Artikelen die betrekking hebben op de geschiedenis van Lisse en haar bewoners

“Welbedrogen”, een drama in vier lettergrepen

Een bloembollenschuur aan de Heereweg heet Welbedrogen .Schuur, huis en grond werden begin 1900 gekocht door Nieuwenhuis. Hij kon het echter niet betrekken, omdat het pand bewoond werd door Rutger van Zanten. Hij was niet te bewegen om te vertrekken. De pacht werd afgekocht, vandaar de naam Welbedrogen.

Gele Naatje

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Post

En dan nog wat. Gele Naatje was geen vrouw van lichte zeden. Foei! Ze was netjes getrouwd met Piet van der Meer. Een heel apart stel samen. Ze was heel klein en heel breed en had hele grote voeten en haar huidskleur was heel erg geel. En ze droeg altijd geelgrauwe kleren. Ze kon ook niet lezen. Vanmorgen ben ik in de buurt nog even op onderzoek geweest. Haar man werd ziek en ze brachten hem naar de Pius. Toen ze hem waste was hij ’s avonds dood. Gingen ze met haar naar hem kijken in de opbaarruimte. Vroeg ze: Wat staat daar? Er stond: Heden ik morgen gij. O bah, zei ze, hier moet ik niet wezen. En ze liep weg!
Lisse, mevr. J. Slottje-Kooijman

EEN SCHANDPAAL OP HET VIERKANT: Miserabele bedelaars met schurfheyt besmet

Ieder dorp moest een schandpaal hebben. Lisse werkte daar niet van harte aan mee .Na lange tijd moest het toch gebeuren

door dr. A. J. Kölker

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Kent u het spreekwoord ‘Iemand aan de kaak stellen?’of ‘Ieman aan de schandpaal te kijk zetten’? En kent u nog de pijptakabreclame van Van Rossums Troost waar een deftige gezette heer een arme magere sloeber die aan de schandpaal staat, even een trekje uit zijn pijp aanbiedt? Welnu, op 18 maart 1613 gaven de Gecommiteerde Raden van Holland en West Friesland aan de landdrost van Kennemerland en Rijnland opdracht om in de diverse dorpen ‘kaecken’ op te richten.

Elk dorp moest namelijk op eigen kosten zo’n schandpaal oprichten en onderhouden. Het platteland werd toen nogal geteisterd door ‘lantloopers, bedelaers ende vagebonden’. Deze moest men ‘verdrijven ende ver­jagen ‘. In geval een dorp zou weigeren een dergelijke paal op te stellen, dan was de drost gemachtigd op kosten van dat dorp er zelf een doen oprichten.

Heeft Lisse er nu een laten maken? Jawel, maar kennelijk niet van harte. Ook al hebben wij geen verslag van het overleg over deze kwestie, in een klein dossier vinden we een zeer gespecificeerde rekening van de ’teer-kosten’, dat zijn de kosten voor de verteringen tijdens de overlegbijeen­komsten genuttigd fter herberghe van Maritgen Engelsdr, weduwe van Jacob Florisz Heemskerck, waerdinne aent kerkckhof’. Daarnaast vinden we in de Ambachtsrekening van 1613 nog verdere aanvullingen.

Verteringen

De eerste post betreft een bezoek van de oude, scheidende landdrost op 3 en 4 juni 1612. Kennelijk heeft men toen al gesproken over de overlast van bedelaars en landlopers en is het bovengenoemde besluit voortgekomen uit de steeds toenemende klachten.

In maart 1613 komt de nieuwe landdrost, Remers Coesart, met gevolg,  waarschijnlijk om kennis te maken en zich te presenteren bij het dorpsbestuur. De verteringen belopen een bedrag van 3 guldens, l stuiver en 8 pen­ningen (in het vervolg geciteerd als 3 l 8).

Enige dagen later komt deze hoge ambtenaar weer langs samen met enige gezworenen om de bovenvermelde opdracht van de Gecommitteerde Raden over te brengen. De verteringen bedragen dan 2 guldens 4 stuivers en 8 penningen.

Lisse moet dus aan de slag! Dat had men gedacht, want op 25 augustus, dus vijf maanden later, komt de drost eens even langs “om te sien of die voorseyde kaeck al aengemaeckt” is. De vertering bedraagt dan slechts 12 stuivers, waarschijnlijk voor hem en zijn gevolg alleen maar een biertje.

Meer dorst

Was men geschrokken? Uit de rekeningen blijkt namelijk dat er op 29 augustus overleg is geweest van gezworenen met de ambachtslui, die de klus moeten klaren. Maar van haast is nog niet veel te merken, want wan­neer de ambtenaren van de drost op weg naar Leiden op 30 september hier weer passeren, hebben zij een bevel van de landdrost bij zich “om de kaeck alsnoch sonder langer delay (uitstel) te maecken “. Dit gezelschap was groter, of ze hadden misschien meer dorst, want hun vertering is nu het dubbele, nl. 24 stuivers

Als laatste post zien we dat de landdrost samen met zijn dienaars op 6 october “in de kermisdagen ” in Lisse zijn geweest “int vervolgen van de vage­bonden. ” Ze nemen het er goed van en verteren voor een bedrag van 316 8. Het totaal bedrag van al deze consumpties beloopt de forse som van 16 9 8.

Grenen balck

Toch heeft Lisse uiteindelijk maar aan het bevel voldaan. In de ambachts­rekening 1613 vinden we de vijf volgende posten: Maerten Jacobsz Langevelt, timmerman, ontvangt 7 guldens en vijf stui­vers voor het maken van een “kaekckpael van een grenen balck” alsook voor het plaatsen van deze “opt dorps vrij dam ” of zoals in de bijlage staat “opt dorp onder de linden. ” Bedoeld is hier het Vierkant, vóór de herberg waar het gemeentebestuur en het gerecht vergaderden. Bovendien krijgt de timmerman een som van vijf guldens terug, die hij even had voorgeschoten aan Pauwels Willemsz van Breda, slotenmaker te Leiden voor vier sloten en twee sleutels.

Mr. Jan Dircxz, smid, ontvangt 12 guldens voor de levering van “vier grote sware halsbanden van ijser. “.

De stoelenmatter Heyck Heycsz declareert twee guldens voor het twee­maal verven van die paal “in wit en blaeu “.

Kennelijk moest de voltooiing en plaatsing gevierd worden, want als laat­ste post vinden we een bedrag van 20 stuivers met medeweten van de schout en de bode voor de consumptie tijdens het overleg van de gezwo­renen met de werklieden op 29 augustus en 4 oktober samen

In het Gemeente Archief Lisse zijn de nota’s rond het vervaardigen van de schandpaal bewaard gebleven. Op dit deel staat: (Te voldoen aan smid mr. Jan Dircxsz:)

een somme van twaelf gulden mme het maecken qft arbeyts loon van vier groote swarte halsbanden van yser en den aencleven yder tot drie guldens oock tot de voorz* kaeckpaal behorende, daerommehi er de voorsz —————————XII £

Het archiefstuk begint als volgt:

“vijffmengelen biers ” a vier stuivers, maakt 20 stuivers. De kaak stond er dus twee dagen voordat de landdrost hier ter kermis kwam. De totale kosten bedroegen dus 27 guldens en 5 stuivers. Samen met de consumpties tijdens het vooroverleg genuttigd kwam dat het dorp te staan op 43 gulden, 19 stuiver en 8 penningen.

Bedelaars

Maar heeft deze kaak nu ook dienst gedaan? Hoe vaak zijn er hier men­sen te kijk gezet? Onderzoek in de oud-rechterlijke archieven, die momenteel nog in het Nationaal Archief te Den Haag berusten, kan hierop mogelijk antwoord geven, maar vraagt een afzonderlijk onder­zoek.

Afgezien van het feit dat de oprichting van een kaak van hogerhand ver­plichtend werd opgelegd, waren de dorpen daar toch ook wel mee geholpen. Misschien kunnen we nu wel over een dergelijke maatregel onze wenkbrauwen fronsen. Was die bedelarij en landloperij dan zo erg?

Men moet goed beseffen dat er in de zeventiende eeuw geen sociale voorzieningen waren, zoals wij die kennen en zeker niet voor dakloze zwervers. Bedelarij was vaak een plaag, vooral op het platteland. Daarbij komt nog dat zieke bedelaars moesten worden verpleegd en in geval van overlijden begraven en dat allemaal op kosten van het betreffende dorp.

Ik wil mij beperken tot een enkel voorbeeld. In de jaarrekening van 1686 vinden we onder uitgaven een afzonderlijk hoofdstuk voor “onderhoud, meesterloon, medicamenten, assistentie ende den gevol­ge van dien van verscheyde miserabele bedelaars… ende onbekwaam om terstont te kunnen worden geweert. ”

Schurftheyt

Wat was het geval? David Panten mr.Chirurgijn tot Lisse declareert 35 gulden voor “geleverde medicamenten ende gedane visite ” op bevel van de schout en burgemeesters aan een bedelaarster die op 13 augus­tus “met een stukken gebroken been in (t duyn ” werd gevonden, naar het huis Lauris Pieterse Langeveld gebracht, daar verzorgd en op 25 augustus overleden.

Bovendien had deze geneesheer ook nog hulp verleend aan een stomme en lamme bedelaar “met schurftheijt besmet”, die in de nacht van 5 oktober 1686 in de schuur van Pieter Willemse Rode was blij­ven liggen en toen naar Maerten Pieterse Langeved overgebracht, waar hij tot 14 december werd verzorgd. Lauris Pieterse Langeveld ontvangt voor zijn geleverde verzorging en assistentie aan de bede­laarster van 13-25 augustus een bedrag van 7 guldens en 10 stuivers.

De assistent van de chirurgijn Jan de Bair, die zijn hulp verleende bij het verbinden van deze bedelaarster, declareert de som van 6 guldens 13 stuivers en 8 penningen.

Maarten Paulus Schoter leverde nog “bier, brandewijn, wijn en stroo ” ten behoeve van de bedelaarster en beurt 2 guldens en 6 stui­vers. Jan Dirkse Klinkenberg, timmerman, ontvangt voor het maken van de doodskist voor genoemde vrouw 3 guldens en 10 stuivers. Jacob Engelse Broekhuysen, biersteker, krijgt voor “een half vat bier met verschot van den impost op de begravenisse ” van haar, een belasting, tesamen 4 guldens, 3 stuivers en l penning. Pieter Willemse Rode krijgt voor onderhoud van de stomme, lamme en zieke bedelaar, die buiten zijn weten in zijn schuur is gekomen en daar is blijven liggen, veertien dagen lang, een bedrag van 5 guldens.

Luyskruyt

Maarten Pieterse Langeveld ontvangt voor zes weken onderhoud van deze arme drommel, die kennelijk ook nog onder de luizen zat, per week 2 guldens en 10 stuivers.en voor twee geleverde hemden en “luyskruyt” de lieve som van 16 guldens en 14 stuivers. Jacob Ottense Kranenburg leverde “een lake, gebruykt ten dienste van de voorz. bedelaarster ende een paardekleed voor de gemelde bedelaar” en ontvangt l gulden en 16 stuivers. Maarten Dirkse van ’t Hoog mag voor zijn geleverde brandewijn en hulp aan de twee genoemde bedelaars en aan twee anderen, waarvan er een aan vallende ziekte leed, en verder nog twee kinderen totaal 8 guldens en 12 stuivers in zijn beurs stoppen. Tenslotte ontvangt Lijsbet Willems, weduwe van Adriaen Clase van der Helder, 5 gul­dens: 13 stuivers en 8 penningen voor “verteringe op de begrave­nisse ” van de bedelaarster en de stomme bedelaar “ende nog een andere bedelaar en een bedelaarster die vallende siekte had alsook over een deken ende stroo. ” Kennelijk zijn er dus vier bedelaars overleden, maar we vinden in deze rekening slechts een vermelding voor één doodskist.

Het totale bedrag van deze noodzakelijk verleende hulp telde 96 gul­dens, 18 stuivers en 4 penningen. Dus ruim twee maal de onkosten van de kaak. Vergeleken met het totaal van de jaarrekening van 1686 te weten 901 guldens 5 stuivers en 12 penningen, is dat ruim 10% van de jaaruitgaven! En dat is toch een hele hap!

Bronnen: Archief gemeente Lisse, te weten Ambachtsrekening 1613, inv.nr. 34; 1686, inv.nr.35; Dossier: Oprichten van een schandpaal inv.nr.250.

Ligt er nog een lijk in het Kaaspakhuisje aan de Grachtweg?

Erik Plantenberg restaureerde pand aan de Grachtweg

door R. J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Het pand van Grachtweg la in Lisse werd vroeger het Kaaspakhuisje van Langeveld genoemd. Het behoort tot de oudere huizen in het cen­trum van Lisse. Weliswaar denkt menigeen dat het huis door de vorm van de kap (een zogenaamde mansardekap) uit de 19e eeuw stamt, doch dit betreft een latere verbouwing. De woning zelf is zeker nog een eeuw ouder. Erik Plantenberg kocht het huis in 1986 en heeft het grondig – en vooral kundig! – gerestaureerd

Het Kaaspakhuisje aan de Grachtweg zoals het er nu, na de grondige restau-ratie, uitziet. Een oud doch fraai pareltje in Lisse.

De heer Plantenberg is te Voorburg in 1957 geboren. In Leiden studeerde hij fysiotherapie. Hij woonde in een hofje en zo ontstond zijn liefde voor oude gebouwen die al dan niet op de monumentenlijst stonden. Plantenberg had daarnaast evenwel nog een andere hobby: het opknappen van oude motor

fietsen en auto’s. Daarvoor had hij echter een garage nodig. Al gauw liet hij dan ook zijn oog vallen op een oud pand in Lisse: Grachtweg la. Hij kocht het in 1986 en ging er wonen samen met Marieke Kop. Tegenwoordig is Plantenberg makelaar en heeft dus een goede kijk op onroerend goed zaken. Erg handig, gezien de discussies over de ontwikkeling van het centrum van Lisse, waar hij zelf alleszins mee te maken heeft.

De restauratie

Tijdens de restauratie werden allerlei interessante bouwkundige details ont­dekt. Zo bleek de mansardedak-constructie niet origineel te zijn. Aanvankelijk was het een zadeldak Een ander interessant detail kwam aan het licht bij het verwijderen van het behang tegen de oorspronkelijke achter­gevel van het huis: de stenen waren hier zwart geblakerd, wat zou kunnen duiden op de vroegere aanwezigheid van een stookplaats. Een tweede stookplaats bevond zich voorheen overigens tussen de oude achtergevel en de voorgevel, waar zich eveneens een (binnen)muur bevond, die later ver­wijderd is.

Ook bij het vernieuwen van de fundering van een van de garagemuren, wer­den interessante zaken ontdekt. Hier bleek zich onder de betonnen vloer een beerput te bevinden. In zo’n put werd in vroeger tijden het afval gestort. En dat laatste bleek ook wel uit de vele vondsten die uit de put werden geborgen.

Een lugubere vondst

Maar er werd bij de woning nog meer aangetroffen behalve dozen vol met afval. In het achterste gedeelte van het huis kwam Plantenberg na enig graafwerk een grafkist tegen met daarin de stoffelijke resten van een onbe­kend persoon. Helaas was niet duidelijk of het om een man of een vrouw ging en hoe deze om het leven was gekomen. De kist viel overigens, door contact met de buitenlucht, uit elkaar. Ook de staat waarin de botten ver­keerden was slecht, daar de vondsten op de waterlijn lagen. De vraag echter die men zich bij een dergelijke vondst onwillekeurig stelt is: waarom zijn de stoffelijke overschotten niet op een kerkhof ter aarde besteld? Hadden de bewoners (die bijna allen als niet zeer welgesteld te boek stonden) geen geld voor een begrafenis? Of werden vóór de instelling van de Wet op de Lijkbezorging wel meer overleden gezinsleden vlakbij huis begraven? Of was hier soms een misdaad in het spel? Al gauw verscheen er een artikel in de Weekendkrant Duin- & Bollenstreek (zaterdag 16 mei 1992) over de ver­bouwing van het huis en over de mysterieuze grafvondst. Naar aanleiding daarvan is toen de recherche bij Plantenberg langsgekomen. Er was toen

echter al een betonnen vloer over bet graf gestort en het leek bovendien zodanig oud dat verder onderzoek door de politie niet noodzakelijk werd geacht.   Men ziet: de woning van Grachtweg la geeft niet al zijn geheimen prijs…*

Particulier initiatief

Plantenberg’s belangstelling ligt het meest bij gebouwen van vóór 1900: “Er wordt in Lisse vrij veel aandacht geschonken aan bouw vanaf het begin van de twintigste eeuw. Daar is echter vrij veel van aanwezig. Van daarvoor juist niet”. Plantenberg duidt dan op de historische bebouwing uit de 17e en 18e eeuw. Bij het handhaven van deze bebouwing speelt de gemeente een belangrijke rol. Deze zou aan het particulier initiatief meer ruimte moe­ten geven. Plantenberg: “Mensen die hier (lees: in het centrum van Lisse) gaan wonen, hebben niet zozeer wooncomfort als prioriteit, als wel binding met een stuk cultuur”. Het is ook juist deze groep die bereid is geld in een oud pand te steken, teneinde dat te beschermen tegen verder verval of zelfs sloop. “En”, zo vertelt Plantenberg, “de gemeente moet dat faciliteren.” Zo heeft openbare werken nog kort geleden een aantal oude lantaarnpalen geplaatst langs de Grachtweg, teneinde mede richting te geven aan de sfeer in dit (mooie) gedeelte van Lisse.

Maar laten we nu de archiefstukken laten spreken. Het is 1743. Aan het Vierkant woont, op de plaats van Fotovak Engel, chirurgijn Hiëronimus van Santen. Het is een groot huis van twee etages met een ruime zolder. Eigenaar was vanaf 1742 Rutgerd Veldhuyzen, eveneens chirurgijn. Achter het huis bevindt zich een tot woning verbouwde schuur, waar op dat moment twee mensen in wonen, namelijk Cornelis Adriaanse van der Wolf, die als “slagter” te boek staat, en Maria Cornelis van der Wolf, “naeyster”. De woning is eigendom van timmerman Warbout Jurriaanse Vreeburg. Veldhuyzen zou het huis echter, om onbekende redenen, het liefst weg wil­len hebben en treedt dan ook in onderhandeling met Vreeburg. Zo verschij­nen beiden op 17 mei 1743 voor schout Jacob van Dorp en schepenen van Lisse. Vreeburg verklaart de woning achter het huis van Rutgerd Veldhuyzen verkocht te hebben aan laatstgenoemde. Onder de voorwaarden lezen we onder meer: “Verders sal den kooper mogen setten een houtte kosijn, met vengster in des koopers muur staande tegens den asbak van den verkooper”. Hoogstwaarschijnlijk wordt met deze “asbak” de beerput bedoeld. De koper krijgt het recht om door het voornoemde “vengster” “sijn asse en vulnis in de asbak op des verkoopers grond staande ” te mogen brengen.

De schuur werd afgebroken en iets meer richting de Grachtweg werd een nieuw huis opgetrokken door Warbout Vreeburg. De bewoners van het ges­loopte huis verhuisden nu naar het nieuwe pand aan de Grachtweg. Onze “naeyster” en “slagter” werden dus de eerste bewoners van Grachtweg la.

Kapitein Quirien Dabenis en andere eigenaren, 1755-1808

We komen nu in een periode terecht dat het huis het eigendom zal zijn van lieden van diverse pluimage. Aanvankelijk had Warbout Vreeburg natuurlijk het huis in bezit. Hij werd echter oud en dat leidde ertoe dat hij in 1748 een testament opstelde, waarin hij alvast het huis aan de Grachtweg legateerde aan zijn dochter Maria. Lang heeft zij echter niet van haar bezit genoten; al gauw wilde ze er vanaf. Zo heeft ze dan op 11 februari 1755 het huis per publieke veiling verkocht aan Jan Janse van Wateringen en Anna Maartens Oudshoorn. Laatstgenoemde moet gewoond hebben ergens ter plaatse van De Woelige Stal en had daar een eigen winkeltje. Ook J.J. van Wateringen woonde aan de Grachtweg ; hij was metselaar. Talrijk zijn weer de koop-voorwaarden. Met name de aloude bepaling dat Rutgerd Veldhuyzen het recht had om zijn afval in de beerput van zijn buurman (ofwel de kopers) te storten, wordt wederom vermeld. Overigens werd hierbij ook het huis dat stond op de hoek van de Grachtweg en het Vierkant verkocht aan het duo Oudshoorn/Van Wateringen. Zeven jaren gaan voorbij en ze doen hun bezit alweer in de verkoop. Als nieuwe eigenaar wordt Quirien Dabenis of

d’Abenes genoemd “kapitein ter zee ten dienste dezer landen “. Hij was gehuwd met Maria Garbijn, welke laatste in 1749 in het eigendom was getreden van de Lissese buitenplaats Dubbelhoven aan de Achterweg. Doch in 1768 is onze kapitein overleden en kort daarna lezen we weer van nieuwe eigenaren. In 1792 blijkt de woning in handen te zijn van Gerrit Hendrik Hirs, die het in laatstgenoemd jaar weer overdoet aan Willem Verhoef. De weduwe van Verhoef, Leentje Brero, heeft het huis op haar beurt verkocht aan David Gabliski, terwijl ze zelf in het bezit bleef van de woning op de hoek van de Grachtweg en het Vierkant. Maar met dat alles zijn we alweer in het jaar 1808 terechtgekomen.

De “werkman” en de bode, 1808-1856

Inmiddels treffen we in 1808 weer nieuwe bewoners aan in de door Gabliski aangekochte woning. Het zijn Hendrik den Haan, zijn vrouw Cecilia Cocq en zijn kinderen, waaronder Jacob, die in 1767 in Sassenheim geboren was. In 1829 trad Jacob in het huwelijk met Grietje van Giesbergen. Hij is dan inmiddels de zestig gepasseerd en “werkman “, ofwel arbeider, van beroep. In 1834 is hij overleden en kwam er weer een ander gezin in het huis aan de Grachtweg wonen. Het betreft Pieter Hendrik Koppeschaar, geboren te Monikkendam in 1798, zijn vrouw Jannetje van der Horst en zijn kinderen Suzanna en Gijsbertha.

Aanvankelijk staat Koppeschaar te boek als “kantoorbediende “, doch in 1838 wordt hij door burgemeester en wethouders van Lisse aangesteld tot bode, aanplakker en omroeper. Op een dag had Koppeschaar overal in het dorp affiches aangeplakt, waarin een houtverkoop stond aangekondigd. Thuisgekomen bleek hij er nog een aantal over te hebben. Toevallig zat er een grote scheur in een van de balken van zijn woning. Hij heeft toen een stuk van een affiche afgescheurd en in de spleet gestopt. De huidige bewo­ner, de heer Plantenberg, bewaart dit fragment nog altijd.

“Eene portefeuille”

Als bode moest Koppeschaar boodschappen van en naar het gemeentehuis van Lisse overbrengen, welk raadhuis zich overigens maar op een steen-worp afstand bevond van het huis van de bode aan de Grachtweg. Zo moest hij tevens mensen aanmanen hun belasting te betalen. Men kon zich wel een leukere bezigheid voorstellen! Afijn, hiertoe beschikte Koppeschaar thuis over de volledige administratie inzake ontvangsten en uitgaven van de gemeente Lisse. Hij moest het allemaal nauwgezet bij zien te houden. Zo lezen we in de boedelinventaris die na zijn dood is opgemaakt over “eene portefeuille inhoudende de staten van begrooting van ontvangst en uitgaaf over de j aren 1832 tot en met 1854″. Een ander kohier behelst ((de hoofde­lijke omslag (belasting) over de jaren 1840 tot en met 1853 ” en zo is er ook nog “eene portefeuille inhoudende instructie voor den ontvanger der Gemeente Lisse” en “eenpaketprovinciale bladen van Zuid-Holland’\ etc, etc.

Inmiddels was de echtgenote van Koppeschaar, Jannetje van der Horst, reeds in 1847 overleden. Hij hertrouwde met Maaike Arends de Boer, gebo­ren te Heerenveen in 1801. Met haar is Koppeschaar zo’n negen jaar in het huwelijk verbonden geweest, totdat hij in 1856 zelf kwam te overlijden. Het gezin was toen al verhuisd van het huidige Grachtweg la naar de naastgele­gen woning. Wie toen de nieuwe bewoners werden is helaas niet duidelijk geworden uit de soms wat warrige bevolkingsregisters van die tijd.

Eigenaren, 1808-1885

Grachtweg la was dus in 1808 in het bezit gekomen van David Gabliski. Deze wat Russisch aandoende naam komen we op verschillende plaatsen in de archieven tegen. Zo wordt hij in 1810 “Dienaer en Cipier der Justitie van Lisse, Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout” genoemd. Hij bezat verscheidene huizen aan de Broekweg (tegenwoordig Kanaalstraat), Veenderweg (Stationsweg) en natuurlijk het latere kaaspakhuisje aan de Grachtweg. Na zijn overlijden in 1828 ging het huis over in het bezit van de

familie Van der Horst. Rond 1830 had Jannetje van der Horst, gehuwd met Pieter Hendrik Koppeschaar, de ene helft van de nalatenschap van Gabliski in handen en Cornelia Maria van der Horst, gehuwd met Daudeij, de andere helft. Na het overlijden van Cornelia in 1836 is haar aandeel overgegaan in handen van haar vier kinderen. Hetzelfde gold voor de vier kinderen van Jannetje van der Horst die in 1847 was overleden. Na het overlijden van Pieter Hendrik Koppeschaar in 1856 moest ook zijn nalatenschap verdeeld worden. Met name voor wat betreft zijn aandelen lag dat wat moeilijk. Bovendien verkeerden de geërfde huizen in zeer slechte staat van onder­houd. Repareren zou een te dure aangelegenheid worden en verkopen was daarom nog de beste optie. Op 9 maart 1857 is daartoe toestemming gevraagd en verkregen van de arrondissementsrechtbank te Leiden. Het huis aan de Grachtweg kwam nu in handen van de weduwe Koppeschaar, Maaike Arends de Boer. Inmiddels woonde zij allang niet meer op Grachtweg la, maar elders in het dorp. Het huis blijkt in 1885 voor f2,- per week verhuurd te zijn aan Arie Balkenende.

Verkoop, 1886

Maaike Arends de Boer was inmiddels hertrouwd met Pieter van Waveren, “koopman ” van beroep. Hij kwam in 1885 te overlijden. Zijn weduwe heeft toen haar onroerendgoedbezit, waaronder tevens het huis aan de Grachtweg, verkocht en is daarop naar Den Haag vertrokken. Nieuwe eigenaar werd timmerman Johannes Theodorus Barnhoorn, geboren te Lisse in 1861. Hij woonde in het begin van de 20s*e eeuw in het huis dat vlak naast Grachtweg la gelegen was. Tegen die tijd lijkt laatstgenoemd pand echter geen woonfunctie meer te hebben gehad, maar diende het tot kaaspakhuis. Maar we zijn dan inmiddels in de periode Langeveld terechtgekomen.

Zadeldak

Van de Grachtweg – en dan specifiek van Grachtweg la en omgeving -bestaat een schilderijtje, gedateerd 1885 en gesigneerd door een zekere Van der Meer. Links is nog net een stuk muur van de pastorietuin waar te nemen. En gelijk rechts daarvan.. .het latere kaaspakhuisje, ofwel Grachtweg la! Het heeft evenwel niet een mansardedak zoals dat tegen­woordig aanwezig is, maar een zadeldak. We mogen aannemen dat dit tevens de oorspronkelijke situatie was uit de 18^e eeuw. In het witte huis rechts van het tegenwoordige Grachtweg la woonde later tandarts Simonis. Hier is kardinaal Simonis geboren en getogen. Het kaaspakhuis van Langeveld

Rond 1907 heeft Barnhoorn Grachtweg la verkocht aan Cornelis Langeveld. Hij heeft waarschijnlijk het huis ingericht tot kaaspakhuis en dat is nog lang zo gebleven.

In 1986 heeft de heer Erik Plantenberg het eigendom verworven van de
woning en kreeg het zijn aloude woonfunctie weer terug.                               j

Bronnen: Bevolkingsregister Gemeente Archief Lisse, notarieel Lis s e 1843-1895 en Rechterlijk Archief Lisse in Nationaal Archief te Den Haag.

* Wij hebben het Politiekorps Hollands Midden om commentaar gevraagd. Voorlichter Yvette Verboon van het Bureau Communicatie van het Korps verklaar­de na ampel onderzoek en ruggespraak met collega’s die indertijd in Lisse werkten: “Indertijd in 1992 hadden we nog Rijkspolitie en Gemeentepolitie. Dat er bij de heer Plantenberg als gevolg van het verhaal over het lijk in de Weekendkrant recherche aan de deur is geweest, kunnen wij niet meer nagaan, omdat de dagrap­porten na vijfjaar worden vernietigd. Maar het komt mij en mijn collega’s ondenk­baar voor dat de politie zo gereageerd heeft als wordt beweerd. Normaal zou zijn geweest, dat er overleg was gepleegd met het Openbaar Ministerie en dat de gemeente op de hoogte gebracht zou zijn. Dat de politiemensen hebben gezegd dat verder onderzoek niet nodig was, komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor. Op dit moment hebben wij te weinig concrete informatie om te moeten optreden.’

Zo zag het Kaaspakhuisje eruit in 1930. Er kan geen twijfel over bestaan want op de daklijst staat geschilderd: Kaashandel (Foto: Collectie Plantenberg)

 

‘DE WEG WORDT OVERSCHADUWD DOOR ZWARE BOMEN’

Een  voettocht beschreven in 1898 door dominee D. Wüstenhoff uit Sassenheim gaat deze keer richting Veenenburg vanaf de Keukenhof. Daarna over de Loosterweg naar Hillegom. Vervolgens terug naar Lisse via de Heereweg. ‘De gehele weg  wordt overschaduwd door zware bomen, welker kruinen zich tot elkander neigen’.

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

door R. J. Pex

Onze verslaggever ontdekte dat dominee Daniël J.M.Wüstenhoff uit Sassenheim in de jaren 1898 en 1899 in het Leidsch Dagblad niet min­der dan 29 wandelingen heeft beschreven in Leiden en omgeving. Hij kwam natuurlijk ook in Lisse. In de vorige “Kijkjes” zijn we geëindigd bij kasteel Keukenhof. We zetten hier nu met ds. Wüstenhoff onze wan­deling voort in de richting van de buitenplaats Veenenburg.

“Onzen tocht weer voortzettende, gaan wij het in ons vorig kijkje reeds beschreven en bezochte “Keukenhof” met zijn kasteel voorbij, en vervolgen onze wandeling langs den Loosterweg over Veenenburg met zijn groot bosch naar Hillegom.

Het is bekend, hoe Veenenburg wegens de opheffing van zijn voormalig sta­tion van de Hollandsche Uzeren Spoorwegmaatschappij voor Lisse en Hillegom indertijd druk besproken is geworden, hoe een proces van den op de buitenplaats “Veenenburg” wonenden heer Leembruggen tegen genoem­de Maatschappij daarvan het gevolg was en het dientengevolge sluiten van het gelijknamige station.

Immers voor uitbreiding van zielental en handel was Hillegom blijven aan­dringen op een station nader bij het dorp, waarop de Maatschappij het sta­tion Veenenburg deed vervallen en daarvoor een station plaatste te Lisse en te Hillegom aan de Hillegommerbeek.

Gaat men van af het voormalige station Veenenburg naar Hillegom, dan volgt men de weg (hier wordt waarschijnlijk de Loosterweg bedoeld, die men rich­ting het noorden, naar Hillegom volgt) door het bosch van wijlen den heer Wilson , thans aan verschillende eigenaars toebehoorende. Het noordelijk gedeelte toebehoorende aan de firma Hagedoorn en Co, is grootendeels afge-zand en voor de bloembollencultuur geschikt gemaakt. Den weg volgende komt men het dorp aan de zuidzijde binnen.

 

Twee uren gaans

Hillegom is het grootste dorp tusschen Haarlem en Leiden, twee uren gaans van Haarlem en drie uren van Leiden gelegen. Zijn hoofdbestaan is de bloembollenhandel Er zijn vijf scholen en een school voor uitgebreid lager onderwijs. Het getal inwoners bedraagt ongeveer 5200. Het dorp is door een stoomtram verbonden van Leiden naar Haarlem”.

Vervolgens zetten we koers naar de Hervormde Kerk, de Houttuin in het cen­trum van Hillegom, het Hof van Hillegom en het buiten Treslong. De Heereweg volgende richting Lisse komen we bij “De Nachtegaal”. Het huidige restaurant De Nachtegaal bestaat in deze tijd echter nog niet. Deze is pas in 1902 gebouwd. Wel heette deze plaats al zo. Luistert u maar:

Weg vol zware bomen

“De geheele weg wordt overschaduwd door zware hoornen, welker kruinen zich tot elkander neigen en den wandelaar doen denken, dat hij zich in een bosch bevindt. Hier hadden we een aardig kijkje. Door de bomen turend zagen we allerlei schepen door de Ringvaart zeilen, tot onze aandacht werd getrok­ken door het naderen van de stoomtram, en toen ontwaarden we, dat we ons aan den grenspaal bevonden, waar vroeger een herberg stond, “de Nachte­gaal” geheeten, waaraan deze plaats nog heden ten dage haar naam te dan­ken heeft.

Even verder ontwaren we de bloemisterij van de heeren D. Nieuwenhuis en Zonen, wier eveneens aan den weg gelegen tuinen een aangename afwisse­ling geven.

Rechts bevindt zich de weg, welke leidt naar de buitenplaats “Veenenburg” (de zogenaamde Zwarte Laan). Deze fraaie landweg is aan beide zijden door een zwaar ijzeren hek afgesloten, doch op verzoek kan de tuinbaas vergun­ning verleenen om de schoone laan, die ruim twintig minuten gaans is, te bewandelen. Voorbij deze laan zien we de prachtige buitenplaats “Wildlust” en de brug (de Lisserbrug bij Zandvliet en Meerenburg) overgaande, slaan we een oog op de bloemisterij en boomkwekerij van de firma Van Zanten en Niewerf, welker fraaie aanleg van verschillende boom- en plantgewassen aanbevelenswaardig is om bezichtigd te worden.

Hoogst voldaan over alles wat wij gezien en genoten hadden, begeven wij ons tenslotte naar het “Hotel de Witte Zwaan “, om eenige lafenis te gebruiken “.

 

ZO BEGON DE POST IN LISSE: Een houten kastje, 2 meter boven de grond met de brieventasch

door A. van der Meij en Arie in’t Veld

“In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 cent worden betaald. Buiten de porto. Om een brief van Lisse te ver­zenden moest men ’s middags de bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse en met bijvoeging van 4 duiten of 2,5 cent. Dan nam de bode de brief mee naar Sassenheim ter verdere verzending. Frankering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”.

 

De postbezorging van vandaag de dag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze is geworden tot wat het nu is. Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen aan het begin van de vorige eeuw onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezer(es) door te stellen dat zijn vader een ‘vleeschhouwerij’ had die rond Taschen’ 1837 door hem werd geopend.

Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brieven-gaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld: “….. Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”.

Brievengaarder

Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toeftmalige burgemeester van Lisse E. J. van den Berg. “Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend,” zo vervolgt Van der Meij zijn verhaal. “In dien tijd bezorgde hij zelfde brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die twee­maal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation ,Veenenburg’ haalde.Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar van Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 meter boven de grond een houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden en waarin hij ’s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ’s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ’s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ’s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven ofte ontvangen,” aldus Van der Meij in zijn verslag waarvan we de diverse eigenaardigheden in het taalgebruik hebben overgenomen. Hij schetste ook dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent porto moest betalen. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden 10 cent per gewonen brief betaald worden.Postzegels waren dat jaar reeds inge­voerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd.Het publiek greep even­wel zelf in. ledere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoo het overige publiek zijn voorbeeld te volgen.Van dien tijd dateert het nog dagelijks (we spreken nog altijd over 1920) voorkomende ,Br.fr.’ in de advertenties in de couranten”.

Briefkaarten

Zijn verhaal vervolgend vertelt Van der Meij dat in 1876 de open briefkaar­ten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7,5 en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd. Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht, waarbij voor den oorlog bijna alle staten van de wereld waren toegetreden. Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor brieven en briefkaarten over de geheele wereld, postpakketdiensten en verrekenpakketten”. De verteller illu­streert verder dat het tarief ‘voor de gewoone brieven 12,5 cent is en voor briefkaarten 5 cent’. “Gedurende de oorlog (de eerste wereldoorlog, red.) en ook nog niet daarna heeft de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van het binnenlandse tarief de malle verhouding is ont­staan dat een brief van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 l/2 cent en een briefkaart 5 cent kost en naar landen der vereeniging respectievelijk 12 Vi en 5 cent. Het telegramtarief voor het binnenland was in 1872   30 cent voor 20 woorden, behalve het bestelloon dat de geadresseerde moest betalen. Voor den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent voor 10 woorden en geen bestelloon als de geadresseerde binnen de bestelkring van het tele-graafkantoor woont. Thans (1920 dus) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het tele­foonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”.

Blauw potlood

Na het korte overstapje over de telefonie gaat Van der Meij verder en vertelt dat het betalen van porto voor een brief tot 1875 voor een brief naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Hetwelk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikking kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ’s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de vol­gende dag ’s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Waarschijnlijk afkomstig uit Sassenheim Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen.Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden.

Postkantoor

Een ansichtkaart van de Heereweg uit 1910. Links het postkantoor. De traimrails gaat richting Hillegom. De aandacht die de fotograaf met zijn geheimzinnige en onbegrijpelijke apparatuur kreeg, is ontroerend. (Foto: Gemeente Archief Lisse)

Het hulppostkantoor Lisse ressorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f 2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet in Lisse 13 duizend gulden per jaar. Toen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar”. Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse. Volgens Van der Meij een zeer formeel man en niet zeer meegaande voor het publiek. Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames van Parijs (thans de supermarkt-red). De Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde posten telegraafkantoor werd geopend met de heer Bondam als directeur. Dat postkantoor was gevestigd in een fiks gebouw op de hoek Heereweg/Stationsweg (de Steeg) – thans de hoek van de Berkhoutlaan, ofwel het pand van ‘De Madelief’. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks uitbetalen van ouderdomsrente en het verkopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet.

Rijk koopt postkantoor

Het postkantoor van Lisse in het begin van de jaren vijftig. De Heereweg is bestraat met kinderkopjes en de traimrails mist de bovenleiding, wat er op duidt dat de tram niet meer reed. Rechts de garage van Camminga, een heuse Ford dealer en dat niet alleen: juffrouw Camminga was de lieflijke kleuteronderwijzeres! (Foto: Arie in ’t Veld)

Dat bewuste postkantoor heeft de gemeente ongeveer f 22.000,- gekost en deze ontving daarvoor van het Rijk een huur van f l .224,- per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascomissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het post- en telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,- zou kosten. Van der Meij, lid van de Gascommissie, zei op die mededeling een beter idee te hebben. “Laat het Rijk het post en telegraafkantoor kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein”. Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,- inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgde er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A. van der Meij) gebeurd dat ik ’s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ’s morgens om acht uur het antwoord daarop in huis had. Naar het Noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer de post naar het noor­den reeds verzonden was en dus bleef liggen tot de verzending met de mid­dag- of avondpost”.

IJzel veroorzaakt catastrofe

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het ove­rige land. “Zoodra de Hollandsche IJzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden tele­grammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf In het jaar 1908 werd het net door het Rijk overgeno­men. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het gehele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonne’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg (nu Heereweg. Red.) door een ondergrondschen kabel vervangen. Op l april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonnee’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer den Braber als chef en bovendien 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en telefoon bestond alzoo uit 25 man­nelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de posterij.

De onbillijkheid

Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde post bestelling ’s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voor­zitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer R Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Posterij overtuigde van de onbillijkheid dat de bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ’s morgens voor twaalf uur ontvingen en de post te Lisse eerst ’s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der posterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ont­vangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen.”

Zo keek je vanuit de Kanaalstraat recht tegen de voorgevel aan van het Postkantoor. Op de plaats van het postkantoor is nu de Berkhoutlaan. (Foto 1966 Gemeente Archief Lisse)

In memoriam A.M. Hulkenberg (1915-2003) EEN GEBOREN VERTELLER

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

R.J. Pex

De heer Hulkenberg heb ik slechts de laatste 16 jaar van zijn leven dat 88 jaren lang was, meegemaakt. Het was echter een bijzonder aangename kennismaking. Ik zocht hem regelmatig op in zijn bescheiden woning aan de Eikenlaan in Lisse. We converseerden over diverse onderwerpen, maar toch wel het meest over het verleden. Het verleden in heel algemene zin dan wel te verstaan, want zijn laat­ste levensjaren blikte hij steeds vaker terug op zijn eigen leven. En dan vertelde hij met veel enthousiasme over de kostschool in Beverwijk, zijn interesse voor planten en dieren, de Joannesschool in Hillegom, de Rijks Tuinbouwschool, Dever, Keukenhof, etcetera. Pijn en verdriet waren hem in zijn leven duidelijk niet bespaard gebleven. Ook daar wist hij heel wat over te vertellen. Want vertellen kon hij als de beste. Ik moet zeggen dat ik altijd met veel belangstel­ling naar hem heb geluisterd.

Hulkenberg was ook maatschappelijk zeer betrokken. Zo richtte hij samen met anderen de zogenaamde probusclub op: een club bestaan­de uit ouderen van dagen die elkaar hielpen en ondersteunden waar mogelijk was.

Ik herinner me nog goed hoe ontdaan hij was toen hij hoorde dat het bedrijf van één van zijn vroegere leerlingen failliet was gegaan. Hij trok zich het wel en wee van zijn medemens altijd erg aan. Zoals meer mensen weten bezat Hulkenberg een ongeëvenaarde ken­nis over geschiedenis in het algemeen en in het bijzonder over de streek. Ik heb me daar meerdere malen over verbaasd. Het overlijden van de heer Hulkenberg betekent dan ook, voor zowel mij persoonlijk alsook voor Lisse, een groot gemis. Moge hij rusten in vrede.

A.M. Hulkenberg

Streek in vogelvlucht

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

nieuwflitsen

Tijdens een conferentie over Regionaal Historische Samenwerking in ’t Huys Dever is het eerste exemplaar uitgereikt van

De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht, Landschap, leven en werken omstreeks 1800

Het boek onder redactie van Jan Beenakker en Reinout Rutte schetst een veelzijdig beeld van de streek tussen Haarlem en Leiden. Eindelijk is er nu een handzame, leesbare en rijk geïllustreerde over­zichtstudie van de streek.

Uitgave: Primavera Pers Leiden. Prijs slechts € 13,50.

 

Villa Somalo 1914

Lisse Toen: Sigaar op het werk? Op het matje!

Door afzanding van de binnenduinen zagen steeds meer landbouwers in Lisse brood in de bollenteelt. Met name langs de Heereweg verrees het ene na het andere bloembollenbedrijf met prachtige bollenvilla’s. De werknemers hadden niet veel rechten.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

De bloembollenteelt in Lisse stamt van begin 1800.Langzaam werd de teelt uitgebreid, hetgeen mede mogelijk werd door de afzanding van de Binnenduinen. Ook zagen meer en meer landbouwers brood in de bollenteelt, niet in het minst omdat ze constateerden dat het de bollenmensen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden.

Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend voor de hyacintencultuur geschikt waren, ofschoon de beoefenaren van het vak uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover dat, wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die ten gevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van ‘Lissers’.
Het ging de ‘nieuwe kwekers’ ondanks de na-ijver evenwel voor de wind. Met name langs de Heereweg verrees het ene grote bloembollenbedrijf na het andere, veelal samen met prachtige ‘bollenvilla’s’. En natuurlijk een flinke koppel personeel op de kwekerij. Bloemistknechts, die het qua pegulanten heel wat minder royaal hadden dan hun patroons. En mocht het er dan eens op lijken dat er eentje in goeden doen was omdat hij vanwege bijvoorbeeld een bepaalde feestelijkheid met een sigaar in het hoofd op het werk verscheen, dan liep deze de kans op het matje geroepen te worden en opgemerkt te krijgen, dat gezien de sigaar ook de knecht kennelijk in goede doen was en opslag dus wel kon vergeten.

 

 

Villa Somalo 1914

Samalo is één van de gemeentelijke monumenten en van oorsprong een bollenvilla.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

LISSE TOEN: OVERWERKEN VOOR TWAALF CENT PER UUR

De werkomstandigheden van bloemistknechten rond 1914 worden besproken. Er waren zeer lange werkdagen van 6.00 uur tot 17.00 uur.

door Arie  in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

De oprichting van de arbeiders­organisaties deed ook in de bollenstreek de nieuwe tijd de intrede. Weliswaar veranderde er aanvankelijk niet veel en was de invloed van de organisaties zeer gering, doch in 1914 had men de eerste etappe achter de rug. Nu was het in 1914 ondanks de oorlog trouwens al heel wat beter gesteld dan in de laatste jaren van de negentiende eeuw. In Haarlem en omgeving bijvoorbeeld, werd het als iets minderwaardigs beschouwd als men moest bekennen een ‘bloemistknecht’ te zijn. Toen vluchtten vele jonge­mannen uit het bollenbedrijf. Naar de spoorwegen, of ze werden brugwachter of nachtwaker en dan nog verdienden ze nauwelijks meer dan in de bollen. In Haarlem, Overveen en Heemstede was het droevig gesteld.

Werken van 6.00 tot 19.00 uur

Men weigerde daar zelfs om aardappelland aan de arbeiders beschikbaar te stellen, hetgeen in Hillegom en Lisse vrij algemeen geschiedde. De normale arbeidsdag was toen van ’s morgens zes tot ’s avonds zeven uur, voorzover het daglicht dit toeliet. In de praktijk kwam het erop neer dat de arbeider meestal verplicht was vanaf half juni twee uur per dag over te werken. Daarvoor werd dan een dubbeltje of twaalf cent per uur extra uitbetaald. In Lisse, Sassenheim en Hillegom betaalde men gedurende acht/ negen maanden per jaar ƒ 7,= tot ƒ 8,= per week.

Te voet

En voor dat loon konden ze net zoveel arbeiders krijgen als ze wilden, want in Noordwijk, Noorwijkerhout en Voorhout betaalde men zelfs nog minder! Het spreekt overigens vanzelf dat men te voet naar het werk ging. Slechts een enkeling beschikte over de rijkdom van een rijwiel, leder ander moest lopen.

En dat betekende dan dat je vroeg van huis moest, want je had er maar voor te zorgen dat je op tijd bij de baas aanwezig was! En op tijd was in de zomermaanden vijf uur ’s morgens. De ‘knecht’ moest soms zes kilometer of meer tippelen en ging dus ’s morgens ver voor vieren van huis. ’s Avonds om zeven uur maakte hij hetzelfde ‘ritje’ weer terug.

Klik hier voor het volgende deel

Het planten van narcissenbollen in vroeger tijden, toen alles nog met de hand gedaan moest worden. Voor elke cent per uur mee moesten de bloemistknechts knokken, foto: Arie in ’t Veld