HET JAAR 1911; De rommeling. (114)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

De Heer A. Raaphorst Hzn. schrijft:

Het jaar 1911 heeft zich vooral gekenmerkt door twee belangrijke feiten. Het eerste was, dat in de nachten van 5, 6 en 7 april eene zoo strenge vorst heeft geheerst, dat de temperatuur sinds het jaar 1849 zoo laag niet was geweest. Niet alleen dat de nachten zich kenmerkten door eene vorst van 12 graden Fahrenheit (11° C), maar ook overdag was het volkomen winter. Een dag van sneeuw en hagelbuien uit het noord-oosten ging deze driedaagsche vorst vooraf. Het spreekt vanzelf, dat een zoodanige vorst gedurende 3 dagen en nach­ten, gepaard met eene zeer scherpe oosten­wind, aan de bolgewassen, vooral aan de hyacinthen en tulpen,

ontzaggelijk veel schade heeft aangericht. Ook de grasvel­den waren doodgevroren. Om een duidelijk voorbeeld van deze winter te geven kunnen wij melden, dat in de Brasemermeer en andere groote

plassen het grondijs liep en dat men op verschillende plaatsen in de voormiddag schaatsers zag rijden. Niet alleen de bloembollenkweekers had­den schade, maar ook de veenboeren, want alle reeds gestoken turven waren aan stof gevroren en ook de bovenste laag van de mengturf was bevroren. Zooals men ons mededeelde had men in de bollenwereld nog eens in de maand April eene dergelijke vorst gehad, maar niet zóó streng en ook niet van zulk een lange duur. Dat was in het jaar 1880. Het tweede merkwaardige feit van het jaar 1911 was de ontzettende droogte in de zomer. De menschen op gevorderde leeftijd hadden altijd de mond vol gehad over de droge zomer van hetjaar 1868 maar die­zelfde menschen moesten getuigen, dat de droogte van het jaar 1911 nog veel belangrijker was.

In het jaar 1868 heeft men gedurende de droogte alle nachten zooda­nige dauw gehad, dat men in de morgen zou verondersteld hebben, dat het had ge­regend. Vandaar dat de veldvruchten eene rijke oogst gaven en van zeer beste kwaliteit. Maar in het jaar 1911 heeft het gedurende het tijdperk van droogte slechts een paar nachten gedauwd, zoodat in dat jaar de veldvruchten, ten minste de meeste, waren verdroogd en geen of weinig oogst gaven. De boeren moesten hun vee met winter­voer voeren, zooals met meel en lijnkoek. Daarbij kwam nog, dat in die zomer op ontzettende wijze het mond- en klauwzeer heeft geheerscht onder het vee. Van rijks­wege werden op alle uitgangen der wegen politieposten uitgezet voor het toezicht op de in- en uitvoer van het vee. Dit kostte alleen voor de Gemeente Lisse f 1.500! Dat de land- en tuinvruchten onder deze omstandigheden ontzettend duur waren, behoeft geen betoog. Wortelen werden bij voorbeeld verkocht voor f 2,50 per 50 K.G.! Na half September ging het eindelijk regenen, maar dit gaf natuurlijk voor de weilanden en veldvruchten niets meer. Wij hebben boven gesproken over twee merkwaardige feiten die het jaar 1911 hebben gekenmerkt, maar het zijn eigenlijk drie feiten, want de storm in de nacht 30 September op 1 October was eveneens een merkwaardig feit, ook voor Lisse. In dien nacht namelijk heeft langs de geheele Noordzeekust een zoodanige storm gewoed als in geen jaren was gebeurd. In de bosschen van het Kasteel Keukenhof werden ruim 100 zware boomen vernield, welke ten deele waren ontworteld en ten deel door midden waren gebroken. Behalve aan deze bosschen was er ook nog schade aan­gericht aan huizen en boomen in het ge­heele dorp. Het behoort wel niet bij deze beschrijving, maar wij willen toch nog melden, dat er in het Haagsche Bosch niet minder dan ruim 5000 boomen vernield werden. In het Zeeuwsche dorp Bruinisse werden van de 144 vissersschuiten 120 totaal vernield. Bovendien werden alle vissersvloten danig geteisterd en gehavend.