE BOERDERIJ DIE AL DIE TIJD ONVERKLAARBAAR BEWOOND IS GEWEEST

DE WILLEMSHOEVE, EEN PARADIJS

De boerderij van Heemskerk, Heereweg 443, heette vroeger De Willemshoeve. Op een kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat reeds een gebouw getekend. De familiegeschiedenis wordt besproken.

door Ine Elzinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Op tweehonderd meter vanaf de Heereweg ligt één van Lisses oudste boerderijen, de ‘Willemshoeve’. Op de kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat hij reeds aangegeven. Er is een tijd geweest dat de bewoners het vrije uitzicht hadden op ’t Huys Dever, maar die tijd kan de huidige bewoner Jos Heemskerk zich niet herinneren. Tegenwoordig spreekt de familie over boerderij ‘Heemskerk’, gelegen aan Heereweg 443. Jos Heemskerk: ‘De boerderij valt onder monumentenzorg. De buitenkant is nog goed intact Ik vind het prachtig dat er nu eens aandacht wordt besteed aan één van de oudste panden van Lisse.’

Uit het voorouderonderzoek van de familie Heemskerk blijkt dat de streek waarschijnlijk al sinds 1053 door families Heemskerk is bewoond, maar de eersten die op schrift staan, dateren uit 1570. De naam Heemskerk wordt voor de eerste maal in verband gebracht met de Willemshoeve in 1840. In het bevolkingsregister van de gemeente Lisse staat vermeld dat Johannes Verdegaal na de dood van zijn vader op Willemshoeve blijft wonen en in 1840 trouwt met Agnes Heemskerk. Het echtpaar laat alleen dochters na, waarmee de naam Heemskerk de boerderij weer verlaat. In 1894 koopt Willem Heemskerk boerderij Willemshoeve, hij blijft kinderloos en de boerderij wordt in 1920 verpacht aan neef Willem, de grootvader van Jos Heemskerk. Grootvader wordt eigenaar van de boerderij in 1941. Jos Heemskerk heeft de boerderij acht jaar geleden van zijn vader Wim, oorspronkelijk veehouder, gekocht die het beslist in familiehanden wil houden. Jos zowel als vader Wim zijn er geboren en getogen, en ook de kinderen van Jos en zijn vrouw Petra zullen er hun jeugd doorbrengen: Wij gaan hier nooit meer weg en ik hoop dat een van onze kinderen hier later zal blijven wonen.’ De boerderij die dertig meter lang is, heeft in de loop der eeuwen aan velen onderdak geboden. Begin 1900 is het ook de gewoonte dat het personeel inwoont op de stal- of voorzolder. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er veel aan de boerderij verbouwd om onderdak te bieden aan verschillende gezinnen. Maar de buitenkant blijft grotendeels intact. Hoewel de kenner bouwsporen kan vinden van veranderingen die gevolgen hadden voor de buitenkant. De voorgevel staat gericht naar de Heereweg, met links de opkamer met T-venster en daaronder gelegen het kelderraam met diefijzers en luik. Het middelste raam was ooit een deur met bovenlicht gezien de bouwsporen achter de luiken. Deze deur zou toegang hebben gegeven tot de kaaskamer. Het rechter venster was oorspronkelijk kleiner. Het metselwerk van de tuitgevel is in kruisverband gemetseld. De linkerzijgevel heeft twee vensters in de opkamer, waarvan het linker venster in de jaren 1938-1940 is toegevoegd. Verschillende verticale bouwnaden laten zien dat er ook in de jaren daarna regelmatig is verbouwd of uitgebreid.

Bewoonbaar

Als Jos Heemskerk de woning van zijn vader koopt is er ook voor hem werk aan de winkel om het huis naar de eisen van deze tijd bewoonbaar te maken. Zo zijn ondermeer alle elektriciteitsleidingen vervangen. De buitenkant houdt hij zoveel mogelijk in tact: ‘Binnen hebben mijn vrouw en ik wel verbouwd, om er een bewoonbaar huis van te maken. Binnen waaide het nog harder dan buiten.’ Hij wijst op de glas in lood bovenramen: ‘Hef glas in lood zit er nog, maar we hebben er wel dubbelglas achter geplaatst’. Hij loopt door de huidige woonkamer: ‘Vroeger was dit gedeelte de zondagse kamer, daar mocht je doordeweeks echt niet komen. Hier halverwege stond een steunmuur, de zondagse kamer was eigenlijk maar klein’. De steunmuur is met behulp van een aannemer verwij­derd: ‘Daar zag ik zelf geen kans toe, er moest in het plafond een stalen ‘balk worden gemaakt. De rest hebben we allemaal zelf gedaan’. Een half jaar lang zijn hij en zijn vrouw elke avond en elk weekend bezig met de verbouwing, die ondermeer resulteert in een grotere leefruimte met open keuken. Hij wijst op een zijraam: ‘Dit raam is niet oorspronkelijk. Hier was vroeger een kamertje, waar mijn grootmoeder nog een tijd heeft gewoond. Wij hebben er een keuken aangelegd. Het parket heb ik ook zelf gelegd’. Hij stampt op de vloer: ‘Je kunt horen waar de zondagse kamer was, daar ligt een houten vloer onder, de rest is beton.1 Een aantal deuren verdween, of moest worden vervangen: ‘De deur van de wc is nog een authentieke deur, ik heb hem natuurlijk wel geverfd, maar je kunt wel zien dat hij erg oud is, deze deur gaat er dan ook nooit uit. Vroeger gaf hij toegang tot de drankkast, nu dus naar het toilet’.

Rieten zadeldak

De boerderij heeft een rieten zadeldak, aan de zuidkant is het dak bedekt met Oestgeester dakpannen: ‘Vroeger stond hier namelijk een enorme boom, die is begin 1900 omgewaaid. Om een huis met een rieten dak mogen nooit bomen staan, dat is heel slecht voor het riet, riet moet zon hebben. Naast de boerderij staat het zogeheten zomerhuis ook met een tuitgevel, waarvan de voorgevel in de oorlogsjaren is vernieuwd. Jos Heemskerk: ‘Ik weet eigenlijk niet waarom het een zomerhuis wordt genoemd. Wij verhuren het nu aan jong stelletje’. Daarnaast staat een koeienstal, ook hoogbejaard, momenteel in gebruik als hobbyruimte. Jos Heemskerk boert niet, hoewel er wel een paardje staat in een stal van recentere datum en een flink kippenhok. De leilinden voor de boerderij zijn Jos Heemskerk heilig, zoals hij zelf zegt: ‘Ik denk dat ze rond 1750 zijn geplant. Een paar jaar terug maakte ik mij zorgen over een van die bomen, ik heb er Van der Kaaden (hoofd plantsoenendienst gemeente Lisse. red.) bijgehaald. Ik ben hovenier van mijn vak, maar ik weet ook niet alles. Gelukkig viel het mee. De fruitbomen zijn door mijn grootvader geplant, in 1928, vooral moesappelen’.Heemskerk is bijzonder gesteld op zijn boerderij. In zijn woon­kamer vallen twee schilderijtjes van Mustert op, boerderij Heemskerk vanuit twee verschillende gezichtshoeken geschil­derd. Het terrein voor de boerderij heeft hij aangelegd in de stijl van een Engelse formele tuin. Een volkomen symmetrische tuin, met lage ‘heggetjes’, grindpaden en een fontein in het midden: ‘Dat is mijn vak. Maar ook mijn hobby. Ik vind deze echt bij de boerderij passen. En hij is het hele jaar mooi’. Hij troont trots foto’s van de tuin in de sneeuw en volop in bloei: ‘Ik geniet enorm van mijn boerderij en de tuin.’

 

HET EENVOUDIGE DUBBELHOVEN HAD SLECHTS DRIE HAARDSTEDEN

Hulkenberg schrijft in zijn boek ’t Roemwaard Lisse over buitenplaats Dubbelhoven, dat vroeger een eenvoudige boerderij was. Het gebied heette de Westgeest.

door A.M.Hulkenberg

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De Lissese historicus A.M. Hulkenberg (thans 87 jaar) schrijft in zijn boekje “t Roemwaard L/sse’ het volgende over de boerderij Dubbelhoven aan de Achterweg, hoek Spekkelaan:

Daar zie ik ’t sierlijk Dubbelhoven, Welks aangename stand verdient een dubbeld loven, Zo om de fraaiheid van ’t gebouw dat het versiert, Als om ’t geboomt, waarin ’t gevogelte tiereliert en ’t hart van Groeneveld, wanneer hij neergezeten In zijne schaduw, leert al zijn zorgen vergeten

Het sierlijk Dubbelhoven lag aan de noordwestzijde van de kruising Spekkelaan-Achterweg. In 1666 blijkt het nog een eenvoudige woning te zijn. Ze heeft slechts drie haardsteden, waarvoor ƒ 6,- ‘haardsteegeld’ betaald moet worden, veel minder dan voor de andere buitens. Als eigenaar wordt genoemd de heer Doublet. Op de boerderij, misschien wel op de plaats van het huidige Dubbelhoven, woont Teeuwis Heyndricx, twee haardsteden (2 gulden). Dubbelhoven is tot omstreeks 1740 eigendom van de familie Doublet, heren van Groeneveld, gebleven. In 1666 was dit Philips Doublet, rekenmeester van Holland, wagenmeester-generaal, ontvanger-generaal van de Unie etc., die in 1672 overleed. Het gaarderboek van het morgengeld vermeldt in 1698 ‘in de Westgeesten aan de Lijtweg1 opnieuw heer Philips Doublet. In 1708 verkoopt jkvr. Cornelia Doublet hout op Dubbelhoven en in 1723 Francois Doublet, heer van Groeneveld en Meerkerken. Tuinman is dan Quirin Roodenburg. In 1725 ‘mevrouw Doublet, vrouwe van Groeneveld1 en in 1733 weer ‘c/e heer van Groeneveld1. In de komende jaren is Dubbelhoven in het bezit van mr Simon Garbijn van Strijen, burgemeester van Haarlem, die in 1749 hier overlijdt en wiens lijk naar Haarlem wordt ‘uitgevoerd’. Dubbelhoven vererft op de zuster van de overledene, Maria Garbijn, huisvrouw van Quirijn Dabenis of d’Abenes, ‘kapitein ter zee ten dienst dezer landen1. Zij kopen op 14 oktober 1749 het land tussen de Viersteeg en de Lyd- of Achterweg’ en de Heereweg. Daarna richten ze een schrijven tot Hoogheemraadschap Rijnland met het verzoek achter hun buitenplaats een voetpad te mogen aanleggen. Bovendien echter om een ‘zeker laantje aldaar, genaamd de Vijf- of Viersteeg ende aan haar plaats gehorende, met een boom te doen afsluiten teneinde de passage met rijtuigen te beletten1.

Vuursteeg is Viersteeg

Het is opvallend dat hier van de Vijf- of Viersteeg gesproken wordt. Men meende altijd dat vuur werd bedoeld en vertelde zelfs dat tijdens ‘de troebelen’ van deze plek de spits van de kerktoren zou zijn geschoten!

In 1762 wordt op Dubbelhoven een boelhuis gehouden van allerlei boeren- en tuinderijgereedschappen. Ook worden grote hoeveelheden bloembollen verkocht die heel mooie namen dragen: Lieflijke Morgenstond, Rose Illustre, Agatha, Parel van Amsterdam, Feu Amoureux en vele andere meer. Ook bollelaadjes en bakken worden geveild en tentzeil en toebehoor voor de ‘hyacinthenpronkbedden1, die toen zo in zwang waren. ‘Alles saemen bracht ƒ 3.883 en 16 stuivers op. Onder de kopers bevond zich ook de vermaarde kweker George Voorhelm.

Na de dood van zijn vrouw is de kapitein ertoe overgegaan zich delen van   zijn bezit te ontdoen.  In 1767 betreft dit de boerderij Welgelegen, in huur bij Gijsbert Schramade, aan de Heereweg (naast het voormalige politiebureau). Koper is Simon Verdergaal, geboren te Rijnsburg en bouwman in de Zilk. Deze wordt opgevolgd door zijn zoon Jan, gehuwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaans dr. Hun oudste dochter trouwde met Jan Riggel en tot 1923 is Welgelegen in het bezit der familie Riggel gebleven.

 

De boerderij van het voormalige buiten Dubbelhoven staat nog steeds aan de Achterweg. Het pand werd waarschijnlijk omstreeks 1660 gebouwd. Het rietgedekte huis was aan het begin van de 18e eeuw in het bezit van Simon Garbijn, de burgemeester van Haarlem die hier in 1749 overleed.

 

BOERDERIJ MIDDELBURG: LISSESE BOEREN DE GROOTSTE SLACHTOFFERS VAN BRANDSCHATTENDE SPANJAARDEN

De geschiedenis van Boerderij Middelburg wordt besproken. Het is een verkort verhaal van Hulkenberg, dat in het Leidsch jaarboekje stond. De geschiedschrijving begint in 1585 met de troebelen. Het heette daar de Hooge Moschveenen. Middelburg heette toen Moschveen of Mosveen.

Door A.M. Hulkenberg      

bewerking: Arie in ’t Veld

De boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord ligt buiten de bebouwde kom van Lisse, redelijk verscholen en door weinigen bij het passeren opge­merkt. Het is een hofstede met een geschiedenis van meer dan 5OO jaar. De Lissese geschiedschrijver A.M. Hulkenberg heeft ook over Middelburg gepubli­ceerd en wel in het plaatselijke blad ‘Ons Weekblad’ en in het ‘Leidsch Jaarboekje’. Het oorspronkelijke verhaal van Hulkenberg volgt hier, maar moest helaas worden ingekort.

De geschiedschrijving begint op 17 september 1585, toen Maarten Ruychaver, poorter van Haarlem, een woning met ongeveer 30 morgen land, ruim 25 hectare, in de ‘Hooge Moschveenen’ te Lisse verkocht. Ruychaver had de landerijen in 1579, 1580, 1582 en 1584 gekocht en daarop een boerderij gebouwd. Vroeger heette deze boerderij Mosveen of Mors(ch)veen en de polder waarin hij was gelegen werd de

‘Hooge Morschveenen’ of ‘Hooge Mos(ch)veenen’ genoemd. Na het verdwijnen van de Buitenplaats ‘Middelburg’ is deze naam op de boerderij overgegaan. De boerderij ziet er met zijn gekleurde luiken thans heel fleurig uit, maar zo is het niet altijd geweest. Ruychaver had het geheel gekocht uit drie ‘desolate boedelen1. Ze waren gedesoleerd geraakt ten tijde van het beleg van Haarlem en Leiden of kort daarna, omstreeks 1575, een tijd die wel de meeste trieste genoemd moet worden uit de hele geschiedenis van het dorp Lisse.

Troebelen

Sinds 11 december 1572 werd Haarlem door de Spanjaarden belegerd. De Prins van Oranje had zijn hoofdkwartier op Teijlingen. Beide partijen kampten met chronisch geldgebrek. De wanordelijke huurtroepen stroopten brandschattend het land af. Alle dorpskerken behalve die van Voorhout en Noordwijk brandden uit en boerenhofsteden gingen in vlammen op. Een verschrikkelijke tijd. Geen bescherming, geen vergoeding, zelfs geen medeleven. Men juichte om het ontzet van Leiden, maar de ellende der plattelandsbevolking werd niet geteld. ‘Mer kijk, als ik begin te denken, om mijn voorleden dagen, Zo borst mijn hart van druk. aldereerst, doen Haarlem was beleid, Zat ik op een schone woning te Lis. Daar zag ik al mijn beesten of jagen. Van de papouwen (door de Spanjaarden), daarna mijn woning verbranden. O, droevigheid: Griet, mijn dochter, worde verkracht; Claas, mijn zoon, vermoord; mer ’t meeste lijd Geschiedde aan mijn wijf, dat ik zag1. Men vraagt zich met ontzetting af, wat er nog erger zou kunnen zijn dan verkrachten en vermoorden. Maar hieromtrent laat Bouwer ons in het ongewisse. ‘D/e schelme vol schande Pijnigden mij nog om mijn geld. Ik mocht ‘f niet, ik heb ‘f er gezeid. Zij namen ‘f altemalen weg en bonne mij wel stijf met bande Aan een paardestaart, mer met groot geluk ontkwam ik haar handen. En raak ik lt Sassem in ‘f leger…1 Deze bouwer (boer)werd ‘patnier1, pionier, waarschijnlijk schansgraver, bij Teijlingen.

De eerste boedel die te koop komt, is die van Willem Jorys, waaruit Ruychaver vijf morgen land opkoopt. Die zijn gelegen tussen Veenenburg dat bezit was van de Haarlemse burgemeester Nicolaas van der Laan, het land van Lysbeth Jacobsdr. van Nyenrode (van Hillegom) en de ‘wildernissen’. De publieke verkoop vond plaats in ’t huis van Jan Gerrit van Kessel, de herberg De Zwaan aan de huidige Haarlemmer­straat in Leiden. In de deur van de herberg klonk het met luider stem: ‘Sta bij koopluiden, hoort de voorwaarden1. En ‘met open deuren en vensters en brandende kaarsen1, zoals bij een gerechtelijke verkoop gebruikelijk, werd de gehele boedel verkocht. Uiteindelijk wordt Maarten Ruychaver uit Haarlem voor 331 gulden eigenaar.

Middelburg

Ruige Neel

Er is een tweede failliete boedel. Het betreft 18 en een halve morgen land, gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Florysz, die waarschijnlijk vanwege zijn uiterlijke verschijning de bijnaam droeg van ‘Ruygeneel’, Ruige Neel. Hij was getrouwd met Claesje Pauwelsdochter en woonde aan de Heereweg in ’t Dorp van Lisse. Ook bezat hij land in de Lisserbroek en wel aan de Quadeweg, de huidige Broekweg. In 1579 wordt gesproken van de ‘verlaten en onbeheerde boedel van Cornelisz Jan Florysz, bijgenaamd Ruygeneeltje in de Mosveen’. Waarschijnlijk ligt de huidige boerderij Middelburg op de percelen van Ruige Neel. Kennelijk had Ruige Neel het in 1568 niet al te goed. Hij kon de jaarrente niet opbrengen. Ruige Neel heeft zijn schulden niet kunnen voldoen. Ze zijn later door Maerten Ruychaver afbetaald. Die kreeg in 1584 ook nog in zijn bezit 9 en een halve morgen land uit de boedel van Cornelis Ysbrants Rootgen.

Jan Gerrits Hits

Tenslotte gaat tot het latere Mosveen of Middelburg ook behoren ‘anderhalve hont lants ofte daaromtrent1, een klein stukje dus, dat eigendom was van de duinmeier Han Gerrits Hits. Het grensde aan het bezit van Ruychaver en aan het Nijenrode’s duin, het tegenwoordige tentoonstellingsterrein van Keukenhof. Bovendien lag ’t naast de desolate boedel van Cornelis Ysbrants Rootgen. Op 29 mei 1582 kocht Maerten

Ruychaver het lapje grond voor ‘een somma van 35 guldenen, c/’een helft gereed (contant) ende danderhelft over ’n jaar na datum*. Maerten Ruychaver, handelaar in buskruit en een vermogend man, verscheidene malen burgemeester van Haarlem en vanwege die stad ook hoogheemraad van Rijnland, werd geboren in 1547. Hij was de stichter van de hofstede Mos- of Morsveen in üsse. Maerten was een zoon van Willem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem en Guerte Pauwels-dochter van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij te Hillegom getrouwd met Alijt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen, de bekende burgemeester van Haarlem en eigenaar van de hofstede Veenenburg, niet ver van Morsveen verwijderd. Op 25 december 1626 is Ruychaver op zijn buitenverblijf, de hofstede Oostende bij Hillegom overleden. De nieuwe eigenaar van Morsveen, jhr. Arent van Duivenvoorde, was een natuurlijke zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht.

Boer Langeveld

Natuurlijk woonde noch Ruychaver, noch Duivenvoorde zelf op de boerderij. Die was verpacht aan Hendrik Langeveld, zoon van Adriaan Hendriksz Langeveld en Haesje Claasdr. Het is aannemelijk dat de familie Langeveld afkomstig was uit ’t Langeveld, een paar kilometer ten westen van Lisse. Hendrik Langeveld was getrouwd met Aagje Dirksdr. Het echtpaar had vijf kinderen: Adriaan, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Na de dood van haar man treedt de weduwe als ‘bruikster’, dit is pachteres, op (1612). In 1624 is de pachter haar schoonzoon Adriaan Adriaansz Den Boer uit Noordwijk, met wie dochter Aagje op 11 augustus 1619 te Lisse in het huwelijk was getreden. In 1628 wordt Lenaert Hendriksz als pachter genoemd. De familie Langeveld is lang pachter van Morsveen gebleven.

Cousebant

Morsveen kwam vervolgens in het bezit van de familie Cousebant uit Haarlem. De eerste was de welgestelde katho­lieke Haarlemse brouwer Frans Barendsz Cousebant, die

trouwde met Adriana de dochter van Gerrit Jacobsz Huift die de boerderij met landerijen in 1633 op een veiling kocht. De familie Cousebant bleef tot 1722 eigenaar.

Middelburg en Mo(r)sveen

Op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse den heer, Adriaen Franqoys Cousebant en verklaarde aan de heren Nicolaas en Piter Tjarck te Leiden verkocht te hebben ‘een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse1 waarbij inbegrepen ‘een groter en kleiner bos1. Daar hoorde ook nog een huis met een lapje grond bij aan de Leidse Vaart (thans Stationsweg 180), een loosterkamp en ‘De Breede Boekamp’ in de Lisserbroek, Alles te samen voor 8000 gulden ‘in gereden gelde1. Pachter van Mo(r)sveen was thans Jacob Janse Naardenburg, die zijn bejaarde vader in dezen was opgevolgd. Op 18 mei 1717 was Jacob Janse ‘wettelijk getrouwd in ’t Rechthuis te Lisse’ (De Witte Zwaan) met Weyntje Maartens van der Meer uit Voorhout. De volgende dag wordt in de schuurkerk aan het Mallegat ‘in facie ecclesiae’ het huwelijk kerkelijk gesloten. Jacob Janse is echter niet zeer oud geworden. Weyntje hertrouwt – maar dan niet in gemeenschap van goederen – met de welgestelde Warbout Jurriaense Vreeburg, van wie men overal in Lisse percelen aantreft, ook in de Hooge Mosveenen.

Op 4 oktober 1745 is mr. Pieter Tjark te Leiden overleden. Onder zijn nalatenschap, gedateerd 20 april 1750, lezen we ook onder punt 5 van de inventaris: Hofstede Middelburg met woning en 73 morgens & 20 1/4 roe lands. Mr. Nicolaas Tjark, met wie hij het bezit aanvankelijk had gedeeld, is nog in leven, maar wordt niet meer als mede-eigenaar genoemd. Mr. Pieter had twee dochters. De oudste, Petronella Geertruida, kwam in 1749 op de buitenplaats Middelburg te overlijden. Zo bleef nog over de jongste, Maria Jacoba Johanna, die op de genoemde 20ste april 1750 huwde met Jean Baptiste Francois George graaf van Oultremont de Warfusee.

Op 20 januari 1781 wordt Middelburg oftewel Morschveen verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, ‘in gereden en contanten gelde, alles zonder bedrog’. Egbert Bosch (geboren op 25 juni 1721) was de zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Zijn ouders waren in 1718 getrouwd en twintig jaar later, na het overlijden van zijn eerste echtgenote, hertrouwde de weduwnaar met Cornelia Veer. Egbert is altijd ongehuwd gebleven. Wel was hij als doopsgezinde van de lucratieve bestuursbanen uitgesloten, maar hij had het toch tot een aanzienlijke staat van welzijn gebracht. In Lisse bezat hij de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart niet ver van de brug bij Halfweg, waar hij ’s zomers gaarne vertoefde. Hij was dus bijna zestig jaar oud toen hij de boerderij Middelburg kocht. Op 2 mei 1788 is de heer Bosch in zijn huis aan de Keizersgracht in Amsterdam overleden.

Morsveen en Zandvliet

De heer Bosch is overigens niet lang in het bezit van Morsveen/ Middelburg geweest. Op 11 december 1783 heeft hij de boerderij voor 6000 gulden verkocht aan Matthijs Ooster. Die was op 28 oktober 1747 te Amsterdam geboren als zoon van Matthijs Ooster en Maria Cornelia Quenelon. Stamvader van de familie was Matthijs Ooster, die zich in 1610 als laken-rapenier vestigde in Leiden.

Zijn kleinzoons, Matthijs en Wouter, trokken naar Amsterdam en daar is de familie tot grote welstand gekomen. ‘Onze’ Matthijs Ooster was een voornaam koopman en assuradeur op de Heerengracht, commissaris, schepen in 1777 en als oud-schepen door de erfstadhouder Willem V op 17 november 1787 geremoveerd. Verder was hij regent van het Leprozenhuis, directeur van de Levantse Handel en sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Sandvliet of Zandvliet te Lisse, waarvan de landerijen zich uitstrekten van de Heereweg tot aan de Leidse Vaart. Ooster was in 1772 getrouwd met Clara Hillegonda Hooft (1749-1800). Hun drie kinderen, waaronder opnieuw een Matthijs, zijn niet oud geworden. Ooster huwde nog tweemaal en is als een krasse oude baas in 1842 te Utrecht overleden. Door de aankoop van Middelburg is het terrein van Zandvliet nog meer uitgebreid en afgerond.

Het einde van Zandvliet

Op 14 mei 1797 heeft Matthijs Ooster Middelburg verkocht aan Lucas JMzn Boon, koopman te Rotterdam. Een week eerder was Zandvliet, inclusief Middelburg zoals het nu genoemd wordt, reeds in de veiling gebracht. Boon kocht Middelburg met ‘zijne paarde- en beestestallen, schuur en barg, bossen, wei-,hooi-, en teeltlanden’, circa 62 morgen grond voor ƒ 8.000,- en een custingbrief (schuldbrief) van ƒ 5.000,-. Verscheidene malen kocht Boon – al of niet insolvente – boedels op, die hij later weer doorverkocht. Ook van zijn Lissese goederen heeft hij zich spoedig weer ontdaan. Op 22 april 1800 wordt Middelburg verworven door Simon Petrus Joosten. Nu is Middelburg, zoals de boerderij thans haast altijd wordt genoemd, los van Zandvliet, waarmee het sinds 1784 verbonden was, en het nadert nu Keukenhof. Joosten was namelijk gehuwd met Sara van Hoboken, een dochter uit het eerste huwelijk van de weduwe Eyssing-Scheltes, de eigenaresse van Keukenhof.

Boer Leenslag

In november 1806 overleed de pachter van Middelburg, boer Wouter van der Zwet. Zijn zoon Simon was pachter van het ‘bouwhuisje1 aan de Delfweg (Stationsweg) “t Lammetje Groen’, dat ook door Joosten was aangekocht. Voor Middelburg was er geen opvolger. Op 9 april 1807 werd boelhuis gehouden en als pachter vestigde zich er nu Jacob Leenslag.

Op 2 juli 1808 overleed in haar huis aan de Keizersgracht te Amsterdam de eigenaresse van Keukenhof, Anna Scheltes. Van haar beide dochters was de oudste nog in leven, maar het was bepaald, dat de jongste, Sara van Hoboken, Keukenhof zou erven. Op 28 oktober 1796 was Sara getrouwd met Simon Petrus Joosten, zoon van Jan Hendrik Joosten. Sara stierf in 1870 en ofschoon zij niet in gemeenschap van goederen waren getrouwd, was Joosten toch testamentair haar universele erfgenaam. Op 2 juli 1808 zijn dus Middelburg en Keukenhof verenigd. Nauwelijks is echter Joosten in zijn rechten getreden, of hij biedt Keukenhof en al zijn verdere eigendommen te Lisse weer te koop aan.

Schatrijk

Op ‘c/en 2e van Weijnmaend 1809′ werd Keukenhof met alles wat ertoe behoorde, dus ook Middelburg, aangekocht door de schatrijke mr. Johan Steengracht van Oostcapelle (1782-1846), een Haagse patriciër van Zeeuwse herkomst. In zijn handen en in die van zijn nazaten is Keukenhof behouden gebleven. Van 1846 tot 1899 was dit jkvr. Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne baron van Pallandt. Daarna haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt, gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden. Na haar dochter in 1923 volgde haar zoon Jan Maurits Dideric graaf van Lynden, gehuwd met Aurelia Elisabeth gravin van Limburg-Stirum. Na het overlijden van zijn vader op 25 november 1930 kwam Keukenhof met Middelburg in het bezit van de zoon Jan Carel Eilas van Lynden. Reeds dadelijk is mr. Steengracht ertoe overgegaan zijn gebied uit te breiden en af te ronden. Het is de Franse Tijd, een moeilijke tijd, maar geld schijnt bij hem bij de aankopen geen rol te spelen.

In de geschiedschrijving is er vervolgens een leemte. Tot 1982. In dat jaar meldt de familie Van Graven zich op Middelburg om daar een bestaan als boer op te bouwen. En sindsdien zijn het de generaties Van Graven die op Middelburg met trots de scepter zwaaien.

Boerderij Middelburg aan de Loosterweg-Noord net buiten Lisse in al zijn glorie. De hoeve heeft een historie van meer dan vijfhonderd jaar

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS STAKEN VOOR 16 GULDEN LOON PER WEEK

Besproken wordt het resultaat van diverse stakingen in 1913 en 1914. Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van 16 euro. De staking duurde 14 dagen.

Arie in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De arbeiders in de bloembollen-sector (de bloemistknechts) heb­ben vele jaren op de barricades vertoefd om betere arbeidsvoor­waarden te bereiken. Dat ging lang niet altijd zonder slag of stoot en ook hadden die inspanningen niet altijd succes, maar de arbeiders hadden een machtig wapen ont­dekt en wierpen dat in de strijd. Er werd gestaakt! En voor dat fenomeen hadden de werkgevers begin 1900 respect. En na de staking in 1913 en de bijna-staking in 1914 klauterden de arbeiders opnieuw op de barri­caden. Eerste Wereldoorlog is uit­gebroken. Nederland staat daar buiten, maar aan de omhoog schietende prijzen zou je dat niet zeggen. De lonen zullen dus ook moeten stijgen.

Eis: 17,75 gulden per week

In 1917 componeren de drie landarbeidersbonden een voorstel dat opnieuw een loons­verhoging beoogt. Men wilde een loon van ƒ 17,75 per week. De werkgevers menen dat vijftien gulden genoeg is, maar zijn later bereid tot ƒ 15,50 te gaan. De arbeiders zakken naar ƒ 17,- en als de ondernemers dan verklaren dat ze niet verder wensen te gaan dan ƒ 16,- barst de bom. Op 10 april 1918 is de staking een feit. De werkgevers laten weten dat de staking vóór de 15e april opgeheven dient te zijn, want anders zal men voor het

gehele gewest de ‘uitsluiting’ afkon­digen. Het helpt niet veel. De werk­gevers vormen geen eenheid. De ene firma doet wel mee aan de uit­sluiting van arbeiders die gestaakt hadden en de ander niet. Bij de sta­king zijn ongeveer 1100 arbeiders betrokken.

Twee weken

Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van ƒ 16,-. Het conflict dat in totaal veertien dagen duurde, behoorde hiermee tot het verleden.

Bloemistknechts aan het werk op het veld. Ze verwijderen kwaadbodems, abnormaal groeiende hyacinthen met een houtje, snotkoker, emmers en afgedekte kruiwagens, (foto: collectie Arie in ’t Veld, mei 1923)

WELGELEGEN WAS EERST EEN ZOMERHUIS

Boerderij Welgelegen behoorde ooit tot buitenplaats Dubbelhoven. Het lag op de hoek van de Heereweg en Vuursteeglaan. De bewoners vanaf 1767 worden besproken.

Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Boerderij Welgelegen, aan de Heereweg gelegen, heeft vele bewoners gekend. In de boeken “t Roemwaard Lisse’ en ‘Keukenhof van A.M. Hulkenberg staan hun namen opgetekend, evenals de wijze waarop de boerderij in andere handen overging, door verkoop of vererving. Ooit behoorde Welgelegen bij buitenplaats Dubbelhoven, dat gelegen was aan de noordwestzijde van de kruising Spekkelaan-Achterweg.

Dit buiten is geruime tijd in bezit geweest van kapitein Quirin Dabenis of d’Abenes. Na het overlijden van zijn vrouw heeft hij delen van zijn bezit van de hand gedaan waaronder in 1767 boerderij Welgelegen aan koper Sijmon Verdegaal. Rond 1800 laat Jaap Biggel het pand naast boerderij Welgelegen bouwen op de hoek Heereweg – Vuursteeglaan (nu nog bekend als het voormalig politiebureau), waar hij gaat wonen. Zijn buurman is de zoon van Sijmon Verdegaal, Jan Verdegaal. Deze is getrouwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaansdr en heeft twee dochters. De oudste dochter Marietje trouwt met Jan Riggel en de boerderij zal tot 1923 in bezit van de familie BRiggel blijven. Marietje en Jan hebben geen kinderen en laten boerderij Welgelegen na aan hun nicht, Agnes van Buiten. Zij trouwt met Jan van der Salm, de grootvader van de huidige bewoner Jos van der Salm. Boerderij Welgelegen is in 1983 gesloopt, alleen het bijbehorende zomerhuis is bewaard gebleven. Uit welke tijd boerderij en zomerhuis precies dateren is niet bekend.

Jos van der Salm is in het zomerhuis van boerderij Welgelegen geboren. Zijn grootouders hebben het boerenbedrijf lang in stand gehouden en bezaten land in de Poelpolder. Van der Salm: ‘ík weet dat er in het winterhuis later ook een flessen-spoelerij is geweest. Om die reden is het rieten dak toen vervangen door een pannendak. De boerderij is verkocht aan de gemeente en in 1983 gesloopt.’  Op deze plek tussen het voormalig politiebureau en het zomerhuis verschijnt het moderne gebouw van het arbeidsbureau, tegenwoordig Centrum voor Werk en Inkomen geheten. Liesbeth van der Salm: ‘Ik vind het eerlijk gezegd nog altijd een gebouw dat hier niet op zijn plaats is. De heg tussen de boerderij en het CWI-gebouw bewaakt de sfeer van het landelijke karakter rond de boerderij.

Een aantal jaren eerder is Jos van der Salm bang geweest dat de boerderij in zijn geheel het veld zou moeten ruimen: ‘Ze hadden de Westelijke Randweg precies door de boerderij getekend! Ik heb er nachtenlang niet van geslapen. Dat het het gemeentebestuur ernst is geweest, blijkt uit een plattegrond van Lisse uit 1978. Op deze kaart staat de Westelijke Randweg met stippels aangegeven en inderdaad dwars over het terrein van boerderij Welgelegen. Gelukkig komt het gemeentebestuur tot inkeer en krijgt de Westelijke Randweg een zuidelijker aansluiting op de Heereweg.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog betrekken de ouders van Jos van der Salm het zomerhuis van Welgelegen na een grondige verbouwing om het voor wonen geschikt te maken: ln een van de voorkamers stond een ketel waarin het voer voor de koeien werd gekookt. Er was nooit gewoond.De huidige huiskamer, met het authentieke balkenplafond, bestaat dan nog uit twee vertrekken: “toen wij de woning betrokken, hebben we er één woonkamer van gemaakt, met behoud van het balkenplafond.’  De deur aan de noordzijde van het pand leidt naar de bijkeuken, waar allerlei details nog wijzen op een ver verleden. De grote waterbak is nog steeds in gebruik. Vroeger is deze, gevuld met koud water, gebruikt om de bussen melk te koelen die enkele dagen later werden opgehaald. Nu is zo’n grote bak heel handig wanneer je bijvoorbeeld met vuile laarzen thuiskomt. Het houten rek er boven biedt ook nu nog plaats aan emmers, maar die bevatten tegenwoordig geen melk meer.

Van der Salm doet er veel voor om de boerderij, die in tegenstelling tot de woningen aan de overkant van de Heereweg op een strandwal is gelegen, zoveel mogelijk in stand te houden. Hij houdt van het huis en wil het zo authentiek mogelijk houden. En dat is veel werk. De muren bestaande uit vier centimeter smalle steentjes, het zogeheten waalformaat, vertonen nog geen enkele scheur, maar moesten nog niet zolang geleden opnieuw worden gevoegd. De dakpannen zijn vernieuwd, nadat er door een zware storm, twaalf jaar geleden, menig dakpan naar beneden kwam: ‘Er lagen oudhollandse dakpannen op, maar daar kan de wind gemakkelijk onder komen en dat gebeurde in die hoek nogal eens. Er liggen nu nieuwe verbeterde Hollandse pannen op en natuurlijk rode.

De stallen aan de achterzijde van de boerderij onder hetzelfde dak gelegen zijn nog voorzien van de authentieke houten pen verbindingen. De dakkapellen horen eigenlijk niet zo bij dit oude pand, maar die laat Van der Salm maar zo. De zolder is immers als woonruimte in gebruik. Hij vindt het wel erg spijtig dat het hek met de naam Welgelegen bij de sloop van het noordelijke pand ten onder is gegaan: ‘We kwamen thuis en het hek was verdwenen, gewoon meegesloopt’ . De losstaande schuren die bij de boerderij behoren, zijn niet zo oud. Maar de sfeer van het oude boerenerf is nog in geheel intact en wordt door Van der Salm in ere gehouden.

Het echtpaar is erg blij met hun woning niet in de laatste plaats omdat het zomerhuis een geschiedenis heeft en al lange tijd in handen is van de familie. Liesbeth van der Salm, die zelf in Den Haag opgroeide: ‘Mede door het weitje is het hier uniek en heel landelijk wonen. En we boeren nog steeds, kleinschalig en als hobby. We hebben vier koeien en een aantal schapen. In het voorjaar staan de lammetjes in de wei. Ik vind dat geweldig. De waterput voor het huis is een tijdlang buiten gebruik geweest, maar hij doet het weer, en ik gebruik dat water ’s zomers voor de planten.

De boerderij Welgelegen aan de Heereweg, naast het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), dat vroeger het Arbeidsbureau heette. Op de boerderij wordt tegenwoordig kleinschalig geboerd. Oorspronkelijk behoorde het pand tot het buiten Dubbelhoven dat het in gebruik had als zomerhuisje.

VEEL PACHTERS KONDEN HET NIET BOLWERKEN: ARMOE TROEF OP DEVERBOERDERIJ

Volgens Hulkenberg werd de eerste boerderij bij Dever gebouwd aan het einde van de 16e eeuw. De geschiedenis en de bewoning van de boerderij wordt besproken.

door Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Het is niet bekend wanneer precies de boerderij van het versterkte Huys Dever, dat omstreeks 137O werd gebouwd door Reinier die Ever, is gebouwd op de plaats waar hij nog steeds staat, terzijde en achter het Huys en goed zichtbaar vanaf de Heereweg. Volgens de Lissese historicus A.M. Hulkenberg moet dat geweest zijn aan het einde van de 16e eeuw, dus ruim vijfhonderd jaar geleden. Hij concludeerde dat uit stenen die werden gevonden nadat de boerderij in 1894 afbrandde. Een deel van die stenen is gebruikt voor het vergroten van de stal.

Maar veehouder Jan Rotteveel, die in 1935 op de boerderij geboren werd en er nog steeds woont, betwijfelt de vondst van Hulkenberg. Hij zegt: 7/c heb hier nog nooit een oude steen gezien! Toen de boerderij afbrandde door hooibroei was het een lage rietgedekte stolpboerderij. Daar kunnen nooit veel stenen in gezeten hebben!1

In het begin van het versterkte woonhuis zal, zo neemt ook Hulkenberg aan, de boerderij die de bewoners van het huis van allerlei moest voorzien, gestaan hebben op het voorplein. Een van de casteleyns, de bewoner van een kasteel, was in het begin van de 15e eeuw een zekere Matheus Claes, die waarschijnlijk de vader was van Vranck Matheusz en de groot­vader van Dirk

Vrankez, die hem opvolgden. Leenheer in die tijd was Gysbert van Haeften die op jonge leeftijd stierf aan een beet van een dolle hond. Ze hebben hem op een voor die tijd behulpzame wijze uit zijn lijden verlost door hem ’tussen twee bedden te smoren’.

Casteleyn

Dirck Vrankesz werd omstreeks 1465 geboren en bewoonde tot 1550 als casteleyn, slotvoogd dus, en als pachter van de 33 morgen en 83 roeden* grond waarschijnlijk het bouwhuis, boerenhuis, op het erf. Op de oudste afbeelding van het Huys

Dever (‘Caertgen van thuys te Dever’) kan men een aantal boerenbouwsels op de voorplaats zien staan. Hulkenberg vermoedt dat aan het einde van de 16e of het begin van de 17e eeuw de boerderij achter het versterkte huis werd gebouwd. De pachter was in die tijd Jacob Jansz van Soertermeer, die getrouwd was met Jannetje Florysdr uit Wassenaar. Ze hadden een hele reeks kinderen. De pachter werd ook wel Jacob Jansz van ’t Slot genoemd of Jacob Jansz op ’t Hof.

In 1658 werd de waarde van de boerenwoning met de erbij behorende landerijen geschat op 20.000 gulden. In het betrokken stuk wordt daar laconiek aan toegevoegd: lhet welcke imers genough is1.

In 1678 werd de boerderij, die bestond uit het ‘bouwhuys, bergh, schuer en een groot aantal percelen gronds, waaronder ook 84 roe bij de boerewoning, van ouds elstland, nu tot boomgaert gemaekf, gehuurd door Jannetien Pieters van Bouwman uit Lisse, die zich omdat vrouwen in die tijd niet zelfstandig mochten handelen, liet vertegenwoordigen door haar voocht Maerten Cornelisz van der Burch die in de Engel woonde. Jannetien had een vijftal bouwmeijts of bouwknechts in huis. Dat wijst er op dat het Jannetien goed ging, maar de geschiedenis wijst uit dat de meeste pachters het zwaar hadden en nauwelijks rond konden komen. Zo best waren de gronden van Dever niet!

Boedel

Zo kon pachter Willibrord Ariusse Akersloot in het begin van de 18e eeuw niet rondkomen. Een hevige storm blies het rieten dak eraf en beschadigde kozijnen en keldervensters. Het land bracht zo weinig op dat hij in 1707 de pacht niet meer kon betalen. Alles wat hij had moest hij via een boedel verkopen: veldvruchten, bouwgereedschap, meubelen, de bruine ruin, 21 koeien, de bonte stier, het hooi, kaas, een vloot, een berie, een melkmouw, een tafel, twee stoelen, koperen ketels, een karrewagen, een kruiwagen, een gierbak, twee emmers, een karn, een pers en een tobbe. De volgende pachter, Pancras Damasse Santvliet, wiens vader nog kroosheemraad was geweest, in welke functie hij moest

Er waren veel liefhebbers. Onder hen Arie Rotteveel die in Lisse een boerderij en een broodbakkerij had (thans bakker Freriks), welke zaken Arie na de dood van zijn vader in 1880 had overgenomen. Hij trad evenwel op voor zijn zoon Jan, die toen 25 was. Zijn tussenkomst slaagde en Jan werd de nieuwe boer; hij trouwde nog dat jaar in oktober met Cornelia Verdegaal uit Groenendijk-Hazerswoude.

Te hoog en te droog

Het zat Jan Rotteveel niet mee. Het land was slecht, op ruim 20 hectare kon hij maar 16 koeien houden. De huidige bewoner van de boerderij Jan Rotteveel vertelt: Het land aan de voorkant van de boerderij was te hoog en te droog en de achterkant, richting Haarlemmermeer, was moeras. Er groeide dus niks. Mijn grootvader heeft het hoge land afgezand en het moeras opgehoogd, zodat het nog wat werd.’  Maar in oktober 1894 ging de boerderij met al het hooi in vlammen op. De familie Rotteveel ging in de schuur wonen Daar werd Anna geboren die later het klooster in ging. Spoedig werd een nieuwe boerderij gebouwd zonder voorhuis en opkamer, maar wel ruim en modern zodat boer Rotteveel er nu voor het eerst rechtop in kon staan. Tot op de dag van vandaag woont de familie Rotteveel op de boerderij. Jan (Johannes Petrus) Rotteveel (1935) zal er voorlopig nog blijven, zegt hij. Hij is veehouder en brengt jongvee groot tot melkvee voor zijn zoon die een veehouderij heeft in Stellendam. Jan Rotteveel is geen pachter meer van de boerderij. Hij is eigenaar.

Duits dus vijandelijk bezit

Dat kwam door de Tweede Wereldoorlog. De eigenaar van Dever en dus van de landerijen was sedert 1720 de familie Heereman van Zuydwijck, een katholieke familie die tijdens de reformatie naar Duitsland was gevlucht. Toen de Tweede wereldoorlog uitbrak, was Max Emmanuel Joseph Maria Aloysius Hubertus baron Heereman van Zuidwijck niet alleen Fideikommiszherr van Surenburg, Nevinghof, Wienburg en Delsen, heer van Maser, Herding en Grevinghof, maar ook heer van Dever en Lisse. Hij kwam in de oorlog af en toe naar zijn bezit kijken, maar was liever reserve-officier dan kasteel­heer.

Na de oorlog kwam het Nederlands Beheersinstituut in werking die voor de Raad van Rechtsherstel het Duits en dus vijandelijk bezit, wat Dever was, onder beheer nam. In 1949 ging het instituut tot liquidatie van de Devergronden over en aangezien de voormalige pachters het eerst in aanmerking kwamen voor koop, geraakt Jan-Piet Rotteveel in het bezit van ongeveer 25 ha land om Dever met de woning en de bedrijfsruimten. Baron Heereman van Zuidwijck bezocht zelf zijn pachter en raadde hem ten sterkste aan de koop te sluiten! Maar al in 1970 moest veehouder Rotteveel 10 ha afstaan aan de gemeente Lisse voor het Bedrijventerrein Dever, in casu voor een vestiging van de autofabriek Nissan.

In 1895 werd de boerderij van ’t Huys Dever opnieuw gebouwd nadat de vorige, een rietgedekte stolpboerderij, was uitgebrand. Het geheel
is thans in bezit van de familie Jan Rotteveel. * Een morgen is 600 Rijnlandse roe. Een hont is 100 Rijnlandse roe. 7 hont is 1 hectare

DE BOERENGEMEENSCHAP VAN LISSE: ‘BOUWMANSWONINGEN’ IN HET CENTRUM

In de 17e eeuw stonden de boerderijen tot in het dorp. De boerderijen werden ook bouwmanswoningen genoemd.

R. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Kadasterkaart 1812

Veel boerenbedrijven stonden in het verleden niet op zichzelf, maar maakten onderdeel uit van een buiten­plaats of landgoed. Op deze wijze kon een buiten­plaats zichzelf bedruipen middels de binnenkomende pachtsommen. In Lisse waren evenwel ook veel boerde­rijen (vroeger ook wel ‘bouwmanswoningen1 genoemd) die niets van doen hadden met een buitenplaats of landgoed. Tot in het dorp kwam men ze nog tegen.

Dit laatste zal menige lezer misschien verbazen. Ook in Lisse was (voor de opkomst van de bloembollencultuur) de veeteelt een vrij belangrijke bron van inkomsten. Sommigen verdienden er dik aan: men treft hun namen regelmatig aan in de zoge­naamde protocollenboeken in het Nationaal Archief, waarin allerlei koopacten staan overgeschreven. Toch waren er ook genoeg tegenslagen in het boerenbestaan. Daar zullen we in de volgende paragraaf op in gaan.

Kaplleland

Terug naar het dorp Lisse als boerengemeenschap. Men kwam met name veel boerenhofsteden tegen in het gedeelte van Lisse dat bekend stond als het Kapelleland en dat zich bevond tussen de huidige Kanaalstraat en de Grachtweg. Op de afgebeelde kaart (zie pag. 9) is dit deel van het dorp Lisse duidelijk waar te nemen: men ziet hierop de Heereweg, de ‘Broek Steeg’ (Broekweg, tegenwoordig Kanaalstraat) en een deel van de Grachtweg. Zoals reeds opgemerkt werd dit deel van Lisse het Kapelleland genoemd. De reden daarvoor was niet gelegen in het feit dat de opbrengsten bestemd waren voor de kerk of kapel, zoals Hulkenberg opmerkt in één van zijn publicaties. Het woord ‘kapel’ heeft in dit geval betrekking op vlasschoven die hier op het weiland te drogen werden gezet. Naast de veeteelt was namelijk ook de vlasserij een vrij belangrijke bron van inkomsten in Lisse. De gronden waren echter eigendom van de kerk. Tijdens de reformatie ging het onroerendgoedbezit van de Rooms-Katholieke kerk over in handen van de protestanten. Deze riepen een kerkelijk bureau in het leven om deze gronden te beheren. Ook het Kapelle-land werd hierin ondergebracht.

Ambachtslieden

De voormalige boerderij aan de Kanaalstraat is nu in gebruik bij de horeca. Rechts het Italiaanse restaurant La Fontana, links het Pannenkoekenhuisje

Vanaf de 17de eeuw zien we dat er steeds stukjes grond in erfpacht worden afgestaan, waarna er huizen op gebouwd worden. Veel daarvan maakten – getuige de afgebeelde kaart -deel uit van boerenbedrijven. Laatstgenoemde kaart laat ons, in combinatie met de bijbehorende beschrijving van de percelen (de leggers), de situatie zien zoals die in 1832 was. Aan de Heereweg wonen en werken meest ambachtslieden. Alleen perceel 182 is een boerenwoning waarin op dat moment de weduwe van Gerrit van Klaveren woont. Daar schuinonder is de ‘Broek Steeg’. In het huis met perceel­nummer 229 woonde in 1812 nog Arie van der Vlugt, bouw­man ofwel boer van beroep. In een akte gedateerd 25 februari 1818 wordt deze boerderij ook wel Noorland genoemd. Bij deze gelegenheid verkoopt boer Arie van der Vlugt zijn bezit aan de Kanaalstraat aan Jan Vreeburg. Deze woning bestaat nog en wordt in de volksmond ook wel de boerderij van Hulsbosch genoemd. Tegenwoordig is dit een pizzeria (zie afbeelding op deze pagina). Vanuit deze woning moet men een prachtig uitzicht hebben genoten op de uitgestrekte weidegronden aan de andere zijde van de latere Kanaalstraat (Broekweg), ongeveer waar zich nu de Wagenstraat bevindt.

De Woelige Stal

De boerderij van de familie Langeveld aan de Grachtweg (tegenwoordig bevindt zich hier De Woelige Stal). De foto is genomen vóór 1930. foto: collectie J. Langeveld, Lisse.

Het kadastrale nummer 223 is eveneens een boerenwoning die in 1832 eigendom is van Cornelis van der Jagt. Dat geldt ook voor nummer 220 aan de Grachtweg. Deze woning was in 1817 aangekocht door Simon Langeveld. Hier bevindt zich tegenwoordig De Woelige Stal. In nummer 216 (aan de Broekweg) woonde en werkte vanaf 1908 eveneens een boer, namelijk Cornelis Ruigrok. Hij had jarenlang gewoond aan de Loosterweg op de eeuwenoude boerderij Achterduin (thans Loosterweg 15). Op een goede dag kreeg Ruigrok boerderij Achterduin te koop aangeboden.

De eigenaar, de heer Verdegaal, wilde van zijn bezit af. Echter, boer Ruigrok voelde er niet veel voor. Zijn buurman, Van Noort, zag zijn kans schoon en kocht het aan. Kort daarna is Ruigrok verhuisd naar de Kanaalstraat met zijn gezin. Hij had daar een woning aangekocht ter plaatse van de huidige winkel van Van Steijn. Boer Cornelis Ruigrok is in 1930 overleden, waarna in 1934 de boedel werd verdeeld. Siem of Simon kreeg de woning aan de Kanaalstraat toebedeeld. Gaan we nu nog iets meer richting het zuid-oosten, richting de Lisserbroekpolder. Perceelnummer 215 aan onze rechterhand is Het Hofje. Pieter Six had het in 1741 gelegateerd aan de gereformeerde diaconie. Dit is tevens de laatste woning aan de Broekweg of Kanaalstraat. Vanaf hier liep men rechtstreeks het weiland in, waarbij men aan de rechterhand aan de gracht nog wat huizen kon zien en aan het eind daarvan de Lissese korenmolen. Wat fijn moet het toch geweest zijn zomaar wat rond te kuieren in het Lisse van toen!

 

Veepestepidemieën

Maar hoeveel gevaren lagen er in het gewone bestaan niet iedere dag op de loer! Op de gevel van een huis aan de Vliet in Voorburg staat niet voor niets nog altijd de tekst: 7n de Waereld is veel Gevaer1 te lezen. En zo was het ook! Door blikseminslag kon zomaar een groot gedeelte van een stad (alleen maar huizen van hout!) in de as worden gelegd. Er bestonden geen uitkeringen, geen verzekeringen. Tegen veel ziekten was men nog altijd niet opgewassen. Een eenvoudige griep kon al fatale gevolgen hebben. En dan die epidemieën… De Lissese boerenstand heeft het er wat moeilijk mee gehad! Hele veestapels werden er door gedecimeerd. Omdat men praktisch niets over de runderpest wist, kon de ziekte hard en ongenadig toeslaan. Zo bezweek tussen half mei en eind september 1769 40% van het Lissese vee aan de veepest. Al eerder, in de eerste decennia van de eeuw, was er ook een grote veepestepidemie geweest, alsook omstreeks 1750. Wat men er tegen kon doen? Vrijwel niets in die tijd. Gewoon de ziekte uit laten woeden en vervolgens de schade opmaken. En denk nu maar niet dat men schadeloos gesteld werd door de overheid als getroffen boer, zoals dat recentelijk nog is toegezegd aan de gedupeerden van de MKZ-crisis. Dat was niet aan de orde. Integendeel, sommige buitenplaatseigenaren, zoals professor Röell van Keukenhof of Pieter Six van Grotenhof, maakten misbruik van de situatie door koeien die van de ziekte genezen waren en dus immuun waren geworden, voor een hoge prijs te verkopen. De één zijn dood is de ander zijn brood…

Branden

Ook branden kwamen op boerderijen nog wel eens voor. Dat een ongeluk in een klein hoekje kon liggen wat dat betreft, bewijst een aantal stukken dat zich bevindt in het streekarchief Rijnlands Midden. Ze handelen over een ernstige brand die op 26 juli 1705 had plaatsgevonden op de boerderij van de buiten­plaats Keukenhof. Zo verklaart Claas van Rode, chirurgijn te Lisse, op 2 maart 1706 voor notaris Jacob van Dorp dat Andries Spruit, die bovengenoemde boerderij huurde van Hendrik van Hoven, melkmouwen* aan het blakeren was op een afstand van een roede (ongeveer 3.77 meter) van de hooiberg. Hij verklaart verder: ‘ende dat den vs. (voorzegde) Barg op den 26 Julij des avonds nog in brand is geraakt, door dewelke het voorsz. geheelen Boerenhuys behalven ’t karnhuys alsook een nieuwe groote Schuur (…) met vele goederen daar inne ’t eenemaal sijn verbrand’. Ook hooibroei kwam wel voor. Zo lezen we in de memoires van Johannes Rotteveel (1804-1880) onder meer: ‘En den 6 september (1830) is de woning van de Heer Van der Staal, bewoond door

Karel Schrama, verbrand door het broeien van het hooi’.

Boererij De Phoenix.

Het betreft hier boerderij De Phoenix aan de Achterweg. Die arme Schrama… Zo’n zeventien jaar later werd zijn vee getroffen door een epidemie. Gelukkig is hij er goed doorheen gekomen, zodat hij nog tot aan zijn dood in 1876 op De Phoenix is blijven boeren. Maar zoiets kon niet iedere boer hem nadoen. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer boerderij-branden geweest dan wij hebben kunnen achterhalen. Maar of het nu branden of epidemieën waren: het hoorde allemaal bij de risico’s van het boerenbestaan. Of, zoals wij nu zouden zeggen: ‘It’s all in the game’. En iedere boer wist dat heel goed.

BOLLENSCHUREN VOOR DE MONUMENTENLIJST

Een beschrijving van een groot aantal bollenschuren wordt weergegeven.

door de redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

De foto’s zijn overgenomen van het CHG Bollenstreek, Werkgroep  Bollenschuren

De leden van de Monumentencommissie van Lisse hebben, gebruik makend van de inventarisatie van het bolllenschuren-bezit in Lisse die door de Projectgroep Herbestemming Oude Bollenschuren is opgesteld, een lijst opgesteld van een aantal schuren die de aandacht verdienen en het behouden waard zijn. Een aantal van deze schuren zal dus op de gemeentelijke Monumentenlijst komen te staan.

HEEREWEG 335/A

De schuur voorheen Theo Lefeber, thans van fa. Bakker. Van buiten gezien is de schuur gaaf en lijkt in goede conditie: een fraai exemplaar waar niets aan verrommeld is. Situatie van binnen onbekend!

 

 

 

NIEUWSTRAAT 20

Bollenschuur Nieuwstraat 20
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur voorheen Beelen, thans schilders­bedrijf Marseille. Eveneens een puntgave schuur. Hij is van exact dezelfde construc­tie en ontwerp als die van Lefeber hier­boven.

Beide schuren stammen uit dezelfde periode. Er is al sterkstroom (rond 1930) dus zijn er ventilatoren en geen grote deu­ren meer aangebracht voor de ventilatie. De schuur van Lefeber heeft iets meer pretenties (een deftige fries met de naam erop). Uit het oogpunt van wijs beleid moet er slechts één bewaard blijven en op de lijst geplaatst: welke? Dat hangt ook af van andere zaken af.

 

HEEREWEG 450-452

Bollenschuur Heereweg 450
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur en woonhuis Van der Zon. Puntgaaf complexje wat zeker op de lijst moet worden geplaatst.

 

 

 

 

 

 

HEEREWEG 341

Bollenschuur Heereweg 341.
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur voorheen Verduyn en Ten Hagen thans Blanken. Schuur zelf is niet meer de mooiste, er is veel aan veranderd. Maar de combinatie met de villa (‘De Venne1), de ligging aan een (zand)vaart en de posi­tionering bij de voormalige tuinbouw-school schept wel een fraai ensemble. Behoud van de schuur zorgt er met name voor dat het fraaie zicht op de Tuinbouwschool vanaf het noorden via de Heereweg behouden blijft.

 

 

 

HEEREWEG 425

De voorkant van de bollenschuur is vanaf de weg goed te zien

Dames en Werkhoven. Het woonhuis en de schuur naast het woonhuis te samen zijn fraai en het behouden waard. Er moet echter wel veel aan verbeterd, c.q. in meer oorspronkelijke setting worden terugge­bracht om het goed te krijgen. Die kans moet het geheel echter wel krijgen.

HEEREWEG 449

Thans in gebruik door Walraven, timmer­werken. Mooi geheel, woonhuis in de lengte-richting van de weg en de schuur daar dwars op erachter en een beetje scheef geplaatst (waarom?). Een van de weinige schuren met een kap.

 

 

ZWARTE LAAN 30

Zwartelaan 30

Schuur in eigendom van W.R Ruigrok. Grote stenen schuur midden in het bol-lenland. Met nog een echte latten (narcis-sen)loods er tegen aan. Schuur ziet er gaaf uit, er is weinig aan verrommeld, daardoor en door de positionering is plaatsen op de lijst gewenst.

 

 

 

HEEREWEG 429

Bollenschuur Heereweg 429
Foto: CHG Bollenstreek

(eigendom onbekend). Een woonhuis en schuur aan elkaar vast. Zeer strakke, strenge vormgeving, van buiten gezien nog helemaal gaaf. Is nog niet eerder aan de orde geweest bij de Projectgroep Herbestemming Oude Bollenschuren.

 

 

 

 

 

SCHURENCOMPLEX TUSSEN DE SCHOOLSTRAAT EN DE 1STE HAVENDWARSSTRAAT

De zijkant van de Vergulde Zwaan

Het betreft een drietal schuren die als een cluster bij elkaar staan. Met de bijbehorende woonhuizen, (in de 1ste Havendwarstraat 6 zelfs eraan vast) geeft dit ensemble een karakteristiek dorpsbeeld uit het begin van de vorige eeuw. Sterk overwegen om op de lijst te plaat­sen. Juist met de ontwikkeling van de nieuwe centrumplannen is hier  wellicht een waardevol historisch element in het centrum van de maken.

 

WAAROM WORDT EEN PAND GESELECTEERD VOOR DE MONUMENTENLIJST?

Een beschrijving van een groot aantal gemeentelijke monumenten wordt weergegeven.

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Tijdens het samenstellen van een lijst van nieuw geselecteerde gemeentelijke monumenten in Lisse bleek dat de informatie aan de eigenaren over de nieuwe status van hun woning c.q. object, te wensen overliet. De argumentatie was met name te summier. Een veel gehoorde klacht was ook, dat er geen bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit. De afdeling Onderwijs, Sport en Cultuur heeft in maart van dit jaar deze omissie goed willen maken middels een brief. Die drukken wij in zijn geheel af.

De in het boekwerk van de Vereniging Oud Lisse geformuleerde argumenten, en die vermeld in de Monumenten Inventarisatie Project (MIP) rapportage, zijn in de brief verzameld. Indien voorhanden zijn de teksten uit de MlP-rapportage cursief weergegeven.

Rechts is de woning, links het voormalige Koetshuis

Achterweg Zuid 50 en 52 (Huis Ter Specke) #

Op deze plaats stond het 15e eeuwse ‘leengoed Ter Specke1. Wat resteert is een tot bewoning omgebouwd koetshuis van de rond 1720 gebouwde hofstede, en, op het restant van een binnenduin, een door Leen Tol junior in 1952 ontworpen woonhuis, gebouwd van de stenen afkomstig van de gesloopte boerderij. Boven het zolderraam is de steen met de naam ‘Huis Ter Specken’, gevonden in 1946 bij afgravingen, ingemetseld. Deze steen komt uit het statige woonhuis dat voor de boerderij op het binnenduin stond. De hekwerken zijn misschien niet origineel, maar passen goed bij dit complex. Het CHW-rapport spreekt van een goed in de landelijke omgeving passend geheel. Gezien de aard van dit complex dient het als gemeentelijk monument beschouwd te worden.

Bondstraat 13 (Patronaatsgebouw)

De voorkant van het patronaatsgebouw

Dit voormalig patronaatsgebouw van de St. Agatha parochie is, in zjjn studietijd, ontworpen door architect C.W. Barnhoorn en dateert van 1918. De goede hoofdvorm maakt dit pand beeldondersteunend. Het MIP rapport acht het pand van sociaal-historisch belang.

Voorgevel met middenrisaliet met betonnen afdekstenen met kruisbeeld op top, en hoekpilasters met betonnen afdekstenen. Rode baksteen in kruisverband met aan voorgevel afgeschuinde plintlijst van groen geglazuurde baksteen. Lekdorpels van geprofileerde groen geglazuurde baksteen. Bogen boven vensters. Kroonlijst van uitkragend metselwerk met blokmotief. Boven zijgevel houten goot op klossen. Aangesmeerde gevelsteen met naam omrand door rode strengperssteen. Nieuwe deur in portiek. Schuifvensters met bovenlichten met roedeverdeling. In voorgevel twee vensters met zes-ruits bovenlichten. Plat dak. Aan achterzijde éénlaagse aanbouw uit ca. 1970 (valt buiten gemeentelijke monumentenstatus). Datering volgens eerste steen in portiek. Motivatie: Sociaal-historisch belang.

Heereweg 172

Vroeger was hier een bakkerij gevestigd

Dit, van oorsprong 18e eeuwse pandje, zal zijn huidige voorkomen rond 1850 verkregen hebben. De mooie winkelpui was destijds van bakker Vaneveld, de achtergelegen grote ‘schuur’ was de bakkerij. Het halve dakvenster doet vermoeden dat het pand groter is geweest en het linkerdeel gesloopt is ten behoeve van nummer 140. Ondanks enkele aanpassingen en nogal bonte kleurstelling, achten wij dit hele complex van groot belang voor het oude straatbeeld en dient het als gemeentelijk monument gewaarmerkt te worden. Het MIP rapport spreekt van een ‘karakteristiek geheel’. Zijgevels met vlechtingen, mogelijk begin 18e eeuw. Rode baksteen in kruisverband. Rollagen onder en boven vensters. Schuifvensters. Winkelpui met consoles en pilasters. Zadeldak met rode Hollandse pannen. Aan de achterzijde schuur met zadeldak en windveren. Daarachter houten schuur met plat dak. Motivatie: karakteristiek geheel. Geornamenteerde winkelpui grotendeels intact.

Heereweg 225

De huidige situatie

Witgestuct woonhuis met symmetrische raam- en deurindeling. Het huis bezit een begane grond, een eerste verdieping en een zolder in de kap. De symmetrische voorgevel is een zogenaamde lystgevel en geheel gestuct (wit) met blokverdeling. Het stucwerk is uitgevoerd in frijnslagmotief. Uitgebouwde lijst ter plaatse van de onder­dorpels van de verdiepingskozijnen. Ter hoogte van de verdiepingsvloer bevinden zich gietijzeren balkankers. Het plint is in een donkere kleur geschilderd. Alle kozijnen zijn authentiek en de schuiframen bezitten nog de oorspronkelijke empire indeling. Alle bovendorpels zijn in de hoeken afgerond, in het bovenlicht van de voordeur bevindt zich een gietijzeren levensboom. Blankhouten voordeur met koperen klopper. Langs alle kozijnen bevinden zich profileerde stuclysten. Het dak is een zadeldak belegd met blauw-grijze verbeterde Hollandse pannen. De brede bakgoot op gesneden klossen en gootljjst (fries) wordt beëindigd met houten krullen. De eigen stoep langs de voorgevel is van beton en wordt begrensd door hardstenen stoeppalen en smeedyzeren hekwerken. In de achtertuin bevindt zich, als erfafscheiding met Heereweg 223, een gemetselde muur met zandstenen kolommen en koppen. Bouwjaar ca. 1860 (voorgevel, het huis zelf is waarschijnlijk ouder, te weten 18e eeuw). Hier woonde vroeger de bloembollenkweker Pijnacker. De vier panden Heereweg 221, 223, 225 en 227 vormen aan het Vierkant één van de mooiste straatwanden van Lisse. Gezien de hoge architectonische kwaliteit dienen deze panden als gemeentelijk monument beschouwd te worden. De naastliggende panden zijn helaas verloren gegaan. Wit gepleisterd, plint grijs. Schijnvoegen en groeven ter imitatie van natuursteen. Fries vormt samen met houten kroonlijst classicistisch hoofdgestel. Gietijzeren geornamenteerde ankers, vier- en zes-ruits schuifvensters met geprofileerde middenstijl. Afgeronde bovenhoeken. Gietijzeren levensboom in bovenlicht voordeur. Deur uit ca. 1920. Zadeldak met gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse pannen. Hard­stenen stoep en stoeppaden. Smeedijzeren leuning met krullen. Motivatie: beeldbepalend pand.

Heereweg 230 e.a

Links was de oude Albert Hein winkel

Tegenover de ‘mooiste straatwand van Lisse’ (zie hierboven) staan deze meermalen verbouwde panden, welke grotendeels stammen uit de vorige eeuw; het pand 228-230 is in 1930 ontworpen door architect J. Francken te Haarlem. De boven-bouwen laten in grote lijnen nog iets van de oorspronkelijke hoofdvormen zien, de onderbouwen harmoniëren slecht met zowel de bovenbouw als onderling. De aangebrachte reclame-uitingen zijn vaak te grof. Gezien de hoofdvormen is dit pand beeldondersteunend voor het Vierkant.

 

 

Heereweg 473 (Ter Beek’)

boerderij,landgoed,woning

Boerderij Ter Beek

Woonhuis met aangebouwde stal onder één kap. Losstaande, met poort verbonden, melk- en karnruimte; gebouwd in 1910. Symmetrische voorgevel; woonhuis bestaat uit begane grond en de eerste verdieping in de kap. Het gevelmetselwerk is uitgevoerd in kruisverband. Onder de kozijnen zijn gele gemetselde waterslagen aangebracht. Het plint is gevoegd met donkere specie, opgaande gevels met lichte specie. In het plint van de voorgevel is het kelderraam opgenomen. Boven de kozijnen is een natuursteen latei aangebracht, waarboven gemetselde ontlastingsbogen met boogvulling. Ook tussen de kozijnen van de begane grond in de voorgevel is deze latei met ontlastingsboog als versiering aangebracht. De eerste steen is opgenomen in geel metselwerk. De gemetselde poort tussen huis en melkstal is geheel in stijl van het complex. De oorspronkelijke schuiframen zijn allen vervangen door ongedeelde ramen. De deurkozijnen, zowel in de zuid- als in de noordgevel, zijn van latere datum. De dubbele deuren in de melkstal zijn voorzien van klampen in Art Nouveau stijl. Woonhuis met stal en de melkruimte bezitten zadeldaken, belegd met blauwgrijze kruispannen, de overstekende daken eindigen in de geprofileerde daklijsten met makelaar en sierkrullen. De oorspronkelijke staat van het complex doen ons dit pand, ondanks de minder gelukkige
aanbouwen aan de zuidzijde van recente datum, als karakteristiek waarderen.

Kanaalstraat 11 (Van Rossum & Zn) #

Kanaalstraat 11Besrijf van Van Rossum

Een oorspronkelijk 19e eeuws bedrijfspand, dat in de loop der jaren in het exterieur verschillende wijzigingen heeft ondergaan. Het gebouw bestaat uit een begane grond (werkplaats) en een zolderverdieping. De voorgevel is een zogenaamde tuitgevel met twee schouderstukken. Dat wil zeggen dat de gevel is doorgemetseld tot iets boven het dakvlak en in de nok is afgewerkt penantje (het tuitje of de waker) en tegen de zijgevels eveneens verticaal is beëindigd met zogenaamde schouderstukken. Het metselwerk is uitgevoerd in kruisverband en wordt op het trottoir beëindigd met een klein gestuct plint. Zeven gietijzeren rozetten verankeren de verdiepingsbalklaag en de gordingen in de kap. De oorspronkelijke draaideuren zijn vervangen door aan de buitenzijde schuivende deuren. De twee ramen ter weerszijden van de schuifdeuren bezitten gebogen bovendorpels. Het raam van de zolder is ingekort. Het zadeldak is belegd met rode oud-Hollandse pannen. Een 19e eeuws karakteristiek pand in een eenvoudige ambachtelijke architectuur, mede vermeld in de MIP rapportage. Rode baksteen in kruisverband. In de voorgevel strekken boven vensters. In de zijgevel rollaag boven vensters. Topgevel, sierankers, nieuwe goot. Houten vensters met roedeverdeling waarvan twee schuifvensters. In de top een deur gedeeltelijk dichtgezet en gewijzigd in openslaand venster. In de voorgevel schuifdeur, later aangebracht, balk loopt door over de strekken van de vensters. Zadeldak met rode Hollandse pannen. Aan de achterzijde nieuwere bedrijfsruimte bijgebouwd.

Motivatie: Redelijk gaaf 19e eeuws bedrijfspand met nog steeds bedrijfsfunctie.

Kanaalstraat 44 #

Hofje van Six - mei 2018

Hofje van Six – mei 2018

Het MIP rapport schrijft waarderend over dit woonhuis (1910) met sigarenwinkel (1925) en noemt met name het interieur van de winkel.

Vormt een gebouw met nummer 46. Dit is een woning van rode baksteen in kruisverband. Schuifvensters met glas in lood bovenlichten en bogen boven vensters. Pui sigarenwinkel circa 1925 in dit pand uit 1910 gezet. Rode baksteen in halfsteensverband met rollaag als plintlijst en boven venster en deur. Aan weerszijden van deur en venster van bovenzijde gevel decoratief uitkragend verticaal metselwerk. Houten kozijn met etalagevenster. Houten deur met ruit en ijzerbeslag. Boevenlichten in glas en lood. Zadeldak met gesmoorde verbeterde Hollandse pannen. Windveren en gevelmakelaar. Houten etalage met schuif ruiten. Houten kasten en rekken. Toonbank met vitrine. Motivatie: Gaaf, met name het interieur.

Laan van Rijckevoorsel 16 (‘Zwanendrift’) *

Zwanendrift vóór de renovatoe

Boerderij ‘Zwanendrift1 is gebouwd aan het eind van de 19e eeuw. Dit redelijk bewaard gebleven complex met aangepaste bijgebouwen is ons inziens, mede door het mooie boombestand, een gemeentelijk monument. Ook in het MIP rapport wordt lovend over dit complex geschreven. Rode handvormsteen in kruisverband. Aan de voorzijde gedeelte bijgebouwd in rode fabriekssteen in zelfde formaat. Aan de achterzijde gedeelte bijgebouwd circa 1970 in nieuwe baksteen. Houten goot op klossen. In de voorgevel strekken boven vensters. Windveren, gevelmakelaar en hoekmakelaars. Zes-ruits schuifvensters. Deur met roedeverdeling. Ijzeren stalvensters met roedeverdeling. In dakkapel houten luiken. In oudste deel twintig-ruits schuifvensters en een nieuw venster. Voorste deel met Oestgeester pannen en Tuile du Nord. Oudste deel met rieten dekking. Achterste deel met golfplaten. Geheel een zadeldak. Woonhuis verbouwde schuur met zadeldak en schild boven achtergevel. Gesmoorde Hollandse pannen. Twee originele houten strokendeuren, één met levensboom. Openslaande houten staldeuren. Hooiberg, nieuwe schuur. Gietijzeren toegangspoort tussen bakstenen postamenten. Drie kastanjebomen. Motivatie: Karakteristiek complex. Redelijk bewaard.

De met een # aangegeven panden, zijn panden waarbij de eigenaren bezwaar hebben aangetekend tegen de beschermde monumentenstatus