Route rolstoel wandeltocht

Start Rustoord. Eerst richting het centrum van het dorp, dan naar het einde van de Vuursteeglaan en weer naar Rustoord

Door de VOL, Rustoord en DSV

6 september 2014

Erepenning voor Wim Bosch

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Penning voor Wim Bosch voorkant

Penning voor Wim Bosch achterkant

Op de jaarvergadering, dit jaar gehouden op 18 februari, wordt traditiegetrouw de erepenning van de vereniging uitgereikt als waardering voor het behoud van waardevolle panden. Dit jaar was er echter een andere penning. Frans en Truus van der Veld ontwierpen voor de scheidende voorzitter een herinneringspenning. Frans van der Veld overhandigde de penning aan Wim Bosch.

Bosch mocht de penning voorzichtig even vasthouden, want de penning was op dat moment nog in was. De echte penning moest nog in brons gegoten worden, wat inmiddels gebeurd is.

Wim Bosch en Frans van der Veld

De Vergulde Zwaan

De Vergulde Zwaan geopend

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, april 2007

Nieuwsflitsen

Op zaterdag 10 maart is in de 1e Havendwarsstraat nr 4 in Lisse het ‘Centrum voor cultuurhistorie Duin- en Bollenstreek’ officieel in gebruik gesteld. De heren J.Wienen en A. de Roon, die in het dagelijks bestuur van de Regio Holland Rijnland de portefeuilles van respectievelijk Ruimte en Cultuur beheren (Adri de Roon is ook nog wethouder in Lisse voor o.m. Cultuur), onthulden een aan de gevel bevestigde goudkleurige zwaan. Want het gebouw waarin het centrum is gevestigd, heet De Vergulde Zwaan. Eigenaar Lisse Centrum Beheer (van de gebroeders Zwetsloot) heeft het pand ter beschikking gesteld aan Lissese erfgoedorganisaties, waaronder uw Vereniging Oud Lisse, als vergader-, werk- en documentatieruimte.
Uw Vereniging Oud Lisse is druk doende om in dit pand een Servicepunt in te richten. Daar kan men een aantal malen per maand, zowel overdag als in de avond, terecht voor het stellen van vragen, voor hulp bij onderzoek, voor het inzien van naslagwerken en verzamelingen en dergelijke.

Voorwoord van de voorzitter: Behoud van het dorpse karakter

De  voorzitter schrijft in het voorwoord dat de VOL na de verkiezingen de constante factor in het uitvoerend gemeentelijk beleid is. We zijn onder andere betrokken bij de gemeentelijke monumentenlijst en de Centrumvisie.

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Ton Rouwhorst

De verkiezingen zijn gelukkig weer achter de rug en we kijken er vol verwachting naar uit om met de nieuwe gemeenteraad en het col­lege van Burgemeester en Wethouders te gaan samenwerken.

Je ziet in deze tijd maar weer eens wat het belang is van onze Verening. De samenstelling van de raad of het college kan zo maar veranderen en de Vereniging Oud Lisse blijkt dan toch de constante factor te zijn in het uitvoerend gemeentelijk beleid. Het bijsturen van het monumentenbeleid en het behoud van het dorpse karakter blijven voor ons de komende raadsperiode weer de speerpunten.

De afgelopen jaren zijn we als Vereniging nauw betrokken geweest bij de bescherming van de nodige panden en deze panden op de gemeentelijke monumentenlijst te krijgen. Tevens zijn we in een vroeg stadium betrokken geweest bij het ontwikkelen van een Centrumvisie en ook daarbij is onze inbreng voor ingewijden duide­lijk herkenbaar. Betreffende de uitvoering van deze Centrum- plan­nen zullen we zeker onze rol blijven opeisen.

Ik denk dat ‘herkenbaar voor ingewijden’ een beetje in kaart brengt wat ons de komende jaren als Vereniging Oud Lisse te doen staat. De resultaten van onze inbreng in het gemeentelijk beleid zijn goed te noemen, maar meestal slechts bekend bij een kleine groep.

We zullen ons dan ook de komende periode duidelijker moeten profileren en ook zal het ledental van onze vereniging drastisch moe­ten toenemen. Een andere mogelijkheid is om de samenwerking met het Museum de Zwarte Tulp en de Stichting Dever te verwezenlijken om daardoor onze positie te verstevigen.

Deze en andere onderwerpen komen aan de orde op onze komende jaarvergadering. Ik hoop veel leden op onze jaarvergadering te mogen begroeten om gezamenlijk over deze onderwerpen te kunnen discussiëren.

 

Portret van de Lisser historicus A.M. Hulkenberg

Een interview met de 87-jarige Fons Hulkenberg. Hulkenberg begon zijn eerste onderzoek naar aanleiding van 500 jaar Agathakerk in 1960.

door Rob Pex en Paul ter Linde

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

‘ZOVEEL GING HELAAS VERLOREN!’

Hij schreef talloze boeken over lokaal-historische onderwerpen. Hij stond aan de basis van de oprichting van de Stichting Dever en de res­tauratie van deze unieke middeleeuwse woontoren. A.M.Hulkenberg groeide in een halve eeuw uit tot dé historicus van Lisse.   Interview met de 87-jarige oud-leraar van de tuinbouwschool.

Alphons Marie Hulkenberg is geboren te Hillegom op 11 juli 1915. Reeds als zestienjarige jongen stond hij voor de klas op de kweekschool in Beverwijk. Vanaf 18 juni 1934 was hij onderwijzer op de Joannesschool te Hillegom. In 1942 verhuisde hij, zevenentwintig jaar oud naar Zevenaar, waar hij aan de Mulo les gaf tot 1949. De Tuinbouwschool in Lisse vroeg in dat jaar of hij naar Lisse wilde komen. Hulkenberg was namelijk leraar tuinbouwkunde en leraar Duits en daar had men op de Tuinbouwschool op dat moment nu net behoefte aan.

“Bovendien was ik eigenlijk ook nog leraar Frans en Engels”, zo vertelt hij. “Dat kwam goed van pas bij de ontvangst en rondleiding van de diverse buitenlandse groepen studenten die elk jaar in de praktijktijd de bloembol-lenstreek bezochten”.

In het begin had hij er wel wat moeite mee naar Lisse te komen, “want”, aldus Hulkenberg, “de streek van Zevenaar vond ik heel mooi.” Om diverse redenen zag hij er echter wel wat in en zo gebeurde het dan dat hij in 1949 Zevenaar de rug toekeerde en in Lisse kwam wonen. Hulkenberg heeft Lisse altijd een bijzonder warm hart toegedragen, niet op de laatste plaats vanwege Dever en Keukenhof. Toch heeft hij niet alleen een positieve kijk op Lisse. Zo klaagt hij nog altijd over de sloop van het Grachthuisje in de jaren ’70: “Ik had alle raadsleden verteld dat de heer Van Hemert van Monumentenzorg aanbood om naar Lisse te komen. Die zei in mooi Engels om “at any place, at any time” alles over het Grachthuisje te komen vertel­len. Over de financiële gevolgen (van een eventuele restauratie), etc.”. Maar het is al weer jaren weg. “Het is verschrikkelijk jammer”, zo verzucht Hulkenberg.

A.M.Hulkenberg thuis op zijn praatstoel. Zijn historische carrière begon met een boek over de Agathaparochie (Foto Paul ter Linde)

Rond 1960 begon hij met zijn onderzoeken. Hoe kwam hij er toe om in de geschiedenis van zijn woongemeente te duiken? Daar blijkt een heel ver­haal achter te zitten. “Toen ik in 1949 naar Lisse kwam, was het de bedoe­ling dat de plaatsvervangend directeur, die in feite directeur van de school was, over zes jaar met pensioen zou gaan”. Hulkenberg zou hem dan opvol­gen. Hij keek er al naar uit. “Een jonge ingenieur meende echter dat hij er veel meer recht op had. Dit leidde tot een hoogst onaangenaam gekrakeel, in Lisse maar ook in Den Haag. Daar wilde men de ander niet en ik had er toen ook geen zin meer in”. Hulkenberg bleef dus “gewoon” leraar. In ieder geval had hij nu in de toekomst genoeg gelegenheid om zich in zijn vrije tijd ook met wat andere zaken bezig te houden. “Het was op dat moment dat het Parochiebestuur van de St. Agatha naar mij toekwam met het verzoek een boek te schrijven in verband met het 500-jarig bestaan van de St. Agathaparochie”. We schrijven dan het jaar 1960. Hij toog toen voor het eerst naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, waar hij onder meer de heer Fox en mevrouw Leemans-Prins leerde kennen. In het gemeentearchief Leiden ontmoette hij bovendien ir. A.F. de Graaff die hem het oude schrift leerde lezen. Spoedig bemerkten mevrouw Leemans en de heer Van der Klooster dat onderzoek doen hem zo lag en dat hij dat meer moest gaan doen.

Dever

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

Wetenschap?

Hulkenberg’s publicaties maken op veel mensen een wetenschappelijke indruk. Is dat terecht? Volgens Hulkenberg is het ook daadwerkelijk weten­schap, al heeft iemand ooit eens geschreven: “Wanneer men de boeken van de heer Hulkenberg leest, dan komt men meer te weten over de schrijver dan over de materie”. Overigens ziet hij zichzelf niet als wetenschapper: “Je mag je pas historicus noemen, als je academische studies hebt gemaakt en met succes hebt afgesloten”. Hij zou zichzelf eerder bestempelen als ama-teur-historicus en “doorgever van wetenschap” vanuit zijn vroegere hoeda­nigheid als leraar. Overigens worden zijn werken door wetenschappers zeer positief beoordeeld. Zo heeft hij van de Historische Vereniging Holland uit handen van professor Borger ooit de grote oorkonde ontvangen, die niet gauw wordt uitgereikt. Bovendien ontving hij ook de legpenning van de Bond Heemschut.

Details

De studies van de heer Hulkenberg worden over het algemeen gekenmerkt door gedetailleerdheid. Hulkenberg is niet bepaald kort van stof. Waar zit hem dat nu in? “Machiavelli heeft ooit eens gezegd: Geschiedenis wordt pas interessant als het uitgebreid is”. Dat houdt niet in dat je jezelf moet verliezen in details. De grote hoofdlijn is van belang, “maar daarnaast zijn zoveel interessante details er bij te vermelden dat het zonde zou zijn om dat niet te doen”. De lezer kan overigens gerust iets overslaan en iets uitkiezen van zijn gading “net als bij een koud buffet”.

De laatste jaren groeit de historische belangstelling. Hulkenberg is daar uiteraard enthousiast over. Maar hij weet ook als geen ander dat het ook heel anders is geweest. Zo weet hij nog goed hoezeer hij er bij de Lissese politiek op aandrong Herberg De Witte Zwaan te handhaven, toen er plan­nen bestonden voor sloop. “Ze lachten me niet helemaal uit, maar toch… ze beschouwden je wel als enigszins zonderling”. Samen met anderen, zoals Ir. A. Paardekooper en de heer Tissing, had Hulkenberg al veel eerder een plan gemaakt “hoe Lisse kon worden als er allerlei gebouwen gehandhaafd kon­den worden. Maar de burgemeester joeg je gewoon het gemeentehuis uit. Dat was waardeloos”. En dan nog de affaire met de beide leeuwenzuilen van Rosendaal: “Ik had van één van de burengehoord, dat ze ’s nachts stille­tjes aangereden zouden worden. Ik heb meteen de burgemeester opgebeld. Ik hoor zijn stem nog: “De gemeente weet zeer goed hoe zij dient te hande­len en zij heeft er geen behoefte aan te worden opgebeld door, etc.” Hoe keek in de jaren zestig de plaatselijke politiek tegen de pas opgerichte Stichting De ver aan? “Oh, erg vreemd. Je bemoeide je met zaken waar je eigenlijk als burger niets mee te maken had. Het was wel aardig als je een artikeltje schreef, maar verder niet. Dat was wel moeilijk.” Later werd dat gelukkig anders: “Ze hadden bij De ver ook een bedrijventerrein gepland. Maar toen hebben ze waarachtig een hele ommezwaai gemaakt en het bedrijventerrein tegenover de Nachtegaal verwezenlijkt”.

Enthousiasme

Tegenwoordig zijn er meerdere enthousiaste mensen in het voetspoor van Hulkenberg getreden. Ook daar zitten schrijvers tussen, zoals Arie in ’t Veld, Ed Olivier en Herman van Amsterdam. Ieder probeert op zijn manier iets bij te dragen aan de Lissese geschiedschrijving. Hulkenberg kan dat zeer waar­deren en ziet wat dat betreft de toekomst niet somber in. “Maar”, aldus Hulkenberg, “er is al eerder zo veel verloren gegaan…”.

Hulkenberg wilde sinds lange tijd meer weten over Dever. “Daar was prak­tisch niets van bekend”. Mevrouw Leemans merkte toen op dat er wellicht in het archief Heereman van Zuydtwijk nog veel te vinden was. “Toen ben ik met het onderzoek begonnen”, zo vertelt Hulkenberg. Na de publicatie van zijn boek over Dever in 1966 volgden nog vele andere boeken en arti­kelen. Hulkenberg bleek vooral veel interesse te hebben voor buitenplaatsen en kastelen. Waarom? “Daar is historie, daar is natuur (stinsenplanten!) en bovendien heeft het ook te maken met de valkenjacht in de Middeleeuwen. Je kan het allemaal met elkaar verbinden”. Daarbij heeft Hulkenberg altijd een bijzondere interesse aan de dag gelegd voor adelsgeschiedenis. En waar tref je meer adel aan dan op buitenplaatsen en kastelen? De adel heeft hem dus altijd beziggehouden. “Dat heeft veel met de historie vanuit de Middeleeuwen te maken (…) Het is iets watje vanuit de Middeleeuwen wordt aangereikt. Het geeft diepte aan een huis. Als er in een huis iemand woont die niet verder terug kan gaan dan zijn vader of grootvader dan mis je die traditie vanouds”. Het boeit hem om er van alles over te weten te komen. “Als ik een overlijdensadvertentie zie, dan ga ik altijd in het Adelsboekje kijken. Ja, wie is dat? Helemaal niet dat die mensen beter zijn. Maar die sfeer trekt me toch wel”. Zijn belangstelling voor zaken als boven­genoemd hebben bovendien ook veel te maken met zijn romantische inslag. Van daaruit voelt hij dikwijls behoefte zich in het verleden te verplaatsen. Niet dat hij ook daadwerkelijk in het verleden zou willen leven, “maar je kunt je verbeelden dat je er middenin zit”.

 
 
 

De Kegelaars van Jan Steen

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

Nieuwsflits

Met een drukbezochte receptie en tentoonstelling vierden we op 6 september 2001 het tienjarig bestaan van de Vereniging. Burgemeester Corrie van Zon aanvaardde dankbaar de door ons aan­geboden fotoreproductie van het schilderij “De Kegelaars” van Jan Steen. Nadat de reproductie een tijdje in de hal van het gemeentehuis op een ezel tentoon was gesteld, is het teruggekeerd naar de kamer van de burgemeester.

De Kegelaars van Jan Steen