Uitgegeven artikelen in pers etc.

Engelse tuin van Zocher in 1858 in de nu 75 jarige Keukenhof

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

2 april 2024

 door Nico Groen

Zoals in de vorige column beschreven, is in 1772 de Engelse tuin gerealiseerd, die nog steeds goed te herkennen is met slingerende lanen, hoogteverschillen en gebogen vijvers. In 1802 kwam de Engelse tuin in handen van buitenplaats Keukenhof. De tuinarchitecten van Zocher veranderden in 1858 de Engelse tuin.

Baron en barones van Pallandt waren sinds 1846 eigenaar van buitenplaats Keukenhof. Weliswaar was de Engelse tuin op Zandvliet er al sinds 1772, maar de baron en barones stond iets veel fraaiers voor ogen. Daarom nodigde Van Pallandt in 1857 de heren Jan David jr. en Louis Paul Zocher uit om een ontwerp te maken. Het bedrijf van de Zochers was toen al een van de bekendste tuinarchitecten om Engelse tuinen aan te leggen. Hun uitvalsbasis was de bomen- en vaste plantenkwekerij Rozenhagen in Haarlem, kort na 1800 gesticht door Jan David senior.

Zoals gebruikelijk bij kunstenaars gingen de Zochers met grote vrijmoedigheid te werk. Het werd een machtig plan. Daarin werden de vijvers van de overtuin op het voormalige Zandvliet royaal en breed uitgegraven tot vlak bij het kasteel. De Achterzandsloot of Losplaatssloot, die evenwijdig aan en vlak langs de Loosterweg van de Lisserbeek tot de huidig Stationsweg liep, werd gedempt. De huidige Stationsweg kwam te vervallen en werd in de water- en bospartijen opgenomen. Die weg was in 1843 aangekocht door Keukenhof.

Het gemeentebestuur gaf natuurlijk geen toestemming om de weg af te sluiten. De weg moest behouden blijven en de heren Zocher moesten een gewijzigd plan opstellen.

In oktober 1858 was dit plan gereed. De publieke weg werd gehandhaafd, maar werd met een fraaie bocht naar het noorden verlegd, verder bij het kasteel vandaan. De vijvers van Zandvliet werden flink uitgebreid, zoals op de kaart hiernaast te zien is. Het lichtblauwe is van 1772 en het donkere is zoals de vijvers er nu uitzien. (Op LisseTijdReis.nl is dit veel beter te zien). Verder is de Achterzandsloot met de losplaats aan de weg verdwenen. Deze werd toen nauwelijks meer gebruikt. Men maakte meer gebruik van het spoor en de trekvaart. De Zochers lieten op Zandvliet veel bomen herplanten, waarvan er nu nog steeds heel wat staan. Vooral beuken en eiken.

Beukenlaan

De mode was in 1858 veranderd ten opzichte van 1772. Nu waren zichtassen vanuit het hoofdgebouw heel belangrijk geworden. Daarom werd een lange beukenlaan gerealiseerd op ongeveer de plek van de Achterzandsloot. Vanuit kasteel Keukenhof kon men de hele laan afkijken tot het tegenwoordige Beatrixpaviljoen of mogelijk nog verder de ‘Wildernisse’ in. Deze laan bestaat nog steeds, maar de oude beuken moesten een tiental jaren geleden wegens gevaarlijke toestanden door nieuwe beuken vervangen worden.

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het dikke boek ‘Keukenhof’ van AM Hulkenberg uit 1975. De Engelse tuin is natuurlijk niet zo groot als het huidige tentoonstellingsterrein. Het liep toen ongeveer vanaf de Loosterweg tot de molen en verder schuin naar de Van Lyndenweg.

Foto: De plattegrond van de Engelse tuin van voor 1858 vergeleken met die erna. De weg is verlegd en de vijvers zijn vergroot.

Foto: LisseTijdReis

 

Keukenhof 75 jaar, maar de contouren bestaan al langer

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

19 maart 2024

 Door Nico Groen

Op 1 maart 1949 was er een ‘peilingsvergadering’ onder bloembollentelers of er interesse was voor een buitententoonstelling. Op 13 augustus 1949 passeerde de officiële stichtingsacte van de ‘nationale bloemententoonstelling Keukenhof’ voor notaris Houtzagers in Sassenheim. Kort daarop konden de eerste werkzaamheden op ‘Zandvliet’ beginnen.

 In 1645 was sinjeur Jeronymus Coyman eigenaar van boerderij Sandvliet of Zandvliet, dat toen al lang bestond. Deze boerderij was waarschijnlijk vernoemd naar de Zandsloot er naast.

In 1665 is door hem een fraai buitenhuis gebouwd. De naam Zandvliet werd overgenomen door het buitenhuis. Het huis lag ongeveer op de plek waar nu het Driehuizenpark is. In de loop der tijd breidde buitenplaats Zandvliet zich steeds meer uit. Zandvliet was sinds 1760 in bezit gekomen van Jacob Adriaan baron Du Tour via een erfenis van zijn vrouw. Hij was een man met veel liefhebberijen en allure. Hij was voorzitter van de Staten Generaal in Den Haag en advocaat bij het Hof van Holland. Hij had een fraaie tuin en zijn verzameling planten en bomen, zijn dierenverzameling en zijn menagerie waren iets zeer bijzonders. In 1772, na gesteggel en ruiling van gronden met buitenplaats Keukenhof, heeft Du Tour alle grond ten noorden van de Stationsweg in bezit en kan hij aan zijn grote wens beginnen.

Engelse tuin in 1772

Nog datzelfde jaar begint Du Tour met de aanleg van een Engelse landschapstuin. Deze werd gerealiseerd in de ‘Wildernisse’. De tuin werd achter zijn Franse stijltuinen op het terrein van de latere tentoonstelling gerealiseerd. Slingerende lanen, hoogteverschillen, gebogen vijvers en losse boomgroepen waren de kenmerken van een Engelse Tuin. De belangrijkste contouren van het tentoonstellingsterrein zijn dus al in 1772 ontstaan en zijn nog steeds goed herkenbaar.

Toen baron Du Tour in 1780 overleed was zijn echtgenote Anna Catharina Rumph ontroostbaar en enig eigenaar geworden. Zij kwam oorspronkelijk uit Den Haag. Zij besloot weer naar den Haag te vertrekken. Zij verkocht de buitenplaats in diverse stukken. Zo werden bijvoorbeeld de boerderij en de weilanden ten oosten van de Heereweg aan de pachter van de boerderij verkocht. De latere eigenaar van Keukenhof Simon Petrus Joosten kocht de Engelse tuin in 1802. Het buitenhuis zelf werd ook verkocht en in 1809 gesloopt. De tuinen er omheen veranderden in bollenvelden.

Anna verhuisde in 1781 naar Den Haag, waar ze een buitenplaatsje kocht aan de Bezuidenhoutseweg, vlak bij de huidige Utrechtse Baan, met een tuin die mogelijk nog befaamder was dan de vermaarde tuin in Lisse. Hier was namelijk de beroemde Hortus Medicus gevestigd. Het was een kruidentuin met vele geneeskrachtige bloemen en planten. Het buitenplaatsje noemde zij ‘Klein Zandvliet’. Op deze plek is in 1925 een scholengemeenschap gesticht met de naam ‘Zandvliet’.

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het dikke boek ‘Keukenhof’ van AM Hulkenberg uit 1975 en het boek ’Van villa Zandvliet tot Zandvliet studiehuis’ uit 2000 van CJ van der Leer (Den Haag).

Foto: Een gedeelte van een schilderij van GJJ de Spinny uit 1762 voorstellende het gezin van baron du Tour.
Foto: Wikimedia Commons

 

Vlasbewerking was eeuwenlang belangrijk

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)

5 maart 2024

Door Nico Groen

 Weinig Lissers weten dat er in de 16e en 17e eeuw een bloeiende vlasindustrie is geweest. Maar liefst 80% van de bevolking verdiende daar zijn brood mee. In het haardstedengeld van 1688 waren de meeste woningen voorzien van een vlaskot of vlasoven. De verwerking van vlas tot linnen vergde vele handelingen. Het was ongezond werken in de vlassector. Een arbeider van 60 jaar was een witte raaf.

Het zogenaamde ‘rauwvlas’ werd in augustus met zeilschepen aangevoerd van de Zuid-Hollandse eilanden en Zeeland om verwerkt te worden in Lisse. Het vervoer moest via Gouda, maar daar moest tol voor worden betaald. Daartoe kon men tolbrieven bij de schout kopen. De Haven lag vol met vlasschepen. Het vlas werd door kooplui uit de hand verkocht aan de meest biedende. Zo werden alle schepen leeggekocht, waarna de nieuwe eigenaren zich opmaakten voor de volgende behandeling. Het vlas had helder stromend water met vlakbij land nodig, omdat het eerst in water geroot moest worden en daarna gedroogd. Daartoe werd het vlas in het water gedaan met stro, graszoden of stenen erbovenop. Na 6 tot 12 dagen werd het vlas ‘op capellen’ (schoven) of ‘in den sprei’ op het land gelegd om te drogen. De stank die hiervan afkwam, ‘verjaagde zelfs de waterratten’.

Het gebied van de Capelleweide en Capelleland liep van de Kanaalstraat tot de Kerksloot

(Stinksloot) en van de Kapelstaat tot de Molenstraat. Het enige dat nog aan de industrie herinnert is de naam Kapelstraat (toen Kapelsteeg). Niet alleen hier werd het vlas gedroogd, maar op diverse plekken in Lisse, zoals bijvoorbeeld bij parkeerterrein Noord van de tenoonstelling Keukenhof. Via het Klopperslaantje aan de Stationsweg (halverwege het parkeerterrein) reed men naar de Klopperslanden om daar de behandeling te krijgen. Deze Klopperlanden lagen aan de zuidkant van de Lisserbeek bij het koebruggetje van boerderij Middelburg.

Vlasovens

Als het vlas voldoende gedroogd was, bracht men het naar een aantal huisgezinnen. Hier werd het nog meer gedroogd in vlasovens, waarna het werd gebraakt, gebroken dus. Dit diende om het houtachtige omhulsel van de vlasvezel af te halen. Door het te zwingelen (schuren tussen 2 stenen waardoor de vezels worden gescheiden van het stro) werd het verder geschoond. Hierna werd het gehekeld (glanzend gemaakt), vervolgens op knotten gedraaid en gewogen. Dit alles gebeurde in schuurtjes, de zgn. hekelkotten en vlasovens, die nog wel eens brand veroorzaakten door slordigheid met vuur.

Veel spinnenwielen in Lisse

Het behandelde vlas ging voornamelijk richting Twente om te worden verwerkt of het werd verwerkt tot garen op spinnenwielen in Lisse. Tijdens de 17e eeuw was het spinnenwiel in Lisse een normaal meubelstuk. In 1620 woonde er zelfs een spinnenwielmaker in Lisse. Het garen werd in knotten, strengen of stukken van 2000 omhalen verkocht aan de linnenindustrie in Haarlem of Leiden. Halverwege de 18e eeuw stortte de linnenindustrie in en hiermee verdween een zeer belangrijk stuk aan werkgelegenheid in Lisse.

Foto: Vlasoven in Openluchtmuseum Arnhem
Foto: Openluchtmuseum Arnhem

 

 

Nieuwbouw in plaats van De Gewoonste Zaak  

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

20 februari 2024

Door Nico Groen

De Gewoonste Zaak was gevestigd in Schoolstraat 11 in een markant gebouw dat gebouwd is in 1914. Het gebouw heette Bondsgebouw, later KAB gebouw. Eerst betekende KAB Katholieke Arbeiders Bond en na de oorlog Katholieke Arbeiders Beweging. De horeca werd later Ontmoetingscentrum en Café ’t Trefpunt met zalen voor bruiloften en partijen’ genoemd. In 1990 werd het De Gewoonste Zaak.

De Katholieke Arbeiders Bond (KAB) werd rond 1900 landelijk een machtige vakbond organisatie met veel plaatselijke afdelingen, zo ook in Lisse. Het KAB gebouw had twee verdiepingen met plat dak en een voorgevel met gemetselde kolommen naast de hoofdingang, die in het midden stond. Op de sierlijk gemetselde balustrade stonden twee gevelstenen, links “ANNO” en rechts “1914”. Achter het pand was een grote (feest)zaal aangebouwd met gebroken dak waarbij de nok haaks geplaatst is op de straat in het verlengde van het oorspronkelijk gebouw. Wim Slootbeek was vanaf 1952 conciërge, zijn vrouw ‘tante’ Jo was de uitbaatster van de horeca. Op een gegeven moment heette het ‘Ontmoetingscentrum en Café ’t Trefpunt met zalen voor bruiloften en partijen’. In 1990 is het KAB gebouw overgenomen door Philip Hogervorst en Teun Oosthoek. Het ging toen café De Gewoonste Zaak heten.

Interieur

In het Nieuwsblad van de VOL van april 2011 staat een aardig verhaal over het interieur van het KAB gebouw, geschreven door Bas Romeyn. Hieronder volgt een klein gedeelte van dit verhaal, dat ook op de website OudLisse.nl te vinden is.

“Het zal rond 1998 geweest zijn dat ik gevraagd werd om het CDA-bestuur in Lisse te komen versterken. De vergaderingen werden gehouden in het KAB gebouw, aan de Schoolstraat te Lisse. Een schamel pand uit 1914, waar de Katholieke Arbeiders Bond haar hoofdkwartier had gevestigd. Een fraaie benaming voor iets dat gewoon een tempel van koning Alcohol was. Als je binnenkwam, ging je langs de biljarttafels naar rechts. Daar kon je kiezen uit de meest steile trap die ik ooit in m’n leven heb gezien (hij stond vrijwel recht omhoog), óf de deur naar de urinoirs, een benaming die volledig recht deed aan de grondstof die daar afgewerkt werd. In deze ruimte stond een groot aantal granito bakken tegen de muur, alwaar duizenden katholieke arbeiders, sinds de Eerste Wereldoorlog hun ruggen kromden. Het spreekt voor zich dat een ieder die zelfs maar over een slechts gedeeltelijk reukvermogen beschikte, de urinoirs blindelings kon vinden.

Bovenaan de trap der alpinisten bevond zich onze vergaderzaal. Aan de grote wand hing een aantrekkelijk klein schilderij, voorstellende een heidelandschap. Het bijzondere was dat om dit oliewerkje heen gewoon gordijnen aan een rails hingen, aldus de illusie wekkend dat de paarswollige gloed door een venster naar binnen scheen. Dat zou het geval geweest zijn, indien de verlichting redelijk zou zijn. Echter, vrijwel de gehele zoldering was bedekt met felle tl-buizen. De eerste keer schoof ik, duizelig van alle indrukken, aan een lange rij, terdege met formica voorziene, tafels aan”.

Foto: De sloop van het KAB gebouw. De voorkant is al aardig onttakeld.
Foto’s: Nico Groen

20240220 KAB gebouw zuidkant goed te zien door de sloop van de naastgelegen woning

20240220 KAB gebouw zuidkant achter

20240220 KAB gebouw noord

20240220 KAB gebouw achter

Frits Treffers penning voor bewoners Kanaalstraat 160

Sporen van vroeger (LisserNieuws) 

6 februari 2024

Door Nico Groen

 De Frits Treffers penning wordt ieder jaar uitgereikt door de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” aan bewoners van een woning die mooi gerestaureerd of goed onderhouden is. Deze erepenning en de bijbehorende oorkonde werden in 2023 uitgereikt aan Paul en Monique Kleine, bewoners van Kanaalstraat 160. Het huis bestond in 2023 100 jaar.

In 2023 waren de “burgerwoonhuizen” aan de beurt, een mooie uitdrukking die terug te vinden was in het bestek van Albert Moolenaar uit 1923. De gebroeders Albert en Bram Moolenaar waren eind 19e en begin 20e eeuw actief in de woningbouw te Lisse. Zij hadden een aannemersbedrijf aan de Kanaalstraat ter hoogte van de huidige Molenstraat. Het was een goed lopend bedrijf dat dan ook haar sporen nagelaten heeft in het Lisse van rond 1900. In de Kanaalstraat werd het pand van Tissing, “de Zon”, in 1911 door hen gebouwd. Ook een rijtje van 10 ter hoogte van Van Stijn werd in 1926 gerealiseerd. Deze huisjes zonder bovenverdieping met zolder en een gezamenlijk pannendak zijn inmiddels verbouwd of afgebroken. En in de net aangelegde Veldhorststraat werden vanaf 1922 veel huizen en de kerk gebouwd door aannemersbedrijf Moolenaar.

3 panden aan de Kanaalstraat

Kanaalstraat 160 is de middelste van drie panden, die in 1923 in opdracht van de gebroeders Moolenaar zijn gebouwd. Dit pand is één van hun vele pareltjes en wordt bewoond door Paul en Monique Kleine. Zij hebben in de afgelopen jaren dit pand en de tuin in goede staat weten te houden. De werkgroep van de VOL vond dat de familie Kleine rekening heeft gehouden met de oorspronkelijke stijl van dit burgerwoonhuis. Zij hebben dit met aandacht en liefde voor details gedaan.

Kanaalstraat 160 heeft mooie karakteristieke elementen behouden: raamkozijnen met roedeverdeling, origineel metselwerk, muurankers en in de voortuin beeldbepalende bomen. Het dak is bedekt met Tuile du Nord dakpannen. Deze zijn rond 1880 ontwikkeld in Frankrijk. Het is een goed sluitende, vlakke, rode en glanzende dakpan. Het rechte gedeelte van deze dakpan is voorzien van een ronde wel, om over de vorige pan te leggen. Daken gedekt met Tuile du Nord dakpannen hebben een tijdloze, evenwichtige en rustige uitstraling. Ook binnen is er veel aandacht voor een inrichting die recht doet aan de woning.

Kortom dit alles was een mooie reden voor de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” om de Frits Treffers Penning 2023 door voorzitter Eric Prince aan Paul en Monique Kleine te laten uitreiken op 7 september 2023. Deze penning is een ontwerp van Frans en Truus van der Veld. Ook kreeg de familie Kleine de bijbehorende oorkonde en één jaar gratis lidmaatschap van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”.

Frits Treffers (1932-2019), een van de oprichters van de vereniging, zette zich op een bevlogen en enthousiasmerende manier in voor behoud en bescherming van waardevolle panden. De werkgroep van de Frits Treffers penning vond het pand heel goed onderhouden met behoud van details.

Foto: De voorzijde van Kanaalstraat 160. Let op de raampartijen en de dakpannen.
Foto: Nico Groen

Brandweer 200 jaar

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)

door Nico Groen

  23 januari 2024

 In 2023 werd met veel activiteiten gevierd dat het brandweerkorps 200 jaar bestond. Voor die tijd was er natuurlijk ook al van een brandweer sprake, maar in 1823 werd door het gemeentebestuur van Lisse een officieel reglement over de brandweer aangenomen. In dat jaar werd ook een brandspuithuis ten noordwesten van de toren van de Grote Kerk gebouwd.

  In 1823 werd in Lisse ‘Het reglement, houdende bepalingen ter voorkoming en blussing van brand en hetgeen na een gebluste brand dient te worden verricht’ door het gemeentebestuur aangenomen. In dat reglement van maar liefst 43 artikelen wordt duidelijk dat preventie en controle een belangrijke plaats innemen, met name voor schoorstenen en het onderhoud hiervan. In art. 22 staat dat het blussen een serieuze zaak is en dat er geen pretje van mag worden gemaakt. Uit art. 23 kan worden opgemaakt dat de slangen met grote zorg moeten worden behandeld. In art. 35 blijkt dat de toren van de Grote Kerk een belangrijke rol speelt voor de slangen. Deze moeten rechtop en droog in de toren worden opgehangen om schade te voorkomen. De toren stond vlak bij het brandspuithuisje aan de Achterweg. In art. 14 en 16 wordt aangegeven waaruit het brandweerkorps moet bestaan.

Het gemeentebestuur benoemt 2 brandmeesters en 2 assistenten. Verder moet het korps bestaan uit 24 slangengeleiders, 32 pompers, 16 waterscheppers, 2 zakbewaarders, 6 toortsdragers en 6 zeiltrekkers. De zeiltrekkers moeten zeilen over de daken van de nabijgelegen gebouwen trekken om overslaand vuur zoveel mogelijk te voorkomen.

Het reglement en alle gemeenteraadsnotulen over de brandweer en van de brandweerleiding zelf staan in het ‘Jubileumboek 175 jaar Brandweer Lisse’ uit 1998. Daarin staan ook per brand alle verslagen vermeld. Dit boek is in te zien bij de VOL tijdens de inloop op dinsdagmorgen en eventueel te leen.

Molenmaker Van der Zaal

Cornelis van der Zaal werd in 1823 opnieuw benoemd tot een van de brandmeesters. Hij hield een dagboek bij dat door Bert Kölker bewerkt is tot het boek ‘Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762 – 1839’. Dit boek is ook in te zien tijdens de inloop op dinsdagmorgen. Ook is het te koop. In dat boek staan veel gegevens over branden, vaak bij molens, bijvoorbeeld door blikseminslag. Cornelis van der Zaal was sinds 1819 brandmeester. Na zijn dood gaat deze functie over van vader op zoon tot 1909.

Gebouwen

In 1958 kon een echte brandweergarage in gebruik worden genomen. Daar was al lang behoefte aan. Na de brandspuitenhuisjes bij de toren, later bij het regthuis aan ’t Vierkant, bij het gemeentehuis, bij het Lisser autobedrijf (LAB), bij de Engelenbrug en bij Openbare Werken aan de Grachtweg, krijgt de brandweer een onderkomen aan de Grevelingstraat. Ook dat is na verloop van tijd weer te klein en verouderd. Sinds 1994 zit de brandweer aan de Oranjelaan. De missie van vrijwillige brandweerlieden is en was: minder branden, minder slachtoffers, minder schade. Hulde voor 200 jaar inzet!

Foto:. De brandweergarage aan de Oranjelaan staat er sinds 1994.
Foto: Nico Groen

 

Bloembollenkeuringsdienst 100 jaar

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

9 januari 2024

 door Nico Groen

De Bloembollenkeuringsdienst (BKD) vierde in 2023 zijn 100-jarig bestaan, een eeuw eerder werden de eerste bindende veldkeuringen voor narcissen uitgevoerd. Een aantal kwekers in Sassenheim komt de eer toe met veldkeuringen te zijn gestart. In de loop van de tijd groeide de BKD uit tot een groot instituut met veel kennis en kunde op gebied van het keuren van bloembollen. Het ontwikkelen van nieuwe toetsen en verdergaande digitalisering blijven uitdagingen.

Het was natuurlijk niet zonder reden dat de narcissenkwekers in Sassenheim hiermee begonnen. De narcissen hadden veel last van aantasting door aaltjes en door de narcisvlieg. In Amerika ontstond hierover steeds meer gemor en zelfs de dreiging om de grenzen voor Nederlandse bollen te sluiten. De dreiging vanuit Amerika was voor hen aanleiding om een veldinspectie te organiseren, natuurlijk met het doel om hiermee een importverbod af te wenden. De Sassenheimse Narcissen Vereniging sloot zich aan bij de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur, (later KAVB), zodat ook kwekers buiten Sassenheim konden meedoen. Begin 1923 kwamen er 8 controleurs en 2 hoofdcontroleurs voor het keuringswerk. De deelnemende narcissenkwekers moesten de personeelskosten zelf opbrengen. Deed je mee met de bindende keuring dan betaalde je daar 3 cent per roe voor. Directeur van de keuringsdienst was de heer Van der Laan uit Voorhout, die de keuringsdienst vanuit zijn woonhuis organiseerde. Daar kregen de controleurs instructies: geen gewichtigdoenerij, een gemoedelijke strengheid, zonder vrijwillige medewerking bereik je niks. Een paar jaar later sloten hyacintenkwekers zich aan, omdat bij dit gewas veel problemen met geelziek waren.

Wettelijke basis in 1937

Hoewel de keuringsdienst succesvol was ontbrak een wettelijke basis. Daarom bleken er altijd lieden te zijn die geen controleurs wilden toelaten en handelaars die aangetaste bollen verhandelden, wat het imago van Nederland als bollenland geen goed deed. Dat vroeg om wettelijke maatregelen. In 1937 kwam er een Bloembollenziektewet. In hetzelfde jaar kwamen er ook veldkeuringen voor iris en gladiool. De dienst was in 1935 verplaatst naar het Krelagehuis bij de KAVB aan de Leidsevaart in Haarlem. Na de oorlog kwamen er steeds meer kwekersverenigingen die zich voegden bij keuringsdiensten: eerst De Tulp, daarna de Dahlia-verenigingen, De Lelie en als laatste in 1956 Het Bijgoed. Met de aanstelling in 1962 van ir. H. van Os werd een vernieuwende stap gezet. De controleurs werden theoretisch bijgespijkerd door scholing. De keuring op virus en andere organismen door toetsen in allerlei gewassen werd heel belangrijk.

Nieuw gebouw

In 1982 werd het nieuwe gebouw aan de Zwartelaan officieel geopend en in 2020 uitgebreid met een laboratorium. In 2023 vierde de BKD haar 100-jarig bestaan. In die 100 jaar veranderde de keuringsdienst van een organisatie van het bollenvak naar een organisatie voor het bollenvak. De BKD is een bloeiend bedrijf dat steeds zal innoveren en zich zal aanpassen aan de veranderende tijd en dienend is aan onze nationale trots: de bloeiende bollen.

Foto: Het gebouw van de BKD aan de Zwartelaan, nog voor het bijbouwen van het laboratorium in 2020.
Foto: Nico Groen

 

 

Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”

Info@oudlisse.nl

Lisse 825 jaar en de inwoners van Lisse

Sporen van vroeger  (LisserNieuws

19 december 2023

Door Nico Groen

 In deze laatste aflevering van Lisse 825 jaar worden de bewoners en hun werkzaamheden beschreven. Vóór 1500 is het moeilijk iets over inwoners van Lisse te vinden. Jan Beenakker doet in zijn boek ‘LISSE, op de grens van droog en nat’ een poging. Beenakker vond wat gegevens. In 1494 had Lisse 50 woningen en in 1512 waren dat er 87. Beenakker gaat er vanuit dat het aantal gezinsleden per huis op bijna 6 lag. Dat komt neer op een totale bevolking van 300 inwoners in 1494 en 515 inwoners in 1512. De schatting voor 1369 komt neer op ruim 500 inwoners. De bevolking daalde na 1369 sterk door oorlogen en armoede. Zoals gezegd is bovenstaande niet meer dan een grove schatting. De bevolking was zo armlastig geworden dat in 1494 ongeveer de helft dagelijks om brood moest bedelen.

De 80-jarige oorlog was in 1573 volop aan de gang tussen de Prins van Oranje en de koning van Spanje, die tevens heer der Nederlanden was. Na het beleg van Haarlem in 1573 waren er veel negatieve gevolgen voor de bewoners van Lisse. Huurlingen namen alles van waarde mee en staken de huizen en de kerk in brand. Er is toen mogelijk 40% van de huizen verwoest. De jaren daarna stonden er namelijk veel erven zonder huis te koop.

In de 16e tot en met de 18e eeuw waren er bijna 250 huizen in Lisse. Bijvoorbeeld in 1600 210 huizen, in 1730 waren dat er 230. Bij een gemiddeld aantal gezinsleden per huis van bijna 6 komt dat neer op een inwonertal van rond 1300.

Kostwinners in 1674

In de Lissese bijdrage aan het familiegeld in 1674 werden in totaal 121 families vermeld en werd ook het beroep van de kostwinner genoemd. Zo werkten er 52 personen in de landbouw. Het beroep van vlasbewerker  werd 23 keer genoemd en 9 inwoners lieten noteren, dat zij arbeider waren. Bakker kwam 4 keer voor. Biersteker (biertapper), schipper, schoenmaker en timmerman werden 3 keer genoteerd. Kuiper (tonnenmaker), metselaar, wagenmaker en winkelier kwamen 2 keer voor in de lijst.

Je ziet pas een bevolkingsgroei ontstaan met de opkomst van de bollencultuur. Dit is ongeveer vanaf 1800. De bevolking liep op van 1116 inwoners in 1811 tot 2099 in 1874. Bij de volkstelling van 1870 waren er 1309 rooms-katholieken, 498 Nederlands hervormden, 115 christelijk gereformeerden, 8 evangelisch lutherse leden en  4 doopsgezinden. Er waren geen mensen, die opgaven dat zij niet bij een geloof hoorden.

De voornaamste middelen van bestaan waren in 1870 landbouw, bloemkwekerij en warmoezerij (groentekwekerij), veeteelt en zuivelbereiding. Door de uitbreiding van de bloembollenteelt na 1900 groeide de hele economie en ook de bevolking. In 1930 waren er 1651 woningen met 8478 inwoners met een gemiddeld aantal gezinsleden van 5,1 personen. Pas na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking heel hard. Dat kwam door de geboortegolf en betere medische zorg. Door bebouwing van de Lisser Poelpolder in de jaren zestig verdubbelde het aantal inwoners ongeveer. Hierdoor veranderde het soort beroepen erg, mede als gevolg van de mechanisatie in de bollenteelt. Nu heeft Lisse ongeveer 23000 inwoners.

Foto: In 1674 waren er 2 wagenmakers in Lisse.Foto:  Uit het boek ‘Het menselijk bedrijf’ door Jan Luyken uit 1694

 

 

 

C

Lisse 825 jaar de aanleg van de Ringvaart

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                         5 december 2023

door Nico Groen

 Bij de aanleg van de Ringvaart werd Lisse in tweeën gedeeld. De oostkant van Lisse werd bij de Haarlemmermeer ingedeeld. Lisse verloor maar liefst 20% van zijn oppervlakte. Omdat dit een van de belangrijkste veranderingen is in het landschap van Lisse  hoort de Ringvaart thuis in deze serie over 825 jaar Lisse.

Omstreeks 1700 had het Haarlemmermeer zich uitgebreid tot een oppervlakte van 16.000 ha. Een eeuw later hadden de veenplassen een omvang van 18.000 ha, voor een groot deel door de dorpelingen ontstaan door het steken van turf aan de randen. Het water bedreigde niet alleen het omringende platteland, maar ook de grote steden Amsterdam, Leiden en Haarlem. In 1825 en 1834 raasden zware stormen over het Haarlemmermeer. Op eerste kerstdag 1836 werd  Leiden ernstig bedreigd, omdat bij een harde noordwesterstorm het water tot de stadsmuren kwam. De kerststorm ging gepaard met strenge vorst. Niet alleen het water, maar ook kruiend ijs vormden een gevaar. De polders en de dorpen langs het Haarlemmermeer werden zo dubbel bedreigd door de ’Waterwolf’. In Lisse braken de dijken van de Lisserbroekpolder en de Rooversbroekpolder door en beide polders kwamen onder water te staan. Het water stroomde zelfs over de Heereweg, zodat de diligencediensten tussen Leiden en Haarlem enige dagen gestaakt moesten worden.  Ook in Sassenheim en Warmond waren alle polders ondergelopen. Deze 3 en andere stormen uit die tijd waren de druppel. Er moest wat gebeuren.

De droogmaking

Er werd een commissie ingesteld, die ging onderzoeken welke mogelijkheden er waren om het Haarlemmermeer droog te maken. Na heel veel vijven en zessen werd er in 1838 een droogmakingsplan op tafel gelegd. Twee jaar later is bij Lisse en Hillegom als eerste begonnen met het graven van de ringvaart en het opwerpen van de ringdijk. De gemeente Lisse was niet blij met het gekozen traject, dat vlak langs de Lisserpoelpolder liep.  De ringvaart werd dwars door de Lisserbroekpolder, de Rooversbroekpolder en het Lissese gedeelte van de Hellegatspolder getrokken, om een zo recht mogelijke ringvaart te realiseren. Lisse verloor hierdoor erg veel grond omdat de gedeeltes binnen de ringvaart later bij de gemeente Haarlemmermeer en de provincie Noord-Holland werden ingedeeld. Lisse heeft daartegen flink geprotesteerd, maar zonder resultaat.

In 1845 waren de dijk en de ringvaart gereed en werd het eerste stoomgemaal aan de Kaag, de Leeghwater, gebouwd door Cornelis de Laat uit Gorkum in werking gesteld. In 1852 viel het Haarlemmermeer droog en kon het land in cultuur worden gebracht.

Verbindingen Lisse-Haarlemmermeer

De zuidzijde van de Haarlemmermeer werd via de 3e Poellaan ontsloten door een veerpont in te zetten. Het dorp Lisse werd ontsloten door een brug. De rolbrug was de eerste brug. In 1843 is ze gebouwd. De brug werd opengerold in de richting van de Broekweg, later pas Kanaalstraat geheten. In 1877 werd deze brug vervangen door de stalen draaibrug. Die brug noemde men ook wel “de brug der zuchten”. Toen het verkeer drukker werd stonden er regelmatig boze chauffeurs tegenover elkaar, omdat de brug te smal was voor 2 auto’s naast elkaar.

Foto: De meeste gegevens komen uit het boek ‘LISSE, op de grens van droog en nat’ van Jan Beenakker.

 

Lisse 825 jaar en het bollenerfgoed

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                               

21 november 2023

door Nico Groen                          

Het is uniek dat een landstreek is vernoemd naar het product dat er geteeld wordt. Daarom hoort dit thuis in de reeks over 825 jaar Lisse. Grootschalige bollenteelt ontstond pas vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Vroeger was het een binnenduingebied met oude strandwallen en strandvlakten.

Door zandwinning werd het binnenduingebied ten zuiden van Lisse al vanaf de 16e eeuw en eerder ingrijpend veranderd. Op de afgegraven duingebieden, de geestgronden, vestigden zich boeren en groententelers, die later vanaf 1820-1850 overstapten op de bloembollencultuur.

De situatie werd in 1880 veel gunstiger doordat het grondwaterpeil op de voor bollen geschikte gronden op een vast niveau werd gehouden door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Vóór die tijd fluctueerde het waterpeil flink. Dat was erg ongunstig voor de bollenteelt: bollen groeien veel beter bij een vast waterpeil van 55-60 cm onder het maaiveld.

Landgoederen

De hoogtijdagen van de landgoederen waren begin 1900 voorbij. Veel eigenaren konden het financieel nauwelijks bolwerken. Voor veel eigenaren van landgoederen werd het een steeds groter probleem om de pracht en praal op hun goed in ere te houden. Slopen of een andere bestemming zoeken was een lucratieve oplossing.

Buitenplaats Veenenburg (ten zuidwesten van de hoek Veenenburgerlaan/ Loosterweg en Frederikslaan) werd in 1899 eigendom van Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol. Daarmee werd het einde van de buitenplaats ingeluid. Duinen leverden geen geld op, afgraven en omzetten naar bollengrond wel. Er was veel vraag naar goede bollengrond en vraag naar zand voor de aanleg van wegen, dijken en bouwlocaties. Tel uit je winst. De uitdrukking bestond nog niet, maar nu zouden we spreken van een win-win situatie. Afgraven dus!

 Kunstzandsteenfabriek ‘De Arnoud’

Baron van Hardenbroek gaat in overleg met de buren van landgoed Elsbroek, Rustenburg en Lapinenburg. Met de andere buur, Keukenhof, wordt ook getracht tot een opzet voor afgraven te komen, maar die had er weinig oren naar. Zelfs de burgemeester van Lisse trachtte argumenten voor afzanden naar voren te brengen, maar zonder succes. Gelukkig dat de graaf van Lynden van landgoed Keukenhof vol hield. Anders zou daar nu geen kasteel, park, bos en tentoonstelling zijn. Met de Hillegomse buren leidt het wel tot overeenstemming. Op 1 januari 1903 wordt een vennootschap opgericht, de Maatschappij tot Exploitatie van Gronden Veenenburg-Elsbroek. Men kan dus beginnen, de voorbereidingen zijn rond.

Op 24 sept. 1903 werd bij de Kamer van Koophandel ingeschreven ‘Kunstzandsteenfabriek de Arnoud’ (vanaf 1973 Van ‘Herwaarden’ en nu ‘Xella Kalkzandsteenfabriek van Herwaarden B.V’).

De afgegraven gebieden werden aan bollentelers verkocht. Er werden villa’s met bollenschuren gebouwd. Het is van groot cultuurhistorische belang dat het bollenlandschap en de gebouwen behouden blijven. Daarom zou het bollengebied niet aangetast mogen worden door woningen, industrie en autowegen die het landschap doorsnijden.

Foto: Bloeiende bollenvelden en toerisme zijn onlosmakend met elkaar verbonden.
Foto: Nico Groen

 

Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”

Info@oudlisse.nl