Brand op de boerderij van Keukenhof in 1705

Op 26 juli 1705 stond de hofboerderij van Landgoed Keukenhof in brand. De boerderij, de hooiberg en de pasgebouwde schuur brandden af. Alleen het karnhuis kon worden gered. Diverse mensen worden ondervraagd door de eigenaar Hendrik van Hoven. De oorzaak was waarschijnlijk een vuur vlak bij de hooiberg, aangelegd door Andries Spruijt.

door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Inleiding

Binnen niet al te lange tijd zal een begin worden gemaakt met de restauratie van het casco van de boerderij van Keukenhof, alias de Hofboerderij. Het is één van de trotse monumenten die we tegenwoordig op het landgoed Keukenhof tegenkomen. Het heeft dan ook een lange geschiedenis achter de rug die al begint in 1643, kort nadat het nabijgelegen huis Keukenhof in gereedheid was gekomen. Die historie zit boordevol verhalen en anecdotes. Sommige daarvan zijn onbekend en andere komen we bij toeval tegen in archieven. Een toevalstreffer dus! Zo is dat ook met een brand die in 1705 gewoed heeft op de Hofboerderij. In dit artikel wordt daar nader op ingegaan.

Brand!

Zondag 26 juli 1705. Achter het huis Keukenhof bij de boerenwoning horen we geroep en geschreeuw. Een menigte mensen is bezig een fikse brand te blussen, die door onbekende oorzaak is uitgebroken op de boerderij. Uiteindelijk kan alleen het karnhuis nog gered worden. De boerenwoning echter, alsook de hooiberg en een pasgebouwde schuur, branden uit. Hoe had het zover kunnen komen?

De verklaring van chirurgijn Claas van Rode

De eigenaar van de boerderij, Hendrik van Hoven, had zo zijn eigen ideëen omtrent de oorzaak van de brand en verdacht de boer, Andries Spruijt. Op 2 en 16 maart en op 20 juli 1706 laat hij dan ook diverse mensen getuigen. Ze zijn unaniem van oordeel dat Spruijt door een daad van nalatigheid de brand in de hand had gewerkt. Zo verscheen op 2 maart 1706 voor de Alphense notaris Jacob van Dorp Claas van Rode, chirurgijn te Lisse.1 Hij verklaart dat Spruijt vanaf het voorjaar tot en met de maand juli van het jaar 1705 de boerderij van Keukenhof had gepacht van Hendrik van Hoven. Gedurende die periode was het meer dan eens voorgekomen dat Andries Spruijt ‘buijten het boerenhuijs’ vuur had aangelegd en wel vlak bij het karnhuis ‘omtrent een roede lengte van den hoijbarg’. 2 Spruijt was bezig om boven het vuur melkmouwen te blakeren, maar deed dat dus op een bijzonder gevaarlijke plek!3 Claas van Rode had het gezien en dacht ‘dat het wonder soude sijn indien daarvan geen brand in den Barg en soude komen’. En inderdaad, op diezelfde avond ontstond er brand in de hooiberg, waarna ook het boerenhuis in vlammen opging.

Diverse verhoringen

Op 16 maart 1706 wordt een aantal mensen ondervraagd over de brand op de boerderij van Keukenhof op last van Hendrik van Hoven.4 Allereerst is dat de tuinman van Keukenhof, Cornelis Everts. Verder komen we een zekere Annetje Cornelisdr. tegen, die tot de brand in juli 1705 in dienst was bij Andries Spruijt op de boerderij. Ook ontmoeten we Margaretha van Vries, die bevriend was met het echtpaar Van Hoven en op de Keukenhof bij hen inwoonde. Tenslotte komt Jan Mase aan het woord, die koetsier was bij Van Hoven. Allemaal zijn ze van mening dat Spruijt een uitermate lui en nalatig persoon was en zijn taken niet goed uitvoerde. Zo hadden Cornelis Everts en Jan Mase tijdens de hooibouw van 1705 op het land geholpen met hooien. Spruijt verrichtte de werkzaamheden evenwel niet naar behoren. Zo liet hij na om de twee wagens met hooi van het veld te halen. ’s Avonds, terwijl Spruijt al lag te slapen, heeft Everts toen de twee wagens van het veld gehaald. Hij liet ze achter bij de hooiberg in de veronderstelling dat Spruijt het hooi in de hooiberg zou steken, maar dat gebeurde niet.
De volgende dag stonden de wagens er nog steeds. Vervolgens ging het regenen, waardoor het hooi nat werd, want Spruijt had verzuimd het hooi behoorlijk af te dekken met stro, zoals gebruikelijk was. Hij stak nu het hooi nat in de hooiberg en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Diverse getuigen verklaren ook op die zestiende maart gezien te hebben dat Spruijt dikwijls een pijp rookte op gevaarlijke plaatsen, zoals vlakbij de hooiberg of tijdens het melken in de stal. Bovendien rookte hij vrijwel altijd een ongedekte pijp.5 Vragen om moeilijkheden dus! Verder bevestigt een aantal getuigen de verklaring van Claas van Rode dat Spruijt regelmatig vuur aanlegde bij het karnhuis, niet ver verwijderd van de hooiberg. Het viel Annetje Cornelisdr. bovendien op dat de brand in de hooiberg vooral woekerde aan de zijde waar Spruijt met zijn echtgenote diverse malen vuur had aangelegd.

Het woonhuis van de hofboerderij van Keukenhof . Foto:. A. in ‘t Veld

 

Laatste getuigenverklaringen

Op 20 juli 1706 verschijnen voor notaris Jacob van Dorp vier personen.6 Het waren Cornelis Onnosel7, gerechtsbode van Lisse, zijn echtgenote Titia ter Veer, Cornelis Gerritse de Swart, linnenwever van beroep en tenslotte een mevrouw Van den Berg, ‘tuinvrouw’ van beroep, weduwe van Cornelis Pieterse Larum. Onnosel – wat een prachtige naam! – verklaart in opdracht van Hendrik van Hoven dat hij uit diens naam Spruijt dikwijls had terechtgewezen. Hij had hem gezegd dat hij Van Hoven geen genoegen deed met zijn nalatig gedrag. Verder had hij tegen Spruijt gezegd ‘dat hij beter moest oppassen of dat hij de sak sou krijgen’. Hij had Spruijt op deze wijze diverse malen gewaarschuwd en telkens had Andries daarop geantwoord ‘dat hij beter oppassen soude’. De tweede en de derde getuige, Titia ter Veer en Cornelis de Swart, verklaren dat zij zich op de dag van de brand hadden bevonden achter het huis Keukenhof. Zij hadden gehoord hoe Van Hoven van leer had getrokken tegen Spruijt over ‘sijn traagheijt ende versuym’. ‘Twee uuren daar na’ hadden zij gezien hoe de hooiberg en het boerenhuis afbrandde. De vierde persoon, mevrouw Van den Berg, vertelt hoe zij in de maand juli van het jaar 1705 meermalen had gezien dat Spruijt en zijn echtgenote vuur aanlegden bij het karnhuis. Op 25 juli 1705, daags voor het uitbreken van de brand dus, had ze bovendien Spruijt een ongedekte pijp zien roken ‘digt aen de stijl van den hoijbarg’. Hij had vaker een pijp gerookt op plaatsen die brandgevaarlijk waren, zoals we reeds vernamen. Mevrouw Van den Berg had Spruijt daarover diverse malen aangesproken, want dat ‘daer uijt ongelukken ontstaen souden’. Al met al lijkt het er sterk op dat Andries Spruijt door zijn achteloosheid een ernstige brand veroorzaakt had, ondanks de vele waarschuwingen die aan zijn adres gericht waren geweest.
Inmiddels vragen we ons af wat, bijna een jaar na de brand, de zin was van al deze getuigenverklaringen.

Proces voor de vierschaar van Lisse, 1706

Al snel wordt duidelijk wat Hendrik van Hoven nu precies beoogde met de bovengenoemde verklaringen. Nadat de brand was geblusd, wilde Van Hoven Spruijt niet langer in dienst houden en werd hem dus ontslag aangezegd. Andries besloot hierop een brief te (laten) schrijven ter attentie van schout en schepenen van Lisse. In de brief lezen we dat hij ‘tot sijn leetweesen ende buijten sijn toedoen’ (!) genoodzaakt was een proces aan te spannen tegen zijn vroegere werkgever.8 Omdat hij echter ‘een arm boereknegt is en geenige de minste magt is hebbende’ verzocht hij door een procureur pro deo te mogen worden bediend. Die werd hem uiteindelijk toegewezen in de persoon van Jacob Camper.
Van Hoven werd dus voor het gerecht gedaagd! Vanuit dit oogpunt is het begrijpelijk dat de eigenaar van Keukenhof al gauw in de weer ging met het verzamelen van voor Spruijt belastende getuigenverklaringen. Het ging Jacob Camper namens zijn cliënt om het volgende. Spruijt had met ingang van 1 mei 1705 de boerderij van Keukenhof gepacht. De huurtermijn zou aflopen op 30 april 1706. Spruijt betaalde hiervoor de som van f 300,- per jaar. Hij had daarbij diverse zaken die zich in het boerenhuis bevonden tegen betaling moeten overnemen. Verder was overeengekomen dat Spruijt aan Van Hoven een Nieuwejaarsgift zou betalen ter grootte van een ducaat en ‘een gelijke ducaton’ met Kerstmis. De eiser, Andries Spruijt, had ‘in alle behoorlijkheid’ (de getuigenverklaringen spreken dat duidelijk tegen!) de tijd van drie maanden bij Van Hoven gewerkt. Daarna was hij ‘op een gans onbehoorlijcke wijse’ ontslagen. Omdat hij de huurtermijn niet had uitgezeten, wilde Spruijt nu een deel van de huursom terugzien. ‘Wijders een vierendeel booter, hondert pont kaas’ en hetgeen hij moest betalen aan vuur, licht en de vruchten uit de tuin die hij voor zijn huishouding nodig had. Het is duidelijk dat Spruijt in zijn eis behoorlijk ver ging. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat uiteindelijk de schepenen van Lisse de eis niet redelijk achtten en Spruijt veroordeelden tot het betalen van de kosten van het proces.9 En daarmee verdwijnt dan de naam Spruijt definitief uit de annalen van de boerderij van Keukenhof.

De schuren van de hofboererij van Keukenhof. Fot A. in ‘t Veld

Besluit

We zijn inmiddels ruim drie eeuwen verder. Er is niets meer aan de boerderij van Keukenhof te zien wat eventueel nog zou kunnen herinneren aan de grote brand van 1705. Niets aan het metselwerk en al helemaal niets aan de spanten van het dak, daar het oorspronkelijke houtwerk al in de negentiende eeuw werd vervangen.10 Wat dat betreft is het opvallend hoe snel bepaalde gebeurtenissen in het verleden, indien ze niet duidelijk zwart op wit werden gesteld, voor het nageslacht verloren kunnen gaan. Gelukkig is de brand vrij goed gedocumenteerd, waardoor we dit verhaal aan de vergetelheid hebben kunnen ontrukken.

Bronnen

1 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 56.

2 Een Rijnlandse roede is ongeveer 3,77 meter. www.wikipedia.nl

3 Een melkmouw was waarschijnlijk een langwerpige, ondiepe bak waarin men melk liet staan om die te ontromen. Het blakeren maakte mogelijk deel uit van een reinigingsproces. Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (achtste druk, ’s-Gravenhage 1961), p. 1233.

4 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 31.

5 Hiermee wordt een pijp bedoeld waarvan de zogenaamde ketel niet kon worden afgesloten middels een deksel.

6 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 67.

7 Waaraan de beste man zijn ietwat merkwaardige achternaam te danken had weten we niet. Onnosel betekende in het toenmalige taalgebruik dom, idioot of onschuldig. Naast gerechtsbode was Onnosel ook herbergier van het logement de Witte Zwaan.

8 Deze en navolgende gegevens ontleend aan: Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 93.

9 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 49, fol. 30.

10 Dit gezien de afmetingen van spanten en dakhout. Met welk soort materiaal het dak vroeger bedekt is geweest, valt niet met honderd procent zekerheid aan te geven. Het is goed mogelijk dat er aanvankelijk een rieten bedekking aanwezig was, maar dat men deze op een later tijdstip (bijvoorbeeld na de brand in 1705) heeft vervangen door dakpannen. Dit is ook bij boerderij Middelburg gebeurd in 1868. Met dank aan Ignus Maes.