Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

HALFWEG DE TREKVAART VAN LEIDEN NAAR HAARLEM

Aad van Kampen heeft een artikel geschreven over de historie en plaats van de Halfscheidpaal, de grenspaal van Halfweg.  Tot op de dag van vandaag markeert een eeuwenoude, in de berm van de Leidsevaart, de trekvaart, stenen paal het punt halfweg tussen Leiden en Haarlem

door Aad van Kampen

Geo-Info, meinummer 2010

Stenen paal uit 1820 markeert ‘halfscheid’

. Toen de trekschuit nog voer, stond hier een herberg waar ook de paarden werden gewisseld. De pleisterplaats was eigendom van de gemeente Haarlem. Eerst kortgeleden is dit stukje grond teruggegeven aan Lisse

De 29 kilometer lange trekvaart tussen Leiden en Haarlem werd in 1657 in een recordtijd gegraven. Al in 1640 had een aantal Leidse textielhandelaren een verzoek ingediend voor een directe verbinding over water met Haarlem. Tot 1656 kon de aanvraag worden tegengehouden, bang als de concurrentie was voor andere vormen van vervoer. Maar de trekvaart was vooral bedoeld voor passagiersvervoer.
Waarom was de trekschuit zo’n populair vervoermiddel? Dat had te maken met het comfort van deze vorm van vervoer. De schuit – een lange, smalle boot met kajuit waarin zo’n vijfendertig passagiers konden worden vervoerd – had een constante snelheid van 7 kilometer per uur. De zitplaatsen waren voorzien van kussens en een ijzeren pot met brandende turf zorgde voor wat warmte. Vrouwen konden hun stoofjes gebruiken en de mannen konden een pijpje opsteken. Gespuugd werd er in een gezamenlijk potje of kwispedoor, dat op een gemeenschappelijke tafel stond.

 

Dampige reizen

Er werd overigens stevig gerookt tijdens de reis, dus het moet een dampige atmosfeer zijn geweest in het ruim. Ter ventilatie zaten er vier raampjes in de roef, bij regen en wind afgedekt met zeildoek. De reis nam overdag zeven en ’s nachts negen uur in beslag en kostte, omstreeks 1750, zeventien stuivers. Doordat bij iedere boerderij, bij elk dorp en iedere buitenplaats werd gestopt om passagiers in en uit te laten stappen of om goederen uit of in te laden, was deze vorm van vervoer niet altijd even efficiënt. Diligences en postkoetsen waren echter duurder en gingen minder frequent. En er waren ook nog weinig verharde wegen. Dat werd pas beter na 1806 tijdens de Franse bezetting, toen Lodewijk, de broer van Napoleon, tot koning van Holland werd benoemd. Iedereen lachte om zijn gevleugede woorden: ‘Iek ben Konijn van Olland.’
Halverwege lange trajecten werd even halt gehouden. De passagiers konden dan de stramme ledematen strekken, het gemak (toilet) bezoeken of een hapje eten. Dat deden ze op de route Haarlem-Leiden in Halfweg, een huisje dat vlak aan de vaart lag. Het is helaas is afgebroken.
Iedere trekschuit had drie man personeel: een schipper, een knecht en een jagertje. Dit jagertje, een jong ventje, mende het trekpaard dat over het smalle jaagpad liep en de boot voort trok. Alleen wanneer de boot een brug naderde werd het paard losgekoppeld. De schipper boomde dan de schuit door de openstaande brug, waarna het paard aan de andere kant weer werd ingespannen.

Weilanden en duinen

Omstreeks 1750 ging de trekschuit om de twee uur. Om half zeven ’s avonds vertrok de laatste boot. De reis was niet zo boeiend. Volgens de Engelse toerist avant la lettre Robert Cooper stonden er bijna geen buitenhuizen langs het traject, hooguit wat kalkovens. Daarna hoofdzakelijk lage weilanden met op de achtergrond de duinen. In de buurt van Haarlem werd het terrein weer wat hoger, maar door de rijen knotwilgen, elzen en beuken had je vanaf de trekvaart nauwelijks uitzicht.
Door verharding van de doorgaande wegen, de betere diligences, maar vooral door de komst van de spoorlijn in 1842 werd de trekschuitdienst steeds minder rendabel. Dat leidde in 1860 tot het opheffen ervan. In het topjaar 1677 werden 148.397 personen vervoerd. In 1811 waren het er 32.520 en in 1844 maakten slechts 5.128 personen gebruik van de trekschuit.

Jubileum in 2007

Volgend jaar bestaat de Trekvaart 350 jaar. Het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek werkt aan een boek en een expositie. Ook Uw vereniging wil samen met Museum de Zwarte Tulp een tentoonstelling inrichten. Er bestaan ook plannen om een oude trekschuit opnieuw te laten varen tussen Haarlem en Leiden.

 

Museum de Zwarte Tulp 25 jaar

Op 31 augustus 1985 werd het Museum de Zwarte Tulp geopend. Alle wetenswaardigheden van de afgelopen 25 jaar worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Dit jaar is het 25 jaar geleden dat Museum de Zwarte Tulp werd opgericht. Of liever gezegd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek werd 25 jaar geleden opgericht. Het idee voor een museum sproot voort uit bezorgdheid. In het Lisse van de tachtiger jaren was heel wat veranderd. Van een agrarisch dorp was Lisse, zeker met de bebouwing van de Poelpolder, deels een forensendorp geworden. Er werd afgebroken en gebouwd. De bevolking van Lisse was al massaal in opstand gekomen tegen de afbraak van het oude gemeentehuis. Hou Heel/Geen Houweel was de kreet die gebruikt werd om dit karakteristieke gebouw voor de toekomst te behouden en in het dorp hingen oproepen met deze kreet. De strijd werd echter verloren met als gevolg de nieuwbouw van het huidige raadhuis.

Deze strijd voor behoud had wel tot gevolg gehad dat een groep mensen elkaar gevonden had. Zij maakten zich zorgen. Want was er al niet veel meer verdwenen in de streek. Het bloembollenvak, de streekbepalende economische activiteit, was aan een totale metamorfose bezig: mechanisering, specialisatie en schaalvergroting. Alle handenarbeid was nu verleden tijd geworden. Alles werd vernieuwd en oude spullen werden in rap tempo weggegooid. Was het niet de hoogste tijd om te zorgen dat er ook aan het nageslacht nog uitgelegd en getoond zou kunnen worden hoe er in deze sector vroeger gewerkt werd?

Uit de beginperiode dateert deze foto met v.l.n.r. Wim Ouwehand, Jan Willem Plug en Henk Bosma (toenmalig burgemeester van Noordwijkerhout), 3 leden van Lionsclub Bollenstreek en rechts de drie oprichters Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetloot. De reden van de bijeenkomst laat zich raden: geld! (Coll. Arie in ’t Veld)

De aandacht werd verlegd van “hou heel/geen houweel” naar een actie om objecten te verzamelen uit de bloembollensector met de bedoeling die ten toon te stellen. Zo werd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek opgericht. Het driemanschap dat tekende bij de oprichting bestond uit: Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetsloot. Zij gingen voortvarend te werk. Joop Zwetsloot werd voorzitter van de stichting. Met de collectie moest gestart worden. Bij bollenbedrijven stonden op zolders natuurlijk allerhande gereedschappen en machines. Ook andere oude en antieke voorwerpen uit de streek zouden nog wel her en der te vinden zijn. Dus werd de pers ingeschakeld en gingen brieven uit naar kwekers in de regio met de oproep om hun oude spullen niet zo maar weg te doen, maar een schenking aan het museum te overwegen. Intussen moest natuurlijk ook een locatie voor het museum gevonden worden. In het centrum van het dorp Lisse stond het oude bloembollenbedrijf, voorheen timmerfabriek met werkplaats van de Gebroeders v.d. Zaal leeg. Beelen Verpakkingen had nog een poosje in het pand gezeten, maar de leegstand daarna deed het pand geen goed. Het was als een bouwval, rijp om gesloopt te worden. De gemeente Lisse was eigenaar, maar na een verzoek van de Stichting kreeg zij de beschikking over het pand. Natuurlijk moest er wel het een en ander aan het gebouw aangepast worden voordat het geschikt was om bezoekers te ontvangen. Maar de locatie zo midden in het centrum van Lisse was natuurlijk prachtig. Inmiddels werkten enkele enthousiaste mensen aan het opbouwen van een museumcollectie. Een gigantisch moeilijke klus die nooit ophoudt. Een klus ook die keuzes vraagt. De kunst van het bewaren is ook de kunst van het weggooien. Moet je de zoveelste aangeboden truffel aannemen? Moet je een voorwerp dat niet typisch is voor de Bollenstreek aanvaarden? Dit vraagt om een collectieplan en dan nog is het verre van simpel. Maar zo ver was het in 1985 beslist nog niet. Praktisch alles werd nog in dank aanvaard. En men was er blij mee, want tenslotte moest met de voorwerpen die men had het verhaal verteld worden.

Het poortgebouw werd bij het museum getrokken en afsluitbaar gemaakt.

Er was wel wat professionele steun maar het geheel draaide toch op de inzet van vele vrijwilligers. Zo was het in 1985 en zo is het anno 2010 nog steeds. Er is in die 25 jaar natuurlijk veel veranderd, maar nog steeds zijn het de vrijwilligers die het museum draaiende houden. Een ander steeds terugkerend fenomeen is het geld. In 1985 werd er flink gelobbyd om pecunia en ook daar is nooit een einde aan gekomen. Op 31 augustus 1985 gingen de poorten van het Museum open. De vrijwilligers waren er klaar voor om het publiek te ontvangen. Er waren cursussen gevolgd. Mevr. Simone Heikens werd secretaris van de stichting. Zij bleef dit lange tijd en nam gelijk met Joop Zwetsloot afscheid van het museum in 2005. Het museum had toen al een hele geschiedenis opgebouwd. Ook veel andere vrijwilligers blijven heel lang trouw hun activiteiten verrichten. Dat mensen zo’n lange tijd aan het museum verbonden zijn als vrijwilliger zegt ook iets over de sfeer. Je bouwt samen iets op en uit de reacties van het publiek ervaar je dat het enthousiasme overkomt. In de eerste jaren was er een vaste expositie die de ontwikkeling tot de Bollenstreek weergaf en het handwerk in de bloembollensector toonde aan de hand van gereedschappen en schuuronderdelen. Het was nog enigszins zoeken naar de juiste opzet. In het begin waren de openingstijden nogal ruim. In het seizoen was men ook in de ochtenden open. In 1988 was er een eerste wisselexpositie over bloemenpostzegels. Vanaf dat jaar worden er ieder jaar een of meerdere wisseltentoonstellingen ingericht. In 1991 werd het museum anders ingericht. De eerste ruimte die de bezoekers betreden werd aangewezen als ruimte voor de wisselexposities. In het jaar daarna volgde een zeer fraaie expositie die de tulp centraal stelde. In de daaropvolgende jaren stonden andere bolgewassen als hyacint, narcis, zomerbloeiers, centraal. Prachtige posters van exposities sierden en sieren in het dorp de winkelruiten. Het museum heeft veel goodwill onder de bevolking. Bij de tentoonstellingen werd dikwijls een boekje uitgegeven, boekjes die een schat van in formatie bevatten. Die boekjes worden verkocht in het museumwinkeltje wat ook steeds fraaier is geworden en waar ook nog een keur van andere artikelen gekocht kan worden die iets met bolbloemen te maken hebben. In 1995 werd het museum verbouwd en werd meer ruimte gecreëerd voor de expositie. Helaas ontstond in de nieuwjaarsnacht 1995/1996 brand in het poortgebouw van het museum. Het poortgebouw was toen nog een open poort. Het museum zelf had rookschade maar bleef gelukkig gespaard. Er moest echter weer gebouwd worden. Het poortgebouw werd bij het museum getrokken. Van de nood werd een deugd gemaakt en men greep de gelegenheid aan om te vernieuwen. In mei 1997 vond de heropening plaats, compleet met nieuwe naam Museum de Zwarte Tulp en met een nieuw logo. Waarom werd de naam “de Zwarte Tulp” gekozen? Aan de zwarte tulp zijn altijd mystieke elementen toegedicht. Ze maakt nieuwsgierig, ze prikkelt. Het bezoek aan het museum wordt ook nieuwsgierig gemaakt en kan op zoek naar de mysteries die achter die mooie bolbloemen schuilen. Het kweken van een zwarte tulp is een obsessie voor kwekers. Sinds de introductie in Nederland proberen bloembollenkwekers speciale variëteiten te ontwikkelen. Eén van de doelen was om een echte zwarte tulp te kweken, maar ondanks alle inspanningen is het product geen echt zwarte tulp. De kleur blijft steeds donker paars of heel donker bruin. De Zwarte Tulp is ook de titel van een boek van Alexandre Dumas. In dit boek looft het tuinbouwkundig genootschap van Haarlem in 1672 een prijs uit van 100.000 gulden voor de eerste zwarte tulp. Het lukt een rijke tuinliefhebber om een zwarte tulp te kweken, maar door list en bedrog verliest hij zijn kansen. Onze vaderlandse geschiedenis speelt ook nog een rol want de kweker is familie van de gebroeders De Witt, die in den Haag gelyncht worden. Hij belandt zelfs in gevangenis Loevestein, wordt daar verliefd op de dochter van de cipier en dank zij haar loopt het toch nog goed af. Dit boek is meermalen verfilmd en heeft zo ook bijgedragen aan het mysterie dat rond de zwarte tulp hangt. De zwarte tulp was ook een inspiratie voor de schilderkunst. Het museum kreeg een litho en een ets van een zwarte tulp en stelt die ten toon. Want ook het bedrijfsleven draagt het museum een goed hart toe. Voor dit doel is het Gilde van de Zwarte Tulp opgericht wat bestaat uit een groep bedrijven/instellingen uit de Bloembollenstreek die jaarlijks een belangrijke bijdrage leveren voor het museum. Naast het Gilde is er nog een belangrijke groep die het museum steunt zodat de financiële eindjes aan elkaar geknoopt kunnen worden. Dat zijn de Vrienden van Museum de Zwarte Tulp. Op de keukenhof wordt heel vaak de vraag gesteld: “waar staat de zwarte tulp”. Publicitair gezien dus een slimme zet om die naam voor het museum te kiezen. Over keukenhof gesproken: al sinds jaar en dag is het museum present in de Keukenhof. Er is sprake van een wisselwerking. Voor het museum wordt naamsbekendheid bereikt en de vrijwilligers van het museum geven informatie over het bloembollengebeuren en over de streek. Maar niet alleen daarover. De plattegrond van de Keukenhof wordt veelvuldig tevoorschijn gehaald omdat bezoekers de weg kwijt zijn en de vraag “ waar zijn de toiletten” is met stip nummer één. In 1998 werd door de vrijwilligers van het museum echt een krachttour geleverd. We vieren dan “Lisse 800”, het feit dat de naam Lis 800 jaar eerder voor het eerst vermeld is. Dit krijgt in het museum ook volop aandacht. Allereerst is er de speciale wisseltentoonstelling “de Heereweg 800 jaar lang”. Weer een hele kluif voor de mensen die de exposities verzorgen. Maar er gebeurt dat jaar nog iets heel speciaals. Alle schoolklassen uit Lisse, van de 4-jarige kleuters tot de bijna brugklassers, komen in het museum op bezoek en krijgen een rondleiding. Om dat te organiseren werden de openingstijden flink aangepast, werden extra rondleiders ingezet en werden vele bezoekjes op momenten gepland waarop het museum normaliter gesloten is. In 2000 vind er een uiterst belangrijke gebeurtenis plaats. Op 11 oktober van dat jaar werd het interieur van de voormalige directiekamers van kalkzandsteenfabriek van Herwaarden overgedragen aan het museum. Directeur L.Mulder, in aanwezigheid van wethouders M.Witteman van Hillegom en J. Schuijt van Lisse, verwoordde dit tegenover museumvoorzitter Joop Zwetsloot. Achter de schermen was hiervoor al veel lobbywerk verricht door leden van de Vrienden van Oud Hillegom. De steenfabriek heette bij de oprichting in 1904 nog kunstzandsteenfabriek “Arnoud”. Het zand voor de fabricage van dit kunstzandsteen werd gewonnen door de Maatschappij tot Exploitatie van Gronden “Veenenburg-Elsbroek”. Zandgronden werden daartoe afgegraven of omgezogen, waardoor gronden ontstonden die voor de bloembollenteelt in cultuur gebracht konden worden. Het interieur van de fabriek die het aanzien van de streek zo compleet heeft doen veranderen past natuurlijk perfect bij het museum. En bij het uitgangspunt dat indertijd voorafging aan de stichting van het museum: hou heel/geen houweel. Bij de overdracht waren de kamers nog in tact en moest nog begonnen worden met het demonteren van betimmeringen en overige interieurdelen. Er was zelfs nog geen bouwplan. Dus alles moest plankje voor plankje uitgenomen worden. En genummerd op zowel de onderdelen als op de tekening. Want zonder die hulpmiddelen zou de puzzel om het later weer op te bouwen niet te klaren zijn. Een groep vrijwilligers heeft dit monnikenwerk verricht en daarna werden alle onderdelen opgeslagen, wachtend op het moment van herrijzenis. Ook hierbij was de geboden menskracht van de Vrienden van Oud Hillegom weer van enorme betekenis.

Door allerlei perikelen duurde het tot 1 oktober 2003 eer met de bouw gestart kon worden. Een semi-permanente bouw werd gerealiseerd achter het pand van der Zaal (Heereweg 225, zie rubriek uitreiking erepenning hiervoor), dat inmiddels eigendom van het museum was. Gekozen werd om de naast het museum gelegen tuin over de gehele breedte te benutten voor de nieuwbouw. Er werd een grote binnenruimte gecreëerd waarin de interieurs van de beide directiekamers precies passen. Eind 2003 is de ruwbouw klaar, en dan begint de enorme klus van het opnieuw opbouwen van de interieurs! Weer door die ploeg enthousiaste vrijwilligers van de Vrienden van Oud Hillegom en van het museum. Op 15 april 2004 werd de nieuwbouw in gebruik genomen. Onvoorstelbaar wat een groep vrijwilligers in zo´n korte tijd presteert. Sinds die tijd wordt er koffie op stand gedronken want wat eens de directiekamer van de steenfabriek was is nu koffiekamer geworden. Hier is ook de bibliotheek van het museum waar eenieder op verzoek de uitgebreide collectie boeken van het museum kan inkijken. Deze collectie is opgeborgen achter de mooie blauwe glazen van de boekenkast uit de fabriek. In 2005 werd het fraaie wandkleed dat door het personeel bij het 50jarig bestaan van de steenfabriek was geschonken na een restauratie opnieuw onthuld. Op het kleed staat Mercurius, god van de handel, die vanuit de duinen kijkt naar de steenfabriek. De fabriek staat tussen de bollenvelden. Een waar stukje cultureel erfgoed van de Bollenstreek. De kamers kregen ook een nieuwe naam: De Comparitie. De naam comparitie is een verwijzing naar de bloembollengeschiedenis. De bollenhandel heeft vanaf eind 16e eeuw een roerige geschiedenis beleefd. In het begin van de 17e eeuw was sprake van windhandel, de “tulpomanie”. Overeenkomsten in de bollenhandel werden dikwijls onder notarieel toezicht gesloten. Een bijeenkomst van floristen, waarin de afspraken voor de bloembollenhandel werden overeengekomen en vastgelegd, werd wel een comparitie genoemd. In 1637 kwam een einde aan de woekerprijzen die in de bloembollenhandel werden behaald en klapten de prijzen in enkele dagen als een kaartenhuis in elkaar. Toch bleef de bloembollenhandel door de eeuwen heen uiterst belangrijk voor Nederland. Het museum werd steeds professioneler. Dat moest ook wel want er was een Nederlands Museumregister ingesteld. Musea die in dit register opgenomen willen worden moeten aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Bijvoorbeeld een eigen collectie met een sluitend registratiesysteem, een behuizing waar de nodige eisen aan gesteld worden zoals een goede klimaatbeheersing, diverse andere kwaliteitseisen. Er kwam een beleidsplan en er moest worden aangetoond dat er voldoende interne deskundigheid was om de museale taken naar behoren te kunnen vervullen. Geen sinecure, want dat betekent dat de vrijwilligers steeds bijgeschoold moeten zijn, dat de collectieregistratie op een bepaalde manier gebeurt en ga zo maar door. Maar het museum doorstaat de toets en mag sinds 1 december 2004 officieel naar buiten treden als ‘gecertificeerd museum’ en daarbij het bijbehorende logo gebruiken. Het fraaie uiterlijk van de comparitie biedt ook mogelijkheden aan het museum om contanten te genereren. De zalen kunnen worden gehuurd. Ook kan er worden getrouwd. Museum de Zwarte Tulp wordt dan huis der gemeente. In de herfst van 2005 vindt de eerste huwelijks-voltrekking plaats. De ontwikkelingen op museaal gebied staan natuurlijk ook niet stil. Uit een erfenis is een prachtige collectie hyacintenglazen (collectie Wyler) ontvangen die in een speciale wisselexpositie getoond wordt en daarna deels permanent in de expositie wordt opgenomen.

In samenwerking met andere cultuurhistorische organisaties worden ook wisselexposities gemaakt. De week van de geschiedenis nodigt soms uit tot zo´n samenwerking. Zo werd in 2006 in samenwerking met de VOL en met de medewerking van de kerken van Lisse de expositie “Geloof en Bijgeloof” ingericht. Ook bij de herdenking van het feit dat de Haarlemmer Trekvaart 350 jaar bestond was er weer een brede opzet die resulteerde in de expositie “blauwe ader van de Bollenstreek”. En hetzelfde gold voor de tentoonstelling “van Wildernisse tot Bollenstreek” die in 2008 plaatsvond.
Het 150 jarig bestaan van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur mocht natuurlijk niet ontbreken in de expositiereeks van het museum en was daarmee het begin van de activiteiten rond het 25jarig bestaan van het museum. In dit feestjaar wordt daarna, in de serie ‘Zonen en dochters van de Bollenstreek’, vervolgd met een expositie rond de in Lisse geboren emeritus-kardinaal Simonis(4 juni t/m 15 aug). Door de vrijwilligers wordt in verschillende groepen gewerkt. De registratie, de inrichting, de winkel, de keukenhof zijn al genoemd. Rondleiders en de mensen die de schoolbezoeken coördineren vormen weer een aparte groep. Het bijzondere van het museum is dat al die mensen bij elkaar, die toch allemaal vrijwilliger zijn, samen een goedlopende organisatie vormen. Waar zich ook weer nieuwe ideeën vormen. Museum de Zwarte Tulp is na 25 jaar nog springlevend. Hoe de toekomst van het museum er uit zal zien? In de pers is er al veel over geschreven. Voorzitter Arie Breure wordt herhaaldelijk geciteerd. Allerlei opties worden bekeken, maar die moeten natuurlijk wel haalbaar zijn. Geld was ook in de afgelopen 25 jaar altijd al een beslissende factor. Het museum kan en zal niet op haar lauweren gaan rusten want stilstand is achteruitgang en deze tijd vraagt weer een andere aanpak, maar biedt ook nieuwe kansen. Zeker op het gebied van informatiemogelijkheden door middel van multimediale museumtechnieken zullen stappen vooruit gezet worden. Het goud van het museum is toch het vrijwilligersteam, samen met de ondersteuning die er voor het museum is onder de inwoners en bij de bedrijven in de Bollenstreek. Dat moet toch een goede basis zijn voor een fleurige toekomst. Komend najaar wordt een feestelijke kroon gezet op het werk wat de afgelopen 25 jaar verricht is. Met een expositie getiteld “Bloemrijk in ‘t zilver” (3 sept. t/m 12 dec). Daarnaast zullen er nog allerlei specifieke evenementen georganiseerd worden ter ere van dit jubileum. Lisse, de Bollenstreek, mag trots zijn op wat er bereikt is. Oud Lisse feliciteert het museum met deze mijlpaal en wenst de Zwarte Tulp een inspirerende, verrassende en vooral bloeiende toekomst toe.

 

De oude Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Achterweg

In 1828 kwam er een begraafplaats tussen de schuilkerk en de Achterweg, nabij het Mallegat. In het reglement opgesteld door de gemeentebestuur staat dat er 80 graven moeten kunnen komen op een opgehoogd terrein, omgeven door een muur. Er mogen maximaal 4 kisten boven elkaar. Reeds in 1866 wordt de begraafplaats opgeheven, omdat de zoon van boer Wubben zijn  grond weer terug wilde hebben.

Door R.J. Pex 

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Parochie H. Willibrordus, waar onder meer de Lissese Parochie St. Agatha deel van uit maakt, beschikt sedert het begin van de vorige eeuw over een bijzondere kerk: de H. Agathakerk. Een indrukwekkend monument dat ooit de ‘Kathedraal van de Bollenstreek’ genoemd werd. Vóór 1842 was dat echter wel anders. Toen kerkten de Lissese Rooms-Katholieken nog in een schuilkerk. Deze was gelegen bij het zogenaamde Mallegat, bij de huidige buurtschap De Engel (vanouds een gemeenschap met een sterke Rooms-Katholieke achtergrond). Aan de westzijde van de Achterweg bevonden zich enige opstallen, de schuilkerk zelf en de woning van de pastoor. (Zie afb.). Begraven werd in en later bij de oude dorpskerk aan ’t Vierkant. In 1828 hebben de Lissese Katholieken echter een eigen begraafplaats gekregen. Deze kwam tussen de schuilkerk en de Achterweg te liggen.

Reglement voor de nieuwe begraafplaats aan de Achterweg, 1828

In hetzelfde jaar hebben burgemeester en wethouders (‘assessoren’ zoals ze toen nog genoemd werden) van Lisse een ‘reglement’ uitgevaardigd ‘waar na de nieuwe begraafplaats der Roomsch Catholieke Gemeente te Lisse zal behooren ingerigt te worden’. Daar dit reglement nog niet eerder ter sprake kwam in eerdere publicaties over de geschiedenis van de Agathaparochie wil ik hier toch enige woorden aan wijden. Allereerst zal de nieuw aan te leggen begraafplaats gelegen moeten zijn op een min of meer verheven terrein. Hij dient te worden omgeven door een muur, waarin luchtgaten zijn aangebracht. Het terrein moet van zodanige omvang zijn dat het ruimte biedt aan tachtig graven. In elk familiegraf mogen niet meer dan vier kisten onder elkaar begraven worden. De graven worden na tien jaar geruimd. Artikel 7 houdt verband met personen die aan besmettelijke ziekten waren overleden, zoals vaker gebeurde in de negentiende eeuw (cholera bijvoorbeeld). Deze zullen eerst blootgesteld moeten worden aan ‘minerale zuure berookingen’. Het spreekt vanzelf dat van al die begrafenissen een register bijgehouden dient te worden. De administratie zal het tijdstip van begrafenis bepalen en maakt een tarieflijst op ‘waarbij de kosten van begraven van groote en kleine lijken zal worden bepaald’.
‘Aldus gedaan en opgemaakt om te worden gesteld in handen van de Administratie der begraafplaats der R. Catholieke gemeente te Lisse den 30en oktober 1828’.

Hoe het verder ging met de begraafplaats aan de Achterweg

Erg lang heeft het kerkhof uit 1828 niet dienst gedaan. Reeds in 1866 blijkt er al niet meer op begraven te worden. Hermanus Wubben, boer op de nabijgelegen boerderij Klopjeshoven, wiens vader een stuk grond geschonken had ten behoeve van de begraafplaats, eiste nu de grond weer terug. Pastoor Heuvels stelde voor hem in zijn vermeende rechten te laten, welke mening werd gevolgd door het bisdom, die er echter bij aantekende ‘gezegde erfgenaam’ een aalmoes of liefdesgift aan de kerk te laten doen bij wijze van schadevergoeding.

De huidige begraafpraktijk

Tegenwoordig telt de begraafplaats achter de Agathakerk zo’n 800 graven (in plaats van 80, dus precies 10%, in 1828). Verder is in verband met milieuvoorschriften tegenwoordig het aantal kisten dat onder elkaar mag worden begraven teruggebracht naar twee (in plaats van vier in 1828). Op grond van de Wet op de Lijkbezorging mag tegenwoordig na tien jaar een graf worden geruimd, voor zover het de Algemene Graven betreft. In de praktijk gebeurt dat om de vijftien jaar ongeveer. Familiegraven oftewel zogenaamde Huurgraven worden uitgegeven voor twintig jaar. Deze kunnen met tien jaar worden verlengd. Wanneer dat niet gebeurt worden de graven geruimd. In 1828 was de praktijk duidelijk anders. Toen werd in het geheel geen onderscheid gemaakt tussen Algemene Graven en Familiegraven en werden de graven hoe dan ook na tien jaar geruimd. Wat was het zo toch heerlijk eenvoudig!

Bronnen:

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756 (Keuren, ordonnantiën en verordeningen van de gemeente, 1814-1936).
Met dank aan de heer J.P.S. Lieverse.

schuilkerk in kleur

Brand op de boerderij van Keukenhof in 1705

Op 26 juli 1705 stond de hofboerderij van Landgoed Keukenhof in brand. De boerderij, de hooiberg en de pasgebouwde schuur brandden af. Alleen het karnhuis kon worden gered. Diverse mensen worden ondervraagd door de eigenaar Hendrik van Hoven. De oorzaak was waarschijnlijk een vuur vlak bij de hooiberg, aangelegd door Andries Spruijt.

door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Inleiding

Binnen niet al te lange tijd zal een begin worden gemaakt met de restauratie van het casco van de boerderij van Keukenhof, alias de Hofboerderij. Het is één van de trotse monumenten die we tegenwoordig op het landgoed Keukenhof tegenkomen. Het heeft dan ook een lange geschiedenis achter de rug die al begint in 1643, kort nadat het nabijgelegen huis Keukenhof in gereedheid was gekomen. Die historie zit boordevol verhalen en anecdotes. Sommige daarvan zijn onbekend en andere komen we bij toeval tegen in archieven. Een toevalstreffer dus! Zo is dat ook met een brand die in 1705 gewoed heeft op de Hofboerderij. In dit artikel wordt daar nader op ingegaan.

Brand!

Zondag 26 juli 1705. Achter het huis Keukenhof bij de boerenwoning horen we geroep en geschreeuw. Een menigte mensen is bezig een fikse brand te blussen, die door onbekende oorzaak is uitgebroken op de boerderij. Uiteindelijk kan alleen het karnhuis nog gered worden. De boerenwoning echter, alsook de hooiberg en een pasgebouwde schuur, branden uit. Hoe had het zover kunnen komen?

De verklaring van chirurgijn Claas van Rode

De eigenaar van de boerderij, Hendrik van Hoven, had zo zijn eigen ideëen omtrent de oorzaak van de brand en verdacht de boer, Andries Spruijt. Op 2 en 16 maart en op 20 juli 1706 laat hij dan ook diverse mensen getuigen. Ze zijn unaniem van oordeel dat Spruijt door een daad van nalatigheid de brand in de hand had gewerkt. Zo verscheen op 2 maart 1706 voor de Alphense notaris Jacob van Dorp Claas van Rode, chirurgijn te Lisse.1 Hij verklaart dat Spruijt vanaf het voorjaar tot en met de maand juli van het jaar 1705 de boerderij van Keukenhof had gepacht van Hendrik van Hoven. Gedurende die periode was het meer dan eens voorgekomen dat Andries Spruijt ‘buijten het boerenhuijs’ vuur had aangelegd en wel vlak bij het karnhuis ‘omtrent een roede lengte van den hoijbarg’. 2 Spruijt was bezig om boven het vuur melkmouwen te blakeren, maar deed dat dus op een bijzonder gevaarlijke plek!3 Claas van Rode had het gezien en dacht ‘dat het wonder soude sijn indien daarvan geen brand in den Barg en soude komen’. En inderdaad, op diezelfde avond ontstond er brand in de hooiberg, waarna ook het boerenhuis in vlammen opging.

Diverse verhoringen

Op 16 maart 1706 wordt een aantal mensen ondervraagd over de brand op de boerderij van Keukenhof op last van Hendrik van Hoven.4 Allereerst is dat de tuinman van Keukenhof, Cornelis Everts. Verder komen we een zekere Annetje Cornelisdr. tegen, die tot de brand in juli 1705 in dienst was bij Andries Spruijt op de boerderij. Ook ontmoeten we Margaretha van Vries, die bevriend was met het echtpaar Van Hoven en op de Keukenhof bij hen inwoonde. Tenslotte komt Jan Mase aan het woord, die koetsier was bij Van Hoven. Allemaal zijn ze van mening dat Spruijt een uitermate lui en nalatig persoon was en zijn taken niet goed uitvoerde. Zo hadden Cornelis Everts en Jan Mase tijdens de hooibouw van 1705 op het land geholpen met hooien. Spruijt verrichtte de werkzaamheden evenwel niet naar behoren. Zo liet hij na om de twee wagens met hooi van het veld te halen. ’s Avonds, terwijl Spruijt al lag te slapen, heeft Everts toen de twee wagens van het veld gehaald. Hij liet ze achter bij de hooiberg in de veronderstelling dat Spruijt het hooi in de hooiberg zou steken, maar dat gebeurde niet.
De volgende dag stonden de wagens er nog steeds. Vervolgens ging het regenen, waardoor het hooi nat werd, want Spruijt had verzuimd het hooi behoorlijk af te dekken met stro, zoals gebruikelijk was. Hij stak nu het hooi nat in de hooiberg en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Diverse getuigen verklaren ook op die zestiende maart gezien te hebben dat Spruijt dikwijls een pijp rookte op gevaarlijke plaatsen, zoals vlakbij de hooiberg of tijdens het melken in de stal. Bovendien rookte hij vrijwel altijd een ongedekte pijp.5 Vragen om moeilijkheden dus! Verder bevestigt een aantal getuigen de verklaring van Claas van Rode dat Spruijt regelmatig vuur aanlegde bij het karnhuis, niet ver verwijderd van de hooiberg. Het viel Annetje Cornelisdr. bovendien op dat de brand in de hooiberg vooral woekerde aan de zijde waar Spruijt met zijn echtgenote diverse malen vuur had aangelegd.

Het woonhuis van de hofboerderij van Keukenhof . Foto:. A. in ‘t Veld

 

Laatste getuigenverklaringen

Op 20 juli 1706 verschijnen voor notaris Jacob van Dorp vier personen.6 Het waren Cornelis Onnosel7, gerechtsbode van Lisse, zijn echtgenote Titia ter Veer, Cornelis Gerritse de Swart, linnenwever van beroep en tenslotte een mevrouw Van den Berg, ‘tuinvrouw’ van beroep, weduwe van Cornelis Pieterse Larum. Onnosel – wat een prachtige naam! – verklaart in opdracht van Hendrik van Hoven dat hij uit diens naam Spruijt dikwijls had terechtgewezen. Hij had hem gezegd dat hij Van Hoven geen genoegen deed met zijn nalatig gedrag. Verder had hij tegen Spruijt gezegd ‘dat hij beter moest oppassen of dat hij de sak sou krijgen’. Hij had Spruijt op deze wijze diverse malen gewaarschuwd en telkens had Andries daarop geantwoord ‘dat hij beter oppassen soude’. De tweede en de derde getuige, Titia ter Veer en Cornelis de Swart, verklaren dat zij zich op de dag van de brand hadden bevonden achter het huis Keukenhof. Zij hadden gehoord hoe Van Hoven van leer had getrokken tegen Spruijt over ‘sijn traagheijt ende versuym’. ‘Twee uuren daar na’ hadden zij gezien hoe de hooiberg en het boerenhuis afbrandde. De vierde persoon, mevrouw Van den Berg, vertelt hoe zij in de maand juli van het jaar 1705 meermalen had gezien dat Spruijt en zijn echtgenote vuur aanlegden bij het karnhuis. Op 25 juli 1705, daags voor het uitbreken van de brand dus, had ze bovendien Spruijt een ongedekte pijp zien roken ‘digt aen de stijl van den hoijbarg’. Hij had vaker een pijp gerookt op plaatsen die brandgevaarlijk waren, zoals we reeds vernamen. Mevrouw Van den Berg had Spruijt daarover diverse malen aangesproken, want dat ‘daer uijt ongelukken ontstaen souden’. Al met al lijkt het er sterk op dat Andries Spruijt door zijn achteloosheid een ernstige brand veroorzaakt had, ondanks de vele waarschuwingen die aan zijn adres gericht waren geweest.
Inmiddels vragen we ons af wat, bijna een jaar na de brand, de zin was van al deze getuigenverklaringen.

Proces voor de vierschaar van Lisse, 1706

Al snel wordt duidelijk wat Hendrik van Hoven nu precies beoogde met de bovengenoemde verklaringen. Nadat de brand was geblusd, wilde Van Hoven Spruijt niet langer in dienst houden en werd hem dus ontslag aangezegd. Andries besloot hierop een brief te (laten) schrijven ter attentie van schout en schepenen van Lisse. In de brief lezen we dat hij ‘tot sijn leetweesen ende buijten sijn toedoen’ (!) genoodzaakt was een proces aan te spannen tegen zijn vroegere werkgever.8 Omdat hij echter ‘een arm boereknegt is en geenige de minste magt is hebbende’ verzocht hij door een procureur pro deo te mogen worden bediend. Die werd hem uiteindelijk toegewezen in de persoon van Jacob Camper.
Van Hoven werd dus voor het gerecht gedaagd! Vanuit dit oogpunt is het begrijpelijk dat de eigenaar van Keukenhof al gauw in de weer ging met het verzamelen van voor Spruijt belastende getuigenverklaringen. Het ging Jacob Camper namens zijn cliënt om het volgende. Spruijt had met ingang van 1 mei 1705 de boerderij van Keukenhof gepacht. De huurtermijn zou aflopen op 30 april 1706. Spruijt betaalde hiervoor de som van f 300,- per jaar. Hij had daarbij diverse zaken die zich in het boerenhuis bevonden tegen betaling moeten overnemen. Verder was overeengekomen dat Spruijt aan Van Hoven een Nieuwejaarsgift zou betalen ter grootte van een ducaat en ‘een gelijke ducaton’ met Kerstmis. De eiser, Andries Spruijt, had ‘in alle behoorlijkheid’ (de getuigenverklaringen spreken dat duidelijk tegen!) de tijd van drie maanden bij Van Hoven gewerkt. Daarna was hij ‘op een gans onbehoorlijcke wijse’ ontslagen. Omdat hij de huurtermijn niet had uitgezeten, wilde Spruijt nu een deel van de huursom terugzien. ‘Wijders een vierendeel booter, hondert pont kaas’ en hetgeen hij moest betalen aan vuur, licht en de vruchten uit de tuin die hij voor zijn huishouding nodig had. Het is duidelijk dat Spruijt in zijn eis behoorlijk ver ging. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat uiteindelijk de schepenen van Lisse de eis niet redelijk achtten en Spruijt veroordeelden tot het betalen van de kosten van het proces.9 En daarmee verdwijnt dan de naam Spruijt definitief uit de annalen van de boerderij van Keukenhof.

De schuren van de hofboererij van Keukenhof. Fot A. in ’t Veld

Besluit

We zijn inmiddels ruim drie eeuwen verder. Er is niets meer aan de boerderij van Keukenhof te zien wat eventueel nog zou kunnen herinneren aan de grote brand van 1705. Niets aan het metselwerk en al helemaal niets aan de spanten van het dak, daar het oorspronkelijke houtwerk al in de negentiende eeuw werd vervangen.10 Wat dat betreft is het opvallend hoe snel bepaalde gebeurtenissen in het verleden, indien ze niet duidelijk zwart op wit werden gesteld, voor het nageslacht verloren kunnen gaan. Gelukkig is de brand vrij goed gedocumenteerd, waardoor we dit verhaal aan de vergetelheid hebben kunnen ontrukken.

Bronnen

1 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 56.

2 Een Rijnlandse roede is ongeveer 3,77 meter. www.wikipedia.nl

3 Een melkmouw was waarschijnlijk een langwerpige, ondiepe bak waarin men melk liet staan om die te ontromen. Het blakeren maakte mogelijk deel uit van een reinigingsproces. Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (achtste druk, ’s-Gravenhage 1961), p. 1233.

4 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 31.

5 Hiermee wordt een pijp bedoeld waarvan de zogenaamde ketel niet kon worden afgesloten middels een deksel.

6 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 67.

7 Waaraan de beste man zijn ietwat merkwaardige achternaam te danken had weten we niet. Onnosel betekende in het toenmalige taalgebruik dom, idioot of onschuldig. Naast gerechtsbode was Onnosel ook herbergier van het logement de Witte Zwaan.

8 Deze en navolgende gegevens ontleend aan: Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 93.

9 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 49, fol. 30.

10 Dit gezien de afmetingen van spanten en dakhout. Met welk soort materiaal het dak vroeger bedekt is geweest, valt niet met honderd procent zekerheid aan te geven. Het is goed mogelijk dat er aanvankelijk een rieten bedekking aanwezig was, maar dat men deze op een later tijdstip (bijvoorbeeld na de brand in 1705) heeft vervangen door dakpannen. Dit is ook bij boerderij Middelburg gebeurd in 1868. Met dank aan Ignus Maes.

 

Familiegeschiedenis van Van der Tang (1)

De Lissese geschiedenis van Van der Tang vangt eind 18e eeuw aan met Bastiaan van der Tang. Hij was oorspronkelijk boer in Hazerswoude, waar hij op 28 oktober 1742 werd gedoopt. In 1773 duikt hij op in Lisse. Hij was gelinieerd aan landgoed Meer en Hout. Hij was in 1790 regerend burgemeester van Lisse en bezat flink wat land. De geschiedenis van Lisse in die periode wordt beschreven.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD 9 nummer 2, april 2010

Lisse in de 18e eeuw
“Het Vierkant” heet het Lisser dorpspleintje. De verkleurde geveltjes groepen er samen als afgeleefde oudjes, stil-glimlachend op een feestelijke dag. De zomer straalt uitbundig over de wereld; windloos is de lucht en zelfs onder de zware iepenbomen, die het pleintje beschaduwen, hangt de warmte, benauwd en loom.” Zo begint In de schaduw der
Molenwieken. Lisser familieroman uit de Patriotten-tijd van Joh. Dekker. Het verhaal (overde familie Van der Zaal, in de roman Van der Bijl genoemd) begint in 1774 en eindigt in 1796. In dezelfde periode speelt zich het eerste deel af van de Lisser familiegeschiedenis Van der Tang, met Bastiaan van der Tang in de hoofdrol.

Het huidige Lisse lijkt niet meer op het dorp zoals Bastiaan van der Tang het gekend heeft. Lisse was toen omringd door duinen, bossen en weilanden en grensde aan het Haarlemmermeer. In de omgeving bevonden zich fraaie buitenplaatsen, waar in de zomermaanden vooral rijke Amsterdammers verblijf hielden. Het was de tijd waarin de mannen driekantige steken en gepoederde pruiken droegen en hun dames hoepelrokken.

Het was ook de tijd waarin de patriotten en de prinsgezinden met elkaar overhooplagen. Het rechthuis van Lisse was de herberg De Witte Zwaan. Hier stopte de postkoets en vergaderden de dorpsbestuurders. De adellijke ambachtsheren van Lisse woonden in Duitsland en bemoeiden zich nauwelijks met dorpse zaken. Daar hadden zij hun schout voor, die samen met de burgemeesters en de schepenen het dorpsbestuur vormde. Van de vier burgemeesters, ook wel gezworenen genoemd, werden er jaarlijks twee vervangen door nieuwe. Het college van schout en burgemeesters oefende het gezag over het dorp uit en hield toezicht op de openbare orde.

Meer en Hout

“Ik wil liever zacht naar Meerenhout gaan wandelen In ‘t groen geboomt’, als dat ik steeds zou handelen Met dezen god [Neptunus]. Geen groter vreugd voor mij, Alsdat ik hier zie deez’plaats aan alle zij Omsingeld van de schone klaverweiden En welig vee. De uitzicht, waard te melden, Verstrekt tot op het Haarlemmer Spaar, Aan d’andre zij tot in het dorp voorwaar. Het zuiderend oogt tot ‘t vermaarde Leiden, Zodat men kan veranderen op drie zijden”.

Een van de buitenplaatsen was Meer en Hout, die circa 1770 door  Jan de Graaff in het bovenstaande gedicht werd bezongen. Aan deze buitenplaats herinnert het Meer en Houtplein, waar in Lisse ‘s maandags de markt wordt gehouden. Meer en Hout was in de eerste helft van de 18e eeuw eigendom van de vermogende Amsterdammer Cornelis Meerhout, die in Lisse ook huizen en landerijen bezat. Hij was gehuwd met Adriana Poock, telg van een vooraanstaande Leidse familie. Na de dood van Meerhout (hij was haar derde man) hertrouwde Adriana Poock met haar zwager Frans Robidé, koopman te Amsterdam en afstammeling van een naar Nederland gevluchte hugenoot, en ging wonen op diens buitenplaats Oud-Meerburg in Zoeterwoude. Adriana’s enige zoon en erfgenaam was Arnout Meerhout. Hij was in 1740 te Leiden geboren en werd in 1762 aangesteld tot notaris van Zoeterwoude, maar het is de vraag of hij die functie werkelijk heeft uitgeoefend. Mogelijk beheerde hij al tijdens het leven van zijn moeder de bezittingen van de Meerhouts in Lisse, die hij in 1772 van haar erfde. Toen zijn moeder stierf wasdeze laatste nazaat van het geslacht Meerhout ongehuwd.

Bastiaan van der Tang
Bastiaan van der Tang stamde uit een familie van landbouwers en tuinders uit Hazerswoude, die in de 17e eeuw tot de remonstrantse kerkgemeenschap behoorde. Bastiaan werd op 28 oktober 1742 in de dorpskerk van Hazerswoude gedoopt. Hij was het jongste kind van Cornelis Leendertse van der Tang en diens tweede vrouw Lijsbeth Vassen de Groot. In 1767 trouwde hij met de drie jaar oudere Aaltje de Smet, dochter van een baggerman uit Leiden, en vestigde zich in haar woonplaats Leiderdorp. Mogelijk was Bastiaan in dienst bij of pachter van Frans Robidé, wiens buitenplaats zich weliswaar te Zoeterwoude bevond maar die in Leiderdorp ter kerke ging. Frans Robidé overleed in december 1773. Niet lang daarna duikt Bastiaan met zijn gezin, zijn schoonzus Jacoba de Smet en zijn zwager Jan de Smet in Lisse op. Als hij en zijn vrouw in 1776 hun testament laten opmaken, wonen ze op de buitenplaats Meer en Hout van Arnout Meerhout, waarschijnlijk op de boerderij die bij de buitenplaats hoorde. Notaris Sennepart (tevens schout van Lisse) komt zelf naar de hofstede want Bastiaan is “door een zwaare beenbruik pijnelijk ende zwakkelijk van lichaam”, zodat de voorlezing en de ondertekening van het testament “voor de leegersteede” van de zieke plaatsvinden. In 1778 koopt Bastiaan met geleend geld van Meerhout zijn eerste land in Lisse. Zocht Arnout Meerhout toenadering tot de familie van Bastiaan van der Tang? Dat moet haast wel want op een goede dag vroeg
Meerhout Jacoba de Smet, Bastiaans schoonzus, ten huwelijk. In december 1782 werd Jacoba de Smet “vrouwe” Meerhout en werd Arnout Meerhout de zwager van Bastiaan van der Tang. Mede door de familieband met Meerhout begon Bastiaans ster in Lisse te rijzen.

Bastiaan in het dorpsbestuur
In het najaar van 1787 viel een Pruisisch leger Nederland binnen om Prins Willem V weer in het zadel te helpen. Vele patriotten vluchtten naar het buitenland, onder andere naar Frankrijk waar ze twee jaar later getuige waren van de Franse Revolutie. Ook Van Lutsenburg, de patriotse schout van Lisse, moest vluchten. In et hele land kregen de prinsgezinden het weer voor het zeggen, dus ook in Lisse. Ongetwijfeld behoorde Bastiaan van der Tang tot deze groep, want in 1788, kort na de omwenteling, werd hij schepen van Lisse en nog later één van de vier burgemeesters. In de jaren tussen 1787 en 1795 komen we in officiële stukken zijn naam vaak tegen. Ook zijn zoon Kees
trad, zo jong als hij was, dikwijls als schepen op. Hetzelfde gold voor Leendert van der Werff, een uit Zandvoort afkomstige broodbakker, die in 1789 met Bastiaans dochter Naatje trouwde. Toen Arnout Meerhout in 1789 stierf liet hij zijn vrouw – hun huwelijk was kinderloos gebleven – als zijn enige erfgenaam achter. Bastiaan van der Tang gaf het overlijden van zijn zwager bij de gaarder aan in het hoogste tarief van dertig gulden. Op 15 juni 1789 werd Meerhout met veel ceremonie in het familiegraf in de kerk van Lisse bijgezet. Jacoba de Smet bleef niet lang weduwe: nog hetzelfde jaar hertrouwde ze met de heer Gillis van IJsselsteijn, baljuw van Zierikzee.

Gillis van IJsselsteijn
Was de omwenteling van 1787 in Lisse vrij rustig verlopen, in Zierikzee was ze gepaard gegaan met een hevig oproer waarbij de huizen van patriotten werden geplunderd; er vielen zelfs doden. Gillis van IJsselsteijn, lid van een oud Zierikzees geslacht, had als baljuw (een soort officier van justitie) de moeilijke taak om de rust te herstellen. (Deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis. van Zierikzee is uitvoerig beschreven in het boek Zeeland in de Patriottentijd van A.M. Wessels.) Van IJsselsteijn mocht, hoe wel hij patriots was, van de Prins zijn ambt blijven uitoefenen. Zijn financiële positie wasec hter niet best. Zo was hij niet in staat zijn herenhuis af te laten bouwen. In 1788 was hij weduwnaar geworden en een huwelijk met een welgestelde dame zou hem goed uitkomen. In december 1789 trouwde hij in het verre Lisse met Jacoba de Smet, nadat ze bij een notaris in Leiden hun huwelijkse voorwaarden hadden laten opstellen. Bastiaan van der Tang had nu een zwager die weliswaar met patriotse sympathieën was behept, maar die gezien zijn afkomst en positie toch een aanwinst voor de familie zou moeten zijn. Van IJsselstein liet zich in Lisse vrijwel niet zien. Wel liet hij vanuit Zierikzee een pachter van zijn vrouw vervolgen wegens achterstallige huur. In 1790 legde hij zijn ambt neer en vertrok hij naar Holland. Wegens zijn financiële problemen werd hij in Amsterdam gegijzeld. Pas nadat hij aan zijn verplichtingen had voldaan (zijn herenhuis in Zierikzee werd ten bate van zijn schuldeisers verkocht) vertrok hij, blijkbaar zonder van zijn vrouw en schoonfamilie in Lisse afscheid te hebben genomen, naar de westkust van Afrika, waar hij tot fiscaal was benoemd. In 1791 werd Jacoba de Smet “gesepareerde” huisvrouw van Van IJsselsteijn genoemd en nadien heette ze weer de weduwe Meerhout. Toen Van IJsselsteijn begin 1794 te Sint George del Mina (in het huidige Ghana) overleed was hij in Lisse allang vergeten.

Bastiaan van der Tang was in 1790 regerend burgemeester van Lisse. Hij bezat  flink wat land, dat hij onder meer van zijn schoonzus had gekocht. In 1794 kocht hij het veer van Lisse op Haarlem en Leiden, de zogenaamde schipperij.
De Bataafsche Vrijheid In januari 1795 trokken Franse troepen over de dichtgevroren rivieren ons land binnen. De patriotten die in 1787 waren uitgeweken keerden naar Nederland terug en namen met hun medestanders de macht over. Prins Willem V vluchtte met zijn gezin naar Engeland en Nederland heette nu de Bataafse Republiek. Bastiaan van der Tang zal beslist niet om de vrijheidsboom hebben gedanst, net zomin als die andere dorpsgenoten met wie hij de afgelopen jaren in Lisse de diensthad  uitgemaakt. Jan de Graaff, die de buitenplaats Meer en Hout zo mooi had bezongen, verzette zich in Leiden tegen de nieuwe machthebbers. Hij stierf in de gevangenis aan zijn verwondingen. Ofschoon de Van der Tangs – en anderen die in Lisse na de omwenteling van 1787 op het kussen geraakten – sedert “het eerste jaar van de Bataafsche Vrijheid” geen deel meer uitmaakten van het dorpsbestuur,
behoorden ze nog wel tot de “bovenlaag” van het dorp. Kees van der Tang had trouwplannen met Teuntje van Tol, een stiefdochter van de winkelier Barend van der Bron, met wie zowel Bastiaan als Kees van der Tang het dorp had bestuurd. Teuntje had haar vader Dirk van Tol (eveneens een winkelier) niet gekend want hij was al in 1775 overleden, het jaar waarin zij was geboren. Door zijn huwelijk (in juli 1796) raakte Kees van der Tang verzwagerd met bekende Lisser families zoals Van Parijs en Tromp.

Wordt vervolgd

Zie deel 2

Welke winkels waren er in de 2e Wereldoorlog? Reacties en aanvullingen van lezers

Het artikel van Henk Schalk in het Nieuwsblad van juli 2009 en de reacties daarop, heeft weer heel wat reacties opgeleverd.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD  9 nummer 1, januari 2010

Het artikel van Henk Schalk uit het nieuwsblad van juli 2009 en de reacties die daarop volgden blijven heel wat reacties opleveren. Onze fotocollectie is daardoor weer uitgebreid. Reacties blijven natuurlijk zeer welkom.

Mevr. v.d. Veek-Ruigrok schrijft: aargang 8, nr.3 en 4 heb ik met aandacht gelezen. Het ging over winkels
in de Wereldoorlog. Ik ben van 1924 en woonde in de Veldstraat. Daar was op Nr. 2, Piet Slobbe met een snoepwinkeltje. Voor 1 cent kreeg je al 2 stelen drop of zoethout, een kleurbal of witzwart e.d. Op Nr 14 was een groentewinkel, van Oosten en later een kruidenierswinkeltje van Kool. Een broer en een zus. Zij hoorden bij een Protestantse Kerk, zij gaven hun klanten altijd een hand. Ik weet niet zeker wie van de twee er tijdens 1940-1945 in zaten. Op Nr. 1 woonde Daan Been, met melk, kaas, boter en eieren.In de Wagendwarsstraat was op de hoek met de Wagenstraat een Dameskapster, Mevr. Degger, geen winkel. De andere hoek, Martien van Stein, met schoenreparatie. Aan de overkant, Cafe Jos van Riel. In de mobilisatie zaten daar onze soldaten en later de Duitse soldaten. Voor aan in de straat was de winkel van Nieuwenhoven, bloemen en tuinonderhoud van de Notabelen in ons dorp. Bij de boerderij van de Fam. Hulsbos aan de Kanaalstraat verzorgde hij de voortuin en plantte daar
fuchsia`s. Nu is dat Vrouw Holle. Graficus had wel een winkel met kantoorartikelen en je kon daar boeken huren. Ernaast was een snoepwinkel van Arie van Stein, bijgenaamd Kedet, waarom weet ik niet. Naast van Zelst was het Cafe van Kerkvliet, mijn moeder maakte met de feestdagen boerenjongens en dan haalden wij daar 2 maatjes Anizetta en blanke rozijnen bij Wijnberg, die woonde op de Heereweg. Ligtenberg met sigaren was er ook al. De boekhandel van die broer weet ik niet. Dan krijgen we naast de Kooker, Kapsalon van Hagen, dames en heren.
Zoals Hans van Duijnhoven al schreef was het Peet Zwetsloot die op de Kanaalstraat woonde. Aan de andere kant, naast Romijn, was de mandemaker van Aangeenbrug. En bij van Biezen kocht je de Gasmunten voor 11 cent per stuk. Naast Timmermans was een meubelzaak, van der Meer en sigarenwinkel van Antoon Mesman. Nog een sigarenwinkel van Fam. Meskers in de Schoolstraat. Op de Grachtweg een kleine Wasserij van v.d. Hoorn. Daar werden de boorden van de mannen gestreken en gesteven voor de Zondag en met een manchetknoop aan het overhemd gedaan. Arme mannen. Op de Heereweg naast de Witte Zwaan, de sigarenwinkel van Van Turenhout en sportartikelen voor te vissen, naast de schoenwinkel, de volgorde weet ik niet meer, Cafe `t Haantje, ik dacht nog een bakker, Goldberg. Rijwielen van Gé Bruijnen en een manufacturenwinkel van Klaver. Een lange smalle ingang, met opzij twee etalages. Voorbij Jamin was v.d. Tang, Zaadwinkel. Naast Freriks, een brede poort en dan Cafe de Duif en melkhandel Smit, dan het Rottenest. Nu komt Wijnberg en Slager Persoon, Opdam, Melman en sigarenwinkel Meiland. We gaan bij v.d. Mark de hoek om. Aan de rechterkant was Berk, de klompenmaker. Dan de opslagplaats van de Gebr. van Rooyen (mijn ooms). Verderop in een klein tussenpad de dames v. Kesteren met koffie en thee en wat snoepgoed. Aan de overkant petroleumboer Langelaan, die ook wat kruidenierswaren verkocht. Hij had een mooie spreuk op deur of raam. Die krijg ik misschien nog van Riet Opdam, die weet hem nog uit haar hoofd. Van haar en van Greet v. Stijn heb ik ook informatie gekregen. Aan de andere kant van de Heereweg, voorbij Buschman, een oud echtpaar Dames Bruijnen, dat Roomse spullen verkocht zoals beeldjes, rozenkransen en boekjes. En boekhandel van Houberg en kapper Franssen. Zie bijgaande foto en achterkant.

Heerensalon en Damessalon Franssen Foto coll. kleindochter

Achterop de foto staat het volgende geschreven: Deze foto heb ik gekregen van mijn schoonzus. Op de foto staan haar Opa en Oma en haar vader. Zij oonden aan de kant van Buschman, Nr. 237. Fam. Franssen.

Naast Witsenburg was Berkhout-Kroon. Hij had al een Ford en ging daarmee met stoffen en dergelijke naar de klanten. Het eerste stuk van de winkel van v.d.Geest heeft v. Schooten gezeten, met sigaren. Voorbij Goudkade weer een sigarenwinkel van Henk Kortekaas. Naast De Gruyter een Cafe v. Streng. Er was een balustrade voor. Weet niet of die toen nog gebruikt werd. Naast Geerdes melkhandel v. Dijk en dan schoenwinkel v. Stijn en achterom de reparatie. Koos v. Stijn kwam `s maandagsmiddags de schoenen ophalen en dronk bij ons thee en dan kwamen de verhalen over Lisse los. Carels met stoffenwinkel en garen, spelden e.d. Voorbij v.d. Meer al weer een sigarenwinkel van v.d Heijden? Stroet met bloemen. Duivenvoorde met een zaadwinkel. Jo Bruijnen met Radio`s en fietsreparatie. Mijn oudste zus heeft daar gewerkt en mijn moeder kon daar een radio huren, het was een bakbeest, zo groot, af en toe moest je er een klap op geven, anders deed hij het niet. Die ging natuurlijk snel weer terug. Nu iets leuks: Melkslijter Hoogenboom had volgens mij een hondenkar en ging met melk langs de deur. Met een pint van een halve liter, schepte hij de melk uit de bus, maar dat ging zo snel dat de pint niet goed leeg was. Dat was winst voor hem..
Het is nu zondagmiddag 4 uur. Toen ik hier aan begon had ik geen idee hoeveel herinneringen er weer boven zouden komen. Soms was ik er in bed nog mee bezig en kwam er een winkel weer in mijn gedachten. Ook hier en daar mensen gebeld. Afgelopen donderdag, heel onverwachts, toch de spreuk van Langelaan gehoord van Rinus van Zonneveld. Geweldig. Hier komt hij:

LAAT HATERS HATEN.
LAAT NIJDERS NIJDEN.
WAT GOD GEEFT ZAL IK LIJDEN.
KOFFIE, THEE, TABAK, SIGAREN,
KRUIDENIERS EN GRUTTERSWAREN.

Ik hoop dat het helemaal klopt. Ook een compliment voor Henk Schalk, die in Nr. 2 de belevenissen van de oorlog vertelt. Ik was toen 5 jaar ouder dan ij. Nu beleef je het opnieuw. Bij de bominslag op de Broekweg lag mijn Oom Arie v. Rooyen onder een muur, hij kwam er heel goed vanaf. Tijdens de razzia`s moesten mijn broers ook weg kruipen. Op de schuurzolder hadden wij een ruimte gemaakt waar mijn broer inkroop en dan klein gemaakt hout er overheen en de andere broer bij de buren. Ik stop er nu mee en doe het op de post en ik kan weer rustig slapen.

De heer G.J.M. Vreeburg reageerde op de ingezonden brief van “Oud Lisser” Dhr. Hans van Duijnhoven uit Randers (Denemarken). (Nieuwsblad Blz. 33 Nr. 4 Jaargang 8).
Over de Slagerij van Buschman meldt hij het volgende: De Slagerij van Piet Buschman zat aan de “Sassenheimkant” van  Boekhandel Grimbergen. Zijn broer Willem Buschman had een Slagerij in “De Engel”. Deze Willem heeft in de oorlog in een concentratiekamp gezeten. Hij kwam daar levend uit, maar is niet oud geworden. Aug werkte in de Slagerij van Piet Buschman. Op de Heereweg kwam na de Slagerij van Buschman eerst een klein huisje, waar mijn grootvader in heeft gewoond en vervolgens pas de Garage van BRUIJNEN. Dhr. Hans van Duijnhoven wist niet meer precies of de naam nu met een Y of met een I werd geschreven, maar in ieder geval was het BRUIJNEN en NIET
BRUININGS.

Dan reageert Helmi Beijsens-Berg op het nieuwsblad van juli 2009, bovenaan blz. 16. Zij schrijft: van af “De Gruyter.” Fotografi  Geerdes, en dan komt op nummer 173 kapper Gilian, ( later kapper Beijsens, nu kapper Thijsen) de Coöperatieve Boerenleenbank enz. In de toenmalige R.K. Coöperatie, de bakkerij, was A. Beijsens de bakker (vader van Frans de kapper). Velen in Lisse zullen hem nog herinneren.

Klik hier voor het hele verhaal

Lezing Zandvliet

Op 17 november hield de heer Kees van der Leer een lezing voor de VOL over de vroegere buitenplaats Santvliet in Lisse en de relatie met het Zandvlietcollege in Den Haag.

door Kees van der Leer

NIEUWSBLAD 9 nummer 1 januari 2010

Op 17 november hield Drs. Kees van der Leer een zeer boeiende lezing voor de Vereniging Oud Lisse over de vroegere buitenplaats Santvliet in Lisse en de relatie met het Zandvlietcollege aan hetBezuidenhout in Den Haag. Kees die voor zijn pensioen conrector was van het Zandvlietcollege kwam bij het naspeuren van de archieven tot de verrassende ontdekking dat er een duidelijk verband was tussen deze twee Z(S)andvlieten. Hij illustreerde zijn verhaal met prachtige dia’s en liet zien dat de hofstad Santvliet in Lisse zoals afgebeeld in Rijnlands gezichten door Abraham Rademaker in 1732, een hoog adellijk landgoed was, bewoond door Mademoiselle Adriana Constantia Sohier de Vermandois , vrouwe van Warmenhuyzen. In Lisse werd zij de “Mammesel” genoemd. Na haar dood kwam het landgoed uiteindelijk rond 1760 in handen van Jacob Adriaan Baron du Tour, advocaat bij de Hof van Holland ,een nazaat van een Frans edelman. Deze baron verfraaide het landgoed Santvliet bijzonder met prachtige tuinen en een fraaie menagerie (een kleine dierentuin). Ook de bloemententoonstelling Keukenhof, ‘t Hoogje en boerderij Middelburg hoorden bij Santvliet. De vijvers en tuinen op Keukenhof werden door Baron du Tour aangelegd.
Na zijn overlijden verhuisde zijn weduwe Anna Catherina naar den Haag en kocht daar een buitentje aan de Bezuidenhoutseweg. Ze noemde het Klein Zandvliet wat de basis was van het huidige Zandvliet college. Hiermee was
de link gelegd met Zandvliet in Den Haag. U kunt het hele verhaal nalezen in zijn artikel hierover (86 pagina’s) in het
derde jaarboek van Keukenhof (2009). Het boek is te koop bij Uitgeverij Verloren en bij Grimbergen boekhandel in Lisse voor 19 Euro.

Santvliet, naar een tekening van Andries Schoemaker uit de 18e eeuw

“TROU MOET BLIJCKEN” ??

Op 15 februari kreeg de VOL een vaandel, waarop ‘Trouw moet blijken’ staat uit 1926. De muziekvereniging was echter al in 1897 opgericht met de naam ‘Eensgezind’. De naam werd in 1926 veranderd. De overhandiging van het vaandel en de geschiedenis van de vereniging, die later opging in Da Capo, worden beschreven.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad 20 nummer 1, 2021

Het vaandel kwam richting de vereniging mede (of vooral) dankzij de inzet
en bemoeienis van Chris Balkenende, die daar twee jaar mee bezig is geweest.
Hij hoopt dat er elders in Lisse meer vaandels te vinden zijn.. Chapeau voor Chris!

We beginnen dit verhaal met gelijk iets recht te zetten. Sinds jaar en dag en door zo ongeveer iedereen is de muziekvereniging Trou Moet Blijcken als zodanig geschreven. Fout, zoals ook uit het onlangs aan de Vereniging Oud Lisse overhandigde vaandel  blijkt.Het was gewoon Trouw Moet Blijken (TMB) en de vorige schrijfwijze hopen we hiermee uit de wereld geholpen te hebben. De vereniging startte overigens niet met die naam. Onlangs werd het vaandel overhandigd aan de VOL. Een pracht stuk!

Harmonie Eensgezind in 1918 naast etablisement “De Witte Zwaan”

Hoe het begon: Op 31 juli 1897 kwamen in Hotel Café De Witte Zwaan op het Vierkant (waar nu Dirk is gevestigd) Joh. Wesselo, Anton v.d. Meer, P. Kaptein, IJ. van der Mark en H. Verdegaal in de roemruchte uitspanning bijeen om eens te onderzoeken of een muziekvereniging in Lisse enige grond onder de voeten kon krijgen. Bij die beraadslagingen werd men terzijde gestaan door meester Berfaas, die later de dirigeerstok zou hanteren. Ter plekke vormde men een voorlopig bestuur en  sprak het gezelschap af om een week later weer bij elkaar te komen. Ondertussen zou men enige dorpelingen polsen over het aangaan van een lidmaatschap. Dat sloeg aan, want op 5 augustus waren er al 18 liefhebbers die de vrije tijd met het maken van muziek in groepsverband wilden doorbrengen en dat was voldoende om van start te gaan. Het definitieve bestuur werd benoemd en gevormd door Joh. Wesselo (president), F. de Meulder (penningmeester), C. Caspers (secretaris) en als commissarissen IJ. van der Mark en H. Verdegaal. Op 16 augustus volgde de oprichtingsvergadering. Toen stond tevens vast dat de benodigde gelden er zouden komen met als ruggensteun het niet misselijke bedrag van honderd gulden dat door Gravin van Lynden werd neergeteld. Een andere rijkdom was het feit dat men totaal 23 leden in het verenigingsregister kon aantekenen. Een start waar muziek in zat.

Eensgezind
De naam van de nieuwe vereniging werd Eensgezind’ en dat was niet voor niets, want juist in die beginjaren zat men op eenzelfde golflengte en was zo ongeveer het hele dorp enthousiast over de nieuwe vereniging. Zo erg zelfs, dat iedereen die op enigerlei wijze van muziek hield, zich aan wilde sluiten. Een ledenstop was dan ook al gauw aan de orde en dat is natuurlijk aan de ene kant sneu, doch anderzijds een grote rijkdom. Onder leiding van Berfaas werden al spoedig de eerste melodieën aan de instrumenten ontlokt en konden de Lissers op korte termijn genieten van de eerste optredens. In de muziektent die in de zomermaanden op het Vierkant stond opgesteld bijvoorbeeld. De Zomeravond-concerten werden vermaard en druk bezocht en bezorgden Eensgezind een goede naam. (O, goede oude tijd, tijd met een Vierkant dat nog echt gezellig was….). De naam bleef echter niet. In de twintiger jaren werd een scherpe streep getrokken tussen het roomskatholieke en het protestantse Lissese leven. Eerder al was onder leiding van pastoor B.A. Lasance de harmonie St. Gregorius de Groote opgericht, maar toen deze vereniging in 1926 werd losgekoppeld van St. Jozefgezellen en het de harmonie Adolf Kolping werd (het latere Canite Tuba) stonden veel Rooms-Katholieke Lissese muziekmakers voor de niet te passeren keuze om zich bij die vereniging aan te sluiten. Meneer pastoor hielp een handje bij die overwegingen… Slechts vijftien leden bleven bij Eensgezind met baanbrekers als Mastenbroek, de Schrama’s en de heren De Haas, Nederpelt en Van der Linden. Trouwe lieden die de basis vormden van een nieuwe vereniging op oude leest en het Eensgezind in 1926 inruilden voor de welluidende
en alleszeggende naam Trouw Moet Blijken’. Een stuk Lisse dat niet aan de aanacht van de geschiedschrijvers mag ontbreken en wordt voortgezet, hoe het in de toekomst allemaal ook moge verlopen. Want hoe het ook zij, er zijn altijd redenen om de bazuin te steken (sorry dat was de naam van Canite Tuba…) en dat wordt dan veelal gedaan door mensen die in hun hobby hun trouw laten blijken…. Uiteraard kwam de sfeer in de vereniging zoals die vanouds was ten einde toen in de negentiger jaren een fusie werd aangegaan met Canite Tuba. Min of meer afgedwongen door toenmalig burgemeester G. van der Kroft die het zat was dat zo’n beetje elke vereniging een eigen verenigingsgebouw wilde en beloofde dat als de beide muziekverenigingen zouden fuseren, de gemeente hen tegemoet zou komen.
Da Capo en Het Speelkwartier werden toen een feit.

Da Capo is in 1995 ontstaan na deze fusie.

Momenteel bestaat Da Capo uit zo’n 150 leden, en heeft twee eindafdelingen, namelijk de harmonie en de show- en marchingband. Da Capo heeft een eigen opleidingstraject dat zich richt op instroom in een van beide eindafdelingen. Tot die tijd spelen jonge muzikanten bij Jong Da Capo; het opleidingsorkest van de vereniging. Daarnaast is er de twirlgroep, die in diverse samenstellingen en formaties regelmatig deelneemt aan lokale en nationale twirlwedstrijden.

Jubileum
En dan nu de hamvraag voor onze lezers. Bent u lid geweest van een van beide verenigingen en beschikt u over leuke foto’s, of kent u aardige anekdotes? Dan horen we dat graag van u. We willen als VOL-nieuwsblad aandacht besteden aan de viering van het 125-jarig bestaan van de basisvereniging in 2022.
Show en drumfanfare Trouw Moet Blijken’ in 1985 in de kleuren van Lisse.

Show en drumfanfare Trouw Moet Blijken’ in 1985 in de kleuren van Lisse

Van Lisse naar Hillegom: de verhuizing van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal in 1727.

Bedelaars en armoedzaaiers worden uit de dorpen geweerd. Zo moest Adriaan Corsz. Ruigrok van der Werve verbannen worden naar Hillegom. Hij kwam oorspronkelijk uit Hillegom. De genealogie van de familie Ruigrok van der Werve wordt besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

Inleiding

Bij het handhaven van de openbare orde werd door de dorpsbesturen in de Duin- en Bollenstreek lange tijd veel aandacht besteed aan het weren van bedelaars en armoedzaaiers. Zij werden gezien als een bron van sociale onrust en dienden zo snel mogelijk uit het dorp verwijderd te worden. Om te voorkomen dat de dorpen hun eigen arme inwoners zomaar naar een naburig dorp stuurden, moesten de dorpsbesturen zich in de achttiende eeuw garant stellen bij verhuizingen. Deze garantstellingen zijn wat Lisse betreft terug te vinden in de resolutieboeken van de schout en burgemeesters, die worden bewaard in het gemeentearchief van Lisse. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de verhuizing van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal. Dat biedt mij tevens de gelegenheid om wat dieper in te gaan op de familie Ruigrok van der Werve.

De familie Ruigrok van der Werve

Huys Dever te Lisse in 1725, afbeelding uit de Atlas van Schoemaker (Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam)

De Lissese rooms-katholieke familie Ruigrok van der Werve komt oorspronkelijk uit Wassenaar. De voorouders van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve woonden daar al in de vijftiende eeuw. Zij gebruikten toen nog niet de achternaam Ruigrok. Die zijn zij namelijk pas gaan dragen vanaf 1613. [1] In de loop van de zeventiende eeuw werd daar ook nog ‘van der Werve’ aan vastgeplakt. Zo wordt in 1690 melding gemaakt van “Cornelis Willemse Ruijgrok Werf”, tuinman te Lisse. [2] Cornelis Willemszn. Ruigrok van der Werve was een oom van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve. Hij woonde en werkte bij het Huis Dever als tuinman/boomgaardenier. [3]
Het is nog onduidelijk op welke grond de familienaam Ruigrok van der Werve werd aangenomen. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat deze van oorsprong Wassenaarse familie in mannelijke lijn afstamt van het adellijke geslacht Ruigrok van der Werve, dat in de vijftiende eeuw veel aanzien genoot. Het is mogelijk dat de naam langs vrouwelijke weg in de familie terecht is gekomen – dat was in de vijftiende en zestiende eeuw niet ongebruikelijk -, maar ook het onderzoek in die richting heeft tot nu toe geen adellijke herkomst aan het licht gebracht (in ieder geval geen concrete afstammingslijn).

Fragmentgenealogie van Willem Leendertszn. Ruigrok

Van tuinman tot veehouder

Detail van een kaart uit de 17e eeuw met daarop onder andere de Roversbroekpolder

Adriaan werd op 5 februari 1700 in Lisse gedoopt als zoon van Cors (of Corstiaan) Willemszn. Ruigrok van der Werve en Adriana Pietersdr. van ’s-Gravendijk. Waarschijnlijk is hij vernoemd naar zijn in 1698 overleden oom Adriaan Willemszn. Ruigrok van der Werve, tuinman op het landgoed Wassergeest. De vader van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve werd geboren in Wassenaar en duikt tijdens het laatste kwart van de zeventiende eeuw voor het eerst in de Lissese archiefstukken op. Volgens het uit 1680 daterende kohier van het familiegeld (een belasting die door de Staten van Holland was opgelegd) was de toen nog ongehuwde Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve werkzaam als tuinman:
Cors Willem Ruygrock, met noch een jongman, tuynlieden, met twee dienstboden in de kost [4]
Het is op dit moment niet bekend waar Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve als tuinman heeft gewerkt. Wel staat vast dat hij later van beroep is veranderd. In het kohier van het familiegeld uit 1690 wordt Cors Willemszn. Ruigrok van der Werve namelijk “koehouder” genoemd, oftewel veehouder. [5] Hij wist een aardig bedrijf op te bouwen, want in 1705 blijkt “Kors Willemse Ruijgrok vander Werf” gebruiker te zijn van in totaal 21 morgen en 501 roeden land in Lisse. [6] Het merendeel van de percelen lag in de Roversbroekpolder.

Verhuizing naar Hillegom


Zicht op Hillegom in 1733 met de Hervormde Maartenskerk en rechts het Hof van Hillegom, afbeelding uit de Atlas van Schoemaker (Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam)

Over de jeugd van Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve is weinig bekend. We weten op dit moment alleen dat hij al op vijfjarige leeftijd zijn vader verloor. Eenmaal volwassen trad Adriaan op 18 november 1725 in Lisse in het huwelijk met de uit Overveen afkomstige Aaltje Lambertsdr. Admiraal. Mogelijk woonde hij eerst nog enige tijd bij zijn moeder op de boerderij. In de jaren 1725-1727 wordt Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve namelijk niet vermeld in het kohier van de ordinaris verponding of andere Lissese belastingkohieren. [7] Blijkbaar had hij toen nog geen zelfstandig huishouden. In 1727 besluiten Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal te verhuizen naar Hillegom. Zoals ik in de inleiding al aangaf, diende het dorpsbestuur van Lisse zich in dat soort gevallen garant te stellen. Verder onderzoek zal uit moeten wijzen of dit bij iedere verhuizing noodzakelijk was, of dat het alleen een rol speelde bij personen waarvan men dacht dat ze een grotere kans hadden om tot armoede te vervallen. In ieder geval legden Cornelis Janszn. van der Jagt, Klaas van der Does, Quirijn Corneliszn. Geel en Harmen Tijdeman, burgemeesters van Lisse, samen met de schout Jacob van Dorp op 17 april 1727 de volgende verklaring af (de leeftijden zijn om de één of andere reden niet ingevuld):
Schout ende burgemeesteren van Lisse beloven tot versekertheyd van die van Hillegom, dat ingevalle Adriaan Korse Ruijgrok van der Werf, oud omtrent … jaren ende desselfs huysvrouwe Aaltje Lammerts Ammeraal, oud omtrent … jaren, van Lisse metter woon vertrokken na [naar] Hillegom, dat God verhoede binnen den tijd van ses jaren tot armoede kwamen te vervallen ende adsistentie van nooden hadden, wij die van Hillegom voorz. van alle lasten dienaangaande sullen ontheffen, onder verband als na regten. Actum Lisse 17 April 1727 [8]
Dit was een belofte die de Lissese dorpsbestuurders makkelijk konden maken, aangezien zij de kosten in dit geval niet zelf op hoefden te brengen. Kort voor het opstellen van de zogenoemde “Acte van bevrijdinge ende ontheffinge” (ook wel ‘akte van indemniteit’ genoemd) waren de roomskatholieke kerk- of armmeesters Klaas Pieterszn. van Beieren en Gerrit Hendrikszn. Hoogkamer namelijk bij de schout en burgemeesters van Lisse langs geweest:
Compareerden ter vergaderinge van schout ende burgemeesteren van Lisse, Claas Pieterse van Beijeren ende Gerrit Hendrikse Hoogkamer, kerk ofte armmeesteren van de Roomsgesinde in Lisse, ende beloofde inde voorz. qualiteyt die van Lisse te sullen ontheffen ende bevrijden van alle lasten van onderhoud die hen soude mogen toekomen van Adriaan Korse Ruijgrok van der Werf ende Aaltje Lammerts Ammeraal, geegtelieden, van Lisse metter woon vertrokken na Hillegom, versoekende aan schout ende burgemeesteren dat sij Acte van bevrijdinge ende ontheffi nge wegens de voorn. personen tot genoegen van die van Hillegom voorz. gelieven te passeren. Actum 17 April 1727.
Hoewel de schout en burgemeesters van Lisse zich offi cieel garant stelden tegenover de Hillegomse dorpsbestuurders, werd de eventuele armenzorg voor Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal uiteindelijk geregeld en bekostigd door de rooms-katholieke armmeesters van Lisse. Er was dus als het ware sprake van een getrapte garantstelling. Meer conclusies zijn er uit dit ene voorbeeld helaas nog niet te trekken, maar het geeft wel enig inzicht in de rol die dorpsbesturen en armmeesters speelden bij verhuizingen in de achttiende eeuw. Daarnaast is het voor genealogen handig om te weten dat er in de resolutieboeken van de schout en burgemeesters van Lisse mogelijk nog informatie te vinden is over verhuizingen van hun Lissese voorouders.

Naschrift

Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal zijn kort voor 17 april 1727 naar Hillegom verhuisd. Aaltje was toen hoogzwanger. Zij beviel niet lang na de verhuizing van een zoon (Cors), die op 15 mei 1727 in Vogelenzang werd gedoopt. Volgens de doopinschrijving woonden Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve en Aaltje Lambertsdr. Admiraal toen in Hillegom, in het deel dat ook wel het “Oostende” (of Oosteinde) werd genoemd. [9] Hier werden voor zover bekend negen kinderen geboren. Aaltje Lambertsdr. Admiraal overleed op 27 november 1736, twee weken na de geboorte van het laatste kind. Blijkbaar waren er tijdens de bevalling complicaties opgetreden. Opvallend is dat niet, want in deze tijd overleden er nog veel vrouwen in het kraambed. Gebrekkige medische begeleiding en slechte hygiënische omstandigheden waren daar debet aan. Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve hertrouwde daarna op 24 februari 1737 in Hillegom met de uit Warmond afkomstige Pieternel Anthonisdr. van Dam. Uit dit tweede huwelijk zijn tien kinderen bekend, die allemaal in het Oostende in Hillegom zijn geboren. Adriaan Corszn. Ruigrok van der Werve lijkt daarmee een groot gezin te hebben gehad, maar zijn kinderen zijn lang niet allemaal volwassen geworden. Voor zover bekend overleden negen van de in totaal negentien kinderen al vóór hun vijfde levensjaar (waarvan het merendeel binnen twee jaar na de geboorte). Dat gebeurde in de achttiende eeuw in veel gezinnen. De slechte hygiënische omstandigheden zorgden in die tijd namelijk voor een hoge zuigelingensterfte.

Noten

[1] J.F. Jacobs, “Boerenfamilies Ruychrock in de omgeving van Den Haag in de zeventiende eeuw” (voordracht gehouden tijdens de Ruychrock-dag op 15 januari 1983). De tekst van deze voordracht kan onder andere worden geraadpleegd op de volgende website: http://www.jacobs-schumacher.eu/opuscula_genealogica.htm

[2] Gemeentearchief Lisse (hierna GAL), inv. nr. 230 (1690), fol. 14v en 17v. Adriaan Willemszn. heeft in dit jaar ook al Van der Werve aan zijn naam toegevoegd, maar Cors Willemszn. gebruikt in 1690 alleen de naam Ruigrok.

[3] Rob Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004) 39, en A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 286.

[4] GAL, inv. nr. 229 (1680), fol. 16.

[5] GAL, inv. nr. 230 (1690), fol. 19v.

[6] GAL, inv. nr. 77, fol. 11-11v.

[7] In het kohier van de ordinaris verponding uit 1725 en het kohier van het bede- en helmgeld uit 1727 wordt bijvoorbeeld alleen zijn neef Cornelis Corneliszn Ruigrok van der Werve vermeld, die als tuinman werkzaam was op de buitenplaats Wassergeest, zie: GAL, inv. nr. 52 en inv. nr. 84.

[8] GAL, inv. nr. 2, fol. 261.

[9] Met dank aan Tonny Nieuwenhuizen-Fransen van de Stichting Vrienden van Oud Hillegom voor de aangeleverde genealogische gegevens

De afdeling Lisse van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur 150 jaar.

De afdeling Lisse van de Algemene Vereniging Bloembollencultuur werd in 1879 opgericht. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstellingen werden gehouden in de Witte Zwaan. Deze afdeling bestaat nu 150 jaar. De wetenswaardigheden van de afgelopen 150 jaar worden besproken. In museum de Zwarte Tulp is een tentoonstelling hierover met de titel ‘Van windhandel tot wereldhandel’.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

In 2010 viert de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur het 150-jarige bestaan. Een belangrijke vereniging voor de kwekers van bloembollen en knollen en dus ook van belang voor de Lissese kwekers. In de geschiedenis van Lisse neemt de bollencultuur namelijk een belangrijke plaats in. Met name de laatste tweehonderd jaar. Veel ondernemers handelden voor de voet op, frank en vrij en naar eigen inzicht, maar op een gegeven moment ontstond de behoefte om zich te bundelen. Een vereniging op te richten. Dat werd dus de toen nog niet Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur en de Lissese afdeling daarvan zag op 13 maart 1879 het licht.

Afdelingen.

De oprichting vond plaats in een tijd waarin de zaken er een beetje anders aan toegingen dan vandaag de dag. We laten maar in het midden of dat inderdaad de goede oude tijd was, maar bedenkingen zijn er wat dat betreft hier en daar wel. Dat neemt niet weg, dat initiatieven ooit eens moeten worden genomen en dat gebeurde in 1860 onder meer voor de toekomst van het bloembollenvak. In dat jaar werd de Algemene Vereniging van Bloembollencultuur opgericht. Een vereniging die tot doel had het bollenvak meer naar buiten te laten komen en uiteraard allerhande zaken te regelen binnen het vak. Het verging de organisatoren echter niet zoals ze hadden verwacht. De belangstelling voor de vereniging bleef vrij lauw en het ledenbestand was niet bepaald om over naar huis te schrijven. In een ledenvergadering in het jaar 1878 werd besloten, de verenigingen op te splitsen in afdelingen en zie…..; met de komst van de afdelingen groeide het totale ledenbestand van de vereniging zienderogen en dat zette zich gedurende vele jaren voort.

Lisse

Op 13 maart 1879 werd dus de afdeling Lisse bij de vereniging ingeschreven. Een afdeling die in latere jaren zeer geducht in de weer zou zijn en tot vele zaken het initiatief zou nemen. Een afdeling ook, die meteen zeer duidelijk bijdroeg in de groei van het totale ledenaantal van de vereniging, want van de 24 eerste leden van de afdeling waren tot dat moment slechts twee mensen al lid van de moedervereniging. Een hele aanwinst dus. Onder leiding van voorzitter C. Blokhuis werden de eerste stappen op het verenigingspad gezet. Een naam waarmee men overigens nog vele jaren werd geconfronteerd, want toen de driejarige voorzittersperiode eenmaal voorbij was nam de heer G. Blokhuis de hamer over. Dit hamertje wisselen duurde tot 1896. In dat jaar verkoos de vergadering de heer A. Guldemond als voorzitter en deze bleef het voorzitterschap tot 1912 bekleden. Overigens is de naam Blokhuis daarmee niet opzij gezet, want nog heden ten dage is deze naam in Lisse zeer bekend. Denk maar aan het winkelcentrum met dezelfde naam.

Activiteiten

Graven in de geschiedenis van de afdeling, is graven in een eeuw waarin zich op alle mogelijke terreinen heel wat heeft afgespeeld en waarvan het weergeven ettelijke pagina’s zou vergen. Veel geschiedenis werd ook in Lisse geschreven, omdat vele activiteiten in het hart van de bollenstreek werden geboren en verder ontwikkeld. Naast de steun die men die moederorganisatie verleende bij haar activiteiten, zoals het Scheidsgerecht, de bloemenkeuringen en opnaamstellingen, de proeftuin en de diverse tentoonstellingen, wist men in Lisse ook van wanten en zo organiseerde men ook zelf tentoonstellingen. De tentoonstelling die in 1929 in de (houten) HBG hallen werd gehouden vanwege het 50-jarig bestaan van de afdeling, spande wel de kroon. Niet alleen omdat men een enorme berg werk verzette om alles zo mooi en groots mogelijk te doen zijn, maar ook voor wat betreft de enorme tegenslagen die men kreeg te incasseren. Het vroor in die bewuste februarimaand namelijk dat het kraakte (het gemeentehuis in Leiden brandde af en veranderde door het bevroren bluswater in een schitterend ijspaleis). De pakweg 20 graden vorst konden niet worden verwerkt door de nog experimentele oliestook c.v. en de tentoonstelling ging door de kou ten onder. Zelfs de voor 4000 gulden gehuurde palmbomen gingen eraan. Dat het publiek het liet afweten was iets dat zich duidelijk laat raden als we thans zien dat vele evenementen niet door kunnen gaan omdat men (zelfs met de huidige moderne middelen) er niet door kan. Een jubileum dus om maar gauw te vergeten. Voor u lichten we nog het volgende uit de annalen van de afdeling; “Meermalen hield deze afdeling welgeslaagde tentoonstellingen, die getuigenis afl egden van de volmaaktheid, welke het vervroegen, vooral der Hyachinthen, te Lisse had bereikt. De eersten dezer tentoonstellingen werden gehouden in 1881 en 1882, de volgende in 1886 en de derde in 1892.” Omtrent deze laatste tentoonstelling lezen wij in het Weekblad voor Bloembollencultuur: “Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen. Het lokaal van “De Witte Zwaan” was in een waar lustoord veranderd en reeds bij het binnentreden was de aanblik grootsch. Ofschoon tulpen schaarsch waren en Narcissen en Crocussen geheel ontbraken, werd men voor dit gemis schadeloos gesteld door de grote massa Hyachinthen welke in onberispelijke exemplaren voorhanden waren. De voorzitter der afdeeling, de heer P. Joh. Weijenbergh, hield bij de opening der tentoonstelling eene rede, waarin hij de geschiedenis van Lisse, voor zoover de bloementeelt betreft, verhaalde. De spreker herinnerde eraan, dat reeds in het begin der 19e eeuw vanuit Lisse handel werd gedreven met het buitenland. Reeds in 1813 waren, tijdens den slag bij Leipzig, twee bloemisten namelijk de heren Affourtit van Lisse en Kruijff van Sassenheim in die stad ingesloten geworden, waardoor zij in hunnen handel zeer waren bemoeilijkt…” In 1840 onderging de teelt eenige uitbreiding. Zij werd toen door een achttiental personen beoefend die tezamen evenwel niet meer teelden dan ongeveer anderhalf bunder (hectare) Hyacinthen en wat Tulpen en Crocussen naar verhouding. In 1841 werd voor het eerst een stuk weiland van 1000 roeden voor de cultuur ingestoken en ofschoon zulks later ook nog af en toe geschiedde, bleef het een zeldzaamheid tot aan het jaar 1865. Toen begon men de bloembollenteelt niet meer als een bijzaakje te beschouwen, maar zochten sommigen daarin het hoofdbestaan. Eerst in 1880 evenwel ging de teelt met reuzenschreden vooruit. Ettelijke bunders weiland werden jaar op jaar voor de cultuur geschikt gemaakt, zoodat in het jaar 1892, volgens de meededeling van den heer Weijenbergh, niet minder dan 40 bunders weiland voor de teelt werden gereed gemaakt. En wat een cijfers die Weijenbergh meegaf: “Er waren in dat jaar ongeveer 250 bunders land voor de Hyacinthenteelt in gebruik en er werd jaarlijks ruim f. 120.000 aan arbeidsloon uitgegeven. Het is welbekend, dat de ontwikkeling van Lisse sedert niet heeft stilgestaan, en de geschiedenis  der afdeling is van die geregelde ontwikkeling een afspiegeling. In 1898 nam zij het initiatief tot de oprichting van een ziekenfonds voor werklieden. In 1901 werkte zij krachtig mede tot de totstandkoming der districtstelefoon, waarvan Lisse het middelpunt werd. In 1903 droeg zij het hare bij tot bespoediging van den bouw van het nieuwe station en gebruikte zij haren invloed, om dit aan de belangen van het bloembollenvak te doen beantwoorden. In 1907 richtte zij een tuinbouw wintercursus op en krachtige pogingen werden door de afdeeling in het werk gesteld om de vestiging eener voor de bloembollenstreek op te richten tuinbouw winterschool voor de gemeente Lisse te verzekeren.”

Onderwijs

De afdeling bewoog zich ook op het gebied van het onderwijs en wel door middel van het organiseren van cursussen in de bloembollenteelt. Een belangrijke steun werd ook verleend aan het onderzoek dat de toenmalige Dr. van Slogteren verrichtte. Onderzoek dat zich steeds verder uitstrekte en uiteindelijk leidde tot de stichting van het Laboratorium voor Bloembollen Onderzoek, dat een wereldwijde naam heeft opgebouwd als onderzoekinstituut. De afdeling manifesteerde zich ook fl ink op het gebied van tentoonstellingen en veroverde vele prijzen. Vooral de tentoonstellingen met de vervroegde hyacinten waren befaamd en vele bezoekers keken in De Witte Zwaan de ogen uit het hoofd. Men zond ook in naar de Floriade van 1972 en behaalde een ereprijs met lof van de jury en een drietal eerste prijzen en ook in Keulen timmerde de afdeling geducht aan de weg. Als laatste voorbeeld noemen we het mede dankzij de bemoeienissen van de afdeling ontstaan van de Nationale Bloembollenmarkt in Lisse, die elke 3e zaterdag van de maand oktober wordt gehouden en waarvoor een groeiende belangstelling bestaat. Ook sociale problemen werden in de afdeling aangesneden, doch konden niet altijd succesvol worden afgewerkt.

Door onderwijs probeerde men de werkomstandigheden te verbeteren.

Reeds in 1892 stelde de 29-jarige J. Pynacker voor een pensioenfonds in het leven te roepen voor de werklieden. Na veel voorbereidend werk bleek dit echter geen haalbare kaart. Omstreeks die tijd had men in Lisse ook nog de handen vol aan een andere zaak, namelijk het streven in Amerika om de 30 procent invoerrechten op bloembollen in dat land weg te nemen. Er werd door de afdeling een advocaat in de arm genomen op een basis van zo ongeveer no cure – no pay. Het heeft een hele poos geduurd voordat die man centen zag.

Namen

Vele namen worden in de wereld van de Lissese bloembollencultuur vermeld en zeer velen hebben zich op onschatbare wijze verdienstelijk gemaakt voor dit vak. Een naam om nooit meer te vergeten is die van Nicolaas Dames. (zie onze vorige artikelen). De man die nooit luisterde naar wat anderen aan meningen trachten op te werpen, doch zijn eigen proefondervindelijke gang ging en vriend en vijand versteld deed zijn met zijn resultaten van de vroege en late hyacintenbroei. Aan het front van het huidige laboratorium dat nu PPO Bloembollen en bomen heet, staat nog immer een borstbeeld ter nagedachtenis aan deze vakman, met als onderschrift “Voor kunde en Gemeenschapszin”. Een spreuk waaronder eveneens de (schaarse) medailles namens Nicolaas Dames Fonds worden uitgereikt, aan lieden die zich op de een of andere wijze bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor het bloembollenvak. Een andere naam die niet ongenoemd mag blijven is die van D.W. Lefeber. De “winner” zoals dat heet, van de darwin hybride Apeldoorn. Een rode tulpensoort. Zijn broer kon er trouwens ook wat van, want nog heden ten dage is de hyacint Pink Pearl zeer bekend. Een soort die maar liefst zo’n dikke tachtig jaar geleden al in de Beurszaal te Haarlem werd genoteerd. Lisse was en is het hart van bollenland en vele activiteiten werden en worden hier ontwikkeld. Activiteiten die in de gehele wereld eer en roem oogsten. En laat dat vooral zo blijven.