Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

Geschiedenis van Wildlust vanaf het originele Wildlust tot Villa Wildlust

De geschiedenis van Wildlust vanaf het originele Wildlust tot Villa Wildlust wordt besproken. De oorspronkelijke buitenplaats Wildlust  is rond 1800 gebouwd. De bewoning en eigendom van de landerijen worden ook beschreven.

Nieuwflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Aanvulling op de informatie in ons Nieuwsblad van april 2009 over de in maart 2009 gesloopte Villa Wildlust.

Dat waren 3 verschillende huizen. In de 18e eeuw bestond Wildlust nog niet. De oorspronkelijke buitenplaats “Wildlust” is rond 1800 gebouwd en is op 2 augustus 1814 gekocht door “de Heer Casparus Henricus Wolff , chirurgijn en apothecar” te Lisse. (zie ‘t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg , blz. 61).

De buitenplaats Wildlust door P.J.Lutgers (1865

Het was een buitenplaats die was verhuurd aan de Weledel Hooggeboren Heer Coenraad Jacob Temminck, een verdienstelijk dierkundige en later directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, toen wonende op de Heeregracht te Amsterdam. Op 30 jan. 1819 koopt de heer Temminck van de eigenaar Casparus Henricus Wolff, de buitenplaats Wildlust voor 1000 Gulden. De heer Temminck trouwt met de dochter van Marinus Smissaert, die in die tijd eigenaar was van Veenenburg. De heer Temminck overlijdt op 30 januari 1859 op 79 jarige leeftijd, en zijn weduwe blijft op Wildlust wonen tot haar dood in 1865. Haar tweede zoon Marinus Temminck, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd, verhuurt Wildlust aan Baron Snouckaert van Schauburg. Hij liet enige tijd later het oude Wildlust slopen en vervangen door het landhuis Wildlust, dat met de tuinen omstreeks 1923 is afgebroken (zie kaart hierboven en foto’s hieronder ).

Omstreeks 1890 verkoopt Marinus Temminck, Huize Wildlust aan de Graaf van Lynden (Meneer Jan), gehuwd met Gravin van Palland die later Keukenhof erft . Zij wonen er tot 1923, dan gaan ze naar Keukenhof .

Wildlust 1920 en tijdens afbraakperiode omstreeks 1923

Cornelis Marijnus Grullemans woont sinds 1900 tegenover Wildlust op de Heereweg 19 , met land erachter. In 1905 huurt Grullemans grote stukken land van de Graaf en in 1923 koopt Dhr. M. C. Grullemans Wildlust en breekt het verwaarloosde huis tot de grond toe af .(Het is nooit een schuur van Grullemans geweest ondanks hardnekkige verhalen).
Hij maakt er bollenland van en Wildlust is dan bollenland van de oude Grul zover je kon kijken vanaf de Heereweg , want erachter huurt hij er nog bij van Speelman. Zijn zoon Karel (Cees) trouwde met Annie Speelman op 12 Mei 1925. Vader Grul laat in 1925 op de hoek van het land Grullemans een huis bouwen voor het stel: “ Villa Wildlust” .

Villa of Huize Wildlust ca. 1930

Cees Grullemans overlijdt in 1968 en na vertrek van Mevr. Annie Grullemans- Speelman wordt Villa Wildlust verkocht. Het is bewoond geweest tot 2009 en is nu uiteindelijk toch afgebroken .Villa Wildlust heeft dus niets te maken met de buitenplaats “Wildlust” uit 1800 of het later gebouwde buitenhuis Wildlust. Dat was een groot landhuis, beschreven door verschillende mensen. Villa Wildlust heeft dus bestaan vanaf 1925 tot 2009. Hopende dat dit verhaal een paar vragen van lezers heeft opgehelderd. (Info uit ’t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg en met dank van Mevr. I.P. Grullemans).

 

 

Boekbespreking: Derde Jaarboek Kasteel Keukenhof

door de redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Enige tijd geleden is bij Uitgeverij Verloren alweer het derde Jaarboek Kasteel Keukenhof uitgekomen, getiteld “Kunst, natuur en techniek op en rond kasteel Keukenhof” (onder redactie van Gerard Jaspers, Jan Beenakker, Henk Duijzer en Ignus Maes). Het is opnieuw een gevarieerde en zeer interessante uitgave geworden. In vier rijk geïllustreerde artikelen wordt ingegaan op de fraaie, maar thans helaas grotendeels verdwenen, schilderijenverzameling van kasteel Keukenhof, de planten, mossen en paddenstoelen op het landgoed, de relatie tussen de buitenplaats Santvliet in Lisse en het Zandvlietcollege in Den Haag, en de oude installatietechnieken op het kasteel (zoals pompen en sanitaire voorzieningen). Een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de Lissese geschiedenis! De serie heeft inmiddels namelijk duidelijk bewezen meer te zijn dan een “eenvoudig” verlengstuk van het boek dat A.M. Hulkenberg in 1975 over Keukenhof schreef. Het is dan ook te hopen dat er nog vele jaarboeken zullen volgen. Het derde Jaarboek Kasteel Keukenhof kost 19 euro en is onder andere verkrijgbaar via de website van Uitgeverij Verloren en bij Grimbergen Boeken in Lisse.

Derde jaarboek Keukenhof

Straatnamen tijdens de oorlog

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Onze vraag was of iemand nog weet hoe de straten werden genoemd die in de 2e Wereldoorlog door de bezetter een andere naam kregen. Aan veel personen hebben wij de vraag voorgelegd maar het was toch moeilijk te achterhalen. We zijn er toch achter gekomen. Om welke straten ging het en welke naam kregen zij in de oorlog ?

BEATRIXSTRAAT werd GALANTHUSSTRAAT.
JULIANASTRAAT werd MONTBRETIASTRAAT.
PRINS BERNARDSTRAAT werd ANEMONENSTRAAT.
WILHELMINASTRAAT werd LELIESTRAAT.
De Galanthusstraat kwam later niet meer terug in Lisse. De andere drie straten wel en kwamen vlakbij de Broekweg te liggen. Van Dhr. Koos Reijerkerk hoorden wij al gauw van de Leliestraat, omdat hij is geboren tijdens de verandering. (Zie scan van Geboortekaartje, Leliestraat v/h Wilhelminastraat !). De bewoners van de Beatrixstraat
zeiden al gauw dat ze in het Sneeuwklokje woonden. Een Sneeuwklokje is een Galanthus. Het is haast zeker dat het bij deze vier straten is gebleven. Van de andere straten die naar het Koningshuis waren vernoemd, is bekend dat die niet veranderd hoefden te worden, omdat die personen al overleden waren.

Geboorte kaartje uit 1942uit de Leliestraat

Welke winkels waren er in de 2e Wereldoorlog? Reacties en aanvullingen van lezers

Er zijn diverse aanvullingen op foto’s in een vorig artikel, waarvan de eigenaren van winkels in de tweede wereldoorlog nog niet bekend waren.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Het artikel van Henk Schalk uit het nieuwsblad van juli 2009 heeft heel wat reacties opgeleverd. Onze fotocollectie is daardoor weer uitgebreid. Reacties blijven natuurlijk zeer welkom.

Heereweg: Freriks, v.d. Eerden, Caspers, Jan Schouten coll. G. Lefeber

Groenteboer Cardol, Wagendwarsstraat hoek Meer en Houtstraat coll. Koos Reijerkerk

Schillenboer Cardol coll. Koos Reijerkerk

Lezersreacties n.a.v. foto’s winkels Nieuwsblad jaargang 8 nr.3 blz. 18

–De foto was dus van Bakkerij Schakenbos en Klein Vreeuwijk.
–De reacties kwamen van Mevr. M.van`t Wout, Mevr. A.Nederveld, Dhr. J.v.d.Boogert, Dhr. T.v. Kesteren, Dhr. J.Reijerkerk en Mevr. C.Koelewijn.

Voormalige bakkerij Schakenbos foto C.P. Balkenende

Mevr. A.Nederveld schreef:
Op de foto op blz. 18, zou dat mogelijk de winkel/bakkerij geweest kunnen
zijn van Schakenbos ? Heereweg tussen Nieuwstraat en Oranjelaan, oneven kant. Daarnaast was een pad, dat heette Klein Vreewijk, daar stonden plm. 6 huizen, haaks op de Heereweg dus. Je moest daar achterom, ze hadden geen voordeur. Het was nog echt ouderwets, bedstede in de kamer met keldertje er tussen en woonkeukentje. In het gangetje een open trap naar de zolder, waar eerst geen kamertjesvwaren, maar die er later zelf door de bewoners in gemaakt werden. Dunne muren (enkelsteens), maar ze hebben jaren dienst gedaan. Dit was dus Klein Vreewijk.
Met vriendelijke groeten. A. Nederveld.

Eén van de zes huisjes foto C.P. Balkenende

Mevr. M.van Hoven schreef: Mijn belevenissen van Klein Vreewijk, waar ik van mijn derde tot dertiende jaar gewoond heb. Het waren zes huisjes zonder voordeur. Bij het eerste en laatste huis kon je achterom. In het midden (dus na drie huizen) stond een schutting. Achter in de tuintjes stonden schuurtjes, waar ook de poepdoos stond. Koud hoor als je in de winter moest plassen voordat je naar bed ging. Wat ook zo heerlijk was, als één van de beerputten vol was, kwam Schoone (de beerboer) `s morgens tijdens het ontbijt met de wagen en omdat wij het eerste in het rijtje waren, was dat bij ons dus altijd prijs, ook al kwam hij niet voor ons. Wat een stank!

Dan over de bewoners: Nr.1. Van 1940-1950 Fam. J. van `t Wout. Voor 1940 woonde de Fam. Kamerman er. Nr.3. Wed. Balkenende. Daarna kwam er te wonen de Fam. Barnhoorn, die waren geëvacueerd uit Katwijk. Daarna woonde er Fam. G. Westerink. Nr.5. Fam. Gijs Spaargaren. Nr.7. Fam. Philippo. Nr.9. Fam. Beumer. Nr.11. Fam. v. Leeuwen.
Met vriendelijke groeten. Miep van Hoven.

Deze brieven zijn beknopt weergegeven.

Over de families die hier genoemd worden staan veel gegevens in de brieven. Ze zijn in bezit van
C.P. Balkenende en zijn in te zien.

Reactie van Hans van Duijnhoven

Van “Oud Lisser” Hans van Duijnhoven uit Randers (Denemarken) kwam de volgende uitgebreide reactie: Wat een fantastisch geheugen heeft Henk Schalk. Ik moet hem gekend hebben want in de Tweede Wereldoorlog woonde ons gezin in de Tulpenstraat. Net om de hoek was bakkerij Schalk. Maar dáár kwamen wij nooit: Roomse mensen kochten niet bij een Protestantse bakker. ( n omgekeerd). Henk schrijft ook “Roomse” Coöperatie (aan de Kapelstraat) maar protestantse Coöperatie aan de Heereweg. Toentertijd was Lisse scherp opgedeeld in “Rooms” en “Niet Rooms”, althans zo heb ik dat ervaren. Als ik voor moeder even suiker moest halen, ging ik altijd naar “Peet Zwetsloot” op de Kanaalstraat, bijna hoek Kapelstraat (was die er al in de oorlog ?) Nooit naar Mijnders op de Kanaalstraat, die veel dichterbij was.

Misschien wat kleine aanvullingen.
De Rijwielhandelaar op de Kanaalstraat was “Jo de Kooker”, in de wandeling vaak “Ko de Jooker” genoemd. De schoenhandelaar heette meen ik anders. Er waren 2 “Roomse” kappers, 1 aan de Kanaalstraat, naast Rosier, Cor Degger, die zo mooi zong in het koor van de Agathakerk en kapper Stuifbergen op de hoek van de Kapelstraat en Grachtweg. Henk Schalk noemt die zonder naam. Bijna op de hoek van Kapelstraat en Kanaalstraat was melkslijter Hogenboom, geen winkel, maar wel een “achterom” voor melk en boter, zo lang het er was. Op `t Vierkant , bij de garage van Bruinings ??, ongeveer waar nu Boekhandel Grimbergen is, was slager Buschman, zijn broer had een slagerij in de Engel. Welke van de 2 broers “Aug” heette, weet ik niet meer. Aan de Gladiolenstraat, net waar de “volkstuinen” begonnen was nog schilder Mastenbroek ??, weer geen winkel, maar hij verkocht wel verf en behang. Weer geen winkel, maar toch, drukkerij Graficus op de Kanaalstraat dient toch vermeld te worden, want toen wij als kind werden “Aangenomen”, werden de kaartjes daar gedrukt. In de Tulpenstraat was slijterij/drankenhandel Annaert. Als kwajongens probeerden wij wel eens achterom via het “landje” (nu de speeltuin Marijke) op hun terrein te komen, enige flessen te pikken en dan voorom bij de winkel het statiegeld te innen. Dat ging goed tot ik een keer (dom,dom,dom) een fles van een heel exclusieve whisky pikte, die mijn vader nooit zou hebben gekocht. De draai om m`n oren van de oude Annaert kan ik mij nog herinneren, al was dat na de oorlog. Helaas weet ik niet meer hoe de nieuwe namen waren voor de Juliana-,Beatrix-,Wilhelminastraat, etc. Wat ik me kan herinneren is de uitspraak van mijn moeder: “Dat is de “Beatrixstraat”, met die onzin doen we niet mee. Tenslotte: op de hoek van de Kanaalstraat en Tulpenstraat was het huis van Arie Raaphorst, Uw “ chroniqueur “

Klik hier voor het hele artikel

 

EXCELSIOR 100 JAAR

De geschiedenis van 100 jaar Excelsior wordt weergegeven. Na oprichting in 1909 was het eerste concert in 1911 .

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Op 29 oktober 1909 werd in Lisse een koor opgericht. Het kreeg de naam Excelsior, wat steeds hoger betekent. De oprichters, in die tijd zoals gebruikelijk allemaal mannen, hebben niet kunnen bevroeden dat ze daarmee de start gaven voor een bijzondere geschiedenis. De oprichters hadden een gereformeerde achtergrond. In Lisse bestond sinds 1905 al een koor op hervormde grondslag, namelijk het koor Looft den Heer. Het paste in het tijdsbeeld om voor de verschillende protestante richtingen een apart koor te hebben. Later ontstond er wel samenwerking tussen beide koren en, hoewel de samenwerking soms wat moeizaam verliep, kwam het toch meerdere keren tot gezamenlijke uitvoeringen. Dat laatste kan niet meer omdat Looft den Heer in 2004 opgeheven is.

1915: concours in Lisse, dirigent C. Herrewijn (zittend precies in het midden)

 

Gelukkig is Excelsior na 100 jaar nog een springlevend koor. Men is nu druk bezig met het instuderen van het jubileumconcert van 30 oktober dat in de Agathakerk wordt gegeven.
Een concert in de R.K. Agathakerk zou in de begintijd van Excelsior natuurlijk onmogelijk zijn geweest, waaruit meteen blijkt dat ook het koor met de tijd meegaat. In de jaren 60 kreeg het koor een algemener kleuring. Er zijn nu leden van allerlei gezindten. In de statuten is natuurlijk wel verankerd dat het koor gestoeld is op de bijbel.

 

Het koor was dus in 1909 opgericht en kon al in 1911 de eerste uitvoering geven. Daarin werd Psalm 8 voor vier stemmen (sopranen, alten, tenoren en bassen) ten gehore gebracht. Bij het jubileumconcert zal deze Psalm 8 ook weer vierstemmig klinken, maar wel in een moderner jasje.

Er is vrij veel over het koor bewaard gebleven. Bestuursverslagen, statuten, maar ook uitvoeringsboekjes en affiches zijn er. Maar van het 50 jarige bestaan van het koor is niets terug te vinden. Werd er geen aandacht aan besteed, is men het gewoon vergeten? Wie zal het zeggen. Er is veel mondelinge geschiedenis. Hele families zijn al van moeder op dochter en van vader op zoon lid van het koor. In de verslagen wordt regelmatig gewag gemaakt van de ontvangst van een ondertrouwkaart. Menig koorlid vond een partner op het koor. Zeker in de beginperiode was het wekelijkse oefenen voor het koor het enige uitje dat er was. In de geschiedenis van het koor zie je ook bepaalde achternamen steeds terugkeren. We zullen daaruit 2 voorbeelden noemen: Daudeij en de Kooker. Adrie Vijfhuizen-de Kooker bijvoorbeeld is al 65 jaar lid van het grote koor. Daarvoor was zij al lid van het kinderkoor en zij was ook een tijd begeleidster van het kinderkoor.

Het jeugd- en kinderkoor werd in 1928 opgericht. Eenmaal enthousiast koorlid was de stap naar het grote koor makkelijk te zetten. Van de huidige 75 leden van het grote koor hebben er maar liefst 27 op het jeugd- of kinderkoor gezeten.

 

1949: 40-jarig jubileum, concert in de HBG-hal in Lisse met dirigent Th.Westerdaal (staand bij de lezenaar)

Helaas bestaat het kinderkoor niet meer. In de loop der tijd kwamen er steeds meer activiteiten voor de jeugd en liep het aantal jeugdleden te veel terug. In 1994 is besloten het jeugdkoor op te heffen.
Toch kunnen we dit jaar weer van dit koor genieten. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van Excelsior zijn er oproepen gedaan aan oud leden om zich te melden. Het oudst aangemelde jeugdlid is nu al boven de 80. Zij was zelfs bij de oprichting van het kinder- en jeugdkoor! Er hebben zich vanuit het hele land oud-jeugdleden gemeld. Zo kwamen er aanmeldingen uit Dieren, uit Bolsward, uit Leersum en Almere en uit onze Bollenstreekregio natuurlijk. Met de bedoeling om op het jubileumconcert als oud jeugdleden een muzikaal intermezzo te verzorgen met stukken die eertijds op het repertoire van het kinderkoor stonden.
Voor de oorlog was dat o.a. repertoire van Catharina van Renes. Misschien kent u nog wel Het Lentelied. Wanneer het niet meer bekend is dan kan men op het jubileumconcert zijn geheugen weer opfrissen, want dan zal dit stuk ook weer klinken. Het jeugdrepertoire was natuurlijk ook aan mode onderhevig en zo werden er in de jaren 60 diverse stukken uit musicals ingestudeerd. Bij de uitvoeringen was er soms ondersteuning van het grote koor. Ook uit dat repertoire zal weer wat klinken.

Zowel het grote koor als het kinder- en jeugdkoor hebben heel veel uitvoeringen gegeven. Sinds 1928 was er jaarlijks wel een uitvoering. Die uitvoeringen waren indertijd in de HBG-hallen en ook wel in de HoBaHohallen. Begeleiding kreeg het koor dan van een orgel of een piano, maar ook werd wel gebruik gemaakt van een kleine orkestbezetting, bijvoorbeeld van het symfonie orkest van Amsterdam. Dikwijls werden concerten gegeven met ondersteuning van andere koren, zoals van het residentie mannenkoor uit Den Haag.
Later volgden concerten in de Agathakerk. Het koor is heel bekend om de uitvoeringen van de Crucifi xion. Maar ook de Deutsche Messe en delen van de Jahreszeiten stonden op het repertoire. Tijdens het jubileumconcert zal een compilatie hiervan te horen zijn.

Een concertuitvoering is voor een koor een dure zaak. Dirigent en locatie moeten betaald worden. Gelukkig heeft het koor een eigen, zeer oude, vleugel (uit 1825). Normaal begeleidt de dirigent het koor tijdens het instuderen op dit instrument. Maar voor het jubileumconcert is er speciale ondersteuning van een pianist. Er wordt voor het concert een speciaal concertorgel gehuurd. Voor de repetities maakt men nu gebruik van dekerkzaal in de gereformeerde kerk. Daarvóór werd Rehoboth gebruikt en van 1966 tot 2000 werd gerepeteerd in Salvatori. Gelukkig heeft het koor
voor het jubileumconcert financiële ondersteuning gekregen van een aantal sponsors en kon ook gebruik gemaakt worden van het Schipholfonds.

EWat voor het koor, naast een dankbare taak, ook een prettige manier is om de kosten iets te drukken is optreden in verzorgingshuizen. Dit wordt gefinancierd door het fonds 1818, een fonds dat financiële ondersteuning geeft aan initiatieven op het gebied van zorg, welzijn en dergelijke. Bij zo’n gelegenheid worden voor de pauze geestelijke stukken ten gehore gebracht en volgt na de pauze een populair programma. Het koor treedt ook op in het LUMC en verzorgt jaarlijks een gehandicaptendienst in de Pelgrimkerk in Haarlem.

Vroeger deed het koor ook mee aan concoursen. In de periode van dirigent Th. Westerdaal waren dergelijke concoursen heel gebruikelijk.
Excelsior deed dat niet onverdienstelijk. Begonnen werd in een lagere klasse, maar al gauw deed men mee aan de ereklasse en behaalde nog 1e prijzen ook! Dat was de tijd waarin het ledental de 100 bereikte.
Zo’n ledental is er heden ten dage niet meer. Maar gelukkig is het dieptepunt uit begin jaren 60, toen nog maar 35 leden over waren en opheffing dreigde, voorbij. De 75 leden die het koor nu telt maken een ruime keuze mogelijk uit koorrepertoire. Er is nog altijd vraag naar de Crucifixion, dus wie weet wordt dat ooit weer ten gehore gebracht. Een uitvoering van passiemuziek van J.H. Maunder (Cantate olivet to calvary) behoort tot de wensen van het koor. Een uitbreiding naar 80 koorleden, met vooral mannenstemmen, zou dan wenselijk zijn.

Behalve een te laag ledental waren er wel meer dieptepunten voor het koor. Het overlijden van dirigent Westerdaal staat een aantal koorleden nog in het geheugen gegrift. Het koor was al druk aan het studeren voor een feestelijk concert, waar meerdere koren aan mee zouden doen. Het zou gegeven worden om te vieren dat dirigent Westerdaal 50 jaar organist/dirigent was. Toen kwam het bericht dat Westerdaal op 66-jarige leeftijd was overleden.

De oorlogsperiode was voor het koor ook een negatieve tijd. De Duitsers wilden bij de repertoirekeuze een vinger in de pap hebben. Dat wilden de koorleden niet en dus ging het koor min of meer slapend verder. Uitvoeringen werden niet gegeven, gerepeteerd werd er nog wel. Maar omdat de dirigent niet in Lisse woonde moest hij, in verband met de spertijd, in Lisse blijven overnachten. Na de oorlog werd een speciaal concert georganiseerd, samen met het koor Looft den Heer.
Excelsior beleefde na deze beroerde tijd weer een bloeiperiode.

 

1984: 75- jarig jubileum. Foto gemaakt in Salvatori, Lisse met dirigent Pieter de Jong (zittend in het midden, tussen de dames)

Om tot een repertoirekeuze te komen heeft het koor een muziekcommissie. Veel koorleden vervullen binnen het koor ook een vrijwilligersfunctie. Dat varieert van het verzorgen van de corsages en bloemstukken tijdens een concert tot het deelnemen aan een commissie, bijvoorbeeld de kledingcommissie. Want naast een mooie klank wil het oog ook wat.
Oorspronkelijk werd er gebruik gemaakt van speciale koorkleding. Droegen de dames bijvoorbeeld een wijnrode lange rok met een crèmekleurig jasje of, zoals bij het jubileumconcert bij het 90-jarig bestaan, een zwarte lange rok met afwisselend een fel blauw jasje en een gebloemde cape.

2006: Uitvoering van The Crucifi xion in de Agathakerk, Lisse, met dirigent Aldert Fuldner

Zo om de 7 jaar werd andere koorkleding gekozen. Na 2006 is het idee van koorkleding losgelaten en nu dragen de dames een zwarte lange broek of rok. Met allemaal een blouse in dezelfde kleur, bijvoorbeeld wit bij het jubileumconcert of rood tijdens een kerstconcert. De heren hebben het makkelijker. Zwart is het kostuum met wit overhemd variërend met verschillende kleuren strikjes en pochetjes, waarbij de kleur dan weer overeenkomt met de sjaals die de dames dragen.

Voor het jubileumconcert wordt nog hard gewerkt. Onder leiding van de eerste vrouwelijke dirigent, Marja Goudzwaard, die sinds januari 2007 de scepter zwaait bij het koor. Zij is ook dirigent bij de Noordzeezangers uit Katwijk. Wat weer prettig is omdat enkele mannenstemmen uit dit koor voor versterking zullen zorgen bij het jubileumconcert. Begin oktober is er een speciale studiedag. Voor het gelegenheidskoor van oud jeugdleden zijn er in oktober 2 repetitiedagen gepland. Het jubileumconcert is gratis te bezoeken. Het koor geeft een feestje en trakteert. Maar mogelijk is er wel een gelegenheid om het jarige koor een financieel presentje cadeau te doen. Er worden Cd-opnamen gemaakt en een jubileumboek zal verschijnen.
Misschien een leuk sinterklaascadeautje?

Mocht u eind oktober verhinderd zijn dan is er nog de gebruikelijke volkskerstzang op 18 december. Dan organiseert het Ademacomité een samenzang met ondersteuning van Excelsior en het koor van de Agathakerk.

Lisse mag zich verheugen op een eerbiedwaardige, maar levendige eeuweling.
Dat er nog maar zeer vele harmonieuze, klankrijke jaren voor Excelsior mogen volgen.

 

2009: Het huidige bestuur en dirigent Marja Goudzwaard-Malipaard (tweede van links)

Reactie uit Nieuwsblad januari 2010

Excelsior
Gijs Overvliet reageerde op het verhaal over het 100 jarig bestaan van Excelsion. In 2004/2005 schreef hij het jubileumboek “100 jaar Crescendo in Sassenheim”, overigens samen met Aukjen Nauta uit Lisse. Hierin schrijft hij over de samenwerking van Crescendo met Excelsior in de periode dat Excelsior 40 jaar bestond. Naar aanleiding van dat 40jarig bestaan ontstaat er een unieke samenwerking tussen de koren waar dirigent J. Theo Westendaal leiding aan geeft en het, zoals het toen heette, Chr. Fanfare Corps Crescendo. In die tijd zijn er nog maaar weinig bewerkingen voor koor en blaasorkest, dus er wordt wel wat gevergd van de organisatie om de programmering rond te krijgen.
Op 20 mei 1950 is er dan het grote concertoptreden in de Hobaho te Lisse.
Daar is de foto van die in het vorige nieuwsblad staat.
De heer Overvliet herkent nog diverse muzikanten: geheel rechts Ab Helmus (op bariton; broer van Piet Helmus die jarenlang in Lisse woonde en oom van de Lissese organist en muziekleraar A. Helmus) voor hem Rens van Duijn (sopraansax, hij is de vader van Wim van Duijn, in de jaren 70 directeur van de Muziekschool en dirigent van het Symfonieorkest). Geheel links vooraan Rinus Moolenaar (1e piston), 3de schuin naast hem Gerrit Vos (2de piston.
Het wordt zo’n groot succes dat besloten wordt om het concert te herhalen in de plaatsen van alle deelnemende verenigingen. Een heel georganiseer in een tijd zonder E-mail!

Overigens het boek “100 jaar Crescendo in Sassenheim” is nog te koop.

Boek ter gelegenheid van 100 jaar Excelsior

 

 

Dubbelhoven aan de Achterweg. Deel 2

Voordat Dubbelhoven werd gebouwd, was er in de 17e eeuw al een boerderij van Schrama. De belastingen van diverse jaren van de huizen in Lisse worden weergegeven. Daarmee is de grootte van de huizen te bepalen. De vele landerijen van Schrama worden weergeven, evenals de opvolging op de boerderij.

door Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

De boerderij van Schrama

Quirijn Klaaszn. Schrama
In het vorige deel van mijn artikel ben ik geëindigd met de boerderij van Schrama, die gelegen was op de plek van het huidige pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg. Gedurende een groot deel van de eerste helft van de zeventiende eeuw werd deze boerderij bewoond door Quirijn Klaaszn. Schrama. Waarschijnlijk was hij veehouder van beroep. Zijn zoon Joris (die hem op de boerderij opvolgde) werd in ieder geval als zodanig aangeduid. Volgens het kohier van het haardstedegeld (een belasting die gebaseerd was op het aantal haardsteden of stookplaatsen), telde de boerderij van Schrama in 1628 in totaal drie haardsteden: “Crijn Claesz. eygenaer, gebruycker ende aenwijser…III”. [1] Met “aenwijser” wordt bedoeld dat Quirijn Klaaszn. Schrama de haardsteden persoonlijk heeft laten zien aan de functionarissen die waren belast met het innen van het haardstedegeld. Dit aanwijzen was overigens niet specifiek een taak van het gezinshoofd. Afhankelijk van wie er op dat moment thuis was (en tijd had) traden bijvoorbeeld ook echtgenotes, zonen, dochters en dienstmaagden op als aanwijzer. Tijdens het innen van de belastingen liepen de belastinggaarders in  de zeventiende en achttiende eeuw steeds een vaste route door het dorp. Dat betekent dat belastinglijsten uit verschillende jaren goed met elkaar vergeleken kunnen worden om na te gaan hoe de bewoning zich in een bepaald gebied heeft ontwikkeld. Het kohier van het haardstedegeld uit 1628 geeft voor de omgeving van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan in ieder geval het volgende beeld (met achter elk huis het aantal haardsteden)

De boerderijen van Cornelis Maartenszn. Verdel en de zogenoemde ‘Gasthuiswoning’ hadden in 1628 ieder twee haardsteden. Deze aantallen zeggen lang niet altijd iets over de grootte van het betreffende pand, al had een buitenplaats als Ter Spekke in 1628 maar liefst zeven haardsteden. De extra stookplaatsen kunnen namelijk ook verband houden met het beroep dat werd uitgeoefend (bijvoorbeeld de ovens van een bakkerij of smederij). Uit het kohier van het haardstedegeld van 1628 kan ook nog worden opgemaakt dat er tussen de boerderij van Schrama en de Gasthuiswoning een huisje heeft gestaan. Dit huisje telde slechts één haardstede en werd gebruikt door Pieter Floriszn. Wassenaar. Vermoedelijk stond het op land dat toebehoorde aan Quirijn Klaaszn. Schrama, aangezien hij in 1628 als eigenaar en aanwijzer van het huisje werd vermeld. Het zal niet lang daarna zijn afgebroken, want in latere archiefstukken ontbreekt verder ieder spoor. Quirijn Klaaszn. Schrama heeft tot halverwege de zeventiende eeuw aan de Achterweg gewoond en gewerkt. In 1648 had hij in totaal bijna 21 morgen land tot zijn beschikking (oftewel 18 hectare), waaronder een grafelijk leengoed van drie morgen nabij Ter Spekke, dat door Adriaan Adriaanszn. Corsteman aan hem was overgedragen (zie het eerste deel van dit artikel).  Uitgezonderd het leengoed was het allemaal eigen land. Quirijn Klaaszn. Schrama wist in Lisse dus een redelijk groot boerenbedrijf op te bouwen. Zijn landerijen lagen echter wel verspreid over verschillende plekken: de Oude Veen, de Westgeest, de Lisserbroekerpolder en de Hoge Mosveen. Dat gold overigens voor de meeste Lissese boerenbedrijven: er waren maar weinig boeren die al hun land in de directe nabijheid van hun boerderij hadden liggen. Een exacte overlijdensdatum heb ik nog niet terug kunnen vinden, maar in 1653 blijkt Quirijn Klaaszn. Schrama niet meer in leven te zijn. Zijn erfgenamen verkochten op 6 juli van dat jaar namelijk een stukje grond ter grootte van 734 roeden aan de heer Filips Doublet (eigenaar van de buitenplaats Dubbelhoven). Dit perceel, waarvan de resterende 213 roeden eigendom waren van de abdij van Leeuwenhorst, lag tussen de buitenplaats Dubbelhoven en de Vuursteeglaan, en strekte zich uit van de Heereweg tot aan de Achterweg. [2]

Joris Quirijnszn. Schrama
Na het overlijden van Quirijn Klaaszn. Schrama, ging de boerderij aan de Achterweg over op zijn zoon Joris. Dat gold eveneens voor de bijbehorende landerijen en het grafelijke leengoed nabij Ter Spekke. Daaruit zou je op kunnen maken dat Joris Quirijnszn. Schrama de oudste zoon was van Quirijn. De volgorde van de kinderen in het kohier van het hoofdgeld uit 622 lijkt dat echter weer tegen te spreken. Daar wordt Joris namelijk pas als vierde genoemd, na Gerrit, Maria en Alfertje. Zijn broer Klaas sluit de rij. Indien de volgorde van de kinderen verband hield met de leeftijd, was volgens dit belastingkohier uit 1622 niet Joris, maar Gerrit de oudste zoon van Quirijn Klaaszn. Schrama. Hoe het ook zij, het was uiteindelijk Joris Quirijnszn. Schrama die de belangrijkste vaderlijke bezittingen kreeg toegewezen.

Fragmentgenealogie van Quirijn Klaaszn. Schrama (met vetgedrukt de leden van de familie Schrama die op de boerderij van Schrama hebben gewoond)

Het is niet bekend wanneer Joris Quirijnszn. Schrama is geboren, maar hij trad voor het eerst zelfstandig op in het uit 1653 daterende kohier van het morgengeld (een waterschapsbelasting). [3] Zijn broer Gerrit was toen al minimaal vijf jaar pachter (of huurder) van de Gasthuiswoning. De momenten waarop beide broers voor het eerst in de archiefstukken verschijnen, komen overeen met de volgorde van de kinderen zoals die in het bovengenoemde kohier van het hoofdgeld uit 1622 is opgetekend. Joris Quirijnszn. Schrama wist het bedrijf van zijn vader al vrij snel verder uit te bouwen. In 1653 had hij namelijk 28 morgen land tot zijn beschikking, waaronder vijf morgen pachtgrond in het gebied van de Oude Veen die hij huurde van de familie Massa. De zaken leken goed te gaan en twintig jaar lang woonde en werkte Joris Quirijnszn. Schrama op zijn eigen boerderij aan de Achterweg. Toen besloot hij om nog onbekende redenen de boerderij te verkopen aan Filips Doublet, de eigenaar van de nabijgelegen buitenplaats Dubbelhoven. In de op 29 oktober 1673 opgestelde verkoopakte wordt gesproken van een “wooninge, soo bargen,
stallingen, schuyer…met omtrent twee margen drie hondert roeden lants daer om ende annex aen”, ten noordoosten grenzend aan het land van de koper, ten zuidoosten aan de Achterweg en het land van de weduwe van Gerrit Quirijnszn. Schrama en ten noordwesten aan het land van de verkoper. [4] Na ondertekening van deze akte was Joris 3200 gulden rijker, maar een boerderij armer. Kort na de verkoop moet Joris Quirijnszn. Schrama zijn verhuisd, want in 1674 blijkt veehouder Maarten Janszn. Kleipoel de boerderij van Schrama te huren van Filips Doublet. [5] Een exacte locatie kan nog niet worden gegeven, maar in 1688 woonde Joris Quirijnszn. Schrama op een boerderij in het Oosteinde van Lisse (“de Oosteynd buurt”), die hij pachtte van Adriaan IJsbrandszn. Daar verdiende hij net als de bovengenoemde Maarten Janszn. Kleipoel als veehouder zijn brood. [6] Voor de uitoefening van zijn boerenbedrijf kon Joris Quirijnszn. Schrama in 1688 gebruik maken van in totaal negen morgen en 488 roeden land. Dat is heel wat minder dan de 28 morgen land waarover hij in 1653 beschikte. Blijkbaar was zijn economische situatie sinds die tijd steeds verder verslechterd. Misschien was dat ook de reden dat hij in 1673 overging tot verkoop van de boerderij aan de Achterweg.

In de achttiende eeuw keerde de familie Schrama nog even terug op het oude nest. In 1715 en 1717 wordt Laurens Joriszn. Schrama namelijk vermeld als pachter van de boerderij van Schrama aan de Achterweg. Laurens bewoonde aanvankelijk de woning van de familie De Roo (hij was namelijk getrouwd met de erfdochter van Willem Arendszn. de Roo), maar in 1715 vinden we hem toch weer terug op voorvaderlijke grond. Daar heeft zijn tweede echtgenote Geertruida Cornelisdr. van der Vogel mogelijk een rol bij gespeeld. Zij was namelijk een zus van Gerrit Corneliszn. van der Vogel die vanaf 1709 als boer verbonden was aan de buitenplaats Dubbelhoven. [7] Gerrit pachtte zowel de landerijen van de boerderij van Verdel als de landerijen van de boerderij van Schrama. Op basis van een belastingkohier uit 1710 kan worden geconcludeerd dat Gerrit Corneliszn. van der Vogel op de boerderij van Schrama heeft gewoond. In het kohier van de ordinaris verponding worden aan het eind namelijk de volgende
huizen vermeld (met de bedragen die aan de belastinggaarders betaald moesten worden):

Belasting 1710

Eerder gaf ik al aan dat de belastinggaarders een vaste route door het dorp liepen. Wanneer het kohier van de ordinaris verponding uit 1710 en de kohieren van het haardstedegeld uit 1628 en 1666 (zie onderstaande paragraaf over de Gasthuiswoning) naast elkaar worden gelegd, kunnen we zien dat met het huis van Gerrit Corneliszn. van der Vogel de boerderij van Schrama werd bedoeld. Gerrit was zoals gezegd tevens pachter van de landerijen van de boerderij van Verdel. Deze boerderij werd in 1710 blijkbaar niet bewoond, want er staat in het belastingkohier geen gebruiker bij vermeld (alleen de eigenaar: de heer Van Groeneveld, oftewel François Doublet). De pachttermijn van Gerrit Corneliszn. van der Vogel liep van 1709 tot en met 1714. In 1715 werd hij opgevolgd door Laurens Joriszn. Schrama. Net als Gerrit Corneliszn. van der Vogel pachtte Laurens niet alleen de landerijen van de boerderij van Schrama, maar ook de landerijen van de boerderij van Verdel, en net als Gerrit woonde ook Laurens op de boerderij
van Schrama. Daarmee waren boerderij en familie weer even met elkaar verbonden.

De Gasthuiswoning

Kaart uit 1583 met rechtsonder de Gasthuiswoning (afbeelding uit het Kaartenboek van het Sint Elisabeth Gasthuis)

In het verlengde van de Spekkelaan lag in het verleden de Gasthuiswoning. Die werd zo genoemd omdat hij sinds 1540 eigendom was van het Sint Elisabeth Gasthuis te Haarlem. Deze oude boerderij werd in 1648 gepacht door Gerrit Quirijnszn. Schrama. De broers Gerrit en Joris Quirijnszn. Schrama woonden halverwege de zeventiende eeuw dus dicht bij elkaar. De toenmalige situatie op de hoek van de huidige Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan kan worden geschetst aan de hand van het kohier van het haardstedegeld uit 1666. Daarin worden achtereenvolgens de volgende woningen genoemd (met de bedragen die aan de belastinggaarders betaald moesten worden):

Vergeleken met de situatie in 1628 zijn er twee dingen veranderd. Allereerst wordt er geen melding meer gemaakt van het huisje dat tussen de boerderij van Schrama en de Gasthuiswoning in stond. Blijkbaar is dat in de tussenliggende periode gesloopt. De tweede verandering houdt verband met de buitenplaats Dubbelhoven. In 1635 kocht Filips Doublet de aan de Achterweg gelegen boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel. Niet lang daarna bouwde hij naast de boerderij van Verdel een buitenplaats. Deze buitenplaats (die later bekend zou staan onder de naam Dubbelhoven) telde in 1666 drie haardsteden, wat in schril contrast staat met de in totaal zeven haardsteden van de nabijgelegen buitenplaats Ter Spekke. Gerrit Quirijnszn. Schrama overleed vóór 29 oktober 1673. Zijn weduwe bleef nog even wonen op de Gasthuiswoning, maar met het overlijden van Gerrit en de verhuizing van Joris Quirijnszn. Schrama was er in 1674 een einde gekomen aan de jarenlange aanwezigheid van de familie Schrama op de hoek van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan. Hoewel de familie in de achttiende eeuw even terugkeerde kon zij nooit meer zo’n stempel drukken op dit gebied als zij vroeger had gedaan.

wordt vervolgd

De boerderij van het voormalige buiten Dubbelhoven staat nog steeds aan de Achterweg. Het pand werd waarschijnlijk omstreeks 1660 gebouwd. Het rietgedekte huis was aan het begin van de 18e eeuw in het bezit van Simon Garbijn, de burgemeester van Haarlem die hier in 1749 overleed.

Uit de politierapporten van Lisse, deel XI: Een lastig politieonderzoek in 1847

Het lijk van Schoontje de Brave werd in de Gracht gevonden. Ook werd het lijk van een vrouw gevonden. Diverse getuigen worden gehoord. Landman is verdachte, maar er zijn geen bewijzen.

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

Het is 13 november 1847, half drie ’s middags. Langs de Gracht zijn enige jongens bezig een kledingstuk boven water te halen. Maar bij dat boven water halen komt er nog meer tevoorschijn, namelijk het lijk van een vrouwspersoon! Metselaar Leendert Willem Baak komt erbij en bemerkt al gauw dat het gaat om het lijk van Schoontje de Brave, echtgenote van Jude Jacob Landman. Hij haalt het lijk aan de kant en laat de veldwachter komen. Die legt het lijk in een schuitje en vervoert het naar het oude raadhuis.

Voorgeschiedenis
Jude Jacob Landman was omstreeks 1790 geboren te Amsterdam uit Joodse ouders. Hij trouwde aldaar in 1821 met Schoontje Machielse de Brave, eveneens Joods van geboorte(1). Omstreeks 1830 wonen ze te Lisse op huisnummer 110 aan de Heereweg, maar al spoedig verhuizen ze naar een andere woning in het dorp. Landman blijkt geen goede echtgenoot te zijn. Al gauw zet hij zijn vrouw zonder pardon op straat. Gelukkigbvindt ze onderdak op verschillende adressen in Lisse. Eén van hen isbAdrianus Weyers, die op de Broekweg (huidige Kanaalstraat) woonde, ongeveer tegenover de huidige Wagenstraat. In een stal, grenzende aan het woongedeelte, mocht zij haar verblijf houden. Inmiddels was echter ook haar man aan het zwerven geraakt. Hij besloot zijn vrouw op te zoeken teneinde haar om brood en geld te vragen. Zoniet, dan was zij gebonden aan een zwervend bestaan met haar man en dat was ongetwijfeld niet Schoontje’s voorkeur, want niemand wilde Landman in huis hebben… Landman trof zijn vrouw aan in de stal van Adrianus Weyers. Hij vroeg om brood en geld, maar zijn vrouw maakte hem het verwijt haar ‘met eenige centen te hebben laten zitten en nu om brood en geld te komen’. Landman werd woedend, kon zichzelf niet beheersen en smeet zijn vrouw tegen de ‘stalsteden’ aan. Op de jammerkreten van Schoontje kwam de echtgenote
van Weyers aanlopen. Ze dreef hem de stal uit en de deur ging op slot. Landman riep ‘onder verschrikkelijke eede’ tegen zijn vrouw uit ‘dat zij zou sterven’. En verder ook: ‘Dat morgen zij eerst zou sterven en dan hij’. Al met al geen uitspraken die een prettig gevoel achterlaten! Nadat Schoontje de nodige ‘plegtmatigheden’ had verricht in verband met de sabbat, ging ze om 20:00 uur weer de straat op. Vanaf dat moment is het onduidelijk wat er gebeurd is. Weyers had haar die avond weer terug verwacht, maar ze kwam niet opdagen. En ook de volgende ochtend liet ze niks van zich horen of zien. Hij dacht dat ze bij A. van Opzeeland de nacht had doorgebracht, want ze was van plan bij hem een vertrekje te huren. De volgende dag werd ze, zoals we in de inleiding reeds gezien hebben, dood aangetroffen in de Gracht. Het was dus de vraag wat er tussen 12 november, 20:00 uur, en de ochtend van 13 november was gebeurd.

Het getuigenis van Piet van Waveren
Op 13 november verscheen voor de burgemeester Piet van Waveren, marktschipper op Leiden, wonende aan de Grachtweg. Hij verklaart dat Landman ‘met een eenigsints woest voorkomen’ op 12 november om 20:00 uur bij hem was langsgekomen met de vraag of hij de volgende morgen kon meevaren naar Leiden. Dat was inderdaad mogelijk en de morgen daarop verscheen hij met drie pakken linnengoed aan de Gracht om met de schuit naar Leiden vervoerd te worden.
Het getuigenis van Klaas Kok
De volgende dag, op 14 november, verscheen Klaas Kok, stalhoudersknecht (2). Hij verklaart dat Landman op 12 november om 19:30 uur ‘aan het erf zijns meesters alhier was gekomen’ om naar de kosten te informeren van een rijtuig die hem naar Leiden zou vervoeren. Vanwege ‘de duurte’ sprong hij echter onderweg al uit het rijtuig. Een kwartier later, dus om 19:45 uur, kwam hij wederom bij hem ‘om naar den spoortrein gebracht te worden’. Ook deze kosten kon Landman echter niet opbrengen. Enige tijd daarna, waarschijnlijk omstreeks de klok van 20:00 uur, had Klaas Kok zich begeven naar zijn moeder. Onderweg kwam hij nog Schoontje de Brave tegen, de echtgenote van Landman, en groette haar. Ze beantwoordde de groet evenwel niet. Van zijn moeder ging hij naar de tapper Marseille. Het moet toen omstreeks 20:30 uur geweest zijn. Kort daarna is hij een kwartier weggeweest, om vervolgens te blijven tot 22:00 uur. ‘En dat altijd Landman daar mede tegenwoordig was geweest’. Het is inderdaad zeer wel mogelijk dat Kok omstreeks 20:00 uur Schoontje tegen het lijf liep. Omstreeks dat uur verliet ze namelijk, zoals we eerder opmerkten, de stal van Adrianus Weyers aan de huidige Kanaalstraat. Omstreeks diezelfde tijd vraagt Landman aan schipper Van Waveren op de Grachtweg of hij de volgende morgen mee mag varen naar Leiden, hetgeen inderdaad mogelijk was. Eerder, om 19:30 en om 19:45 uur had hij aan Klaas Kok gevraagd om per rijtuig vervoerd te worden, maar de prijs was te hoog. Om 20:30 uur ontmoet Kok hem vervolgens bij tapper Marseille en blijft daar tot in ieder geval 22:00 uur. Theoretisch zou Landman dus, indien hij de dader was, de moord kunnen hebben gepleegd tussen 20:00 en 20:30 uur of na 22:00 uur. Het getuigenis van Landman en de veldwachter Op 14 november verscheen voor de burgemeester de veldwachter. Hij deelde mee dat hij ongeveer een half uur geleden Landman had ontmoet. Hij had van het ‘ongeval’ van zijn vrouw gehoord en verlangde bij haar te zijn. De veldwachter bracht hem dus naar het raadhuis op het Vierkant, waar het lijk van zijn vrouw lag. Vervolgens gaf Landman te kennen bij haar te willen waken, volgens Joods gebruik. De veldwachter liet hem zijn gang gaan en ging vlug de burgemeester erbij halen, zodat ze Landman aan een verhoor konden onderwerpen. Bij het raadhuis aangekomen hoorden ze gesnurk. Het was Landman, die bij het waken in slaap was gevallen… Ze wekten hem en begonnen hem aan de tand te voelen. Aangaande de middag en vroege avonduren van 12 november wist hij niets anders dan ‘verwarde en tegenstrijdige opgaven’ te doen. Vervolgens kwamen ze uit bij het cruciale tijdstip tussen 20:00 en 20:30 uur. Wat had Landman toen gedaan? Zoals andere getuigen ook al hadden verklaard, was hij omtrent de klok van 20:00 uur ‘van den Tapper (Marseille) naar de schipper Van Waveren gegaan’. Vervolgens zou hij inderdaad zijn vrouw ‘in den Dorpsstraat’ ontmoet hebben. Hij zou haar gegroet hebben ‘en op haar angstig verzoek van haar niet te molesteren gezegd: God beware’. Met andere woorden: hij zou zijn eerder geuite dreigementen om haar van het leven te beroven niet hebben uitgevoerd en haar zelfs hebben gegroet. Kort daarna – het kan toen inderdaad omstreeks 20:30 uur geweest zijn dus – keerde hij weer terug bij tapper Marseille. Om 20:45 uur zou hij nog bij Kok zijn geweest ‘om naar de spoorwagen te worden gebracht’. Dit is in tegenspraak met de door Kok opgegeven tijdstippen van 19:30 en 19:45 uur. Daar er geen bewijzen konden worden gevonden die Landman aanwezen als de dader van de moord, werd hij weer in vrijheid gesteld. Al met al was het nog steeds mogelijk dat Landman zijn vrouw ombracht tussen 20:00 en 20:30 uur. Maar dan komt Pieter Gerrit Marseille, de reeds eerder genoemde tapper, met een opmerkelijk verhaal.

Tapper Marseille aan het woord

Het gedeelte dorpsstraat tussen het Vierkant en de Kanaalstraat omstreeks 1900 naar het noorden gezien. Rechts het witgepleisterde huis van Heereweg 191. Uiterst rechts het pand van Jan van der Geest, die ‘huishoudelijke artikelen’ verkocht. Hier bevond zich in 1847 de tapperij van Pieter Gerardus Marseille. Bron: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (zesde druk, Zaltbommel 1987), p. 12.

Op 15 november verschijnt tapper P.G. Marseille bij de burgemeester (3). Hij verklaart dat hij ‘omstreeks 7 uuren des avonds van den 12den jl.’ Landman had geholpen een kist met linnengoed over te brengen naar zijn tapperij. Omstreeks 20:00 is hij vervolgens naar schipper Van Waveren getogen. Dit is duidelijk een regelmatig terugkerend gegeven. Tot zover geen tegenstrijdige getuigenissen dus. Alleen vermeldt Marseille in het geheel niets van het bezoek dat Landman bracht aan Kok, waarbij hij aan laatstgenoemde had gevraagd om een rijtuig. Dat was, zoals we reeds vermeldden, om 19:30 en om 19:45 uur. Vervolgens komt het tijdstip aan bod tussen 20:00 en 20:30 uur, waarover we zo graag wat meer zouden willen weten. Nadat Landman beladen met drie pakken linnengoed naar schipper Van Waveren was gegaan, keerde hij weer terug met dezelfde pakken. Hij kon ze helaas niet achterlaten bij de schipper. Inmiddels waren er ongeveer vijf minuten verstreken. Te weinig tijd om zich aan zijn vrouw te vergrijpen dus… Korte tijd daarna ging hij weer weg om na hooguit een kwartier weer terug te keren. In theorie zou Landman in die tussentijd de moord begaan kunnen hebben. De tapperij van Marseille bevond zich namelijk tussen het Vierkant en de Kanaalstraat (in 1840-1850 aangeduid met huisnummer 170). Vandaar naar de Gracht en weer terug is ongeveer 6 minuten lopen. In de resterende 9 minuten zou Landman dus de moord gepleegd hebben, hetgeen inderdaad binnen de mogelijkheden ligt. Vervolgens keerde Landman weer terug aan de tapkast van Pieter Marseille, waar hij tot 22:00 uur is gebleven.

Het Vierkant omstreeks 1905. Het tweede huis van rechts deed in 1847 dienst als raadhuis. Ansicht uit coll. R.J. Pex.

Een voorzichtige voorkeur voor het tijdstip tussen 20:00 en 20:15 (Marseille meldt immers dat hij na een kwartier weer teruggekeerd was) voor wat betreft het moment van de moord lijkt gestaafd te worden door de verklaringen van twee vrouwen die aan de Gracht woonden. Het waren Lena Westerbeek, echtgenote van Casparus Ruigrok, schipper te Lisse, en Jannetje Zimmerman, echtgenote van Piet van der Plas. Ze woonden in het in 1976 gesloopte Grachthuisje aan de Grachtweg (4).  Op 15 november verklaren ze dat ze drie dagen eerder omstreeks 20:00 uur angstig ‘geschreeuw of gegil’ gehoord hadden. Het geluid kwam ongeveer vanaf de plek waar Schoontje in de Gracht werd aangetroffen op 13 november. Waarschijnlijk was dit de plek waar de Gracht afboog naar het zuiden,achter de huizen aan het Vierkant langs.

Besluit
Eigenlijk lijkt alles te wijzen op Jude Jacob Landman als degene die de moord heeft begaan. Het betreft hier echter allemaal indirect bewijs. Niemand had Landman de moord daadwerkelijk zien plegen. En dus werd hij weer in vrijheid gesteld… Intussen brengt deze affaire een stukje negentiende-eeuws maatschappelijk leed aan het licht. De negentiende eeuw was eveneens een tijd van gebroken gezinnen, mede ingegeven door overmatig drankgebruik. Zelfs was het mogelijk dat de mannelijke wederhelft van een echtpaar de vrouw op straat zette en tenslotte ook nog een moord beging. De negentiende eeuw een tijd van romantiek? Ja, voor een klein deel van de bevolking misschien. Lang niet voor iedereen.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten).
1 Gemeentearchief Amsterdam, trouwregisters.
2 Was Klaas Kok stalhoudersknecht op de Witte Zwaan? Hier werden immers de paarden van de reizigers die het logement aandeden ververst. Volgens het bevolkingsregister van 1840-1850 was hij woonachtig in Het Hofje aan de
Kanaalstraat. Hij was geboren te Lisse in 1821.
3 Pieter Gerardus Marseille was rond 1812 in Lisse geboren. Hij trad in 1832 in het huwelijk met Maria Wilderink. Omstreeks 1832 woonde hij op de hoek van het Vierkant en de Grachtweg. Hij stond toen te boek als broodbakker. In 1847 woont hij inmiddels op huisnummer 170 aan de Heereweg. Dat was vlak naast en ten zuiden van het huidige pand Heereweg 191, het witgepleisterde huis tussen de Kanaalstraat en het Vierkant, waarover enige jaren terug zoveel te doen was.
4. GA Lisse, bevolkingsregister 1840-1850

Welke winkels waren er in de 2e Wereldoorlog volgens Henk Schalk

Alle winkels in Lisse tijdens de oorlog worden besproken. Welke winkels, waar ze stonden, wie de eigenaar was en wat ze verkochten komt aan de orde.

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

door Henk Schalk

Op de Kanaalstraat van de brug tot de Broekweg niets. Vanaf de Broekweg rechts op de plaats waar nu de Tandtechnieker is, de kruidenierswinkel van de Weduwe Nonhebel, ( super Leids sprekend ), van Dongen de poelier ( er konden twee mensen in de winkel, mits ze niet te dik waren), Groenewegen de hovenier/bloemwinkel, dan van Graas die verkocht tabakswaren, daar tegenover kapper Klein en weer aan de rechterkant de Sparwinkel van Rhijnsburger, later afgebroken omdat daar de Oranjelaan moest komen. Dan de winkel van bakker Schalk, op de hoek van de Beatrixstraat (de straat had een andere naam omdat namen van het Koninklijk Huis verboden waren ), de zaak in motorrijwielen van Maarschalk, daartegenover het café van Dorus Rijkers, hij woog 250 kilo, zijn vrouwtje iets meer dan 50 kilo.

Iets voorbij de Beatrixstraat aan de rechterkant, de groente en fruitzaak van Bertus Scholte, verderop links, waar nu Linker Lisse een winkel heeft, de kruidenierszaak van Jan Mijnders, later één van de eerste zelfbedieningszaken. Rechts op de hoek met de Julianastraat was drogisterij
Johan Mijnders en links op de hoek van de Molenstraat slagerij Mosseveld, een N.S.B.er, die had een automatiek en dat was hyper modern !!

Aan de rechterkant naar ik meen een kapper, Sjaak Schrievers. Op de plek waar nu de C&A is had je de Firma Schouten, destijds verwarmingsartikelen en installatie. Rechts weer een groenteboer, Nederstigt. Aan de linkerkant, vóór de Kapelstraat een winkel in “Fijne Comestibles“, van Wijnbergh. Aan de rechterkant op de hoek met de Meerenhoutstraat, Manufacturenhandel Mijnders “ De Vlijt “.

Dan de kaashandel van Romijn, op de linkerhoek met de Kapelstraat de “ Roomse “ Coöperatie, daar naast rijwielhandel de Kooker en vervolgens Foto Mieloo en van Voorst rookwaren. Daar tegenover Tissing op de hoek met de v.d. Veldstraat en op de andere hoek bakker de Lange, dan rijwielhandel en hersteller Bart Keijzer en drogisterij en opticien Dreijer. Wat verder Timmermans, waar we later onze cassette nog gekocht hebben.

Dan schoenreparatie Zandvliet en op de hoek met de Wagenstraat de wagenmakerij van Rossen. Op de volgende hoek Lascaris met een handel in van alles en nog wat, net als later Sterk en daar naast van Biezen, met zo lang als het er nog was, drop, kaneelstelen en knikkers enz. Vervolgens de groentezaak van Van Pijpen en tenslotte op de hoek met de Heereweg, De Gruyter. Aan de linkerkant vanaf rijwielhandel de Kooker was nog de winkel van Ligtenberg, of dat zou ook later kunnen zijn. Verder de schoenhandel van Van Zelst, dan een handel in religieuze artikelen van Rosier. Dus beelden en beeldjes, kruisen, met of zonder beeld, rozenkransen enz. En die mensen keken altijd zo vróóóóm…. Waar nu groentehandel van Pijpen is had je nog de ATEP. “ Bij de Atep is Uw dubbeltje de koning “, alles kostte daar namelijk een dubbeltje, een kwartje of een gulden volgens een Amerikaans systeem. Eigenaar was de familie Schravendeel. Als laatste de ( hoef ) smederij van Schuts. Tot zover de Kanaalstraat.

Op het Vierkant links vanaf de Ned.Herv. Kerk eerst Hotel Restaurant De Witte Zwaan, schoenhandel Vlag, kapper Fransen, Albert Heijn en Jamin. Aan de rechterkant de Apotheek, dan de boter- en kaashandel Langeveld, daarnaast de winkel van foto Koning ( of was dat later ?? ) en Heda Modehuis op de hoek.

Verder de Heereweg op aan de rechterkant tot de Kanaalstraat, bakkerij Witzenburg, de kruidenierswinkel van de Protestantse Coöperatie, dan van der Geest, ijzerwarenhandel, gereedschap en ook nog wat “ Roomse “ spulletjes, dan Goudkade en vervolgens een winkeltje van de Nederlandse Unie, een politieke organisatie die al rap door de Duitsers verboden werd. En dan komen we weer uit bij Schuts. Op de Heereweg aan de linkerkant tot de Stationsweg (DeSteeg), schoenhandel Jo de Kooker, bakkerij Freriks en dan het buurtje dat het Rottenest genoemd werd en op de hoek kruidenier van der Mark.

Vervolgens op de Heereweg vanaf de Stationsweg het Postkantoor, dan de “ Winkel van Sinkel “ van Daudey, zijn zuster had  een gelijksoortige winkel op de hoek Wagenstraat/Wagendwarsstraat. Boze tongen beweerden dat Daudey altijd zei: “ Wat ik niet heb heeft mijn zuster en wat mijn zuster niet heeft dat heb ik…..”’.

 

 

 

Dan volgt de Ford garage, een boekhandel met bibliotheek van Muyson, vervolgens bakkerij Vaneveld en de Incassobank. We gaan terug naar de Kanaalstraat aan de rechterkant vanaf De Gruyter. Fotografie Geerdes, de Coöperatieve Boerenleenbank, bakkerij Vermeer en bakkerij van Maanen en bij Klein Vreewijk, bakkerij/kruidenier Schakenbos.

 

 

In de Kapelstraat na de R.K. Coöperatie, boekhandel en bibliotheek de Haas, “ De Volharding “, dan schoenmaker Vermeij en op de hoek met de Grachtweg een kapper en op de Grachtweg de fi rma Tibboel. In de Julianastraat een handeltje van Trommel, de postbode, de sigarenwinkel van Koot op de hoek met de Nassaustraat, slagerij van Kesteren, (nu Danmax computers ), dan de groenteboer Horsman op de hoek Julianastraat/ Wilhelminastraat ?, dan van Kesteren, een kruidenierszaak waar de familie bijna alleen Gaspenningen kocht, zo groot als een stuiver en met een inkeping, die je in een muntapparaat moest draaien en dan had je weer voor een tijdje gas.

In de Wilhelminastraat een piepklein winkeltje van Kersbergen, waar alleen melk en eieren verkocht werden, slagerij van der Wekken op de hoek met de Nieuwstraat, Schrama op de hoek Wilhelminastraat/Emmastraat en iets verderop kruidenier en melkboer Knook.

Naschrift redactie
Henk Schalk laat ons delen in persoonlijke herinneringen uit een periode die al lang achter ons ligt. Ouderen onder ons zullen ook in gedachten een zelfde rondje langs de winkels in Lisse gemaakt hebben. Zoals Chris Balkenende al memoreerde hopen we op veel reacties. Zo zijn er niet alleen in het dorp Lisse, in het gedeelte dat Henk Schalk beschrijft, winkels geweest. Ook in het buitengebied van Lisse waren winkels. Wat ook interessant is zijn de winkeltjes en eenmansbedrijfjes die alleen maar een achterom hadden. Een vraag die bij het lezen van de herinneringen van Henk Schalk opkomt is: hoe heetten de straten die vernoemd waren naar een lid van het koningshuis in de oorlogsperiode? Zijn er nog foto’s waarop de ”oorlog”benamingen af te lezen zijn. Zijn er nog foto’s of verhalen van het verwijderen van de foute namen en van het weer ophangen van de Koninklijke naambordjes van deze straten. Graaf in uw herinnering en in uw oude fotoalbums en maak ons deelgenoot van wat u gevonden hebt.

Er zijn in het volgend nieuwsblad nogal wat aanvullingen. Klik hier voor de aanvullingen. In het daarop volgende Nieuwsblad staan nog meer aanvullingen.

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 2. Arie Raaphorst (6)

In de geschriften van Arie Raaphorst wordt alle politieke perikelen rond de bouw van de gasfabriek besproken. Ook de problemen met het buizenstelsel door het dorp wordt besproken.

Een Lisses doopvont in Nederhorst den Berg?

In Nederhorst den Berg staat in de Willibrorduskerk een doopvont, dat uit de schuilkerk uit Lisse afkomstig zou zijn. Het onderzoek hiernaar wordt beschreven. Het is niet bewezen dat dit doopvont daar vandaan komt.

door Aukjen Nauta

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

 

Wilibrorduskerk in Nederhorst den Berg

Lisse en Nederhorst den Berg, een dorp aan de Vecht tussen Weesp en Breukelen, hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken. Toch is er een paar maanden intensief contact geweest. Lissese archieven zijn doorgespit om de geschiedenis te achterhalen van het negentiende eeuwse doopvont dat daar sinds kort in de pas gerestaureerde protestante Willibrordkerk staat. Zeker is het niet, maar mogelijk heeft het doopvont in de katholieke schuilkerk aan ‘onze’ Achterweg gestaan.
De Willibrordkerk is oud. Hij stamt uit de 12de eeuw en is het oudste gebouw in de Gooi- en Vechtstreek. De kerk staat hoog boven het dorp op een stuwwal en is vanuit de wijde omtrek te zien. Vorig jaar is het interieur gerestaureerd. De oorspronkelijke indeling – met het koor naar het oosten – is in ere hersteld, de oude toegangsdeur in de kerktoren is weer in gebruik genomen en de natuurstenen vloer is opgeknapt. De kerk kreeg van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit (SKK) een nieuw doopvont.

Santpoort

Een van de leden van de restauratiecommissie, Anne Fortuin, was nieuwsgierig naar de herkomst van het doopvont. De stichting die het in bruikleen gaf, wist alleen dat het jarenlang ongebruikt op de zolder van de protestante dorpskerk van Santpoort gestaan had en dat het misschien oorspronkelijk uit Lisse kwam. Anne vroeg de hulp in van vrienden in Santpoort. Die vonden in het boekje van Henk Reefhuis ‘Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht’ dat de Santpoortse kerk in 1844 gebouwd is met materialen die afkomstig waren uit een katholieke kerk uit Lisse. Deze kerk zou op nominatie staan om gesloopt te worden, want Lisse kreeg een nieuwe kerk. De Santpoorters mochten voor de som van 1523-en-een-halve gulden alles meenemen uit die kerk wat zij bruikbaar vonden. Dat ‘alles’ wordt niet nader gespecificeerd. Het doopvont kan erbij gezeten hebben, maar zeker is het niet. Wel is de Santpoortse kerk in 1916 volledig door brand verwoest. Het doopvont dat nu in Nederhorst den Berg staat laat geen sporen van brand zien; het is dus onwaarschijnlijk dat het vont ten tijde van die brand in die kerk gestaan heeft.

Lisse

Anne kwam toen bij mij. Ik woon in Lisse, ben net als hij geoloog (ik heb nog les van hem gehad) en had net een artikeltje geschreven voor het vakblad van aardwetenschappers over het gebruik van natuursteen in ‘zijn’ kerk (een kalkzandsteen uit de omgeving van Münster, midden-Duitsland). Ik zette zijn zoektocht voort en begon met het doorspitten van boeken over de Agathakerk en andere kerken in Lisse (met dank aan mijn buurman Jan Hageman). Daarin las ik dat er in 1842/43 een nieuwe katholieke kerk gebouwd zou worden op het Mossenhof, een plek dicht bij het Vierkant waar een woonhuis met schuur stond. De schuilkerk, die ver buiten het dorp lag aan de Achterweg bij De Engel, zou gesloopt worden. De nieuwe kerk werd in 1843 ingewijd. Veel informatie over het doopvont kon ik niet vinden. Alleen Hulkenberg schrijft iets in ‘De Aagtenkerk van Lisse’: “1853. Het is wel een zeer zinvol samentreffen, dat eveneens dit jaar de kerk is verrijkt met een nieuw doopvont, dat zonder enig commentaar in de inventaris van 1854 voor het eerst wordt vermeld.Op het voetstuk zijn de sacramenten uitgebeeld. Op het deksel ziet men tussen een achttal pinakels, hoe Joannes Christus doopt in de Jordaan. Geheel op de top van het deksel staat een vrouw – de Moederkerk – die haar pas herboren kinderen om zich verzameld. Als neogotisch werkstuk is dit doopvont zeer zeker niet onverdienstelijk.” Dit doopvont staat nog altijd in de huidige Agathakerk. Over de sloop van de schuilkerk en wat er precies verkocht is aan de Santpoorters, heb ik verder niets kunnen vinden. Via de Vereniging Oud Lisse, Maarten van Bourgondiën en Rob Pex, kwam ik terecht bij het kerkbestuur van de Agathakerk. Daar was de bereidwilligheid groot, maar ook het kerkarchief bracht geen uitkomst. De enige informatie die de werkgroep kon vinden, kwam uit hetzelfde boekje van Henk Reefkerk over de Santpoortse kerk: de cirkel was rond, de zoektocht was vastgelopen.

Wijwatervat

Doopvond Nederhorst den Berg

Als laatste heeft een deskundige op het gebied van kerkinrichting het doopvont bestudeerd. Hij kwam tot de conclusie dat het neogotisch moet zijn, gemaakt rond 1850: een mooi stuk, maar niet kostbaar of eeuwenoud. De maat van het vont deed hem vermoeden dat het oorspronkelijk een wijwatervat van een rooms-katholieke kerk geweest is, maar daarmee in tegenspraak zijn de vier evangelisten die afgebeeld staan op de voet. Wel zou een klein doopvont goed gepast hebben in de schuilkerk aan de Achterweg, maar de geschatte ouderdom is daarmee weer in tegenspraak. Het blijft dus een raadsel of het Nederhorst den Bergse doopvont ooit in de schuilkerk in Lisse gestaan heeft.

Bronnen

Doopvont Nederhorst den Berg

“St. Agatha, 1903-2003, Glorie en roem van katholiek Lisse”, door L. van der Lans “

De Sint Agathakerk, de grote restauratie in de jaren 1993-2002”, door S. Broersen

“De Aagtenkerk van Lisse”, door A.M. Hulkenberg

“Aan een onbekende God, Kerken in 800 jaar Lisse”, E. Olivier

“Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht”, door Henk Reefhuis “Waar komt het nieuwe doopvont vandaan?

Verslag van een zoektocht”, in Het Kerkeblad van de Willibrordkerk, Nederhorst den Berg, door Anne Fortuin