Nieuws van de Vereniging Oud Lisse en nieuws uit de omgeving die relevant is voor VOL

De gashouders zijn 50 jaar geleden gesloopt

Sporen van vroeger  

6 oktober 2020

 door Nico Groen

De nieuwe woonwijk tussen de Gasstraat en de Ringvaart heet Nieuw Meerzicht. De start van de 1e fase van de nieuwbouw is begonnen. Voorheen was hier een bedrijventerrein. Het bekendste bedrijf was ongetwijfeld de Gasfabriek. De gashouders zijn gesloopt in 1970. Precies 50 jaar geleden dus. Door de komst van aardgas was de gasfabriek niet meer nodig.

De gasfabriek is gesticht in 1907. Daaraan voorafgaand waren er heftige discussies en veel stemrondes in de gemeenteraad over de plaats voor de gasfabriek. Eigenbelang bij de raadsleden en hun familie speelde een belangrijke rol in de talrijke raadsvergaderingen. Arie Raaphorst, de plaatselijke correspondent uit die tijd, schreef een verhaal over de perikelen. Daarover heeft Arie in ’t Veld geschreven in 2009 in het Nieuwsblad, het kwartaalblad van de VOL.

Toen men tot de stichting van een gasfabriek had besloten, werd in 1905 hiervoor een terrein aangekocht aan de Heereweg bij de Vennesloot, waar later de Middelbare Tuinbouwschool (nu De Loft) werd gebouwd. Dit werd gekocht van landbouwer P. van Ruiten, bijgenaamd Piet van der Spekke, voor de som van f 10.000,–.

Geharrewar in de gemeenteraad

Na de gemeenteraadsverkiezingen in de zomer van 1905 kwamen M. Veldhuijzen van Zanten Jz. en J.W. Lefeber in de raad. Zij vonden het terrein aan de ‘Vensloot’ totaal ongeschikt voor een gasfabriek. Het lag niet aan diep vaarwater. De exploitatie zou erg duur worden door de aanvoer van steenkool en dergelijke. Men had daarom het oog op een terrein aan de Ringvaart laten vallen. Deze motieven waren gegrond: dat was niet tegen te spreken. Maar veel persoonlijke motieven van gemeenteraadsleden speelden een rol. De doorslag werd uiteindelijk gegeven door een handtekeningenactie door 195 ingezetenen van Lisse. Daarin werd breedvoerig gewezen op de totale ongeschiktheid van het terrein aan de Vennesloot voor het stichten van een gasfabriek. Uiteindelijk werd na veel gedoe een weiland van M. Verduijn aan de Ringvaart gekocht, waar uiteindelijk de fabriek werd gebouwd.

De ontwerper van de gasfabriek was de heer Adriaanse, directeur van de gasfabriek te Harderwijk. Het geheel bestond uit een ronde gashouder, waarin het gas werd opgeslagen. Verder werd o.a. een kolenloods en een stokerij gebouwd. Op de kade langs de Ringvaart stond de motorkamer voor het aandrijven van de kraan waarmee kolen uit een schip werden gehesen en aan een rail naar de kolenloods werden getransporteerd. Op 3 oktober 1907 werd de gasfabriek officieel in gebruik genomen. De gasverkoop liep zo voorspoedig dat er een paar jaar later uitbreidingen kwamen in de vorm van een tweede gashouder.

Openbare werken

Na de sloop van de gashouders in 1970 werd het terrein en de overige bebouwing in gebruik genomen door Openbare Werken van de gemeente Lisse. Na het vertrek van Openbare Werken in 1988 naar de Vennestraat werd de rest van de bebouwing gesloopt, met uitzondering van de woningen en kantoren aan de Kanaalstraat. De grond werd grondig gesaneerd, hier en daar zelfs tot 2 meter diepte.

Foto: De gashouder in aanbouw.
Foto: Arie in ‘t Veld

Moord in Lisse 100 jaar geleden

Sporen van vroeger (LisserNieuw)

22 september 2020

 door Nico Groen

 Op 12 september1920, precies 100 jaar geleden, vermoordde een vrouw in Lisse samen met haar kostganger haar echtgenoot. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij, na rijp beraad en in kalm overleg met haar kostganger, haar man een kop chocolade heeft gegeven. Dit, terwijl zij wist, dat in die chocolade door de kostganger een dodelijke dosis arsenicum was gedaan. De man overleed aan de gevolgen. Aan de kostganger werd medeplichtigheid ten laste gelegd.

Bij de berechting stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Niet alle nieuwsgierigen konden naar binnen. Toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen.

In de krant stond: “De vrouw was een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet eruit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse met een donker uiterlijk”.

De vrouw vertelde de rechter dat haar kostganger al anderhalf jaar bij haar woonde. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen. Zij meenden dat haar man  te veel in het gezin was. Met haar kostganger had zij er meermalen over gesproken dat haar man maar opgeruimd moest worden.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan de kostganger een zakje arsenicum gegeven. Deze vertelde aan Berbee dat het nodig was om ratten te doden.

Op goede voet

Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw  op goede voet stond met haar kostganger. Op een zekere dag was de man ziek. De vrouw zei toen: “als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man”.

Getuige heeft de kostganger na 12 september eens horen zeggen: “Mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat de kostganger geregeld naar de vrouw toeging. Vooral was het haar opgevallen, dat hij meestal even overwipte voor haar man kwam eten. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum. Daarna verklaarde Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, dat  er arsenicum in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden was.

Zij werden beiden tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. De kostganger zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis.

Bovenstaande komt uit een artikel van Arie de Koning, dat op de website OudLisse.nl staat.

Op de website staan honderden artikelen van uiteenlopende aard.

 

Foto: Het gerechtsgebouw in Haarlem was 100 jaar geleden het toneel van een tragedie.
Foto: Wikipedia

 

VOL draagt bij aan video over ‘De kracht van Linked Data’

Bij de ontwikkeling van LisseTijdReis heeft Vereniging Oud Lisse gebruik gemaakt van een techniek die ‘Linked Data’ heet. Die techniek maakt het eenvoudig om verschillende gegevens met elkaar te verbinden. De website LisseTijdReis krijgt in de erfgoedsector veel belangstelling en wordt gezien als een goed voorbeeld voor andere instellingen. Vandaar dat het Erfgoedhuis Zuid-Holland en het Netwerk Digitaal Erfgoed aan VOL heeft gevraagd om bij te dragen aan een promotievideo. Het resultaat vind je via deze link: https://youtu.be/V88-wHcqGe0 .

Voor het Netwerk Digitaal Erfgoed is Linked Data de aangewezen techniek om de bruikbaarheid van digitale erfgoedcollecties te vergroten. In deze video legt de cultuur-historische Vereniging ‘Oud Lisse’ uit wat zij met Linked Data heeft bereikt. En waarom het belangrijk is dat zo veel mogelijk digitaal erfgoed als Linked Data beschikbaar komt.

Meer weten over de kracht van Linked Data? Ga naar www.netwerkdigitaalerfgoed.nl/linkeddata

Deze video is een productie van het Netwerk Digitaal Erfgoed i.s.m. Erfgoedhuis Zuid-Holland.

Meer weten over LisseTijdReis, de website is bereikbaar via http://data.oudlisse.nl

Inhoud Jaargang 19 nummer 2, 2020

 

Prince. E. Bestuurlijke zaken Na de corona-lockdown zijn de vrijwilligers van de VOL op 8 juni weer begonnen in de Vergulde Zwaan. Door de lockdown zijn vele evenementen van de vereniging niet doorgegaan.
Redactie Bij de voorplaat Op een foto bij het gemeentehuis van na de oorlog staan burgemeester Van Rijckevoorsel en dierenarts Kraak.
Nieuwsflitsen Vereniging “De Hollandse molen” 100 jaar Nico Papineau Salm, voorzitter van ‘De Hollandse molen’ bracht een speciaal bezoek aan de Lisserpoelmolen. Info over de molen wordt gegeven.
Nieuwsflitsen Wederwaardigheden van Arie in ’t Veld Arie in ’t Veld heeft zijn heup gebroken. Hij is redactielid van het Nieuwsblad
Nieuwsflitsen Opening van de Kwakel bij Dever Het wandelroutenetwerk in Lisse is uitgebreid met een route vanaf Zemelpoldermolen naar de Achterweg. Via een nieuwe kwakel bij de Vennestraat  kan men nu langs Dever wandelen.
Nieuwsflitsen Het nieuwe plan van pand De Zon Blokhuis BV, eigenaar van het pand, heeft nieuwe plannen gepresenteerd aan de VOL en  omwonenden.
Brouwer, L. en W. Hazelaar Zeskamp Olympiade 1971-1972 Lisse wilde graag mee doen met Zeskamp van de NCRV. Dat lukte in het seizoen 1971/72. De VOL heeft een plakboek van deelneemster Wilmy Hazelaar gegeven. Zij heeft voor het artikel mondeling toelichting gegeven. Het is een mooi overzicht geworden.
Redactie 75 jaar bevrijding Mooie foto’s van de bevrijding en een gedicht van kapelaan Wuyster
Else Wesseling Van de verhalentafel Else memoreerde  tijdens een bijeenkomst van de verhalen tafel hoe haar liefde voor oude boeken ontstaan is.
Brouwer, L. Sparen Dit is een  oproep om mee te doen aan de verhalentafel. Ook kan men herinneringen naar de VOL opsturen.
Brouwer, L. Schooltijd: wat nu als de school dicht is? Tijdens een bijeenkomst van de verhalentafel kwam de schooltijd tijdens de oorlog aan de orde. Diverse scholen werden gevorderd.
Schenk, F. Hoe een klein jochie de oorlog beleefde In een ingezonden brief beschrijft Frans Schenk, geboren in 1938, zijn herinneringen aan  de oorlog en aan de bevrijding.
Floorijp, D. Oud Nieuws: Klopjes van Lisse De Kloppenbrug is vernoemd naar de klopjes, lekenzusters, die bij de schuilkerk aan het Mallegat  kerkelijke diensten deden.
Boogerd, D. Oud Nieuws: Klopjes en kwezels Uitgelegd wordt wat het verschil is tussen klopjes, kwezels, begijnen em nonnen. Het zijn allemaal vrome vrouwen.
Grimbergen, R. Dagboekje van Anneke Ruys Van het dagboek is een boekwerk gemaakt met de naam ‘T WORDT VAST GAUW VREDE. Anneke, geboren in 1929, was de dochter van de bekende dochter van dominee Ruys.

Wandelroutenetwerk in Lisse uitgebreid

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

2 juni 2020

 door Nico Groen

Het netwerk van wandelknooppunten in de Bollenstreek is in Lisse onlangs uitgebreid met een route vanaf de Zemelpoldermolen naar de hoek Achterweg/Prof. Van Slogterenweg. Via de Vennestraat kan over een bruggetje (een zg kwakel) naar het terrein van Dever worden gewandeld. Dit bruggetje is niet geschikt voor kinderwagens of mensen, die slecht ter been zijn. Die moeten rechtdoor naar de Heereweg. De route loopt vervolgens vanaf de oprijlaan van Dever via het fietspad van de Heereweg naar de Prof. van Slogterenweg. Vanaf de andere kant  wandelen kan natuurlijk ook.

 

Het wandelnetwerk werkt op dezelfde manier als de fietsknooppuntenroutes. Helaas staat er langs de wandelroutes weinig informatie over de route en de omliggende knooppunten, zoals bij de fietsenroutes wel het geval is. Op route.nl/routeplanner zijn de wandelknooppunten in de Bollenstreek te vinden.

Veel historie langs het wandelnetwerk

Langs de diverse routes in Lisse is veel historie te zien. Digitale informatie over belangrijke cultuurhistorische elementen buiten de dorpscentra is goed te vinden op de website cultuurhistorieduinenbollenstreek.nl. Kies: Naar Cultuur Historische Atlas en een kaart van de streek verschijnt. Van belang is, dat je bij ‘kaartlagen’ alles moet aanvinken voor de volledige informatie. Inzoomen geeft vele punten, lijnen en vlakken, die, wanneer je op zo’n punt, lijn of vlak klikt cultuurhistorische informatie tonen. Als je dit tijdens het wandelen doet, kun je dus lezen wat er op cultuurhistorisch gebied om je heen te zien is.  Sta je bijvoorbeeld bij Dever (en je klikt op de Atlas), dan krijg je daar historische informatie over. Bij Dever is bijvoorbeeld te lezen: “ t Huys Dever te Lisse is een veertiende-eeuwse donjon. Rond 1580 en tussen 1630-1634 zijn delen aangebouwd, waardoor een landhuis ontstond. Dit geheel werd bewoond tot ongeveer 1750. Leegstand leidde tot de instorting van de eerste aanbouw in 1848”.

Maar je krijgt niet alleen informatie over Dever, maar ook over de Zemelpolder, waar Dever onderdeel van is. Over de Zemelpolder staat onder andere dat het gebied een oppervlakte van 22,6 ha heeft. Op 6 juni 1662 kwam men overeen het gebied tussen de Heereweg en de Ringsloot en tussen de Kerksloot of Stinksloot en de Wassergeestervaart of Staalsloot, bestaande uit twee poldertjes, voortaan door één molen te bemalen. Het was te duur om voor elk een molen te onderhouden.

Foto: Een wandelknooppunt met het nummer van de paal en pijltjes naar de volgende knooppunten.

Foto: Nico Groen

Interview met Kraak, hoofd van het verzet in Lisse

Sporen van vroeger  (LisserNieuw)                                                

19 mei 2020

 door Nico Groen

Dierenarts J. Kraak was het hoofd van het verzet in Lisse en tevens het Lisser hoofd van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten). Kraak werd vlak na de bevrijding geïnterviewd. In het boek ‘Een Bollendorp bezet’, uitgegeven in 1990, van Herman van Amsterdam en Peter van der Voort, over de oorlogsjaren in Lisse staat dit interview vermeld. Het is een interessant boek vol verhalen over de oorlog met prachtige foto’s. Hieronder staat een weergave van dit interview.

Tot nu toe zijn er zo’n 50 à 60 NSB’ers en andere landverraderlijke mensen in Lisse in arrest genomen. Zij worden vast gehouden totdat bevelen van hoger hand afkomen wat er verder met hen moet gebeuren. De arrestaties hebben een vlot verloop gehad. Niemand heeft zich verzet. Ondergedoken NSB’ers komen tevoorschijn en melden zich vaak in andere gemeenten. Zo kwamen er gisteren 2 NSB’ers, een vader en dochter uit Wieringen zich in onze gemeente melden.

Moffenmeiden

Enkele kwajongens die aanleiding gaven voor een onrustige stemming in de gemeente werden eveneens vast gezet.  Deze hadden zich namelijk schuldig gemaakt aan het afknippen van het haar van meisjes, die contact met de vijand hadden gehad. De gevallen van haarknippen, die zijn voorgekomen zijn dan ook buiten verantwoordelijkheid van de BS. De leiding van de BS wil dat absoluut correct maar streng zal worden opgetreden. En dat we ons niet verlagen tot het peil van de mensen, die we hier gehad hebben.

Het ligt wel in de bedoeling om de ‘moffenmeiden’ vast te zetten, al was het slechts uit hygiënisch oogpunt. Zij hebben zich ernstig misdragen en onze diepste gevoelens grof beledigd. Een bepaalde categorie meisjes die omgang met de vijand hadden zal niet worden opgehaald. Dit betreft meisjes, die aan het begin van de oorlog in hun overmoed contact hadden met de vijand. Echter daarna van dergelijk onbesproken gedrag waren zodat zij zich volkomen hebben gerehabiliteerd.

Zwarthandel in tabak en alcohol is niet erg daar het hier immers een genotmiddel betreft en deze in de hand gewerkt werd door degenen, die hun eigen lusten niet meester zijn.

Aanmeldingen over personen die zich onvaderlandslievend gedragen hebben, moeten als volgt geschieden: schriftelijk en ondertekend. Later moet de verklaring onder ede kunnen worden bevestigd. Vanzelfsprekend wordt niet afgegaan op geklets, waarbij persoonlijke vetes vaak een niet onbelangrijke rol spelen.

Kroniek van de week

Dierenarts J. Kraak woonde aan de Achterweg. Foto uit het boek ‘Een Bollendorp bezet’,

In de ‘Kroniek van de week’ van 29 mei 1945 werd melding gemaakt van een bijeenkomst van 28 mei in Rehoboth van oud-illegale werkers uit Lisse. De moeilijkheid was  om na 5 jaren weer ‘uit de illegale huid te kruipen’. Er moest een vertrouwensraad komen, die de gemeente kon adviseren. De namen van de personen, die het vertrouwen bleken te bezitten van de gehele illegaliteit van Lisse werden voorgelezen: J. Kraak, J. J. Bos, J. Wevers, W. Montagne, L. van Rooijen, M. Vermeer, J. G. Snel, Kapelaan Schoonebeek, K. Hoes en H. D. Landwehr Johann.

 

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (3)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

 5 mei 2020

door Nico Groen 

In de vorige columns werd het dagboek van Henk van Ruiten tot 1 mei 1945 weergegeven. Hieronder volgt het derde deel van zijn dagboek. Het is getranscribeerd door Erwin de Mooij. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders. Hierna leest u een aantal stukjes uit het dagboek na 1 mei 1945.

“1 Mei: Hitler is dood (Een groot vuiltje uit de tuin is opgeruimd).

Op 4 mei was ik thuis. Het werd negen uur. Een rumoer op straat! Ik zeg: Ik geloof vast dat wij vrij zijn. Ik ging de weg op en, jawel, het was om kwart voor negen doorgekomen dat Nederland vrij is. HOERA! HOERA!

De andere morgen vroeg naar de Kerk om God  te danken voor het behoud van ons Vaderland en voor mijn eigen leven. De Kerk was om half zeven stampvol. Alle mensen zijn zo blij! Vandaag werd ik geroepen door een van de meisjes bij wie mijn zus dient. Of ik zo goed wilde zijn om de fietsen in orde te maken. Had ik me daar 4 fietsen op te knappen! Henk aan het werk, dat begrijp je. Ik had het best van eten en drinken en roken en toen ik klaar was, kreeg ik een worstje en een klein roggebroodje en een paar kilo erwten. Ik was de prins te rijk en ik was blij dat ik voor thuis wat mee kon brengen. Moeder was groos, toen ik het haar gaf . We hebben die avond pannekoek gegeten en een vooroorlogse wijn gedronken. Daar kun je beter op slapen. Ik heb vandaag mijn nieuwe fiets weer gebruikt. Hij glimt nog schitterend: je kwijlt ervan!

De Lissese burgemeester en de ambtenaren zijn vandaag ook weer boven water gekomen.
Verder vlagt heel Nederland (Rood-Wit-Blauw) en mag in Duitsland de vlag halfstok.

De ondergrondse staat hier op wacht. De Duitsers zijn gisteravond om 10 uur weggegaan. Ze waren erg kalm, maar vanmorgen (6 mei) zijn er auto’s voorbij gekomen met furieuze Duitsers erin en maar schieten in het wilde weg.

NSB’ers en moffenmeiden

De NSB’ers van Lisse zijn vandaag (7 mei) opgehaald, vrouwen en kinderen ook. En de moffenmeiden hebben ook een baard gehad. Die zijn kaal geknipt. Laat ie goed zijn!!!

s ’Avonds  8 mei was er muziek door het dorp en iedereen liep mee. Wij hadden de grootste lol, dat begrijp je. Wij liepen door elke straat en als wij bij een huis kwamen waar een moffenmeid woonde, dan riepen wij allemaal: ‘Kaal, kaal, kaal!’ En bij het huis van een NSB’er: ‘Hooi, hooi, hooi!’ Het was prachtig weer. Leve de vrijheid. Leve de Koningin!

Op 12 mei was er een gekostumeerde optocht door het dorp met vreugdevuren en vuurpijlen. Het krioelde van de mensen in Lisse. Vandaag hebben we voor het eerst wat gehad van de vliegtuigen: margarine, wat eigeel, wat echte chocoladetabletten en een blik met spek. Het was heerlijk!

Vandaag, 20 mei, is het Pinksterfeest  met prachtig weer. Ik ben erg nieuwsgierig hoe jullie in Weert het maken. Hier eindigt mijn dagboek. Het offer heb ik volbracht. Ik hoop dat jullie kunt begrijpen wat wij in Lisse meegemaakt hebben.”

 

Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.   Foto: Oud Lisse

De waterwolf eindelijk getemd

In de Nieuwsbladen van de VOL nummer 4 van 2019 en nummer 1 van 2020 staan 2 delen over de Waterwolf, die het Haarlemermeers was. Deze artikelen van A. de Koning zijn danig veranderd en ingekort ten opzichte van het originele artikel. Het originele artikel is hier vermeld.

Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg.

 door Arie de Koning.

30 april 2020

Wat voor wereldbeeld had de laat middeleeuwse inwoner van Lisse en zijn kinderen in het steeds veranderende landschap om hem heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uit maakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, incluis zijn fuik. Ter illustratie: het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531  groot 5600 Ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10570 Ha.

KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is de Meer zelfs 16600 Ha groot geworden terwijl er toen daarvoor toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.

In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”.”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14450 Ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.””Ook de Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden  zijn dan nagenoeg verdwenen.”  Evenals de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp.

De bodem van de Meren bestond uit veen  met daaronder een vette kleilaag en de losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trok een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken alleen bedroeg van 1771 tot 1845 al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, bracht bij de drooglegging van de meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op.

In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we op bladzijde 104 een verhandeling van ene Symon van Leeuwen* welke de situatie zoals deze in ca 1500 was beschrijft.

“Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde** droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.”

*   Symon van Leeuwen stierf in 1682 en zijn werk werd na zijn dood uitgegeven. Hij praat dus over het jaar 1500

** Een kodde is een oude benaming voor een polsstok, ook wel verrejager genoemd

De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de meer  steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsaterwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was en dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Geografische blik

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name die dorpen welke aan het Meer lagen en waar hoogst waarschijnlijk  zich regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur  van Lisse in het noorden is eeuwen lang het Ambacht Vennep geweest. Weggedrukt tussen Hillegom en het Meer kreeg het al eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep? Het bestaat al eeuwenlang want in een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer Noord-Zuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout. Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door  Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we de zelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt dat ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel verandert. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig was dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want zij grensden niet eens aan elkaar. In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burggravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp ge-noemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouwe Ambocht van Voorn.”

In het charter van 30 maart 1339 wordt gesproken dat de Vrouwe van Voorn in leen gekregen had van graaf Willem III, Hillighem ende Vennep (dus Burggravenveen). Maar deze graaf stierf op 7 juni 1337  en de Heerlijkheid Voorne, met het bij behorende Burggravenschap van Zeeland, werd pas op 30 september 1337 aan Machteld van Voorne, echtgenote van Dirck heer van Montjoie en Valkenburg in leen gegeven, terwijl het voor die tijd in mannelijke handen was. Machteld van Voorne kan dus niet de eigenaresse zijn geweest. Het was dus Katharina van Durbuy, de weduwe van de in het jaar 1287 overleden Albrecht van Voorne. Katharina treedt op als Voogdes Vrouwe van Voorne. Zij kreeg tussen 1287 en 1291 van graaf Floris V de leengoederen van Teijlingen, die toen door het uitsterven van de rechte lijn van dat huis aan graaf Floris V waren terug vervallen.

Katharina van Durbuy, dochter van Gerard van Luxemburg en Machteld van Kleef, stierf op 26 september 1328, hertrouwde in 1297 als weduwe van Albrecht van Voorne, met Wolfert I van Borselen, heer van Veere. Wolfert is niet lang met haar getrouwd geweest, in 1299 werd hij in Delft na een conflict met het stadsbestuur gelyncht. Wolfert had zich naar de zin van de Hoge Adel te veel macht toegeëigend als regent voor de jonge zoon van Graaf Floris V, Jan I van Holland. Het schijnt dat Gerard Dever, de vader van Reinier Dever, heer van Lisse, betrokken was bij de moord op Wolfert.

Haar beide echtgenoten waren burggraaf van Zeeland, twee belangrijke edellieden in Holland en Zeeland. Als Vrouwe van Voorne, Vrouwe van Teijlingen en burggravin van Zeeland was zij een zeer prominente vrouw in Holland en Zeeland. Zij wordt genoemd als mogelijke minnares van graaf Floris V, volgens de bekende historicus Fruin, maar dit wordt niet door bronnen ondersteund, privé zaken werden meestal niet opgeschreven, er bestond ook nog geen tijdschrift als Privé. Na haar dood verviel Teijlingen weer aan de graaf van Holland.

Op 30 maart 1339 werd “Hillighem met dat Vennep, welk er toe behoorde,” door graaf Willem IV weer in leen uitgegeven aan Arnout van Haemstede en op 31 maart 1339 het huis Teijlingen en de ambachten Voorhout en Lisse aan heer Simon van Benthem en zijn vrouw Agnes van Bokel. Na hun overlijden vervielen deze lenen weer aan de graaf. Lisse had na de Benthems nog vele andere heren.

Er was dus van alles te doen over het ambacht Vennep. Er hebben zich in de loop der tijd geen of maar enkele mensen op de eilanden gevestigd, zoals blijkt uit de lentebeden. In het jaar 1345 werd er nog 20 schellingen af gedragen maar daarna niet meer: “daer wonen geen huysluyden.” Vanaf het vaste land van Hillegom liep de Venniperlaan naar het schiereiland Vennep waar een veer zorgde voor overtocht over het stroompje Fennepa naar de oever van de overkant genaamd ’T Veer. Dit veer was eigendom van de heer van Teilingen. Vandaar kon men via de landtong over droog land oversteken naar de Ruijgenhoek en zo via Aalsmeer naar Amsterdam en Utrecht of via Leimuiden Amstelland in rijden. Ook bestond er een droge route vanaf Haarlem en Vijfhuizen naar ’T Veer.

Het derde eiland, Beijnsdorp genaamd, was het grootste. Het bestond hoofdzakelijk uit hooiland en werd verder niet bewoond. De enige bebouwing was een ruïne van een molen en een provisorische schuilhut. De eilanden werden door het water langzaam verzwolgen en zijn uiteindelijk geheel verdwenen in het water, Beijnsdorp het laatst.

Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok  ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en  Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgestelt door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van  het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het accoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse.

Opvallend was dat Burgemeester Adriaan Geel en Ambachtsbewaarder Henrik Hoogkamer, beiden van Lisse, niet konden schrijven, maar zij ondertekenden met een merkteken. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel:

“Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is nog maar de helft van de titel van de kaart, die ik u verder besparen zal, die  op wat spellingfouten na, zeer nauwkeurig is vervaardigd.

Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. De groene lijnen op de ingekleurde kaart is de grens van 1746 en daarop wordt duidelijk welke enorme hoeveelheid land door het water is verzwolgen. Amsterdam begon zich nu serieus zorgen te maken over die enorme vijver in zijn achtertuin. Het was inmiddels 1746 en eigenlijk waren zij met die zorgen een eeuw te laat.

Kaart van Bolstra uit 1739 waarop de Haarlemmermeer staat aan gevenenen.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg, loopt vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde; van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruige Hoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven.

In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten  naar de Vijfhuizerhoek en Zuid Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart  Haarlem – Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem – Leiden.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond

Het eiland in de oude Haarlemmermeer, Beinsdorp genaamd, behoorde tot de Banne van Leimuiden. Waarschijnlijk was dit historisch gegroeid toen Beinsdorp nog aan het vaste land vast zat. Het was onbewoond, slechts 78 Hectare groot en werd verpacht als Hooiland. Er stonden volgens beschrijvingen twee vervallen watermolens en een schuilhok. Dit was in 1543. In 1582 vinden we dat het eiland geminderd is en dan nog maar 62 Hectare groot is bevonden. In rap tempo was het meer bezig Beinsdorp te slopen. Toch is het eiland als laatste overgebleven samen met Abbenes in het verenigde meer.

Het volgende dorp is Hillegom en daar is genoeg over gezegd.

Dan gaande in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit kleine dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Het gebied viel grotendeels onder de belening van de Heer van Heemstede, de steenrijke Heer Jan Scheven van Bennebroek. Deze Edelman bouwde zich een kasteel op de hoek van de tegenwoordige Gedempte Oude Gracht en het Spaarne, net buiten de kersverse muren van de eveneens kersverse Stad Haarlem waarvan de mortel nog niet was uitgehard. De Haarlemmers konden de grap niet waarderen, het benauwde ze want zo konden zij niet uitbreiden. Daarom werd de familie Scheven weggekocht waarna zij in Leiderdorp verder meanderden. Het gebied wat bedoeld wordt met Bennebroek  krimpt in de volgende eeuwen drastisch ineen. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). Tot die datum behoord Bennebroek bij de Ambachts Heerlijkheid  van Heemstede van de bekende Adriaan Pouw. Pouw blijkt zijn gigantische  nalatenschap goed geregeld te hebben . Bennebroek werd toegewezen aan zijn zoon Adriaan Pouw en Heemstede aan de andere de oudste zoon,  Gerard Pouw . Dat gebeurde in 1653. Bennebroek bouwde zich een Kerk waardoor questie ontstond met de Kerk van Heemstede welke ruzie jarenlang het dorp lam legde. We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp, handelende als notaris te Bennebroek,  hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772) En het bestuur van het dorp Bennebroek vergaderden in “de Zwarte Hond” die  als Regthuijs dienst deed. Veel inwoners van Bennebroek  vonden werk in de Blekerijen, vanwege het zuivere duinwater daar gevestigd. Via Heemstede komen we bij de ingang van de rivier het Spaarne “de Voorburgh” met zijn Tonne of lichtbaken. In het Haarlemmermeer lag ter hoogte  van Heemstede het Eiland Myent welke de oevers van Heemstede in zekere zin beschermden.  Aan de overkant ligt Zuid Schalkwijk. Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan de Drecht. Sedert het begin van de 16e eeuw was de oever van Nieuwerkerk niet meer met de overzijde verbonden. De woningen in dit gebied stonden verspreid, de grootste concentratie werd (in de 17e eeuw) aangetroffen langs het Zuider Buiten Spaarne. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer; de huizen in Nieuwerkerk aan den Drecht stonden verspreid over dit schiereiland. In dit gebied woonden overwegend veehouders ofschoon er ook vissers woonden. Want voor 1610 was de visvangst op het Lutkemeer vrij. Na 1610 werd deze gepacht door de stad Haarlem. De ambachtsheerlijkheden Zuid Schalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk hebben tot in de 16e eeuw een eenheid gevormd met Rietwijk en Rietwijkeroord. Het dorp Nieuwerkerk aan de Drecht is in de loop der eeuwen door het Haarlemmermeer verzwolgen.

Daarvoor was de Kerk in 1467 al in oostelijk richting zover verplaatst als men een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de Kerk hier veilig zou zijn.  Hiermede werd ook de parochiegrens verplaatst  waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk wegens de gevaarlijke weg naar Nieuwerkerk aan den Drecht in Haarlem ter kerke konden gaan. Ook waren er geen vaste in het dorp wonende geestelijken meer in de steeds kleiner wordende dorpen. In 1690 spoelde Kerk incluis Kerkhof weg en was alle moeite voor niets gebleken.

Toen Nieuwerkerk aan den Drecht na 1680 bijna geheel verdwenen was, werd Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beiden zijden van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. Deze weg is voor 1505 goed begaanbaar volgens getuigenverklaringen uit die tijd, met kon met paard en wagen gebruik maken van de Herenweg. Na 1510 is er geen directe oeververbinding meer. Op 24-09-1509 vond er een dijk doorbraak plaats in de dijk langs het IJ bij Halfweg. Een gevaarlijke situatie was ontstaan. Dit gat bleef tot de zomer van 1510 open, er was geen geld voor reparatie! Inwoners van Nieuwerkerk aan de Drecht en Rietwijk hebben in de winter 1509-1510 nog pogingen gedaan het gat in de Herenweg te dichten, het gat bij Halfweg bleef echter open tot de zomer zodat de dichting in de Herenweg, die uit puin en rijshout bestond, door de eerste echte storm van 26 mei 1510 weer werd weggeslagen. Het was om moedeloos van te worden. Het gat bij Halfweg werd hierop gedicht. Men had een Kogschip gekocht en deze het gat in laten varen en dat pakte goed uit. De Herenweg besloot men niet meer te herstellen. De andere oever, de westelijke, minder te lijden van de afkavelingen. De meest westelijke oever van Zuid-Schalkwijk  werd pas na 1640 aangevallen nadat het onder Heemstede  ressorterende eiland Myent compleet was weggespoeld. Ter illustratie: Nieuwerkerk aan den Drecht had anno 1838 nog maar één huis over en lag op 48 Hectare grond. We gaan verder naar het noorden.

De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen, binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland die de zorg voor de dijk overnam. Op 5 maart 1578 voor Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanen en op 28 mei 1593 kwamen Sloten en Sloterdijk  onder het Waterschap. Dit bleek een goede zet te zijn. De ambtenaren en bestuurders  van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten. Zo’n Hoogheemraadschap ontstond uit een zg “Eening een vrijwillige aaneensluiting van belanghebbende grondeigenaren. Rechtspraak en Bestuur bij bovenlokale water aangelegenheden waren in handen van het Hoogheemraadschap. De voorzitter trad op in naam van de Landsheer de Graaf en werd de Dijkgraaf genoemd. Dat het Hoogheemraadschap  macht bezat wordt duidelijk  wanneer men een bezoek brengt aan het museum in Leiden. Daar bevinden zich een galg en meerdere soorten brandmerken als verlengstuk van hun macht. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet.

Nieuwerkerk aan den Drecht, Vijfhuizen en Schalkwijk behoorden tot de eerste Ambachten die tot het Hoogheemraadschap van Rijnland werden gerekend.

Lisse

Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Ook Lisse ?, ja ook Lisse.  Het gehele Ambacht Lisse was in 1583 groot 1321 Hectare. Nu bleek in dat jaar dat er in de Lisserbroek en de Roversbroek in totaal 10 Hectare land te zijn weggeslagen. In 1615 leverden Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse, een Request in bij het bestuur van Rijnland om remissie over morgengelden voor 42 morgen en 129 roeden. Het is niet vanwege de nagemeten verloren landen, maar door de verschillen in de totaalsom tussen de landmeters Balthasar en van Edam dat het bestuur van Lisse de vermindering afleidt. Het is dus nog geen bewijs dat tussen 1588 en 1613 dat werkelijk heeft bedragen en bovendien is het ongeveer zes keer zoveel als de normaal geleden afslag van land. Niet bekend is of het bestuur van Lisse remissie heeft gekregen. De afslag van Lisse tussen 1544 en 1613 is niet 42 morgen, maar zij moet evenredig zijn geweest aan die van 1544 tot 1587 en die bedroeg 10 Hectare, dus komt het geheel op zo’n 16 Hectare. Zeg maar ‘ietsje’ minder dan de ruim 37 Hectare welke Lisse in het Request zegt te zijn verloren. Hierin is begrepen de afslag van de Roversbroek, dat toen een eiland was, aan beide zijden. Dit kan nooit veel zijn geweest aangezien de Poel, welke aan de westzijde van de Roversbroek lag, een tamelijk smal water was, en het Kagermeer en Langerak, aan de oostzijde gelegen, hoewel veel breder, door hun ligging niet veel schade konden aanrichten aan de Roversbroek. We kunnen voor het gedeelte van Lisse vanaf de Greveling tot de grens met het ambacht Vennep, dat is een goede 2500 meter, met een gerust hart 15 Hectare afslag aannemen, met die verstande dat de afslag in het noorden bij de grens met Vennep groter zal zijn geweest dan bij de relatief beschutte Greveling.

Lisse had dus niet zoveel last van afslag van land, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd overgezet door het veer en zo naar de Ruigehoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk al eeuwen lang aangewezen op Leiden waar zij ook goede contanten mee onderhield. De drie Hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, welke werd uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord welke getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen welke plaats vonden in de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.”

Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen  (verleden tijd van gewassen) alsoo de Schippers getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.”

Ook een inwoner van Lisse komt voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok!

Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaat over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T Veer. Een geroeide boot kon er niet tussen door, de spanen kwamen dan op het land, en passeren was helemaal niet mogelijk.

Er is ook nog sprake in de morgenboeken van Rijnland, van een eiland “Myent” dat onder Heemstede lag. Dat eiland was in 1544 nog 6 Hectare groot en was in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes op de kaart, die tesamen niet meer dan een tiende Hectare waren. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kreeg door het verdwijnen van Myent nu de volle kracht van het meer en de afslag van die oever nam zienderogen toe. Noordooster stormen teisterden de eindeloze watermassa welke met lange aanlopen hun verwoestende krachten lieten botvieren op de oeverversterkingen die het niet konden winnen van de kracht van de vlottende watermassa. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan en werd in feite alleen nog beschermd door de Voorburgh, een schiereiland bij de uitmonding van het Spaarne in het Haarlemmermeer. Ook het iets zuidelijker gelegen Bennebroek, toen nog Benningbrouck genaamd, had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van het Haarlemmer Hout in het westen waar vandaan regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen met de westenwinden en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor zij steeds meer land. Met name ter hoogte van het Man Pad, waar Bennebroek op zijn smalst is, was een gevaarlijke situatie ontstaan. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek dan ook diverse keren de waterkeringen hersteld evenals bij Vijfhuizen. Dit laatste dorp, welke voor het eerst werd vermeld in 1531, is in zijn geheel verdwenen behalve als eerder vermeld de Kerk, die is gespaard gebleven.

Door de mens is het Meer wel geholpen om zijn vraatzucht te bevredigen. Het ontgraven van turf in de nabijheid van de oevers was niet bevorderlijk voor het behoud van die zelfde oevers. Natuurlijk wist men dat het fout was met de ontvening door te gaan, maar er speelden te veel belangen. In 1392 is er al een poging gedaan om het te verbieden en in het archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland  vind men tal van keuren en ordonnantiën daar over.

Met name de stad Leiden was gebaat bij zoveel mogelijk uitvenen en het liefst zo dicht mogelijk bij de oevers. De kans op vereniging van de meren was dan het grootst. Leiden torpedeerde iedere poging tot verbod op het turfsteken en had als reden daarvoor dat de arme huijsluyden dan geen werk en turf meer hadden. Dit was niet helemaal de waarheid. Leiden had forse inkomsten uit de visrechten én de veenrechten, welke het bezat voor de zuidelijke meren en wilde deze niet zomaar prijsgeven. Het was eigenlijk dagelijks bagger gooien tussen de Vroede Heren van Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Natuurlijk waren er zoals altijd vindingrijke figuren welke probeerden onder de verbods bepalingen uit te  komen.

Zo lezen we in een Keure van 18 september 1638 van het Hoogheemraadschap van Rijnland;

“Also tot kennisse van Dyckgrave ende Hooge Heemraden van Rhynlandt was ghekomen, hoe dat eenighe personen hun onderstaen, om een kleyne prijs, eenighe veenackers in de veenambachten op te koopen, ende deselve ackers inde lenghte van sestich, vijfftich, veertich ende meerder roeden onderwater weten los te sagen, ende met een bequame wint, achter hare scheepen vast te maken ende in andre quartieren ende Jurisdictiën te vervoeren ’t zy de selve Ackers aende Meeren of binnens ’s landts ghelegen syn, maakende so groote plassen van water tot merckelijcke prejuditie van alle de landen in ’t gemeen, ende contrarie den Placcate. Soo ist.”

 Door deze Keure werd een boete in het vooruitzicht gesteld van 140 ponden en dat was een boel geld in die tijd. Het bleek dat de inwoners van Lisse ditmaal niets met deze fraude van doen hadden, maar de boosdoeners werden gezocht en gevonden in Leimuiden.

De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gespreksstof. Toen in 1840 Jonkheer van der Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het Meer, trok dat ook internationale belangstelling.

In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel  wat genaamd was;

“Vergrabene und Versunkene Schätze” door R. Zander;

“Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse Armada  voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

 De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch wel ontzettend onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer.

Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het Meer een Eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig tot veertig duizend zielen.

Op het meer is menig schipbreuk geleden en menig gevecht uit gevochten, waarbij vele Hollandse en Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden met sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel zwaar tegen.

De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden bestond uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van vis.

Sight aan de Haarlimmermeer genaamt Lis Pieter Idserts 1689-1781 Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

 

Bronnen: Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643

Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892

Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.

Archief Hoogheemraadschap van Rijnland

A.A. Beekman: strijd om het bestaan

  1. Ramaer: Haarlemmermeer

©2019 Arie de Koning

 

 

 

 

 

 

 

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (2)

Sporen van vroeger (Lissernieuws)                                                           

21 april 2020  

 door Nico Groen

In de vorige column werd het dagboek van Henk van Ruiten tot 31 december 1944 weergegeven. Hieronder volgt het tweede deel van zijn dagboek. Het is getranscribeerd door Erwin de Mooij. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders. Hierna leest u een aantal stukjes uit het dagboek tussen 1 januari en 1 mei 1945.

 

“Begin januari hangen er bulletins aan de muren: mannen tussen 16 en 40 jaar moeten zich komen melden. De volgende morgen hangt er een blaadje onder van de verzetsbeweging, dat je je niet moet melden. Op weg naar mijn werk hoorde ik, dat de burgemeester en de ambtenaren met de burgerpapieren ondergedoken zijn.

Op 12 januari was het een rustige dag, met angst. De burgers mogen niet meer in het Keukenhofbos bomen omhakken. De SS houdt de wacht. Je mag ook geen bomen omzagen in de straten. Als de Duitsers het zien, krijg je zonder pardon de kogel.

 

Wij hebben bloembollentaart gegeten. Het viel mij honderd procent mee. Het is machtig, en voedzaam. De taart is op zijn lekkerst als hij koud is. Het is hier winterweer met sneeuw. Ik ben nu en dan op de weg, dan weer thuis aan het zagen en als het me te koud is, heb ik schrijfwerk of leeswerk of bollen schoonmaken voor de bollentaart. Die smaakt beter dan pulppannekoek of pulpbrood. Die heb ik vandaag ook gegeten, maar dat is geen eten. Ik word niet goed van binnen en ik moet er ’s nachts mijn bed voor uit om naar nummer 100 te lopen. Geef mij maar een Weerter Vlaaitje!

Vandaag 8 februari ben ik  thuis aan het delven in de grond. Dat valt niet mee op de 900 gram brood per week. ’s Avonds ga je naar bed met een waterbuik van de aardappelen. Je moet er 3 a 4 keer uit bed. Je wordt er beroerd van.

 

7 Maart. Er is razzia in Lisse. Ik was om 7 uur de deur uitgegaan, naar de Kerk, want het was Sint Jozefdag. In de Kerk werd gewaarschuwd. Ik bleef tot het einde van de mis en toen ging ik er uit. Maar het was niet gunstig, ze hadden al wat jongens te pakken! Ik ging de Kerk weer in en toen kwam er een kapelaan naar mij toe en die zei: Ga naar de toren! Ik ging naar de toren en daar waren meer jongens. Op het eind zaten wij met zijn zessen in de toren. Een prachtig uitzicht. Je zag de floeperts op de straat lopen, maar zij zagen ons niet. Thuis wisten ze dat ik in de Kerk zat. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten! De Duitsers hebben een heleboel fietsen, frames, banden en onderdelen meegenomen. De buit was groot.

Wij  hebben  vandaag, 10 maart, van het Zweedse Roode Kruis ons cadeau gehad en dat was per persoon 8 ons wittebrood en 125 gram margarine. Het smaakte heerlijk. Je zou er je tong bij inslikken! Wij zijn er uiterst zuinig mee, elke dag nemen wij er twee sneetjes van.

De NSB burgemeester heeft vandaag 30 maart, de benen genomen.

28 april. De Duitsers zijn het hier zat. Ze rammelen van de honger. Ze vragen aan de burgers: Hoe staat de toestand? En als de burger zeg: Berlijn is omsingeld, dan wrijven de Duitsers in hun handen. Het gaat goed, zegt de Duitser dan.”

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse

 

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.

Foto: Oud Lisse

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (1)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 april 2020

door Nico Groen 

Henk van Ruiten was aan het begin van de hongerwinter (1944) een jongeman van 25 jaar. Hij woonde nog bij zijn ouders en zijn halfbroer Koos in de Wagendwarsstraat, tegenover De Taveerne. Vanaf november 1944 tot aan de bevrijding in mei 1945 hield Henk een dagboek bij.

Hij verhuisde in 1977 naar Nederweert bij Weert in Midden-Limburg. Daar had hij in 1939 zijn mobilisatie doorgebracht en in die tijd veel vrienden opgedaan. Hij woonde er tot aan zijn overlijden in 1998. Zijn executeur testamentair stuurde het dagboek naar het Gemeente Archief van Lisse. Een medewerker van dit archief, Erwin de Mooij, maakte een transcriptie van de oorspronkelijke tekst. Die was sterk fonetisch  geschreven omdat Henk niet had doorgeleerd. Het Nieuwsblad van de VOL van april 2005 publiceerde dit dagboek dat Van Ruiten schreef voor zijn Limburgse vrienden. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders en Hier onder leest u een samenvatting van het gedeelte vanaf het begin van het dagboek tot 31 december 1944.

Geen stroom meer

Op 21 november 1944 heeft heel  Zuid- en Noord-Holland en Utrecht al dagen geen licht meer. Ook wij hebben geen licht meer. Je zit te turen en te gluren bij een klein petrolie-lampje. Een gezellige tijd voor de jongelui, die er een vrijer op na houden. Die kunnen nu scharrelen in het duister. Ik heb wat gepraktiseerd en op mijn slaapkamer een jampotje vol gedaan met water en op het water heb ik fietsenolie gegoten met een drijvertje erop. Dat gaat best. Het rookt wel wat, maar dat mag hem niet hinderen.

Vandaag 25 november heeft het bij ons in de buurt gespookt. Een paar dagen eerder wisten wij dat er in de Bollenstreek een razzia gehouden zou worden. ’s Morgens om 5 uur hoor ik een leven op de straat! Het ritselde van de Duitsers. Ik uit bed en iedereen wakker gemaakt. Gauw aangekleed. Ik had de avond tevoren de schuur achter in de tuin opengemaakt. Daar kon ik nog in komen. Ik deed de deur achter mijn hielen op slot. Naar mij konden ze fluiten.

Geen eten meer te koop

Vandaag op 4 december waren de Duitsers ’s avonds weer bezig. Ze hadden gefuifd en je begrijpt een heel beetje teveel gedronken. Ze schoten op een dame in een hoedenwinkel dwars door de winkelruit en op het Vierkant op een elektrische klok, enzovoort. Ze moesten de andere dag toch naar het front. De volgende dag zijn ze uit Lisse en omstreken vertrokken. God zij dank! Het was me een roversbende! Tot nu toe heb ik mijn fietsen nog. Allebei!

Wat is er toch een armoe en een hongersnood! De mensen uit de stad lopen de deur plat om eten. Ze hebben van alles bij zich om te ruilen voor voedsel, maar bij ons is het hopeloos, je kunt niets kopen, maar dan ook niets!

Op 31 december werd in alle Kerken een brief voorgelezen over hongersnood in de steden en over de zwarthandelaren. Onmenselijk. Het oude en het nieuwjaar hebben wij niet gevierd. Er is tegenwoordig toch niets aan, de moed raakt uit de mensen.

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse