Uitgegeven artikelen in pers etc.

Het Patronaatsgebouw is 100 jaar oud

Het patronaatsgebouw is in 1918 gebouwd in opdracht van de St. Agathaparochie.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

31 juli 2018

 Nico Groen

Het patronaatsgebouw is in 1918 gebouwd in opdracht van de St. Agathaparochie. Precies 100 jaar geleden dus. Een goede gelegenheid om het gebouw en zijn voorgeschiedenis op Bondstraat 13 te beschrijven. Heden ten dage is dansschool ‘Welkom’ er gevestigd.

Ned. R.K. Volksbond

De afdeling Lisse van de Ned. R.K. Volksbond werd in 1901 opgericht. Het was een organisatie die tot doel had de leefomstandigheden van de katholieke arbeiders te verbeteren. In 1903 werd deze Bond gehuisvest in de noodkerk, die toen niet meer in gebruik was als kerk. Deze kerk stond op de plek waar nu het Franciscushuis staat. De noodkerk moest in 1909 plaats maken voor het Piusgesticht. De Bond moest dus verhuizen. De Agathaparochie had voor dat doel een stuk grond aangekocht van de weduwe J. Vreeburg. Daarheen werd de noodkerk verplaatst. Het verplaatsen van het gebouw werd opgedragen aan de aannemer van het Piusgesticht, de heer A. Beugelsdijk uit Lisse. Hij besloot om het gebouw niet te slopen en te herbouwen maar het bouwwerk te verrollen. Dat duurde maar liefst 4 weken, want het was een groot gebouw van 33 meter lang en 13 meter breed. Het bouwwerk had erg te lijden onder deze verhuizing. Er moest veel hersteld worden, maar de Bond hield haar onderkomen.

In 1918 werd de noodkerk al gesloopt en op deze plaats werd het huidige Patronaatsgebouw, de nieuwe thuishaven voor de Volksbond, gerealiseerd. Precies 100 jaar geleden dus.

Er werd rond die tijd ook een straat aangelegd van de Heereweg naar de pas gerealiseerde Schoolstraat. Die straat werd naar de gebruiker van het nieuwe gebouw vernoemd: de Bondstraat.

Gemeentelijk monument

Het Patronaatsgebouw met 2 verdiepingen en een plat dak werd ontworpen door C.W. Barnhoorn. Hij was toen nog student. In de top van de voorgevel zit een aangesmeerde gevelsteen met het woord ‘PATRONAAT’. Deze gevelsteen is omlijst met rode strengpersstenen. Strengpersstenen zijn harde geperste stenen. Ze zijn harder dan gewone bakstenen en hebben scherpe randen. Ze zijn erg strak, glad en weinig poreus. Daarom nemen deze stenen minder water op dan gewone bakstenen. Ook verwering en vuil krijgen niet veel kans.

De voorgevel heeft bij de dakrand siermetselwerk in een bloktandmotief. Op de top staat een stenen kruis. De zijgevels zijn in dezelfde stijl uitgevoerd.

Achter het pand staat een grote aanbouw van één verdieping met een pannendak.

Gemeentelijk bezit sinds 1973

Het Patronaat bleef tot april 1973 eigendom van de  parochie. Toen werd de gemeente voor 200.000 gulden eigenaar van het gebouw. In dat jaar vestigde dansschool Castelein zich in het Patronaatsgebouw. Ook Radio Boterbloem vond er jarenlang onderdak. Toen Castelein stopte, werd de dansschool overgenomen door Peter en Rachell van der Veek. Zij leiden dansschool ‘Welkom’ al weer ruim 20 jaar in dit gemeentelijk monument.

Een oude foto van het ‘Patronaat’. Foto: Beeldbank Lisse.nl

 

 

 

Veel historie langs wandelnetwerkroute

Wat betekenen toch die donkere paaltjes met rode pijltjes met een nummer op een gele achtergrond? Het gaat hier om de wandelknooppuntenroute door de Duin- en Bollenstreek. Veel historie langs het  wandelnetwerk is te vinden in een digitale Atlas.

De Beekbrugschool tijdens de oorlog

De Beekbrugschool stopt zijn activiteiten. Het wel en wee tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

3 juli 2018

 Nico Groen

Aan het einde van het schooljaar 2017-2018 sluit de school Beekbrug zijn poorten. Het aantal leerlingen is te laag voor het voortbestaan van de school. In vorige columns van Sporen van vroeger hebben we de geschiedenis van de school en het gebouw als monument beschreven. Omdat er over de periode rond de Tweede Wereldoorlog veel te melden is, komen we nogmaals terug op de Beekbrugschool.

De gymzaal was al in 1931, een jaar na de nieuwbouw, omgebouwd tot bewaarschool. De leerlingen konden dus geen gymles meer volgen. Dat vonden de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog niet goed: de kinderen moesten wel gymles krijgen. De bezetters vonden namelijk dat kinderen sportief en gezond moesten zijn. De oude bewaarschool werd daarom weer ingericht als tot gymzaal. De bewaarschool werd overgebracht naar het Verenigingsgebouw dat vóór de bouw van de H.H. Engelbewaarderskerk dienst had gedaan als noodkerk. Nu is in dat gebouw zalencomplex De Kleine Engel gevestigd. Tijdens het laatste gedeelte van de oorlog barstten de scholen uit hun voegen. Na de oorlog werd de gymzaal maar weer omgetoverd tot klaslokaal.

Tot 1941 hadden de leerlingen op woensdag- en zaterdagmiddag vrij. De schaarste aan steenkolen en andere brandstoffen leidde ertoe dat de kinderen op woensdagmiddag naar school moesten. Op zaterdag kregen ze dan de hele dag vrij. Bovendien was er al die jaren een lange wintervakantie van half december tot twintig januari in verband met de brandstofschaarste.

Bezet door de Duitsers

Begin december 1944 worden het Verenigingsgebouw en de beide scholen bezet door de Duitsers. Zij hebben daar nog geen maand doorgebracht, maar het had wel grote gevolgen. Om het warm te krijgen hebben ze in die tijd alle stoelen en banken opgestookt. Ook de radiatoren waren vernield. Volgens pastoor J.C. de Groot waren de radiatoren uit baldadigheid door de Duitsers stukgeschoten. Het gevolg was, dat de kinderen die winter niet meer naar school konden. “We leven in de catacombentijd. Slechts het allernoodzakelijkste kan doorgaan” somberde de pastoor.

Burgemeester duikt er onder

De jongens kregen  les van de broeders van Saint Louis uit Oudenbosch, die in De Engel in het broederhuis woonden. In de laatste oorlogswinter kwam er een ‘broeder’ bij. De burgemeester van Lisse, Jhr. Mr. F.J.C.M. van Rijckevorsel, was er toen ondergedoken. Hij vreesde namelijk opgepakt te worden door de bezetters. Hij was ondergedoken onder de naam broeder Seraphinus.

Bovenstaande gegevens en die van de vorige 2 columns van Sporen van vroeger zijn voor een deel ontleend aan de herdenkingsboekjes ter gelegenheid van het 50- en 75-jarig bestaan van de Engelbewaarderskerk.

Een luchtfoto van de school, gemaakt na de bouw in 1930. Foto: Beeldbank Lisse.nl

 

Beekbrugschool is een gemeentelijk monument

De Beekbrugschool stopt zijn activiteiten. Het gemeentelijk monument uit 1930 wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

19 juni 2018

 Nico Groen

Aan het einde van het schooljaar 2017-2018 sluit de Beekbrugschool zijn poorten. Het aantal leerlingen is te laag voor het voorbestaan van de school. Dat is natuurlijk heel erg voor de leerlingen en de onderwijzers, maar ook voor het gebouw zelf.

Het pand bestaat uit 2 bouwvolumes: de vroegere jongensschool en de vroegere meisjesschool. Deze 2 gebouwen waren oorspronkelijk verbonden door middel van een lager deel, gebouwd als gymzaal. De school werd in 1930 gerealiseerd onder architectuur van C.W. Barnhoorn en Th. van der Eerden uit Lisse. De Gebroeders Oostrom uit Warmond bouwden de scholen voor 86.600 gulden. Tijdens en na de oorlog nam het aantal leerlingen sterk toe. In 1948 is daarom door architectenbureau Paardekooper-Barnhoorn een verdieping op de gymzaal ontworpen. Met deze uitbreiding was al in 1930 rekening gehouden. Voor de oorlog waren de plannen er al, maar door de oorlog konden deze niet worden uitgevoerd. Ook in 1948 kon nog niet met de bouw worden begonnen, omdat er zo vlak na de oorlog een groot gebrek aan bouwmaterialen was. In 1948 was niets meer te krijgen. Aannemer Kiebert bouwde deze verdieping  pas in 1949.

In 1976 is aan de oostkant in het midden van het gebouw een nieuwe gymzaal in dezelfde stijl gerealiseerd. Deze staat dwars op de school zelf.

Waarom een monument?

Door acties van de Vereniging Oud Lisse is het schoolgebouw met als adres Heereweg 455 sinds 2008 een gemeentelijk monument.

Op verzoek van de  gemeente is toen door de Stichting Dorp, Stad en Land een inventarisatie in Lisse gemaakt om tot een evenwichtige toewijzing tot gemeentelijk monumenten te komen. In de inventarisatie staat de motivering waarom een gebouw een gemeentelijk monument zou moeten zijn. In het rapport over de Beekbrugschool staat dat het gebouw een gaaf voorbeeld van tijdgebonden architectuur is. Dit komt door de unieke bouwstijl en het gebruik van het materiaal. Omdat zowel de jongensschool als de meisjesschool dezelfde voorgevel hebben, is het gebouw vrijwel symmetrisch. Aan beide zijkanten van de gymzaal, dus aan de west- en oostkant, is een grote uitbouw gerealiseerd.  Naast deze grote uitbouwen bevinden zich aan iedere kant 2 erkerachtige aanbouwsels. De gevelopeningen aan de voorzijde hebben diverse afmetingen, maar vormen wel een geheel. Een belangrijk deel van de ramen is voorzien van roeden.

De gevels zijn gemaakt van rode baksteen in zogenaamd kettingverband. In kettingverband wil zeggen dat iedere steenlaag bestaat uit 2 normale strekkende stenen, afgewisseld met een steen met de kopse kant naar voren. De eerste verdieping, die in 1949 is gerealiseerd heeft dezelfde bouwstijl, evenals de gymzaal uit 1976.

Wat brengt de toekomst?

De Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” is benieuwd wat er in de toekomst met het gebouw gaat gebeuren. Aan een gemeentelijk monument mag namelijk aan de buitenkant niets belangrijks worden veranderd. Er zijn dus niet al te veel mogelijkheden voor een nieuwe gebruiker. Aan de binnenkant is het behoud van de oorspronkelijke staat niet zo van belang, hoewel de Vereniging het jammer zou vinden als er te veel aan veranderd zou worden.

De voormalige meisjesschool in 2018 met links de gymzaal met verdieping. Foto: Nico Groen

 

Geschiedenis van de Beekbrugschool

De Beekbrugschool stopt zijn activiteiten. Wetenswaardigheden van de school worden beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

5 juni 2018

Nico Groen 

Aan het einde van het schooljaar 2017-2018 sluit de school Beekbrug zijn poorten. Het aantal leerlingen is te laag voor het voortbestaan van de school. De Sophia Stichting ziet geen heil meer in verdere bekostiging van deze, voor de buurt, zo bijzondere locatie voor het basisonderwijs. Een sprong terug in de tijd: de school maakte vroeger onderdeel uit van de katholieke enclave van de H.H. Engelbewaarderskerk, waartoe ook de pastorie, het broederhuis en het zusterhuis behoorden.

Gebouwd in 1930

De eerste plannen voor de bouw van de school dateren uit 1929. Na onderzoek bleek er voldoende draagvlak onder de ouders met kinderen in De Engel te zijn om een jongensschool en een meisjesschool te stichten. N.W. Sentenie was de bouwpastoor van de  hele enclave. Beide scholen kregen 4 lokalen met een gezamenlijke gymzaal er tussenin. Er moest dus met gecombineerde klassen worden gewerkt. De scholen werden vernoemd naar de ouders van de bouwpastoor; Wilhelmus voor de jongensschool en Anna voor de meisjesschool. Er bleek ook behoefte aan een bewaarschool te zijn. Daarom werd de gymzaal al in 1931 omgebouwd tot bewaarschool.

De parochie kreeg voor de meisjesschool medewerking van de Zusters van H. Carolus Borromeus uit Maastricht, beter bekent als zusters ‘Onder de bogen’. De Broeders van Saint Louis te Oudenbosch zorgden voor onderwijs op de jongensschool. Op 30 april 1930 kwamen de zusters en broeders aan in Lisse. Op 1 mei 1930 werden de scholen ingewijd en aan het begin van schooljaar begonnen de lessen. Op de eerste schooldag waren er 156 jongens en 144 meisjes, precies 300 kinderen dus. Er waren nogal wat kinderen uit de Kaag, omdat daar geen katholieke school was. Deze kinderen kwamen met het pontje over de Ringvaart naar de 3e Poellaan en verder langs de Heereweg om bij de school te komen. In 1935 werd de zorg voor voogdijkinderen van het Vincentiushuis aan de zusters toevertrouwd. Deze kinderen bezochten ook de beide scholen.

Uitbreiding in 1949

De scholen barstten na de oorlog uit hun voegen. Alle beschikbare ruimten, zoals het materialenhokje bij de meisjes, werden gebruikt als klaslokaal. De plannen om de scholen uit te breiden bestonden al voor de oorlog, maar in 1946 was de nood erg hoog geworden. Het bestuur wilde een nieuwe verdieping op de gymzaal maken. Dat lukte pas in 1949.

Tot 1964 was het Kerkbestuur ook het bestuur van de scholen. In 1964 kwam daar een einde aan en kregen de scholen een eigen bestuur. In 1967 vertrokken de broeders en vanaf die tijd waren er op de jongensschool alleen onderwijzers. Ook aan de lesgevende taken van de zusters kwam een paar jaar later een einde.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw gingen de Wilhelmusschool en de Annaschool eindelijk helemaal samen. De jongens en meisjes kwamen toen bij elkaar in de klas te zitten. De naam van de school werd ‘RK scholen Beekbrug’.

Nu komt er dus een einde aan de rijke onderwijshistorie van de Beekbrug.

De westzijde van de meisjesschool in 1930 met links de gymzaal zonder verdieping. Foto: Beeldbanklisse.nl

 

Hal 1 van de Hobaho wordt gesloopt

Hal 1 wordt gesloopt ten behoeve van woningen. In 1922 is een oude hangar uit Duitsland gebruikt.
Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

22 mei 2018

Nico Groen

Op het moment van schrijven van deze column is de sloper druk bezig aan de binnenkant van de laatste Hobaho-hal aan de Havendwarsstraat om alle materialen te verwijderen. Dit schiet al lekker op en eerdaags wordt de hele hal afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Hiermee heeft deze hal net geen 100 jaar gehaald. De hal werd namelijk in 1922 neergezet door de toenmalige directie Homan, Bader en Hogewoning. Het woord hobaho is van hun namen afgeleid.
Deze laatste hal werd het eerst neergezet (vandaar Hal 1). In 1948 volgde Hal 2, de hal waar later vele tentoonstellingen en rommelmarkten werden gehouden. Hier staat nu het nieuwe appartementengebouw van STEK ‘De Veilingmeester’, dat op 26 juni officieel wordt geopend met onder andere een kleine tentoonstelling van vroegere Hobaho-spulletjes. In de entreehal moet een vitrinekast komen met wat relikwieën van de HoBaHo (o.a. van de VOL).

Terug naar het begin
Homan, Bader en Hogewoning traden al als ‘groene veiling directie’ op. Zij veilden de te velde staande gewassen. Van het veilen van bollen zelf was in de Bollenstreek nog geen sprake (wel in Noord-Holland). Het trio bracht daar verandering in. Daartoe richtten zij de N.V. Hollands Bloembollenhuis op.

De eerste droge veilingen (van bollen) vonden in 1921 plaats in ‘De Witte Zwaan’ aan het Vierkant. De grote aanvoer heeft het trio dat eerste jaar wel verrast. Het was maar goed dat 1921 een mooie droge zomer had, zodat men de bollen zonder waterschade in de buitenlucht kon opslaan. De drie veilingdirecteuren dachten aan de ruimte van het etablissement voldoende te hebben, maar er werden zoveel bollen aangevoerd dat deze in de open lucht moesten worden opgeslagen.

Een vliegtuighangar als veilinggebouw
Het was duidelijk dat deze gok geen tweede keer mocht worden genomen. In die zomer werd het besluit genomen om grond aan te kopen aan de Haven in Lisse. Toen moest er natuurlijk nog een gebouw komen. In Duitsland vond men een vliegtuighangar van voldoende grootte. Door de lage koers van de Duitse mark in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog was dit gebouw een koopje. Het moest echter wel allemaal naar Lisse worden vervoerd. Dat gebeurde per speciale trein met 35 volle wagons. De hangar werd aan de Haven weer opgebouwd. De voor- en achterkant werd nieuw opgebouwd. De bekende architect Leen Tol tekende hiervoor. Het werd een hal van 48 meter breed en 87 meter lang. Deze was dus bijna 4200 vierkante meter groot, waarin aan de kant van de Haven kantoren werden gerealiseerd.

‘Heeren kom bij
Bovenstaande gegevens over de beginjaren van het bollen veilen en de veilinggebouwen zijn ontleend aan het boek ‘Heeren kom bij’, uitgegeven door de Hobaho in 1996 bij het 75-jarig bestaan van de veiling.

Voor de aan- en afvoer van de bollen per boot was er in de hal een sloot in het gebouw, met verbinding naar de Haven aan de Grachtweg. Foto uit het boek ‘Heeren kom bij’ van de Hobaho.

 

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Teun Kulk, oorlogsslachtoffer van WOII

Teun Kulk ligt begraven op Duinhof. Hij overleed als militair bij een bombardement.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

8 mei 2018

Door: Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de Gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Het is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vier oorlogsslachtoffers. Er is ook nog een tweede graf. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Begraven op Duinhof

Een van die twee is van Teun Kulk, geboren op 22 juni 1915. Teun overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940. Hij was toen 24 jaar oud. Hij werd daarna begraven bij de kerk in Valkenburg. Op 11 juni 1940, een maand na zijn overlijden, krijgt zijn familie aan de Achterweg pas bericht dat hij is overleden. Al die tijd hebben zij zich afgevraagd of hij dood was of toch nog in leven. Teun kon worden begraven op de militaire begraafplaats in Katwijk, maar de familie wilde liever dat hij in Lisse zou worden begraven. Er was echter geen geld om dit te realiseren. Vader Kulk besloot om het geld van het spaarbankboekje van zijn zoon hiervoor te besteden. Het rouwtransport vond uiteindelijk plaats op 18 juli 1940. De Hervormde Kerkvoogdij gaf een bijdrage, overwegende: “dat hij het hoogste dat hij bezat, namelijk zijn leven, heeft geofferd voor zijn vaderland, dus ook voor allen, zouden wij het zeer op prijs stellen zijn nagedachtenis te mogen eren, door een bijzonder mooie plaats beschikbaar te stellen op begraafplaats Duinhof. Zodat zijn heldendood ook tot het nageslacht moge spreken”.
In de kerk kwam een inzamelingsactie op gang voor een bijzonder grafmonument. Op 19 april 1941 werd dat monumentale grafmonument op het graf van Teun Kulk onthuld door ds. J.Th. van Veen. Wethouder P. Warmerdam heeft de vader, de moeder en de verloofde Bep Boon en overige familie en vrienden toegesproken. Het toeval wil dat wethouder Warmerdam’s geadopteerde zoon Rinus, die ook in dienst was, op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, ernstig gewond raakte en op 12 mei was overleden.
Vermeldingswaardig is nog dat aan Teun Kulk op 1 oktober 1948 het Oorlogsherinneringskruis werd toegekend voor bijzondere krijgsverrichtingen.

‘Wat toch een tijd’

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Lisse en omstandigheden waaronder zij zijn omgekomen.
Het boek is te leen bij de bibliotheek van Lisse.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Foto: Het monumentale grafmonument van Teun Kulk op begraafplaats Duinhof. Foto: Nico Groen

In memoriam Bert Kölker

Bert heeft het boekje grenspalen en het boek Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839) geschreven.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

24 april 2018

Door: Nico Groen

Onlangs ontving de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” het trieste bericht dat dr. A.J. Kölker (Bert) op 20 januari 2018 was overleden. Bert is 87 jaar geworden.
Bert is in 2015 vanuit Lisse (Jan Steenstraat 41) verhuisd naar  het verpleeghuis Mariënhaven te Warmond vanwege zijn Alzheimer ziekte. Hij is begin  2017 door zijn ernstiger wordende dementie, verhuisd naar een gesloten afdeling in het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest, waar hij is overleden. Hij heeft in zijn leven vele archieven geïnventariseerd en onderzocht, wat geresulteerd heeft in vele boeken en artikelen.

Bert Kölker

Bert Kölker

Zijn betekenis voor de VOL

Bert heeft na zijn pensioen als provinciaal archivaris van de provincie Noord Holland veel onderzoek gedaan voor “Oud Lisse”. De resultaten hiervan zijn o.a. in twee boeken uitgegeven: in 2010 verscheen het boekje “Grenspalen te Lisse” en daarop aansluitend in 2013 het boek “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839)”. Beide boeken zijn nog verkrijgbaar bij de VOL. Het boekje over grenspalen is in A5 formaat met kleurenfoto’s van alle bekende grenspalen in Lisse met een omschrijving van iedere grenspaal en waar deze te vinden is. Ook worden er voormalige Hekpalen van Donjon Dever en van de buitenplaatsen Roozendaal, Grotenhof en van Veenenburg beschreven. Daarnaast zijn in het boekje van de wapenstenen van huize Halfweg en Zandvliet interessante gegevens opgenomen.

Cornelis van der Zaal had zijn werkplaats aan het Vierkant, waar nu museum De Zwarte Tulp is gevestigd. Hij maakte aan het einde van zijn leven een compleet overzicht (kroniek)  voor zijn zoon van de door hem verrichte werkzaamheden aan alle (ca 22!) door hem gebouwde  en/of onderhouden molens in Lisse en omgeving. Naast molenmaker  was Cornelis ook  als timmerman betrokken bij diverse bouwprojecten. Het handschrift is door Bert Kölker getranscribeerd (hertaald)  en voorzien van commentaar bij de geschiedenis van de in de Kroniek genoemde molens, geïllustreerd met ca. 100 oude prenten, foto’s en andere afbeeldingen. Kortom een uniek manuscript van belang voor de lokale en regionale historie. Dat schrijven over molens was aan Bert goed besteed, want hij was jarenlang bestuurslid van de ‘Vereniging Hollandsche Molen’. Een beter geschikt persoon om het dagboek van Cornelis van der Zaal deskundig te transcriberen en relevante archieven te onderzoeken was er niet te vinden.

Ook heeft Bert heel veel vrijwilligerswerk gedaan voor het Westfries Genootschap. Voor het vrijwilligerswerk werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. De Vereniging Oud Lisse heeft hem tot Erelid van de vereniging benoemd op 10 februari 2016 en hem toen een ereoorkonde van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” verstrekt.
Wij zullen hem altijd blijven herinneren als een vriendelijke, beschaafde en bijzonder aardige man en zeer deskundig op gebied van archiefonderzoek.

Lisse in de eerste wereldoorlog in de winter van 1917/1918

Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal. We zijn dus toen niet in oorlog geweest. Dat wil niet zeggen dat er geen gevolgen in Nederland en speciaal in Lisse zijn geweest.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

10 april 2018

door: Nico Groen

Vooral in de laatste winter van de oorlog (1917/1918) was er een gebrek aan heel veel basisbehoeften vanwege de stagnerende im- en export. Veel etenswaren en onder andere zeep gingen op de bon. Door deze situatie verzwakten de mensen tot een bedenkelijk niveau. Daardoor kon de Spaanse griep ernstig toeslaan en stierven in Nederland tienduizenden mensen aan deze griep.

Situatie in Lisse
Zo erg als in de steden, zal het in Lisse tijdens die laatste oorlogswinter niet zijn geweest.
We hebben echter bij een oppervlakkige verkenning erg weinig archiefmateriaal over Lisse kunnen vinden. Om meer te weten te komen over die periode van 100 jaar geleden is serieus onderzoek nodig.  Wel is er veel informatie over het eerste jaar van de oorlog, toen er in 1914 in Lisse veel Belgische vluchtelingen onderdak vonden. Over deze vluchtelingen is een artikel in het Nieuwsblad van januari 2015 van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”  verschenen.

Krant uit 1918
Volgens de krant ‘De Volksvriend’ was er in Lisse vooral sprake van prijsopdrijvingen.
‘De Volksvriend’ was een Nederlandstalige krant uit Orange City in Iowa. Orange City is gesticht door Nederlandse immigranten in de 19e eeuw. De naam verwijst naar Prins Willem III, geboren in 1650. Vanaf 1672 was hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Later werd dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1689 werd Willem ook koning van Engeland en Ierland.
Orange City bestaat nog steeds. Er zijn bijna 6000 inwoners. Ongeveer de helft  is van Nederlandse komaf.

Onderstaande stond in ‘De Volksvriend’ van 21 maart 1918:  “Volgens een brief uit Lisse, Nederland, die ons ter hand gesteld werd door bakker Kluis, moet het er daar tamelijk krap beginnen bij te staan. Koek wordt voor anderhalve gulden het pond verkocht ‘en dan weet je nog niet wat je krijgt’. Melk is 27c, boter f 1.75, rundvet f 1.25 of f 1.50 per pond. Gewoon geel katoen, dat vroeger 10 of 12c kostte, kost nu 59ct. Gewone schoolkousen, f 2.50; andere kousen tot 6 gulden; sajet tot f 2.25 per knot. De kousen worden dan ook al wat ingekort. Schoenen zijn ook zeer duur. ‘En kon men dan alles nog maar krijgen, maar het heugt me niet dat ik rijst geproefd heb, of havermout, of meel, niets is er te krijgen’.
Eenmaal per dag kan men slechts brood krijgen en dan maar weinig, zoodat tweemaal warm eten gekookt moet worden. Dit gaat met nieuwe moeite gepaard, daar er zoo weinig vet is, een half ons per persoon per week, 40c ’t pond. Vleesch is 75 of 90 cent per pond. Spek niet te krijgen. Brandstof is er ook niet ruim; steenkool zoo goed als heel niet. Klompen kosten f 1.50 en f 1.75 per paar. Toch is er nog geen honger volgens den schrijver en kan men, al is het dan ook duur, de nodigste levensmiddelen nog bekomen”.

Al met al was er in die winter een zorgelijke situatie in Lisse.

In Orange City in Iowa wordt nog ieder jaar een tulpenfestival gehouden. Foto: VVV Orange City

Anton L. Koster - Blauwe hyacinten - Gemeentemuseum Den Haag

Nog een maand naar schilder Koster in museum De Zwarte Tulp

Anton L. Koster nog te zien tot 29 april 2018. Deze wisseltentoonstelling heet officieel ‘Naar de bollen. Anton L. Koster, schilder van bollenvelden’.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

27 maart 2018 

door Nico Groen 

In het Museum De Zwarte Tulp zijn schilderijen over de bloembollenvelden van Anton L. Koster nog te zien tot 29 april 2018. U heeft dus nog een maand de tijd om te genieten van deze expositie. Deze wisseltentoonstelling heet officieel ‘Naar de bollen. Anton L. Koster, schilder van bollenvelden’.

Wie was Anton L. Koster?

Anton L. Koster was een kunstschilder, die in 1858 in Terneuzen werd geboren. Hij is overleden in Haarlem in 1937. Vanaf 1880 volgde Koster de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar Breitner, Verster en Isaac Israëls studiegenoten waren. Hij werd daar gevormd door Mesdag. Daar maakte hij naam door stadstekeningen van het oude Den Haag te maken. Koster woonde na zijn huwelijk in 1890 in Haarlem, later in Heemstede.  Dicht bij het centrum van Haarlem, dat toen nog een stuk kleiner was dan de huidige stad, waren vele bollenvelden. Koster was zeer onder de indruk hiervan Hij was vóór 1890 al kunstschilder, maar vanaf die tijd legde hij zich toe op het schilderen van bloemen van bollen en bollenvelden. Het werd zijn specialiteit. Er zijn meer dan 150 schilderijen over bollenvelden van zijn hand bekend. Ieder voorjaar ging Koster met zijn schildersspullen op pad om schetsen van bloeiende bollen en bollenvelden te maken. Later werkte hij  deze schetsen uit tot grotere schilderijen. Bollenkwekers kochten de werken van Koster als relatiegeschenk voor hun klanten, waardoor de schilderijen en krijttekeningen verspreid raakten over de gehele wereld, van Rusland tot de Verenigde Staten.

Anton L. Koster - Blauwe hyacinten - Gemeentemuseum Den Haag

Foto: Museum De Zwarte Tulp is te vinden op ’t Vierkant in Lisse met als adres Heereweg 219.