De waterwolf eindelijk getemd

In de Nieuwsbladen van de VOL nummer 4 van 2019 en nummer 1 van 2020 staan 2 delen over de Waterwolf, die het Haarlemermeers was. Deze artikelen van A. de Koning zijn danig veranderd en ingekort ten opzichte van het originele artikel. Het originele artikel is hier vermeld.

Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg.

 door Arie de Koning.

30 april 2020

Wat voor wereldbeeld had de laat middeleeuwse inwoner van Lisse en zijn kinderen in het steeds veranderende landschap om hem heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uit maakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, incluis zijn fuik. Ter illustratie: het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531  groot 5600 Ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10570 Ha.

KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is de Meer zelfs 16600 Ha groot geworden terwijl er toen daarvoor toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.

In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”.”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14450 Ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.””Ook de Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden  zijn dan nagenoeg verdwenen.”  Evenals de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp.

De bodem van de Meren bestond uit veen  met daaronder een vette kleilaag en de losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trok een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken alleen bedroeg van 1771 tot 1845 al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, bracht bij de drooglegging van de meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op.

In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we op bladzijde 104 een verhandeling van ene Symon van Leeuwen* welke de situatie zoals deze in ca 1500 was beschrijft.

“Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde** droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.”

*   Symon van Leeuwen stierf in 1682 en zijn werk werd na zijn dood uitgegeven. Hij praat dus over het jaar 1500

** Een kodde is een oude benaming voor een polsstok, ook wel verrejager genoemd

De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de meer  steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsaterwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was en dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Geografische blik

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name die dorpen welke aan het Meer lagen en waar hoogst waarschijnlijk  zich regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur  van Lisse in het noorden is eeuwen lang het Ambacht Vennep geweest. Weggedrukt tussen Hillegom en het Meer kreeg het al eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep? Het bestaat al eeuwenlang want in een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer Noord-Zuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout. Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door  Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we de zelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt dat ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel verandert. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig was dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want zij grensden niet eens aan elkaar. In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burggravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp ge-noemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouwe Ambocht van Voorn.”

In het charter van 30 maart 1339 wordt gesproken dat de Vrouwe van Voorn in leen gekregen had van graaf Willem III, Hillighem ende Vennep (dus Burggravenveen). Maar deze graaf stierf op 7 juni 1337  en de Heerlijkheid Voorne, met het bij behorende Burggravenschap van Zeeland, werd pas op 30 september 1337 aan Machteld van Voorne, echtgenote van Dirck heer van Montjoie en Valkenburg in leen gegeven, terwijl het voor die tijd in mannelijke handen was. Machteld van Voorne kan dus niet de eigenaresse zijn geweest. Het was dus Katharina van Durbuy, de weduwe van de in het jaar 1287 overleden Albrecht van Voorne. Katharina treedt op als Voogdes Vrouwe van Voorne. Zij kreeg tussen 1287 en 1291 van graaf Floris V de leengoederen van Teijlingen, die toen door het uitsterven van de rechte lijn van dat huis aan graaf Floris V waren terug vervallen.

Katharina van Durbuy, dochter van Gerard van Luxemburg en Machteld van Kleef, stierf op 26 september 1328, hertrouwde in 1297 als weduwe van Albrecht van Voorne, met Wolfert I van Borselen, heer van Veere. Wolfert is niet lang met haar getrouwd geweest, in 1299 werd hij in Delft na een conflict met het stadsbestuur gelyncht. Wolfert had zich naar de zin van de Hoge Adel te veel macht toegeëigend als regent voor de jonge zoon van Graaf Floris V, Jan I van Holland. Het schijnt dat Gerard Dever, de vader van Reinier Dever, heer van Lisse, betrokken was bij de moord op Wolfert.

Haar beide echtgenoten waren burggraaf van Zeeland, twee belangrijke edellieden in Holland en Zeeland. Als Vrouwe van Voorne, Vrouwe van Teijlingen en burggravin van Zeeland was zij een zeer prominente vrouw in Holland en Zeeland. Zij wordt genoemd als mogelijke minnares van graaf Floris V, volgens de bekende historicus Fruin, maar dit wordt niet door bronnen ondersteund, privé zaken werden meestal niet opgeschreven, er bestond ook nog geen tijdschrift als Privé. Na haar dood verviel Teijlingen weer aan de graaf van Holland.

Op 30 maart 1339 werd “Hillighem met dat Vennep, welk er toe behoorde,” door graaf Willem IV weer in leen uitgegeven aan Arnout van Haemstede en op 31 maart 1339 het huis Teijlingen en de ambachten Voorhout en Lisse aan heer Simon van Benthem en zijn vrouw Agnes van Bokel. Na hun overlijden vervielen deze lenen weer aan de graaf. Lisse had na de Benthems nog vele andere heren.

Er was dus van alles te doen over het ambacht Vennep. Er hebben zich in de loop der tijd geen of maar enkele mensen op de eilanden gevestigd, zoals blijkt uit de lentebeden. In het jaar 1345 werd er nog 20 schellingen af gedragen maar daarna niet meer: “daer wonen geen huysluyden.” Vanaf het vaste land van Hillegom liep de Venniperlaan naar het schiereiland Vennep waar een veer zorgde voor overtocht over het stroompje Fennepa naar de oever van de overkant genaamd ’T Veer. Dit veer was eigendom van de heer van Teilingen. Vandaar kon men via de landtong over droog land oversteken naar de Ruijgenhoek en zo via Aalsmeer naar Amsterdam en Utrecht of via Leimuiden Amstelland in rijden. Ook bestond er een droge route vanaf Haarlem en Vijfhuizen naar ’T Veer.

Het derde eiland, Beijnsdorp genaamd, was het grootste. Het bestond hoofdzakelijk uit hooiland en werd verder niet bewoond. De enige bebouwing was een ruïne van een molen en een provisorische schuilhut. De eilanden werden door het water langzaam verzwolgen en zijn uiteindelijk geheel verdwenen in het water, Beijnsdorp het laatst.

Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok  ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en  Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgestelt door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van  het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het accoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse.

Opvallend was dat Burgemeester Adriaan Geel en Ambachtsbewaarder Henrik Hoogkamer, beiden van Lisse, niet konden schrijven, maar zij ondertekenden met een merkteken. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel:

“Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is nog maar de helft van de titel van de kaart, die ik u verder besparen zal, die  op wat spellingfouten na, zeer nauwkeurig is vervaardigd.

Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. De groene lijnen op de ingekleurde kaart is de grens van 1746 en daarop wordt duidelijk welke enorme hoeveelheid land door het water is verzwolgen. Amsterdam begon zich nu serieus zorgen te maken over die enorme vijver in zijn achtertuin. Het was inmiddels 1746 en eigenlijk waren zij met die zorgen een eeuw te laat.

Kaart van Bolstra uit 1739 waarop de Haarlemmermeer staat aan gevenenen.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg, loopt vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde; van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruige Hoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven.

In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten  naar de Vijfhuizerhoek en Zuid Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart  Haarlem – Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem – Leiden.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond

Het eiland in de oude Haarlemmermeer, Beinsdorp genaamd, behoorde tot de Banne van Leimuiden. Waarschijnlijk was dit historisch gegroeid toen Beinsdorp nog aan het vaste land vast zat. Het was onbewoond, slechts 78 Hectare groot en werd verpacht als Hooiland. Er stonden volgens beschrijvingen twee vervallen watermolens en een schuilhok. Dit was in 1543. In 1582 vinden we dat het eiland geminderd is en dan nog maar 62 Hectare groot is bevonden. In rap tempo was het meer bezig Beinsdorp te slopen. Toch is het eiland als laatste overgebleven samen met Abbenes in het verenigde meer.

Het volgende dorp is Hillegom en daar is genoeg over gezegd.

Dan gaande in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit kleine dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Het gebied viel grotendeels onder de belening van de Heer van Heemstede, de steenrijke Heer Jan Scheven van Bennebroek. Deze Edelman bouwde zich een kasteel op de hoek van de tegenwoordige Gedempte Oude Gracht en het Spaarne, net buiten de kersverse muren van de eveneens kersverse Stad Haarlem waarvan de mortel nog niet was uitgehard. De Haarlemmers konden de grap niet waarderen, het benauwde ze want zo konden zij niet uitbreiden. Daarom werd de familie Scheven weggekocht waarna zij in Leiderdorp verder meanderden. Het gebied wat bedoeld wordt met Bennebroek  krimpt in de volgende eeuwen drastisch ineen. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). Tot die datum behoord Bennebroek bij de Ambachts Heerlijkheid  van Heemstede van de bekende Adriaan Pouw. Pouw blijkt zijn gigantische  nalatenschap goed geregeld te hebben . Bennebroek werd toegewezen aan zijn zoon Adriaan Pouw en Heemstede aan de andere de oudste zoon,  Gerard Pouw . Dat gebeurde in 1653. Bennebroek bouwde zich een Kerk waardoor questie ontstond met de Kerk van Heemstede welke ruzie jarenlang het dorp lam legde. We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp, handelende als notaris te Bennebroek,  hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772) En het bestuur van het dorp Bennebroek vergaderden in “de Zwarte Hond” die  als Regthuijs dienst deed. Veel inwoners van Bennebroek  vonden werk in de Blekerijen, vanwege het zuivere duinwater daar gevestigd. Via Heemstede komen we bij de ingang van de rivier het Spaarne “de Voorburgh” met zijn Tonne of lichtbaken. In het Haarlemmermeer lag ter hoogte  van Heemstede het Eiland Myent welke de oevers van Heemstede in zekere zin beschermden.  Aan de overkant ligt Zuid Schalkwijk. Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan de Drecht. Sedert het begin van de 16e eeuw was de oever van Nieuwerkerk niet meer met de overzijde verbonden. De woningen in dit gebied stonden verspreid, de grootste concentratie werd (in de 17e eeuw) aangetroffen langs het Zuider Buiten Spaarne. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer; de huizen in Nieuwerkerk aan den Drecht stonden verspreid over dit schiereiland. In dit gebied woonden overwegend veehouders ofschoon er ook vissers woonden. Want voor 1610 was de visvangst op het Lutkemeer vrij. Na 1610 werd deze gepacht door de stad Haarlem. De ambachtsheerlijkheden Zuid Schalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk hebben tot in de 16e eeuw een eenheid gevormd met Rietwijk en Rietwijkeroord. Het dorp Nieuwerkerk aan de Drecht is in de loop der eeuwen door het Haarlemmermeer verzwolgen.

Daarvoor was de Kerk in 1467 al in oostelijk richting zover verplaatst als men een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de Kerk hier veilig zou zijn.  Hiermede werd ook de parochiegrens verplaatst  waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk wegens de gevaarlijke weg naar Nieuwerkerk aan den Drecht in Haarlem ter kerke konden gaan. Ook waren er geen vaste in het dorp wonende geestelijken meer in de steeds kleiner wordende dorpen. In 1690 spoelde Kerk incluis Kerkhof weg en was alle moeite voor niets gebleken.

Toen Nieuwerkerk aan den Drecht na 1680 bijna geheel verdwenen was, werd Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beiden zijden van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. Deze weg is voor 1505 goed begaanbaar volgens getuigenverklaringen uit die tijd, met kon met paard en wagen gebruik maken van de Herenweg. Na 1510 is er geen directe oeververbinding meer. Op 24-09-1509 vond er een dijk doorbraak plaats in de dijk langs het IJ bij Halfweg. Een gevaarlijke situatie was ontstaan. Dit gat bleef tot de zomer van 1510 open, er was geen geld voor reparatie! Inwoners van Nieuwerkerk aan de Drecht en Rietwijk hebben in de winter 1509-1510 nog pogingen gedaan het gat in de Herenweg te dichten, het gat bij Halfweg bleef echter open tot de zomer zodat de dichting in de Herenweg, die uit puin en rijshout bestond, door de eerste echte storm van 26 mei 1510 weer werd weggeslagen. Het was om moedeloos van te worden. Het gat bij Halfweg werd hierop gedicht. Men had een Kogschip gekocht en deze het gat in laten varen en dat pakte goed uit. De Herenweg besloot men niet meer te herstellen. De andere oever, de westelijke, minder te lijden van de afkavelingen. De meest westelijke oever van Zuid-Schalkwijk  werd pas na 1640 aangevallen nadat het onder Heemstede  ressorterende eiland Myent compleet was weggespoeld. Ter illustratie: Nieuwerkerk aan den Drecht had anno 1838 nog maar één huis over en lag op 48 Hectare grond. We gaan verder naar het noorden.

De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen, binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland die de zorg voor de dijk overnam. Op 5 maart 1578 voor Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanen en op 28 mei 1593 kwamen Sloten en Sloterdijk  onder het Waterschap. Dit bleek een goede zet te zijn. De ambtenaren en bestuurders  van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten. Zo’n Hoogheemraadschap ontstond uit een zg “Eening een vrijwillige aaneensluiting van belanghebbende grondeigenaren. Rechtspraak en Bestuur bij bovenlokale water aangelegenheden waren in handen van het Hoogheemraadschap. De voorzitter trad op in naam van de Landsheer de Graaf en werd de Dijkgraaf genoemd. Dat het Hoogheemraadschap  macht bezat wordt duidelijk  wanneer men een bezoek brengt aan het museum in Leiden. Daar bevinden zich een galg en meerdere soorten brandmerken als verlengstuk van hun macht. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet.

Nieuwerkerk aan den Drecht, Vijfhuizen en Schalkwijk behoorden tot de eerste Ambachten die tot het Hoogheemraadschap van Rijnland werden gerekend.

Lisse

Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Ook Lisse ?, ja ook Lisse.  Het gehele Ambacht Lisse was in 1583 groot 1321 Hectare. Nu bleek in dat jaar dat er in de Lisserbroek en de Roversbroek in totaal 10 Hectare land te zijn weggeslagen. In 1615 leverden Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse, een Request in bij het bestuur van Rijnland om remissie over morgengelden voor 42 morgen en 129 roeden. Het is niet vanwege de nagemeten verloren landen, maar door de verschillen in de totaalsom tussen de landmeters Balthasar en van Edam dat het bestuur van Lisse de vermindering afleidt. Het is dus nog geen bewijs dat tussen 1588 en 1613 dat werkelijk heeft bedragen en bovendien is het ongeveer zes keer zoveel als de normaal geleden afslag van land. Niet bekend is of het bestuur van Lisse remissie heeft gekregen. De afslag van Lisse tussen 1544 en 1613 is niet 42 morgen, maar zij moet evenredig zijn geweest aan die van 1544 tot 1587 en die bedroeg 10 Hectare, dus komt het geheel op zo’n 16 Hectare. Zeg maar ‘ietsje’ minder dan de ruim 37 Hectare welke Lisse in het Request zegt te zijn verloren. Hierin is begrepen de afslag van de Roversbroek, dat toen een eiland was, aan beide zijden. Dit kan nooit veel zijn geweest aangezien de Poel, welke aan de westzijde van de Roversbroek lag, een tamelijk smal water was, en het Kagermeer en Langerak, aan de oostzijde gelegen, hoewel veel breder, door hun ligging niet veel schade konden aanrichten aan de Roversbroek. We kunnen voor het gedeelte van Lisse vanaf de Greveling tot de grens met het ambacht Vennep, dat is een goede 2500 meter, met een gerust hart 15 Hectare afslag aannemen, met die verstande dat de afslag in het noorden bij de grens met Vennep groter zal zijn geweest dan bij de relatief beschutte Greveling.

Lisse had dus niet zoveel last van afslag van land, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd overgezet door het veer en zo naar de Ruigehoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk al eeuwen lang aangewezen op Leiden waar zij ook goede contanten mee onderhield. De drie Hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, welke werd uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord welke getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen welke plaats vonden in de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.”

Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen  (verleden tijd van gewassen) alsoo de Schippers getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.”

Ook een inwoner van Lisse komt voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok!

Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaat over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T Veer. Een geroeide boot kon er niet tussen door, de spanen kwamen dan op het land, en passeren was helemaal niet mogelijk.

Er is ook nog sprake in de morgenboeken van Rijnland, van een eiland “Myent” dat onder Heemstede lag. Dat eiland was in 1544 nog 6 Hectare groot en was in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes op de kaart, die tesamen niet meer dan een tiende Hectare waren. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kreeg door het verdwijnen van Myent nu de volle kracht van het meer en de afslag van die oever nam zienderogen toe. Noordooster stormen teisterden de eindeloze watermassa welke met lange aanlopen hun verwoestende krachten lieten botvieren op de oeverversterkingen die het niet konden winnen van de kracht van de vlottende watermassa. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan en werd in feite alleen nog beschermd door de Voorburgh, een schiereiland bij de uitmonding van het Spaarne in het Haarlemmermeer. Ook het iets zuidelijker gelegen Bennebroek, toen nog Benningbrouck genaamd, had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van het Haarlemmer Hout in het westen waar vandaan regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen met de westenwinden en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor zij steeds meer land. Met name ter hoogte van het Man Pad, waar Bennebroek op zijn smalst is, was een gevaarlijke situatie ontstaan. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek dan ook diverse keren de waterkeringen hersteld evenals bij Vijfhuizen. Dit laatste dorp, welke voor het eerst werd vermeld in 1531, is in zijn geheel verdwenen behalve als eerder vermeld de Kerk, die is gespaard gebleven.

Door de mens is het Meer wel geholpen om zijn vraatzucht te bevredigen. Het ontgraven van turf in de nabijheid van de oevers was niet bevorderlijk voor het behoud van die zelfde oevers. Natuurlijk wist men dat het fout was met de ontvening door te gaan, maar er speelden te veel belangen. In 1392 is er al een poging gedaan om het te verbieden en in het archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland  vind men tal van keuren en ordonnantiën daar over.

Met name de stad Leiden was gebaat bij zoveel mogelijk uitvenen en het liefst zo dicht mogelijk bij de oevers. De kans op vereniging van de meren was dan het grootst. Leiden torpedeerde iedere poging tot verbod op het turfsteken en had als reden daarvoor dat de arme huijsluyden dan geen werk en turf meer hadden. Dit was niet helemaal de waarheid. Leiden had forse inkomsten uit de visrechten én de veenrechten, welke het bezat voor de zuidelijke meren en wilde deze niet zomaar prijsgeven. Het was eigenlijk dagelijks bagger gooien tussen de Vroede Heren van Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Natuurlijk waren er zoals altijd vindingrijke figuren welke probeerden onder de verbods bepalingen uit te  komen.

Zo lezen we in een Keure van 18 september 1638 van het Hoogheemraadschap van Rijnland;

“Also tot kennisse van Dyckgrave ende Hooge Heemraden van Rhynlandt was ghekomen, hoe dat eenighe personen hun onderstaen, om een kleyne prijs, eenighe veenackers in de veenambachten op te koopen, ende deselve ackers inde lenghte van sestich, vijfftich, veertich ende meerder roeden onderwater weten los te sagen, ende met een bequame wint, achter hare scheepen vast te maken ende in andre quartieren ende Jurisdictiën te vervoeren ’t zy de selve Ackers aende Meeren of binnens ’s landts ghelegen syn, maakende so groote plassen van water tot merckelijcke prejuditie van alle de landen in ’t gemeen, ende contrarie den Placcate. Soo ist.”

 Door deze Keure werd een boete in het vooruitzicht gesteld van 140 ponden en dat was een boel geld in die tijd. Het bleek dat de inwoners van Lisse ditmaal niets met deze fraude van doen hadden, maar de boosdoeners werden gezocht en gevonden in Leimuiden.

De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gespreksstof. Toen in 1840 Jonkheer van der Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het Meer, trok dat ook internationale belangstelling.

In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel  wat genaamd was;

“Vergrabene und Versunkene Schätze” door R. Zander;

“Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse Armada  voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

 De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch wel ontzettend onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer.

Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het Meer een Eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig tot veertig duizend zielen.

Op het meer is menig schipbreuk geleden en menig gevecht uit gevochten, waarbij vele Hollandse en Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden met sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel zwaar tegen.

De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden bestond uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van vis.

Sight aan de Haarlimmermeer genaamt Lis Pieter Idserts 1689-1781 Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

 

Bronnen: Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643

Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892

Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.

Archief Hoogheemraadschap van Rijnland

A.A. Beekman: strijd om het bestaan

  1. Ramaer: Haarlemmermeer

©2019 Arie de Koning