Uitgegeven artikelen in pers etc.

Mensensmokkel in de Tweede Wereldoorlog door ’t Zwaantje

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

6 mei 2026

 door Nico Groen

Aad van der Geest beschrijft in het blad ‘Entree’ van okt. 1988 het ontstaan en de activiteiten van verzetsgroep ‘Zwaantje’ in Delfzijl tijdens de Tweede Wereldoorlog. Onder leiding van dokter Oosterhuis werden via de zogenaamde ‘Zweedse weg’ berichten, mensen en goederen zoals insuline en radiozenders naar en vanuit Zweden gesmokkeld. De groep kreeg haar naam vanwege hotel De Witte Zwaan in Lisse. 

 Tijdens de mobilisatie van 1940 moeten veel mannen in dienst in het Nederlandse leger. Een van hen is Allard Oosterhuis, officier bij de landmacht. In het dagelijks leven werkt hij als huisarts in Delfzijl. Oosterhuis zit samen met andere officieren ingekwartierd in hotel de Witte Zwaan, dat door de militairen kortweg Zwaantje wordt genoemd.

Nadat het Nederlandse leger ontbonden is, keert ‘Dok Oosterhuis huis­waarts. Rond 1940 ontstaat in Delfzijl een verzetsgroep die later de codenaam ‘Zwaantje’ krijgt, naar hotel de Witte Zwaan in Lisse. Deze verzetsgroep smokkelt, via kleine zeewaardige vrachtschepen, berichten naar het neutrale Zweden. Met hulp van de Hollandse consul-generaal De Jong in Stockholm komen deze berichten in Londen terecht, waar onze regering in de oorlogsjaren zetelt. Op dezelfde manier smokkelen de Groningers berichten terug naar het binnenlands verzet en importeren zij insuline, zeep en zelfs radiozenders uit Zweden.

ind 1941 beginnen de verzetsleden ook mensen de bezette gebieden uit te smokkelen langs deze route die bekendstaat als ‘De Zweedse weg’. In de herfst van 1941 belt De Vries bij ‘Dok’ Oosterhuis aan, met het verzoek hem te helpen ontsnappen naar Zweden. Deze De Vries, een Joodse man die vaak met Oosterhuis aan het biljart in De Witte Zwaan heeft gestaan, is de eerste die eind 1941 naar Zweden weet te ontkomen. Later gaat De Vries werken op de Britse ambassade in Stockholm. Aan hem stuurt Oosterhuis de laatste inlichtingen bestemd voor Londen. Om zijn eigen identiteit te houden ondertekent hij al zijn brieven met: ‘Je biljartkameraad in ’t Zwaantje. ‘Zwaantje’ wordt al gauw de aanduiding voor een hele verzetsgroep.

Verraden

In de loop van 1943 wordt de verzetsgroep ‘Zwaantje’ verraden en opgerold. Aanvankelijk krijgen de verzetsmensen de doodstraf. Deze wordt later, in 1944, omgezet in tewerkstelling in het land van de vijand. De Amerikanen bevrijden uiteindelijk de in Duitsland tewerkgestelde leden van ‘Zwaantje’.

Een monument in Delfzijl.

Een kwart eeuw na de verschrikkingen van de oorlog, wordt op 6 mei 1970 in Delfzijl een monument onthuld dat een zijn wieken uitslaande zwaan voorstelt. Een ode aan de moedige verzetsgroep die onder meer gespeciali­seerd was in mensensmokkel.

Uit de onthulling bleek dat de bevolking ‘Zwaantje’ waardeerde. Het beeld, een zwaan vliegend naar de vrijheid, werd vervaardigd door een smid uit Delfzijl, plaatsgenoot van dokter Oosterhuis. Het monu­ment is opgedragen aan de mannen en vrouwen die gehoor gaven aan ‘de wet’ van het verzet. Een symbool voor een onverschrokken verzetsgroep die in Lisse zijn naamsoorsprong vond.

Foto: Monument ‘t Zwaantje in Delfzijl
Foto: Wikipedia

 

 

 

Mensensmokkel in de Tweede Wereldoorlog door ’t Zwaantje

Aad van der Geest beschrijft in het blad ‘Entree’ van okt. 1988 het ontstaan en de activiteiten van verzetsgroep ‘Zwaantje’ in Delfzijl tijdens de Tweede Wereldoorlog. Onder leiding van dokter Oosterhuis werden via de zogenaamde ‘Zweedse weg’ berichten, mensen en goederen zoals insuline en radiozenders naar en vanuit Zweden gesmokkeld. De groep kreeg haar naam  vanwege hotel De Witte Zwaan. 

 Door: Aad van der Geest

okt. 1988

het blad ‘Entree’

Codenaam ‘Zwaantje’, Het zou de titel kunnen zijn van een flitsende James Bondfilm of het begin van een spannende detective. Toch is deze codenaam in werkelijkheid gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verzetsgroep ‘Zwaantje’ smokkelde mensen naar de vrijheid en redde hen zo van een wisse dood. De groep dankt zijn naam aan een hotel dat in Lisse stond. Hier speelde een van de helden ooit een ontspannen potje biljart zonder notie van de ingrijpende gevolgen.

Rond 1940 ontstaat in Delfzijl in de noordoostelijke punt van de provincie Groningen een verzetsgroep die later de codenaam ‘Zwaantje’ krijgt. Deze verzetsgroep smokkelt, via kleine zeewaardige vrachtschepen of ‘coasters’ berichten naar het neutrale Zweden. Mei hulp van de Hollandse consul-generaal De Jong in Stockholm komen deze berichten in Londen terecht, waar onze regering in de oorlogsjaren zetelt. Op dezelfde manier smokkelen de Groningers berichten terug naar het binnenlands verzet en importeren zij insuline, zeep en zelfs radiozenders uit Zweden. Eind 1941 beginnen verzetsleden ook mensen de bezette gebieden uit te smokkelen langs deze route die bekendstaat als ‘De Zweedse weg’.

Verzetsgroep ‘Zwaantje’ krijgt naam na een potje biljart

De Witte Zwaan rond 1900

Tijdens de mobilisatie van 1940 moeten veel mannen in dienst in het Nederlandse leger. Deze troepen worden verspreid door Nederland gelegerd. Een deel van hen komt in het bollendorp Lisse terecht. Onder hen is Allard Oosterhuis, officier bij de landmacht. In het dagelijks leven werkt hij als huisarts in Delfzijl. Overdag trainen de manschappen, maar vooral ’s avonds blijft genoeg vrije tijd over voor een potje biljart in Hotel De Witte Zwaan aan Het Vierkant. Oosterhuis zit samen met andere officieren ingekwartierd in dit hotel dat door de militairen kortweg “t Zwaantje’ wordt genoemd. Tijdens de inval van het Duitse leger in mei 1940 zet Oosterhuis zich in voor de verzorging van de gewonden van vliegveld Valkenburg. Nadat het Nederlandse leger verslagen en ontbonden is, keert ‘Dok1 Oosterhuis huis­waarts. Terug naar zijn prak­tijk in Delfzijl waar zijn vrouw Stientje de apotheek runt.

‘De Zweedse weg’

In de herfst van 1941 belt een voormalig medeofficier | uit de mobilisatiedagen van Lisse bij ‘Dok’ Oosterhuis aan, met het verzoek hem te helpen ontsnappen naar Zweden. Deze De Vries, een Joodse man die vaak met Oosterhuis aan het biljart in ‘De Witte Zwaan’ heeft gestaan, is de eerste die eind 1941 op de coaster ‘Corona’ naar Zweden weet te ontkomen. Later gaat De Vries werken op de Britse ambassade in Stockholm. Aan hem stuurt Oosterhuis de laatste inlichtingen bestemd voor Londen. Om zijn eigen identiteit te houden ondertekent hij al zijn brieven met: ‘Je biljartkameraad in ’t Zwaantje.’ ‘Zwaantje’ wordt al gauw de aanduiding voor een hele verzetsgroep. In de loop van 1943 wordt op aandrang van de Nederlandse consul-generaal De Jong in Stockholm de coasterkapitein Aben aan ‘Zwaantje’ toegevoegd. Dit zeer tegen de zin van Stientje Oosterhuis in die hem intuïtief niet vertrouwt.

Strafvermindering

Terecht naar later blijkt, want deze Aben is een NSB’er. Hij gooit het met de Duitsers op een fataal akkoord waardoor verzetsgroep ‘Zwaantje’ in de tweede helft van 1943 wordt opgerold. Aanvankelijk krijgen de verzetsmensen de doodstraf. Deze wordt later, in 1944, omgezet in tewerkstelling in het land van de vijand. De strafvermindering heeft de groep onder meer te danken aan de hardnekkige inspan­ning van doktersvrouw Stientje Oosterhuis. Eén contact­persoon die vanuit Amsterdam opereert wordt gefusilleerd. De Amerikanen bevrijden uiteindelijk de in Duitsland tewerkgestelde leden van ‘Zwaantje

Monument

Een kwart eeuw na de verschrikkingen van de oorlog, wordt op 6 mei 1970 in Delfzijl een monument onthuld dat een zijn wieken uitslaande zwaan voorstelt. Een ode aan de moedige verzetsgroep die onder meer gespeciali­seerd was in mensensmokkel. Onder de genodigden bevinden zich de overlevende leden van ‘Zwaantje’ en Stientje, weduwe van de inmiddels overleden Oosterhuis, Prins Bernhard en consul-generaal De Jong die er in­direct de oorzaak van was dat ‘Zwaantje’ werd ‘gekortwiekt’.

Engelandvaarders

De eerste jaren na de oorlog waren voor de leden van Zwaantje en hun familie niet de gemakkelijkste geweest. Een aantal coasterkapiteins, de zogenaamde Engeland­vaarders, was destijds met zijn schepen rechtstreeks naar Engeland ontkomen. Zij voelden zich verheven boven hun collega’s die onder de bezetter waren blijven varen en lieten dit merken ook. Ondanks het feit dat een aantal van deze kapiteins van de nood een deugd had gemaakt en meewerkte aan verzetsacties.

Symbool

In Delfzijl staat een oorlogsmonument genaamd ’t Zwaantje’

Sommigen werd deze kritiek teveel. Een van de schippers weigerde bijvoorbeeld de aan hem per post toegestuurde onderscheiding te aanvaarden en stuurde het eerbetoon terug. De onthulling van het monument heeft de pijn wellicht verzacht, want hieruit bleek dat de bevolking ‘Zwaantje’ waardeerde. Het beeld, een zwaan vliegend naar de vrijheid, werd vervaardigd door een smid uit Delfzijl; plaatsgenoot van dokter Oosterhuis. Het monu­ment is opgedragen aan de mannen en vrouwen die gehoor gaven aan ‘de wet’ van het verzet. Een symbool voor een onverschrokken verzetsgroep die in Lisse zijn naamsoorsprong vond.

Met   dank   aan:   Paul en Jantje Jansen, Sassenheim *

Gemeentearchief Delfzijl •

Dhr. Martens van het ‘Noordelijk Scheepvaartmuseum in Groningen

 

 

 

 

 

 

De Witte Zwaan rond 1900

DEVER 650 jaar: Ridder Reinier

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

31 maart 2026

door Nico Groen

In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger ingegaan op de geschiedenis van Dever. Reinier d’Ever was ridder.

In zijn jeugd werd Reinier voorbereid op het ridderschap, omdat zijn voorvaderen dat ook al waren. De vader van Reinier d’Ever, Gerardus Ever ook wel Gherit van Ever genoemd, kwam in 1345 bij de slag van Warns om het leven. Hij was ridder. Ook de vader en grootvader van Gerardus, die beiden ook Gerardus heetten, waren hoogst waarschijnlijk al ridder. In 1272 kwam zijn grootvader waarschijnlijk om het leven bij de verloren veldslag van Floris V bij Heiloo tegen de Friezen. Zijn vader ging met Willen III in 1315 op het oorlogspad tegen de Vlamingen.

Reinier werd ridder in 1361

Reinier werd in 1361 tot ridder geslagen toen hij 29 jaar oud was. Hij werd waarschijnlijk geridderd door hertog Albrecht van Beieren, de opvolger als graaf van Holland en Zeeland van zijn broer graaf Willem V, met wie Reinier vaak op pad ging. De ridderslag was waarschijnlijk het hoogtepunt in het leven van een edelman. Geknield ontving hij de slag met de vlakke zijde van het zwaard op de schouder of in de nek. Meestal gebeurde dit voor of na een veldslag of een belegering. Plechtig beloofde hij dapper en moedig te zijn, trouw aan zijn heer, god te eren en de zwakken te beschermen. Daarna mocht hij zich ridder noemen.  Ridderlijkheid viel uiteen in vijf hoofdwaarden; eer, kracht en moed, trouw, vrijgevigheid en eerlijkheid.

Ridder in zijn meest oorspronkelijke vorm betekende bereden soldaat. Hij moest zijn heer beveiligen en meedoen aan eventuele veldslagen en was in dienst van zijn heer. Ruiter en ridder had toentertijd dezelfde betekenis. Dat was in de vroege middeleeuwen. Later in de 13e en 14e eeuw kreeg het ridderschap meer aanzien en werden steeds meer edelen ook ridder. Toen kon men alleen ridder worden wanneer men een versterkt huis had, dat omgeven was door een gracht. Het huis moest goed verdedigd kunnen worden. Bovendien moest een ridder zijn eigen uitrusting en zijn eigen paarden betalen, evenals de pages, schildknapen en ander personeel. Reinier d’Ever en zijn voorvaderen moeten daarom in Lisse al aanzienlijke bezittingen hebben gehad, waaronder een versterk huis met daar omheen een gracht, maar de huidige donjon was nog niet gebouwd.

Familie Ever verbonden met Lisse

In het dikke boek ‘Het huis Dever te Lisse’ van A.M. Hulkenberg uit 1966 staat op pagina 10 het volgende. De eerste documenten, die de connectie tussen de familie d’Ever en Lisse beschrijft stammen uit 1281-1283. Conrard die Ever verkrijgt in 1281 verschillende inkomsten van graaf Floris V. Hij verkocht deze inkomsten al weer in 1283 aan de vrouwe van Teylingen met als handtekening ‘Ever van Lysse’. Dit laatste is zeer belangrijk omdat daaruit blijkt dat Conrard die Ever zich ook heer van Lisse noemde.

Foto: Een harnas uit de Middeleeuwen
Foto: Muiderslot.nl

DEVER 650 jaar: De jeugd van Reinier

 Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

17 maart 2026

door Nico Groen

 In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger komende tijd ingegaan op de geschiedenis van Dever. De jeugd van Reinier d’Ever wordt beschreven.

Onderstaande gegevens komen uit een artikel in 2021 van Folkert van der Veen en Cees van Biezen in het Dever Bulletin.

Reinier Dever is geboren in 1332. Hij had een jongere broer Wouter en 2 zussen Liesbeth en Marie. Zijn vader was ridder Gherit van Ever, ook Gerardus d’Ever genoemd. Ridders waren in die tijd onder andere beveiligers van  adellijke families. Zoals in de middeleeuwen gewoon was bij kinderen van ridders, zal de opvoeding vanaf ongeveer 7-jarige leeftijd  bij de betreffende adellijke familie plaats hebben gevonden. In het geval van Reinier was dat bij oom Gerard van Heemstede. Meestal duurde zo’n verblijf ongeveer 7 jaar en werd je opgeleid tot page. Waarschijnlijk bleef Reinier tot 1350 onder de vleugels van Gerard van Heemstede om opgeleid te worden tot schildknaap. Reinier bleef dus ook na de dood van zijn ouders nog enige jaren onder de voogdij van zijn oom. Hij werd daar klaargestoomd door zijn leermeester om deel te gaan nemen aan het krijgsgeweld en voor de adellijke levenswijze.

Gerard van Heemstede

Gerard van Heemstede (1320-1375) was heer van Heemstede, Bennebroek, Lisse, Berkelrode, De Lier en Teylingen. Hij was ook raadslid, houtvester en schat- en zegelbewaarder van de graaf van Holland en Zeeland. Hij was een zoon van Reinoud II van Heemstede en Beatrise. Hij werd op 6 september 1346 officieel beleend met Heemstede door gravin Margaretha. De gravin gaf ook aan Reinier d’Ever in 1346 alle leenbezittingen, die zijn vader al eerder had, in leen. Reinier was toen 14 jaar.

Leenbezittingen (of leengoederen) zijn onroerende goederen, rechten of inkomsten die in de middeleeuwen door een leenheer (bijvoorbeeld een koning of hoge edelman) in leen werden gegeven aan een leenman (vazal). De leenman kreeg het recht om het goed te gebruiken en de opbrengsten ervan te innen, maar het juridische eigendom bleef bij de leenheer. In ruil voor de leenbezittingen zwoer de leenman trouw aan de leenheer. Hij beloofde de heer te dienen, bijvoorbeeld door militaire steun in tijden van oorlog of deelname aan het bestuur.

Leenbezittingen waren erfelijk, maar bij elke overgang naar een opvolger moest vaak opnieuw trouw worden gezworen aan de leenheer. Als een leenman geen kinderen had, gingen de goederen weer naar de leenheer, die ze daarna vaak weer in leen gaf aan een andere familie, die waardevol voor hem was.

Slot Heemstede

Gerard van Heemstede woonde in het grote slot bij Heemstede aan het Haarlemmermeer. Het was tussen 1280 en 1290 gebouwd. Het slot werd in 1393, 1404 en 1426 door de Kabeljauwen tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten verwoest, maar steeds weer opgebouwd. Uiteindelijk werd het in 1810 afgebroken vanwege ernstige verzakkingen. Van het slot zelf bestaan alleen nog de middeleeuwse funderingen.

Foto: Schilderij van Slot Heemstede
Foto: Wikipedia

 

 Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

17 maart 2026

door Nico Groen

DEVER 650 jaar: De jeugd van Reinier

 In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger komende tijd ingegaan op de geschiedenis van Dever. De jeugd van Reinier d’Ever wordt beschreven.

Onderstaande gegevens komen uit een artikel in 2021 van Folkert van der Veen en Cees van Biezen in het Dever Bulletin.

Reinier Dever is geboren in 1332. Hij had een jongere broer Wouter en 2 zussen Liesbeth en Marie. Zijn vader was ridder Gherit van Ever, ook Gerardus d’Ever genoemd. Ridders waren in die tijd onder andere beveiligers van  adellijke families. Zoals in de middeleeuwen gewoon was bij kinderen van ridders, zal de opvoeding vanaf ongeveer 7-jarige leeftijd  bij de betreffende adellijke familie plaats hebben gevonden. In het geval van Reinier was dat bij oom Gerard van Heemstede. Meestal duurde zo’n verblijf ongeveer 7 jaar en werd je opgeleid tot page. Waarschijnlijk bleef Reinier tot 1350 onder de vleugels van Gerard van Heemstede om opgeleid te worden tot schildknaap. Reinier bleef dus ook na de dood van zijn ouders nog enige jaren onder de voogdij van zijn oom. Hij werd daar klaargestoomd door zijn leermeester om deel te gaan nemen aan het krijgsgeweld en voor de adellijke levenswijze.

Gerard van Heemstede

Gerard van Heemstede (1320-1375) was heer van Heemstede, Bennebroek, Lisse, Berkelrode, De Lier en Teylingen. Hij was ook raadslid, houtvester en schat- en zegelbewaarder van de graaf van Holland en Zeeland. Hij was een zoon van Reinoud II van Heemstede en Beatrise. Hij werd op 6 september 1346 officieel beleend met Heemstede door gravin Margaretha. De gravin gaf ook aan Reinier d’Ever in 1346 alle leenbezittingen, die zijn vader al eerder had, in leen. Reinier was toen 14 jaar.

Leenbezittingen (of leengoederen) zijn onroerende goederen, rechten of inkomsten die in de middeleeuwen door een leenheer (bijvoorbeeld een koning of hoge edelman) in leen werden gegeven aan een leenman (vazal). De leenman kreeg het recht om het goed te gebruiken en de opbrengsten ervan te innen, maar het juridische eigendom bleef bij de leenheer. In ruil voor de leenbezittingen zwoer de leenman trouw aan de leenheer. Hij beloofde de heer te dienen, bijvoorbeeld door militaire steun in tijden van oorlog of deelname aan het bestuur.

Leenbezittingen waren erfelijk, maar bij elke overgang naar een opvolger moest vaak opnieuw trouw worden gezworen aan de leenheer. Als een leenman geen kinderen had, gingen de goederen weer naar de leenheer, die ze daarna vaak weer in leen gaf aan een andere familie, die waardevol voor hem was.

Slot Heemstede

Gerard van Heemstede woonde in het grote slot bij Heemstede aan het Haarlemmermeer. Het was tussen 1280 en 1290 gebouwd. Het slot werd in 1393, 1404 en 1426 door de Kabeljauwen tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten verwoest, maar steeds weer opgebouwd. Uiteindelijk werd het in 1810 afgebroken vanwege ernstige verzakkingen. Van het slot zelf bestaan alleen nog de middeleeuwse funderingen.

 

Foto: Schilderij van Slot Heemstede
Foto: Wikipedia

 

DEVER 650 jaar: Hoekse en Kabeljauwse Twisten

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

3 maart 2026

door Nico Groen

In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger komende tijd ingegaan op de geschiedenis van Dever. Reinier d’Ever deed mee in de strijd over de opvolging van graaf Willem IV.

Onderstaande gegevens komen uit twee artikelen uit 2021 en 2022 van Folkert van der Veen en Cees van Biezen in het Dever Bulletin.

Graaf Willem IV stierf tijdens de strijd om Warns in 1345. Hij liet geen kinderen na. Daardoor ontstonden perikelen over zijn opvolging. Dit werden later de Hoekse en Kabeljauwse Twisten genoemd. Deze twisten waren begonnen als een strijd tussen moeder en zoon over het graafschap Holland en Zeeland. Het was in feite een strijd tussen twee adellijke groepen. De moeder in dit conflict was Margaretha van Beieren, de vrouw van keizer Lodewijk van Beieren. Margaretha was de oudste dochter van graaf Willem III en de zus van graaf Willem IV. De keizer was de grote baas in het graafschap Holland en Zeeland. Hij benoemde na de dood van haar broer zijn vrouw tot gravin van het graafschap.

Wegens omstandigheden in Beieren moest Margaretha daar weer naar toe. Haar 13-jarige zoon, de latere Willem V (1333-1389) benoemde zij op 8 september 1346 als haar plaatsvervanger. Het graafschap had veel schulden bij bepaalde steden door de oorlogen van Willem IV. Daarom moest Willem V veel privileges aan die steden geven. Dit tot groot ongenoegen van een deel van de adel (de Hoeken), die het aanzien en de inkomsten danig zagen slinken en zich wendden tot Margaretha.

Na alle perikelen in het Beierse min of meer te hebben opgelost, besloot Margaretha in 1350 terug te keren naar het graafschap Holland en Zeeland om de macht weer naar zich toe te trekken. Dat was een ernstige tegenvaller voor Willen V en zijn aanhangers, die zich later Kabeljauwen gingen noemen. Deze twisten liepen later uit op een heuse oorlog tussen moeder en zoon over het graafschap Holland en Zeeland. Daarbij werden wederzijds kastelen en steden veroverd en weer verloren. Reinier d’Ever deed aan veel van deze ondernemingen mee aan de Hoekse kant.

In ballingschap

De Hoeken verloren steeds meer terrein. Op een gegeven moment moesten zij evacueren uit het graafschap. Dat was ook het lot van de 19-jarige Reinier. Hij moest in 1351 in ballingschap met zijn broer Wouter. Hun bezittingen werden in beslag genomen. Nu is het de vraag welke bezittingen, want de huidige donjon was nog niet gebouwd. Er moet daarom een andere versterkte vesting zijn geweest. In 1354, na onderhandelingen, kreeg Reinier zijn bezittingen weer terug en werd hij weer in zijn rechten hersteld.

De Hoekse en Kabeljauwse Twisten waren daarmee niet ten einde, maar duurde met tussenpozen tot 1490.

 

Margaret II, Countess of Hainau

Foto: Graaf Willem V werd rond 1358 krankzinnig, waarschijnlijk door een hersenbloeding
Foto: Haags Historisch Museum

 

DEVER 650 jaar: Pruisenreizen met Reinier

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

17 februari 2026

Door Nico Groen

In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger komende tijd ingegaan op de geschiedenis van Dever. Reinier d’Ever deed aan vele kruistochten naar Pruisen mee.

In de 14e eeuw en eerder werden kruistochten ondernomen om heidenen te kerstenen. Niet alleen naar Palestina maar ook bijvoorbeeld naar Pruisen in het tegenwoordige Polen en Rusland om van daar uit Litouwen met geweld tot het christendom te bekeren. Reinier heeft zeker aan vijf, mogelijk meer aan van die Pruisenreizen meegedaan.

Jan van Blois

Foto: De rijke Jan van Blois. Hij had een goede relatie met Reinier d’Ever
Foto: Wikipedia

Van de Pruisenreis in 1368/1369 is veel bekend, omdat er veel gegevens bewaard zijn gebleven. Reinier heeft ook meegedaan aan deze reis. Jan van Blois organiseerde deze reis. Hij was geboren rond 1342 en overleed in Schoonhoven in 1381. Hij was graaf van Blois. Dit graafschap was een van de belangrijkste gebieden van het koninkrijk Frankrijk. In 1356 erfde hij ten gevolge van het testament van zijn grootvader Jan van Beaumont diens uitgestrekte bezittingen in Holland en Zeeland. Deze bezittingen vormden vrijwel een staat binnen het graafschap Holland en Zeeland. Hij was dus een zeer belangrijke en rijke edelman. Jan van Blois nam tweemaal deel aan de Pruisenreizen tegen de  heidenen van Litouwen (1362/1363 en 1368-1369).

Onderstaande gegevens komen uit een artikel uit 2020 van Folkert van der Veen en Cees van Biezen in het Dever Bulletin, dat jaarlijks uitgegeven wordt door de Stichting Vrienden van ’t Huys Dever.

Op maandag 20 november 1368 verzamelde een groot gezelschap zich in Geertruidenberg en vertrok van daaruit naar Hasselt en Maastricht. Daar sloten zich nog diverse ridders en manschappen aan. Daarna ging het via Keulen, Dortmund en de rivier de Aller naar Rostock en vervolgens naar Königsberg, dat nu Kaliningrad heet en in Rusland ligt. Daar werd het leger welkom geheten door de christelijke Duitse kruisridderorde. De tochten naar Litouwen werden onder auspiciën van die orde gehouden. Vervolgens moest men nog in Litouwen proberen te komen. En dat viel niet mee. In Litouwen werden diverse burchten veroverd en kapot gemaakt.

Er werden voornamelijk reizen in de winter gemaakt, maar sommige Pruisenreizen werden ook in het zomerseizoen georganiseerd. Reinier d’Ever heeft alleen maar aan winterreizen meegedaan. Reizen in de winter was niet gemakkelijk. Het bracht allerlei praktische problemen met zich mee. Een reden om een Pruisenreis in de winter te ondernemen was dat Litouwen een moerassig en drassig gebied was. Men moest over het ijs met sneeuw naar Litouwen. Een consequentie was natuurlijk wel dat al het eten en warme kleding mee moest worden genomen. Om een voorbeeld te geven over de grootte van het leger is de overtocht over de rivier de Aller in de buurt van Hamburg weergegeven. Er moesten maar liefst 108 paarden worden overgezet en verder het hele leger met vele ridders en medewerkers.

Dever 650 jaar: slag bij Warns

Sporen van vroeger                                                            

3 februari 2026

door Nico Groen

In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Zijn vader was ridder Gerardus Ever ook Gherit van Ever genoemd. Die was enkele jaren houtvester van Holland. Hij deed ook mee aan de slag bij Warns in 1345 en overleed daar.

Na zijn dood heeft zijn vrouw Clara ook wel Claeren genoemd een vastgesteld lijftocht (een soort pensioen) gekregen. Zij hadden vier kinderen. Op de eerste plaats zijn zoon Reinier, die later de donjon zou bouwen. Verder was er een zoon Wouter, waarvan na 1355 geen documenten zijn teruggevonden. De namen van zijn dochters waren Liesbeth en Marie. Liesbeth trouwde met Jan Aernt, die rentmeester van de graaf van Holland was. Onze Reinier was dus een zwager van de rentmeester van de graaf, wat een belangrijke positie was.

Graven van Holland

Graaf Willem III (1287 – 1337) was in 1315 erkend als heer van Friesland. De Hollandse graven waren in die tijd uit op meer macht en wilden hun oppergezag claimen door invoering van belastingheffing en algehele controle op de rechtspraak in Friesland. Van een werkelijke uitoefening van zijn macht kwam echter heel weinig terecht. Hij werd Willem de Goede genoemd. De krijgshaftige graaf Willem IV (1307 – 1345) ging echter veel voortvarender te werk dan zijn in 1337 overleden vader. Hij werd niet voor niets Willem de Stoute (=dapper) genoemd. Nadat onderhandelingen waren mislukt omdat de concessies die de graaf eiste voor de Friese elite onaanvaardbaar waren, maakte de graaf aanstalten heel Westerlauwers Friesland te onderwerpen. De Lauwers was een riviertje dat voor een deel de grens vormde tussen wat nu de provincies Friesland en Groningen is. Het riviertje was de naamgever van het tegenwoordige Lauwersmeer.

Oorlog

Foto: Graaf Willem IV, geromantiseerd portret

Graaf Willem IV voelde zich in 1345 sterk genoeg om de Friezen nu voorgoed tot onderwerping te dwingen. Graaf Willem IV en zijn oom heer Jan van Beaumont stelden zich in Enkhuizen aan het hoofd van de Hollandse vloot om zich naar Stavoren te begeven. De vloot bestond uit een schitterende groep ridders en knapen. Op de Zuiderzee werd de vloot door een flinke storm uit elkaar geslagen. Jan van Beumont landde inderdaad bij Stavoren, maar werd teruggedreven en gewond naar de schepen gedragen. Graaf Willen IV landde iets oostelijker bij Warns. Geharnast, maar zonder paarden, trokken ze brandschattend op om bij Stavoren bij het Sint Oduphusklooster een sterke vesting te maken. De plaatselijke bevolking had echter een hinderlaag voorbereid en in het moerassige landschap werden de Hollanders verpletterend verslagen. In een vreselijk gevecht werd het leger van de graaf met Het neusje van de zalm van de Hollandse adel in de pan gehakt. De schepen keerden terug zonder de graaf.  Onder de lange lijst van ridders, die 26 september 1345 bij Warns het leven lieten, stond ook de naam Gerardus Ever. In Friesland wordt deze dag nog steeds op het Rode Klif bij Stavoren herdacht, symbool van de Friese vrijheidsstrijd.

 

 

DEVER 650 jaar

Sporen van vroeger (LisserNieuws                                                           

20 januari 2026

Door Nico Groen

In de jaren zeventig van de 14e eeuw is donjon Dever door ridder Reinier d’Ever gebouwd. Waarschijnlijk is de bouw gestart in 1376, nu 650 jaar geleden. Daarom wordt in Sporen van Vroeger komende tijd ingegaan op de geschiedenis van ’t Huys Dever te Lisse.

 Al in 1284 wordt Lisse in verband gebracht met de familie Ever. In dat jaar ontvangt ‘Gherardus Ever te Lysse’ geld. Waarschijnlijk woonde de familie al veel eerder in Lisse. Zo’n 100 jaar later bouwt Reinier het gebouw. Het is een zogenaamde woontoren of donjon, een versterkt woonhuis. In 1417 is heer Reinier overleden, 85 jaar oud.

De achterzijde van de donjon was gericht naar het moeras van de Lisser Poel en hoefde niet zo sterk te zijn, omdat van die kant geen groot gevaar kon dreigen. De andere muren zijn hoefijzervormig, bijna 2 meter dik en massief gemetseld. De fundamenten liggen 3 meter onder het grondoppervlak en rusten op een zandplaat van de strandwal, die loopt van Haarlem via Lisse naar Oegstgeest. Door die dikke zandlaag is na 650 jaar nog geen spoor van verzakking te merken. Omstreeks 1580 werd een bescheiden huis tegen de voorzijde gezet, dat later werd uitgebouwd tot een statig herenhuis. Dit herenhuis was groter dan de donjon zelf. Door slechte fundering en verwaarlozing stortte een deel daarvan in 1848 in. Het was toen allang niet meer bewoond, Daarna werden gaandeweg de muren gesloopt door iedereen, die stenen nodig had. Alleen de fundering bleef over. In 1862 stortte het dak van de donjon eveneens in. Deze zware muren weerstonden echter alle vernielzucht. De fundering van het herenhuis is nog steeds goed te zien doordat deze na de restauratie van het complex weer opgemetseld is. Na de Tweede Wereldoorlog werd Dever onteigend door de Nederlandse Staat, omdat de eigenaar (familie van Heereman van Zuydtwijck) in Duitsland woonde. De landerijen werden verkocht en de ruïne die al een rijksmonument was, ging in 1949 voor ƒ 1,00 naar de gemeente Lisse. Daarvoor was Dever nooit verkocht.

 Restauratie begon in 1973.

Het lobbyen van Alfons Hulkenberg leidde in 1973 tot het begin van de restauratie. Hulkenberg was amateurhistoricus die veel onderzoek heeft gedaan over de Bollenstreek  en hierover veel publiceerde. Toen  met de restauratie werd begonnen, was al het houtwerk verdwenen, waren alle raam- en deuropeningen verbrokkeld en groeiden er gras en vlierstruiken boven op de muren. Ook eenden nestelden zich daar. De voet van de muur, juist boven de waterlijn van de vroegere gracht, was zwaar beschadigd.

In 1978 ging het gebouw open voor publiek.  Achttien jaar later droeg de gemeente Lisse het beheer van de donjon over aan de Stichting Beheer Buitenplaats ’t Huys Dever.

Tussen 1988 en 2000 werd het voorhof gereconstrueerd en in 2003 maakte men er een ophaalbrug bij. In 2008 werd de loopbrug tussen voorhof en het huis gereconstrueerd.

Met dank aan de Stichting Dever. Zie ook huysdever.nl.

 

Foto van rond 1920 van de ruïne met gras en vlierstruiken
Foto: OudLisse

 

Villa Wassergeest 100 jaar

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

16 december 2025

door Nico Groen

 Villa Wassergeest, Heereweg 340, ligt tegenover de Tuinbouwschool. Het is gebouwd in 1925, 100 jaar geleden dus. De architect was Leen Tol sr. De opdrachtgever was Alfons Belle, bollenkweker van beroep. De villa staat op de gemeentelijke monumentenlijst.

De wit gepleisterde villa bestaat uit 2 bouwlagen onder een hoge zolder met een schilddak. De voorgevel is asymmetrisch met links een groot raam en rechts een bijzonder portaal. De hele woning staat bijna een meter boven de tuin. Vandaar dat het portaal te betreden is met een vijftal traptreden. De houten deur heeft vensterglas met traliewerk. Naast de deur bevinden zich vier kleine vensters met glas-in-lood. Boven de ingang zijn een luifel en vier kleine vierkante vensteropeningen als bovenlichten gerealiseerd. Boven het portiek is in een verdiept veld de naam ‘WASSERGEEST’ aangebracht. Links in de voorgevel bevindt zich een erker met afgeschuinde hoeken. Deze worden door een houten geprofileerde lijst afgesloten. De vensteropeningen op de eerste verdieping zitten tussen strak vormgegeven lekdorpels en lateien. Aan iedere kant van het dak ligt een dakkapel in de stijl van een z.g. ‘opnieuw verbeterde Hollandse dakkapel’ met twee ramen met glas-in-lood. De dakkapellen hebben een overstekend plat dak. Tegen de linker zijgevel is een serre aangebouwd met een balkon daarboven met een stenen borstwering. De aangebouwde garage staat op de noordwesthoek van de villa. In 2001 werd de villa verbouwd.

Bollenteler A.M. Belle

A.M. Belle liet de villa bouwen op zijn bollenland, dat ter plaatse van de Heereweg tot de Achterweg liep. Achter de villa loopt een heel oude haag vanaf het huis tot de Achterweg. Het land van Belle lag aan de zuidkant van deze haag. Later werd het land verkocht aan het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek. Daar werden meer dan 60 jaar buitenproeven genomen met allerlei bolgewassen. Daarna is het land overgenomen door de HOBAHO.

Alfons Belle heeft de villa Wassergeest genoemd, omdat de grond oorspronkelijk aan buitenplaats Wassergeest toebehoorde.

Buitenplaats Wassergeest

Jhr. Adriaen van der Laen van buitenplaats Ter Specke kocht in de loop van de eerste helft van de 17e eeuw veel grond op in de zogenaamde Westgeest, dat tussen de Vuursteeglaan en de Catharijnelaan lag. Huize Wassergeest werd in 1660-1661 door hem gebouwd.

Daniël Pompeus Johannes van der Staal van Piershil (1874-1858) was op een gegeven moment de eigenaar van de buitenplaats. Financieel ging het de laatste jaren van zijn leven slecht. Bij openbare verkoping in 1852 werden alle bezittingen via via gekocht door buitenplaats Keukenhof, De Keukenhof verkocht of verhuurde de grond aan Alfons Belle (1893-1975), die van de weilanden bollengrond maakte, door verdere egalisering van het oorspronkelijke duinlandschap. Belle was een belangrijke bollenteler met veel invloed. Hij was bijvoorbeeld bestuurslid vanaf het begin bij de bloemententoonstelling Keukenhof. In 1953 was hij voorzitter van de Bloemencommissie van het Bloemencorso. Niet voor niets werd hij gehuldigd als Ridder in de orde van Oranje Nassau.

Villa Wassergeest rond 1930. De oude haag van voornamelijk beuken en eiken is goed te zien.