Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

MANNEKE PIS VAN LIS

Diverse urinoirs in Lisse komen aan de orde. Een tegenover De Witte Zwaan. Een aan de Haven bij de Hobaho en op ’t Vierkant. 

Door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Dit urinoir stond ongeveer waar nu “Plan 4” zijn kunstwerken etaleert.

Die van Brussel kennen we allemaal dat kleine cherubijnachtige manneke dat ongemanierd richting straat staat te plassen vanuit zijn sierlijk gebeeldhouwde nisje. Zo hoort dat niet! Dat deden wij in Lisse wel een stuk netter. In Lisse kwamen rond de vorige eeuwwisseling heel wat mannen over de vloer bij de “Witte Zwaan”. Vooral rond de veilingdagen voor bloembollen was het een drukte van belang in ons dorp. Die mannen moesten ook wel eens een plas doen. Om wildplassen tegen te gaan werd er schuin tegenover de ‘Witte Zwaan” een keurig urinoir gemetseld. Ook een prachtige nis, maar men richtte natuurlijk niet naar de straat zoals dat manneke van Brussel (zie voorplaat). Later toen er nog meer animo voor de veildagen kwam werden HoBaHo en HBG opgericht en kwam er ook zo’n prachtig plashokje aan de havenkant te staan. Toch bleef het in de omgeving van de “Witte Zwaan” een drukte van belang. ‘t Vierkant was uiteindelijk een soort station voor ons centrum waar de trams en de bussen af en aan reden. Niet alleen bij veilingdagen maar vanaf 1950 was daar de overstap naar Keukenhof. Ook voor die tijd gaven al heel veel mensen gehoor aan het lied van Louis Davids, “Naar de Bollen” en voor de mensen die geen “Fordje hadden opgedaan”, was het openbaar vervoer de manier om door de bollenstreek te reizen. Zo halverwege de bollentrip, bij halte ‘t Vierkant was een sanitaire stop zeer welkom. Daarom kregen we op ons “klein stationnetje” in 1940 tijdens de Duitse bezetting een heuse ondergrondse, niet om uit of over te stappen, ook geen ondergrondse verzetsgroep, wel om even bevrijd te worden van de druk op de blaas. Fa. Bert vd Zaal krijgt op 19-april 1940 deze klus om voor de somma van f 1397,- de bouw te realiseren. De Fabriek voor ijzerwaren van W.J. Stokvis uit Rotterdam meldt op 15-juni 1940 dat de levering van 2 sproeileidingen enige vertraging opliep. De oorzaak laat zich raden als je weet dat net half Rotterdam plat gebombardeerd was. In Lisse zelf lijkt het leven schijnbaar gewoon z’n gangetje te gaan. Daar waar nu nog steeds die prachtige ceder staat, daalde je af naar de onderwereld. Ja, het kon er stinken als de ……..!

Het is niet om te zeiken hoor, maar het is toch best wel een mooi plaatje zo. ±1960

 

Nou, dames wees maar blij, dat deze zwavelkleurig uitgeslagen betegelde catacombe alleen voor mannen was. Echte mannen, wel te verstaan! Het was een ware beproeving! Voor je naar beneden ging was het verstandig om diep heel diep adem te halen en spaarzaam om te gaan met de frisse lucht in je longen. Al afdalende knoopte je de gulp open om zo weinig mogelijk tijd te verspillen. Groot was de kwelling van een veel te kort ingeschatte plastijd, maar grootser was het genot als je uit de benauwenis verlost, je longen weer vol liet lopen met cedergeuren.

Tegen de kolenloods naast “de Beurs” was ook een Urinoir! Dit is ± 1952. Zo te zien was de volkswagen Kever in die tijd een zeer gewild autootje.

Deze boom verdient niet één lintje, aan deze boom zou een hele lintjesregen gewijd moeten worden. “Luctor et emergo”, zei eens een toerist, nadat hij flink had gepist.

Ontwerptekeningen van het Vierkant urinoir uit 1940. De bouw ging ondanks alle narigheid in den lande gewoon door . Misschien hield een Duitse soldaat de plasgelegenheid wel als eerste besetzt. Links zien we hoe gelijkertijd de eerste hangplek voor ouderen werd geintegreerd in dit prachtige plan.

Ondergronds urinoir bij de Gewoonste Zaak

In het hart van de bollenstreek was het niet alleen maar bloemengeur, zo het schijnt. Deze geschiedenis moest ik even kwijt, ik kon het niet ophouden. Gelukkig was ik thuis, want aan wildplassen hangt tegenwoordig ook een flinke prijs. Hoewel sommige kampioenen er ook wel een flinke prijs mee wisten te winnen. Nee wildplassen is geen oplossing, om wildplassen tegen te gaan is de urilift de oplossing. Ook ondergronds en alleen tijdens hoogtijdagen zie je ze uit de grond verrijzen. Op ‘t Vierkant in de schaduw van onze oude ceder is zo’n plaspaal en bij de “De Gewoonste Zaak” hebben ze ook wel eens last van hoogtij. Eerst stond hun urilift aan de overkant waar nu de tuin is van Hobahostraat 1. Nu staat de laatst genoemde verstopt in de doorgang naar het zogenaamde “Heemskerkplein”.

Maar wel oppassen! Ga daar nooit tegen de muur staan plassen, voor je het weet zweef je in een baan om de aarde. Hieronder het Parool van 29 november 2014.

 


Toch raar dat er pas heel laat ook voor dames in deze behoefte werd voorzien. Heeft u een verklaring voor dit stukje discriminatie? Laat dat dan a.u.b. even weten. Dankzij een initiatief van Ted Freriks is er in de corridor naast zijn voormalige “Blokhuis filiaal” een openbaar toilet gekomen. Ook bij de HEMA kun je nu terecht voor een dergelijke boodschap, wat een grote opluchting is voor vele dames en heren. Eigenlijk had ik dit epistel al afgerond toen ik van een al wat oudere dame te horen kreeg dat er nog een openbaar urinoir is geweest. Zij kan het weten want ze woonde als kind in “de Steeg” de Stationsweg. Achter het oude postkantoor was de ingang naar het urinoir. Tegenover waar nu Dragon Town is. In de doorgang achter het Postkantoor direct links en nog eens linksom. (zie het pijltje op de foto) In de kapsalon van Kapper Cor Degger was geen toilet, meerdere malen per dag waagde hij de oversteek naar deze plek. Zo zie je maar, vorige keer heb ik de Oude Banzijp met u besproken en nu deze manier van uitwateren.

bronvermelding

Gegevens bouw urinoir bij ‘t Vierkant, Gemeente Archief Lisse urinoir postkantoor, Mevr. Lenie van de Leede-Broekhuizen fotomateriaal Archief Vereniging Oud Lisse, Beeldbank Lisse en eigen archief bouwtekeningen Gemeentelijk Archief van Lisse, met dank aan Frans Mooijekind

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE OMWENTELING

De bevrijding van de Fransen in 1913 wordt beschreven naar aanleiding van een dagboek van Cornels van der Zaal. De Prins van Oranje kwam ook nog langs.

Door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

In het jaar 1813 is ons land verlost van het Franse juk. Geallieerde legers onder bevel van Lord Wellington versloegen definitief Keizer Napoleon en er kwam een omwenteling. Ook in Lisse. Op de 10e van de maand november kwam er een gerucht dat ons land had gecapituleerd, met wie en hoe wist niemand. De Maire, de heer van der Staal, was die dag bij de Prefect ontboden waar hem werd gelast de goede rust in Lisse te handhaven want er kwamen eerdaags vreemde troepen naar deze regio. De Maire ging bij alle burgers in het dorp langs om te verzoeken zich rustig te houden. Geruchten bleven zich verspreiden tot maandag de 15e, toen kreeg het gemeentebestuur een brief dat het alle valse geruchten waren en Keizer Napoleon weer op zijn troon zetelde. Toch namen enkelen het zekere voor het onzekere en vertrokken. Douanen en Fransche Heeren namen de wijk, toch bevreesd voor eventuele vergelding. In Amsterdam braken op de 15e om 19.00 uur relletjes uit en onder het scanderen van Oranje, Oranje begon men huizen van douanen in brand te steken. Lisse lag op de route Den Haag – Amsterdam en aan doorkomende koetsen en ruiters meende men op te maken dat het alles Oranje was geworden. Ook hier begon men op de 12e ’s avonds luidkeels oranje te roepen maar rellen bleven uit. Maire van der Staal had op de 15e een man naar Leiden gestuurd om te zien welke vlag er op de toren stond. Deze kwam terug en meldde dat de hele stad versierd was met Oranje. Cornelis van der Zaal werd op donderdag verzocht de Nederlandse vlag op de toren van Lisse te zetten. Deze had de avond ervoor een Franse vlag verbouwd tot een Nederlandse door de strook rood te vervangen voor een oranje strook. Het was niet mogelijk gebleken om in Leiden een vlag te kopen want op woensdagavond waren de stadspoorten gesloten. Drie dagen lang zong de bevolking van Lisse uitbundig Oranjeliederen en gingen ze rond bij burgers en boeren voor een drinkpenning of om getrakteerd te worden. Het was een vrolijke boel in het anders zo rustige dorpje. Maar zondag en maandag veranderde de sfeer toen grote groepen deserteurs in het dorp verschenen. Ook waren er een boel jonge mannen uit Lisse onder de wapenen van Napoleon opgenomen of werkten in werkbataljons, zij waren nog niet terug.

Maar nog steeds waren er geen vreemde troepen verschenen en begonnen de talrijke bossen rond Lisse zich te vullen met stroopbenden van deserteurs, het werd gevaarlijker. Op woensdagavond, toen men de kerkdienst bijwoonde hoorde men van buiten een trompetgeschal en enkelen gingen eens buiten kijken. Het was een kapitein van de Nationale Garde, welke vroeg om vrijwilligers om op te treden tegen de stroopbendes in de omgeving. Een menigte Fransen kwam plunderend vanuit Utrecht richting Leiden. Zeventien personen van Lisse meldden zich en ook in Hillegom sloot zich een groep aan. In Lisse zelf werd er een wacht geformeerd, zeventien bewapende mannen zouden Lisse verdedigen.

Het hoofdkwartier werd strategisch ingericht in de Witte Zwaan en telkens werden patrouilles van twee man uitgezonden. Nog steeds werden er geruchten verspreid en niemand wist waar men aan toe was. Eindelijk op maandag de 29e november kwamen er bij Scheveningen Engelse schepen aan welke 250 soldaten ontscheepten welke naar Den Haag marcheerden. De Engelsen vertelden dat de Prins van Oranje zou volgen. Dinsdagmiddag om vijf uur kwam de prins aan land en ging per koets naar Den Haag. Op twee december is de prins naar Amsterdam gegaan en in Lisse aangekomen werden de paarden ververst en ging het gezelschap in de Witte Zwaan naar de Rechtkamer om zich te verfrissen. Opvallend was dat Zijne Hoogheid de aangeboden wijn niet aanraakte waarop de andere heren het zich goed lieten smaken. Het was voor het dorp Lisse een heuglijke dag. Na een half uur vertrok het gezelschap naar Amsterdam.

Diezelfde 2e december 1813 verschenen dan de eerste vreemde troepen, drie stuks “koezakken”, imponerende figuren op hun kleine paardjes. De Fransen waren doodsbang van deze taaie soldaten. Heel Lisse liep uit om hen te zien, het blijven natuurlijk gaapstokken, en men bood de overigens uiterst vriendelijke soldaten een glas jenever aan. Het hele dorp deed hen daarna uitgeleide tot buiten het dorp. De vrijdag daaropvolgend kwam er een expresse brief waarin werd meegedeeld dat de Prins weer door Lisse kwam en verse paarden verlangde. Rond het middaguur verschenen de koetsen van de Prins, gevolgd door een dertigtal kozakken. Zij hielden halt en vroegen om hooi en haver voor de paarden en vlees en brood voor hen zelf. Bovendien werd er drank verlangd want zij lustten daar wel pap van. Bij de slager werd 50 pond vlees gehaald en in ketels gekookt. Maar voor dat klaar was waren de kozakken de huizen ingegaan en vroegen de mensen om voedsel. Toen de 50 pond klaar was zette Van der Zaal schragen met planken neer bij Vreeburg en vielen de kozakken aan. Volop besproeid met jenever en bier. Het vervelende was dat men hen niet kon verstaan maar een passerende heer uit Amsterdam sprak hun taal en was bereid te tolken. Toen de soldaten de tafel hadden leeggegeten en alle flessen leeg waren verscheen het rijtuig van de Prins. Deze keer stapte hij niet uit maar deed wel zijn raam open en de heer Entink (schout) en de Maire converseerden met Z.H. Toen de paarden waren ingespannen vertrok het gezelschap onder het geroep van Oranje boven, gevolgd door de kozakken waarvan er vier in Lisse bleven om ordonnans te rijden. Men had gedacht ze bij Jan Lemmers onder te brengen maar de kozakken wilden niet bij Vreeburg vandaan en wilden weer vlees en brood hebben. Die middag was een aardige middag en niemand geschiedde enig leed. Zaterdagmorgen trokken grote groepen kozakken en een menigte Russische infanterie door Lisse, maar Lisse heeft daar geen hinder van gehad. Zij waren op weg naar Leiden. Zondag nog enige formaties kozakken op doortocht en ook de vier ordonnansrijders vertrokken maandag. Ook diezelfde maandag besloot het dorpsbestuur het dorp te “limmeneeren” versieren met verlichting, en daar is Lisse die middag druk mee geweest. ’s Avonds vierde men feest. Dinsdag in de namiddag kwamen er 1500 Spaanse krijgsgevangenen door welke voor de Fransen hadden moeten werken bij Den Helder en nu vrijgelaten waren. Ze hadden allen dienst genomen tegen de Fransen. Het dorpsbestuur besloot hen allen een slok jenever te geven, als ze maar door liepen.

Op vrijdag 10 december is ter poeje van ’t Regthuijs van Lisse afgelezen dat de Prins tot Soeverein Vorst was uitgeroepen. Daarna werden de doortochten van militairen minder. Wel moesten er iedere dag 10 wagens en 20 paarden gereed gehouden worden. Die moesten van vijf dorpen betrokken worden. Toen kwam eindelijk de definitieve wapenstilstand. Napoleon deed zijn kroon af en werd verbannen. Toen konden ook alle militairen naar hun vaderland terugkeren, ook de jongens en mannen uit Lisse. In de Kerk werd een dankzegging gedaan en kon Lisse weer verder.

Opvallend is dat patriottische mannen als de heren Steengracht, Van der Staal, Entink e.a. die aanvankelijk voor de Fransen hadden gewerkt na de bevrijding weer dadelijk een rol konden spelen. Dit was te danken aan de proclamatie van 1813 van de Prins van Oranje. Hierin stelt hij nadrukkelijk: “Alle partijschap heeft opgehouden, Al het geledene is vergeten en vergeeven”

Een bewerking naar het dagboek van Cornelis van der Zaal bijgehouden in de periode 178-1838.

Kozak in 1813 in de buurt van Lisse

GERRIT SEGERS: van tuinbaas tot bloembollenkweker

Gerrit Segers wordt in 1847 tuinbaas op Keukenhof. Later wordt hij bollenkweker. Zijn geschiedenis en zijn geloof worden besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Gerrit Segers is in mei 1805 in Beverwijk gedoopt. Hij trouwde met de negentienjarige Maria Sophia Buurman uit Amsterdam. Uit dit huwelijk wordt in april 1838 een zoon geboren, genoemd naar zijn vader Gerrit, maar hij wordt vooral ‘Junior’ genoemd. Zijn moeder overlijdt helaas al in de zomer van 1839, ze is slechts 21 jaar oud geworden. Ongeveer een jaar later hertrouwt Gerrit Segers met Alida Bierman. Uit dit tweede huwelijk zijn acht kinderen geboren, de eerste vijf in Heemskerk, de laatste drie in Lisse. Hun zoontje Cornelis is in april 1846 op tweejarige leeftijd overleden. In september van dat jaar wordt opnieuw een jongetje geboren en zoals dat dikwijls gebeurde, krijgt ook hij de naam Cornelis. Als het gezin in Lisse komt wonen is deze jongste Cornelis volgens het Bevolkingsregister van Lisse al een jaar oud en als geboorteplaats staat Heemskerk genoteerd, maar de geboorteakte is daar (nog) niet gevonden. Gerrit Segers krijgt op de Keukenhof in Lisse van baron en barones van Pallandt in 1847 werk als tuinbaas. Het gezin Segers mag in het oude tuinmanshuis op het landgoed wonen. De vorige tuinman, Pieter Donker, is een half jaar eerder vertrokken en ook de inwonende jager Johannes Kouwenhoven is al naar het jagershuis wat verderop verhuisd. Het gezin Segers is op de verhuisdag per schip op de losplaats bij Keukenhof aangekomen. De baron heeft Hendrik van Voorst, bouwman op de Keukenhofboerderij, opdracht gegeven met paard en wagen het gezin en hun huisraad op te halen. De goede vriendschap tussen de beide mannen is toen waarschijnlijk al begonnen. De 42-jarige Gerrit trekt met zijn vrouw Alida en de vier kinderen Gerrit, Jan, Henriëtta en de peuter Cornelis in de leegstaande tuinmanswoning. Ze hebben hun dienstbode Gerritje Mulder meegenomen en vader Gerrit krijgt ondersteuning bij het werk van de jonge tuinknecht Cornelis Berkel uit Lisse. Buurman Hendrik van Voorst, geboren in De Bilt en pas sinds 1840 in Lisse, woont op de boerderij, vlak naast hen op het landgoed Keukenhof.

Koetshuis vervangt de oude tuinmanswoning ca. 1850

 

Zowel Hendrik van Voorst als Gerrit Segers zijn in Lisse lid geworden van de Hervormde Kerk, maar beiden misten in die kerk veel in de prediking van Ds. Kooy. Zij vonden dat wel in de kerk (Gereformeerde Kerk onder het Kruis) in Noordwijk. Van Voorst was al langer in Lisse en maakte ook de overstap naar die kerk eerder. Door hun vriendschap gaat Gerrit Segers al snel regelmatig mee naar Noordwijk.

Terug naar de dorpskerk of ontslagen worden!

Ds. Kooy is er niet bepaald tevreden mee dat de tuinbaas van Keukenhof niet meer in de dorpskerk van Lisse komt. Enkele bronnen vermelden dat de dominee contact heeft opgenomen met baron van Pallandt om zijn tuinbaas voor de keuze te stellen: ontslagen worden of toch weer naar de kerk in Lisse gaan. Het valt te begrijpen dat dit voor Gerrit Segers een heel moeilijke keuze moet zijn geweest. Het is dan bijna winter en hij heeft een groot gezin. Wat precies de reden geweest is voor het vertrek van Gerrit Segers zullen we nooit helemaal te weten komen. Er blijven vraagtekens over het geheel, maar Gerrit zou zich door God gesteund geweten hebben en heeft de Keukenhof verlaten. Na zoontje Rengert was ook de kleine Wouter in de zomer van 1850 nog in de tuinmanswoning op Keukenhof geboren. Daarna noteert de ambtenaar van de Gemeente Lisse dat tuinbaas G. Segers met zijn gezin verhuisd is naar  huis nr. 198(a). Voor hem in de plaats op Keukenhof komt op de eerste november 1850 tuinman Dirk Mengelder. Die woont echter niet meer in het oude tuinmanshuis want dat is nu vervangen door het nieuw gebouwde koetshuis.

Woning van Gerrit Segers, Heereweg, ca. 1865

Het gezin van Gerrit Segers woont nu in het huisje aan het Oosteinde van Lisse, ongeveer het latere adres Heereweg 119. De baron geeft hen nog aardappelen mee voor de winter en hij heeft een vracht hout laten bezorgen. Hij zou zelfs tuingereedschap meegegeven hebben en een bedrag aan geld dat voor die tijd heel bijzonder moet zijn geweest. Als Elisabeth als jongste in 1856 in het nieuwe huis geboren wordt, telt het gezin acht kinderen. Gerrit heeft de Hervormde kerk van Lisse verlaten en gaat met Van Voorst en hun beider gezinnen elke zondag naar de kerk in Noordwijk. De oude mensen kunnen in de kapwagen rijden, de jongelui moeten het hele eind lopen.

Het kerkbezoek is een hele opgave en daarom beginnen ze met het houden van leesdiensten bij Gerrit Segers thuis, omdat hij een ‘grote’ kamer heeft. Maar de toeloop van belangstellenden is in korte tijd al veel te groot voor die huiskamer, waarop besloten wordt een eigen kerkje te bouwen. Dat komt op de Broekweg – nu Kanaalstraat – en is in mei 1865 in gebruik genomen. Dat waren de eerste stappen in een bijzondere kerkgeschiedenis van heel gelovige inwoners van ons dorp. Hendrik van Voorst en zijn vriend Gerrit Segers hebben hierin als pioniers en ‘immigranten’ een grote rol gespeeld.

Kerk Gereformeerde Gemeente Broekweg (nu Kanaalstraat)

Van tuinbaas tot bollenkweker

In de periode 1860-1870 vinden we het gezin Segers nog op hetzelfde adres aan de Heereweg. Vader Gerrit staat nu als akkerbouwer te boek. Volgens overleveringen uit de familie zou Gerrit voor zichzelf zijn gaan werken en is wel met de handkar door het dorp gegaan om groente te verkopen. Uiteindelijk is hij bloemenkweker geworden, zoals zovelen in die tijd in Lisse. Hij start een bollenbedrijf op grond waarvan hij eerder een deel verkocht heeft voor de bouw van de kerk. Waar de kerk heeft gestaan, is tegenwoordig een vestiging van C&A, op de plaats van de bollenschuur is nu het parkeerterrein van supermarkt Hoogvliet. Dochter Aagje wordt dienstbode aan de overkant van de Heereweg, bij de familie van wijninkoper Jullens, tot ze in september 1872 trouwt met bloemkweker en zaakwaarnemer Govert Cornelis Tromp. Ze gaan in huis nummer 4 vlak bij de Vuursteeglaan wonen. Zoon Gerrit Jr. is aanvankelijk winkelier in een pandje aan de Heereweg dicht bij de woning van zijn ouders aan de Heereweg. Kort daarna gaat hij als winkelier naar de Broekweg, vlak bij de kerk van de Gereformeerde Gemeente, waar zijn vader en diens vriend zich zo hard voor gemaakt hebben. In 1863 is Gerrit Jr. in Haarlem getrouwd met Martijntje van Heijningen. Hij gaat meewerken in de bollenbedrijf van zijn vader.

In 1876 overlijdt Alida Bierman, de vrouw van Gerrit Segers Sr., in 1882 overlijdt hij vervolgens zelf ook. Beiden woonden tot hun dood op het latere adres Heereweg 119. Nu is het aan de volgende generatie.
Gerrit Jr. volgt zijn overleden vader op in het bollenbedrijf aan de Broekweg, zijn halfzus Aagje is getrouwd, maar de andere broers en zussen wonen aanvankelijk allemaal nog thuis. Wouter wordt bloemkweker en trouwt in 1879 met de dochter van Abraham Moolenaar, de timmerman. Rengert trouwt in 1881 en wordt ook bloemkweker. In 1882 trouwt Cornelis, eveneens bloemkweker, met een dochter van bloemkweker en koopman Hendrik Nieuwenhuis. Iets ten zuiden van de Agathakerk verrijst in 1897 het bloembollenbedrijf van de gebroeders Segers, opgericht door Cornelis en Rengert Segers. Rond de eeuwwisseling van 1900 woont er een heel groepje broers en zussen Segers tussen ongeveer de Vuursteeglaan en de Agathakerk, op ‘steenworpafstand’ van het familiebollenbedrijf. Het bloembollenbedrijf is gevestigd in een imposant symmetrisch gebouw met puntdaken. De tekst op het gebouw laat niets aan onduidelijkheid over: ‘Wholesale Bulb Growers’. De zaken gaan zó goed dat het gebouw in 1909 met een verdieping verhoogd is. Dhr. Hulkenberg meldt in zijn boekje vol oude ansichten van Lisse, dat de klus voor f. 10.000,- door de Gebroeders Moolenaar is geklaard. Zij hebben de pannen stuk voor stuk van de schuren gehaald en de planken genummerd voor ze werden weggenomen. Na het verhogen van het bouwwerk is het dak weer op de eerdere wijze teruggeplaatst. De zaken gaan goed voor de Gebroeders Segers.

Bollenkwekerij Segers Heereweg

Een familiegeschiedenis in bloembollen

Aan de overkant van de Heereweg woont zus Aagje Tromp-Segers, daar vlakbij woont broer Cornelis en iets verderop Wouter. Rengert woont naast het bollenbedrijf, met zijn tweede vrouw. Broer Jan is nooit getrouwd, heeft enige tijd buiten Lisse gewoond en trekt daarna in bij zijn broer en diens gezin bij de kwekerij. Ook de zussen Henriëtta en Elisabeth trouwen niet. Ze wonen enige tijd op zichzelf aan de Heereweg en trekken dan bij hun broer Cornelis in. In tegenstelling tot zijn halfbroers en zussen woont Gerrit Jr. niet op de Heereweg rond Agathakerk en Vuursteeglaan. Hoewel hij start als winkelier en arbeider in het bollenbedrijf van zijn vader, ontwikkelt ook hij zich tot bloemist. Hij woont met zijn vrouw op verschillende adressen op de Kanaalstraat, maar steeds rondom de daar gekoesterde kerk en het bollenbedrijf. Hij en zijn vrouw krijgen vier kinderen, maar twee ervan overlijden op jonge leeftijd. Zoon Gerrit is nauwelijks twee jaar oud geworden en zijn jongere broertje Arie overlijdt al binnen het eerste levensjaar. Dan blijven over Gerrit van 1866 en zijn twee jaar jongere zus Cornelia Maria. In hun directe omgeving woont jarenlang ook Gerrit Mijnders, metselaar en leeftijdgenoot van Gerrit Segers Jr. Beiden zijn heel actief voor de kerk waar ze zo dicht bij wonen. Over Gerrit Mijnders en zijn geschiedenis heb ik eerder uitgebreid geschreven, in ons Nieuwsblad van januari 2014. Hierin schreef ik ook dat Gerrit Mijnders de kerk bouwde op grond die Gerrit Segers daarvoor verkocht heeft.1 Dat de dochter van Gerrit Mijnders en Josina Beijer uiteindelijk in 1893 met de zoon van Gerrit Segers en Martijntje van Heijningen trouwt, kan nauwelijks toeval geweest zijn. Hoe is dat al vaker gezegd? Het oog van de liefde ziet dikwijls niet ver? Josina Mijnders en Gerrit Segers wonen na hun huwelijk tussen de beide ouderparen in. Er worden tussen 1894 en 1902 in Lisse zes kinderen geboren. Twee ervan zijn als heel jonge kinderen overleden, de rest groeit op rond de kerk in de Kanaalstraat. Zij zijn uiteindelijk allemaal op hogere leeftijd overleden en begraven in Lisse.

Ook de volgende generatie in de bloembollen

Gerrit Segers Jr. (geb. 1838), is uiteindelijk in de Kanaalstraat (tot kort daarvoor nog Broekweg) overleden in 1910 en zijn vrouw overlijdt daar drie jaar later. Gerrit Mijnders overlijdt in 1919 twee huizen verderop, waarna zijn weduwe Josina Beijer naar de Haarlemmermeer vertrekt. De jongste Gerrit Segers (geb. 1866) zet het bollenbedrijf van zijn vader voort. Pieter Johannes Segers is de kwartierdrager van dit Lisses Kwartiertje. Hij is in oktober 1898 geboren als zoon van Gerrit Segers en Josina Mijnders. Hij trouwt in 1926 in Gouda met Alida Clazina Valk. Ook dit gezin woont in Lisse in de Kanaalstraat vlak bij de ouders van Pieter Johannes. Het spreekt wel bijna vanzelf dat ook deze Segers bloemist wordt: hij zet op zijn beurt het bedrijf van zijn vader voort, het bollenbedrijf blijft de naam Gerrit Segers dragen. De bollenschuur staat op het binnenterrein achter de Kanaalstraat en direct achter de kerk. Die kerk in de Kanaalstraat wordt na talloze verbouwingen om met de toename van het aantal gelovigen mee te kunnen groeien, verlaten voor een nieuwe kerk aan de Tulpenstraat. Die wordt in 1936 in gebruik genomen en de oude kerk is verkocht aan Dirk Schouten en nu zit het kledingfiliaal van C&A al tientallen jaren op deze plek. Pieter Johannes Segers werd 84 jaar oud en zijn vrouw 73 jaar.
Beiden zijn begraven op begraafplaats ‘Duinhof’.

1. Volgens ‘Uw trouw is groot’ van C.J. Segers, zou dit echter de bouw van de tweede kerk betreffen: ‘Door de uitbreiding van het ledental (…) besloot de kerkeraad tot de bouw van een tweede kerk. Deze kerk werd gebouwd direct grenzend aan het eerste kerkje aan de Kanaalstraat (…) Op 25 mei 1866 werd dit kerkgebouw in gebruik genomen (…)’

Bronnen:

Genealogie en gegevens uit ProGen VOL; Bevolkingsregisters Lisse; Keukenhof – A.M. Hulkenberg; Uw trouw is groot – C.J. Segers; informatie van familieleden Segers.

EEN PLANKJE VAN HONDERD JAAR GELEDEN

Heereweg 115 werd verbouwd. Op zolder werd een plankje met tekst gevonden geschreven door Jac. Van Biezen en Andries Mastenbroek. Laura onderzocht de familierelaties van hen en de bewoningsgeschiedenis van Heereweg 115.

Door Laura Bemelman van Werkgroep Genealogie

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Bijna heel Europa in Oorlog Dit zoldertje er op gelegen 6 Maart 1915 Jac. Van Biezen Andries Mastenbroek, Lisse’

Onlangs schreef de heer de Jong aan ons Nieuwsblad over de grondige verbouwing van hun nieuwe huis op de Heereweg 115. Tijdens sloopwerkzaamheden op de zolder is ergens achter het rachelwerk een plankje gevonden met enkele regels tekst. Hij heeft een foto ervan naar ons toegestuurd omdat hij deze vondst heel bijzonder vond en met ons wilde delen. We wilden de foto graag in het Nieuwsblad plaatsen, maar direct ontstond ook het idee om vanuit de Vereniging Oud Lisse te onderzoeken of er iets interessants over te vertellen zou zijn.

In maart 1915 is ‘bijna heel Europa in oorlog’. We hebben het dan over de 1e Wereldoorlog. Hoewel Nederland in die oorlog haar neutraliteit wist te behouden, had die oorlog behoorlijk veel impact op het leven van de Nederlanders en de Lisser bevolking. In een eerder artikel in het Nieuwsblad zijn de Belgische oorlogsvluchtelingen al uitgebreid aan bod gekomen. Als het plankje wordt beschreven zijn die 500 mensen die vanaf begin oktober 1914 in ons dorp onderdak hebben gekregen nog maar net weer vertrokken, de meesten naar vluchtelingenkampen elders in ons land. De beide schrijvers van dit plankje hebben een grote betrokkenheid bij deze grote oorlog gevoeld. We weten eigenlijk niet of het gebruik was, zo’n verborgen plankje. Er is in elk geval één vergelijkbaar voorbeeld. Mogelijk zijn er nog anderen die ervan hebben gehoord of het hebben meegemaakt? Was er ook niet een schilder die zijn naam ooit in de kerktoren van de Hervormde dorpskerk op het Vierkant achterliet? Als een lang verstopt geweest plankje wordt teruggevonden is het een curiositeit en krijgt het meer kans op aandacht. Dit plankje heeft precies honderd jaar moeten wachten om in handen van een belangstellende terecht te komen en gelukkig is het door de vinder ook onder de aandacht van onze vereniging gebracht. Onze vrijwilligers, geïnteresseerd in historie en genealogie, zijn ervan overtuigd dat de tekst op het plankje is geschreven door twee Lisser timmermannen. Jacobus van Biezen, dan 51 jaar, geboren op 7 september 1863 in Lisse, van beroep timmerman. Hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Willem Spruijt van Biezen en Jacoba Hoek. Hij trouwde op 21 november 1895 in de NH kerk in Lisse met Johanna Theresia de Vries, geboren in Velsen. Jacobus is overleden op 18 oktober 1922 in Lisse. Andries Mastenbroek, dan 30 jaar, geboren op 10 oktober 1884 in Leiden, van beroep timmerman. Ook hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Barend Mastenbroek en Marigje Dragt. Hij trouwde op 28 juni 1906 in de NH kerk in Lisse met Ida Catharina Kaak, geboren in Voorhout. Andries is overleden op 3 januari 1960 in Lisse. Het gezin Mastenbroek en dus ook Andries, heeft enige tijd op de Heereweg ongeveer huisnummer 116 gewoond, dus schuin tegenover het huidige huis van familie De Jong. Vader was winkelier en ook behanger en had nog een zoon die timmerman was en een andere zoon die behanger was. Op nummer 120 woonde Jacob van Biezen, hij was koopman en een broer van timmerman Jacobus van Biezen. Het huis is gesloopt en herbouwd en Van Biezen is vertrokken, daar kwam toen de winkel van Reeuwijk, nu is het een appartementencomplex. De twee mannen staan elk als timmerman in het Bevolkingsregister. Als ze daarin voorkwamen als timmermansknecht hebben ze een ‘baas’ gehad, nu is dat niet zeker. Gezien het leeftijdsverschil is het mogelijk dat Andries in dienst geweest is bij Barend. Of waren ze beiden in dienst van bijvoorbeeld timmerman-aannemer Moolenaar? In elk geval was er tijdens die eerste Wereldoorlog schaarste aan allerlei goederen en veel werkloosheid. Deze klus moet ‘brood op de plank’ betekend hebben voor de gezinnen van deze timmerlieden.

Het ‘land van Blokhuis’ zicht op Heereweg

Op Heereweg 115 woonde Cornelis Blokhuis (1859), dan al enige tijd weduwnaar van Geertruida van Parijs. Cornelis en Geertruida hebben tien kinderen gekregen, vijf daarvan waren in 1915 al overleden. In dat jaar woonden nog twee kinderen, ongehuwd bij hun vader in huis: zoon Cornelis (1877) en de jongste dochter Geertje (1891). Hun adres is dan: C104. Op de nummers C101, C102 en C103 woonden de drie overige kinderen: zoons, en allemaal bloemist. Naast zijn vader, op C103, woonde Gerrit Blokhuis (1878), getrouwd maar zonder kinderen. Dit was het huis ‘Irene’ dat eerst nog als ziekenhuis in gebruikt geweest is en later is afgebroken voor de aanleg van de Nassaustraat. Twee huizen meer noordelijk, op C101 woonde Marie Jacobus (1889), hij was in 1912 getrouwd maar ook (nog) zonder kinderen. En op C102, tussen zijn beide broers in, Gijsbert Blokhuis (1883). Hij was getrouwd met Francina Elisabeth Servaas, en zij kregen drie kinderen: Cornelis (genoemd naar opa Blokhuis) in 1909; Francina Elisabeth van 1911 en Geertruida van januari 1913. Echtgenote en moeder Francina is op 20 februari 1915 overleden en Gijsbert bleef achter met de drie heel jonge kinderen. Gijsbert is met de kinderen verhuisd naar het huis van zijn vader. Mogelijk  heeft Gijsberts’ zus Geertje de dagelijkse zorg voor de kleintjes op zich willen nemen. Een eenvoudiger oplossing was er waarschijnlijk niet. Ongetwijfeld had Geertruida daar ook al de zorg voor haar vader en andere broer. De drie mannen, vader en twee zoons, konden zich dan concentreren op waar ze goed in waren: bloembollen kweken en die verhandelen. De verhuizing moet wel bliksemsnel in gang gezet zijn. Want het plankje is van slechts veertien dagen ná het overlijden van Gijsberts vrouw Francina. Dit zal haast wel de aanleiding geweest zijn voor het opknappen van de zolderverdieping, waar de timmermannen hun plankje achter de rachels gestoken hebben.

De ‘Pruimenhof’ van Gijsbert Blokhuis

Heereweg 115 is samengesteld uit het huis zoals het in 1906 voor Cornelis Blokhuis is gebouwd en de uitbreiding tot dubbel woonhuis in 1929. Het werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw een hoekpand toen de Nassaustraat werd aangesloten op de Heereweg. Vóór 1906 heeft op deze plek een ander huis van de familie Blokhuis gestaan ´de Pruimenhof´. De allereerste Blokhuis, Gijsbert, woonde daar vanaf ongeveer 1817. Later hebben in het gesplitste hoekhuis een reeks bewoners gewoond. Het is nog geruime tijd in gebruik geweest als pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Ook heeft later de Lisser wethouder Moolenaar er nog gewoond. Waarschijnlijk zit de charme van dit verhaal in de conclusie, die je alleen kunt trekken door gegevens uit verschillende bronnen en bestanden te combineren met wat kennis van zeden en gewoonten uit die tijd.

 

Bronnen: De Grote Oorlog in een Hollands Dorp – Nieuwsblad 1/2105; ProGen VOL; Bevolkingsregister Lisse 1910-1920; Registratie Waardevolle Panden in Lisse – VOL; A.M. Hulkenberg – Lisse, rommeling

 

 

 

POELPOLDER Wonen in de Leeuwerikstraat

Ina van Leeuwen  verhaalt over de afgelopen 50 jaar over het wel en wee van Poelpolder.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Poelpolder 50 jaar is aanleiding voor een paar artikelen over dit deel van Lisse. In dit julinummer het verhaal van Aad en Ina van Leeuwen die in 1967 in de Poelpolder kwamen wonen. Zowel Aad als Ina zijn Lisser van geboorte. Voor ze trouwden woonde Ina aan de Broekweg en Aad woonde in de Engel aan de 3e Poellaan.

Brug bij de Zemelpoldermolen, met de tijdelijke bovengrondse elektriciteitsvoorziening. De vogelbuurt is in ontwikkeling. 1966

In hun jeugd was de Poelpolder nog het gebied van de veetelers. Ina kwam er niet vaak. Maar ze herinnert zich nog wel dat ze met vriendinnen en zusjes naar de Poel trokken om er margrieten te plukken. In juni waren die er volop te vinden. Ze moesten er wel een heel stuk voor lopen. Van de Broekweg naar de Heereweg, dan de 1e Poellaan op en verder via de brug bij de Zemelmolen de Poelpolder in. Fietsen hadden ze niet. Hun jeugd viel in de oorlogstijd. Uit die tijd herinnert Ina zich ook nog dat haar vader wel eens bij boer Verdegaal langs ging. Er lag een roeiboot in de Greveling aan het verlengde van de Broekweg, waarmee werd overgevaren naar boer Verdegaal. Ina mocht dan wel eens mee, ze haalden daar wel biest. Wanneer het gevroren had was de Poelpolder ineens heel dichtbij. En de winters in Ina’s jeugd, de oorlogswinters, waren erg streng. Gerrit Verdegaal haalde dan zijn arreslee te voorschijn voor een tochtje naar de Kagerplassen. Aad kwam wel vaker in de Poelpolder. Wanneer je aan de 3e Poellaan woont ligt dat ook meer voor de hand, maar bovendien had hij een fiets. Zelf verdiend nog wel. Zijn broer had naast zijn gewone werk als timmerman een handeltje opgezet. Hij kocht schapenhuiden op. En daar profiteerde Aad weer van, want die kon heel goed wol spinnen. Dat leverde een aardig zakcentje op. En een enkele keer was er nog een meevaller voor thuis. Soms waren er verse schaapsvachten waar aan de huid hier en daar kleine vetstukjes aan waren blijven zitten. Met uiterste zorg werden die er dan nog van af gehaald. Elk stukje vet was van de hoogste waarde, de oorlogstijd was bepaald geen vetpot.
Na de oorlog volgde de opbouwperiode, maar ook een enorme woningnood. Er werd wel fiks gebouwd om de achterstand, ontstaan door de oorlog, in te halen, maar dat ging niet zo vlot. In 1962 werd de woningnood ‘officieel’ tot volksvijand nummer 1 verklaard.

Buurhuis met poortje naar de kolenopslag

Toen was men in Lisse al ver gevorderd met de plannen voor de bebouwing van de Poelpolder. Ina en Aad waren inmiddels in 1960 getrouwd. Ze hadden mazzel, want Aad was al lang daarvoor ingeschreven voor een woning en daardoor werd hen een bovenhuis toegewezen. Zij kwamen te wonen aan de Heereweg, schuin tegenover de Veldhorststraat waar toen op de hoek de dames Reeuwijk een kruidenierswinkeltje hadden. De ingang van de kruidenierswinkel was aan de Heereweg. De Incassobank was toen nog een echte bank waar de directeur boven woonde. Aad en Ina woonden boven bloemenzaak Stroet. Best een mooie woning. Twee kolenkachels waren er. Voor de kolen was een opslagplaats achter de zaak van Stroet. Dat betekende buitenom kolen gaan halen, weer via het poortje, voor de winkel langs naar de opgang naar de bovenwoning en dan naar boven. De bovenste verdieping was afgewerkt met kraalbeschot, maar natuurlijk ook erg koud, want daar werd niet gestookt. In de strenge winter van 1963 vond hun zoontje, wakker geworden in zijn ledikantje, het prachtig om het ijs van het beschot te krabben.

Dat de voorbereidingen voor het bebouwen van de Poelpolder in volle gang waren merkten ze op de Heereweg maar al te goed. Steeds kwamen er zware vrachtauto’s langs die vanuit de Veldhorststraat de bocht namen naar de Heereweg en zo door naar de Poel gingen. Bij iedere vrachtwagen schudde het hele huis en rammelden de kopjes bijna van tafel en de schilderijtjes van de muur. Het duinzand dat gebruikt werd voor wegenaanleg en bebouwing in de Poel kwam van de Ruigenhoek en geloof maar dat er heel wat nodig was! Het bovenhuis aan de Heereweg was prachtig, maar wel onpraktisch voor een gezin met kinderen. Op straat spelen met dat zware vrachtverkeer: veel te gevaarlijk. En op het plaatsje waar het kolenhok stond kon ook niet want dat was van Stroet en andere gebruikers. Naar buiten met 2 kinderen was een hele onderneming. De kinderwagen stond beneden. Dus de beide kinderen naar beneden dragen. Even snel een boodschap doen was er niet bij. Maar gelukkig had oma Groen in ‘t Woud aan de Broekweg een tuin met een zandbak. Natuurlijk wilden ze graag een eigen huis. Maar dat ging zo maar niet.

Aad was in 1962 gaan werken aan een school voor grafisch onderwijs in Den Haag. En in die tijd was wonen in de plaats waar je werkte min of meer verplicht. Er mocht alleen afgeweken worden van die regel wanneer de werkgever toestemming gaf en daar waren vaak voorwaarden aan verbonden. Maar gelukkig, die afspraak kon gemaakt worden en dus werd er in 1965 ingeschreven voor een te bouwen woning in de vogelbuurt in de Poelpolder. Het was het eerste project, een blokje van 4 straten, van koopwoningen in de Poelpolder. Ze werden gebouwd in opdracht van Eurowoningen, Den Haag. Kosten fl.32.000-, met een subsidie van fl.2000,- onder voorwaarde dat men er 10 jaar zou blijven wonen. Nu, dat hebben Ina en Aad inmiddels ruimschoots gehaald want ze wonen nog steeds op hetzelfde adres in de Leeuwerikstraat. Het waren eenvoudige en relatief kleine woningen. Met een vlizotrap naar de bovenste verdieping en nog steeds met een kolenhok, want cv zat er niet in. Die cv heeft Aad zelf aangelegd in een tijd dat doe-het-zelf nog niet in de mode was. De Gamma en Karwei moesten nog uitgevonden worden. Maar hier had Aad baat bij zijn werkkring. Daar waren ook specialisten op het gebied van leidingwerk e.d. dus die cv die kwam er wel. Net als veel andere verbeteringen in de loop van de jaren. Als je dat vergelijkt met het oorspronkelijk opgeleverde huis dan is het verschil enorm.
Toen de woning in maart ’67 werd opgeleverd waren ze er dolgelukkig mee. En de kinderen ook. Die konden eindelijk buiten spelen. De verhuisdozen waren nog niet uitgepakt of de oudste kwam al drijfnat thuis want hij was in het water gekieperd. De oudste ging nog naar de Jozefschool in het dorp, maar z’n jongere broer kon al naar de (nood) kleuterschool in de Poel, die achter de Uitermeer lag. In het blok van Ina en Aad kwamen voornamelijk Lissers wonen.

Bouw in de Leeuwerikstraat in de zomer van 1966

Maar  huizen er vlak bij kwamen mensen van buiten wonen, bijv. in de Kievitstraat veel Shellmensen en in de Kwartelstraat en Uitermeer oneven kwamen mensen van de marine, van vliegveld Valkenburg wonen. Ook in de huurwoningen achter de Uitermeer woonden o.a. marinemedewerkers. En dat merkten ze in de buurt! Regelmatig werd er een rondje laag overgevlogen voor het thuisfront. Ook kwamen in de woningen van de woningbouwvereniging veel Lissers wonen die in de bollen werkten. De mechanisatie in de bollen moest toen nog helemaal op gang komen, er waren dus nog veel arbeidskrachten nodig op de bollenbedrijven.
Een buurtgevoel was er in die tijd nog niet echt. Lissers blijven Lissers en de anderen waren toch vreemde eenden in de bijt. In de begintijd was het nog een beetje pionieren. Noodwinkels, zoals supermarkt Hogeboom, waren in de garages achter de Uitermeer. De vuilnisbelt lag toen nog tegen de Ringvaart aan en op de belt woonde toen Jan Ponsioen. Later kwam deze vreemde vogel aan de Roversbroekdijk te wonen. Deze excentrieke maar vriendelijke figuur met zijn wetenschappelijke boeken en onverzadigbare verzamelwoede maakte het de gemeente nog wel eens moeilijk waarbij hij z’n eisen wel wist te stellen.
In juni ’67, een paar maanden na de verhuizing, werd er weer een zoon geboren in huize Van Leeuwen. De Poel was een woongebied voor veel jonge gezinnen. Dus kwamen er scholen bij en zo langzamerhand kwam er meer samenhang in de Poelpolder. Het gemeenschapscentrum De Poel werd opgericht. Daar werd ook gekerkt (hoorde bij de Agathaparochie) en werd ook een kerkkoor gesticht met Huug Tielemans als dirigent.
De moeder van Ina kwam in de eerst opgeleverde flat aan het Rembrandtplein te wonen. Zij had gezondheidsproblemen gekregen, de Broekweg ging niet meer. Gelijkvloers wonen was noodzakelijk. Het was een mooie flat met vrij uitzicht over de nog onbebouwde polder richting Leiden. Ze woonde tussen de Leidenaren. In Leiden was een enorme woningnood en er was de afspraak dat Lisse een grote hoeveelheid Leidenaren zou huisvesten in de Poel. Lissers moesten eigenlijk niets hebben van een flat. Die wilden een stukje grond bij het huis. Mevrouw Groen in ’t Woud heeft niet lang in de Poelpolder gewoond. Haar gezondheid werd minder en in het dorp werd Eikenhorst gebouwd. Een woonvorm speciaal voor ouderen waar in de begintijd ook een tanende belangstelling voor was. Mevrouw Groen in ’t Woud was nog geen 70 toen ze daar kwam wonen. Maar ze woonde nog zelfstandig. De generatie daarvoor trok meestal bij de kinderen in. Aad vertelt hoe bij zijn ouderlijk huis aan de 3e Poellaan eerst een grootouder van vaderskant kwam inwonen en later nog een grootouder van moederszijde. Maar die laatste bracht ook nog een weeskind mee dat bij hen in huis geplaatst was vanuit St. Vincentius, het weeshuis in de Engel. En dat terwijl het huis van Aad’s ouders niet groot was en ze er met 7 kinderen woonden!
Dat waren andere tijden. Ina en Aad hebben heel veel zien bouwen in de Poel. Het lawaai van de zware vrachtwagens van de Heereweg werd vervangen door lawaai van de heimachines. Wanneer er nu gebouwd wordt is er praktisch geen overlast meer van heimachines. Inmiddels hebben ze naast opbouw ook al weer afbraak meegemaakt. De school waar hun zoons op waren, de Flamingoschool, was geen lang leven beschoren. En dat, terwijl de school in de Engel waar Aad zelf op zat nog steeds springlevend is. De Poelpolder is ontworpen met oog voor het groen. Ook het groen is al vaak vervangen en onderwerp van protest geweest bij dreigende kap. De laanbeplanting van de Ruishornlaan is al een keer, of misschien wel meerdere keren, opnieuw ingeplant. Zo verandert er voortdurend wat, maar blijft het een levendige wijk waar Aad en Ina het nog steeds naar de zin hebben. Ina brengt al jaren het Nieuwsblad van de vereniging in haar wijk rond. We hopen dat ze dat nog jaren kan blijven doen. Net als wonen in de Leeuwerikstraat in de Poelpolder.

Voorgenomen bezuiniging op monumentenzorg in Lisse

De VOL is tegen het voornemen om de bijdragen aan eigenaren van monumenten te schrappen. Daarmee is  de monumentenzorg vrijwel verdwenen.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

De Ver.Oud Lisse heeft zich jarenlang ingezet voor het behoud van en de aanwijzing van monumentale panden om Lisse aantrekkelijk te maken, ook voor toeristen. Ook het Rijk erkent de waarde van cultuurhistorie. In de nieuwe MoMo wet (Modernisering Monumentenwet) die sinds 2012 van kracht is, is het opnemen van cultuurhistorie (naast archeologie) in bestemmingsplannen verplicht. De impact van bouwplannen op de cultuurhistorie en monumenten in de omgeving moet deskundig beoordeeld worden. Vandaar dat nu gesproken wordt over omgevingsvergunning i.p.v.. bouwvergunning! De professionele monumentencommissie speelt hierin een deskundige rol. Vandaar dat we het een doodzonde vonden om deze commissie nu af te schaffen. Bescherming tegen onrealistische bouwplannen in Lisse is broodnodig, anders verdwijnt het zo karakteristieke en hierdoor zo aantrekkelijke Lisse na verloop van tijd! De Ver.Oud Lisse heeft daarom op basis van deze argumenten op 14 april 2015 een brief gestuurd naar de gemeenteraad en het College en op 16 april 2015 heeft de vorige voorzitter Wim Bosch samen met een lid van de Monumentencommissie ingesproken in de Cie Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur . Gelukkig had dit als positief gevolg dat in de raadsvergadering van april 2015 besloten werd om de monumentencommissie niet op te heffen, hoewel de bijdragen en budget voor het onderhoud van monumenten wel geschrapt werden.

Beroep tegen het bestemmingsplan en besluit omgevingsvergunning (de Zon).

De VOL heeft op 24 maart 2015 beroep aangetekend tegen het vaststellen van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning van Kanaalstraat 33. De gemeente heeft onvoldoende rekenng gehouden met de nieuwe MOBO wet.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

De Ver. Oud Lisse heeft op 24 maart 2015 naast 4 omwonenden beroep aangetekend tegen het vaststellen van het bestemmingsplan Kanaalstraat 33/Van der Veldstraat 2 en 2a in Lisse (Postzegelbestemmingsplan) en de bijbehorende omgevingsvergunning voor Kanaalstraat 33 en Van der Veldstraat 2 en 2a in Lisse (coördinatieregeling).
De gemeente Lisse heeft naar onze mening onvoldoende rekening gehouden met de eisen van de nieuwe MoMo (Modernisering Monumenten) wet, die vanaf 1 januari 2012 van kracht is. Wel is op ons verzoek naderhand een referentie paragraaf opgenomen, die verwijst naar de zeer relevante nieuwe wet Modernisering Monumentenzorg en is dat in de toelichting in het bestemmingsplan opgenomen. Maar er is helaas onvoldoende met deze wet rekening gehouden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, (dus niet alleen maar object gericht), maar ook voor de omgeving ervan: het zogenaamde omgevingsgerichte erfgoedbeleid. We vinden dat de gemeente Lisse aan de borging van het culturele erfgoed van de omgeving en specifiek het gemeentelijk monument Kanaalstraat 33 in het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende aandacht heeft besteed. Kennelijk was ook de Monumentencommissie nog veel te veel object gericht! Men herinnert zich kennelijk niet meer de uitspraak van de rechter in oktober 2010, die het Hofje van Six niet meer monumentwaardig vond, door de sloop van het vroegere sigarenmagazijn “Juliana” Kanaalstraat 44 in Lisse en nieuwe moderne hoogbouw pal naast het Hofje van Six …..! Concreet tekenden wij beroep m.b.t. de volgende zaken:: 1. Naar onze mening is het hoge trappenhuis incl. lift aanbouw (wordt i.p.v. de eerder genoemde 11 meter nu 12.90 meter hoog!) pal naast het gemeentelijk monument Kanaalstraat 33 een aantasting van de monumentwaardigheid van dit pand. Deze enorme hoogte staat ook niet duidelijk in het bestemmingsplan en in de gevelschets aangegeven. Ook vinden wij de derde bouwlaag van de nieuwbouw aan de noordzijde van het monumentale pand (Kanaalstraat 33) een aantasting van de monumentale waarde ervan. 2. Ook zien we in de stukken alleen een geveltekening van het pand Kanaalstraat 33 en aanbouw maar geen gevelschetsen van Kanaalstraat 33 inclusief schetsen van de gevels van omgevende woningen in de Van der Veldstraat en Kanaalstraat. Dit is wel nodig om de omgevingsvergunning goed te kunnen beoordelen. 3. Wij vinden dat de sloop van het hoekpand (Van der Veldstraat 2a) van de set karakteristieke woningen en de vervanging door een hoog modern pand er pal naast, de omgeving en het karakteristieke straatbeeld veel te veel aantast. Wij zouden deze set karakteristieke panden intact willen houden en de aanbouw niet ten koste willen laten gaan van het hoekpand van deze set woningen. Wordt vervolgd in afwachting van de verdere beroepsprocedure!
Voorgenomen bezuiniging op de monumentenzorg door Gem. Lisse De Ver.Oud Lisse had met verbijstering kennis genomen van de voorgenomen bezuinigingen op de monumentenzorg door het college van B&W van de gemeente Lisse. Met name het voornemen om de professionele Monumentencommissie, het schrappen van de bijdragen aan eigenaren van monumenten en het budget voor onderhoud monumenten deed ons erg pijn, nu daarmee monumentenzorg in Lisse vrijwel geheel opgegeven werd.

EEN NOTARIËLE AKTE UIT 1868: Vier pandjes op de Heereweg

Herberg Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

Door Arie den Hoed

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Wanneer we de Heereweg vanuit het Noorden richting het dorp afwandelen komen we langs vele mooie panden, genoemd in het boek van de V.O.L. “Registratie waardevolle panden in Lisse”. Als we de Veldhorststraat/Westerdreef naderen zien we daar tegenover twee kleine witte winkeltjes, een klein wit winkeltje met ernaast een wel heel klein wit winkeltje, de nummers 145 en 147. Het boek van de V.O.L. zegt daar eigenlijk niet meer over dan dat pand 145, evenals het vorige pand, No. 143, in de eeuw daarvoor, (het tijdvak 1800-1900) een boerderij geweest kan zijn. Ook Hulkenberg heeft er in zijn boekjes over Lisse, Lisse I op blz. 22 en in Lisse 2 op blz. 18 weinig over gezegd. Maar is het eerder wel een boerderij geweest?

Zicht vanaf de Van der Veldhorststraat/Westerdreef, rond 1990

Wij kennen deze pandjes eigenlijk alleen maar als winkeltjes. Het grotere winkeltje staat nu al geruime tijd leeg maar in het kleine winkeltje vinden we een handwerkzaak voor bijzondere handwerken. Er zijn de laatste jaren in het grotere pand ook een aantal Woord en Daad-winkeltjes geweest o.a. ook van Mevrouw Verloop-Buurman. Er is nog een oudere foto van het grotere pandje, die o.a. ook in het boek van de V.O.L. staat, waar het lijkt alsof er in het grotere pand allemaal lampen hangen en bij het kleine pandje staat “Babyshop” op de muur. Maar van wanneer deze foto is staat er helaas niet bij. Het zou zelfs een foto van één van de eerste Woord en Daad winkels kunnen zijn. We weten helaas ook niet of er in deze twee pandjes altijd winkels geweest zijn. Zie ook de pagina’s 246-250 uit het boek van Erik Vergunst. Maar laten we daarvoor eerst maar eens een oude notarisakte uit 1868 bekijken.
Enige tijd geleden kreeg ik van een mede geïnteresseerde in historie een geschreven kopie van een notaris-akte uit 1868 over de betreffende pandjes. Hij had hem voor mij overgeschreven van de originele akte, die gevonden was in de nalatenschap van een oude tante met de naam “van Nieuwenhoven” en die naam komen we in het boek van Erik Vergunst ook bij die betreffende pandjes tegen.
Laten we eerst eens kijken wat die betreffende notarisakte ons te vertellen heeft. Het betreft een akte van notaris D.J. van Stockum gedateerd 29/7 1868 met betrekking tot de verkoop van een viertal pandjes, een wat groter pandje en een drietal hele kleintjes aan de Heereweg voor de familie Plevier. Die familie was toen in het bezit van die vier pandjes.
Het gezin Plevier dat wij hier tegenkomen bestond uit de volgende personen: Johanna Hoekveld, weduwe van Jan Plevier, en haar kinderen: Johanna Cornelia Plevier, overleden 6/9 1865, getrouwd met Joannes van Zanten. Frederik Plevier, in 1868 arbeider (en in 1875 tuinman) Jacobus Plevier, tuinman te Sneek Willem Plevier, spoorwegwachter te Lisse Johanna Maria Plevier getrouwd met Leendert-Willem Baak Pieter Plevier, tuinman te Haarlem Het gezin telde oorspronkelijk meer kinderen, maar die waren jong overleden. Overigens was die Joannes van Zanten een oomzegger van Rutgerd Velthuijsen van Santen, gedoopt op 22 mei 1785 te Hillegom, de stamhouder van de huidige familie Veldhuijzen van Zanten. Maar laten we eerst maar eens gaan kijken wat wij over de familie Plevier aan de weet kunnen komen. Daarvoor moeten wij eerst Lisse even verlaten. Jan Plevier jr. werd geboren op 13/8 1788 in Egmond Binnnen. Hij trouwt op 19/2 1815 te Lisse met Johanna Hoekveld, geboren op 23/11 1794 te Utrecht. Maar de eerste kinderen werden in Voorburg geboren en zijn beroep wordt daar dan tuinman genoemd. Drie van zijn zonen vinden we later ook terug als tuinman n.l. Jacobus te Sneek en Pieter te Haarlem en Frederik te Lisse. Later vinden wij Jan jr. toch weer terug in Lisse. Hij koopt daar dan in 15/8 1822 een pand dat in de aankoopakte een ”herberg en tapperij” genoemd wordt. Het pand draagt de naam “Het Wapen van Haarlem” en Jan Jr. wordt tapper genoemd.
De vader van Jan Plevier Jr. was ook een Jan Plevier, geboren in Haarlem op 26/3 1760. Hij trouwde op 30/10 1785 in Haarlem met Hendrika Veldkamp geboren in Varsseveld. We vinden Jan Plevier Sr. later terug in Hillegom, waar hij op 8/11 1823 is overleden. We maken nu even een ommetje naar Hillegom en daar komen we dan op 18/9 1830 Jan Plevier Jr. tegen, hij wordt dan tapper genoemd wonende in nr. 191 te Lisse. Hij is er voor het transport de rato caverend van Pieter Hogervorst voor zijn moeder, Hendrika Veldkamp, weduwe van Jan Plevier Sr. van een stuk tuingrond ten ZW van de Moolesteeg en ten NW van de laan van Six (tegenwoordig is dat op de hoek van de Molenstraat en de Van den Endelaan). Zijn moeder woont dan in Diemermeer buiten Amsterdam. Jan Plevier Jr. overlijdt op 27/6 1845 in Lisse. Hij is dan 23 jaar tapper geweest.
Nu gaan we dan eindelijk aan de overdracht van de tapperij/herberg “Het Wapen van Haarlem” beginnen. Wie de tapperij na het overlijden van Jan heeft waargenomen vertelt het verhaal niet, dat kan zijn weduwe geweest zijn, maar ook zijn oudste dochter Johanna Cornelia die getrouwd was met Joannes van Zanten. Want op 4/1 1856 koopt Joannes van Zanten, de man van Johanna Cornelia, de tapperij “Het Wapen van Haarlem.” Het lijkt er dus op dat die Johanna Cornelia de zaak heeft voortgezet. Maar op 6/9 1865 overlijdt Johanna en op 30/9 1865 ook nog haar dochter Johanna Cornelia jr. Na de dood van Jan Plevier heeft zijn weduwe Johanna Hoekveld naast “Het Wapen van Haarlem” nog drie kleine pandjes bij laten bouwen. Maar op 29/7 1868 wordt de hele zaak dan toch te koop aangeboden en de vier panden worden als volgt omschreven: No.1 Een huis genaamd “Het Wapen van Haarlem” No.2 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder en Kelder. Dit perceel is groot 4 roeden en eenendertig Ellen No.3 Een huis bevattend; Woonvertrek, Zijkamer, Keuken, Zolder en Kelder, tesamen groot drie Roeden, zevenenveertig Ellen No.4 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder tesamen zes Roeden achttien Ellen, huis schuur en erf.

Blijkbaar was er in 1894 een verkoping van Het Wapen van Haarlem Leidsch Dagblad 1894

In eerste aanleg wordt er op pand 1 1450 gulden geboden door Johan Friederick Flinck, sinds 1862 eigenaar van “Rosendael”, oud-pastoor van Berkel en Rodenrijs, en rustend in “Rosendael”, dat schuin tegenover “Het Wapen van Haarlem” lag. Op de panden 2 en 3 werd zeshonderd en dertig gulden geboden door Frederick Plevier en op pand 4 zeshonderd en tien gulden door Cornelis van der Pluijm, arbeider. Na een tweede ronde werden de panden als volgt verkocht: “Het Wapen van Haarlem” aan Warbout Bergmen, tapper te Lisse voor veertienhonderd en vijfenzeventig gulden. Pand nummer 2, 3 en 4 , aan LeendertWillem Baak, Frederik Plevier ieder voor zeshonderdendertig gulden en aan Cornelis van der Pluijm voor zeshonderdtien gulden.

Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

 

 

 

Zo heeft één oude notariële akte ons aardig wat informatie gegeven over de Witte Winkeltjes in de periode 1818-1868. Zo zal er in alle notariële aktes van Lisse over heel wat gebouwen uit die periode wat terug te vinden zijn. In de huidige literatuur lezen we in de boekjes Lisse I en Lisse II, van Hulkenberg, dat in het grote witte pandje de tapperij “Het Wapen van Haarlem” gevestigd was en dat die in de volksmond ”De Hobbel” werd genoemd, omdat er in de tapperij behang met hobbelpaarden hing en dat Nieuwenhoven er in 1892 tapper was. Overigens valt er in die boekjes over andere zaken ook veel te vinden. Ook in het dikke boek van Erik Vergunst valt veel te vinden over die periode. We lezen daar de achtereenvolgende bezitters van alle dan aanwezige panden in Lisse. Een van de kleine pandjes wordt al snel gekocht door de slager Buschman en in 1878 wordt daar een grote schuur bijgebouwd, die dienst gaat doen als slachterij. In 1919 vertrekt Buschman dan naar het Vierkant in de winkel waar we nu Grimbergen vinden. Ook vinden we daar dan nog het pand dat Leendert-Willem Baak in 1868 gekocht heeft en dat is dan de enige van de aanvankelijke kopers die we in die tijd terug vinden. Ook zien we daar dat Theodorus Cornelis Duivenbode, groenteman, in 1955 het grootste pand koopt van Jan Nieuwenhoven. Hij heeft dat waarschijnlijk daarvoor gehuurd, want het is bekend dat daar omstreeks 1946 al een groentezaak was.

 

POELPOLDER: Molenaar Duineveld

De bewoningsgeschiedenis van de grote Poelpoldermolen wordt beschreven. Ook andere zaken over de Poelpolder komen aan de orde.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Grote Poelmolen Foto van vóór 1950, genomen richting noorden. Het  noodgemaal met de Kromhoutmotor staat er nog niet. Rechts is de Ringvaart. In het midden, meteen links van de molen is de woning van De Vlieger in de Poelpolder.

Een polder zonder molen is natuurlijk ondenkbaar. Daarom nu herinneringen van de heer Duineveld. Hij was jarenlang molenaar van de Lisserpoelmolen. De heer Duineveld is opgegroeid op een boerderij in De Engel. Na de diensttijd solliciteerde hij naar de functie van molenaar op de Grote Poelmolen. Dat was in 1953. Toen woonde de oude molenaar, Joop Kerkvliet, er nog en daar leerde hij het vak van. In die eerste jaren als molenaar woonde Duineveld nog bij zijn ouders in de Engel. Naast molenaar werd hij ook veehouder. Het vak van molenaar is altijd al een deeltijdbaan geweest. In 1678, toen de voorgangers van de huidige molen er nog stonden, ontving de molenaar op de achtkanter molen 120 gulden en die op de kleinere wipmolen 70 gulden per jaar. Een ongeschoold arbeider verdiende in die tijd zo’n 300 gulden per jaar. Het maalloon was niet slecht en men had vaak ook bepaalde privileges, zoals vrij wonen en
stookvergoeding, maar om in het levensonderhoud te voorzien moest er iets bij gedaan worden.
Voor molenaar Duineveld was het malen dus een deeltijdbaan. In 1961 bedroeg het maalloon bijna 700 gulden. Ter vergelijking: een jaarloon voor een arbeider was begin jaren ’60 zo’n 4.000 gulden/jaar. Je zou bijna concluderen dat de betalingsverhoudingen weinig veranderd zijn in die drie
eeuwen.
Ook andere taken in de polder kwamen in aanmerking voor een vergoeding. In ’75 werd de vergoeding voor polderbestuursleden vastgesteld op fl. 175- per jaar, voor de voorzitter fl. 350- per jaar. In dit verband is het curieus dat de vertegenwoordiger van de gemeente Lisse (Lisse was ook stemgerechtigd), de heer Mesman, in de vergadering stelt dat de vergoedingen veel te laag zijn. Ze zouden moeten verdubbelen. Daarop leggen de bestuursleden uit dat ze hun verkiezing voor het bestuur zien als een grote eer, waar vanzelfsprekend geen juiste geldelijke waardering tegenover behoeft te staan. Bovendien was het al een redelijke verhoging vergeleken met nog niet zo lang daarvoor toen de vergoeding voor een
bestuurslid fl. 25 bedroeg. Zou een dergelijk idealisme nog bestaan? Terug naar molenaar Duineveld in 1953. Brood op de plank moest er komen en de combinatie veehouder/molenaar was passend. Er werden, met geleend geld van pa, 7 koeien gekocht. Vlak bij de molen had Duineveld toen 9 ha. grasland. Bij de ouderlijke boerderij, ook een melkveebedrijf, had hij ook nog eens 9 ha. in gebruik. Hard werken, maar na een jaar kon er afgelost worden. In 1958 ging hij met zijn vrouw in de molen wonen. Er werden 5 kinderen geboren. Ze zouden er uiteindelijk 47 jaar wonen. Toen de vorige molenaar, Joop Kerkvliet, in de molen woonde nam eenvzuiggasmotor, die in de molen geplaatst was, nog veel ruimte in. Dat gezin had beneden een kamer met bedstee, boven ook een kamer met bedstee en op de zolder sliepen de kinderen. In het halletje stond een gasstel. Waterleiding was er niet. Men gebruikte regenwater of haalde ergens een emmer water. Toen was de kwaliteit van regenwater gelukkig nog goed. Die zuiggasmotor moest er voor zorgen dat de polder minder afhankelijk van de wind zou worden voor de bemaling. Maar dat was lang niet voldoende. m de motor aan de gang te krijgen was bovendien de hulp nodig van veehouders uit de buurt. In 1956 kwam er een noodgemaal met een Kromhoutmotor naast de molen te staan. Dus toen de heer en mevrouw Duineveld in de molen kwamen wonen was er wat meer woonruimte. Om vanaf Lisse bij de molen te komen kon je via de 2e Poellaan met een wagen tot De Vlieger (zo’n beetje bij het zuidelijkste puntje van de Roversbroek) komen. Daar was ook een brug naar de Poelpolder. Naar de molen moest je dan het pad over de dijk volgen. Je kon ook door het land naar de 3e Poellaan. Het adres van de molen was ook 3e Poellaan. Maar de verbinding naar de overkant, naar de Haarlemmermeer, was veel eenvoudiger en werd meer gebruikt. Ook voor het boerenbedrijf.

De heer Duineveld zo’n nok van de molen bij een reparatie, uitgevoerd door medewerkers van molenmakersbedrijf
Verbij.

Want de heer Duineveld was dan wel molenaar, zijn beroep was bovenal veehouder en veehandelaar. De melkbussen werden overgevaren. ’s Zomers werden ze 2 maal daags opgehaald, in de winter 1 maal daags om naar melkfabriek Hollandia in Hazerswoude te gaan. Je had toen ook nog melkfabriek Heemskerk in Noordwijkerhout, een melkfabriek in Leiden en natuurlijk Menken in Wassenaar die nog lang heeft bestaan. De melkbussen werden opgehaald door een transporteur en eventueel voor de verschillende fabrieken elders overgeladen. De bussen waren genummerd en je had een dubbel stel melkbussen. Ook een broer van hr. Duineveld werkte 10 jaar in het veebedrijf. Waar indertijd grasland was bij de boerderij van zijn ouders werd het land omgezet en ontstond bollenland. Twee andere broers hadden daar hun bedrijf. Het veehoudersbedrijf bij de molen werd van lieverlee uitgebreid. Er kwamen stallen bij en later ook een woning. Maar het plekje van de molen had zo’n mooi uitzicht; verhuisd naar die woning zijn ze nooit. Inmiddels staan er zo’n 300 koeien op het bedrijf. Dat de melkveehouderij in de laatste 50  jaar enorm veranderd is blijkt wel uit deze aantallen. Met de hand melken was al lang  overgenomen door machines, een melkblok (melkkrukje) is niet meer nodig. Vroeger molk je met de hand en dan deed je zo’n 6 koeien per uur. Nu doet de machine dat voor 100 koeien. En dan de hoeveelheid melk. De 7 koeien waar de heer Duineveld mee begon leverden 2 melkbussen op, 80 l. Nu zorgen 160/170 koeien voor een melkproductie van zo’n 4.000 l. Het 2 maal per daags overvaren met de bussen is al lang voorbij; eens per 3 dagen wordt de koeltank leeggehaald door een melkwagen. De Poelmolen zorgde dus voor het droog houden van de Poelpolder. In de Poelpolder woonden maar weinig mensen; 4 a 5 boerderijen waren er. Daarnaast waren er wel een tiental veehouders die elders hun boerderij hadden, maar in de polder grond bezaten. Uit Lisse waren dat: De Wit, Van der Salm en Hulsebosch. Uit De Engel: Heemskerk, Duineveld en Van der Zon. De Roversbroek en de Poelpolder verschilden wezenlijk van elkaar. In de Roversbroek woonden aardig wat mensen en het waren daar veelal kwekers. Je had één groot veehoudersbedrijf, Warmerdam, en enkele kleinere zoals De Groot, Brak en Bakker. In 1890 was er vanuit de Roversbroek al een keer voorgesteld om te bestuderen of een gezamenlijk stoomgemaal niet een oplossing zou betekenen voor de bemalingsproblemen van beide polders. Er werd lang over onderhandeld, maar in 1896 verwierp het polderbestuur van de Poel het plan.
Toch was de nood soms wel hoog. De Poelpoldermolen werd in 1907 door een windhoos getroffen en in 1917 werden weer de molenas en de roeden vernield. Dan was langdurig onderhoud natuurlijk nodig en ontstond een probleem met de afwatering.
Molenaars kunnen een weersomslag vaak aan zien komen, die hadden daar geen buienradar voor nodig. Toch gebeurde het wel dat een plotseling aanwakkerende wind snel ingrijpen vroeg. Dan was het een hele toer om de molen stil te zetten. Ook molenaar Duineveld is dat wel overkomen. Gelukkig steeds goed afgelopen, maar hij is toch wel met een emmer zand naar boven gegaan om te kijken of de as niet warmgelopen was. Voor onderhoud aan de molen kwam in de begintijd molenmaker De Gelder
uit Leiden. Later werd dat molenmakersbedrijf Verbij uit Hoogmade. De molenaar moest de staat van de molen in de gaten houden en deed voorstellenc aan het polderbestuur voor het noodzakelijk onderhoud. De polder was eigenaar en daar moest dus beslist worden of men het geld er aan wilde besteden. Om een idee te geven: in 1961 werd er door fa. De Gelder voor 1380 gulden werk geleverd aan de molen. Daar kwam verder aan onderhoud nog bij schilderwerk, rietdekkerswerk. Het totaal aan onderhoudswerk
was dat jaar begroot op 3000 gulden. 1 maal per jaar was er een algemene ledenvergadering in de Witte Zwaan. Daar werd ook over de polderlasten gestemd. In 1961 was het voorstel 43 gulden per ha. Leden waren degenen die land in eigendom hadden in de Poelpolder. Het stemrecht was verdeeld naar het aantal ha. grond dat in eigendom was. Het bestuur vergaderde indien nodig. Om te zorgen dat water goed afgevoerd kan worden, wordt er jaarlijks een schouw gehouden. In augustus was er de 1e schouw. Bij de schouw werden de tocht, de scheisloten en natuurlijk de molentocht, die de molenaar zelf
schoon moest houden, bekeken. De molentocht was zo’n 600 m. lang en het moest indertijd allemaal met de hand onderhouden worden, dus dat was wel een paar weken werk . De overige sloten van de veehouders waren eigen verantwoordelijkheid. Toch gebeurde het wel in natte periodes in de zomer,
vooral in het noordelijkste deel van de polder, dat het water niet voldoende weggemalen kon worden. Gemalen werd er dan 24 uur per dag. Een sloot die niet voldoende open was verergerde de problemen natuurlijk. Dan kwamen de veehouders wel verhaal halen bij de molenaar. Eind oktober was de 2e schouw door het polderbestuur. Eerst verzamelen bij de vader van de heer Duineveld (hij zat in het polderbestuur) met koffie. Dan werden de taken voor de schouw verdeeld in noord, zuid en de tocht. Het schouwen was zo tegen 12 uur klaar. Dan naar de molen voor het na vergaderen met een borreltje. Een zeer gezellige afsluiting waarbij drankjes geschonken werden die nu nauwelijks meer gedronken worden als oude genever en een brandewijntje. De Roversbroekpolder en de Poelpolder werden in de 60-er jaren als polders samengevoegd. Het gemaal van de Roversbroek werd in ’70 opgeheven. Dat had gevolgen voor de afwatering. De Poelpolder is een diepe polder; het zomerpeil bedraagt -3,73 m NAP, het winterpeil – 4,- NAP. De Roversbroek ligt iets hoger dan de Poel. De dijken werden afgegraven en er kwamen duikers onder de wegen om het water naar de Poelpolder af te voeren. Extra elektrische bemaling was nodig.

Het recreatieve fietspad ligt inmiddels langs de molen. Foto 1991.

Toen het plan voor de bebouwing er kwam is het land van de veehouders vrij verkocht. Het meeste werd door de gemeente gekocht. Met de bebouwing van de Poelpolder werd de waterafvoer ook anders geregeld. Er kwam een rioolstelsel en de gemeente had een eigen bemaling.
De Poelmolen, eerst eigendom van de Poelpolder, werd overgedaan aan waterschap De Oude Veenen. In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting. Het werk van de molenaar veranderde mee. Tegenwoordig wordt er alleen nog op vrijwillige basis gemalen. Eind 2005 volgde Jan van Schalkwijk molenaar Duineveld op als vrijwillig molenaar. Gelukkig kunnen we anno 2015 nog steeds genieten van de statig ronddraaiende wieken die het mechaniek in gang houden dat het overtollige water afvoert naar de Ringvaart.

Foto van vóór 1950, genomen vanaf de Haarlemmermeer richting Sassenheim.
De optrekjes bij de molen werden verhuurd als vakantieverblijf.

Uit het archief gelicht: Verdronken in het Haarlemmermeer 1688

Ermpje Munnik verdronk in 1688 in het Haarlemermeer. De zoekacties worden beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Uit de archieven komen niet alleen mooie maar ook trieste verhalen te voorschijn. In de 17e eeuw was de Haarlemmermeer nog een gevaarlijk water. In de verpondingsboeken lezen we vaak dat de inwoners geen belasting hoeven te betalen voor hun land omdat het wegens afkalving door het water, in de golven van het meer was verdwenen. Zo’n triest verhaal komt voor in de heijligengeest boeken van Lisse. In het jaar 1688 had het echtpaar Cornelis Willemsz.van der Codde gehuwd met Maertje Pietersdr. van Oosten een dienstmaagd. Maertje was biersteker en had twee opgroeiende dochters. De dienstmaagd Mensje, haar achternaam is nog niet achterhaald, was verdwenen. Dan staat er ineens, ontvangen van Vrank Janse van Kats armmeester 15 stuijvers dat gegeven was voor het opvissen van Mensje, dienstmaagd van Maertje Pieters van Oosten. Maar ze was echter niet alleen. Waarschijnlijk met haar vriendin Ermpje Munnik, die was nog niet gevonden. Wat de oorzaak was van het ongeluk lezen we nergens. Er werd een zoekactie op touw gezet en de broer van Ermpje, Cornelis Pieterse Munnik loofde 10 gulden uit voor degene die zijn zuster vond. De helft ervan zou naar de armen gaan. Voor die tijd een aardig bedrag. In een kleine gemeenschap die Lisse toen was, zal het zeker het gesprek van de dag zijn geweest. Met stokken langs de rietkragen van het meer lopen zoeken, dan is het meer ineens heel groot. Jan Philipse van Vossen, Cornelis Cornelisse Geervliet, Gerrit Willemse en Maerten Willemse, knecht van Jacob Engelse Broekhuijsen die woonde op een hofstede aan de graft. Zij allen namen aan de zoekactie deel. Maerten Willemse vond haar na lang zoeken. Wat nu zo onbaatzuchtig was, dat er was afgesproken om het vindersloon af te staan aan de heijligen geest armen en de andere helft gegeven werd aan Gerrit Willemse aan de brugge in het oostijnde die mede gesogt hadde, ende in groote armoede was. Maertje Pieters van Oosten waar Mensje dienstmaagd was,overleed in datzelfde jaar 1688

Bron.G.a.Lisse inv.nr.292