Uitgegeven artikelen in pers etc.

LISSE MET ZIJN KORENMOLEN; De rommeling. (52)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse in 1624 naar een kaart van Jan Pietersz Dou(w). In het midden het Vierkant met de kerk. De donkere percelen rechts behoorden aan de — reeds lang geconfis­queerde — Abdij van Leeuwenhorst te Noordwijkerhout. De Heereweg loopt op het kaartje van Noord tot Zuid. Rechts gaat de “Molewech” langs “de Haven van Lis” naar de “Coorenmolen”. In 1569 kreeg Adriaen Cornelisz Pater, molenaar te Katwijk en Valkenburg, toe­stemming in Lisse een korenmolen te bou­wen. Het is een z.g. standaardmolen, waar­bij de gehele houten molenkast mee op de wind wordt gezet. De Lissese molen werd zo belangrijk, dat men door de concurren­tie in Sassenheim geen eigen molen van de grond kreeg. Cornelis Pietersz van der Gade, molenaar te Heemstede, had in 1663 het recht verkregen een molen te bouwen aan de Sassemse Vaartkade, maar hij wist niet beter te doen, dan zijn rechten aan de Lissese molenaar Jan Aelbertse Heemskerk te verkopen, 9 januari 1667. Maar een mo­len bouwen deed die ook niet. Hij had, naar zijn zeggen, met zijn Lissese molen de bak­kers van Sassenheim “tot haren genoegen bediend en bemaald, gelijk zijn grootvader ende vader zaliger wel zeventig jaren aan den anderen dezelve gediend en bemaald hadden”. De bewuste grootvader was Jan Aelberts Heemskerk, molenaar sinds 1598. Hij was opgevolgd door Aelbert Jans en die weer op zijn beurt door genoemde Jan Aelbertsz. Neeltje Engelsz Heemskerk droeg de molen in 1693 over aan Wit Pietersz Vis. Aan een reeks Heemskerken als molenaars kwam aldus een einde. n 1737 ging het minder goed. De mole­naar, Adriaan Luk, was insolvent en de molen moest worden verkocht. In 1753 werd Pieter van der Scheer molenaar en 4 juli 1782 verkochten diens kinderen de molen aan hun zwager Willem Ingenollandt. Diens weduwe droeg de molen dan weer over aan Pieter Oudshoorn op 4 april 1811. Met “Huys, Erve en Thuin, staende en geleegen meede op de Grachtweg” kregen ze er f 5.200 voor. Kort daarop vinden we Van Ingen als molenaar. In 1832 is de molen afgebrand. Toen bouwde molenaar Beelen uit Heemstede hier een nieuwe molen. Honderd jaar eer­der had Gerrit Beelen zich van Weert in Noord-Limburg uit in Heemstede geves­tigd, waar het geslacht als bleker een zeer goede naam kreeg. In 1830 kwam een Bee­len als molenaar naar Lisse. Diens nage­slacht “ging in de bollen”. Thans vindt men  leden van de familie Beelen ook in allerhand andere beroepen; ook in de antiek! Nu kijken we nog eens naar het kaartje. Iets naar het Noorden is de “Brouckweg”, de huidige Kanaalstraat. Aan de andere kant van de Heereweg is de “Veenwech”, Veen-derweg, Delfweg of Berkhouterweg en na het graven van de Leidse Vaart de Halfwegsche Steeg. Nu is daar sinds enige jaren het kruispunt Berkhoutlaan/Heereweg/Kanaalstraat. Het was allemaal nog wat lan­delijk; de wegen waren nog geen van allen bestraat en zelfs nog niet “begrint”. Dat laatste begon pas honderd jaar geleden. En officiële namen hadden ze ook niet. De bestrating van de Heereweg begon pas in de 18de eeuw. Wanneer men thans van het ein­de der Spekkelaan — met een wandelkaart natuurlijk — over de oude Loosterweg naar Keukenhof loopt, krijgt men ongeveer een idee, hoe het er in Lisse honderd jaar ge­leden uitzag. Om van 1624 maar te zwij­gen.

DE KLAPWAKER, 1815: De rommeling. (50)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Instructie waarnaar de Klapwaker zich zal hebben te gedragen.

Artikel 1. De Klapwaker zal zijn wacht beginnen van Primo Mey tot Ultimo September des Avonds ten Elf Uren en eindigen na den gang van Vier Uren te heb­ben afgelopen, en van Primo October tot Ultimo April des Avonds ten Tien Uren en eindigen na afloop van den gang van Vijf Uren des Mergens.

Artic. 2. Dezelve zal gehouden zijn Uur voor Uur den dorpe rond te gaan, te be­ginnen aan de Huizinge n° 2 langs de Grachtweg tot aan de Koornmolen, de Ca-pelsteeg voorlangs, de Halfwegsche steeg tot aan de laatste Huizinge toe en eindigen voorbij N° 200. (De Halfwegsche steeg is de huidige Berkhoutlaan.)

Artic. 3. Dezelve zal bij ieder Uur de Klap Twee maal slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen.

Artic. 4. Dezelve zal in geenen deelen ver­mogen in den tusschentijd van deszelfs Nachtgangen iemand te geleiden naar de Schuit op Halfweg of af te halen van de Schuit op Halfweg.

Artic. 5. Dezelven zal gehouden zijn bij zijn Ronde, iets ontdekkende ’t welk de publieke veiligheid is stoorende, daar van dadelijk kennisse te geven aan den Heer Vreede-Rechter van dit Canton, en bij deszelfs afwezigheid, ziekte of anderzints aan den President van het Plaatselijk Be­stuur dezer Gemeente, of aan diegeene welke deszelfs plaats vervangd.

Artic. 6. Dezelve zal gehouden zijn goede toezicht te neemen over de Eigendommen der Ingezetenen, of er ook hier of daar ongemak van Brand als andersints is, als­mede of de Huizinge behoorlijk zijn ge­sloten, en ook of er door de Ingezetenen iets is buiten gelaten geworden.

Artic. 7. Dezelve zal eenig ongemak van Brand ontdekkende, dadelijk den Klap moeten verkeerd slaan en ter stond ken­nisse geven aan de President van het Plaatselijk Bestuur, of diegenen welke des­zelfs plaats vervangd dezer Gemeente, alsmede aan de Opzienders der Brand­spuiten.

Artic. 8. Dezelve zal toezien dat door niemand in de Nacht eenige Meubilen of iets dergelijks werde vervoerd, alsmede met geen Ladder den Dorpe werde door­gegaan, maar word verplicht dezelve dade­lijk aan te houden en zonder eenig verwijl daarvan kennisse te geven als in Articel 4 vermeld is.

Artic. 9. Dezelve zal ingeval van nood des gerequireerd   werdende  de  ordinaire   (d.i. gewone) Policie ten dienste wezen.

Artic.   10.   Indien   bewezen  werd, dat de Klapwaker   zich   aan   plichtverzuim   heeft schuldig gemaakt door de NachtRonde niet behoorlijk te hebben gedaan of andere Zaken in deze instructie vervattende, zal hij voor de Eerste maal voor een Maand gesuspendeerd werden, en deze zijne functie door een ander ten zijnen kosten werden waargenomen, doch voor de Tweede maal zal hij door het Plaatselijk Bestuur van des­zelfs Post als Klapwaker vervallen werden verklaard en een ander in deszelfs plaats werden aangesteld.

Artic. 11. Bij afwezigheid of ziekte zal hij gehouden zijn te zorgen, dat er iemand voor denzelven ten zijnen Koste zijne func­tie als Klapwaker waarneemt, waartoe hij een persoon, staande ter goede Naam en faam zal mogen voordragen, ter goed- of afkeuring om aan den Heer President van het Plaatselijk Bestuur of aan diegenen, welke deszelfs plaats vervangd, bij verzuim hiervan zal hij gestraft werden, ingevolge het voorgaande 10° Artic. en zal hiervan copie afgegeven worden aan den in den tijd fungeerende Klapwaker.

Aldus Gedaan en gearresteerd bij het Plaat­selijk Bestuur van Lisse. Den 2e Februari 1815

In kennisse van mij L. van Arxhoek Secr

HET DAGBOEK VAN VAN DER ZAAL UIT 1913; De rommeling. (43)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Op twee oude, vergeelde kranteknipsels van voor de herdenkingsfeesten 1813-1913 vinden we het navolgende, hoogst interessante relaas. (Men vergelijke “De Aagtenkerk van Lisse, blz. 107, en “Het Huis Dever te Lisse”, blz. 146/47.) Ter in­formatie nog iets over enige der genoemde personen. G.A. Entink was van 1798 tot 1811 schout van Lisse. Jacob van Ingen was een zoon van de korenmolenaar aan de Gracht. Hij was een neef van Cornelis van der Zaal, de schrijver van het verhaal. De Van der Zaals hadden eeuwen lang een timmerbedrijf in het Vierkant, waar nu een der fraaiste huizen van Lisse staat, dat nog steeds door een Van der Zaal be­woond wordt. (Jhr.) J. Steengracht van Oostcapelle was de eigenaar van Keuken­hof. Hendrik Meijer, de “tollenaar” (!), was de gaarder aan de tol in de Heereweg bij het huidige huis “De Tol”. “Mijnheer Bieland” is hoogstwaarschijnlijk Otto Anne graaf van Bylandt, de eigenaar van Berg en Daal onder Voorhout. Verder komt nog ter sprake (Jhr.) Mr. Dirk Cornelis Gevers, Heer van Endegeest te Oegstgeest. Hendrik Nieuwenhuis, oorspronkelijk tuinbaas op Keukenhof, kocht in 1812 voor de sloop het huis Meer en Duin. In die omgeving zijn nog steeds veel Nieuwenhuisen woon­achtig. De boerderij van Vreeburg stond tegenover het rechthuis “De Witte Zwaan”. Cornelis de Graaft had zijn kwekerij ter hoogte van het huidige Plan de Graaft. (Zie “Plan de Graaft”, inleiding.) Een “Oranjeboom”, een soort sinaasappelen­boom, werd door De Graaft voor de bui­tenplaatsen in kuipen gekweekt en ’s win­ters ook wel in bewaring genomen. Het is opvallend, dat patriottische figuren als Steengracht, Entink e.a., die aanvanke­lijk met de Fransen hadden medegewerkt, na de bevrijding weer dadelijk een rol spe­len. Maar in de proclamatie van 1813 stond ook    zeer    duidelijk:    “Alle    partijschap heeft opgehouden. Al het geledene is vergeeten en vergeeven” …… wel heel anders dan in 1945.

De heer Bert. van der Zaal te Lisse was zoo vriendelijk ons een uittreksel van het dagboek 1780-1838 van Cornelis van der Zaal te Lisse, van 10 November 1813-Juni 1814, af te staan. Dit uittreksel druk­ken wij hier af. Ter wille van de histori­sche waarde van dat geschrift brachten wij er geen veranderingen in aan, slechts werden enkele zinnen omgezet om het aangenaam leesbaar te maken. Het navol­gende is weinig bekort; het maakt dus aanspraak op trouwe weergave van het dagboek wat betreft de verklaring van Neerland’s Onafhankelijkheid en wat in verband daarmee in dien tijd te Lisse voor­viel. Men houde er rekening mee, dat een ingezetene van Lisse steeds aan het woord is.

(De Redactie)

In het jaar 1813 hebben wij een omwenteling beleefd, wij zijn toen van het Franschejuk verlost door de wonderlijke bestiering Gods. In   de   maand   November,   den   10e  van die maand, kwam er een gerucht, dat ons land gecapituleerd had, met wien of hoe wist  niemand.   Donderdag den   11e werd bevestigd,   dat   men   vrede   had   gesloten want de Maire (het hoofd van het gemeentebestuur)  was Woensdag bij den Prefect (bestuurder van het departement) ontboden, waar hem werd aanbevolen de goed rust te  handhaven, want er stonden eei daags vreemde troepen te komen, waaror de   Maire,   hier  te   Lisse  bij  alle  burger rondging om te verzoeken de rust te be waren. Vrijdag waren er weer andere g< ruchten en dat ging tot Maandag den 15< toen kreeg de Maire een brief, dat het al! valsche geruchten waren en dat de Keiz< weer  in orde was gesteld. Ondertussche gingen  de douanen weg en zag men ee hoop   Fransche   heeren   vertrekken.   Die dag begon het in Amsterdam, omdat da; de Douanen optrokken, en ’s avonds o 7 uur begon het gemeen daar “Oranje” te roepen; om 10 uur begon men de huizen van de Douanen te verbranden enz. Maar Woensdag zag men een en ander, met Oranje, hier komen doorrijden van den Haag naar Amsterdam en toen ’s avonds, brak het hier ook uit en hoorde men “Oranje” roepen; Donderdag zag men den geheelen dag weer eenigen tezamen met Oranje, de adjunct-maire vlugte en ’s avonds om 9 uur ging de heer van den Upweg naar Haarlem. De heer van der Staal, die maire was, had ’s morgens een man naar Leiden gezonden om te zien of daar de vlag op den toren stond, maar neen; daar was mede alles met Oranje versierd, terwijl ’s middags de vlag op den toren zou komen, gelijk toen ook hier geschiedde.

Ik wier gehaald van Hillegom om onze vlag op den toren te zetten, gelijk ik deed. Die had ik Woensdagavond om 9 uur nog voor den dag moeten halen en dien nacht in orde laten maken, want het was een Fransche vlag; het rood werd er afgeno­men en een Oranjestrook en boven gezet, dat was maar voor noodhulp. Ze hadden geen andere vlag kunnen krijgen omdat Woensdagavond de poorten te Leiden ge­sloten waren. Het ging heel wel (met die vlag) voor behulp, en het ging toen den heelen nacht door “Oranje boven” onder het gemeen, evenzoo Vrijdag en Zaterdag, zij gingen rond bij alle burgers en boeren om een drinkpenning of om getracteerd te worden. Maar Zondag en Maandag kwa­men er weer andere geruchten; wij zagen een     menigte    deserteurs    en     anderen, die bedankt waren, vreemde troepen kwa­men echter niet, zoodat wij moesten zeg­gen:   het   is   wonderlijk   in   onze   oogen, wij   zien  het,  maar  doorgronden   ’t  niet, zoodat ons land in een akelige omstandig­heid  was.  Zaterdag den  20ste  ‘s  avonds resolveerde ik om te zien of ik mijn zoon Arie,   die   in   de   rekwesitie  gevallen  was en den 29 September te voren was uitge­trokken en die door behulp van den heer Entink onder Gods zegen op den scheeps­werf   te  Antwerpen  gekomen  was  onder het   werkbatteljon   ……;   waarop   ik  mijn neef Jacob van Ingen verzocht daar na toe te gaan om te zien of er mogelijkheid was om hem daar in stilte vandaan te krijgen. Hij vertrok ook den eigensten nacht. Dinsdag ging er een menigte van de dor­pen en Haarlem naar den Haag om dienst te nemen om de Franschen het land ver­der uit te drijven en gingen de geruchten dat de Engelschen geland waren zoo hier als daar. Maar Woensdagmorgen kwam er tijding, dat de Franschen Uitert (Utrecht) verlaten hadden en dat de Engelschen te Scheveling (Scheveningen) uitgescheept werden en dat de Coesakken te Amster­dam gekomen waren, zoodat er toen een groote vreugde was, en dit duurde tot den avond, toen wij in de kerk waren en den trompetter hoorden, zoodat een en ander uit de kerk liepen en niet wisten wat er gaande was. Men hoorde, dat het de Commedant en Captijn van de Nationale Garde was en die kwamen om haar manschap­pen en weer anderen die wilden, (om uit­te trekken) tegen een stroopbende Fran­schen, die van Uitert was gekomen en, zoo men zeide, langs de Rijn plunderde en op Leiden afkwam; zoodat hier nog 17 personen meegingen en toen naar Hillegom, alwaar nog eenigen, ja zelfs groote Meeren (zich er bij voegden). Toen werd er overlegd om hier een wacht te houden waartoe ook ik, en nog elf andere burgers werden opgeroepen, ja zelfs mijnheer Steengracht en mijnheer Entink en meer anderen bij ons kwamen in de herberg en den heelen nacht bij ons bleven. Wij werden 2 aan 2 aan weersende uitgezon­den, maar hoorden niets. Om twaalf uur kwamen lieden van Hillegom met een wagen of zes vol volk weer door Lis om naar Noordwijk te gaan ver­nachten en mijnheer Bijland had zijn twee knechts ook mede gegeven, waaronder en een was met een trompet, die maar blaasde, zoodat het allerakeligst was om het aan te hooren. In dien nacht hoorde men, dat het weer leugentaal was, dat er geen Engelschen waren aangekomen, want mijn­heer Van der Staal was er om naar den Haag gereden; en men hoorde ook, dat de Franschen niet verder waren als Woer­den, zoodat de lieden, die naar Noordwijk getrokken waren, Donderdagmorgen een Coerier naar Leiden zonden om te hoo­ren of ze op moesten komen. Maar neen, zij werden bedankt tot nader orde. Wij zagen dien dag nog geen vreemde troepen, maar (hoorden) veel andere en door elkander loopende praat. Dat duurde eenige  dagen,  doch  Maandag  den  29ste Ne vember  kwamen  er bij Scheveling Engesche schepen  aan, zoodat daar 250 man ontscheept werden en naar den Haag gingen. Die brachten ook de tijding mede, de de erfprins van Oranje volgde, gelijk op gebeurd is. Dinsdagmiddag om 5 uur is hij te Scheveling aan land gekomen en naar den    Haag gereden in een Vergon (onlees baar)   en   daar   gebleven   tot   Donderdagmorgen, 2 December, toen Zijn Hoogheid naar Amsterdam is gereden en hier door is gekomen en hier op Lis versche paarden moest hebben, zooals ook gebeurd is. Zijne Hoogheid en de andere Heeren, die hem verzelden, stapten hier uit de Koetsen en gingen in de herberg op de recht Kamer, terwijl mijnheer Gevers, onderprefect  van   Leiden,  hier gekomen  was als mede  mijnheer Staal en andere regeering op   het   Rechthuis   bijeen   waren.   Gevers sprak Zijne Hoogheid aan met een gepaste aanspraak,   die   Z.H.   beantwoordde,   alsmede mijnheer Entink en onze predicant en mijnheer Staal, dien dezelve vriendelijk beantwoordde en gelijk meer andere bugers en  burgeressen  die allen in menigte op de Kamer waren en ons ook vertelde dat  Z.H.  van  den  morgen  de  heugelijke tijding had gekregen, dat den Briel van Franschen   verlaten  was  ……   Zoodat, Heer zij geloofd, wij hier het grootste genoegen hebben gehad, Z.H. op deze plaate hebben gezien en gesproken, terwijl van onze predicant wel ten hoogste werd verzocht aan Z.H., dat hij het niet kwa­lijk moest nemen, dat er geen toestel was gemaakt van Eerepoort en andere dingen, om hem in te halen, omdat de tijd zoo kort was geweest. Zijne Hoogheid antwoordde, daar niet op gesteld te zijn, maar dat het zijn grootste genoegen was de goede gezindheid van de gemeente te zien, want dat ging niet zonder eenig geroep van “Oranje boven” en “Lang leve Zijne Hoogheid”. Ondertusschen kwamen er eenige flesschen met wijn op tafel, wat Z.H. werd aangebo­den, maar niet van gebruikte, maar wel die andere heeren. Na vertoeven van meer dan een half uur vertrok Z.H. naar Am­sterdam, zoodat die dag weder met algemeene vreugde werd door gebracht. In den schemeravond om half vijf uur kwamen hier 3 koezakken doorrijden naar Leiden toe; de een hield men aan en gaf hem een glas jenever of twee. Hij was zeer vrindelijk, zoodat er toen ook een menigte menschen op de been was en wij leiden denzelve tot buiten het dorp. Vrijdag daaraan hoorde men door een expresse op den middag, dat er eenige coe-zakken zouden komen en dat Z.H. de Prins weerom van Amsterdam kwam, om­dat aan Scheveling de Engelschen geland waren. Daar moesten weer paarden klaar wezen, gelijk ook alles gebeurde. Om één a twee uur kwamen eenige rijtuigen van den Prins door en daarna de coezakken, 32 in getal. Zij hielden halt en vroegen hooi en haver voor de paarden, en vleesch en brood en drank voor zichzelf. Zij bon­ den de paarden aan de boomen en daar voor hooi gelegd en haver in de voerzakken; toen vleesch bij den slager gehaald, ruim 50 Pd., en dat moesten ze koken, wat een disperate boel was, want eer zij in orde waren, gingen zij bij den een en den ander in de huizen en bij menigeen moesten zij vleesch of spek koken. In de herberg kookten zij een ketel vleesch en bij Warbout Vreeburg en bij Maarten van Dalen, maar zij moesten dat zelf koken, en dan moesten zij wijn en kool en aard­appelen hebben, en azijn en zout, en dat kookten zij een uur of twee. Ik bragt bij Vreeburg schragen en plan­ken voor een tafel en toen dat klaar was hebben zij gegeten met bier en jenever er bij. Het ergste was, dat men ze niet kon verstaan, maar gelukkig was er een heer die door kwam rijden van Amsterdam en met hen kon spreken. Hij hielp de regee­ring daarin voort. Toen zij klaar waren om heen te gaan, kwam de Prins, die versche paarden moest hebben. Hij bleef in de koets zitten, met zijn glas open, zoodat mijnheer Entink en de Maire den­ zelve aanspraken, alsook eenige anderen, die een heele redevoering met hem hiel­den en het belang van ons dorp vertelden van de zware inkwartiering, die hier al­toos was. Toen de paarden ingespannen waren reden ze weg onder het geroep “Oranje boven”, van de coezakken bleven er 4 hier liggen om ordannans te rijden De regeering wou ze bij Jan Lemmers gehad hebben, maar zij wilden bij Vree­burg niet vandaan en moesten weer brood en vleesch hebben. Het was een aardige middag, er geschiedde geen mensch eenig leed, zoodat de Heer ons voor alle on­heilen bewaarde. God zij ook daarvoor gedankt! Zaterdagmorgen om 9 a 10 uur trokken al eenige coezakken en ook andere volken door en na den middag nog een heele hoop coezakken benevens een menigte Russen-infanterie, waar wij geen hinder van gehad hebben; zij trokken door naar Leiden. Zondag kreeg men ook weer eenige coe­zakken, die stil doorgingen, zoodat wij in het dorp daar geen hinder van hadden wel enkele boeren buiten het dorp, als ook wel des nachts van de ordonnansrij­ders, die moesten echter dien avond nog weg, zoodat wij Maandag daar ook van verlost waren, God zij dank! Maandagmorgen hoorde men eenige klok­ken luiden en kanonnen lossen, waardoor er weer verschillende geruchten in om­loop kwamen, maar ’s middags om 2 uur werd ons door het Bestuur bekend ge­maakt, dat wij moesten limmeneeren; dat gaf dien middag een heele drukte, want een ieder moest latten en permieten heb­ben. Alles kwam zoo goed als ’t kon klaar, er werd heel goed gelimmeneerd. Een menigte had bij Corn. de Graaf een Oran­jeboom gehaald en in een kruiwagen ge­zet; men maakte er een soort poort van, met groen, blommen en papier. Verder werd de boom verlicht en zoo door het dorp gereden, met een menigte menschen en kinderen er omheen, die van vreugde juichten. Het was toen de verjaardag van prins de 7e , die nog in Spanje was maar, naar Holland zou komen. Zoo zijn die dag en nacht geëindigd. De Dinsdag is heel stil afgeloopen, al­leen ’s namiddags kwamen er zoo wat 1500 Spanjaarden door, van den Helder, die krijgsgevangen waren gemaakt en al­daar hadden moeten werken en nu vrij­gelaten waren. Zij namen allen dienst te­gen de Franschen. De regeering hier gaf ze voor het grootste gedeelte een slok jenever, opdat ze maar zouden doortrek­ken, gelijk ook gebeurde. Vrijdag 10 December is afgelezen, dat de Prins tot Koning, Souverein Vorst, was afgeroepen; toen bleef het heel stil en kwam er geen volk meer door dan eenige ordonnancen en officieren van de troepen, waarvoor hier ook altoos paarden en wa­gens moesten klaar staan. Het kwam zoo ver, dat er allen dag 10 wagens en 20 paarden moesten zijn, die moesten van 5 dorpen komen. Den 24en December kwam er een pu­blicatie van een landstorm, dat alle man­nen van 17 tot 50 jaar in de wapenen moesten en de ongehuwden van 17 tot 45 jaar moesten loten. Voor den 1e Janu­ari 1814 moest 20.000 man in actieven dienst zijn. In al dien tijd had ik geen tijding van mijn zoon Arie noch van mijn neef Ja­cob van Ingen, ik wist niet waar zij wa­ren, want er kon geen brief daar vandaan komen, maar er was een man te Hillegom van Antwerpen thuis gekomen. Daar ging ik den 27en December heen om eens te hooren. De man vertelde mij, dat al de Hollanders daar uit de omstreken (Ant­werpen) waren opgevoerd als gevangenen naar Frankrijk op den 25en November. Hij moest ook mee maar was ontvlucht, en had zich al dien tijd in Antwerpen verscholen gehouden. Met levensgevaar was de man thuisgekomen, zoodat wij daaruit moesten gaan begrijpen, dat mijn zoon en Jacob ook waren weggevoerd. In dien nacht om 2 uur werd er aan mijn huis geklopt; wij deden open en dachten, daar zijn zij, maar het was Jacob van Ingen alleen en mijn zoon niet, zoodat men wel kan denken in welke omstandig­heid wij waren.

In die dagen werd er hier een Eerepoort gemaakt door eenige jongelieden en ook door Hendrik Meijer den Tollenaar; dat was een zeskant, iedere hoek 16 voet lang, zoodat het een heel groot lichaam was. Zij werkten er wel drie weken aan en de tollenaar moest op het laatst het werk alleen doen, want er werd geen geld aan verdiend, zoodat men wel kan denken dat het over het geheel niet genoegelijk ging, nog te meer omdat de loting toen op handen was. Den 4en December ge­schiedde dat; mijn zoon Simon trok het lot 969, er waren 1808 loten. Er moesten uit dit canton maar 107 man opkomen; zij zijn bij den raad van recraleering te Leiden maar tot 528 opgeroepen, zoodat mijn zoon door Godes zegen is vrijgebleven. Toen kwam de wapenstilstand, Bo­naparte lei zijn kroon af en werd ver­voerd naar een eiland. Daarna werden alle militairen naar hun vaderland teruggezon­den, zoodat wij alle dagen tijding van mijn zoon wachten. Die kregen wij den 3en Juni, tot onze groote blijdschap; hij schreef ons toen uit Avignon er was al weer 27 uur op zijn terugreis naar huis. Van Tolon af, waar zij heen waren ge­marcheerd en waarover zij 60 dagen ge­daan hadden, schreef hij ons, dat wij hem niet eerder thuis moesten wachten dan in Juli, maar, heel onverwachts, door de wijze Voorzienigheid, kregen wij de tij­ding op Donderdagavond, van Hendrik Nieuwenhuis, dM hij te Leiden was. Ik kon het niet wel gelooven, maar Vrijdag­morgen om 3 uur gingen mijn twee zoons Simon en Cornelis naar Leiden en om 7 uur kregen wij een brief van mijn zwa­ger, dat mijn zoon daags te voren daar aangekomen was, zoodat hij om elf uur, door des Heeren goedheid, in gezondheid tot ons naderde in zijn volle monteering. Het was een blijde dag voor ons en de heele gemeente om hem weer te mogen aanschouwen. Ik verzocht toen aan on­zen Predicant om op den volgenden Zon­dag een dankzegging te doen voor hun gelijk hij ook een dankpredicatie deed uit de woorden van Genesis 46 vers 29 en 30 met de woorden: “En als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan de hals en weende lang aan zijn hals, en Is­raël zeide tot Joseph: dat ik sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb dat gij nog leeft.” En dit geschiedde niet dan met veel aandoening tot Godes lof en eer.

 

DE GEVELSTEEN VAN UYTERMEER; De rommeling. (40)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In ” ’t Roemwaard Lisse” staat op bladzij­de 5 een fraaie afbeelding van de buiten­plaats “Uytermeer”. In de voorgevel zit een steen; duidelijk te zien. Het huis is al lang gesloopt; maar waar zou die steen zijn gebleven? Het Leids Jaarboekje van 1973 vertelt meer over de steen. Hij was gevonden en zat inge­metseld in een waranda van het bouwhuis van Klein Leeuwenhorst te Noordwijkerhout; waar Mevrouw Hermance Adeline Amalia, baronesse van Heeckeren van Brandsenburg geb. jonkvrouwe Gevers woont. Het wapen blijkt van de bouwer van het huis, de vermaarde Petrus Scriverius, te zijn. Maar die steen hoort in Lisse ….. Hoe krijgen we hem hier?? Toevallig werd juist in de Poelpolder, op de plaats waar vroeger “Uytermeer” stond, de Christelijke Mavo gebouwd. Bij de heer Joh. A. Segers, directeur van de school, vatte nu de gedachte post: “Als die steen nu och weer naar Uitermeer terug zou kunnen keren ……” Beleefde vraag aan Mevrouw Van Heeckeren. Antwoord: “Nee!” Pas was haar dochter getrouwd, haar enig kind, en die woonde helemaal in Zuid-Afrika. Zouden al die dingen uit haar vertrouwde omgeving, uit haar jeugd, dingen waaraan ze zo gehecht was, haar nu ook moeten ontvallen? Nee, nooit, dat stond wel vast. Maar, wat een Segers in het hoofd heeft, is er ook zo maar niet uit ……; die steen komt terug en dan zal de school “Uitermeer” heten. De stellingen zijn ingenomen, de slotbrug is opgetrokken, de belegering van “Klein Leeuwenhorst” neemt een aanvang. Neen, geen belegering met stormrammen, blij­den en ander wapentuig.

De heer J.Ph.N. du Quesne van Bruchem doet zijn best, schrijver dezes wordt inge­schakeld. Hij verneemt, dat Mevrouw van Heeckeren erg gesteld is op haar neef Van Tets. De heer Segers trekt nog eens naar Leeuwenhorst met alle geduld waartoe een man die weet dat hij uiteindelijk toch zal en moet slagen in staat is. Ook anderen zijn in de weer …… En dan ……. het lijkt of er een kleine bres in de muur van Leeuwen­horst is geslagen. Mevrouw twijfelt. Zij raadpleegt haar neef, Jonkheer Van Tets van Goudriaan ….. “Ach Hermance, wij zijn toch allemaal sterfelijke mensen. En ons jeugdsentiment geldt voor onze kin­deren en kleinkinderen niet meer …… Je hebt toch genoeg gevoel voor traditie …… Welnu ……” En dit geeft de doorslag. Het gaat gebeu­ren: de slotbrug wordt neergelaten en dankbaar voor haar eigen besluit reikt de Baronesse de steen over …… Op 19 september 1975 werd hij ingemetseld in de grote hal van de school, plechtig door Me­vrouw zelf onthuld, en daarmede de school officieel in gebruik genomen. Prediker 3 zegt het reeds: ”Alles heeft een bestemde tijd; er is een tijd om af te bre­ken en een tijd om te bouwen …… Een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te vergaderen”. De Christelijke Mavoschool Uitermeer” was geopend. Moge er zegen rusten op deze school en allen die haar bezoeken.

HONDERJARIGE ECHTELIEDEN UIT HILLEGOM, LISSE EN SASSENHEIM; De rommeling. (38)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Het echtpaar Paulus Vincent en Barbara Jansen

Dat vroeger de mensen gemiddeld niet zo oud werden als thans is algemeen bekend. Toch waren er ook altijd een aantal bijzon­der hoogbejaarden, ook in de huidige bloembollenstreek. In Sassenheim leefde in de 18de eeuw het echtpaar Paulus Vincent en Barbara Jansen. In 1794 heeft Is. de Witt Jzn van hen naar Wijbrand Hendriks een kopergravure gemaakt! J. van Walré rijmde daarbij het volgende:

“Een oud dragonder2 van vier meer dan honderd jaar,

Die onbezeerd ontsnapte aan menig doods­gevaar,

Een vrouw op twee na zo oud als bestevaar,

Die al haar kinderen zag zetten op de baar,

Drie vierde van ene eeuw zijn deze twee een paar,

Zijn nog gezond en fris, nog vrolijk kant en klaar.

Zij leven tot dit uur genoeglijk met elkaar.

Zeg lezer, is dit niet van alle kanten raar?”3

Ook in Hillegom en Lisse blijkt zulk een bejaard echtpaar geboren te zijn. De be­faamde Pieter Schrijver alias Petrus Scriverius, de bouwer van het huis Uytemeer te Lisse4, maakte in 1618 of 1619 een derge­lijk rijm, dat omgezet in moderne spelling hier moge volgen.

“Zeldzame ende merkwaardige, gedenk­waardige ouderdom van man en wijf

tot Delft in Holland in ’t jaar 1605

gestorven, die te samen in echten* staat geleefd hadden 75 jaren,

van de Magistraat op stadskosten begraven.

Als men duizend zeshonderd ende vijf heeft geschreven

Den een en twintigste Januari, weerdig te verklaren,

Heeft Antonis Corneliszoon de wereld begeven6,

Als7 hij die beleefd had één meer als honderd jaren.

En Meynsgen8 Huyghen, zijn huisvrouw, most ook van hier varen

weinig (drie) uren na hem, 99 jaar oud.

Hij van Lis en zij van Hillegom geboren,

Wettelijk over9 75 jaren gehouwd10,

Zijn beiden op den 22sten (in alder eenvoud)

Door last des Magistraats, die haar consent daartoe gaven11,

Ter eren harer ouderdom, die zo lang waren getrouwd,

Binnen Delft overluid en in de Nieuwe Kerk begraven.

Drie rijke wonderen merkt men in deez’ twee, arm van haven12

Dat’s, dat ze beiden deez’ weldaad hier hebben verworven, fijn:

Zo lang geleefd, zo lang gehouwd en gelijk gestorven zijn.”13

  1. Gemeentearch. Leiden, LPV 84400.
  2. Dragonders zijn de manschappen der lichte cavallerie, het “paardevolk”. Ze heten zo, omdat ze in vroeger tijd in Engeland een draak (dragon) in het wapen voerden.
  3. Barbara Jansen stierf op 21 december 1796, “oud ge­worden 104 jaren”. Ze werd “pro Deo” ofwel “van de armen” begraven.
  4. Zie Leids Jaarb. 1973, blz. 129 e.v. De bewuste steen is in september 1975 overgebracht naar Lisse en in­gemetseld in de muur der Christelijke Mavoschool “Uitermeer”, juist staande ter plekke van Scriverius’ buitenplaats.
  5. echtelijken
  6. is overleden
  7. Toen
  8. Mijntje, Wilhelmina
  9. meer dan
  10. gehuwd, getrouwd
  11. De overheid gaf daartoe toestemming.
  12. have, bezit
  13. “Alg. ophelderende Verklaring van het oude letter­schrift” (1818), blz. 53.

 

EEN PALENVERHAAL; De rommeling. (28)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Rosendael met hekpalen

Ja, dit wordt bepaald een palenverhaal, al zullen we ons thans tot bepaalde palen be­palen, bij de keuze waarvan de historische waarde van die bepaalde palen bepalend zal zijn. Bij Rosendaal stonden twee palen met prachtige leeuwen. In 1963 heeft Ir. A.F. de Graaft een artikel over Rosendaal gepubliceerd in het Leids Jaarboekje 1963. En daar schrijft hij over de palen: “En nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behouden blijven”. Ja, ja, maar ze zijn weg. Op 6 september 1963 las men in “Ons Weekblad”:

“Leeuwtje gesneuveld

Van de twee fraaie leeuwtjes die prijkten op de palen van het inrijhek van Rosendael — het buiten werd verleden jaar afgebroken — is er één in puin poeder gevallen.

Dinsdagmorgen reed een veewagen tegen de linkerpaal. De stenen zuil viel op de Heereweg. Gelukkig liep er niemand op het trottoir. Minder plezierig was het te moeten con­stateren dat het leeuwtje onherstel­baar vernield was. Bijzonder jam­mer daar dit leeuwtje vermoedelijk bij het oude Keukenhof heeft be­hoord”.

Ook de pers kan het wel eens mis hebben. De vrachtwagen kwam als een dief in de nacht en van “puinpoeder” was geen spra­ke.

 

Toen had men “de rommel maar aan een of ander onbekende meegegeven”. Het is jammer dat ik niet rook, want bij het ge­sprek   werd   mij   in  weinige  minuten  vijf maal een sigaar aangeboden …… Men kan de leeuwen nu bewonderen aan de Grote Sparrenlaan te Bennebroek (zie 3e foto). Dat heb ik weer in Warmond vernomen. Er is f 3.000 voor betaald. Per stuk of voor samen, dat weet ik niet meer. Lisse, daar ga je!

 

De grenspaal met de initialen van Frans Gerard Eissink staat in het Keukenduin. Een tweede exemplaar vindt men ergens in een privétuin in Lisse.

Nu nog de paal aan de Essenlaan. Vroeger heette dit hier allemaal Catharijnelaan, ge­noemd naar Catryn, weduwe van Gerrit Amelrycx Graef, die hier enige percelen bezat. De oorspronkelijke “Eslaan” is de weg langs de boerderij “De Phoenix”. Terwille van de eigenaar van de buitenplaats Wassergeest is het eerste stuk der “Trynelaan” een honderdvijftig jaar geleden een stukje naar het zuiden verlegd. Vroeger lag ze in het verlengde van de Tweede Poellaan.

Maar nu terug naar die bepaalde paal. Aan de ene kant staat “Van der Lyn”, naar de toenmalige eigenaars van Groten­hof; aan de andere zijde “Sypesteyn”, de bezitter van Akervoorde, ter plaatse van het huidige bedrijf Berbee. Op het terrein van Keukenhof staat ook zo iets. Zo’n paal gaf de grens tussen de land­goederen aan.

Nog weer een paal. Die staat aan de Leidsevaart en geeft exact “Halfwegen” aan. Dat was belangrijk; het stuk van daar naar Leiden moest door die stad worden onder­houden, Haarlem moest zorgen voor de vaart en de weg naar het noorden. Vandaar die prachtige wapens! Die waren zo veel als een handtekening.

Weer een andere paal; een mooi gecanneleerd Ionisch zuiltje. Typisch Renaissancekunst van omstreeks 1550/60. Het is hoogst waarschijnlijk afkomstig van het in 1799 gesloopte huis Veenenburg. (Later heeft men weer een nieuw Veenenburg gebouwd, dat in 1913 is verdwenen.) Het zuiltje is thans ingemetseld in de buitenmuur van het “Zwitsers speelhuis” op Keukenhof.

Grote palen met stenen manden mei bloemen en fruit staan aan de oprijlaar van Keukenhof. Ze zijn afkomstig van het voormalige huis Puikendam aan de Noord-wijkerhoutse Kerkstraat en pas in 1912 door Keukenhof aangekocht.

 

De palen van Dever zijn nog te nieuw en de dekplaten der palen van het ingangshek van Akervoorde liggen — o droevigheid — als schampstenen bij een inrit aan de Akervoorderlaan. Als de grootste drukte in de bollen voorbij is, zullen ze — zo heeft men beloofd – van die plaats der schande wor­den weggenomen. Van de eigenaardig ge­vormde grenspalen der Gemeente Lisse staat er nog een aan de Loosterweg. In mijn jeugd stonden er nog meer; ik vond zo iets bijzonder gewichtig en belangrijk. Tegen­over “Demarcatie” aan de Heereweg heeft jaren lang een afgebroken exemplaar aan kant van de weg gelegen. Waar zou dat zijn gebleven?

En nu nog die antieke vaas op die moderne piedestal, ook ai op een paal. Waar die te vinden is, moet u nu zelf maar zien te ont­dekken. Er zijn trouwens nog veel meer interessante palen in Lisse. Daar moet ieder die van zijn dorp wil houden nu maar goed op gaan letten. Het bestuur van de gemeen­te zal natuurlijk daarin voorgaan.

“HALFWEGEN TUSSEN HAARLEM EN LEYDEN”; De rommeling. (28)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Huize Halfweg. Tekening van J. v. d. Kloot uit 1772

“Ik ga bezien het lieflijk Halfwegen, Daar het kanaal bij heen stroomt en gelegen Voor de reiziger die elders henen wil Zeer dienstig, wijl het vaartuig nooit is stil.”

Aldus rijmde onze Jan de Graaff Szn or streeks 1770 in zijn “Lisser Arkadia”. Op deze tekening van J. v.d. Kloot uit 177 ligt het vaartuig toch echt wel stil. Het “jagertje” gaat het paard van de trekschuit verwisselen, twee heren staan wat te praten en een ander heeft de behoefte gevoel zich na de lange, trage schuitreis in de richting van een boom te vertreden. Op de achtergrond is een hooiberg en daar zijn ook de stallen voor de trekpaarden. Welk een rust op Halfwegen. In ” ’t Roem waard Lisse” kan men over Halfweg en de landelijke bedrijvigheid ter plaatse nog veel meer lezen.

 

Het huis van de schippers

Aan de overzijde, vlak bij de brug, staat een alleraardigst huisje. Het zou nog veel aardi­ger zijn, als het niet een aantal jaren gele­den een dak met zware hardrode pannen had gekregen. Met oude pannetjes, zoals die nu bij voorbeeld liggen op het gerestau­reerde poortwachtershuis van Dever, en met een echte simpele deur — al zou die dan ook zijn vastgezet — en zonder dat te moderne hout en die huidige grote ruiten zou het een nog veel bekoorlijker geheel zijn geworden. Jammer dat het huis niet op de “Monumentenlijst” stond, want dan had men graag (en gratis) adviezen gegeven en ergens nog wel een stel oude pannen opgeduikeld. In het archief van Keukenhof is wel een en ander over het huisje te vinden en in het boek “Keukenhof” wordt het ook ge­noemd. Het eerst vernemen wij erover in 1753 als het thans verdwenen buitenplaatje Middelburg en zijn boerderij, de huidige boerderij der familie Van Graven, zal wor­den verkocht. Een advertentie in de ” ‘s-Gravenhaegse Woensdagse Courant van den 14den November A° 1753″ vermeldt: nog een Huysinge, erf en thuyn, groot circa 300 roeden, geleegen aan de Haar­lemmer Trekvaart omtrent de brug van Halfwegen”.

De verkoop is niet doorgegaan; de boer­derij en het bewuste huisje bleven nog ja­ren lang in het bezit van Maria Jacoba Johanna Tjarck, de enig overgebleven dochter van de vorige, overleden eigenaar. (Zie Leids Jaarboekje 1972.) Zij was ge­huwd met Jean Baptiste Francois George Graaf van Oultremont de Warfusée en woonde meestal in België. Maar in 1781 doet ze het toch van de hand. Dan verko­pen haar gevolmachtigen aan “de schip­pers van Leyden op Haerlem een huijs en erve met zijn schuldbrief, teeltuijn, weyland en bosje, staande ende gelegen aan de Trekvaart omtrent de brugge van Half­wegen, volgens de kaart van landmeter Cornelis Velsen d.d. 14 febr. 1727 500 roeden”. De prijs is f 699. Helaas is die kaart van Cornelis Velsen tot nog toe onvindbaar.

Wat moeten die schippers nu met dat huis? Ach!, soms bleef een schuit een nacht over, en dan moest er altijd iemand bij de hand zijn. Eventueel ook voor kleine reparaties. Toen in 1881 de N.Z.H.T.M, werd opgericht kwam er ook halverwege, in Hillegom, een remise met woningen voor het personeel. In 1843 was het met de schipperij gedaan; de trein reed en de schuiten hadden geen klanten meer. Toen verkochten de “schippers van het Volksschuitenveer van Haarlem op Leiden, wonende te Leiden”, hun gezamenlijk bezit aan Jhr. J. Steengracht van Oostcapelle, de eigenaar van Keukenhof. Het werd omschreven als “een huis, erf, tuin, wei- en boschland, gelegen in de Groote Looster onder Lisse, belend aan drie zijden den koper en voorts aan de trekvaart. “De schippers waren Pieter van der Velden, Johannes Rietber­gen, mede namens Cornelis Rietbergen en Jan Parmentier, “de eenige bestaande schippers van het Volksschuitenveer van Leijden op Haarlem en terug”. Ze konden geen bewijs van eigendom tonen, en dat is wel lastig. Voordat in de Napoleontische tijd het kadaster ontstond, diende men de vorige, perkamenten transportacten zorg­vuldig te bewaren! De schippers verklaren slechts, dat hun huis en erf al “sedert een onheuglijken tijd” toebehoort, en daar neemt men dit maal genoegen mee. Prijs f 2.500. Dan staat er nog, dat men tot 31 december 1845 vrijdom van grondbelasting had, “als geheel nieuw gesticht gebouw”. Het huidige huis is dus van omstreeks 1845, het vorige huis is dus toen (geheel?) afgebroken.

EGBERT VAN ‘T OEVER; De rommeling. (25)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Toen ik in “Holland” van augustus 1980 een artikel “Overduin te Lisse” had gepu­bliceerd belde al dadelijk iemand me op: “Je heb een grote fout gemaakt! Je heb Egbert van ’t Oever vergeten!” Wel stond op bladzijde 64 de naam Van ’t Oever vermeld, maar dat was niet genoeg! In volle overtuiging hoezeer ik toen ben tekortge­schoten, kan ik het bij dezen dan helemaal goedmaken.

Overduin met de Duinsloot

Egbert van ’t Oever is inderdaad in 1927 op Overduin geboren. Op ’t slootje voor het huis, de vroegere “Duinsloot”, had hij schaatsen geleerd. “Helemaal niet geleerd, toen ik vijf jaar was kreeg ik schaatsen en toen ben ik zó weggereden”. Zo gezegd een schaatswonderkind en dat is later ook wel gebleken! Hij is Nederlands kampioen ge­worden en heeft zeven jaar internationaal geschaatst. Thans is hij al weer bijna 25 jaar trainer bij de K.N.S.B., de Koninklijke Nederlandse Schaatsrijdersbond. Jaren bij de topploeg en nu weer enthousiast bezig met de jeugd van 17 tot 22. Dat gaat maar door, in het hele land en gedurende het hele jaar. Vooral nu sinds 1961/62 de kunstijsbanen kwamen heeft een trainer weinig rust meer. Maar het schijnt hem niet te deren.

Egbert van t Oever en Kees Verkerk

Op de foto staat hij met Kees Ver­kerk, ex-pupil en thans collega, tijdens de Olympische Winterspelen te Lake Placid in 1980. Maus Wijnhout, Herman Homma en Frans Kors, Rob Bisschops uit de Vin­cent van Goghstraat en Jaap Kortekaas, die nu in Voorhout woont, kunnen er ook heel wat van, maar Egbert van ’t Oever, Witte de Withstraat 17, blijft ongetwijfeld de ongekroonde koning van de schaats!

Maar bij schaatsen blijft het niet. Van ’t Oever was ook zeven jaar lang voorzitter van de Ren- en Tourvereniging “De Bollenstreek” en hard lopen doet hij ook! Toen ik hem ’s avonds bezocht zat hij heel vergenoegd in zijn fauteuil aan de koffie. Hij had zojuist 35 km hard gelopen: Zwartelaan, Veenenburgerlaan, Looster-weg, Beeklaan, langs de Leidse Vaart tot “de Sikkens” achter Sassenheim, dan naar De Kaag en langs de Ringdijk weer naar huis. Naast hem zat een sportieve, stevige boy, die Ben Hagen, de dameskap­per uit de De Ruyterstraat, bleek te zijn. Die heeft het laatst gepresteerd om 100 km te lopen in 7 uur en 32 minuten. Er zijn nog sportsmensen in Lisse!

Op de ene foto zien wij Overduin met de befaamde sloot. Het andere kiekje is door mijn broer Henk gemaakt met zijn nieuwe fototoestel op 19 april 1930. Ik was er zelf ook bij. Toen kon Egbert nog niet schaatsen. Of misschien kon hij het al wel, maar had hij nog geen gelegenheid gehad het te tonen!

Overduin in 1930 door Henk Hulkenberg

‘T LAMMETJE GROEN; De rommeling. (23)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Een allerliefst huisje, dat “Lammetje Groen”. Toen ik er een twintigtal jaren geleden met een dame uit de “Grosse Heimat” naar stond te kijken smolt ze hele­maal weg in een aller aandoenlijkste ver­ering. “Was ich da tun tate? Ich tate nichts tun. Ich tate da sitzen und glücklich sein”. Sommige mensen menen, dat het huis zijn naam te danken heeft aan een “eeuwenoud” tegeltableau met een lammetje in het groen. Maar dat klopt niet; dat is pas goed vijftig jaar oud. Het is omstreeks 1927 gemaakt in “Het Tegelhuis” te Alphen aan de Rijn en door Marseille hier keurig inge­metseld. Het staat trouwens lang niet vast dat het huis zijn naam aan een lammetje heeft ontleend. Omstreeks 1650 ontmoet men hier steeds weer de naam van een ze­kere juffrouw Lambertje of Lammetje. De Stalen Brug dankt zijn naam aan Jhr Van der Staal, de Magere Brug te Amsterdam aan de gezusters Magher en de Groenhazen-gracht te Leiden aan een zekere juffrouw Haasje Groen. Het zou dus best kunnen, dat dit huisje naar Juffrouw Lammetje is genoemd. Het is al veel meer dan 300 jaar oud en in 1780 weer goeddeels vernieuwd en vergroot. De bouwnaad is nog duidelijk waarneembaar. Het was toen een boeren­huisje in het weiland. Die jachtbossen zijn pas in het begin der vorige eeuw aange­legd, toen het huis met Keukenhof verenigd werd.

In het Leids Jaarboekje 1973 staat van blz. 139 tot 162 een uitvoerige studie over ” ’t Lammetje Groen” gepubliceerd. Grappig is, dat de bejaarde Dirk Cornelisz Langeveld 300 jaar geleden heel zijn heb­ben en houwen aan de chirurgijn verkocht, waarbij deze dan beloofde “de voornoemde Dirck Cornelisz Langeveld zijn leven lang gedurende, te zullen alimenteren ende on­derhouden in eten, drinken, kleden en re­den, hem in ziekte en gezondheid van node wezende” en ten slotte ook als het zover “denzelven eerlijk te doen begraven”. In later tijd woonde op ” ’t Lammetje Groen” Pieter van der Lans, die al een heel gezin had toen hij trouwde met de weduwe van Jan Mens, die zelf zes kinderen had van ongeveer dezelfde leeftijd. “Piet Lans” had nog wel iets anders aan het hoofd dan “da sitzen”! In 1917 is de ijverige Van der Lans overleden. Zijn nageslacht en de familie Mens is in Lisse nog bijzonder talrijk.

Poelmarkt 50 jaar

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 januari 2025

 door Nico Groen

De Poelmarkt en de etagewoningen daaromheen zijn in 1974 opgeleverd. Vorig jaar dus 50 jaar geleden. Op 8 mei 1974 opende burgemeester Berends, door het in gebruikstellen van een neonverlichting, het nieuwe winkelcentrum. Onderstaand verhaal is ontleend aan het boek  ‘Kroniek van Lisse 1970 tot en met 1979’ van Arie in ’t Veld.

Eind zestiger jaren werden veel woningen in de Poelpolder gebouwd. Het gemeentebestuur vond dat de winkels in het centrum van Lisse te ver waren voor de nieuwe bewoners. Daarom werd besloten noodwinkels in garageboxen in de richten. Eind november 1969 werden de winkeltjes geopend in de garages op het binnenterrein van de huizen aan de westkant van de Ruyshornlaan.

De betreffende winkeleigenaren wilden later natuurlijk in de nieuwe Poelmarkt ook een winkel. Men wilde het onmogelijk maken dat een groot winkelbedrijf van elders zich hier zou vestigen. Besloten werd om alle benodigde grond van de gemeente te kopen. De gemeente wilde wel meewerken, maar wel met de eis dat binnen 5 jaar een winkelcentrum gebouwd moest worden, zodat de garageboxen beschikbaar kwamen voor de bewoners.

Opening op 8 mei 1974

In 1973 werd door W.J.E. Tissing, voormalig president van BV Winkelcentrum Poelpolder, de eigenaar van de grond, de eerste van 500 palen voor de bouw van de Poelmarkt geslagen. In het winkelcentrum zouden 16 winkeltjes worden gerealiseerd. Op 8 mei 1974 opende burgemeester Berends door het in gebruikstellen van een neonverlichting het nieuwe winkelcentrum met een bijltje dat 5 jaar eerder ook gebruikt was bij de opening van de noodwinkeltjes. Hij sprak hierbij de legendarische woorden: “Ik wens het eendje uit het Poelpolderembleem een behouden vaart”. Voor degenen die zich afvragen wat dit eendje in het embleem van de Poelmarkt deed: men koos bij het ontwerpen voor een ‘poeleke’ oftewel een eend.

Galerijwoningen

In juni 1973 werd het plan bekend gemaakt dat woningbouwvereniging ‘Het Gezinsbelang’ 60 galerijwoningen zou bouwen rondom het winkelcentrum. Het Gezinsbelang zou aan beide zijden van het winkelcentrum 2 woonblokken van 2 lagen bouwen voor sociale verhuur. Uiteindelijk werden 58 woningen gerealiseerd. Een maand na de opening van de Poelmarkt werd de eerste paal voor de bouw van deze 58 appartementen rondom het winkelcentrum geslagen. Binnen 3 maanden werden deze galerijwoningen gerealiseerd. Aan burgemeester Berends werd de eer gegund om in augustus 1974 de gedenksteen in te metselen. Aan de kant van de Händelstraat en van de Verdistraat werden toen vlak langs de galerijwoningen zuiliepen geplant. Het zijn bomen die een smalle en hoog opgaande groei hebben en mooi passen op die plek. Het zijn nu grote bomen met een monumentale uitstraling. De bewoners hebben er geen last van, want de zuiliepen staan allemaal langs een blinde muur.

In het laatste kwartaalblad van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” staat een artikel van 2 pagina’s over de galerijwoningen rondom de Poelmarkt. Ook staat er bij de foto van de voorkant van het Nieuwsblad informatie over de Poelmarkt.

Foto: De voorkant van het laatste Nieuwsblad van de VOL met een foto van de Poelmarkt
Foto: PR