Uitgegeven artikelen in pers etc.

Sloten van de Poelpolder

 Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

27 mei 2025

 door Nico Groen

In het boek ‘De Lisserpoelpolder 1624-2024’ worden de nog bestaande sloten en kavels in de Poelpolder beschreven. Tussen de 2e en 3e Poellaan zijn de kavelsloten zo goed als allemaal nog aanwezig  en wateren allemaal af op de molentocht. Het boek is nog verkrijgbaar.

 De oorspronkelijke molentocht werd destijds over de gehele lengte van de Poelpolder gegraven vanaf het zuidelijkste puntje van de Cleijpolder in Sassenheim tot de Meeuwenlaan. In het boek staat dat de molentocht nog te volgen is vanaf het zuiden tot aan de Zwaluwstraat. Maar helaas! Door de recente grondwerkzaamheden aan de toekomstige woonwijk Geestwater is de tochtsloot helemaal gedempt vanaf de 2e Poellaan tot ’t Lange Rack.  Ook de kavelsloten, die 400 jaar geleden zijn gegraven zijn daar allemaal gedempt. Het is een gemiste kans om deze cultuurhistorische sloten te behouden. De gemeente heeft anders besloten, ondanks dat de VOL erop heeft aangedrongen de oorspronkelijke sloten in stand te houden en de plannen daarop aan te passen. De kavelsloten in de eerdere woonwijken, die in de jaren zestig en zeventig zijn bebouwd, zijn ook verdwenen, maar toen was er nog niet zoveel historisch besef als tegenwoordig. Tussen de 2e en 3e Poellaan zijn de kavelsloten zo goed als allemaal nog aanwezig  en wateren allemaal af op de molentocht. Er zijn geen kavelsloten ten zuiden van de 3e Poellaan in de Cleijpolder. Op de kaart van Dou uit 1624 staan ook geen kavelsloten ingetekend. Waarschijnlijk zijn hier dus nooit kavelsloten geweest, hoewel dat in het boek anders vermeld staat.

Een nieuwe kleine molen in 1630

Al in de beginjaren van de Poelpolder werd ingegrepen in het waterbeheer van de polder. Het maaiveld van het zuidelijk gedeelte van de Poelpolder lag lager dan dat in het noordelijk gedeelte. Het polderbestuur besloot daarom in 1630, 6 jaar na de realisatie van de Poelpolder, een derde molen te bouwen. Het werd een kleine achtkantige molen voor onderbemaling van de zuidelijke kavels. Waar deze achtkantige molen ooit gestaan moet hebben, is nog enigszins duister, maar de bronnen spreken van het land van Coyman, dat te laag lag oftewel de voormalige kavels IX en X. De meest voor de hand liggende plek is dan tussen de voormalige kavels VIII en IX aan de molentocht. (Zie de kaart hiernaast). Deze plek is nog te bereiken vanaf de Heereweg, langs het pad van boerderij Heemskerk ofwel de Willemshoeve naar de tochtsloot bij het bedrijf van Lubbe. Hoe lang deze kleine achtkanter in gebruik is geweest is niet duidelijk.

De capaciteit van de molentweegang aan het einde van de 2e Poellaan was te klein, bovendien waren deze molens erg onderhoudsgevoelig. Na een stormvloed is de Grote Poelmolen in 1676 gebouwd en werd het overtollige water bij het voormalige Hellegat geloosd. Voor wateraanvoer daarnaartoe werd een kavelsloot verbreed en uitgediept met een aansluiting op de molentocht. Daarna is de kleine molen overbodig geworden omdat deze verbrede kavelsloot richting het Hellegat zuidelijker lag dan de kleine molen.

Foto: Gedeelte van de kaart met de kavelnummers van Jan Pietersz. Dou uit 1624

 

 

Sporen in de Poelpolder: de Ringsloot

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

13 mei 2025

 dor Nico Groen

In het boek ‘Lisserpoelpolder 1624-2024’ worden in het laatste hoofdstuk sporen uit het verleden, die nog te zien zijn, benoemd. Een van deze elementen van 400 jaar geleden is de Ringsloot met de Ringdijk. De Ringsloot met de dijk zijn voor een groot gedeelte nog te volgen. Het boek is nog verkrijgbaar.

 Als vanaf de brug in de Ruishornlaan (De Elkabrug, vernoemd naar de kistenfabriek aan de overkant) de dijk naar het zuiden wordt gelopen, zijn de oorspronkelijke Ringdijk en Ringsloot nog lang te volgen. Dijk en sloot zijn 400 jaar geleden aangelegd. Men passeert de 1e Poellaan, de 2e Poellaan en de 3e Poellaan. Deze westelijke rand van de Poelpolder is nog geheel intact. Dit geldt ook voor de zuidelijke dijk bij de Cleijpolder. Via het overbekende ‘Ommetje Poelpolder’ en ‘Het wandelnetwerk.nl’ kunt u overigens een groot deel van het traject te voet op uw gemak eens nalopen.

Het noordelijk stuk van de Hellegatspolder is grondgebied van Lisse. Tijdens de aanleg van de Poelpolder is de Hellegatspolder met een dam verbonden met de Rooversbroekpolder. Dat is tegenwoordig het fietspad van de 3e Poellaan naar de Grote Poelmolen. Het fietspad heet tegenwoordig Rooversbroekdijk. Dat klopt eigenlijk niet, want de oorspronkelijke Rooversbroekdijk hield bij de Grote Poelmolen op. In het boek wordt daarom de naam Hellegatsdam aangehouden. In het boek staat ook dat dit een aanbeveling aan de gemeente Lisse is om eens over de naam na te denken.

Vanaf de Grote Poelmolen naar het noorden is alles veranderd. De Ringsloot is in 1963 in zijn geheel gedempt met de Ringdijk. Een weg is aangelegd op de vroegere Rooversbroekdijk, die afgevlakt is. Deze weg heet daarom tegenwoordig Rooversbroekdijk. Daarmee werden de beide polders in 1963 samengevoegd.

Bij de Lisserpoelmolen is nog een restant van de toenmalige Ringsloot aanwezig, dat tegenwoordig als haventje wordt gebruikt. De oude route van de Ringsloot is vanaf hier nog te herkennen door de Rooversbroekdijk te volgen tot de Mesdagstraat. Helaas is bij de nieuwbouw in de jaren zestig de rest verloren gegaan. De Ringsloot liep vanaf de Mesdagstraat ongeveer naar de hoek van de Frans Halsstraat met de Gerard Doustraat en vervolgens naar het begin van de Verdistraat. Vandaar liep de sloot net achter de huizen van de Verdistaat in het Mondriaanpark naar het oosten naar Jachthavendam. Net ten zuiden van de jachthaven ligt nog een haventje. Dat wordt het haventje van Oldenhage genoemd. Dit haventje is nog een laatste gedeelte van de Ringsloot.

Vanaf de Jachthaven tot de Elkabrug is de oorspronkelijke Ringsloot, vroeger Havenkanaal geheten, weer goed te zien. Dit gedeelte van de Ringsloot wordt tegenwoordig De Greveling genoemd. Maar de toenmalige Greveling lag veel meer naar het oosten: vanaf de jachthaven naar het Turfspoor in de Lisserbroek als afscheiding tussen de Lisserbroekerpolder en de Rooversbroekpolder. Het was een recht, waarschijnlijk gegraven kanaal.

Foto: Restant van de oostelijke Ringsloot naast de molen, nu een haventje.
Foto: M. Hoogeveen 2023

 

 

 

 

Hongerwinter in Lisse

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

29 april 2025

 door Peter Vink

Dit jaar vieren we 80 jaar vrijheid en herdenken we de slachtoffers van de oorlog.

Vrijheid is echter geen vanzelfsprekendheid en is nooit af. Kijk maar naar de wereld om ons heen waar tot op de dag van vandaag oorlog wordt gevoerd en mensen met dood, vernietiging en honger worden geconfronteerd. Daarom is het goed om de herinnering aan de oorlog in ons eigen land levend te houden en stil te staan bij de ellende van toen, zoals de hongerwinter van 1944-1945.

 Al vóór de bezetting van Nederland door de Duitsers in 1940 was er schaarste aan voedsel, brandstof, levensmiddelen en kleding. Daarom werd een bonnendistributiesysteem ingevoerd om de schaarse artikelen eerlijk te kunnen verdelen. Tijdens de oorlogsjaren nam de schaarste echter snel toe en in 1942 was vrijwel alle voedsel al volledig op de bon. Toch probeerde men zoveel mogelijk door te leven en werd men vindingrijk om met weinig toch te kunnen overleven. De treinstaking in september 1944 veranderde alles in het westen van Nederland. Men hoopte met deze staking de opmars van de geallieerden en dus de bevrijding te versnellen. Het pakte totaal anders uit doordat de Duitse bezettingsmacht als vergelding alle voedseltransporten naar het Westen van Nederland blokkeerde. Daardoor ontstond snel een groot tekort aan voedsel. Ook in Lisse was al snel geen voedsel meer te krijgen. Bovendien werd de levering van brandstoffen gestaakt zodat gezinnen in Lisse vaak zelf ook geen voedsel meer konden bereiden.

Gaarkeuken

Men ging daarom in Lisse een centrale keuken oftewel een gaarkeuken inrichten in een bollenschuur van de firma G. van Parijs aan de Grachtweg. In de grote ketels waarin normaal bloembollen werden behandeld werden nu maaltijden bereid en vanaf 4 oktober 1944 uitgedeeld aan de hongerende bevolking. Het waren sobere maaltijden van afwisselend stamppot, soep of pap. Ongeveer 2500 Lissers melden zich direct voor verstrekking van voedsel uit de gaarkeuken. In mei 1945 was dit opgelopen tot 6000 personen. Dus 60% van de Lissese bevolking deed een beroep op de gaarkeuken. Voor zover men nog wel zelf voedsel kon bereiden op een kacheltje (gestookt met illegaal gekapt hout) werden ook tulpenbollen gebruikt als aanvulling op het weinige wat er aan normaal voedsel te krijgen was. Men gebruikte niet alleen tulpenbollen maar ook voederbieten, aardappelschillen en krokusknollen. Brood werd gemaakt van spinazie, bieten en tulpenbollen. Het Voedingsbureau van den Voedselraad gaf voorlichting hoe tulpenbollen te gebruiken in bijv. stamppot, zuurkool, soep, hartige (pannen)koekjes of brood.

Gelukkig werden in maart 1945 Zweedse voedselpakketten uitgedeeld en volgden snel droppings met voedsel door de geallieerden.

Na de bevrijding in mei 1945 kwam de toevoer van voedsel weer langzaam op gang en was de hongerwinter voorbij. Toch bleven veel producten nog geruime tijd schaars en bleef het bonnendistributiesysteem nog lang bestaan. Pas in 1952 was koffie weer vrij te koop.

Receptenboekje in oorlogstijd

Distributiebonnen

Foto: Ruimte van de gaarkeuken bij Van Parijs tijdens de hongerwinter
Foto’s: OudLisse

Nogmaals ‘Overstroming in de Poelpolder’

 Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

15 april 2025

door Nico Groen 

In het boek ‘Lisserpoelpolder 1624-2024’ worden 5 overstromingen in de Poelpolder beschreven. Het boek is nog verkrijgbaar. De vierde overstroming was in 1804. Over deze overstroming is meer bekend door een relaas van de landmeter van Rijnland.

 De weersomstandigheden waren vóór de overstroming al buitengewoon slecht. In het boek staat dat er gesproken wordt over ‘Felle noord-oosten winden en buien’ die het water in zuidelijke richting opstuwden en dus ook het water van de  Ringsloot rondom de droogmakerij. De ringdijk had al veel schade opgelopen. De weersomstandigheden werden maar niet beter en ‘eindelijk’ in de ‘Nagt tussen Zondag en Maandag den 12den en 13den Februari 1804’ gebeurde het dan toch. Niet ver ten noorden van de 1e Poellaan, ongeveer tegenover de Zemelpoldermolen, ontstond ‘tot opden bodem’ een gat en die alles binnen ‘den Poel dreigde omver te werpen’.

Gevolgen van de overstroming

Kennelijk waren veel eigenaren niet bedacht op een overstroming van deze omvang. Veel boeren hadden op dat moment nog vee in de weiden lopen. De boeren moesten dus in rap tempo ‘hun vee en haave zoo verre het zich daarin bevond ontruymen en tragten te redden’. Maar dit was natuurlijk niet het enige probleem. Ook vele gaten in de dijken moesten met spoed gedicht worden, terwijl er een ‘groot gebrek aan de meest benodigde Specie (aarde)’ was volgens de landmeter. Ook het vervoer was een probleem. Bij de grote doorbraak tegenover de zemelpoldermolen hebben de eigenaren zelfs een schip laten zinken omdat er  niet genoeg grond was te vinden in de nabije omgeving. We lezen dat de boeren deze actie ‘met geen ongunstige gevolg beloond’ zagen.

De landmeter had zelf waargenomen dat het water tot 1,5 m hoogte in de polder was gekomen. Aan huizen en boerderijen was veel schade aangericht. Een drietal ‘Huysmanswoningen’ had zelfs zoveel van de overstroming geleden, dat men tot sloop overging en het puin gebruikt werd om de beschadigde dijk te verstevigen. Een groot gedeelte van de dijk was zwaar beschadigd, maar dat was nog niet alles. De bruggen in de 1e en 2e Poellaan waren er slecht aan toe. Beide bruggen hadden, zo lezen we, ’door de zwaere persingh van ’t Water zodanigh geleden dat de steene Vleugels geheel zijn omgevallen en alles verder uyteen gerukt’. Er moesten dus nieuwe bruggen gemaakt. Timmerman J. Guldemond heeft dat aangenomen voor 3.125 gulden. Kort na het herstel van beide bruggen ontstonden nieuwe problemen, want de Zemelbrug bleek op te laag niveau te zijn gerepareerd. Onder deze brug door werd zand vervoerd van een afzanding bij het Keukenduin nabij het Reigerbos, ten behoeve van ophogingen in Amsterdam. Na de reparatie van 1804 konden zandschuiten helaas niet meer onder de brug door. De eigenaar van de afzanding, Van der Staal, heeft na hevige discussie uiteindelijk de ophoging van de brug zelf moeten bekostigen.

De kosten die alle schade met zich mee bracht waren enorm en geraamd op 15.000 tot 20.000 gulden, een enorm bedrag voor die arme tijd.

Foto.: Deze foto uit 1953 laat zien hoe een gat in de dijk met een schip gedicht kan worden.
Foto: Uit het boek ‘Lisserpoelpolder 1624-2024’

 

Overstroming in de Poelpolder

 Sporen van vroeger  (LisserNieuws)

1 april 2025

door Nico Groen

 In het boek ‘Lisserpoelpolder 1624-2024’ worden 5 overstromingen in de Poelpolder uitgebreid beschreven. Het boek is nog verkrijgbaar. De bedijkte Lisserpoel was in 1624 drooggevallen, maar even later, in 1625, stond alles weer onder water. Dat kostte veel geld en een jaar niet oogsten. Ook in 1675 was het weer raak.

 In het begin van 1625 was er een hevige stormvloed waardoor de dijken van de Zuiderzee bij Muiden en Diemen doorbraken. Het water overstroomde een groot gedeelte van de veengebieden ten noorden van de Oude Rijn. Dat gold ook voor de directe omgeving van het Haarlemmermeer. Op 22 maart 1625 werd er melding gemaakt dat ook de dijken van het pas aangelegde bedijkte Lisserpoel het hadden begeven door ‘den grooten vloet en hoogen water’ Het pas ingepolderde land stond dus opnieuw onder water. Niet alleen de dijk was beschadigd, maar ook de pas gegraven molentocht en de sloten tussen de kavels. Dit moest allemaal hersteld worden. Ook de werven bij  molens waren grotendeels weggeslagen en de huisjes waren beschadigd.

Extra kosten moesten worden gemaakt om de Ringdijk te herstellen en steviger te maken. De eigenaren van de kavels hadden in de zomer van 1625 de eerste oogsten van het land willen halen, maar door de overstroming was dat onhaalbaar. Op de drooggevallen gronden werd eerst haver geteeld en uit de rekeningen blijkt dat pas in de zomer 1626 voor het eerst werd geoogst, De eigenaren van de kavels zullen dus pas in 1627 de eerste inkomsten van hun nieuw verworven gronden hebben gehad. Om de eigenaren van de kavels tegemoet te komen werd hun toegezegd dat zij nog minder belasting hoefde te betalen.

Het jaar 1675

In de nacht van 4 op 5 november woedde er een hevige noordwesterstorm, ook bekend als de Allerheiligenvloed. In Noord-Holland braken meerdere dijken door. Zo liep ook de Spaarnedammerdijk ernstige schade op. Er ontstond ten oosten van Halfweg een gat van 140 m. breed. Ook de zeedijk bij Muiderberg brak door. Tot aan de Oude Rijn kwam alles tot de duinen onder water te staan. Bij de stormvloed werd ook de Ringdijk om de bedijkte Lisserpoel op 3 plaatsen doorgebroken. Een van de drie was bij de dam in het Hellegat, het tegenwoordige fietspad tussen de grote Poelmolen en de 3e Poelaan. De tweede was bij de huidige haven van Lisse achter de Copinstraat en de derde helemaal aan de zuidkant voorbij de 3e Poelllaan in Sassenheim. Op 30 november kwamen de directeuren en de eigenaren bij elkaar.Er moest begonnen worden met het dichtmaken van de 3 gaten volgens een bestek dat publiekelijk werd aanbesteed. Het werk werd afgerond in maart 1676.

De aanwezige 2 molens bij de 2e Poellaan waren niet toereikend  om de Bedijkte Lisserpoel effectief droog te malen, ook omdat een van de twee molens in zeer slechte staat verkeerde. Op 25 maart 1676 namen de  ingelanden (eigenaren) daarom het besluit een nieuw achtkantige vijzelmolen te bouwen nabij de huidige 3e Poellaan. Deze molen staat er nog steeds.

Foto.: Ondergelopen gebieden na de stormvloed van 1625
Foto: Gottschalk 1977 uit het boek ‘Lisserpoelpolder 1624-2024’

Het wapen van Lisse.

Sporen van vroeger   (LisseNieuws)

18 maart 2025

  Door Peter Vink 

In deze ‘Sporen van vroeger’ iets over heraldiek of wapenkunde en het verhaal achter het wapen van Lisse.

Heraldiek of wapenkunde is de wetenschap achter herkenningstekens van personen, families of organisaties. Het is ontstaan in de 12e eeuw tijdens de kruistochten toen ridders hun wapenuitrustingen versierden met symbolische voorstellingen en emblemen. Op het slagveld dienden ze als herkenningstekens.

Daarna wenste elke gerespecteerde edelman met aanhang zich met tekens op schilden, vaandels, banieren en zadeldekken van paarden kenbaar te maken. Zoiets van: dit is mijn grondgebied en dit zijn mijn strijdkleuren. Rond het jaar 1200 werden wapenschilden erfelijk en blijvende familietekens. Om te zorgen dat niet iedereen dezelfde tekens en kleuren ging gebruiken werden in de 14e en 15e eeuw registers of wapenboeken ingesteld. Deze werden bijgehouden door een ‘heraut’ of ‘wapenkoning’.

In de loop van de tijd werd het wapen steeds meer een symbool van eenheid binnen een familie. Met een wapenzegel werden brieven en belangrijke oorkonden bekrachtigd. In het begin was heraldiek eenvoudig, maar later verviel het in decadentie met wanstaltige wapens zonder heraldische regels. Met Napoleon kreeg de heraldiek een nieuw impuls en werden de regels verandert. Het voeren van een wapen werd niet meer alleen voorbehouden aan de adel en hogere klasse. Thans heeft iedere burger het recht tot het voeren van een wapen volgens de heraldische regels.

Wapen van Reinier Dever uit het wapenboek van Gelre 1395

Sinds de 13e eeuw is de naam Aper oftewel d’Ever (Dever) bekend en verbonden met Lisse.

Rond 1375 woont Heer Reinier Dever in een ridderhofstede bij Lisse het huidige Huys Dever.

De d’Evers voerden een wapen te weten ‘een halve Hollandse leeuw van rood, getongd en genageld van blauw op een gouden veld’. Dit doet afstamming vermoeden uit het Hollandse gravenhuis. Vanaf 1589 werd de Heer van Dever ook heer van de ambachtsheerlijkheid Lisse. De heerlijkheid Lisse zegelde vanaf die tijd altijd met het wapen van het geslacht d’Ever.

Het wapen van Lisse:

Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 stelde de Gemeente Lisse er prijs op om een eigen wapen te gaan voeren. Dat moest wettelijk worden vastgelegd in een register bij de Hoge Raad van Adel in Den Haag die daartoe bevoegd was. Zoals eerder genoemd zegelde Lisse altijd al met een wassen zegel (groen of rood) met het wapen van Dever. Dus koos men in 1815 voor het wapen van Dever maar wel met andere kleuren namelijk geel als goud en blauw als lazuur (de kleuren uit het wapen van het Koninkrijk).

Op 24 juli 1816 verkreeg de Gemeente Lisse het volgende wapen: ‘van goud, beladen met een halve klimmende leeuw van lazuur’.

Er zijn wel kleine verschillen met het wapen van Dever zoals de kleuren, de vorm van de leeuw en de schildvorm. Toch is het wapen van Lisse een mooie verwijzing naar het geslacht Dever en de bewoners van ‘den huijse van Lisse’ oftewel ‘t Huys Dever.

 

 

Wapen van de Gemeente Lisse

 

Wapenschild met het wapen van Dever;

Foto’s: Wapen van Reinier Dever uit het wapenboek van Gelre 1395; Wapenschild met het wapen van Dever; Wapen van de Gemeente Lisse

Hoe leefden de vroegste bewoners van Lisse en omgeving?

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)

4 maart 2025

 Door Peter Vink

In de vorige column van ‘Sporen van vroeger’ werd geschreven over recente archeologische vondsten in Lisse. Daarbij zijn sporen van vroege bewoning uit de steentijd gevonden. Maar hoe woonden en leefden deze vroege bewoners?

De nieuwe steentijd, ook wel Neolithicum genoemd, was de tijd waarin de landbouwcultuur langzaam opkwam. De mens verruilde zijn rondtrekkende levenswijze als jager-verzamelaar in voor een verblijf op een vaste plek. Deze eerste ‘boeren’ behoorden tot de zogenaamde bekerculturen, zoals de Vlaardingencultuur. Men heeft bij opgravingen elders in Nederland al goede reconstructies kunnen maken over hoe deze mensen woonden en leefden.

Daarbij is vastgesteld dat de eerste ‘permanente’ bewoners hun nederzettingen bouwden op de hoger gelegen schrale zandgronden, zoals nu ook het geval bleek bij de opgraving in Lisse. Men bouwde grote familiehuizen van stevige houten palen met een dak van riet. De wanden bestonden uit een vlechtwerk van takken die was dichtgesmeerd met klei. Met het bouwen van deze huizen kon men zich goed tegen regen, kou en wind beschermen.

Nu men van een rondtrekkend bestaan was overgegaan naar wonen op een vaste plaats moest men het voedsel natuurlijk ook in de directe omgeving kunnen vinden en verbouwen. Dat was in een gebied rond Lisse op de grens van nat en droog en bij de kust geen probleem. Men kon er volop eetbare planten vinden en jagen op zowel land- als waterdieren. Het was waarschijnlijk de belangrijkste reden om in het gebied bij Lisse op een duintop te gaan wonen.

Ook gingen de mensen in deze periode land bewerken voor het verbouwen van eetbare of nuttige planten. Dat bewerken van het land ging nog wel zeer primitief waarbij de grond werd losgemaakt met een eenvoudige hak van hout of steen. Deze hak ontwikkelt zich tot een zogenaamde haakploeg of eergetouw. Na het losmaken van de grond werden zaden gezaaid van bijvoorbeeld gierst, vlas, boekweit of emmertarwe een oergraansoort. Na de oogst werd het graan en gierst als belangrijke voedsel gebruikt naast de gevangen land- en waterdieren. Later werden ook dieren als tam vee gehouden zoals varkens, geiten en runderen voor melk, vlees en huiden en een os om met een eergetouw de grond te kunnen bewerken en uiteindelijk voor het vlees.

Het wonen op een vaste plaats betekende dus een nieuwe levenswijze. Van deze levenswijze zijn nu in Lisse duidelijke sporen gevonden zoals een stenen bijl, fragmenten van aardewerken beker(s), vuursteen-fragmenten, een stuk van een maalsteen en botmateriaal van dieren. Ook zijn in het zand diverse paalafdrukken van een nederzetting, sporen van grondbewerking met een eergetouw en een voetafdruk gevonden. We kunnen dus stellen dat rond Lisse al heel vroeg sprake was van bewoning en menselijke activiteit.

Er zijn ook veel grondmonsters verzameld en gespoeld die nu worden geanalyseerd.

Het verhaal krijgt dus nog een vervolg.

Het analyseren van de gespoelde grondmonsters door een archeoloog
Foto: VOL

“DE NACHTEGAAL’ EN DE ZWARTE LAAN; De rommeling. (84)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In mijn kinderlijke verbeelding waren er twee speeltuinen, een in Groenendaal en een bij “De Nachtegaal”. Als we met moeder naar de speeltuin gingen liepen we naar Heemstede; voor mijn grootmoeder was de speeltuin bij “De Nachtegaal” ken­nelijk ver genoeg. Deze keer gaan we dus met Oma en dan krijgen we een kogel­flesje. Wat heeft een kind toch soms eigenaar­dige spelletjes of liefhebberijen. Of moet ik het behebtheden noemen? Ik wilde beslist van Hillegom af helemaal midden op de straatweg lopen. Dan telde ik de stappen die ik liep zonder opzij te gaan. Als mijn grootmoeder een snoepje had zou ik be­slist niet naar haar toekomen, ook al wei­gerden mijn zusjes me iets te brengen. Als ze riepen dat er een mooie bloem of een bijzondere plant in de wegberm stond — en dat was voor mij nog heel wat meer dan een snoepje — weigerde ik te komen kijken. Dat komt straks wel, dacht ik. Ik had bijna mijn record van 288 stappen bereikt. En wat een pech; wat voelde je je dan ongelukkig als er hard een auto aan kwam rijden en je dan op het laatste ogen­blik toch opzij moest! Maar wat voelde je je  anderzijds  opgelucht  en bevrijd als zo’n auto dan bijtijds ergens afsloeg of een paard-en-wagen met een bocht om je heen reed, zodat je toch door kon  lopen  …… Ik  geloof,  dat  kleine  kinderen  heel  wat dingen doen, waar wij grote mensen niks van begrijpen. Mijn grootmoeder vond me natuurlijk   erg   eigenwijs.   Maar   het   was geen eigenwijsheid; ik was gewoon net als ieder   kind   in   zijn   eigen   wonderwereld, een echt “wónderkind”.  Intussen kan ik niemand   aanraden,   dat  spelletje   —  nee, het was  eigenlijk  voor  mij een heel se­rieuze zaak — in 1981 nog eens na te doen. Maar goed, nu zijn we dan toch echt bij “De Nachtegaal” en de speeltuin.  Nu ja, speeltuin ……. ik geloof dat er alleen maar een kleine draaimolen was met een stel schommels, maar je kon roepen en hol­len en overal aanzitten of in je eentje wat prakkezeren tussen de bomen en het eikenhakhout aan de achterkant. En dan was er nog dat kogelflesje. “De Nachtegaal” is gebouwd in 1902. Vroeger moet er aan de overkant van de weg een boerderij hebben gestaan. Nach­tegalen heb ik er nooit gehoord. Wel zin­gende dames, die op fietstocht waren. In  “Lisse in oude ansichten”, deel 1, is op bladzijde 34 en 35 al heel wat over het café-restaurant en de eigenaar, de heer Van Zoelen, verteld. Ook over zijn knappe dochters. Daarover kunnen we dus thans zwijgen, ’t Ging trouwens aanvankelijk niet zo best met de zaak, in 1913 werd ze overgenomen door Van der Eerden en Van Zoelen failleerde.

Aan later tijd heb ik weer heel andere her­inneringen. Na een dansavond in “De Nachtegaal” — een soiree, heette dat — liep ik met een jongedame uit Lisse de he­le Zwartelaan af tot aan de vijvers van Zandvliet toe. ’t Was heel stil, een beetje vriezend; de maan scheen helder door de bomen. ” ’t Is net echt”, zei ik. “Is het dan niet echt?” vroeg ze verschrikt. Ach, ach, wat een situatie! Sint Nicolaas weet alles. Of zou ik toch wat te loslippig zijn ge­weest? Hoe dan ook, op Sinterklaasavond werd een hele grote pop naar binnen ge­bracht, die kennelijk op de bewuste jonge­dame leek. Een heel lang vers erbij, met als refrein: “Als je me ziet, dan kan je het wel gissen; ik ben een boerenmeid uit een gat als Lisse!” Ik geloof, dat er iemand jaloers was.

 

Boswachterswoning van Veenenburg

Maar ja, “De Nachtegaal” wordt nu groot, de romantiek is voorlopig weg en de bo­men zijn verdwenen. Ik speel er nu nooit meer met andere kinderen, ik dans er niet meer met jongelui uit Hillegom en Lisse, maar vind er wel steeds weer mijn goede vrienden van de “Probus”. Naast “De Nachtegaal” was de toegang tot de buitenplaats “Veenenburg” met de boswachterswoning van Rias (Zacharias) van der Burg. Ziet U die mooie palen ook goed? Zouden ze er nog staan? Niet zo lang ge­leden waren ze er nog. En waar zijn ze dan gebleven? Wanneer men jaren lang overpad verleend heeft over zijn eigen grond, dan mag men een weg niet maar zonder meer afsluiten; dat is bekend. En zo is ook langzamerhand wel het gevoelen ontstaan, dat men een paar palen die eeuwen lang aan de weg hebben gestaan niet zo maar zonder meer kan elimineren. Ook al zou toeval­lig achter het kadasternummer van het be­treffende perceel de naam van die of die zijn   vermeld    ……    De   Zwartelaan    had niet zijn huidige tracé. Hij liep vroeger met fraaie bochten tot vlak voor het huis Veenenburg, dat stond tussen de huidige Veenenburgbrug en de Frederikslaan. Er was daar zeer zwaar geboomte. Het was er ook overdag helemaal donker; vandaar de naam.

Villa Wildlust

De eigenaar van Veenenburg begon op be­scheiden schaal zijn duinen af te zanden. In 1888 was men al zo ver gevorderd, dat achter de buitenplaats Wildlust en achter de tegenwoordige “Nachtegaal” al een flink stuk duin weg was. Het land werd aanvankelijk als aardappelland verhuurd, maar met name in droge zomers liet de opbrengst veel te wensen over, omdat men minstens vier voet zand te veel had zitten. Na 1888 werd de zaak grootscheeps aange­pakt. Het zand werd verkocht aan een “zandleverantiemaatschappij” te Amster­dam, die het met “bakken” ofwel “blok­ken”, grote schuiten, deed vervoeren. Anna van Gogh-Kaulbach schreef: “En op de vlakten bewogen mensenlijven, gebukt naar de aarde, werkend, werkend. Plots sidderde de beuk in pijn van den eersten bijlslag, en nu haatte hij de mensen, die eerst de zegening van zijn bladerdak ge­vraagd hadden en nu wreed hem vermoord hadden, omdat zij de koude vlakte liever had­den  dan  ’t droomstille,  innig warme bos. Toch, in zijn stervenssmart nog hoopte hij, dat heerlijk kleur jubelende bloemen zou­den   groeien   op   de   plaats,  waar  hij  ge­leefd had”. (Nu, die beuk heeft zijn zin ge­kregen.)   Later werd door Baron van Hardenbroek,   de   schoonzoon   van   de   Heer Leembruggen,    de    kunstzandsteenfabriek opgericht.   De   Zwartelaan   werd   rechtge­trokken en al  het land aan de zuidwest­zijde van de laan met nog een gedeelte aan de andere kant aangekocht door de bloembollenfirma   M.   Veldhuyzen   van   Zanten &   Zonen.   Die   zaak   was   begonnen   op “Klein Veenenburg”   aan   de   Loosterweg (“De Lissers”, 24), waarvan men hier een foto ziet van omstreeks 1900, maar ze had zich op korte termijn sterk uitgebreid. Ze meende eigendomsrecht te hebben op een deel van de Zwartelaan, althans van af de — dezer dagen vernieuwde — Zwartebrug tot aan de Loosterweg. Aldus liet ze daar in het voorjaar van 1907 aan de zuidkant van  de laan  mooie boompjes zetten ……

En toen?

Klein Veenenburg

De Zwartelaan was nu binnen de invloed­sferen van drie grootmachten gekomen: Keukenhof/Wildlust, Veenenburg/Hardenbroek en M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen. Het was algemeen bekend, dat er tussen deze supermachten niet veel liefde gespild werd. Op zekere morgen waren letterlijk alle mooie boompjes omgehakt. Wie dat gedaan had, wist men natuurlijk niet, maar iedereen wees naar Baron van Hardenbroek en zijn boschwachter. Erger­nis ……   In het najaar van 1907 wilde de firma Van Zanten toen de weg aan de Ge­meente Lisse schenken, maar deze hield zich voorlopig wijselijk op een afstand. Een paar jaar later, in 1910, plaatste de firma Van Zanten aan beide einden van de Zwartelaan een bord “Verboden Toegang”. In feite niet verboden voor iedereen, maar voor sommigen wél. Een andere zaak was de gasfabriek. De Gemeente had daartoe van “Piet van Rui­ten van Ter Specke” een perceel aange­kocht bij de Jannetjesbrug, waar later de “Tuinbouwwinterschoor werd gebouwd. Die plek bleek niet zo geschikt, men zocht een perceel aan een groot vaarwater, het liefst aan het Kanaal, en men had er al ver­schillende op het oog. Toen bood ineens de Heer Van Zanten, zelf lid der gemeente­raad, een stuk land aan, dat lag langs de Zwartelaan, vlak achter Wildlust, waar de oudste zoon van de eigenaresse van Keu­kenhof woonde. Uren lang is er in de raadsvergaderingen over gepraat. Aanhou­den, stemmen, alles verworpen. “Wat nu?” Graaf Van Lynden richtte zich tot de Raad in een rekest, om de fabriek vooral niet op het terrein van Van Zanten te stich­ten, omdat in dat geval het verblijf op Wildlust voor hem onmogelijk zou worden ge­maakt. De moeder van de graaf wilde de Gemeente Lisse zelfs f 2.000 schenken -dat was wat in die tijd! – als de fabriek geplaatst werd aan de Ringvaart. Boven­dien bood ze zelf een perceel aldaar aan. Daarop deelde de Heer Van Zanten mede, dat zijn firma een gelijk bedrag wilde schenken, als de fabriek wel op hun ter­rein aan de Zwartelaan zou worden gebouwd. Enz., enz.!!! Ten slotte kwam de fabriek aan het Kanaal, maar niet op het terrein aangeboden door “Keukenhof”.

Gebouwen van M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen

Nu moeten we aan dit Lissese verhaal maar spoedig een einde zien te maken. Achter “De Nachtegaal” heeft de firma M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen in 1910 haar royale bedrijfsgebouwen gezet (“De Lissers”, 25). Ze zijn juist dit jaar weer afge­broken. De Stichter van de zaak, die op zijn tachtigste jaar nog het ridderkruis van Oranje-Nassau kreeg opgespeld (“De Lissers”, 2), bouwde de villa Veenenburg, tussen de Zwartelaan en “De Nachtegaal”. Na het overlijden van de “Oude Marinus” werd — zeer wonderlijk — het huis ver­kocht, steen voor steen afgebroken en precies weer opgebouwd aan het “Laantje van Zwanendrift”. (Dit was, toen de Laan van Rijckevorsel nog niet bestond, de toegangsweg naar de boerderij Zwanendrift). De Heer L. Onderwater, die met de hyacint ‘Marconi’, een sport van ‘Cardinal Wiseman’, goede zaken had gedaan, bezat nu voor f 10.000 een ruime woning. Hij noemde het huis ook “Marconi”, en al­dus heeft Lisse nu haar “Marconilaan”. Ter plaatse van het afgebroken huis werd in de typische stijl der twintiger jaren een nieuwe villa “Veenenburg” gebouwd, die thans op haar beurt op de sloper wacht. In 1911 liep het met de prachtige buiten­plaats Veenenburg ten einde. De eigenaar, Arnoud baron van Hardenbroek, had zand nodig voor zijn steenfabriek en verkocht Veenenburg uit de hand aan de firma Gebrs. Driehuizen. In 1913 werd het huis gesloopt en een jaar later was de gehele buitenplaats reeds veranderd in tuingrond. De steenfabriek voer er wel bij!

DE LISSESE SPOORWEGKWESTIE; De rommeling. (77)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Het is bekend, dat bij het aanleggen van de spoorweg Haarlem-Leiden over het terrein van Veenenburg de eigenaar, de Heer J. Leembruggen, alleen toestemming gaf, als de stoptrein ook aldaar, aan de Frederikslaan, juist over de grens met Hillegom, indien hij dat wenste, zou stoppen. Het­geen eindelijk werd geaccordeerd. Daar­over leest men uitvoeriger in “Keukenhof”, blz. 157/59. De Heer Leembruggen maakte er geen misbruik van; het was voornamelijk voor de kinderen, die in de stad naar school gingen. Een en ander gaf echter wel aanleiding tot de langslepende “Lissese spoorwegkwestie”. We lezen in de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij 1839-1889”: Het had aanvankelijk in het voornemen gelegen, om in plaats van te Veenenburg, zoals werkelijk geschiedde, aan de Hillegommerbeek en aan de Lisserweg een halt te ves­tigen. Bij de onderhandelingen over de onteigening van de bij Veenenburg liggen­de gronden, bleek de eigenaar evenwel zóó onhandelbaar, dat men tegenover de overdreven eischen wel genoodzaakt was te voldoen aan zijn verlangen, en dus te Veenenburg een halt moest vestigen, ofschoon dat station veel ongunstiger ten opzichte van de dorpen gelegen was.

 

Is dit station Veenenburg? redactie website)

In verband met de korte afstanden waarop deze halt van de geprojecteerden te Hillegommerbeek en aan den Lisserweg zou liggen, werd toen besloten van het vesti­gen van beide laatstgenoemde halten af te zien. Doch wat geschiedde? Over de Hillegommerbeek en den daaraan evenwijdig loop­enden weg, moest een brug gebouwd wor­den, waarvoor toestemming moest wor­den verkregen van den eigenaar. Deze wei­gerde haar evenwel te verleenen, indien ter plaatse geen halt gevestigd werd. “Z. Hg. WelGebooren” — aldus klaagde men in een brief aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, waarin werd aangedron­gen op een nieuw wetsontwerp voor de ont­eigening — “Z. Hg. Welgebooren muntte bij die onderhandelingen niet minder (dan de eigenaar van de Veenenburgsche gronden) uit in volslagen onhandelbaarheid, zoo zelfs, dat er met dezen eigenaar over de zaak niet te spreken was, zonder de drif­ten op een hooggaande wijze gaande te maken.” Er viel dus niets aan te veranderen: alleen werd eindelijk en met de meeste moeite verkregen, dat slechts één trein per dag in iedere richting behoefte te stoppen. Dat men er nu van afzag, ook nog aan den Lisserweg te stoppen, niettegenstaande de belanghebbenden hierop later aandrongen, ligt voor de hand. Nu lezen we in “Spoor- en tramwegen, 37e jrg, nr. 15”, het artikel van Ir. B.W. Colenbrander.

“Vanaf de aanvang der exploitatie bestond reeds 1 1/2 km ten noorden van Veenenburg, een stopplaats Hillegommerbeek, eveneens ter wille van een landeigenaar, waarbij men in de aanvang was overeenge­komen dat daar slechts één trein per dag in iedere richting zou stilhouden. Het stoppen aldaar impliceerde tevens een stop te Veenenburg krachtens de bestaande overeenkomst. De H.IJ.S.M. wilde nieuwe stations Hillegom en Lisse bouwen en het station Veenenburg laten vervallen en knoopte daartoe onderhandelingen aan met de familie Leembruggen, die echter geen afstand van haar aanspraken wilde doen. Bij arbitrale uitspraak in 1895 werd de H.IJ.S.M. in het ongelijk gesteld. Deze zon toen op andere middelen om het ge­stelde doel te bereiken. Er werden twee nieuwe stopplaatsen (hulpstations) geopend: Hillegom, 1 km ten noorden van Hillegommerbeek en Delfweg tussen Veenenburg en Piet-Gyzenbrug.

Is dit station Veenenburg? (redactie website)

De stoptreinen zouden derhalve te Voge­lenzang, Hillegom, Hillegommerbeek, Veenenburg, Delfweg (later omgedoopt in Lisse), Piet Gyzenbrug, zes maal op een traject van elf km moeten stoppen. De dienstregelingen moesten worden goedge­keurd door de minister van Waterstaat, op advies van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten. Het is zeker dat H.IJ.S.M. de Raad van Toezicht terzake heeft ingelicht en onderhands geadviseerd heeft een stopplaats te laten vervallen i.c. Veenenburg. Die opzet is gelukt. Voor de dienstregeling welke 1 oktober 1896 zou aanvangen diende de H.IJ.S.M. een ontwerp in waarbij de, uit hoofd der overeenkomst, voorgeschreven stoppingen voorzien waren. Het ministerie wijzigde het ontwerp in dier voege dat alle treinen te Veenenburg moes­ten doorrijden en deed daarvan mede­deling aan de H. l J.S.M. De Maatschappij protesteerde (23 sept.), maar de minister besliste dat het haltegebouw gesloten moest worden, hetgeen kenbaar werd door plaatsing in de Staatscourant dd. 27/28 september. De mise-en-scène was compleet omdat in de vroege morgen van 1 oktober een dis­trictsinspecteur van het Spoorwegtoezicht, een Rijksingenieur der Spoorwegen en Rijkspolitie naar Veenenburg gedirigeerd waren. De stationschef trachtte het sta­tionsgebouw binnen te gaan, hetgeen hem werd belet; de beveiliging werd ingevolge opdracht van de Raad van Toezicht en op schriftelijke last van de minister afgekop­peld en de sluiting door aankondiging ter plaatse openbaar gemaakt. De Maatschappij stelde op 5 oktober bij deurwaardersexploit de Staat aansprake­lijk voor de gepleegde handelingen. Over­macht was dus in optima forma aanwezig en daar was het juist om te doen; dit was de enige uitwijkmogelijkheid voor de H.IJ.S.M. De familie Leembruggen zat niet stil. Zij dagvaardde de Maatschappij, die op haar beurt de Staat in vrijwaring opriep. De Arrondissements Rechtbank te Amsterdam overwoog dat de overeenkomst van 1842 gesloten was vóórdat de eerste Spoorweg­wet (van 1859) tot stand kwam. De Rechtbank aanvaardde het beroep op over­macht van de Maatschappij en veroordeel­de eiser in de kosten. De erven Leembrug­gen gingen in hoger beroep, zodat de zaak in februari 1901 diende voor het Gerechts­hof te Amsterdam. Wat de hoofdzaak be­treft bleef de beslissing, zoals deze door de Rechtbank genomen was, doch de verde­ling der kosten werd iets gewijzigd. Daarmee was voor de erven Leembruggen de zaak afgedaan. Het nieuwe station Hillegom kostte f 150.000, dat te Lisse bijna f 200.000.

“De Locomotief’, 19 augustus 1896: Te Lisse is eene druk bezochte openbare ver­gadering gehouden naar aanleiding van de kennisgeving aan het gemeentebestuur, dat het station Veenenburg met 1 October op­geheven en vervangen zal worden door twee halten, eene meer in de nabijheid van Lis­se, de andere meer in die van Hillegom. De vergadering vereenigde zich eenstemmig met eene motie, uitdrukkende, dat die op­heffing, waardoor eene belangrijke vermin­dering van stoptreinen zou ontstaan, eene ramp zou wezen voor de gemeente Lisse, die daardoor een gevoelig verlies in haar belangrijk handelverkeer, en alzoo in hare welvaart zou lijden. Besloten werd eene commissie te benoemen om uit naam van de gemeente onverwijld en met den mee­sten nadruk bij de autoriteiten, die op de opheffing en ook op de handhaving van het spoorwegstation Veenenburg invloed kunnen uitoefenen, aan te dringen op het behoud van gemeld station” Het Maandblad der Ned. Ver. van Spw. Ambtenaren” gaf volgens “De Locomotief” van 14 october 1896 op de volgende wijze van de sluiting van het station Veenenburg aan haar lezers kennis.

O, lezer ‘k kom met een doodsbericht,

Met een diep en diep bedroefd gezicht:

Veenenburg, bekend of onbekend, om ’t even,

Is niet meer in leven!

Voorheen stopte daar een enkele trein,

Toen, de meesten van de lijn,

En   thans   ……   thans   blijft   de   toegang dicht

Al zetten de burgers een kwaad gezicht.

Mijnheer Leembruggen, ontevreden

Dat te Veenenburg vele treinen doorreden,

Dwong de H.IJ.S.M. op reden van contract

Tot  stilhouden   van   schier alle   treinen, exact!

Maar de Minister van Waterstaat

Hield een praatje met den Raad,

Maakte al dat dwingen uit

En gaf bevel: “Veenenburg sluit!”

Zoo ging dus Veenenburg te loor,

Alle treinen rijden 1 October door.

Te Lisse en te Hillegom nemen ze nu rei­zigers op,

Al staan de Veenenburgers ook op hun kop!

Ja, Ja, dat komt ervan,

Als men ’t onderste wil uit de kan!

Als men thans de lege stations Hillegom en Lisse ziet, dan vraagt men zich af, waar al die boosheid en al die ergernis toch eigenlijk voor nodig is geweest. Wat is er toch veel nutteloos gedoe op de wereld, als je het achteraf bekijkt.

 

 

Veenenburg

De vroegste bewoners van Lisse en omgeving

Sporen van vroeger    (LisserNieuws)

18 februari 2025

 door Peter Vink

Zelden is de naam van deze column zo actueel als de laatste tijd. Er zijn namelijk bij opgravingen op de plek waar de nieuwe woonwijk Geestwater komt bijzondere vondsten gedaan. Daarbij zijn sporen van vroege bewoning aangetroffen en tastbare voorwerpen zoals een natuurstenen bijl, een fragmenten van een klokbeker, en botmateriaal. De vondsten en sporen gaan terug tot de periode van ca. 3800-2000 jaar voor Chr. Daarmee zijn de vondsten zeer uniek te noemen omdat uit deze periode maar weinig is gevonden in de Duin- en Bollenstreek.

 Kustvorming van Nederland

De geschiedenis van het Nederlandse kustgebied begint zo’n 8000 jaar voor Christus. De laatste ijstijd maakt plaats voor de warme periode (Holoceen) waardoor de zeespiegel stijgt en de Noordzee ontstaat. Nadat de zeespiegelstijging stopt worden door de zee grote hoeveelheden zand aangevoerd en ontstaat langzaam een blijvende kustlijn met langgerekte zandbanken die uitgroeien tot strandwallen. Op de strandwallen ontstaan door wind zandduinen ook wel bekend als ‘oude duinen’. Vanaf die tijd gaat de kust zich steeds verder zeewaarts uitbreiden waarbij nieuwe strandwallen ontstaan. Op de oudste strandwallen liggen nu de dorpen Lisse, Sassenheim en Hillegom.

De vroegste bewoning

Op de oudste strandwallen kon men droge voeten houden en dus is het logisch dat dit de oudst bewoonde plekken werden langs de kust. De eerste mensen die hier rondliepen waren waarschijnlijk jagers-verzamelaars. Van deze mensen zijn geen sporen gevonden omdat ze nooit lang op een plek woonden.

Opgegraven schedel van een varken

In de nieuwe steentijd oftewel het neolithicum gaan mensen ook gewassen verbouwen en dieren houden waardoor ze langer op een plek verblijven. In het kustlandschap van de Duin- en Bollenstreek strijken vermoedelijk vanaf 3500 voor Chr. de eerste permanente bewoners neer. Ze leven van de jacht en visserij en worden om die reden naar de voedselrijke kuststrook getrokken, maar ze leven ook al een beetje een boerenbestaan. Deze bewoners worden gerekend tot de zogenaamde ‘Vlaardingencultuur’ omdat sporen van hun bestaan voor het eerst in Vlaardingen zijn gevonden. Toch zijn in de Duin- en Bollenstreek tot nu toe weinig sporen van deze cultuur gevonden.

Het belang van de opgraving in Lisse

De oudste strandwallen in de Duin- en Bollenstreek zijn helaas voor het grootste deel afgegraven ten behoeve van de bloembollenteelt waardoor veel archeologisch materiaal verloren is gegaan. Toevalsvondsten zoals (vuur)stenen bijlen, sikkels en fragmenten van aardewerk en bot waren al wel het tastbare bewijs van de aanwezigheid van mensen uit de Vlaardingencultuur in onze contreien.

Door proefboringen en sleuvenonderzoek in het opgravingsgebied in Lisse zijn nu oude duinafzettingen gevonden onder een laag veen. Deze duinafzettingen zijn niet afgegraven of verstoord en onaangeroerd gebleven en dus zeer interessant voor archeologisch onderzoek naar vroege bewoning. Daarbij zijn tot nu toe bijzondere vondsten uit het neolithicum gedaan die veel extra informatie kunnen verschaffen over de eerste bewoners van deze streek.

Lisse is dus veel langer bewoond geweest dan in zijn huidige 827-jarig bestaan.

Opgravingsgebied in Lisse